Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 30 september 2017

Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Wilfried de Jong, Elie Wiesel, Henk Spaan

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

Uit: Heb lief en zie niet om

“Een afscheid en voorgoed, zover waren we dan eindelijk gekomen, Sarah en ik, zo diep verdwaald, en toen brak de oorlog uit. Nu ja, eigenlijk was de oorlog al uitgebroken, met het Frans-Engelse antwoord op de Duitse inval in Polen, wij werden er pas het volgend voorjaar in betrokken, in de meinacht van 1940, toen ik aan Sarahs lang gekoesterde wens om mij voor haar minnaar in te wisselen toegaf. Ik kon wel huilen toen ze me omhelsde, maar ik gunde het haar niet, het was niet omdat ze me ging verlaten maar omdat ik vreesde nooit meer te kunnen liefhebben. Onzin, ik had nog mijn eigenliefde, die moeder van de jaloezie, ik stond nota bene in het stuk der stukken, Sarah had me daarin gezien en bewonderd, Othello dus, als Jago nog wel, maar misschien werkt zo’n rol buiten het toneel eerder verduisterend dan verhelderend, in elk geval, toen de oorlog gestalte kreeg, geratel van afweergeschut, gebrom van vliegtuigen, gillen en janken van sirenes, geschreeuw van mensen die de straat waren opgegaan, trok ik Sarah, die zich wilde aankleden, terug in bed om haar te zeggen, toe te bijten, dat ik wel gek zou zijn om haar in dat tumult te laten gaan, dat ik mijn toezegging introk en haar zou tegenhouden als ze haar zin zou doorzetten en mijn overwinnaar in de armen vliegen.
Deze Kasper, een Duitser, een goede helaas, schrijver van enige naam, had een hoge dunk van mij, dat maakte alles gecompliceerder dan nodig was. Had ik hem maar kunnen verdenken van een poging mij met zijn loftuitingen onschadelijk te maken, maar hij prees mij oprecht als de acteur die ik in zijn ogen was. Nog nooit had hij een Puck gezien als de mijne, Shakespeare zou mij hebben omhelsd, een ogenblik leek het erop dat hij het in zijn plaats zou doen, hij boog zich al naar me over, onopzettelijk misschien maar wel nadrukkelijk ons verschil in lengte aangevend, hij met zijn een meter negentig torenhoog boven mijn een meter zestig, de eik die zijn schaduw werpt over het sparretje, dat geen ander verweer heeft dan het uitzetten van zijn stekels. Ik was wel op de hoogte van de verhouding tussen die twee, maar verdrong iedere gedachte eraan, uit zelfbehoud misschien, gebrek aan interesse of aan verbeelding, ja, eigenlijk kon ik het me niet voorstellen, hij zo duits als zij joods, hoe konden ze elkaar buiten de literatuur liefhebben.
Sarah had in literaire en politieke kring naam gemaakt met haar vertalingen van in Hitlers Duitsland verboden schrijvers die in ons land onderdak hadden gevonden bij een daartoe opgerichte afdeling van een Amsterdamse uitgever. In vliegende vaart, alsof de vijand haar op de hielen zat, vertaalde ze Klaus Mann, Egon Kisch, de al dode Ernst Toller, Arnold Zweig, en haar geliefde, die ik om welke reden ook, een menselijke hopelijk, alleen met zijn voornaam aanduid. Ingewijden zullen hem herkennen als de auteur die zich van het pseudoniem Heim bedient, om aan te geven waarschijnlijk dat hij zich overal thuis voelt of, pretentieuzer nog, dat iedereen zich bij hem thuis moet voelen. Er was voor de tortels gelegenheid genoeg elkaar binnen de grenzen te ontmoeten, Kasper verbleef meer dan eens in Amsterdam, als redacteur bij de Duitse afdeling van die genereuze Nederlandse uitgever.”

 2077449-54448c673160325470df00de18ea0378.jpg
Willem G. van Maanen (30 september 1920 - 17 augustus 2012)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Truman Capote op dit blog.

Uit: Parting Of The Way (The Early Stories of Truman Capote)

“Twilight had come; the lights from the distant town were beginning to flash on; up the hot and dusty road leading from the town came two figures, one, a large and power-ful man, the other, young and delicate. Jake's flaming red hair framed his head, his eyebrows looked like horns, his muscles bulged and were threaten-ing; his overalls were faded and ragged, and his toes stuck out through pieces of shoes. He turned to the young boy walking beside him and said, "Guess this is just about time to make camp for tonight. Here, kid, take this bun-dle and lay it over there; then git some wood—and make it snappy too. I want to make the vittels before it's all dark. We can't have anybody seein' us. Go on there, hurry up." Tim obeyed the orders and set about gathering the wood. His thin shoulders drooped from the strain, and his gaunt features stood out with protruding bones. His eyes were weak but sympathetic; his rose-bud mouth puckered slightly as he went about his labor. Neatly he piled the wood while Jake cut strips of bacon and put them in a grease-coated pan. Then, when the wood was ready to be fired, he searched through his overalls for a match. "Damn it, where did I put those matches? Where are they, you ain't got 'em, have you, kid? Nuts, I didn't think so; ah, here they arc." He drew a paper of matches from a pocket, lit one, and protected the tiny flame with his rough hands. Tim put the pan with the bacon over the small fire that was rapidly catching. The bacon remained still for a minute or so and then a tiny crackling sound started, and the bacon was frying. A very rancid odor came from the meat. Tim's sick face turned sicker from the fumes. "Gee, Jake, I don't know whether I can eat any of this junk or not. It doesn't look right to me. I think it's rancid." "You'll eat it or nothin'. If you weren't so stingy with that piece of change you got, we could a got us somethin' decent to eat. Why, kid, you got a whole ten bucks. It doesn't take that much to get home on."

 

 2077449-2a8165227fcc5f149570f4ead6421a91.jpg
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Hendrik Marsman op dit blog.

 

Het was donker

Het was donker,
hij lag op zijn bed.
hij had het raam op de haak gezet,
opdat het getij van de nacht
door de baai van zijn kamer kon gaan
en zijn dromen stijgen en dalen
op de golven der maan,
en hij dacht:
'hoe vaster ik slaap,
des te zwaarder slaapt het heelal,
hoe dieper ik ademhaal
hoe hoger de nacht
en het lied van de nachtegaal.
kan het zijn,
dat van Genesis af
het parabolisch Verhaal,
de Ellips der Geschiedenis -
tot het vuur van de Apocalyps
de laatste beelden verbrandt,
de luchter, het boek en het lam -
niets anders is
dan het vluchtige spiegelbeeld
van mijn slaap, tussen dromen verdeeld?'

 

 

Polderland

Ik loop door ’t polderland
onder de helle regen;
oneindig is het land,
oneindig zijn de wegen,

die naar de kimmen gaan;
in lage hemelstreken
heerst tussen zwarte kreken
het mistig licht der maan.

o, dertigstroomenland,
het volk dat u bewoont
versombert in krakelen
die geld en God verdelen,
purper en doornenkroon.

oneindig is het land,
oneindig zijn de wegen
die naar de kimmen gaan;
ik loop de morgen tegen
in ’t mistig licht der maan.

 

 

Voor het inslapen

In deze kleine kamer vind ik soms nog vrede.
al wat daarbuiten ligt heeft voor mij afgedaan;
wat rest mij nog, dan ‘Krieg und Frieden’ lezend,
tot mijn verwoeste dromen in te gaan?

 

 2077449-1391decd42c0cb3389a2bf59a24fcdac.jpg
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
In Italië in 1934

 

 

De Nederlandse theatermaker, tv-presentator, acteur en schrijver Wilfried de Jong werd geboren in Rotterdam op 30 september 1957. Zie ook alle tags voor Wilfried de Jong op dit blog.

Uit: Kop in de wind

“Net als op het vorige bord was elke letter van de naam in een andere kleur geschilderd. De a kwam als enige letter twee keer voor. Het deed me denken aan de waterverf van vroeger op de lagere school. Meer water dan verf. MONA LISA 100 M. Het pijltje zou me de weg wijzen naar een kraan. Mona Lisa; het kon een garage zijn, een zaak in schilderijlijsten, een bedrijf-je in truffelolie. Het maakte me niet uit, als er maar koud water uit de kraan kwam. Col de l'Homme Mort kon me gestolen wor-den. Het pijltje werd een pijl. MONA usa, stond er weer op, de let-ters nu twee keer zo groot als op het vorige bordje. Met als extra aanduiding: LAVANDE. De pijl wees schuin naar beneden, om duidelijk te maken dat je van de stijgende asfaltweg af moest. Een onverhard pad leidde naar beneden. Ik stapte af. Met kleine passen en aangetrokken remmen liep ik naast mijn fiets. De blokjes onder mijn wielerschoenen maakten het naar bene-den lopen verraderlijk. Aan het einde van het pad doemde een oud stenen huisje op. De pannen op het schuine dak waren overwoekerd door klimop. De deur was half afgeschuurd en stond op een kier. 'Bonjour: zei ik. Het bleef stil. Alleen de krekels gingen onverstoorbaar door met hun eentonige geluid. 'Allo?' riep ik, op weifelende toon, om aan te geven dat ik niets kwaads in de zin had. Er gebeurde niets. Voor het huis stond een kromgetrokken houten tafel. Tus-sen bosjes lavendel lag een stuk karton met een handgeschreven mededeling: Retour dans quinze minutes. Ik zette mijn fiets tegen een boom en trok de lege bidon uit de houder. Hoelang geleden waren die drie woorden opgeschreven? Misschien kwam de eigenaar van het huis al binnen een paar minuten aangewandeld. Ik keek op mijn horloge. Het was zes uur.”

 

 2077449-ca8b8c6e09d07aa72942b868290e00e9.jpg
Wilfried de Jong (Rotterdam, 30 september 1957)

 

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Elie Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Elie Wiesel en ook voor E. Wiesel op dit blog.

Uit: Night

“If in my lifetime I was to write only one book, this would be the one. Just as the past lingers in the present, all my writings after Night, including those that deal with biblical, Talmudic, or Hasidic themes, profoundly bear its stamp, and cannot be understood if one has not read this very first of my works.
Why did I write it?
Did I write it so as not to go mad or, on the contrary, to go mad in order to understand the nature of madness, the immense, terrifying madness that had erupted in history and in the conscience of mankind?
Was it to leave behind a legacy of words, of memories, to help prevent history from repeating itself?
Or was it simply to preserve a record of the ordeal I endured as an adolescent, at an age when one’s knowledge of death and evil should be limited to what one discovers in literature?
There are those who tell me that I survived in order to write this text. I am not convinced. I don’t know how I survived; I was weak, rather shy; I did nothing to save myself.
A miracle? Certainly not. If heaven could or would perform a miracle for me, why not for others more deserving than myself? It was nothing more than chance. However, having survived, I needed to give some meaning to my survival. Was it to protect that meaning that I set to paper an experience in which nothing made any sense?
In retrospect I must confess that I do not know, or no longer know, what I wanted to achieve with my words. I only know that without this testimony, my life as a writer—or my life, period—would not have become what it is: that of a witness who believes he has a moral obligation to try to prevent the enemy from enjoying one last victory by allowing his crimes to be erased from human memory.
For today, thanks to recently discovered documents, the evidence shows that in the early days of their accession to power, the Nazis in Germany set out to build a society in which there simply would be no room for Jews. Toward the end of their reign, their goal changed: they decided to leave behind a world in ruins in which Jews would seem never to have existed.”

 

 2077449-ed358917af9802817fe7d46d5d177e54.jpg
Elie Wiesel (30 september 1928 - 2 juli 2016)

 

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, schrijver, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Zie ook alle tags voor Henk Spaan op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit: Alle dagen voetbal

“Het Parool . `Je puntenrubriek is uniek, je maandagcolumn vervangbaar,' zei Frits. Mijn professionele identiteit wordt kennelijk door het voetbal bepaald. Ik kan wel denken dat het schrijven zelf de doorslag geeft, de zakenman kijkt naar de inhoud. Tot zover mijn functioneringsgesprek. Ik neem me vast voor hierop later terug te komen.
16 september
We hebben met 1-6 verloren van Vlug & Vaardig. Het was zo warm dat de leider van de tegenpartij en ik de scheidsrechter in de rust hebben verzocht de tweede helft in te korten. Het stond toch al 1-5. Mijn nieuwe assistent Pelle floot niet. Hij had daarvoor een vriend meegenomen, Wander, ook uit zijn en Sophies jaar. Wander ging akkoord met 35 in plaats van 45 minuten. We misten vier basisspeelsters. Roanne was op Romereis met school, Yarti 'zat vast in Vinkeveen', Jet moest de catering doen op de verjaardag van een tante en bij Mirjam was een moedervlek weggehaald (beide ouders arts). Ik kom uit Amsterdam-West en wil geenszins koketteren met een eenvoudige afkomst, maar dit waren toen ik zelf nog voetbalde geen redenen voor afmelding die onze leiders wekelijks ter ore kwamen. Laat staan dat meisjes voetbalden. De wedstrijd vóór ons van de Al liep uit. Aan de zijlijn keken we naar de slotfase. Opeens was het schreeuwen en slaan. De scheidsrechter gaf er twee rood. Eenmaal buiten het veld bleven de weggestuurde meisjes elkaar slaan en schoppen. Mijn speelsters ontging het incident totaal. Ik zag Sophie, Julia en Klaartje druk in gesprek. Ze kennen elkaar al vanaf de kleuterschool. Maud zwaaide een meisje van de tegenpartij gedag: klasgenootjes. Al die kinderen kennen elkaar. Zo heeft een van Wanders beste vrienden, Ewoud, acht jaar bij Sophie, Klaartje en Julia in de klas gezeten. Dat is autochtoon Amsterdam.”

 

 2077449-1c98aa11b7617a89171f84ff330e02d2.jpg
Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:16 Reageer op dit bericht

Roemi, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Ferdinand von Saar, Jurek Becker

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Roemi op dit blog.

Uit: Juwelen

 

Liefde fluistert me in het oor:
`Je kunt beter een prooi zijn
dan een jager.
Wees mijn dwaas -
verzaak de hoge staat van de zon
en word een stofje!
Kom, hang rond bij Mijn deur en word dakloos.
Doe niet net of je een kaars bent, wees een mot,
opdat je de smaak van het leven mag proeven
en mag zien dat er gezag schuilt in dienstbaarheid.'

 

 

Degene die het schuim ziet, verklaart het geheim,
terwijl wie de Zee ziet verbijsterd is.
Degene die het schuim ziet, neemt zich iets voor,
terwijl wie de Zee kent, zijn hart ermee verenigt.
Degene die de schuimvlokken ziet, wikt en weegt,
terwijl wie de Zee ziet, zijn bewuste wil heeft opgegeven.
Degene die de vlokken ziet, is voortdurend in beweging,
terwijl wie de Zee ziet, vrij is van huichelarij.

 

 2077447-b5dd35f3c7d725d432f4d471f89b895e.jpg
Roemi (30 september 1207 - 17 december 1273)
Standbeeld in Buca, Turkije

 

 

De Chinese schrijfster en scenariste Zhang Ailing (ook wel Eileen Chang) werd geboren op 30 september 1920 in Shanghai. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Zhang Ailing op dit blog.

Uit:Love in a Fallen City (Vertaald doorKaren Kingsbury)

“People like to say that the wide, long-sleeved gowns of former times didn't flatter curvaceous beauties, but Zhenbao had just discovered that this was not the case. He turned on the faucet. The water wasn't very hot, though the water heater downstairs was certainly on, and yet the lukewarm stream seemed to have a lighted wick running through it. Twisting and winding, the water ran from the faucet, every inch of it alive, while Zhenbao's mind went running off to who knows where. Wang Shihong heard the sound of running water and came into the bathroom. 'Do you want to take a bath? The water never comes up hot in this bathroom. The hot water pipe wasn't connected properly. That's one bad thing about this apartment. If you want to wash, come into our bathroom.'
'Oh no, please don't bother,' Zhenbao said. 'Isn't your wife washing her hair?' 'She must be finished by now. I'll go and have a look.' 'Oh, really, it's not that important.' Wang Shihong went to speak with his wife, and his wife said, 'I'm just finishing. Tell the amah to draw him a bath.' A little later, Wang Shihong told Zhenbao to bring his soap, towel, and clothes into their bathroom. Mrs Wang was still in front of the mirror, struggling to get a comb through her tightly permed hair. The bathroom was full of steam, and the night wind blew in through the open window. On the floor, clusters of fallen hair swirled about like ghostly figures. Zhenbao stood outside the door holding his towel and watching the tangled hair, in the glare of the bathroom light, drifting across the floor. He felt quite agitated. He liked women who were fiery and impetuous, the kind you couldn't marry. Here was one who was already a wife, and a friend's wife at that, so there couldn't be any danger, but ... look at that hair! It was everywhere. She was everywhere, tugging and pulling at him. The couple stood in the bathroom talking, but the water filling the tub was loud and Zhenbao couldn't hear what they said. When the tub was full, they came out so he could take his bath. After his bath, Zhenbao crouched down and started picking up stray hairs from the floor tiles and twisting them together.“

 

 2077447-d25813fc938d5f088f175bcbe0f4c931.jpg
Zhang Ailing (30 september 1920 - 8 september 1995)
Cover

 

 

De Duitse schrijver en vertaler Edzard Schaper werd geboren 30 september 1908 in Ostrowo in de provincie Posen. Zie ook alle tags voor Edzard Schaper op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit: Die Legende vom vierten König

„Einen Hügel schritt er hinauf, Oben ragten drei Kreuze. Coredans Stern, der ihn einst zu dem Kind führen sollte, blieb über dem Kreuz in der Mitte stehen, leuchtete noch einmal auf und war dann erloschen. Ein Blitzstrahl warf den müden Greis zu Boden. "So muß ich also sterben", flüsterte er in jäher Todesangst, "sterben, ohne dich gesehen zu haben? So bin ich umsonst durch die Städte und Dörfer gewandert wie ein Pilger, um dich zu finden, Herr?" Seine Augen schlossen sich. Die Sinne schwanden ihm. Da aber traf ihn der Blick des Menschen am Kreuz, ein unsagbarer Blick der Liebe und Güte. Vom Kreuz herab sprach die Stimme: "Coredan, du hast mich getröstet, als ich jammerte, und gerettet, als ich in Lebensgefahr war; du hast mich gekleidet, als ich nackt war!" Ein Schrei durchbebte die Luft - der Mann am Kreuz neigte das Haupt und starb. Coredan erkannte mit einemmal: Dieser Mensch ist der König der Welt. Ihn habe ich gesucht in all den Jahren. - Er hatte ihn nicht vergebens gesucht, er hatte ihn doch gefunden.“

 

 2077447-41b1abc5ba0e6b624a3c46ce853c9619.jpg
Edzard Schaper (30 september 1908 - 29 januari 1984)
Hier met zijn dochtertje Elin

 

 

De Duitse schrijver Hermann Sudermann werd geboren op 30 september 1857 in Matz, Oost-Pruisen. Zie ook alle tags voor Hermann Sudermann op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit:Der Katzensteg

“Der Friede war geschlossen. Die Welt, mit welcher der Korse ein halbes Menschenalter hindurch Fangball zu spielen gewagt, hatte sich wiedergefunden. –
Zerschunden, zerfetzt, aus tausend Wunden blutend, mit Schlachtfeldern besät wie mit eiternden Schwären, halb Kirchhof und halb Trümmerstätte – so fand sie sich wieder.
Aber die Menschheit, die jüngst befreite, ahnte nichts von dem eigenen Jammer. – War der Boden, aus dem ihr Brot entsproß, auch mit Blut gedüngt – nun wohl! – so trug er fortan um so reichere Frucht; hatten Kugel und Bajonett auch ihre Reihen gelichtet, was tat's? – so fanden die Übrigbleibenden Raum, die Ellenbogen aufzustemmen. – Man konnte sich doch wieder regen in dem locker gewordenen Menschenknäuel.
Ein einziger Jubelschrei von Gibraltars Felsen bis zum Nordkap hallte den Himmel auf. – An jedem Glockenstrange hing ein zappelnder Bursche, von jedem Altar, aus jedem Kämmerlein erscholl ein Dankgebet. – – – Die Trauernden verkrochen sich, ihre Klage erstickten die Lobgesänge, ihre Tränen sog die Erde mit demselben Gleichmut ein, mit dem sie die Blutstropfen der Gefallenen in sich aufgenommen hatte.
Zur schönen Maienzeit waren in Paris die Friedensartikel unterzeichnet worden – – In den Blutlachen blühten die Lilien, und aus den Rumpelkammern holte man die blutgetränkten Lilienbanner. – Die Bourbonen krochen aus den Winkeln hervor, in die Robespierres Rasiermesser sie gejagt hatte, wischten sich die schlaftrunkenen Augen aus und fingen flott zu regieren an. Vergessen hatten sie nichts, gelernt nur eine schöne neue Vokabel aus Talleyrands Entout-cas-Fibel! Sie lautete: Legitimität.
Die übrige Welt hatte zuviel mit sich zu tun, hatte zu viel an Siegeskränzen zu winden und Pokale zum Willkomm zu kredenzen, als daß sie sich um diese Farce kümmern konnte.
Gerötet vom Fieber der Erwartung, starrte ein jedes Auge gen Westen, woher sie kommen mußten, die Helden, die lorbeergekrönten, sie, die um der heiligen Scholle willen, um Weib und Kind, um Recht und Vaterland den Feuerschlünden des korsischen Dämons Leib und Leben dargeboten hatten. – In seine hintersten Höhlen hinein hatten sie ihn verfolgt, bis er geknebelt zu ihren Füßen gelegen.“

 

 2077447-6af9878b5c4a7fefc972ae36e49e2008.jpg
Hermann Sudermann (30 september 1857 – 21 november 1928)

 

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook alle tags voor ferdinand von Saar op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

 

Kindestränen

Willst du die Leiden dieser Erde,
Der Menschheit Jammer ganz versteh'n,
Mußt du mit scheuer Gramgebärde
Ein Kind im stillen weinen seh'n;

Ein Kind, das eben fortgewichen
Aus fröhlicher Gespielen Kreis
Und nun, vom ersten Schmerz beschlichen,
In Tränen ausbricht, stumm und heiß.

Du weißt nicht, was das kleine Wesen
So rauh und plötzlich angefaßt –
Doch ist's in seinem Blick zu lesen,
Wie es schon fühlt des Daseins Last.

Wie es sich bang und immer bänger
Zurück schon in sein Innres zieht,
Weil es Bedränger auf Bedränger
Mit leisem Schaudern kommen sieht.

Willst du die Leiden dieser Erde,
Der Menschheit Jammer ganz versteh'n:
Mußt du mit scheuer Gramgebärde
Ein Kind im stillen weinen seh'n.

 

 

Zuletzt

Weh' dem, der da sein eignes Tun zu richten
Begonnen hat! Dann zählt er zu den Kranken
Und schaudernd fühlt er keimen den Gedanken:
Sich selbst erkennen, heißt sich selbst vernichten.

Denn auf sein Wesen muß er stumm verzichten,
Und wie die liebsten Hoffnungen ihm sanken,
Lebt er dahin in haltlos ödem Schwanken
Und wünscht den Tod herbei, die Qual zu schlichten.

Darum frohlockt nicht so beim Weiterschreiten!
Das Dasein ist ein großes Sichbesinnen –
Und ein Erkennen jeder Sieg im Streiten.

Die Menschheit wird sich selber nicht entrinnen,
Denn ob sie scheinbar auch nach außen leiten:
Die Fäden führen doch zuletzt nach innen.

 

 2077447-51da8c2dae2e8c088d19bf4cc5da97f0.png
Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)

 

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zie ook alle tags voor Jurek Becker op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit: Jakob der Lügner

„Der Berg ist abgetragen, Frankfurter hebt einen Pappkarton auf einen weißen oder braunen, jedenfalls einen Pappkarton, in dem sich der Grund für ein gerechtes und rechtskräftiges Todesurteil befindet. Er nimmt den Deckel ab und zeigt seiner Frau das Radio. Sie schreit vielleicht leise auf sie ist vielleicht entsetzt, bestimmt erschrocken, sie starrt das Radio an und ihn und versteht es nicht. »Du hast unser Radio mitgenommen«, flüstert sie und faltet die Hände. »Du hast unser Radio mitgenommen, man hätte uns alle dafür erschießen können, und ich habe nichts davon gewußt ... Ich habe nichts gewußt ...« »Wozu?« sagt er. »Wozu hätte ich es dir sagen sollen? Ich habe alleine schon genug gezittert, und du hast ohne Radio auch genug gezittert. Es gab Tage, da hatte ich es vergessen, ganz einfach vergessen, manchmal sogar wochenlang. Man hat eben ein altes Radio im Keller und denkt nicht mehr dran. Aber sooft ich mich erinnert habe, ist mir das Zittern gekommen, und so wie heute bin ich noch nie daran erinnert worden. Doch das schlimmste ist, ich habe nie gehört, nicht ein einziges Mal, auch nicht in der ersten Zeit. Nicht, damit du es nicht merken solltest, ich habe es einfach nicht gewagt. Manchmal wollte ich, ich habe es vor Neugier fast nicht ausgehalten, ich habe den Schlüssel genommen, und du weißt, daß ich von Zeit zu Zeit in den Keller gegangen bin. Du hast mich gefragt, was ich dort will, und ich habe dir gesagt, ich will mir Bilder ansehen oder die alten Kritiken durchlesen. Aber das war gelogen, ich wollte Radio hören. Ich bin in den Keller gegangen, habe die Tür verhängt, aber ich habe es nicht gewagt. Ich habe mich hingesetzt, die Bilder angesehen oder die Kritiken gelesen, wie ich es dir gesagt hatte, und es nicht gewagt. Aber damit ist jetzt Schluß!« »Ich habe nichts gewußt«, flüstert sie vor sich hin. »Damit ist ein für allemal Schluß!« sagt er. »Du hast damals recht gehabt, es war unnützes Zeug, ich brauche es nicht mehr. Nichts wird davon übrigbleiben, nichts, was nach Radio aussieht. Dann sollen sie kommen und suchen.« Er nimmt das Radio auseinander, Teil für Teil, wahrscheinlich das einzige Radio, das sich in unserer Hand befindet, ohne lautes Aufsehen zerstört er es. Die Röhren werden zu Staub zertreten, ein unzerstörbarer Draht wird als harmlose Schnur um eine Schachtel gewickelt, die Bretter des Kastens werden Stück für Stück zur Seite gelegt und müssen noch einige Wochen warten, bis sie verbrannt werden dürfen. Denn um diese Jahreszeit macht sich jeder rauchende Schornstein verdächtig, aber das ist nicht weiter tragisch, Holz ist schließlich Holz. »Hast du auch gehört, daß die Russen fast in Bezanika sind?« fragt Frau Frankfurter leise. Er sieht sie sehr verwundert an. »Ich habe dir doch gesagt, daß ich nie gehört habe«, könnte er ihr geantwortet haben.“

 

 2077447-28a1fe717d67c669ff32061d6ee8e815.jpg
Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)
Cover

Geschreven door Romenu om 11:15 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten