Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Summertime (George Gershwin / Dubose Heyward)

 

Dolce farniente - augustus

 

 2262792-e6d52314e9b65b2e6d071cbce34e7e7c.jpg
Summertime door Alfons Niex, 2012.

 

 

Summertime

Summertime
And the living is easy
Fish are jumpin'
And the cotton is high

Oh, your daddy's rich
And your mama's good lookin'
So hush little baby now
don't you cry

One of these mornin's
You're gonna rise up singin'
Then you'll spread your wings
And take to the sky

But til that mornin'
Ain't nothin' can harm you
With your daddy
And your mammy
standin' by.

 

 

 2262792-882ae6ab73570ccbb9958eab13a6c059.JPG
George Gershwin en Dubose Heyward, Porgy and Bess 
Scene uit Porgy and Bess 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 26e augustus ook mijn blog van 26 augustus 2018.

 

Geschreven door Romenu om 20:54 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Dolce far niente - The Narrow Doors (Fannie Stearns Davis)

 

Dolce far niente -  Bij de 21e zondag door het jaar

 

 

2262398-a463e99eaffd4bf46c2f4b2571b73695.jpg
The Narrow Door door Anthony Falbo, 2014

 

 

The Narrow Doors

The Wide Door into Sorrow
Stands open night and day.
With head held high and dancing feet
I pass it on my way.

I never tread within it,
I never turn to see
The Wide Door into Sorrow.
It cannot frighten me.

The Narrow Doors to Sorrow
Are secret, still, and low:
Swift tongues of dusk that spoil the sun
Before I even know.

My dancing feet are frozen.
I stare. I can but see.
The Narrow Doors to Sorrow
They stop the heart in me.

Oh, stranger than my midnights
Of loneliness and strife
The Doors that let the dark leap in
Across my sunny life!

 

 2262398-803ccaf3137300ab9ad445a11b1539d6.jpg
Fannie Stearns Davis (30 april 1877 – 15 februari 1930)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2018.

 

Geschreven door Romenu om 09:39 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, S Charles Simic, Stephen Fry, Drs. P, Marion Bloem, Pepijn Lanen, John Green

 

Dolce far niente

 

 

 2262164-c483b54ce6be5cc528488e71995d4301.jpg
Back Road Driving door Tom Maakestad, 2013

 

 

Driving Home

Minister of our coming doom, preaching
On the car radio, how right
Your Hell and damnation sound to me
As I travel these small, bleak roads
Thinking of the mailman’s son
The Army sent back in a sealed coffin.
His house is around the next turn.
A forlorn mutt sits in the yard
Waiting for someone to come home.
I can see the TV is on in the living room,
Canned laughter in the empty house
Like the sound of beer cans tied to a hearse.

 

2262164-8fdb650e903dd1d099d2c81fc6336e7f.jpg
Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

 

De Engelse komiek, schrijver, acteur en presentator Stephen John Fry werd geboren in Londen op 24 augustus 1957. Zie ook alle tags voor Stephen Fry op dit blog.

Uit: More Fool Me

“There is nothing very appealing about showbusiness memoirs. A linear chronology of successes, failures and blind ventures into new fields is dull enough. And then there is the problem of how to approach descriptions of collaborators and contemporaries:
'She was adorable to work with, incredibly funny and always intensely cheerful and considerate. To know her was to worship her.'
'I was captivated by his talent, how marvellously he shone in everything he did. There was a luminosity, a kind of transcendence.’
'She always had time for her fans, no matter how persistent they were.'
'What a perfect marriage they had, and what ideal parents they were. A golden couple.'
I could be describing actors, TV show presenters or producers with total accuracy, leaving out only their serial polygamies, chronic domestic abuse, violent orgiastic fetishes and breathtaking assaults on the bottle, the powders and the pills.
Is it right of me to be searingly, bruisingly honest about the lives of others? I am quite prepared to be searingly, bruisingly honest about my own, but I just don't have it in me to reveal to the world that, for example, producer Ariadne Bristowe is an aggressively vile, treacherous bitch who regularly fires innocent assistants just for looking at her the wrong way; or that Mike G. Wilbraham has to give a blow-job to the boom operator while finger-banging the assistant cameraman before he is prepared so much as to think about preparing for a scene. All these things are true, of course, but fortunately Ariadne Bristowe doesn't exist and neither does Mike G. Wilbraham. OR DO THEY?
The actor Rupert Everett in his autobiographical writings manages to be caustic in what you might call a Two Species manner: bitchy and catty. The results are hilarious, but I am far too afraid of how people view me to be able to write like that. Very happy to recommend both his volumes of autobiography/memoir to you, however: Red Carpets and Other Banana Skins and The Vanished Years. Ideal holiday or Christmas reading.”

&nbsp:

 2262164-09a42ef6d070197b7e65e5da0be0b71d.jpg
Stephen Fry (Londen, 24 augustus 1957)

 

 

De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer) werd geboren in het Zwitserse Thun op  24 augustus 1919. Zie ook alle tags voor Drs. P op dit blog.

 

Alweer een nieuw patroon

Alweer een nieuw patroon, en wel de (d)e(e)F
En wat me hiertoe dreef, dat is de macht
(Ik hoop dat niemand lacht) van 't nodeloze
Geen geestdrift of neurose, maar een gril
Daar ik eens kijken wil hoe dat voldoet
Wanneer je rijmen moet als hier gedaan:
Het binnenrijm sluit aan bij 't eindrijm dat
Je vlak daarboven had, en bovendien -
Dat zult u strakjes zien - de hele woorden
Waarin die rijmen gloorden aan 't begin
(Dus in de aanhefzin): patroon en (d)e(e)F
Welnu, die woorden geef ik nog een beurt
Aan 't slot, en u bespeurt dat ik verdomd
Niet weet wanneer dat komt. In elk geval
Betwijfel ik of al die fraaie toeren
Wel boeien of ontroeren of zoiets
Misschien een goede witz? Een sterk verhaal?
Je kunt het minimaal eenmaal proberen
Hij had er zeven keren om gevraagd
Zij vond het te gewaagd en indecent
Tenslotte riep hij: ‘Kent je hart dan niet
Het zinderende lied van roes en lust?’
Ze werd wat ongerust en zei: ‘Maar Jan
Het spijt me erg, ik kan zoiets niet doen
Nog niet voor tien miljoen, hij al 't gedruis
In zulk een warenhuis, zo fel verlicht
Dat is toch geen gezicht! Dat hoort niet, daar
Ja, als het nu nog maar fellatio was...’
Hij pulkte aan zijn das, en ging - mishaagd
Ze heeft hem níet gevraagd, terug te keren
Zo kunt ook u het leren; volg gewoon
Het voorbeeld (wonderschoon) dat ik hier schreef
Wij noemen dit de (d)e(e)F, een nieuw patroon.

 

 

Katholieke roman
Paul Lemmens S.J.

In 't oude huis heerst droefenis en schrik
De bleke vader loopt vertwijfeld rond
Eenieder ziet zijn triest omfloerste blik

De zeven zoons, zij houden braaf hun mond
En ook de meisjes, negen in totaal
Ontzien hun lieve vader in deez' stond

Want in de stille kamer, hoog en kaal
Ligt zij, de moeder van de kinderschaar
Nu opgebaard, haar lichaam koud als staal

Ze ligt, met zoete bloempjes in het haar
Als slapend op het bed dat werd tot baar

 

 

Uit: Herenspraak

De employé, voorop, in grijze pas
Vervoerde een container met de as
Van iemand die - wat opgedragen was
Per wilsbeschikking, want je weet maar nooit -

In Westerveld te water werd gestrooid
Bezocht u deze dodenakker ooit?
Dan weet u dat het daar behoorlijk glooit
De gasten bleven op het pad en zwegen

De man moest naar beneden daarentegen
Daar kon hij, door een handgreep te bewegen
De bus van onder openen, dus legen
Een vuilwit gruis belandde op de plas

Veel eenden kwamen smakkend aangesneld
En werden als zo vaak, teleurgesteld

 

 2262164-65d13f23c85e9a656fb7a6a522b1f202.jpg
Drs. P (24 augustus 1919 – 13 juni 2015)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marion Bloem werd op 24 augustus 1952 geboren in Arnhem. Zie ook alle tags voor Marion Bloem op dit blog.

Uit: Haar goede hand

“Er wordt beweerd dat een mens zich niets van voor zijn vierde levensjaar kan herinneren. Maar mijn moeder, inmiddels zesentachtig, vertelt over de ontdekking van de kinderverlamming, die haar leven en aldus ook het mijne heeft bepaald, met telkens meer details. Melanie Krijger, door haar zussen en broers Mee genoemd, was drie, bijna vier toen ze aan Raymond, haar jongere broertje, vroeg: 'Mag ik je pistool?' Raymond draaide zich van haar weg, roepend: `Pief! Dood!' Daarop liet Boelé, haar oudere zus, zich giechelend op de modderige grond vallen. En Raymond, wankelend op zijn koddige beentjes en zijn bolle buikje vooruit, mikte recht op Melanie. Zij reikte met haar linkerhand naar zijn wapen. Haar broertje negeerde dat gebaar. Met zijn twee knuistjes stevig om de bamboestok geklemd schreeuwde hij: `Henzup!' Haar oudste broer, Han, had het pistool van bamboe en elastiekjes gemaakt. Speciaal voor Raymond, die nota bene nog geen zin kon zeggen. Wel losse woordjes. Ze was jaloers dat zij geen wapen had. Ze kon al tot tien tellen, ook in het Maleis. Wellicht sloeg ze soms een cijfer over als ze het te snel wilde doen. En Han had haar geleerd hoe ze haar eigen letter in de vulkanische aarde moest schrijven. Een moeilijke letter. Als ze hem per ongeluk ondersteboven had getekend, ging ze aan de andere kant staan en was hij weer goed. En zij wist al wat dood was. Want haar hond had ze door elkaar geschud, aan zijn lange zwarte haar getrokken, in zijn oren geschreeuwd, en toch werd hij niet wakker. Han had gezegd: 'Ga van hem af, Mee. Hij is morsdood, we moeten hem begraven.' Haar oudste zus, Yola, bemoeide zich er niet mee, evenmin als Boelé, maar zij mocht Han helpen omdat Hon van haar was. Zij noemde hem zo sinds ze had leren praten. Het was geen afkorting, geen verbastering. Ze wist niet beter of dat was de naam van haar eerste hond. Iedereen was zijn vorige vergeten. Han groef een kuil vlak bij de wc van de bediendes. 'Daar liggen er nog twee,' had hij gezegd, 'honden gaan eerder dood dan mensen.' Raymond was een lopende baby. Hij dacht nog dat je dood was als je in de modder viel en je ogen dichthield. En hij dacht dat dood iets was waaruit je even later op kon staan alsof er niets gebeurd was. Haar broertje was schattig, zoals wanneer hij balanceerde terwijl hij met de aan elkaar gebonden bamboestokken in haar richting wees. Hij porde ermee in haar buik.
Ze weet zeker dat ze bij aankomst Tante en Oom met haar goede hand had begroet. Al herinnert ze zich niet hoe ze na de lange treinreis het tuinpad van Tantes erf op liepen. Als het toen niet gelukt was om haar rechterhand omhoog te brengen, hadden ze het immers meteen gemerkt. Wanneer de arm haar in de steek begon te laten, is voor haar een raadsel. Misschien logeerden ze al twee handen bij Tante, misschien pas zes vingers. Wie nog niet naar school gaat, begrijpt niks van tijd. Voor een kind duurt plezier altijd te kort, verveling te lang, en angst lijkt nooit te stoppen. Angst beklijft. Naderhand vertelde niemand haar de details. Mammie zeker niet.

 

 2262164-e77ef4b5a5153451d32f5853c7a63692.JPG
Marion Bloem (Arnhem, 24 augustus 1952)

 

 

De Nederlandse schrijver en rapper Pepijn Lanen werd geboren in Utrecht op 4 augustus 1982. Zie ook alle tags voor Pepijn Lanen op dit blog.

Uit: Sjeumig

“En om het allemaal af te maken was in de verte heel zachtjes maar duidelijk het piepen en knarsen van een huifkar te horen, getrokken door een lomp boerenpaard. Het was de symbolische huifkar van een vergeten afspraak. Na nog een minuut of tien over straat slenteren als een menselijke wijnvlek in het witte damast van het leven viel het hem eindelijk allemaal te binnen. ‘conjo’ schreeuwde hij zowel in het Spaans als in het Nederlands.
Hij keek uit het raam van de taxi naar de voorbij glijdende gevels die op een speelse manier modern en klassiek met elkaar afwisselden. In zijn hoofd woedde een wervelstorm van tijdstippen, adressen, mensen om teleur te stellen en dingen om niet te vergeten. Hij had zich verdwaald gewaand in een stadsdeel uit de jaren tachtig tot er ineens uit het niks een onooglijke taxi van de elektrische variant was opgedoemd, waar hij zich nog net niet op had gewor pen. De meter stond vooralsnog op zevenentwintig euro en een slordige vijfendertig centen. Op dit moment was het olijke tweetal, bestaande uit hemzelf en de taxichauffeur met psoriasis, nog steeds onderweg om zijn laptop op te halen bij zijn atelier. De honger vrat hem van binnenuit op en de kater vervloekte hem voor het tot tweemaal toe afslaan van een gebakken ei. In zijn portemonnee woonde helaas nog maar één briefje van vijftig euro, en daarbij had de chauffeur met het huidprobleem eerder nogal nors en negatief gegromd bij de notie dat hij niet direct naar de bestemming van zijn afspraak bliefde te gaan, maar dit via een stopplek op de locatie van zijn creativiteitsbunker wenste te doen.
De meter stond inmiddels op een bescheiden zesenveertig euro met een verwaarloosbaar aantal centen achter de komma. Het ritje had zich ontwikkeld tot een expeditie de treurnis in, zo leek het. Niet alleen wilde hij gillend alle haren uit zijn hoofd trekken en zijn ogen eruit krabben vanwege de stress en de vijfenveertig minuten die hij inmiddels te laat was; maar ook maakte het urbane landschap een dusdanig deprimerende indruk op hem dat hij zijn ziel in brand wenste te steken met wasbenzine, zodat het vuur hem van binnenuit zou kunnen verteren. De plaats van afspreken was op een dreef dan wel een kade, waar zowel hij als zijn roodgevlekte mobiele metgezel nog nooit van gehoord had. Van tijd tot tijd draaide de chauffeur zich om en wees naar wat façades die opgetrokken waren in een ‘leuke’ niet-leuke klassieke stijl. Vaak stelde de chauffeur hier ook nog een vraag bij, die hij dan niet goed kon verstaan. Druppels uitgezwete alcohol dansten via zijn voorhoofd, wangen en nek zijn kraag in. Eerder al had hij zijn laptop geopend, de vingers gekruist dat de e-mail met de bevestiging van de desbetreffende afspraak nog openstond.”

 

 2262164-fddb5338d12512656e99353ab8057767.jpg
Pepijn Lanen (Utrecht, 4 augustus 1982)

 

 

De Amerikaanse schrijver John Green werd geboren in Indianapolis, Indiana, op 24 augustus 1977. Zie ook alle tags voor John Green op dit blog.

Uit:The Fault in Our Stars

“Once we got around the circle, Patrick always asked if anyone wanted to share. And then began the circle jerk of support: everyone talking about fighting and battling and winning and shrinking and scanning. To be fair to Patrick, he let us talk about dying, too. But most of them weren’t dying. Most would live into adulthood, as Patrick had.
(Which meant there was quite a lot of competitiveness about it, with everybody wanting to beat not only cancer itself, but also the other people in the room. Like, I realize that this is irrational, but when they tell you that you have, say, a 20 percent chance of living five years, the math kicks in and you figure that’s one in five…so you look around and think, as any healthy person would: I gotta outlast four of these bastards.)
The only redeeming facet of Support Group was this kid named Isaac, a long-faced, skinny guy with straight blond hair swept over one eye.
And his eyes were the problem. He had some fantastically improbable eye cancer. One eye had been cut out when he was a kid, and now he wore the kind of thick glasses that made his eyes (both the real one and the glass one) preternaturally huge, like his whole head was basically just this fake eye and this real eye staring at you. From what I could gather on the rare occasions when Isaac shared with the group, a recurrence had placed his remaining eye in mortal peril.
Isaac and I communicated almost exclusively through sighs. Each time someone discussed anticancer diets or snorting ground-up shark fin or whatever, he’d glance over at me and sigh ever so slightly. I’d shake my head microscopically and exhale in response.
•••
So Support Group blew, and after a few weeks, I grew to be rather kicking-and-screaming about the whole affair. In fact, on the Wednesday I made the acquaintance of Augustus Waters, I tried my level best to get out of Support Group while sitting on the couch with my mom in the third leg of a twelve-hour marathon of the previous season’s America’s Next Top Model, which admittedly I had already seen, but still.
Me: “I refuse to attend Support Group.”
Mom: “One of the symptoms of depression is disinterest in activities.”
Me: “Please just let me watch America’s Next Top Model. It’s an activity.”
Mom: “Television is a passivity.”
Me: “Ugh, Mom, please.”

 

 2262164-052c9566b02e2a970778a6fe3df2840c.jpg
John Green (Indianapolis, 24 augustus 1977)

Geschreven door Romenu om 08:07 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Ivo de Wijs, Lois Henderson

 

Dolce far niente

 

2262097-e936a2c94095977c77879e208c90c3e1.jpg 
Vogels in een landschap door Roelant Savery

 

 

Vogelbescherming

Gewoonlijk leid ik een kantoorbestaan
Ik zit aan een bureaustoel vastgevroren
Ik schrijf, dat is hoofdzakelijk mijn baan
Maar 's zondags klim ik bij het ochtendgloren
Maar al te graag uit mijn ivoren toren
Mijn vroege vogels dulden geen protest
Daar ga ik, wel wat vaag en ongeschoren
Voor de vogels kom ik fluitend uit mijn nest

 

 2262097-876b2dca57df6938e9f1207ebd00f2f8.jpg

Ivo de Wijs (Tilburg, 13 juli 1945)

 

 

 

2262097-fa9a4f20d84cddce470aea51e034d867.jpg

Jonge vrouw in een nis met een papegaai en kooi door Gerrit Dou, ca. 1660–65

 

 

Parrots
In thanks to Monique ("Dance! Dance!")

Parrots are a funny bunch –
They often curse and swear –
You really cannot take them out to lunch
When your grandmamma is there.

They like to stride atop a cage,
Much as a soldier might,
Then hang upside down from the top railing –
Oh my, what a sight!

They sample many a tasty morsel
Proffered with anxious hand,
Then shy away from the very next damsel
Who flashes a wedding band.

Never try to shut them up,
Or tell them “hey!” – that’s rude –
They chatter away at you non-stop,
Just as a parakeet should.

But do not blame them for their foibles,
For they are sourced in us.
If only we’d leave them back in the trees –
Or, at least, allow them to do as they please –
Rather than force them into a cage
Against which both beast and bird may rage,
They could remain as the good Lord intended
And not become one of us, appended.

 

2262097-68e4e4246ac2c2a510d039622f2d37df.jpg
Camebridge, de geboorteplaats van Lois Henderson

 

 

Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2018 en ook mijn blog van 23 augustus 2016 en ook mijn blog van 23 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:12 Reageer op dit bericht

Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus, Dorothy Parker, Wolfdietrich Schnurre, Gorch Fock, Gustaf Fröding

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit: Vele hemels boven de zevende

“Zo had ik mijn leven gemaakt. Zekerder dan het leven kan zijn. Alles is een kwestie van kiezen, daar was ik van overtuigd. Of beter: van beslissingen nemen, die als een stevige paal de grond in kloppen, en daar aan vasthouden. Als wapen tegen een wankele wereld. Als manier om te blijven staan, ook als het stormt en waait en woest tekeergaat, vanbinnen en daarbuiten.
En dan gaat Eva dood. Ze is gesprongen. Zij kon ook goed kiezen. Geen half werk. Geen truttig gedoe met pillen en gevonden worden, en dan opnieuw. Zij wilde dood omdat het leven haar niet bracht wat ze droomde. Omdat ze heel diep kon voelen. Omdat ze niet meer kon. Ik geloof nog altijd: zij wilde niet per se dood, zij wilde niet dit leven, niet dit hoofd, niet dit gehavende hart. Dat is echt iets anders. Er viel nog zoveel te proberen. Ik ben daar eerder verdrietig om dan kwaad, tegenwoordig.
Ik heb gedacht, na haar: het gaat om wendbaar blijven. Om blijven kijken naar wat is. Om nu en dan een kwartslag draaien en nog eens kijken. Mogelijkheden durven zien. Had zij dat maar gedaan. Ik had het haar moeten zeggen, maar toen kon ik dat niet. Het was pas na haar dat ik langzaamaan ben gaan beseffen: het gaat om voelen. Om openstaan. Om trouw zijn aan en eerlijk zijn met jezelf. Zij heeft het mij gezegd: dat ik mijn kop in het zand stak, zoals onze ouders altijd deden. Ik heb het weggewuifd, zo deed ik dat. Zij had niks om naar te kijken, bij mij stond het voor mijn neus. Dat was het verschil.
Casper ging niet weg. Wie zo diep in je hart kruipt, die blijft altijd minstens een beetje. Ik was van hem weggegaan. Op het scherp van de snee niet vertrokken maar thuisgebleven. Ik koos voor Walter, omdat ik niet wou kiezen. Omdat ik dacht dat ik alleen zo recht kon blijven staan. Ik zag de afspraak die ik met mezelf had gemaakt. Ik zag onze jaren samen. Ik zag onze kinderen. Ik noemde dat liefde, en dat was het ook. Maar was het de beste liefde voor mij? Was het die weldadige warmte die totaal kan vervullen? Was het die gedeelde kwetsbaarheid van elkaar graag te zien tot in de lelijke hoekjes toe? Was het die diepe connectie die alles in het leven dat cruciale tikje beter maakt? Was het dat prikkelen van alle zinnen dat je wonderlijk dicht bij elkaar kan brengen? Was het dat wederzijdse stimuleren en dat elkaar vinden in bijna alles wat belangrijk is? Was het dat dichtbij willen zijn dat nooit verstikt? Was het die ongelooflijk grote fun met elkaar? Eigenlijk durfde ik niet naar Walter te kijken. Naar Walter en mij te kijken. Naar wat onder en achter de constructie zat. Niet echt. Schrik voor wat doet wankelen, waarschijnlijk. Schrik om uit de rol te vallen. Om niet te zijn wie anderen wilden dat ik was, wie ik dacht dat ze wilden dat ik was, wie ik vond dat ik moest zijn. Maar als je bang bent om iets in vraag te stellen, hoe kan dat dan het goeie zijn?
Eva zei een keer: 'Het leven is kort, zeggen ze, ik vind het lang, maar da's een reden om nog meer voluit te gaan.'

 

 2261836-85bae5bad85abdf6a6337998d8e33e42.jpg
Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jeroen Theunissen werd geboren in Gent op 22 augustus 1977. Zie ook alle tags voor Jeroen Theunissen op dit blog.

Uit: Jouw huid

“Je zoekt de fles, voelt hoe het hete honfrnlijf van Napoleon tegen je schuurt, om aandacht fleemt, je hebt nu even geen tijd, hebt eigenlijk toch best wel tijd, zet de fles neer en liefkoost en streelt die harige massa, en wast achteraf je handen, de straal van warm water op je huid, je houdt ervan, of gewoon de handen te laten zakken, voorzichtig te dopen in het meestal lauwe maar soms toch nog hete afwassop. Die tintelende sensatie. In een hoekje zit de man op de oude cinemastoel onder de purperen bloempot met de hangplant waarvan de onderste bladeren als hij zijn rug recht zijn haren raken. Hij opent een laptop, legt naast die laptop een smartphone. Haalt een verfrommelde pet uit zijn jas, legt die daar weer naast. Lijkt even weg te dromen. Probeert zich een houding aan te meten maar slaagt er niet in. En je ziet dat hij acteert, ongetwijfeld met talent. Zijn maatpak glimt. Hij heeft de stropdas losgemaakt en voor zich bij de pet gelegd. Grijze pet, met ruitpatroon. Er nog naast die fietshelm. Hij stopt een bierviltje onder een poot om de tafel te stabiliseren. Behalve Pierre, die hem in de gaten houdt, let geen van de stamgasten meer op hem, aanvaard is hij niet maar hij ziet eruit alsof hij niemand kwaad doet, en na de regen, denkt men, verdwijnt hij. Hij vraagt of er hier wifi is, een code voor de internettoegang, maar dit is niet zo'n hipsterkroeg, hier komen alleen mensen zonder werk of alleszins zonder laptop. Waarop hij je ongelovig aanstaart. En je lacht dus opnieuw, en haalt je schouders op, vervolgens lijkt ook hij te lachen, in een vertrouwelijk gebaar leg je een hand op zijn arm, omdat je hem gerust wilt stellen dat het oké is. Dat ook jij hier vreemd bent. Dat we hier allemaal vreemd zijn. Dat het zo is, in deze stad, dat het zo moet zijn, dat het goed is. En misschien omdat je hem mag. Je denkt aan hoe je hier passeerde, aan deze hoek. Maanden geleden, hoe je hier nog niet lang was, werk zocht in deze nerveuze stad, moeilijke dagen waren het, en dan dat lieve en eenzame dier liggend aan de deur, hoe je er een band mee opbouwde.”

 

 2261836-c596c261b017810a128e91c6848772e0.jpg
Jeroen Theunissen (Gent, 22 augustus 1977)

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Annie Proulx werd geboren op 22 augustus 1935 in Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Annie Proulx op dit blog.

Uit: Brokeback Mountain

. "Maybe not." A dust plume rose and hazed the air with fine grit and he squinted against it. "Like I said, Alma and me's gettin married in December. Try to get somethin on a ranch. You?" He looked away from Jack's jaw, bruised blue from the hard punch. Ennis had thrown him on the last day. "If nothin better comes along. Thought some about going back up to my daddy's place, give him a hand over the winter, then maybe head out for “Zo had ik mijn leven gemaakt. Zekerder dan het leven kan zijn. Alles is een kwestie van kiezen, daar was ik van overtuigd. Of beter: van beslissingen nemen, die als een stevige paal de grond in kloppen, en daar aan vasthouden. Als wapen tegen een wankele wereld. Als manier om te blijven staan, ook als het stormt en waait en woest tekeergaat, vanbinnen en daarbuiten.
En dan gaat Eva dood. Ze is gesprongen. Zij kon ook goed kiezen. Geen half werk. Geen truttig gedoe met pillen en gevonden worden, en dan opnieuw. Zij wilde dood omdat het leven haar niet bracht wat ze droomde. Omdat ze heel diep kon voelen. Omdat ze niet meer kon. Ik geloof nog altijd: zij wilde niet per se dood, zij wilde niet dit leven, niet dit hoofd, niet dit gehavende hart. Dat is echt iets anders. Er viel nog zoveel te proberen. Ik ben daar eerder verdrietig om dan kwaad, tegenwoordig.
Ik heb gedacht, na haar: het gaat om wendbaar blijven. Om blijven kijken naar wat is. Om nu en dan een kwartslag draaien en nog eens kijken. Mogelijkheden durven zien. Had zij dat maar gedaan. Ik had het haar moeten zeggen, maar toen kon ik dat niet. Het was pas na haar dat ik langzaamaan ben gaan beseffen: het gaat om voelen. Om openstaan. Om trouw zijn aan en eerlijk zijn met jezelf. Zij heeft het mij gezegd: dat ik mijn kop in het zand stak, zoals onze ouders altijd deden. Ik heb het weggewuifd, zo deed ik dat. Zij had niks om naar te kijken, bij mij stond het voor mijn neus. Dat was het verschil.
Casper ging niet weg. Wie zo diep in je hart kruipt, die blijft altijd minstens een beetje. Ik was van hem weggegaan. Op het scherp van de snee niet vertrokken maar thuisgebleven. Ik koos voor Walter, omdat ik niet wou kiezen. Omdat ik dacht dat ik alleen zo recht kon blijven staan. Ik zag de afspraak die ik met mezelf had gemaakt. Ik zag onze jaren samen. Ik zag onze kinderen. Ik noemde dat liefde, en dat was het ook. Maar was het de beste liefde voor mij? Was het die weldadige warmte die totaal kan vervullen? Was het die gedeelde kwetsbaarheid van elkaar graag te zien tot in de lelijke hoekjes toe? Was het die diepe connectie die alles in het leven dat cruciale tikje beter maakt? Was het dat prikkelen van alle zinnen dat je wonderlijk dicht bij elkaar kan brengen? Was het dat wederzijdse stimuleren en dat elkaar vinden in bijna alles wat belangrijk is? Was het dat dichtbij willen zijn dat nooit verstikt? Was het die ongelooflijk grote fun met elkaar? Eigenlijk durfde ik niet naar Walter te kijken. Naar Walter en mij te kijken. Naar wat onder en achter de constructie zat. Niet echt. Schrik voor wat doet wankelen, waarschijnlijk. Schrik om uit de rol te vallen. Om niet te zijn wie anderen wilden dat ik was, wie ik dacht dat ze wilden dat ik was, wie ik vond dat ik moest zijn. Maar als je bang bent om iets in vraag te stellen, hoe kan dat dan het goeie zijn?
Eva zei een keer: 'Het leven is kort, zeggen ze, ik vind het lang, maar da's een reden om nog meer voluit te gaan.'

 

 2261836-7e2109b453c60dd0cd02d0e6e2ef2876.jpg
Annie Proulx (Norwich, 22 augustus 1935)
Scène uit de film Brokeback Mountain uit 2005

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Krijn Peter Hesselink werd op 22 augustus 1976 geboren in Utrecht. Zie ook alle tags voor Willem Krijn Peter Hesselink op dit blog.

Uit: Moederziel

“De kinderen in mijn klas moesten altijd lachen als ik weer eens zoiets had verzonnen. Volgens de juf lachten ze me niet uit, ze lachten me toe, dus ik trok me er niets van aan, maar het ?jne van mijn zandbak was dat er niemand was om me toe te lachen, dat ik niet bang hoefde te zijn dat iemand het op me voorzien zou kunnen hebben, dat ik me ongestoord kon verbeelden hoe ik samen met het zand en mijn plastic schep en soms zelfs de balken werd meegesleurd, de lucht in.
Eerst schampten we rakelings langs het dak van de buren. Door het zolderraam keek ik naar binnen. Spinnenwebben, vleermuizen, een uitgedoofde kaars. Een week geleden waren ze in een grote verhuiswagen de straat uit gereden. Geen idee waar ze naartoe waren gegaan. Geen idee wat ze hadden achtergelaten. Maar we woeien alweer verder. Ik zag nog net een muis rondscharrelen over de houten planken van de vloer. Toen scheurde ik mijn blik los en keek om me heen, naar onze esdoorn die woest met zijn takken zwiepte, naar de berk in de tuin van de buren, naar de meeuwen die rondcirkelden door het eindeloze luchtruim. Beneden waren de huizen in stipjes veranderd, de straten in rag?jne lijntjes. We gingen steeds hoger, door een mist?ard, en nog een, de zon tegemoet, tot we ten slotte neerstreken in de woestijn, bij een oase. Mijn schep plofte naast me neer. Onder een palmboom stond een Arabier. Hij knikte me toe. ‘Heel goed,’ zei hij. ‘Welkom, Jonathan. Hier ligt inderdaad de schat. Graaf jij hem even op?’
Dromen kon overal, maar het ging toch het beste in de zandbak, daar wilde ik heen, maar het regende en volgens mijn moeder kon je niet buitenspelen als het regende. Zelf zag ik het probleem niet. Ik had laarzen, een regenjas, ik redde me wel. In de zandbak zouden complete zeeën ontstaan, dat was alleen maar leuk. Als het uit de hand liep, maakte ik van een van de balken een vlot en dan peddelde ik met mijn schep naar een onbewoond eiland. Daar was het altijd zonnig en hoefde je nooit je kamer op te ruimen.
Ineens was mijn moeder aan het krijsen. Ze had een vaatdoek in de hand waarmee ze woest in het rond zwiepte, als was het een zweep waarmee ze de stoel tuchtigde, de muur, de deur, alles wat maar bij haar in de buurt kwam, net zolang tot er een mok omging. ‘Haal een doekje,’ hijgde ze, terwijl ze als versteend neerkeek op de plas die zich dampend over het tafelblad verspreidde. ‘Werk nou eens mee. Haal een doekje!’ Toen begon ze de thee op te dweilen met haar vaatdoek. ‘Alsof we niet al genoeg vuile was hebben,’ foeterde ze. ‘En dat allemaal omdat jij… omdat jij…’ Zonder haar zin af te maken verdween ze naar de keuken.”

 

 2261836-3fd0704439258b523b97b2bcce3031e7.jpg
Krijn Peter Hesselink (Utrecht, 22 augustus 1976)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Willem Arondéus werd op 22 augustus 1894 in Naarden geboren. Zie ook alle tags voor Willem Arondéus op dit blog.

Uit: Matthijs Maris’ jeugdjaren

“Het décor dezer herinnering is vriendelijk, en listig opgesteld: een zomerdag buiten, een groene wei met boterbloemen. En langs de boterwei een sloot vol kroos, een ‘groen tapijt’ zooals het in kinderliedjes gezongen wordt. Het scheen, dit groen tapijt, geen diepte te zijn, en geen gevaar daaronder, heelemaal niet - tot je, voorover, met een voorzichtige hand het kroos van-een schoof. Dan gleed het zonlicht een verzonken wereld binnen, grotten van het wonder gingen weer open waarin het traag bewoog, heel traag. Maar wat er bewoog bleef een geheim van het wonder..
Ik zit aan de rand van het liedjes-tapijt. Er is een hooge, blauwe hemel, er is zon en een rondom groen geluk - en wat of er nu plotseling verschenen is, een kever of een kikker, en wat of ik nu plotseling grijpen wou, welk drogbeeld van het wonder blind en roekeloos grijpen wou, weet ik niet meer, maar ergens is het toen misgegaan, ik grijp in het groen en eensklaps gaat de diepte open en draait de wereld om. Ja, draait de wereld om; dit is het wat ik van het verraad der diepte zonderling fel onthouden heb, het draait om, de zon en de hemel zwaaien over.... en ontzet, druipnat en huilend werd ik na deze ramp van den ondergang uit de sloot getrokken.
Hoe verschillend ook beide herinneringen in de verte zijn: ergens in mijn gedachten worden zij één. Ergens bezitten zij elkander - misschien in een soort moraliseerend instinct, dat als een symbolisch ‘weest op uw hoede’ waarschuwt hoe tusschen de verbeelding en de werkelijkheid een groen tapijt ligt; tusschen een kinderliedje en een ondergang; een groene, gevaarlijke diepte die men nooit en nimmer beroeren zal: het onbereikbare in het wonder, de tragiek van den droom.
Geen schilder in Holland heeft, wat ik hierboven het geluk der verbeelding noemde - dit zeldzame, grandioze dwalen in een ruimte voorbij de werkelijkheid - zóó groot bezeten en zóó groot verloren als Matthijs Maris. In geen schilder is zóó vol, zoo synthetisch bijna, in zijn leven en zijn werk de verbeelding tot werkelijkheid opgejaagd geworden, maar ook in geen is de grens, de groene diepte van den ondergang die tusschen droom en waken ligt, zóó stil en gevaarlijk opengegaan als in dezen zeer grooten, wellicht grootsten schilder van het Holland der negentiende eeuw. De grootste, en welhaast symbolisch eenzame. In een eenzaamheid die, door de verbeelding ondermijnd, langzaam de levende werkelijkheid verloor, langzaam de grens der zintuigen losliet en geen antwoord meer hoorde, niet meer hooren wilde, tot zij in de giganten-stilte van een omgezwaaide wereld zelve als stilte uitvloeide en verdween.”

 2261836-71b0f16214277f8846aa4156ca7f7602.jpg
Willem Arondéus (22 augustus 1894 – 1 juli 1943)
Matthijs Maris, De Oorsprong te Oosterbeek, 1860.

 

 

De Amerikaanse dichteres en critica Dorothy Parker werd geboren in New York op 22 augustus 1893. Zie ook alle tags voor Dorothy Parker op dit blog.

 

The Passionate Freudian To His Love

Only name the day, and we'll fly away
In the face of old traditions,
To a sheltered spot, by the world forgot,
Where we'll park our inhibitions.
Come and gaze in eyes where the lovelight lies
As it psychoanalyzes,
And when once you glean what your fantasies mean
Life will hold no more surprises.
When you've told your love what you're thinking of
Things will be much more informal;
Through a sunlit land we'll go hand-in-hand,
Drifting gently back to normal.

While the pale moon gleams, we will dream sweet dreams,
And I'll win your admiration,
For it's only fair to admit I'm there
With a mean interpretation.
In the sunrise glow we will whisper low
Of the scenes our dreams have painted,
And when you're advised what they symbolized
We'll begin to feel acquainted.
So we'll gaily float in a slumber boat
Where subconscious waves dash wildly;
In the stars' soft light, we will say good-night—
And "good-night!" will put it mildly.

Our desires shall be from repressions free—
As it's only right to treat them.
To your ego's whims I will sing sweet hymns,
And ad libido repeat them.
With your hand in mine, idly we'll recline
Amid bowers of neuroses,
While the sun seeks rest in the great red west
We will sit and match psychoses.
So come dwell a while on that distant isle
In the brilliant tropic weather;
Where a Freud in need is a Freud indeed,
We'll always be Jung together.

 

 

Poem In The American Manner

I dunno yer highfalutin' words, but here's th' way it seems
When I'm peekin' out th' winder o' my little House o Dreams;
I've been lookin' 'roun' this big ol' world, as bizzy as a hive,
An' I want t' tell ye, neighbor mine, it's good t' be alive.
I've ben settin' here, a-thinkin' hard, an' say, it seems t' me
That this big ol' world is jest about as good as it kin be,
With its starvin' little babies, an' its battles, an' its strikes,
An' its profiteers, an' hold-up men—th' dawggone little tykes!
An' its hungry men that fought fer us, that nobody employs.
An' I think, 'Why, shucks, we're jest a lot o' grown-up little boys!'
An' I settle back, an' light my pipe, an' reach fer Mother's hand,
An' I wouldn't swap my peace o' mind fer nothin' in the land;
Fer this world uv ours, that jest was made fer folks like me an' you
Is a purty good ol' place t' live—say, neighbor, ain't it true?

 

 2261836-d3c224039f204f52f34b95414b450adf.jpg
Dorothy Parker (22 augustus 1893 – 7 juni 1967)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfdietrich Schnurre werd geboren op 22 augustus 1920 inFrankfurt am Main. Zie ook alle tags voor wolfdietrich Schnurre op dit blog.

Uit: Begegnung mit der Zeit

„Ich glaube, dass ich für alle spreche, wenn ich euch die folgenden Worte, mit Freudentränen in den Augen, anvertraue:
„Während meiner Kindheit bin ich, wie jeder andere sicherlich auch, der Zeit begegnet. Geglänzt und gestrahlt hat sie. Sie war so hell, dass man die Augen kaum offen halten konnte. Man wurde regelrecht geblendet. Und in was für prächtige Kleider sie gehüllt war. Stoffe so edel, dass selbst der reichte Mensch der Welt sie nicht hätte bezahlen können.
Sie reichte mir ihre Hand. Diese Berührung weckte in mir das intensivste Gefühl, das ich bis dahin kannte und noch heute kenne. Es ist das Gefühl der absoluten und grenzenlosen Freiheit.“
Ich glaube, dass ich für alle spreche, wenn ich euch die folgenden Worte, voller Furcht, ins Ohr flüstre:
„ Ich bin kürzlich erst, wie jeder andere sicherlich auch, wiedereinmal der Zeit begegnet. Ich glaube zumindest, dass die Zeit war. Schrecklich sah sie aus. Verblasst der Glanz, der mich einst als Kind geblendet hat. Zerfetzt die edlen Stoffe, die ihren Körper zierten. Das Gesicht, abgemagert. Nein, nicht abgemagert, es war das Gesicht eines Toten. Vor mir war ein Schädel, über den jemand eine dünne Haut gespannt hat. Furchtbar!
Ich musste die Augen schließen, mich wegdrehen, einfach davonrennen. Es gab keinen anderen Ausweg. Ihr Anblick war nicht zu ertragen.“
Ich weis, dass ich nicht für alle spreche, wenn euch die folgenden Worte, vom höchsten Punkt der Welt aus, so dass ein jeder sie hören wird, schreie:
„Lange ist es her, dass ich beim Anblick der Zeit davongerannt bin. Schrecklich war ihr Äußeres und doch besaß ich fortwähren den Wunsch, sie wiederzusehen. Ich hatte vor, mich auf die Suche nach der Zeit zu begeben. Die Suche sollte nicht von langer Dauer sein, denn plötzlich stand die Zeit vor mir. Im alten Glanz und in neuen, weit aus prächtigeren Kleidern.
Sie wusste die Ketten, in die mich der Alltag gelegt hatte, zu sprengen, meine Neugeburt einzuleiten und das vergangene Sterben zu verhindern.
Mir fiel auf, dass das Gefühl der absoluten und grenzenlosen Freiheit niemals verschwunden war. Es umgab mich seit meiner Geburt. Ich hatte lediglich verlernt es zu sehen.“
Ich glaube, dass alle den folgenden Satz verstehen werden, da sie meine Worte schließlich gehört haben müssen:
„Nachdem ich nun die Zeit wiedergefunden habe, ist mir etwas an ihr aufgefallen. Sie besitzt eine austergewöhnliche Eigenschaft. Sie nutzt sich ab, wenn man sie nicht nutzt.“

 

 2261836-72fc2d920699f937f2aab79d9673f9a4.jpg
Wolfdietrich Schnurre (22 augustus 1920 – 9 juni 1989)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Gorch Fock (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Zie ook alle tags voor Gorch Fock op dit blog.

Uit:Seefahrt ist not!

„Endlich – ein erlösendes Husten unten im Schiff, ein befreiendes Scharren oben auf dem Chor, ein dreistes Sperlingsgeschrei draußen in den Erlen und Eschen. Da vergingen Gespenster und Gedanken, die Sonnenstrahlen fingen wieder an zu spielen, und Alt-Bodemann bekam seine Sprache zurück. Und als er dann bei seinem Herrgott um den Hausstand anhielt und alle, die dazugehörten, um gottesfürchtige Eheleute, Eltern und Herren, gehorsame Kinder und frommes und getreues Gesinde, da war die große Stille vorüber; die Konfirmanden machten wieder ihre verstohlenen Zeichen, die Mädchen kicherten und stießen einander im geheimen an, Gesine Külper dachte an den ersten Schnellwalzer, Thees Segelmacher stützte die Ellbogen auf die Brüstung und hörte so genau zu, als wenn er noch Pastor werden wollte, und die Fahrensleute rollten die Prüntjer geruhig wieder hinter die Kusen.
Klaus Mewes, der junge Seefischer, der in der Nähe der Orgel auf dem Chor saß, war von der Erinnerung an seinen Vater freigekommen, die ihn jäh befallen hatte, und konnte sich wieder seines guten Platzes freuen. Denn er hatte sich so zu Anker gehen lassen, daß er nicht allein recht in der Sonne saß, sondern auch aus dem Fenster sehen konnte. Hinter den Wischen und Gräben sah er den hohen Deich aufragen, und über den Stroh- und Pfannendächern der Häuser gewahrte er die Masten der Fischerfahrzeuge, die auf den Schallen und am Bollwerk lagen, und die Rauchwolken der Dampfer, die im Fahrwasser, hart am holsteinischen Elbufer, auf und ab fuhren: Dinge, die ihm Hirn und Herz mit Mut und Freude füllten.
Wenn er dieses Mal gleichwohl nicht sonderlich darauf achtete, so konnte nur sein Junge schuld daran sein, der unter seinen Augen unermüdlich neben der Kirche im Gras auf und ab ging. Er freute sich wie ein Stint, daß er ihn nicht mit hereingenommen hatte, wie es eigentlich seine Absicht gewesen war, als der Junge ihm mit dem Hund nachgekommen war und gesagt hatte, sie wollten das Gesangbuch tragen und ihn bis an die Kirchentür bringen. Denn hätte der Vogel Bunt so lange ruhig gesessen und geschwiegen? Sicherlich nicht – er wäre bald aufgestanden und umhergelaufen und hätte geguckt und gezeigt und gefragt und getan; beim stillen Eingangsgebet in der Fensternische hätte er gesagt, was jener Bauernjunge vom Osterende gesagt hatte, als er seinen Vater in den Hut gucken sah.“

 

2261836-5bf378f193b86c3dc32984f3539f834a.jpg
Gorch Fock (22 augustus 1880 – 31 mei 1916)
Finkenwerder, haven

 

 

De Zweedse dichter Gustaf Fröding werd geboren op 22 augustus 1860 in Alsters herregård bij Karlstad. Zie ook alle tags voor Gustaf Fröding op dit blog.

 

Renaissance

“Mit herrlichem Zierat, bei Pluto,
ist der Knauf deines Degens belegt,
verrät deine Kunst, Benvenuto.
–  laß sehn, wie die Klinge schlägt.”

So riefen die Freunde entgegen
dem Meister Cellini im Chor.
“Heraus mit dem stolzen Degen!”
Und lachend rief er: “D’accord!

Seht her: die Klinge der Klingen!
Ihresgleichen ist nicht in der Welt,
mit ihr wird Cellini zwingen
sich vorwärts, wie ’s ihm gefällt

Und Spott aus schamlosen Kehlen
macht diese Klinge zu Schand;
mit ihr will im Streit ich nicht fehlen,
alleine, Rücken an Wand!

Mit ihr will mein Mädchen ich schützen,
meine Kunst, mit der ich vereint,
auf sie beim Trunke mich stützen,
wenn ich trink auf den einzigen Freund.”

Doch sie, die trug Weine und Speise,
sinnierte, wen er gemeint.
“Cellini”, flüstert sie leise,
“wie heißt dein einziger Freund?”

Er sagte: “Freundschaft vergehet!
Doch der, der mich nie läßt im Stich,
dessen Freundschaft immer bestehet,
–  mein einziger Freund, das bin ich!”

Und er nahm den Becher vom Brettchen,
in der Scheide der Degen versank,
und er schlang den Arm um das Mädchen
und küßte sie lachend und trank.

 

 2261836-a030853f23f908f9225f8f428fa13219.jpg
Gustaf Fröding (22 augustus 1860 – 8 februari 1911)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2018 en ook mijn blog van 22 augustus 2016 en ook mijn blog van 22 augustus 2015 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:44 Reageer op dit bericht

Rogi Wieg, X.J. Kennedy, Robert Stone, Aubrey Beardsley, Pete Smith, Frédéric Mitterrand, Lukas Holliger, Elisabeth Alexander, Gennadi Ajgi

De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.

 

Poëzie

Nu is het dus dat ik niet meer weet
hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand
zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet
niet wat je was: ogen, haar, een hand

om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen,
de stadsweg waarover je naar huis toe gaat,
mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen
van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat

alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig
- en al die mooie dingen dan -
om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichtvaardig.

Er is te weinig taal in mij om zaken
te omschrijven zoals dit gebrek aan angst;
dus noem ik maar wat afgebroken wordt, om nog iets goed te maken.

 

 

U bent

Toen U wegging brak U mijn hart.
Als U terug kon keren zou ik Uw nek breken.
Maar U heeft geen nek, alleen een onsterfelijke,
denkbeeldige lange hals, als van een fles van
dun glas die zich uitstrekt over het water van de zee,
glas met daarin de geschiedenis van alles.

Als U terug kon keren zou ik de tafel dekken,
het brood breken en de wijn drinken. Ik zou
mijzelf aan het kruis slaan van Uw bestaan.

U bent niet meer De Zoon en niet meer De Vader
U bent het onbezielde veld en de ruimtetijd.
U bent de onbezielde zwaartekracht en het verloop
van de lichtstraal bij nacht, U bent de wiskunde
zonder zachte geest, U bent r nu en bent er
altijd al geweest. U bent de symbolen die men leest.

Maar niet De Zoon en niet De Vader. Niet De Geest.

Toen U wegging brak U mijn hart.
Als U terug kon keren zou ik U hardhandig wurgen.

U bent ooit toen ik kind was in mijn huis geweest.

 

 

In alle dingen

Nu dan, die verschrikte vogel in je handpalm
is maar lijnenspel, want uitje huid
vloog niets meer op, zo was mijn verveling: kalm
verwachten hoe het middag werd. Hoe je niets besluit,

ook niet dat je slapen wilt, of dichter bij
mijn lichaam wilt. En zoals je zei de middag
viel; alleen wat helder ogenlicht. Geef mij
dit terug, een tijd die zonder angstval in mij lag.

Er komt weer regen over de rivier, koude
stedenlucht. Men leeft, beweging is alom
en verder gaan de dingen weer als lang geleden.

Je weet, ik ben een beetje angstig voor
mijn leven. Ik denk steeds vaker dat de som
van alles zinvol is. Misschien om wat wij deden.

 

 2261686-1609e8b0522ac5735870ceaad381e24a.jpg
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015)
In 1980

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.

Uit: A Hoarse Half-Human Cheer

“Open up in the name of the law,” Knox said.
The tube delivered a laugh. “Oh, the cops again? Always welcome.”
The door buzzed and unlatched and they stepped into a long narrow hall heavy with stale tobacco smoke. It led to a parlor that had three loveseats and two big mohair couches. Red velvet wallpaper, a painting of a nymph pursued by a satyr, and perched in the middle of a coffee table, a punchboard from the Children’s Crusade.
A friz-haired blonde in an abbreviated purple dress occupied one of the loveseats with a patron, a plump sixtyish man in a striped business suit, dangling a gold watch chain, resting an affectionate hand on her nearer knee. They were sharing a drink out of a lipsticked glass. On a couch a kid Moon’s age and a middle-aged man in a lumberjack shirt were sitting. The kid was scrawny with pipe-stem arms and legs and a cap that said CAPTAIN MARVEL. A young woman, wearing short shorts and a rabbit-fur vest that hung open over her breasts, stood leaning against a wall, smoking sullenly.
An imposing matron with prominent jowls, double chins, handsome once, in a gold evening gown and a necklace with a facsimile of the Star of India, cruised up to them and greeted the cop like a long lost brother.
“Why, Officer Branigan, where you been keeping yourself? Getting it at home for a change? Say, I got you a new Latina named Dolores—”
Branigan’s face turned a darker red. With a toss of his head he indicated Knox. “Listen, Diane,” he said under his breath, “you don’t know me. This is an official call.”
“What you giving me?” the Madame shrilled. “I don’t need any more official calls. I already gave to Sergeant Fitzroy for the Police Social Fund. Who’s your friends?”
Moon stood gazing at the young woman against the wall. She looked sulky, resentful. His thumb revolved in his secret gesture of tribute, drawing an imaginary circle around her face.
Knox poked him with an elbow. “Don’t get any ideas.”
Looking at Aisling, the madam said to Knox, “My God, that’s a beautiful woman you’ve got with you.”
“Thanks,” Aisling said. She turned on a winning smile.
“Suppose I wanted a job with you. What’s the salary like?

 

 2261686-ea1344412a7f4779f6e29939e2c9ac05.jpg
X.J. Kennedy (Dover, 21 augustus 1929)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Robert Stone wed geboren op 21 augustus 1937 in New York. Zie ook alle tags voor Robert Stone op dit blog.

Uit: Dog Soldiers

“She supposed that she had meant it to. "Please," Gerald said quickly. Jody looked uncertain. "I don't know. Would it go?" "I think we should have a drink," Gerald said. Marge moved the backpack with the pistols in it to the far edge of the bed and brought Gerald the bottle of Wild Turkey. "I'm afraid there aren't any glasses." "That's all right," Gerald said. He held the bottle toward the light, examining the texture of the whiskey. "Very fine stuff." He took three large swallows and passed the bottle to his wife. Jody drank from it grimly. "Do you?" she asked Marge inclining the bottle. Marge took it and drank. For some reason it tasted sweet to her, like sherry. "Are you an addict?" Jody asked. "Certainly," Marge said. Jody smiled intelligently. "No. Really." "I don't know if I am or not." "Doesn't that usually mean you are?" Marge shrugged. "How about him," Gerald asked. "Is he?" "No." "Aren't there some funny moral areas there?" Jody asked. "I guess it depends on your sense of humor," Marge said. Gerald had another drink. "We're not here to judge," he said. "There's such a thing as personal necessity. Maybe it's beyond moral areas." Marge found that the liquor made her eyes ache. She closed them against the light, and leaned back on the pil-lows. She had already been told to shut up.
"You must be a terrific writer," she said. Hicks and Eddie Peace huddled against the dark wall of the last bungalow. Eddie hugged his shoulders, his back to the wind. "Ridiculous," Hicks said. "Ridiculous bullshit." "I thought you'd be amused for Christ's sake." "Amused?" Hicks shivered. "You got a lot of nerve. What happened to the Englishman?" "I got news for you," Eddie said, "your shit has a bad rap." "Then there's a misunderstanding." "I don't think so," Eddie said. Hicks ran a hand over his hair. "Then get those assholes out of here." Eddie shook his head in impatience. "You don't understand, Raymond, that's the misunder-standing. You don't know how things work here. This guy has just been paid an absurd figure. His wife is an heiresS. I tell you these people have no conception of money." "You're the con man," Hicks said, "not me. I've got qual-ity shit to sell — why do I want this insanity?" "Raymond," Eddie said, "Raymond, try and learn some-thing. I deliver this goof into your hands." He reached out, took Hicks' right hand and squeezed it. "He's a nice fella. He's very polite." "I don't know what you're talking about." "Then you're stupid, Raymond. I tell you your shit is a no-no around here. I'll give you six thousand for what you can give me. And with a little imagination you can screw Gerald for a lot more. Listen, it would wipe you out what I've got working with those two. The guy is scared shit-less — even if he doesn't know it yet. He's gotta be dis-creet." "You'll give me what?" Hicks said. "What's that figure again?" He put his hand on Eddie's shoulder. "You just take it easy," Eddie said.”

 2261686-31e5a8ade8c3d4047d2d638d5caf32bc.jpg
Robert Stone (21 augustus 1937 – 10 januari 2015)

 

 

De Engelse dichter, schrijver en illustrator Aubrey Vincent Beardsley werd geboren op 21 augustus 1872 in Brighton. Zie ook alle tags voor Aubrey Bewardsley op dit blog.

Uit: Arthur Symons. A memoir (Aubrey Beardsley)

“This clear, unemotional intellect, emotional only in the perhaps highest sense, where emotion almost ceases to be recognisable, in the abstract, for ideas, for lines, left him, with all his interests in life, with all his sociability, of a sort, essentially very lonely. Many people were devoted to him, but he had, I think, scarcely a friend, in the fullest sense of the word ; and I doubt if there were more than one or two people for whom he felt any real affection. In spite of constant ill-health, he had an astonishing tranquillity of nerves ; and it was doubtless that rare quality which kept him, after all, alive so long. How far he had deliberately acquired command over his nerves and his emotions, as he deliberately acquired command over his brain and hand, I do not know. But there it certainly was, one of the bewildering characteristics of so contradictory a temperament.
One of his poses, as people say, one of those things, that is, in which he was most sincere, was his care in outwardly conforming to the conventions which make for elegance and restraint ; his necessity of dressing well, of showing no sign of the professional artist. ; He had a great contempt for, what seemed to inferior craftsmen, inspiration, for what I have elsewhere called the plenary inspiration of first thoughts; and he hated the outward and visible signs of an inward yeastiness and incoherency. It amused him to denounce everything, certainly, which Baudelaire would have denounced ; and, along with some mere ganiinerie, there was a very serious and adequate theory of art at the back of all his destructive criticisms. It was a profound thing which he said to a friend of mine who asked him whether he ever saw visions : '' No," he replied, *' I do not allow myself to see them except on paper." All his art is in that phrase.
And he attained, to the full, one certainly of his many desires, and that one, perhaps, of which he was most keenly or most continuously conscious : contemporary fame, the fame of a popular singer or a professional beauty, the fame of Yvette Guilbert or of Cleo de Mdrode. . And there was logic in his insistence on this point, in his eagerness after immediate and clamorous success. Others might have waited ; he knew that he had not the time to wait._ After all, posthumous fame is not a very cheering prospect to look forward to, on the part of those who have worked without recompense, if the pleasure or the relief of work is not enough in itself. Every artist has his own secret, beyond the obvious one, of why he works.”

&nbsp

 2261686-4e5461ef4165fa69f2c27a1699c7764d.jpg
Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 – 16 maart 1898)
Zelfpotret

 

 

De Duitse schrijver Pete Smith werd op 21 augustus 1960 in Soest (Westfalen) geboren. Zie ook ook alle tags voor Pete Smith op dit blog.

Uit: Arm sind die anderen

„Mama stahl sich ausgerechnet in der Nacht aus unserem Leben, in der ich mit meinem Freund Agi durchs Bahnhofs-viertel streifte, eine Nacht wie ein Traum, der sich lautlos heranschleicht, aufregend und fiebrig, eine Nacht, die man nie vergisst, weil sie nie endet, die längste, die dunkelste Nacht meines Lebens.
Wenn ich die Augen schließe, sehe ich als erstes den Schnee. Flocken, die zu Boden schweben, die herum-wirbeln und miteinander verschmelzen, die aufleuchten und verblassen, die vor dem grauen Himmel tanzen und vor dem Weiß der Fassaden verschwinden. Der Platz vor unserem Hochhaus, die Straßen, die Vorgärten, die Büsche und Bäume, die parkenden Autos, der Müll — alles lag unter einer dicken, weißen Decke begraben. Auf der Wiese zwi-schen unseren Häusern thronte ein gigantischer Schnee-mann, dem irgendein Witzbold einen ebenso gigantischen Ständer verpasst hatte. Am Rande der Gehwege warfen die Räumfahrzeuge meterhohe Schneegebirge auf. Einen abseits gelegenen Hügel hatten die Zwillinge aus dem drit-ten Stock festgestampft und ausgehöhlt — seitdem krochen sie jeden Abend in ihre Höhle, um sich vor ihrem besoffe-nen Alten zu verstecken.
Es war die Nacht vor Heiligabend. Seit fünf Tagen schon schneite es ohne Unterlass. Die Zeitungen würden später von einem Jahrhundertwinter schreiben, dabei waren vom Jahrhundert erst zwei Jahrzehnte vergangen. Ich stand am Küchenfenster und sah hinunter und überlegte, über die weiße Wiese zu stapfen, um einmal im Leben der erste zu sein. Wie lange würde es dauern, bis meine Spur unter neuem Schnee verschwand?
Gegen Winterromantik und weiße Weihnacht und die Schwermut der Verlierer am Ende eines Jahres bin ich im-mun. Aber in dieser Nacht ...
Ich sah hinaus und hoffte, dass irgendetwas geschah. Ein Wunder oder ein Unglück, ein Anfang oder ein Ende, gleich was, Hauptsache, wir würden auch morgen noch darüber sprechen oder besser sogar noch im nächsten Jahr. Die Stille wuchs, eine eisige Kälte breitete sich in mir aus und mit ihr das dumpfe Gefühl einer Bedrohung, ich hielt die Luft an, wartete, doch nichts geschah.“

 

 2261686-c3afa5a23b83a919a8edda3cbf6ec5e8.jpg
Pete Smith (Soest, 21 augustus 1960)

 

 

De Franse schrijver, scenarioschrijver, documentairemaker, filmer en politicus  Frédéric Mitterrand werd geboren op 21 augustus 1947 in Parijs. Zie ook alle tags voor Frédéric Mitterand op dit blog.

Uit: La Mauvaise vie

« Quand l'un des serveurs vient leur glisser à l'oreille qu'ils ont été choisis, ils cochent une petite case sur un tableau avant de se diriger vers le bar d'un air parfaitement dégagé et les autres garçons se gardent poliment de commenter la transaction qui s'ébauche. La direction relève sans doute le carnet de notes mural avant la fermeture. Une fois que la réservation a été confirmée, après une présentation qui s'éternise rarement, le garçon se rhabille prestement en coulisses, et revient ; il n'y a plus qu'à régler les consommations, la commission au club due par le client et à sortir au milieu des courbettes, des marionnettes grimaçantes qui font office de loufiats et lancent d'une voix suraiguë : Good night sire, see you again. On peut prendre deux garçons, ou même plusieurs, aucune objection puisque la réponse est toujours : I want you happy. Contrairement à une assertion généralement colportée il y a peu de ruines sexuelles occidentales parmi le public, la clientèle est en majorité locale, d'âge moyen, bien convenable et sort en bande légèrement arrosée au whisky-Coca. Les quelques naufragés à peau blanche du Spartacus font plutôt tache dans l'ensemble mais il est vrai aussi qu'on leur propose les meilleures tables.
Evidemment, j'ai lu ce qu'on a pu écrire sur le commerce des garçons d'ici et vu quantité de films et de reportages ; malgré ma méfiance à l'égard de la duplicité des médias je sais ce qu'il y a de vrai dans leurs enquêtes à sensation ; l'inconscience ou l'âpreté de la plupart des familles, la misère ambiante, le maquereautage généralisé où crapahutent la pègre et les ripoux, les montagnes de dollars que cela rapporte quand les gosses n'en retirent que des miettes, la drogue qui fait des ravages et les enchaîne, les maladies, les détails sordides de tout ce trafic.
Je m'arrange avec une bonne dose de lâcheté ordinaire, je casse le marché pour étouffer mes scrupules, je me fais des romans, je mets du sentiment partout ; je n'arrête pas d'y penser mais cela ne m'empêche pas d'y retourner. Tous ces rituels de foire aux éphèbes, de marché aux esclaves m'excitent énormément. La lumière est moche, la musique tape sur les nerfs, les shows sont sinistres et on pourrait juger qu'un tel spectacle, abominable d'un point de vue moral, est aussi d'une vulgarité repoussante. Mais il me plaît au-delà du raisonnable. La profusion de garçons très attrayants, et immédiatement disponibles, me met dans un état de désir que je n'ai plus besoin de refréner ou d'occulter. L'argent et le sexe, je suis au cœur de mon système ; celui qui fonctionne enfin car je sais qu'on ne me refusera pas. Je peux évaluer, imaginer, me raconter des histoires en fonction de chaque garçon ; ils sont là pour ça et moi aussi. Je peux enfin choisir. J'ai ce que je n'ai jamais eu, j'ai le choix ; la seule chose que l'on attend de moi, sans me brusquer, sans m'imposer quoi que ce soit, c'est de choisir. Je n'ai pas d'autre compte à régler que d'aligner mes bahts, et je suis libre, absolument libre de jouer avec mon désir et de choisir."

 

 2261686-833d74717468fb7384d2f3b96153abbd.jpg

Frédéric Mitterrand (Parijs, 21 augustus 1947)

 

 

De Zwitserse schrijver, dramaturg en redacteur Lukas Holliger werd geboren op 21 augustus 1971 in Basel. Zie ook alle tags voor Lukas Holliger op dit blog.

Uit: Glas im Bauch

"Scheibenwischer

Die Drahtspange mit dem Gummibelag streift unaufhörlich das Wasser vom Glas. Zwei solche Spangen sind es, die sich an gegenüberliegenden Stellen um ihre Endpunkte drehen und mit den äußeren Spitzen Halbkreise beschreiben. Nur die Flächen innerhalb der Halbkreise werden vom Wasser befreit, und diese Flächen überschneiden sich. Abwechselnd fahren die Scheibenwischer durch die Schnittmenge, spritzen das mitgebrachte Wasser ins Revier des Nachbarn, der es, um eigenes Wasser ergänzt, zurückwirft. So winken beide nach links und nach rechts und spielen sich jedes Mal den Regen zu, zerstören jedes Mal den Halbkreis des Partners. Das Wimmern des Gummis ist im Wageninnern nur abgeschwächt zu hören. Kupplung, Cas-und Bremspedal tragen den Schmutz von Wanderschuhen. Auf dem Rücksitz eine Hundedecke. Alle Fenster-scheiben sind hochgekurbelt, die Knöpfe auf den geschlossenen Türflügeln heruntergedrückt. Der offene Aschenbecher wartet auf Asche. Der Geschwindigkeitszeiger liegt unter der Null. Nur die Scheibenwischer streiten weiter, schieben das Regenwasser hin und her und der Regenschauer wird grob, trommelt aufs Karosseriedach. Die Außenwelt verschwimmt. Die Wischer verlieren die Herrschaft über ihre Halbkreise, zerhacken sich trotzdem weiterhin die Grenzlinien. Die Schritte meines Vaters nähern sich über dem Kies. Seine Gestalt verdunkelt das Wageninnere, beugt sich über die Fahrertür, reißt sie auf. Der Regen wird echt. Viel zu viel Wind drängelt sich durch die offene Fahrertür, das Wasser erreicht den Rücksitz, meine Beine. Der Motor startet, die Scheinwerfer blenden das fallende Wasser. Mein Vater erwischt mich im Rückspiegel und die Scheibenwischer turnen zwei Stufen schneller““ .

 

 2261686-e420f5a6a29d3419d0f554e644bc8bdf.jpg
Lukas Holliger (Basel, 21 augustus 1971)

Cover

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Alexander werd geboren op 21 augustus 1922 in Linz am Rhein. Zie ook alle tags voor Elisabeth Alexander op dit blog.

 

De foto

Het allerbelangrijkste
is de nagel
bij ontbreken
valt de kunst.

 

 

Sekt

Ook Duitse
prikkelt
is niet zo duur
en tenslotte
kun je achteraf
immers
vrijen op zijn Frans

 


Vertaald door Frans Roumen

 

 2261686-af575dc1bc05c4bd811b84b24bb57d81.jpg
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
Linz

 

 

De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou. Zie ook alle tags voor Gennadi Aigi op dit blog.

 

Dag

en weer
die dromen in asfaltglans
nu eens van heuvels in gloed dan uitholling in zwart
als een vonkende vloedgolf
enormgrote kringen in
een oeverloze zee kikkerdril

en overdag verandert de asfaltarena
in iets dat veel lijkt op
toneelstellages uit Shakespeare's tijden

en achter elke lantaarnpaal schemeren
bergen en rivieren - en vuurtorens

en reeds wordt stad tot zee
en sneeuwhopen, ijspegels, smeltwaterplassen
zijn niet anders dan de kammen
van een onzichtbare zee

en die zee is onstuimig door
sporen van auto's - sleetjes - overschoenen
en de jaarlijkse vervlechting
van al die sporen, van alle tekens
wordt tot de deining van
een Stad-Zee

 

 

Mijn eigen

Ik moet
met mijn lippen
de grenzeloosheid van haar ogen bereiken
en mij dan verbazen over de nauw merkbare klop
in de aderen van het onderste ooglid
en begrijpen dat dit door hun doorzichtigheid komt
en hun onlichamelijkheid
zo licht en zo smartelijk
zijn die ogen die bijna niet trillen

en ik zal van haar houden met handen en lippen
en met mijn zwijgen en droom en de straten van mijn gedichten
en met de leugen - voor staten
en met de waarheid - voor leven

en met de perrons van alle spoorwegstations
waar ik eens voor het laatst zal verwijlen
voor een blik op de hete en zwarte ruggen
van locomotieven op rangeerterreinen

en haar laat ik over aan
in de rij staande mensen, aan toevluchtsoorden
in Siberië van kleine vreselijke steden
en van haar ga ik weg en voor goed

naar het slachthuis der mensen
van de eeuw ook die van mij...

 

 

Vertaald door Charles B. Timmer

 

 2261686-6cee3794785ed8c46239307805301b7e.jpg
Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e augustus ook mijn blog van 21 augustus 2016 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 deel 2.



Geschreven door Romenu om 16:52 Reageer op dit bericht

Anneke Brassinga, Etgar Keret, Alfred Birney, James Rollins, Arno Surminski, Maren Winter, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog.

 

Heen

In de hondsdagen versterft het wilde gezang.
Bij de kom in het gras is de merel komen drinken
vier lange teugen voor hij weer vloog -
wat leeft, leeft van schrik en beven.

Ik ken iemand; hij ligt in zijn groene graf,
het is nog vers. Hij zwijgt daar
als de schuwe vogel die hij altijd was.

Ook ik ben nog nooit zo stil geweest.
Er is beangstigend weinig te vrezen.

De zomer weelderig, de warme aarde
rustplaats waar overal
schaduwen lijken te groeien uit stralende zon.

 

 

Elementa

Als ieder ogenblik een ongekend begin is
van nasleep die pas over eeuwen
licht zal werpen op dit nu –

zijn de bekende woorden sterrenschijnsel,
amechtig arriverend, veel te laat.
Waar kunnen we dan nog over praten?

Alleen de lokstem van het water zwatelt
in strikt hedendaagse taal, geen touw
aan vast te knopen; zeker niet

op het razende tijdstip van je verschuimen
in een onophoudelijk liggen gaande
onophoudelijk weer opstekende storm.

 

 

Stof

Zo mooi is het om gedichten te schrijven
’s nachts als de dagtaak af is en iedereen
die bij de Nederlandsche Bank werkt al slaapt;
het is donker, dat spreekt, en ook stil,
in mijn hoofd suist het van woorden, woorden,
mijn vingers zijn hard van de schrijfmasjien.
De versterker kreunt na: laatste zenders
geven gruis. Het is nacht, maar de bomen blijven
staan. Dat denk ik althans; en ik denk aan alles
dat plaatsvindt, tot stuiven de overhand neemt.

 

 2261493-32aaf68bff77c9f7ee6b97a5f02298f3.JPG
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

 

 

De Israëlische schrijver Etgar Keret werd geboren op 20 augustus 1967 in Ramat Gan. Zie ook alle tags voor Etgar Keret op dit blog.

Uit: Suddenly, a Knock on the Door

“Tell me a story,” the bearded man sitting on my living-room sofa commands. The situation, I must admit, is anything but pleasant. I’m someone who writes stories, not someone who tells them. And even that isn’t something I do on demand. The last time anyone asked me to tell him a story, it was my son. That was a year ago. I told him something about a fairy and a ferret—I don’t even remember what exactly—and within two minutes he was fast asleep. But here the situation is fundamentally different. Because my son doesn’t have a beard, or a pistol. Because my son asked for the story nicely, and this man is simply trying to rob me of it.
I try to explain to the bearded man that if he puts his pistol away it will only work in his favor, in our favor. It’s hard to think up a story with the barrel of a loaded pistol pointed at your head. But the guy insists. “In this country,” he explains, “if you want something, you have to use force.” He just got here from Sweden, and in Sweden it’s completely different. Over there, if you want something, you ask politely, and most of the time you get it. But not in the stifling, sultry Middle East. All it takes is a single week around here to figure out how things work—or rather, how things don’t work. The Palestinians asked for a state, nicely. Did they get one? The hell they did. So they switched to blowing up kids on buses, and people started listening. The settlers wanted a dialogue. Did anyone pick up on it? No way. So they started getting physical, pouring hot oil on the border patrolmen, and suddenly they had an audience. In this country, might makes right, and it doesn’t matter if it’s about politics or economics or a parking space. Brute force is the only language we understand.
Sweden, the place the bearded guy made aliya from, is progressive, and is way up there in quite a few areas. Sweden isn’t just ABBA or IKEA or the Nobel Prize. Sweden is a world unto itself, and whatever they have, they got by peaceful means. In Sweden, if he’d gone to the Ace of Base soloist, knocked on her door and asked her to sing for him, she’d invite him in and make him a cup of tea. Then she’d have pulled out her acoustic guitar from under the bed and and play for him. And all this, with a smile. But here? I mean, if he hadn’t been flashing a pistol I’d have thrown him right out. Look, I try to reason. “Look yourself,” the bearded guy grumbles, and cocks his pistol. “It’s either a story or a bullet between the eyes.”

 

 2261493-e99d08b038711fc12b281cd16766ca71.jpg
Etgar Keret (Ramat Gan, 20 augustus 1967)

 

 

De Amerikaanse schrijver James Rollins (pseudoniem van James Paul Czajkowski) werd geboren in Chicago op 20 augustus 1961. Zie ook alle tags voor James Rollins op dit blog.

 Uit: The Doomsday Key:

“Spring, 1086 England
The ravens were the first sign. As the horse-drawn wagon traveled down the rutted track between rolling fields of barley, a flock of ravens rose up in a black wash. They hurled themselves into the blue of the morning and swept high in a panicked rout, but this was more than the usual startled flight. The ravens wheeled and swooped, tumbled and flapped. Over the road, they crashed into each other and rained down out of the skies. Small bodies struck the road, breaking wing and beak. They twitched in the ruts. Wings fluttered weakly. But most disturbing was the silence of it all. No caws, no screams. Just the frantic beat of wing—then the soft impact of feathered bodies on the hard dirt and broken stone. The wagon's driver crossed himself and slowed the cart. His heavy-lidded eyes watched the
These last were closer to the truth than anyone suspected. Martin had read the wax-sealed letter. He'd observed that lone scribe painstakingly recording the results of the royal commissioners in the great book, and at the end, he'd watched the scholar scratch a single word in Latin, in red ink.
Vastare.
Wasted.
Many regions were marked with this word, indicating lands that had been laid waste by war or pillage. But two entries had been inscribed entirely in crimson ink. One described a desolate island that lay between the coast of Ireland and the English shore. Martin approached the other place now, ordered here to investigate at the behest of the king. He had been sworn to secrecy and given three men to assist him. They trailed behind the wagon on their own horses. At Martin's side, the driver twitched the reins and encouraged the draft horse, a monstrously huge chestnut, to a faster clop. As they continued forward, the wheels of the wagon drove over the twitching bodies of the ravens, crushing bones and splattering blood.”

 

2261493-de2895550f76209c725bf930b216adc8.jpg
James Rollins (Chicago, 20 augustus 1961)

 

 

De Nederlandse schrijver, essayist en columnist Alfred Alexander Birney werd geboren in Den Haag op 20 augustus 1951. Zie ook alle tags voor Alfred Birney op dit blog.

Uit: De tolk van Java

“Gitaar en schrijfmachine

Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de 'vliegende sigaren' van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van her zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Austr-lische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabisoldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birmaspoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hirte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa'•, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoopgeschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hard.nekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van honderd gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokrorno en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit zesenveertig lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend* terug die zichzelf voor de kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje niet een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap* jongens af met wie hij nog een appeltje le schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak. Of ben je dat laatste vergeten, Pa, omdat je het misschien verzonnen had?”

 

 2261493-053b9a624a301f4c07bcfd91b3435023.JPG
Alfred Birney (Den Haag, 20 augustus 1951)

 

 

De Duitse schrijfster Maren Winter werd geboren op 20 augustus 1961 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Maren Winter op dit blog.

Uit: Das Lied des Glockenspielers

„An den Prähmen, den Schwimmstegen vor dem Ufer, konnten je drei Segler gleichzeitig anlegen, und normalerweise war genügend Stapelfläche für ihre Fracht vorhanden. Nicht jedoch, wenn Görgen von Kortholt dort die Befehle gab. Der drahtige Alte fuchtelte mit seinen Listen, rief scharf nach Gütern, die im Schiffsrumpf hinter allem anderen gelagert waren, und verlangte im nächsten Moment nach dem, was eben noch vorne gestanden hatte. Seine Kästen, Ballen und Fässer verteilten sich bald überall auf dem gesamten Steg, sodass für die Lasten weiterer Schiffe kein Durchkommen mehr blieb. Dadurch wurden Görgens Güter immer als Erstes auf die Wagen geladen, was ihm einen erheblichen Zeitvorteil verschaffte. Liron beschäftigte die Anwesenheit des Kaufmanns aber aus ganz anderen Gründen. Görgen von Kortholt war als Ratsherr auch Vorsteher von St. Marien. Er regierte über Kantor, Organist und Glöckner der bedeutenden Kirche, die alle Laute der Schöpfung in sich zu bergen schien und in minutenlangem Nachhall zu immer neuen Klängen verwob. Einmal war Liron dem Kaufmann schon so nahe gekommen, dass er ihn hätte berühren können. Wenn es nur eine Möglichkeit gäbe, ihn auf sich aufmerksam zu machen. «Beachtlich, dass der alte Pfeffersack bei diesem Wetter zum Hafen kommt», sagte er. «Nee, nee», brummte Eggert, «ich meine nicht den Alten, ich rede vom Junior, vom Sohn.» Lirons Interesse nahm deutlich ab. Er ruckte sein Fass zurecht und trat vorsichtig auf die Planke, die zum Steg hinunterführte. Das Holz war glatt, denn seit dem Morgen nieselte es schon. Wenigstens war die glitschige Schicht heute nicht gefroren. Er war erst wenige Schritte balanciert, als der schleppende Tross ins Stocken geriet. Zurück konnte Liron nicht mehr, und das schwankende Laufbrett war viel zu schmal, um das Fass darauf abzusetzen. Soweit es ihm in der gebückten Haltung möglich war, hob er den Kopf und spähte an den anderen Männern vorbei zum Prahm hinüber. Da stand er, der junge Thiedemann von Kortholt, in aufrechter Haltung, als ob er einem Maler Modell stehen würde. Seine Rechte ruhte auf dem Degen, in der Linken hielt er einen Federhut.“

 

 2261493-6ebed4e71a6409278924a6bbcc5b77ef.jpg
Maren Winter (Lübeck, 20 augustus 1961)

 

 

De Duitse schrijver Arno Surminski werd geboren op 20 augustus 1934 in Jäglack in Oostpruisen. Zie ook alle tags voor Arno Surminski op dit blog.

Uit: Vaterland ohne Väter

„Im Dezember 1944 brauchten die Königsberger keine Rußlandkarten mehr.
Ich hefte die Karte mit Stecknadeln an die Wand über meinem Schreibtisch. Ein Riesenraum öffnet sich, ein Tor springt auf, Schnee weht mir ins Gesicht, Bäume brechen unter der weißen Last, Kälte strömt mir entgegen. Vor mir eine weiße Landschaft, in der wie Strichmännchen feldgraue Figuren umherirren. Ich entdecke schwarze und rote Linien, Kreuze, die so aussehen, als ständen sie auf Gräbern. Und die Kreise nicht zu vergessen, sie markieren die Kessel. "In den Kesseln faulte das Wasser", sang mein Vater, als er marschierte. Ganz unten rechts finde ich Stalingrad, ein unerhört ferner Ort, fast könnte man denken, er gehöre nicht zu Europa. Die Stadt Leningrad links oben hat auch ihren Namen verloren. Nur Moskau ist geblieben. Ich entdecke Nadelstiche im alten Papier. Da steckten die Siegesfähnchen mit dem Hakenkreuz. Um Stalingrad bilden viele Nadelstiche einen Kreis, das war der Kessel ... Wanderer, kommst du nach Sparta ...
Aus den Briefen des Walter Pusch fällt ein verblichenes Foto. Es zeigt drei vermummte Männer in den damals üblichen Uniformen, dahinter eine Schneelandschaft wie in meinem Garten. Ein schwarzweißes Bild, aber doch mehr Weiß. Schwarz sind nur die Männer und das Ungetüm von Kanone im Hintergrund. Auf die Rückseite hat Walter Pusch geschrieben:
Drei Kameraden mit Kanone im Wald bei Orscha: Rosen, Godewind und ich.
Die Reihenfolge hat er nicht angegeben. Wie soll ich herausfinden, wer von ihnen mein Vater ist? Etwa der Kleine in der Mitte? Niemand hat mir gesagt, ob mein Vater groß oder klein war, ob er schwarzes Haar trug oder blondes. Und seine Augen, waren sie blau oder braun?“

 

 2261493-fecfcc2515a4ca25cc1129bdd65e8b6c.jpg
Arno Surminski (Jäglack, 20 augustus 1934)
Cover

 

 

De Engelse dichter Edgar Albert Guest werd geboren op 20 augustus 1881 in Birmingham, Engeland. Zie ook alle tags voor Edgar Guest op dit blog.

 

He's Taken Out His Papers

He's taken out his papers, an' he's just like you an' me.
He's sworn to love the Stars and Stripes an' die for it, says he.
An' he's done with dukes an' princes, an' he's done with kings an' queens,
An' he's pledged himself to freedom, for he knows what freedom means.

He's bought himself a bit of ground, an', Lord, he's proud an' glad!
For in the land he came from that is what he never had.
Now his kids can beat his writin', an' they're readin' books, says he,
That the children in his country never get a chance to see.

He's taken out his papers, an' he's prouder than a king:
'It means a lot to me,' says he, 'just like the breath o' spring,
For a new life lies before us; we've got hope an' faith an' cheer;
We can face the future bravely, an' our kids don't need to fear.'

He's taken out his papers, an' his step is light to-day,
For a load is off his shoulders an' he treads an easier way;
An' he'll tell you, if you ask him, so that you can understand,
Just what freedom means to people who have known some other land.

 

 

The Common Joys

THESE joys are free to all who live
The rich and poor, the great and low:
The charms which kindness has to give,
The smiles which friendship may bestow,
The honor of a well-spent life,
The glory of a purpose true,
High courage in the stress of strife,
And peace when every task is through.

Nor class nor caste nor race nor creed,
Nor greater might can take away
The splendor of an honest deed.
Who nobly serves from day to day
Shall walk the road of life with pride,
With friends who recognize his worth,
For never are these joys denied
Unto the humblest man on earth.

Not all may rise to world-wide fame,
Not all may gather fortune's gold,
Not all life's luxuries may claim;
In differing ways success is told.
But all may know the peace of mind
Which comes from service brave and true;
The poorest man can still be kind,
And nobly live till life is through.

These joys abound for one and all:
The pride of fearing no man's scorn,
Of standing firm, where others fall,
Of bearing well what must be borne.
He that shall do an honest deed
Shall win an honest deed's rewards;
For these, no matter race or creed,
Life unto every man affords.

 

 2261493-aa316ddc6417fa6e0de6521d30054f51.jpg
Edgar Guest (20 augustus 1881 – 5 augustus 1959)

 

 

De Noorse dichter en schrijver Tarjei Vesaas werd geboren in in Vinje, Telemark op 20 augustus 1897. Zie ook alle tags voor Tarjei Vesaas op dit blog.

 

A Freed Channel

A freed channel
opened out in the frozen heart.
The ice melted at a warm word
and the water lay still and black
with new breath.

Overhead the wires sang
in a daring tension
between unlike minds,
a wide arc
in the pale blue.

All sorts of cold fish
darted to and fro
and stared.
But the still black water waited
impatiently,
and the first boat also appeared
as if from itself,
its painting peeling from the sides
after the winter,
and the water and the boat spoke quietly
together
about life's blissful moments.

 

Vertaald door Anthony Barnett

 

 2261493-9a8bb99062c17c58fad29e43c0ef793f.jpg
Tarjei Vesaas (20 augustus 1897 – 15 maart 1970)

 

 

De Belgische schrijver Charles de Coster werd geboren in München op 20 augustus 1827. Zie ook alle tags voor Charles de Coster op dit blog.

 Uit: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

“Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het vergif, met eene gouden schaal, zoo groot als eene hazelnoot. Mevrouw de Chauffade bond aan een zijden draadje dat hem op de maag hing, eene schelp, wolfsmuil geheeten, voor de goede spijsvertering; messire van den Steen van Vlaanderen bood hem eene Gentsche worst aan, van vijf ellebogen lang en een halven dik, daarbij wenschte hij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid dat hij, alleen op den reuk van de worst, dorst kreeg naar Gentschen klauwaart, mits al wie het bier eener stad lustte, sprak hij, de brouwers niet haten kon; messire schildknaap Jacob Christoffel van Castilië bad Zijne Hoogheid den Infant groenen jaspis aan zijne doorluchtige voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de Paepe, de nar, die daar was, sprak toen:
- Messire, geef hem liever den horen van Josuah, bij wiens geschal al de steden voor hem zullen beginnen loopen, met kuip, met huizen, met inwoners, mannen, vrouwlieden en kinderen, om alles van plaats te verzetten. Want Zijne Hoogheid moet niet leeren loopen, maar wel de anderen doen loopen.
De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, die heer van Veere, in Zeeland was, schonk aan Z.H. Philips eenen steen die de eigenschap had, naar zij zegde, de mannen verliefd en de vrouwen ontroostbaar te maken.
Maar de infant schreide zonder ophouden.
Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak een wisschen klater met belletjes in de hand van zijn zoon, deed Uilenspiegel op zijne hand dansen en sprak: ‘Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes op uw kaproen, mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld’.
En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.”

 

 2261493-dfedf9d9fc0b36a8e7eadfd95673c34c.jpg
Charles de Coster (20 augustus 1827 – 7 mei 1879)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e augustus ook mijn blog van 20 augustus 2017 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht

Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Marion Pauw, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash, John Dryden, Samuel Richardson, Matt Harvey

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit: The House of Sleep

“The name had been pronounced in a tone of tired incredulity, by a woman who was holding a glass of apple juice in one hand, and a half-smoked cigarette in the other. She had short, jet-black hair, a prominent jaw and lively dark eyes. Sarah recognized her, vaguely, from previous visits to the Cafe Valladon, but did not know her name. She was later to find out that it was Veronica.
'That's just so typical,' the woman added: then closed her eyes as she puffed on her cigarette. She was smiling, perhaps taking the argument less seriously than the thin, pasty, earnest-looking student sitting opposite her.
'People who don't know anything about theatre,' Veronica continued, 'always talk about Pinter as if he's one of the greats.'
'OK,' said the student. 'I agree that he's overrated. I agree with that. That's exactly what proves my point.'
'It proves your point?'
'The British postwar theatrical tradition,' said the student, 'is so ... etiolated, that --'
'Excuse me?' said an Australian voice next to him. 'What was that word?'
'Etiolated,' said the student. 'So etiolated, that there's only one figure who --'
'Etiolated?' said the Australian.
'Don't worry about it,' said Veronica, her smile broadening. 'He's just trying to impress us.'
'What does it mean?'
'Look it up in the dictionary,' snapped the student. 'My point is, that there's only one figure in postwar British theatre with a claim to any kind of stature, and even he is overrated. Massively overrated. Ergo, the theatre is finished.'
'Ergo?' said the Australian.
'It's over. It has nothing to offer. It has no part to play in contemporary culture, in this country, or in any other country.'
'So what -- you're saying that I'm wasting my time?' Veronica asked. 'That I'm out of tune with the whole ... Zeitgeist?'
'Absolutely. You should change courses at once: to film studies.'
'Like you.'
'Like me.'
'Well, that's interesting,' said Veronica. 'I mean, just look at the assumptions you're making. For one thing, you assume that just because I'm interested in the theatre, I must be studying it. Wrong: I'm doing economics. And then, this whole conviction of yours that you're in possession of some kind of absolute truth: I ... well, I find that a very male quality, is all I can say.'

 

 2261237-195ae01d08b6a950cc8ba8a46f9ca86f.jpg
Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

 

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

 

Visions And Interpretations

Because this graveyard is a hill,
I must climb up to see my dead,
stopping once midway to rest
beside this tree.

It was here, between the anticipation
of exhaustion, and exhaustion,
between vale and peak,
my father came down to me

and we climbed arm in arm to the top.
He cradled the bouquet I'd brought,
and 1, a good son, never mentioned his grave,
erect like a door behind him.

And it was here, one summer day, I sat down
to read an old book. When I looked up
from the noon-lit page, I saw a vision
of a world about to come, and a world about to go.

Truth is, I've not seen my father
since he died, and, no, the dead
do not walk arm in arm with me.

If I carry flowers to them, I do so without their help,
the blossoms not always bright, torch-like,
but often heavy as sodden newspaper.

Truth is, I came here with my son one day,
and we rested against this tree,
and I fell asleep, and dreamed

a dream which, upon my boy waking me, I told.
Neither of us understood.
Then we went up.

Even this is not accurate.
Let me begin again:

Between two griefs, a tree.
Between my hands, white chrysanthemums, yellow
chrysanthemums.

The old book I finished reading
I've since read again and again.

And what was far grows near,
and what is near grows more dear,

and all of my visions and interpretations
depend on what I see,

and between my eyes is always
the rain, the migrant rain.

 

 

One Heart

Look at the birds. Even flying
is born

out of nothing. The first sky
is inside you, open

at either end of day.
The work of wings
was always freedom, fastening
one heart to every falling thing.

 2261237-8c69285abb6abb4aa3f194b4a057af6c.gif
Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

 

De Vlaamse dichter Frederik Lucien De Laere werd geboren in Brugge op 19 augustus 1971. Zie ook alle tags voor Frederik Lucien De Laere op dit blog.

 

aardverschuiving
van delict naar verdict?

de getijden van de aarde
lezen we in het groenlands ijs
de planeet reist van warm naar koud
in de parabolen zit verscholen
een  eeuwige beweging,
een cyclus als in het woud.

nu het woud brandt
kantelt het klimaat
en wordt het spagaat van deze tijd
is de processierups op de eik
een teken aan de wand
van een nakende precessie?

de strijd om de noordpool:
het is drummen om een deel
van de wegsmeltende kap
de kapsones en capriolen
worden weggemoffeld
als zeehonden
doodgeknuppeld of -geknuffeld

het stormt en de stromen slaan op hol
als de weersmurfmachine
wie heeft aan de hendels geprutst?
het gutst, het vriest, we puffen,
we liggen naakt op een gletsjer
en laten ons fotograferen

wat brengt de toekomst voor tuvalu,
de malediven of de lage landen:
pompen, verzuipen, opvissen
van kolossen door een verre generatie?

zullen we stranden in ons afval
of gaan we cradle-to-cradle
en downcycl’en we
het tot voedsel met het credo
food is waist & waist is food?

zeggen we de CO2-babe vaarwel
en ons geolied libido
en rekenen we op het albedo
(schilderen we alles wit,
te beginnen in lissewege)?

voelen we de doom van venus
en gedragen we ons loom
in de hitte van de dagen
tot de dag des oordeels?

overleven we als noach
op de goddelijke archipel
waar een duif ons hoop brengt
een groene tak
en tsjak
begint alles weer van voren
af aan?

 

 2261237-3800e10df8ddd54f5bcdfca2b238760e.jpg
Frederik Lucien De Laere (Brugge, 19 augustus 1971)

 

 

De Nederlandse schrijfster Marion Pauw werd geboren in Tasmanië op 19 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Marion Pauw op dit blog.

Uit: Hotel Hartzeer

‘Elk schip is onzinkbaar. Totdat het zinkt.’ Dat schreef ik (S) in 2015 op Twitter nadat het uit was met mijn vriend, de vader van mijn kinderen die toen 1 en 4 waren. De boot van mijn relatie bleek een maand eerder tot mijn verrassing lek te zijn en ik was uit alle macht water aan het hozen, maar hij was dan toch gekapseisd. Ik weet nog hoe mijn vriend vroeg op de avond thuiskwam van een etentje, hoe ik nog hoopte dat dit een goed teken was, maar dat ik meteen aan zijn gezicht zag dat het mis was. De twijfel die hij een maand eerder had geuit (of die ik liever gezegd na fl ink doorvragen uit hem trok) was uitgemond in een besluit. Hij begon te praten. Het was voorbij.
‘Nee, nee, niet doen!’ riep ik geschrokken alsof ik mijn jongste kind naar een vaas zag grijpen. Ik zag geen glas, maar mijn hart in duizend stukken op de vloer belanden. En mijn gezin. Er zou niets geprobeerd worden; geen relatietherapie, geen vakantie om tot elkaar te komen, zelfs geen time-out. Het was gewoon – met onmiddellijke ingang en eenzijdig besloten – klaar tussen ons.
Als je gedumpt wordt, is dat (ook al was het misschien niet eens onverwacht en stond de relatie al tijden op springen) een schok. Je hart breekt en dat kun je bijna horen, maar dat voel je gek genoeg niet als eerste. In het allereerste begin barst de bom in je hoofd, waar de zin ‘Het is voorbij’ maar in blijft doorklinken, honderden keren en zelfs dan geloof je het nog niet. Je hersenen kunnen die informatie niet aan, want het is in tegenspraak met hoe jij zelf denkt en met wat je voelt, wilt en verwacht.
Connie Palmen nam plaats op de bank in onze villa en zij duidde die eerste schok als volgt: ‘Het gaat niet alleen om het idee dat je niet meer bij iemand kunt aankloppen, ik voelde me ook werkelijk half doorgehakt.”

 

 2261237-5b692ab6273c3f151e88085bec570b93.jpg
Marion Pauw (Tasmanië, 19 augustus 1973)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en vertaler Louis Th. Lehmann werd geboren op 19 augustus 1920 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Louis Th. Lehmann op dit blog.

 

Voor de Spiegel

De ondergaande zon schijnt door mijn tanden,
mijn baard is als een paardekruis gelijnd,
het knoestig smoel dat door mijn wangen schijnt
wil rotten in de klei van niemandslanden.

Begerig krommen zich mijn loopgraafhanden:
ik heb het roofdier lief dat in mij schrijnt,
en haat mijn zwakke geest waarin hij kwijnt,
wil uit mijn lichaam slopen al zijn banden.

Ik word bezeten door de dolle wens,
hem onbevreesd geheel te kunnen wezen,
die lucht en water als domeinen wil,

maar ken van elke ruimtekoorts de grens;
ik zoek de vrouw die niet voor hem zal vrezen,
een zak in 't zonlicht maakt mijn flanken kil.

 

 

Signature Tune,

Rijdt u maar aangenaam door Mijn geschriften,
mijn Rets is de getuige van Mijn driften.
Dat zint hem niet, hij zint op wraak en
hij wappert met Mijn haar en regenjas,
dat laatste liefst tussen zijn spaken.
Hij wenst, als blijkt uit zijn langdurig heng'len
zich even vurig met zijn buurfiets te verstreng'len
als ik met haar erop, als 't mooglijk was.

 

 2261237-c239b03344727bdebc0448d4633031b5.jpg
Louis Th. Lehmann (19 augustus 1920 – 23 december 2012)

 

 

De Amerikaanse dichter Frederic Ogden Nash werd geboren in Rye, New York, op 19 augustus 1902. Zie ook alle tags voor Ogden Nash op dit blog.

 

Reprise

Geniuses of countless nations
Have told their love for generations
Till all their memorable phrases
Are common as goldenrod or daisies.
Their girls have glimmered like the moon,
Or shimmered like a summer moon,
Stood like a lily, fled like a fawn,
Now the sunset, now the dawn,
Here the princess in the tower
There the sweet forbidden flower.
Darling, when I look at you
Every aged phrase is new,
And there are moments when it seems

 

 

Reflection On The Fallibility Of Nemesis

He who is ridden by a conscience
Worries about a lot of nonscience;
He without benefit of scruples
His fun and income soon quadruples.

 

 

Reflection On A Wicked World

Purity
Is obscurity.

 

 2261237-eae1981c4af459275e8f9f24f5e9c5a0.jpg
Ogden Nash (19 augustus 1902 – 19 mei 1971)

 

 

De Iers-Amerikaanse schrijver Frank McCourt werd geboren op 19 augustus 1930 in New York. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frank McCourt op dit blog.

Uit: Tis

“The priest sat next to me at the dinner table. He whispered that those two old Protestants were very rich from raising Thoroughbred racehorses in Kentucky and if I had any sense I'd be nice to them, you never know.
I wanted to ask what was the proper way to be nice to rich Protestants who raise racehorses but I couldn't for fear the priest might think I was a fool. I heard the Protestants say the Irish people were so charming and their children so adorable you hardly noticed how poor they were. I knew that if I ever talked to the rich Protestants I'd have to smile and show my destroyed teeth and that would be the end of it. The minute I made some money in America I'd have to rush to a dentist to have my smile mended. You could see from the magazines and the films how the smile opened doors and brought girls running and if I didn't have the smile I might as well go back to Limerick and get a job sorting letters in a dark back room at the post office where they wouldn't care if you hadn't a tooth in your head.
Before bedtime the steward served tea and biscuits in the lounge. The priest said, I'll have a double Scotch, forget the tea, Michael, the whiskey helps me sleep. He drank his whiskey and whispered to me again, Did you talk to the rich people from Kentucky?
I didn't.
Dammit. What's the matter with you? Don't you want to get ahead in the world?
I do.
Well, why don't you talk to the rich people from Kentucky? They might take a fancy to you and give you a job as stable boy or something and you could rise in the ranks instead of going to New York which is one big occasion of sin, a sink of depravity where a Catholic has to fight day and night to keep the faith. So, why can't you talk to the nice people from Kentucky and make something of yourself?
Whenever he brought up the rich people from Kentucky he whispered and I didn't know what to say. If my brother Malachy were here he'd march right up to the rich people and charm them and they'd probably adopt him and leave him their millions along with stables, racehorses, a big house, and maids to clean it. I never talked to rich people in my life except to say, Telegram, ma'am, and then I'd be told go round to the servants' entrance, this is the front door and don't you know any better.”

 

 

Frank McCourt (19 augustus 1930 – 19 juli 2009)
 

 

De Engelse toneelschrijver, dichter en criticus John Dryden werd geboren op 19 augustus 1631 in Aldwinkle (Northamptonshire). Zie ook alle tags voor John Dryden op dit blog.

 

Ah, How Sweet It Is To Love!

AH, how sweet it is to love!
Ah, how gay is young Desire!
And what pleasing pains we prove
When we first approach Love's fire!
Pains of love be sweeter far
Than all other pleasures are.

Sighs which are from lovers blown
Do but gently heave the heart:
Ev'n the tears they shed alone
Cure, like trickling balm, their smart:
Lovers, when they lose their breath,
Bleed away in easy death.

Love and Time with reverence use,
Treat them like a parting friend;
Nor the golden gifts refuse
Which in youth sincere they send:
For each year their price is more,
And they less simple than before.

Love, like spring-tides full and high,
Swells in every youthful vein;
But each tide does less supply,
Till they quite shrink in again:
If a flow in age appear,
'Tis but rain, and runs not clear.

 

 

Dreams

Dreams are but interludes which Fancy makes;
When monarch Reason sleeps, this mimic wakes:
Compounds a medley of disjointed things,
A mob of cobblers, and a court of kings:
Light fumes are merry, grosser fumes are sad;
Both are the reasonable soul run mad;
And many monstrous forms in sleep we see,
That neither were, nor are, nor e'er can be.
Sometimes forgotten things long cast behind
Rush forward in the brain, and come to mind.
The nurse's legends are for truths received,
And the man dreams but what the boy believed.
Sometimes we but rehearse a former play,
The night restores our actions done by day;
As hounds in sleep will open for their prey.
In short, the farce of dreams is of a piece,
Chimeras all; and more absurd, or less.

 

 2261237-c083a3835b90356dbd454d712768eb08.jpg

John Dryden (19 augustus 1631 – 12 mei 1700) 
Portret door John Riley, z. j.

 

 

De Britse schrijver en drukker Samuel Richardson werd geboren op 19 augustus 1689 in Mackworth, Derbyshire. Zie ook alle tags voor Samuel Richardson op dit blog.

Uit: Pamela; or, Virtue Rewarded

“[In answer to the preceding.] DEAR PAMELA,
Your letter was indeed a great trouble, and some comfort, to me and your poor mother. We are troubled, to be sure, for your good lady's death, who took such care of you, and gave you learning, and, for three or four years past, has always been giving you clothes and linen, and every thing that a gentlewoman need not be ashamed to appear in. But our chief trouble is, and indeed a very great one, for fear you should be brought to anything dishonest or wicked, by being set so above yourself. Every body talks how you have come on, and what a genteel girl you are; and some say you are very pretty; and, indeed, six months since, when I saw you last, I should have thought so myself, if you was not our child. But what avails all this, if you are to be ruined and undone!--Indeed, my dear Pamela, we begin to be in great fear for you; for what signify all the riches in the world, with a bad conscience, and to be dishonest! We are, 'tis true, very poor, and find it hard enough to live; though once, as you know, it was better with us. But we would sooner live upon the water, and, if possible, the clay of the ditches I contentedly dig, than live better at the price of our child's ruin.
I hope the good 'squire has no design: but when he has given you so much money, and speaks so kindly to you, and praises your coming on; and, oh, that fatal word! that he would be kind to you, if you would do as you should do, almost kills us with fears.
I have spoken to good old widow Mumford about it, who, you know, has formerly lived in good families; and she puts us in some comfort; for she says it is not unusual, when a lady dies, to give what she has about her person to her waiting-maid, and to such as sit up with her in her illness. But, then, why should he smile so kindly upon you? Why should he take such a poor girl as you by the hand, as your letter says he has done twice? Why should he stoop to read your letter to us; and commend your writing and spelling? And why should he give you leave to read his mother's books?--Indeed, indeed, my dearest child, our hearts ache for you; and then you seem so full of joy at his goodness, so taken with his kind expressions, (which, truly, are very great favours, if he means well) that we fear--yes, my dear child, we fear--you should be too grateful,--and reward him with that jewel, your virtue, which no riches, nor favour, nor any thing in this life, can make up to you.”

 

 2261237-960c370a4576a99c12a2ae43f7d2c69e.jpg

Samuel Richardson (19 augustus 1689 – 4 juli 1761)
Portret door Joseph Highmore, 1780

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Britse dichter en humorist Matt Harvey humorist en performance-dichter werd geboren in Cheshire in 1962. In zijn jeugd trok hij door Groot-Brittannië en verbleef in Cheshire, Schotland en Ierland; hij vestigde zich in Twickenham, Londen op de leeftijd van 15. Als tiener werd hij beïnvloed door de Mersey Poets, waaronder Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten. Hij had een moeilijke jeugd en als twintiger bezocht de Self Heal Association, een psychotherapeutisch centrum in Devon. Hij werd later helper in het centrum en is blijven spreken en presteren op conferenties over geestelijke gezondheidszorg. Hij begon zijn carrière als performance kunstenaar in 1992 en gaf live optredens aan het publiek in het zuidwesten van Engeland. Hij heeft sindsdien in het hele land op conferenties, cabarets, hogescholen en literaire festivals opgetreden. Harvey werd benoemd tot Official Wimbledon Championship Poet 2010. De taak bestond erin om elke dag van het kampioenschap een gedicht uit te brengen om de toeschouwers te vermaken. Harvey is gastheer van Wondermentalist - het poëziecabaret van Radio 4 - en auteur van o.a. “The Hole in the Sum van my Parts”, “Where Earwigs Dare” “Mindless Body Spineless Mind” en “The Element in the Room”. Hij is getrouwd, met één vrouw. Ze hebben twee zonen.

 

Where Earwigs Dare

A silver trail across the monitor;
fresh mouse-droppings beneath the swivel-chair;
the view obscured by rogue japonica.
Released into the wild, where earwigs dare –

you first went freelance – and then gently feral.
You worked from home – then wandered out again,
roughed it with spider, ant, shrew, blackbird, squirrel
in your won realm, your micro-Vatican.

No name conveys exactly what it is –
Chalet? Gazebo? You were not misled
by studios, snugs, garden offices,
workshops or outhouses. A shed’s a shed –

and proud of it. You wouldn’t want to hide it.
Wi-Fi-enabled rain-proof wooden box –
a box to sit in while you think outside it.
Self-rattling cage, den, poop-deck, paradox,

hutch with home-rule, cramped cubicle of freedom,
laboratory, thought-palace, bodger’s bower,
plot both to sow seeds and to go to seed in,
cobwebbed, Cuprinol-scented, Seat of Power.

 

 

Slug

low-born land mollusc
high-impact intruder
easy oozer, slime exuder
free-loader, sprout-spoiler
meandering marauder
disrespecter
of my broad-beans’ border
you’ve a one-track mind
in a one-track bodydiligent pillager
soft-horned invisigoth
slow silver scribbler
paradoxically busy sloth
tithe-taker, hole-maker
indiscriminate direct debitor
bold-as-brass brassica editor

you’re a squishetty spoilsport
a glistening drag
the liquorice all-sort
nobody wants to find in the bag

it’s time that you were brought to book
you’re not as tasty as you look
listen chum, you are disposable
look at my thumb, it is opposable

unwelcome invertebrate
this might just hurt a bit
I pluck you and chuck you
into distant dew-drenched greenery
isn’t that mean of me?

slug, when all is said and done
you can hide but you can’t run

 

 2261237-a1ba7230296094e940c2ce4b436ddfe5.jpg
Matt Harvey (Cheshire, 1962)

Geschreven door Romenu om 13:52 Reageer op dit bericht

‘Hope’ is the thing with feathers – (Emily Dickinson)

 

Dolce far niente

 

 2261046-cec85b4744e3c2f10ac79a6fb98295cc.jpg
Het vogelconcert door Melchior de Hondecoeter, 1670

 

 

‘Hope’ is the thing with feathers –

‘Hope’ is the thing with feathers –
That perches in the soul –
And sings the tune without the words –
And never stops – at all –

And sweetest – in the Gale – is heard –
And sore must be the storm –
That could abash the little Bird
That kept so many warm –

I’ve heard it in the chillest land –
And on the strangest Sea –
Yet – never – in Extremity,
It asked a crumb – of me.

 

 2261046-61120eb841708903a14cb62f523875f6.jpg
Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)
Amhurst, de geboorteplaats van Emily Dickinson

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 juni 2018 en ook mijn blog van 18 augustus 2017 en ook mijn blog van 18 augustus 2016 en ook mijn blog van 18 augustus 2013 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:27 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Ted Hughes, V. S. Naipaul, Nis-Momme Stockmann, Deborah Feldman, Wim Hijmans

 

Dolce far niente

 

 

 2260748-9c4b69a3e1f5a5be03a099b4722976c8.jpg
Intruder In The Gym Hall door Piotr Dudek, 2016

 

 

At the Gym

This salt-stain spot
marks the place where men
lay down their heads,
back to the bench,

and hoist nothing
that need be lifted
but some burden they've chosen
this time: more reps,

more weight, the upward shove
of it leaving, collectively,
this sign of where we've been:
shroud-stain, negative

flashed onto the vinyl
where we push something
unyielding skyward,
gaining some power

at least over flesh,
which goads with desire,
and terrifies with frailty.
Who could say who's

added his heat to the nimbus
of our intent, here where
we make ourselves:
something difficult

lifted, pressed or curled,
Power over beauty,
power over power!
Though there's something more

tender, beneath our vanity,
our will to become objects
of desire: we sweat the mark
of our presence onto the cloth.

Here is some halo
the living made together.

 

 2260748-af2fc26c1d3849c63ce5894ef245abe6.jpg
Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)
Maryville

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog

 

The Jaguar

The apes yawn and adore their fleas in the sun.
The parrots shriek as if they were on fut, or strut
Like cheap tarts to attract the stroller with the nut.
Fatigued with indolence, tiger and lion

Lie still as the sun. The boa-constrictor's coil Is a fossil.
Cage after cage seems empty, or
Stinks of sleepers from the breathing straw.
It might be painted on a nursery wall.

But who runs like the rest past these arrives
At a cage where the crowd stands, stares, mesmerized,
As a child at a dream, at a jaguar hurrying enraged
Through prison darkness after the drills of his eyes

 

 

Cat And Mouse

On the sheep-cropped summit, under hot sun,
The mouse crouched, staring out the chance It dared not take.
Time and a world
Too old to alter, the five mile prospect—
Woods, villages, farms—hummed its heat-heavy
Stupor of life.
Whether to two
Feet or four, how are prayers contracted!
Whether in God's eye or the eye of a cat.

 

 

To Paint A Waterlily

A green level of lily leaves
Roofs the pond's chamber and paves

The flies' furious arena: study
These, the two minds of this lady.

First observe the air's dragonfly
That eats meat, that,bullets by

Or stands in space to take aim;
Others as dangerous comb the hum

Under the trees. There are battle-shouts
And death-cries everywhere hereabouts
But inaudible, so the eyes praise
To see the colors of these flies

 

 2260748-71188c1d49acefc1df8f91bf49f80588.jpg
Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

 

De Britse schrijver Sir Vidiadhar Surajprasad Naipaul werd geboren op 17 augustus 1932 in Chaguanas, Trinidad en Tobago. Zie ook alle tags voor V. S. Naipaul op dit blog. V. S. Naupaul stierf op 11 augustus jongstleden op 85-jarige leeftijd.

Uit: A Bend In the River

" It is true.'
He was born in Trinidad in 1932, but Port of Spain and the Caribbean would never become home: the fastidious and ambitious young man found his extended Indian family unbearable. 'I had to get away,' he says. So he arrived in England a triple exile: from India, from Trinidad, and from his flesh and blood. 'It was a pretty awful childhood,' he remembers. 'The Trinidad side was nice, but the family I was born into ... terrible, terrible. It was very large, with too many people. There was no beauty. It was full of malice. No thought, no beauty. These are things that mattered a lot to me, even when I was young.'
Then there was the unresolved business of his literary ambition. Naipaul has never made any secret of the fact that, from the age of 11, 'the wish came to me to be a writer', a wish that was soon 'a settled ambition', even if, as he now says, it was also 'a kind of sham'. In books and writing, he could master the chaos of his inheritance, soothe the raucous interruptions of the familial past - and find an identity.
But here was another obstacle in the writer's path to himself. 'I wished to be a writer,' he remarks in one of his essays. 'But together with the wish there had come the knowledge that the literature that had given me the wish came from another world, far away from our own.' Naipaul somehow had to find his voice in English, and to find it in an idiom that did not mimic the imperial masters or compromise his authenticity. Summarising his 50-year search for literary truth, he has expressed it as 'disorder within, disorder without'.
The English books of his school, the best years of his childhood, he says, offered the powerful fantasy of a remote and mysterious world, Dickens's London or Wordsworth's Lakeland, for example. But to a thoughtful and sensitive young man, for whom literature was a salvation, English both worked and did not work. 'I couldn't understand the settings,' he says. Dickens's 'rain' was never a tropical downpour, his 'snow' was unimaginable, and how could Naipaul relate to daffodils he had never seen?
For the 'fraudulent' Indian, uniquely sensitive to his place in the world, the jux-taposition of a full-blown imperial English culture with the 'formless, unmade society' of a small Caribbean island was only a source of panic and uncertainty, especially if it was your deepest ambition to use this language to write about, and make sense of, the world in which you were growing up. 'I might adapt Dickens to Trinidad,' Naipaul has written, 'but it seemed impossible that the life I knew in Trinidad could be turned into a book.'

 

 2260748-866829ef1195a0460ab99aa7ba8dcad2.jpg
V. S. Naipaul (17 augustus 1932 – 11 augustus 2018)

 

 

De Duitse schrijver en theatermaker Nis-Momme Stockmann werd geboren op 17 augustus 1981 in Wyk auf Föhr.Zie ook alle tags voor Nis-Momme Stockmann op dit blog.

Uit: Der Fuchs

«Du hast eine Notfallkiste … mit einer waffenscheinpflichtigen Waffe auf dem Dach … aber kein … Wasser?» «Wasser», wiederholte Dogge, als sei das Wort ein sumerisches Rätsel, und lud die Flinte.
Jütte setzte sich, ernst und dunkel funkelnd, auf die andere
Seite des Daches und schaute in Richtung Sonne. So viel Licht.
Eine Millionen Lumen. Eine Milliarde, Trilliarde Lumen. Eine Welt aus Wasser und Licht. Nur hinter dem Schornstein war ein blasser Schatten, um den sich ein paar erschöpfte Krähen stritten. Ich hatte Krämpfe in den Augenlidern. Saurer Schweiß lief mir von der Stirn. Als das Licht langsam rot wurde, wusste ich zuerst nicht, ob mir die Augen bluteten oder es tatsächlich endlich Abend war. Ist das eine Sonne oder eine glühende Zigarre, die uns ein boshafter Gott aus Langeweile an die Stirn drückte, während er uns beim Schmelzen zusah? Ich hatte das Gefühl, wir wären schon ewig auf dem Dach. Aber nein, es waren ja nur wenige Stunden. Hatten wir einen Tag übersprungen? Über den Untiefen des Hochwassers zogen graue Wolken in eigenartigen Formationen auf – irgendeine Kraft ließ sie schwer hin und her taumeln, wie ein betrunkener Mann. Tonnen von Insektenleibern – Millionen ihre Auferstehung feiernde Mücken, Käfer, Motten. Ich stellte mir vor, was Dogge wohl unternehmen würde mit seiner Schrotflinte, wenn die jetzt gesammelt auf uns zufliegen würden. Als hätte er meinen Gedanken gehört, stieß er einen besoffenen Kampfschrei aus und schoss in die Luft. «Danke, Dogge, und herzlichen Glückwunsch», sagte Jütte, «zehn Jahre Konzerte ohne Hörschutz haben’s nicht geschafft, dafür musste nur mal ein Vollidiot, mit dem ich auf einem Dach festsitze, grundlos eine Waffe abfeuern.» Dogge verbeugte sich. «Dieser Scheiß ist gefährlich!»
Ein Kind weinte in der Ferne. Etwa 200 Meter von uns und noch weiter von den meisten anderen Häusern entfernt entdeckten wir es in der Krone eines schrägstehenden Baums. Absolut unerreichbar. Dogge war hin über. Schielte schon. Und sah mindestens 15 Jahre älter aus, als er war (was bei seinen 33 Jahren wirklich eine erstaunliche Verfallsleistung im Zusammenspiel von Sonne und Alkohol bedeutete). Er hatte noch einen Flachmann in seiner Jackeninnentasche, aus dem er ständig kleine Schlucke nahm. Aber das bemerkten wir erst viel zu spät. Er feuerte noch einmal. Dahinten traf er mit einem müden Puff ins Wasser, nicht mehr, als würde man in ein Kissen schlagen. «Baumann!», schrie Jütte.
Vorne, wo Frau Garres vor ihrem Schlaganfall gewohnt hatte, schoss er eine schöne, ebenförmige Tonsur in einen Baum, und 20 Meter vor uns und zu unserer großen Überraschung, denn die Schrotflinte machte etwa untertassengroße Schleifen vor seinem Gesicht, traf er einen Hund, exakt in die Flanke. Er ging sofort, nachdem ihm der Hinterleib explodiert war, ohne Jaulen oder irgendwas, unter, so plötzlich und lautlos, dass ich unweigerlich lachen musste – «Vorm Ertrinken gerettet», sagte Dogge sehr ernst.“

 

 2260748-172088a5214e2993c099f512c056433a.jpg
Nis-Momme Stockmann (Wyk, 17 augustus 1981)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman werd geboren op 17 augustus 1986 in de chassidische gemeenschap van Satmar in Williamsburg, Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Deborah Feldman op dit blog.

Uit: Unorthodox

“Í avoided the gaze of passersby, terrified of running into a suspicious neigh-bor. What if someone asked me what I was carrying? I skirted young boys careening by on shabby bicycles and teenagers pushing their younger siblings in squeaky-wheeled prams. Everyone was outside on this balmy spring day, and the last half block seemed to take forever. At home I rushed to hide the book under my mattress, pushing it all the way in just in case. I smoothed the sheets and blankets and draped the bedspread so that it hung to the floor. I sat down at the edge of the bed and felt guilt wash over me so suddenly that the strength of it kept me pinned there. I wanted to forget that this day had ever happened. All through Shabbos the book burned beneath my mattress, alternately chastising me and beckoning to me. I ignored the call; it was too dangerous, there were too many people around. What would Zeidy say if he knew? Even Bubby would be horrified, I knew. Sunday stretches ahead of me like an unopened krepela, a soft, doughy day encapsulating a secret filling. All I have to do is help Bubby with the cooking, then I will have the rest of the afternoon free to spend as I please. Bubby and Zeidy have been invited to a cousin's bar mitzvah today, which means I will have at least three hours of uninterrupted pri-vacy. There is still a slab of chocolate cake in the freezer that I'm sure Bubby, with her spotty memory, won't miss. Could this afternoon get any better? After Zeidy's heavy footfalls fade down the stairs, and I watch from my second-floor bedroom window as my grandparents get into the taxi, I slide the book out from under the mattress and place it reverently on my desk. The pages are made of waxy, translucent paper, and they are each packed with text: the original words of the Talmud as well as the English translation, and the rabbinical discourse that fills up the bottom half of each page. I like the discussions best, records of the conversations the ancient rabbis held about each holy phrase in the Talmud. On the sixty-fifth page the rabbis are arguing about King David and his ill-gotten wife Bathsheba, a mysterious biblical tale about which I've always been curious. From the fragments mentioned, it appears that Bathsheba was already married when David laid his eyes upon her, but he was so attracted to her that he deliberately sent her husband, Uriah, to the front lines so that he would be killed in war, leaving Bathsheba free to remarry. Afterward, when David had finally taken poor Bathsheba as his lawful wife, he looked into her eyes and saw in the mirror of her pupils the face of his own sin and was repulsed. After that, David refused to see Bathsheba again, and she lived the rest of her life in the king's harem, ignored and forgotten. I now see why I'm not allowed to read the Talmud. My teachers have always told me, "David had no sins. David was a saint. It is forbidden to cast aspersions on God's beloved son and anointed leader."

 

 2260748-64e4339590f8aa21aa3d3f44f921df7a.jpg
Deborah Feldman (New York, 17 augustus 1986)

 

 

De Nederlandse dichter en journalist Wim Hijmans werd geboren in Groningen op 27 augustus 1926. Zie ook alle tags voor Wim Hijmans op dit blog.

Uit: Het algemeen belang en de televisie

‘Zo dient... het verlangen van het bedrijfsleven naar het toelaten van het element reclame in de televisie door de overheid ook slechts op gronden, aan het algemeen belang ontleend, te worden beoordeeld.’
Staatssecretarissen Scholten en Veldkamp in de Nota inzake Reclametelevisie.
Het debat over de vraag, of Nederland in de toekomst reclameboodschappen moet toelaten in de televisie, is al jaren gaande. Het is door het verschijnen van de Nota inzake Reclametelevisie op 22 februari van dit jaar in een nieuw, een officiëler stadium gekomen, en het is daarom wellicht dienstig, bij onze kanttekeningen over dit onderwerp allereerst een korte analyse te geven van de posities, waarin de deelnemers aan de discussie zich op het ogenblik der verschijning bevonden.
De Nederlandse omroep heeft zich, van zijn prilste (radio-)tijd af, bewogen in een emotionele sfeer. De omroepverenigingen dienden zich sekte-gewijs aan; van een nationale radio-omroep was geen sprake, ook al omdat hij eenvoudigweg niet paste in de politiek der vooroorlogse regeringen, die zich hielden aan een variant op Thorbecke: dat cultuur (en daaronder behoort men de omroep te rangschikken) geen overheidstaak is. De eenheid, die de oorlog de Nederlanders scheen te geven, bleek àl te tijdelijk: pogingen om Radio Nederland in Overgangstijd om te zetten in een permanente nationale omroep, mislukten jammerlijk. Men mag dat betreuren - maar de feiten waren zo, toen de televisie in 1951 uit de sfeer van het industriële experiment (Philips) in die van het officiële werd gebracht. De omroepverenigingen, uitgaande van de simpele veronderstelling dat ether en ether hetzelfde is, claimden en kregen het televisie-monopolie. Ook dat mag men achteraf betreuren als een beschikking, die meer door gemakzucht dan door kennis van zaken werd ingegeven - maar ook hier heeft men te maken met een feit.”

 

 2260748-f5dcb9f0b0f278095a5203a5a5d1f43d.jpg
Wim Hijmans (17 augustus 1926 – 1980)
Groningen

Geschreven door Romenu om 12:17 Reageer op dit bericht

In Memoriam T. van Deel

 

In Memoriam T. van Deel

 

De Nederlandse dichter en literair criticus T. van Deel is overleden, meldde uitgeverij Querido vrijdag. Hij stierf maandag op 74-jarige leeftijd in Amsterdam. Zie ook alle tags voor T. van Deel en ook voor Tom van Deel op dit weblog.

 

Epithalamion

Twee schelpen wordt er wel gezegd
die ooit aaneen ooit vanelkaar maar
nu ten slotte. Of zou het eigenste,
het duplicaat, nu juist geen ring, geen
nest of huis, geen woning zijn, alleen
verveelde spiegeling. Wat heel niet past
maar toch gelijkt, aantrekt, vervoert
is waard om goed bezegeld, bestreden
en bemind, in eindeloze aandacht
beslist omarmd te houden. Twee schelpen ja
maar twee in hoogst verrukt onpassen.

 

 

Gebeurtenis

Op zoek naar een gebeurtenis
genoeg voor dit gedicht
kwam ik een koolmees tegen
Ik bukte en bekeek hem
van dichtbij wat nader
en zag dat hij ging sterven
Zijn oog liet mij dat weten
Hij beefde in zijn veertjes
en kon niet meer bewegen
Iets in hem was fel bezig
de overhand te nemen
Ik heb hem daar gelaten
boven de koude steen

 

 

Vooruitzicht

Hoe plezierig is het niet om iets
in het vooruitzicht te hebben, een
veldje met pas begonnen bloemen, of
een berg die naar behoren de lucht
in steekt. Het is alsof de wereld met
zulke gunstbewijzen aan het tijdelijke
zich verontschuldigt voor het wrede
dat haar eigen is. Want meestal
zien we weinig, is het donker, nacht.
Er is zeker durf, en zelfs wel moed,
voor nodig om het veldje in te lopen
of de berg te beklimmen, wetend dat
ze daarmee voorgoed voorbij zulen zijn.

 

 2260692-09441e2b726d7642f6b6535a9b5eb91b.jpg
Tom van Deel (21 februari 1945 – 12 augustus 2019)

Geschreven door Romenu om 05:01 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Charles Bukowski, Miriam Van hee, Valeria Luiselli, Reiner Kunze, Moritz Rinke, Ferenc Juhász

 

Dolce far niente

 

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog.

 

So You Want To Be A Writer

if it doesn't come bursting out of you
in spite of everything,
don't do it.
unless it comes unasked out of your
heart and your mind and your mouth
and your gut,
don't do it.
if you have to sit for hours
staring at your computer screen
or hunched over your
typewriter
searching for words,
don't do it.
if you're doing it for money or
fame,
don't do it.
if you're doing it because you want
women in your bed,
don't do it.
if you have to sit there and
rewrite it again and again,
don't do it.
if it's hard work just thinking about doing it,
don't do it.
if you're trying to write like somebody
else,
forget about it.
if you have to wait for it to roar out of
you,
then wait patiently.
if it never does roar out of you,
do something else.

if you first have to read it to your wife
or your girlfriend or your boyfriend
or your parents or to anybody at all,
you're not ready.

don't be like so many writers,
don't be like so many thousands of
people who call themselves writers,
don't be dull and boring and
pretentious, don't be consumed with self-
love.
the libraries of the world have
yawned themselves to
sleep
over your kind.
don't add to that.
don't do it.
unless it comes out of
your soul like a rocket,
unless being still would
drive you to madness or
suicide or murder,
don't do it.
unless the sun inside you is
burning your gut,
don't do it.

when it is truly time,
and if you have been chosen,
it will do it by
itself and it will keep on doing it
until you die or it dies in you.

there is no other way.

and there never was.

 

 2260427-3c1dbbd78986eef54149534c36265f1e.jpg
Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)
Gedenkplaat op de buitengevel van Bukowski’s geboortehuis in Andernach (Foto: Smalltown Boy)

 

 

De Vlaamse dichteres en slaviste Miriam Van hee werd geboren in Gent op 16 augustus 1952. Zie ook alle tags voor Miriam Van hee op dit blog.

 

van de mariannenplatz

van de mariannenplatz
naar de overkant:

gesloopte panden of wat
daarvan nog rest
behangpapier, de plaats
waar de leidingen zaten
de holte waar de kolenkachel
stond

de vragen die zij zich daarbij
stelt: hoe het voor de oorlog was
waar het bed stond
waar de tafel en alles
wat daartussen lag

van de mariannenplatz
naar de overkant dat is
niemandsland waarachter straks
een raam wordt geschilderd
een lek gedicht en
porseleinen winterlicht
de kamer binnenschuift

 

 

Stel je voor

stel je voor dat er diep binnenin je
een buitenland ligt, dennen,
sneeuw en barakken, land
zonder bodem, je haalt het niet op

stel je voor dat de tijd niet bestaat
en jij wel nog, stel dat je nooit abrikozen
gegeten hebt, trouwens, het woord
abrikoos was verdwenen en moskou,
je broer, promenade, ze waren geweken,
terug naar het schuim van de zee

er zijn onvoorstelbare dingen gebeurd
en je kunt niet zeggen het was
als een nacht zonder dag en dan nog een
en nog een en het gebeurt dat je kruiende
wateren hoort of een dichtklappend hek
in de wind, dat is het buitenland, fluister je,
dat is het lied van een reddeloos land

 

 

Beuken

je zou van elke dag iets
moeten overhouden, vandaag misschien
het beeld van beukenstammen, zoals ze
langs de weg gestapeld lagen en je
hun binnenste kon zien dat leek
op het vruchtvlees van pompoenen

of de plek waar ze onder
een dunne sneeuwlaag stonden,
wat iemand zei, bijvoorbeeld,
dat het naar prinsessen rook
en iemand anders dat het goed
zou zijn hier later nog terug
te komen om er een kleed te spreiden
tussen de sleutelbloemen

 

 2260427-0e1eeace08da37ca19cf22972f8df567.jpg
Miriam Van hee (Gent, 16 augustus 1952)

 

 

De Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli werd geboren in Mexico-Stad op 16 augustus 1983. Zie ook alle tags voor Valeria Luiselli op dit blog.

Uit: De gewichtlozen (Vertaald door Merijn Verhulst)

“In de winter woedden er fikse stormen. Maar ik droeg dan toch een minirok omdat ik jong was. Ik schreef brieven naar mijn bekenden waarin ik ze vertelde over mijn wandelingen, over mijn benen die ik in grijze kousen had gestoken; over mijn lichaam gehuld in een rode jas met diepe zakken. Ik schreef brieven over de koude wind die diezelfde benen streelde en vergeleek de ijskoude lucht met de stoppels van een slecht geschoren baard, alsof ik met de lucht en een paar grijze benen die de straten afliepen literair materiaal in handen had. Wanneer iemand lange tijd op zijn eentje woont, is de enige manier om te constateren dat hij nog bestaat het in een syntaxis vatten van zijn activiteiten en dingen en die met anderen delen: dit gezicht, dit wandelende skelet, deze mond, deze schrijvende hand.
Tegenwoordig schrijf ik ’s nachts, wanneer de kinderen slapen en ik mag roken en drinken en voor frisse lucht de ramen tegen elkaar open zet. Vroeger schreef ik de hele tijd, op elk moment, omdat alleen mijn lichaam me toebehoorde. Mijn benen waren lang, sterk en smal. En alleen ik besliste erover aan wie of wat ze toekwamen; aan wie dan ook, aan het schrijven.

*

In dat appartement stonden slechts vijf meubels: een bed, een eettafel, een boekenrek, een bureau en een stoel. Het bureau, de stoel en het boekenrek sloten eigenlijk pas later aan. Toen ik hier kwam wonen stootte ik alleen maar op een bed en op een uitklapbare aluminium eettafel. Er was ook een badkuip. Maar ik weet niet of die als meubel aangemerkt mag worden. Beetje bij beetje raakte de ruimte bewoonbaar, maar bijna altijd met voorwerpen die op doorreis waren. De boeken van de bibliotheek kwamen me in het weekend opzoeken, in een hoog opgetaste stapel naast het bed, en verdwenen op maandag weer, wanneer ik ze mee naar de uitgeverij nam om er leesrapporten over uit te tikken.

*

Een stille roman, om de kinderen niet wakker te maken.

*

In dit grote huis heb ik geen vaste plek om te schrijven. Op mijn werktafel liggen luiers, autootjes, transformers, babyflesjes, rammelaars, spullen die ik nog niet heb kunnen thuisbrengen. De ruimte wordt ingenomen door minuscule dingen. Ik loop de woonkamer door en ga met mijn computer op schoot op de bank zitten. Het middelste kind komt de woonkamer binnen:
Wat doe je, mama?
Ik schrijf.
Gewoon een boek aan het schrijven?
Gewoon aan het schrijven.”

 

 2260427-2f5c9adc15faaecc20bb24abc0859160.jpg
Valeria Luiselli (Mexico-Stad, 16 augustus 1983)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Reiner Kunze werd geboren op 16 augustus 1933 in Oelsnitz, Erzgebirge. Zie ook alle tags voor Reiner Kunze op dit blog.

 

Kurzer Lehrgang

DIALEKTIK

Unwissende damit ihr
unwissend bleibt
werden wir euch
schulen

 

ÄSTHETIK

Bis zur entmachtung des
imperialismus ist
als verbündeter zu betrachten

Picasso

 

ETHIK

Im mittelpunkt steht
der mensch

Nicht
der einzelne

 

 

Kreuz des Südens

Nächte, die dich steinigen

Die sterne stürzen herab
auf ihrem licht

Du stehst in ihrem hagel

Keiner trifft dich

Doch es schmerzt,
als träfen alle

 

 

VLADIMIR HOROWITZ SPIELT IN WIEN ZUM LETZTEN MAL MOZART

Er war ihm näher schon als uns
und war gekommen, ihm zurückzugeben,
was er von ihm geliehn fürs leben,
und spielte es hinüber in die stille ihm
mit einem fingerschweben

Bis uns die handgelenke schmerzten
warfen wir am ende ihm
vom diesseits zu

 

 2260427-029eff55270e4ff7bc6eb935a74653a3.jpg
Reiner Kunze (Oelsnitz, 16 augustus 1933)

 

 

De Duitse (toneel)schrijver Moritz Rinke werd geboren op 16 augustus 1967 in Worpswede bij Bremen. Zie ook alle tags voor Moritz Rinke op dit blog.

Uit: Der Mann, der durch das Jahrhundert fiel

“Paul hielt den Löffel mit dem Zucker in der Hand und starrte durch das Fenster des Cafés. Christina, die er seit vier Monaten kannte, war gestern nach Barcelona geflogen, um dort eine Stelle in einem Forschungslabor anzutreten. »Komm doch mit, du kannst ja auch da leben«, hatte sie vorgeschlagen. »Ich kann nicht nach Barcelona und einfach da leben. Ich muss mich erst hier in Berlin durchsetzen«, hatte er geantwortet. Paul drehte sich am Flughafen noch einmal zu ihr um. Irgendwo hatte er gelesen, dass sich die wirklich Liebenden niemals umdrehten oder lange winkten, aber was war dann mit ihm? Er beobachtete durch die Glastür, wie sie bei der Kontrolle ihren Gürtel aufmachte, und stellte sich vor, sie erst in ein paar Jahren wiederzusehen: Sie würde immer noch so schön sein mit ihren dunklen Augen und er sie umarmen und küssen wollen, aber in seiner Vorstellung hatte sie plötzlich Kinder im Arm und einen spanischen Torero oder Juniorprofessor zur Seite mit einer Stechlanze in der Hand. So schnell kann das Leben vorübergehen und man hat die richtige Frau verpasst, dachte er, als er im Bus Platz nahm und ein Flugzeug in den Himmel steigen sah. Café am Rosenthaler Platz, es war 8 Uhr 30 am Morgen und Paul war der Einzige, der an einem Tisch saß, neben ihm der Latte Macchiato und das schwarze Notizbuch. Andere warteten auf ihren Latte Macchiato zum Mitnehmen, blätterten dabei flüchtig in Magazinen herum und warfen Blicke nach draußen zu ihren Autos mit Warnblinkzeichen auf dem Seitenstreifen. Sie nahmen den Pappbecher, rührten weißen oder braunen Zucker hinein, wobei sie sich meist gegenseitig im Weg standen, sodass manche ohne Zucker auf die Straße eilten und erst die Zeit für ihren Kaffee nutzten, wenn sie schon im Auto oder zu Fuß vor der Ampel warteten.
Vielleicht war es übertrieben, vielleicht vergrößerte er solche Dinge, aber wann gab es so etwas bei ihm, dass er einen kleinen Moment nutzte, weil er eingerahmt, umschlossen war von Berufswegen und Notwendigkeiten, von verplanter Zeit? Es machte ihn traurig, dass er den ganzen Tag an einer Ampel stehen könnte mit einem Pappbecher in der Hand – aber er würde nie die Zeit nutzen wie die anderen, bei denen sie aus dem Rahmen, der Umschlossenheit hervorleuchtete wie Freiheit, ja, wie Glück. Paul glaubte, er müsste in einem Urlaub sterben, denn wie sollte man diese Zeit ertragen, wenn sie nicht umschlossen war vom verplanten Leben?“

 

 2260427-129f8837580a070b5413919a0fdf997f.jpg
Moritz Rinke (Worpswede, 16 augustus 1967)

 

 

De Hongaarse dichter Ferenc Juhász werd geboren op 16 augustus 1928 in Biatorbágy. Zie ook alle  tags voor Ferenc Juhász op dit blog.

 

Wedding Choir

1
Life-filled longing of the buoyant smile strains against
imminent certainty, against the radiant food-bringer.
Brooding between good and evil, it loses bright warmth in languor,
slips down blood-red below empty stars, into chequered mutilation.
But the white bird of Union flies to it, nestles there,
settles maturely, hugely, in the flashing joy of the message.

2
Flocks of bright fables rise over the spreading scarlet cinders:
dead skeleton and growing body are praised by the grey-beard.
A cart, where troubled charm and trancelike beauty warm themselves wound into one,
painful and shining, like plunging into sleep: close to the cauldron is the feast of the fable.
Kingfisher-flocks fly shrieking: the cry links everything!
the ritual fire flashes: prophecy pours time in its mould.

3
The straining pillar and the dancing fire are obstinate as a marriageable girl:
unsignalled instantaneousness, little sailing half-moons,
veiled smile and stunned gladness, fading like the colour of flowers,
brilliant caprices that instead of hurting brim over with love.
Long the street, but a thousand lodgings on both sides harbour saintly unity.
Seed of all things: clear dignity! and sweet the broken fortune piercing the husk.

4
The tense wing crumples, the glimmering laughter burns out,
shadow looms, and the steady pulse of hunger beats to its quietus.
Between good and evil, in colourless mist, a dim ripple of the soul,
the desperate slopes and huddle of stars adrift in it.
The Shining Fish lives, a peace unbroken,
an ambergris-scented order, clothed with imperfection and salmon-running joy.

 

 2260427-871e009b6d000e322a3941c507350b53.jpg
Ferenc Juhász (16 augustus 1928 – 2 december 2015)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e augustus ook mijn blog van 16 augustus 2018 en ook mijn blog van 16 augustus 2016 en ook mijn blog van 16 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 12:04 Reageer op dit bericht

Himmelfahrt Maria (Rainer Maria Rilke)

 

Bij Maria-Tenhemelopneming

 

 

 2260337-806ad83c66dd2af42cd8f69a1c5c1a7f.jpg
Tenhemelopneming door Guercino, 1655

 

 

 

Himmelfahrt Maria

I
Köstliche, o Öl, das oben will,
blauer Rauchrand aus dem Räucherkorbe,
grad-hinan vertönende Theorbe,
Milch des Irdischen, entquill,
still die Himmel, die noch klein sind, nähre
das dir anruht, das verweinte Reich:
Goldgewordne wie die hohen Ähre,
Reingewordne wie das Bild im Teich.

Wie wir nächtens, dass die Brunnen gehen,
hören im vereinsamten Gehör:
bist du, Steigende, in unserm Sehen
ganz allein. Wie in ein Nadelöhr

will mein langer Blick in dir sich fassen,
eh du diesem Sichtlichen entfliehst, -
dass du ihn, wenn auch ganz weiß gelassen,
durch die farbenechten Himmel ziehst.


II
Nicht nur aus dem Schaun der Jünger, welchen
deines Kleides leichte Wehmut bleibt:
ach, du nimmst dich aus den Blumenkelchen,
aus dem Vogel, der den Flug beschreibt;

aus dem vollen Offensein der Kinder,
aus dem Euter und dem Kaun der Kuh - ;
alles wird um deine Milde minder,
nur die Himmel innen nehmen zu.

Hingerissne Frucht aus unserm Grunde,
Beere, die du voller Süße stehst,
lass uns fühlen, wie du in dem Munde
der entzückten Seligkeit zergehst.

Denn wir bleiben, wo du fortkamst. Jede
Stelle unten will getröstet sein.
Neig uns Gnade, stärk uns wie mit Wein.
Denn vom Einsehn ist da nicht die Rede.

 

 2260337-6693d953fbde61e9e03cbfdc5632f1c7.jpg
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
De Sint-Salvatorkerk in Praag, de geboortestad van Rilke

 

 

Zie voor de schrijvers van de 15e augustus ook mijn volgende blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 22:04 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Cola Debrot, Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter, Daan Zonderland

Dolce far niente

 

 2260174-d94f3f04294bd37f29b0fbea1767c1b7.jpg
The Direction of My Dream door Nils Verkaeren, 2018

 

 

Het zevende gebod

Lianen hangen zwart als kronkelende lussen
die wurgen zullen wie hier stilstaan om te kussen.
Wij lopen door, de hittige wellust in de benen
en in het hart de neiging om ons lot te wenen.
Wie weet is er een God, die iets weet van het leven,
en op de oordeelsdag ons allen zal vergeven.

 

 2260174-d2b6e226a6accb0779308942ae9bf13a.jpg
Cola Debrot (4 mei 1902 – 3 december 1981)
De haven van Kralendijk, Bonaire, de geboorteplaats van Cola Debrot

 

 

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

De twee zusters

  Hooglied 8 vers 8

I
De kleinste zuster die geen borsten heeft
loopt in de schaduw van de middagbomen
en zie hoe groen de appels van haar ogen
zijn, door ovale bladeren onderschept.

En toch zijn ze niet langer ongerept,
niet meer zo hard als vroeger in de zomer,
er is iets van vertedering getogen
zodat zij in zichzelf behagen schept

en diepten raakt waar zij haar kleur aantreft.
Bekent zij die, dan zal zij 't lied verhogen
en kan zij dan in Gods Rijk niet meer komen,
zij komt zo wel in zijn Schriftuur terecht.


II
De grote zuster sluimert in de tuin.
Zij heeft zich als een bloembed afgezonderd.
Zij heeft het zoemen van de bij veranderd,
het klinkt nu dringender en niet zo rein.

De bloesems gaan voorbij en zijn verwonderd
waarom zij nu reeds geuren als de wijn:
dan ‘is het herfst en staan de bomen bruin’ -
het wachten is nog op een dag of honderd

en daarna moet het wel gekomen zijn
dat zij is opgestaan en heeft gewandeld
langs alle paden, over alle vlonders,
voorbij de rotspartijen van oerpuin.

 

 

Telefoon in de morgen

De telefoon was anders. Het hele huis.
Het licht bewoog zich ruimer en ouderwetser.
Ik was pas opgestaan en ik had juist
geschreven: watergedichten voor weckflessen.

Toen ik beneden kwam greep ik eerst mis
maar zij wees mij de plaats. Zij was zelf anders.
Het bellen hield op. Mijn stem praatte. Er is
iets met haar haar, dacht ik, het zit zo schrander.

Er zat nog wat schmink op haar wangen, haar
mond wist er meer van en zij dacht met haar leden.
Zij keek naar mij, maar ik dacht, waar kijkt zij naar?
Achter mij speelt nog het naaste verleden.

Vliegtuigen wierpen goudstof uit, zij droeg een bont,
zij ging in een andere autobus zitten -
het verbaasde mij hoe zij haar toekomst vond
zonder mij. Zij kon zich loslaten en bezitten.

De nacht was er onmerkbaar mee heengegaan.
Nu was het morgen. Zij was zich volkomen meester.
Ik legde langzaam de hoorn op de haak.
Men kent mij dus, dacht ik. Ik ben van gisteren.
Wat ik gedroomd heb heeft zij meegemaakt.

 

 2260174-7d930d7c539ba30ae6bc8f6f4a224043.jpg
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)

 

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Two Pigeons

They've perched for hours
on that window-ledge, scarcely
moving. Beak to beak,

a matched set, they differ
almost imperceptibly—
like salt and pepper shakers.

It's an event when they tuck
(simultaneously) their pinpoint
heads into lavender vests

of fat. But reminiscent
of clock hands blandly
turning because they must

have turned—somehow, they've
taken on the grave,
small-eyed aspect of monks

hooded in conferences
so intimate nothing need
be said. If some are chuckling

in the park, earning
their bread, these are content
to let the dark engulf them—

it's all the human
imagination can fathom,
how single-mindedly

mindless two silhouettes
stand in a window thick
as milk glass. They appear

never to have fed on
anything else when they stir
all of a sudden to peck

savagely, for love
or hygiene, at the grimy
feathers of the other;

but when they resume
their places, the shift
is one only a painter

or a barber (prodding a chin
back into position)
would be likely to notice.

 

 

Discovery

6:48 a.m., and leaden
little jokes about what heroes
we are for getting up at this hour.
Quiet. The surf and sandpipers running.
T minus ten and counting, the sun
mounting over Canaveral
a swollen coral, a color
bright as camera lights. We’re blind-
sided by a flash:

shot from the unseen
launching pad, and so from nowhere,
a flame-tipped arrow—no, an airborne
pen on fire, its ink a plume
of smoke which, even while zooming
upward, stays as oddly solid
as the braided tail of a tornado,
and lingers there as lightning would
if it could steal its own thunder.

—Which, when it rumbles in, leaves
under or within it a million
firecrackers going off, a thrill
of distant pops and rips in delayed
reaction, hitting the beach in fading
waves as the last glint of shuttle
receives our hands’ eye-shade salute:
the giant point of all the fuss soon
smaller than a star.

Only now does a steady, low
sputter above us, a lawn mower
cutting a corner of the sky,
grow audible. Look, it’s a biplane!—
some pilot’s long-planned, funny tribute
to wonder’s always-dated orbit
and the itch of afterthought. I swat
my ankle, bitten by a sand gnat:
what the locals call no-see-’ums.

 

 2260174-debf0762f4a0be9908c82c52f1ddd454.JPG
Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

 

De Nederlandse dichter Daan Zonderland (pseudoniem van Dr. Daniel Gerhard (Daan) van der Vat) werd geboren in Groningen op 15 augustus 1909. Zie ook alle tags voor Daan Zonderland op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Het is tijd om heen te gaan

Op een culinair congres in Amsterdam zingt een kok weemoedig gestemd door het zien van het Rokin:

'Het is tijd om heen te gaan,
Tijd, ondanks de klokken,
Tijd, ofschoon de kunstenaars
Nog naar Arti*) sjokken.

Alles gaat voorbij mijn lief,
Niets blijft bij het oude,
Zelfs de liedjes die ik zing,
Zijn je reinste claude.

Fram is boos en schrijft niet meer,
Abri koos een ander
En die hebben liefgehad
Schreien om elkander,

Schreien, schoon de zomerbries
Door de blaren ritselt,
Want de Duitse bief is stuk
En de Weense schnitzelt.

 

 

Er was eens een arme jongen

Er was eens een arme jongen
Die had een blikken fluit.
Daar blies hij de zonderlingste
En raarste liedjes uit.
De ouden schudden hun hoofden.
De wijzen werden kwaad.
De koning en zijn ministers
Verjoegen hem van de straat.
Maar alle jongens en meisjes
Gingen er heimlijk op uit
En luisterden 's nachts in het duister
Naar het lied van de Blikken Fluit.

 

 2260174-fb1351e3b19a9ef4d75c9fd2c07aba80.jpg
Daan Zonderland (15 augustus 1909 – 5 augustus 1977)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2018 en mijn mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 09:31 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Mustafa Stitou, Taije Silverman, antoine de kom, Atte Jongstra, Amélie Nothomb, Nikolaus Lenau

 

Dolce far niente

 

2259841-c873cc6e4bb19bfe6cad03ee70d9bde6.jpg
Een jong meisje voert de konijnen door Heinrich Hirt, eind 19e eeuw.

 

 

Koppig

- En, wat zien we?
- Een konijn natuurlijk!
- Een konijn, En?
- En? Ik zie een konijn.
- En tegelijkertijd een….?
- Konijn zeg ik toch!
- Eend.
- Eend?
- Oren snavel zie je wel?
- Ik zie alleen een konijn.
- En een eend.
- Een konijn!
- Eend!
- Konijn!
Konijn konijn konijn!

 

 2259841-318c8c0f06de9362e2246be3e9d4f037.jpg
Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)
Tétouan

 

 

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

 

"...a joy so unaccountable..."

On Joy

Last night's rain has filled the fields
with cornflowers, blue-bright as moons
in children's books, all milky light.
They seem, my father says, the kind of color
that could show up in the night.

Cornflowers wilt in heat.
By noon the sun will burn the fields
green, as if no bloom had known them.
I picked one to keep, and now
it's the color of paper. My mother's sick.
Today begins her twenty-second day of radiation.
As I write she is strapped to a table
under fourteen floors, face held to a net
of white while instants of light like lead move
through her. I don't know how to say it.

Past these fields are others no one sees,
and past them oak and poplar trees, the evergreen
that slopes up toward a mountain range the same
blue shade and lucid gleam as these quick blooms.
Last night, rain fell in flooded streams.
I tried to wait, but dinner starts at six and by the time
I'd reached the house my dress was slick.
I didn't rush. The drops were warm
and made me laugh out loud--the laughter's sound
my own, but strange, the way that when
we listen, breath is strange.
As if our loneliness were something I could speak,
when even crickets know we only speak to air.
I want to ask the air, then, how a love
so skilled at longing can become
enough. Why do prayers to no one comfort us?
I want so much. I want a faith I've not
Invented, something hard, uncontested as our yard's
wooden table, something that won't ever sound
like my name. Now the afternoon's late.
Light sharpens the skyline like glass in a lens,
making mountains look bluer against where they end.
This light must come from nowhere.

Last night, I walked to dinner on a gravel road
through rain into a joy so unaccountable
and plain, it did not need a witness. But walking back, 
the rain had lifted. And in its place, mist drifted low:
a thousand-fingered ghost that seemed to coax
each leaf and blade into a long, inhaled wait,
though what arrival they awaited had already left.
I stopped to watch, but wept.
We've moved for months through hospitals,
learned every name for star-shaped cells
doctors cut from my mother's brain and stained
onto slides before calling us into an office.
Maybe we don't bear the unbearable. Maybe
we die with it. And in our place some larger,
less impatient shape may then be granted space
but I don't want it. I want my mother.

Sometimes beside her in the bed while trying
to tell her I'm okay, I start to weep.
She watches me. Her eyes are distant now,
gone deep inside some gravely gentle place
where, with a stranger's curiosity, she seems to  ask
What can I do with your sadness? She has no use for it.
We will lose what we love, and our suffering
is useless, and by dusk all the crickets will thrum
their one absence of warning. That trace of light
against the hills will spread through trees, undo
the ends of evergreen, then fall to fields. It will not hold.
As if it means to urge us, look. Love's body must
be manifold. Black cricket shell, new summer air,
late light. The landscape's all ablaze
with gentle strangers. Look. We're standing in a field.

 

 2259841-ab9192cb1513f47bc3be4cf2d2b9b2fd.jpg
Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter antoine de kom werd geboren in Den Haag op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor antoine de kom op dit blog.

 

Ogier de Gombaud

aan Lodewijk xviii van Frankrijk, 24 april 1815

1

Sire, mijn lot: dat ik ben, noch denk, lee
Zo leeg als een schedel, gerot en verdoemd
Door de onmin van Bonaparte - woedend
Was de Eerste Consul; ons plan bleek

Mank, al bekend, en ik, nooit een strateeg,
Liep in de val die voor hem was bedoeld.
Mijn lot. Dat ik denk, dus ben, leef
Leeg als 'n schedel. Verrot. Gedoemd

Zoals zo vaak gebeurt, ellendige
Herhaling van historie: per schoener
Cybèle naar Cayenne. In naam van zijn roem
Telt een simpele grenadier niet meer.
Mijn lot, O Sire, Majesteit, zo ledig.

2

Vrij, gelijk en broederlijk? Beroerd. Slik,
Hitte en muskieten zijn mijn deel, dat wat
Napoleon met harde hand Continentaal
Verklaarde - het werd mij ontzegd. Ach, ik

Was van geen belang; hij heeft beschikt
Zich tóch vergist: niet hij bedacht
Mijn straf - heb ik mijzelf dan niet verbannen?
Vrij ben ik, gelijk en broederlijk, ik zit

Ga, sta, volg eigen wet. Beschik
Over mijn eigen onderdanen: echt bestaande
Vogels in plat vlak gevangen, stram, betrapt
Met prooi en al, vrij naar de natuur geschilderde
Verzinsels op velijn, staande in 't slik, zo ik.


3

Kraaloogjes bespieden mij in mijn barak. Bezweet
Kijk ik hen aan. Vogels slaan mij gade, vogels
Eigenhandig opgezet, getemd: versteende poten,
Vleugels in beweging stilgezet. Ooit wreed

Steeds wraakbeluste snavels tot 'n spleet
Geopend: - boomeend, rotshaan en moerastiran, tot
Op 't bot doordringt hun blik mijn gelig
Vel. Ik kijk ze aan. De vogels mij. En ik de vogels.

Dan neem ik het penseel weer op, bezie de prent
Die voor mij ligt: - boomtiran en rotseend. Ware grootte,
Juiste kleuren. Terwijl de verf droogt klinkt rond
Mijn hoofd gezoem dat luider wordt: O Sire, een wesp
Kruipt op papier over 'n vogel die 'n wesp opeet.

 

 2259841-2b5f9eb6349cb99447f66e5ba78f172c.jpg
<antoine de kom (Den Haag, 13 augustus 1956)
Antoine de Kom spreekt Nobelprijswinnaar Derek Walcott toe, aula van de Universiteit van Amsterdam, 20 mei 2008. Foto: Bert Nienhuis

 

 

De Nederlandse schrijver en essayist Atte Jongstra werd geboren in Terwispel op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor Atte Jongstra op dit blog.

Uit: Aan open zee

Waarin de pointe wordt gemist

Geduldige wateren. Deze woorden schoten Axel te binnen toen hij eenmaal op de kleine, bij een stijve Botnische noordoosterbries door de golven stampende veerboot, gehoekt over de reling hing. Kokkend, kotsend. Het dreigende geduld, dacht hij. Deze klotsende lijkwade beweegt zoals ze al miljoenen jaren heeft gedaan. Eindeloze deining, de stank. Even kwam het verlangen in hem op weg te glijden in de soep die onder hem kolkte en schuimde, fluimkleurig met pisgele tonen. Toen greep hij zich vast aan de witgeverfde ijzeren stang waarop hij leunde, om niet door het gewicht van zijn bovenlijf in zee te worden getrokken.

Het Werk. Hij moest het gaan schrijven. Zo niet nu, dan nooit.
Hij dwong zich rechtop, haalde diep adem om maag en slokdarm tot rust te brengen. Regelmatige teugen lucht, hij voelde dat het werkte. Hij werd kalmer, maar het verzet tegen zijn missie bleef. Het leek op weerzin.

Er was een vrouw naast hem komen staan die de capuchon van haar oliejas naar voren trok en vroeg of het een beetje ging. Axel knikte.
‘Ik ben dol op dit weer,’ vertelde ze. ‘Je voelt de elementen. Mijn man is arts op het Franse platteland, weet u... Daar staat alles stil. Maar de zee doet de geest bewegen. De aanblik van dat grote water verheft de ziel en geeft gedachten over het oneindige, het ideale.’ Ze snoof eens diep. ‘Aaah... Bij Beaufort 5 beginnen de dingen zich echt te roeren.’
‘In mij bewoog alleen het ontbijt,’ zei Axel. ‘Ik ben al blij dat ik even geen reuring voel.’
‘U mist de pointe,’ riposteerde de vrouw. ‘Maar we hoeven niet te praten. Goedemorgen.’

 

2259841-36a571ee0ba61addbe2b2e7b60c2c96f.jpg
Atte Jongstra (Terwispel, 13 augustus 1956)
Terwispel

 

 

De Franstalige Belgische schrijfster Amélie Nothomb werd geboren in Kobe in Japan op 13 augustus 1967. Zie ook alle tags voor Amélie Nothomb op dit blog.

Uit: Stupeur et tremblements

"Récapitulons, petite je voulais devenir Dieu. Très vite, je compris que c'était trop demander et je mis un peu d'eau bénite dans mon vin de messe : je serais Jésus. J'eus rapidement conscience de mon excès d'ambition et acceptai de « faire » martyre quand je serais grande.
Adulte, je me résolus à être moins mégalomane et à travailler comme interprète dans une société japonaise. Hélas, c'était trop bien pour moi et je dus descendre un échelon pour devenir comptable. Mais il n'y avait pas de frein à ma foudroyante chute sociale. Je fus mutée au poste de rien du tout. Malheureusement – j'aurais dû m'en douter - rien du tout, c'était encore trop bien pour moi. Et ce fus alors que je reçus mon affectation ultime : nettoyeuse de chiottes.»
(…)

"-Je hais Monsieur Saito. C'est un salaud et un imbécile.
Fubuki eut un petit sourire.
-Non, vous vous trompez.
-Evidemment. Vous, vous êtes gentille, vous ne voyez pas le mal. Enfin, pour me donner un ordre pareil, ne faut-il pas être un...
-Calmez-vous. L'ordre ne venait pas de lui. Il transmettait les instructions de Monsieur Omochi. Il n'avait pas le choix;
- En ce cas, c'est Monsieur Omochi qui est un...
-C'est quelqu'un de très spécial, coupa t-elle. Que voulez-vous? C'est le vice-président. Nous n'y pouvons rien. "
(…)

«Au nombre de mes handicaps psychomoteurs, il y avait celui-ci : quand je devais tapoter sur un clavier pendant plus de cinq minutes, ma main se retrouvait soudain aussi engluée que si je l'avais plongée dans une purée de pommes de terre épaisse et collante. Quatre de mes doigts étaient irrémédiablement immobilisés ; seul l'index parvenait encore à émerger pour atteindre les touches, avec une lenteur et une gaucherie incompréhensible pour qui ne distinguait pas les patates invisibles."

 2259841-8d2e6523468b94952fa4f475087aa1a7.jpg
Amélie Nothomb (Kobe, 13 augustus 1967)
Cover

 

 

De Oostenrijkse dichter Nikolaus Lenau werd geboren op 13 augustus 1802 in Csatád (in het Hongaarse deel van Oostenrijk-Hongarije). Zie ook alle tags voor Nikolaus Lenau op dit blog.

 

Warnung und Wunsch

Lebe nicht so schnell und stürmisch;
Sieh den holden Frühling prangen,
Höre seine Wonnelieder;
Ach, wie bleich sind deine Wangen!

Welkt die Rose, kehrt sie wieder;
Mit den lauen Frühlingswinden
Kehren auch die Nachtigallen;
Werden sie dich wiederfinden? –

»Könnt ich leben also innig,
Feurig, rasch und ungebunden,
Wie das Leben jenes Blitzes,
Der dort im Gebirg verschwunden!«

 

 

An die Melancholie

Du geleitest mich durchs Leben,
Sinnende Melancholie!
Mag mein Stern sich strahlend heben,
Mag er sinken – weichest nie!

Führst mich oft in Felsenklüfte,
Wo der Adler einsam haust,
Tannen starren in die Lüfte
Und der Waldstrom donnernd braust.

Meiner Toten dann gedenk ich,
Wild hervor die Träne bricht,
Und an deinen Busen senk ich
Mein umnachtet Angesicht.

 

 

Liebesfrühling

Ich sah den Lenz einmal
Erwacht im schönsten Tal;
Ich sah der Liebe Licht
Im schönsten Angesicht.

Und wandl ich nun allein
Im Frühling durch den Hain,
Erscheint aus jedem Strauch
Ihr Angesicht mir auch.

Und seh ich sie am Ort,
Wo längst der Frühling fort,
So sprießt ein Lenz und schallt
Um ihre süße Gestalt.

 2259841-aff9c5eee02e6deadaec3c8408cbc859.jpg
Nikolaus Lenau  (13 augustus 1802 – 22 augustus 1850)
Nikolaus Lenau door Friedrich Amerling, 19e eeuw 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2018 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:49 Reageer op dit bericht

Hans Andreus, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Marcellus Emants, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

2259587-20fcb36abb4acfd9706e4999bd46aa8d.jpg
A Relaxing Day door Dima Dmitriev, 2013

 

 

Liedje van de luie week

Maandag
is Kalmpjes-aan-dag.

Dinsdag
is Kom-ik-begin-'s-dag.

Woensdag
is Zou-ik-het-wel-doen-dag,

Donderdag
is Dit-is-een-bijzondere-dag,

want Vrijdag
is Morgen-weer-vrij-dag

en Zaterdag
is 's Avonds-wordt-het-later-dag

en Zondag
is Eet-je-buikje-rond-dag,

dus Maandag,
tja Maandag,
dat is weer Kalmpjes-aan-dag.

 

 2259587-2d087a09dfc041015e60497403679c45.jpg
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977)
Relaxen in Amsterdam, de geboorteplaats van Hans Andreus

 

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Joseph und seine Brüder

“Joseph also, wohnhaft im Distrikte Kenana des Landes, das ägyptisch das Obere Retenu hieß, in seines Vaters von Terebinthen und immergrünen Steineichen beschattetem Familienlager bei Hebron, ein berühmt angenehmer Jüngling, angenehm namentlich in erblicher Nachfolge seiner Mutter, die hübsch und schön gewesen war, wie der Mond, wenn er voll ist, und wie Ischtars Stern, wenn er milde im Reinen schwimmt, außerdem aber, vom Vater her, ausgestattet mit Geistesgaben, durch welche er diesen wohl gar in gewissem Sinne noch übertraf, — Joseph denn schließlich (zum fünften- und sechstenmal nennen wir seinen Namen und mit Befriedigung; denn um den Namen steht es geheimnisvoll, und uns ist, als gäbe sein Besitz uns Beschwörerkraft über des Knaben zeitversunkene, doch einst so gesprächig-lebensvolle Person) — Joseph für sein Teil erblickte in einer südbabylonischen Stadt namens Uru, die er in seiner Mundart »Ur Kaschdim«, »Ur der Chaldäer« zu nennen pflegte, den Anfang aller, das heißt: seiner persönlichen Dinge. Von dort nämlich war vor längeren Zeiten — Joseph war sich nicht immer ganz im klaren darüber, wie weit es zurücklag — ein sinnender und innerlich beunruhigter Mann nebst seinem Weibe, die er aus Zärtlichkeit wohl gern seine »Schwester« nannte, und anderen Zugehörigen ausgezogen, um es dem Monde, der Gottheit von Ur, gleichzutun und zu wandern, weil er das als das Richtigste und seinem unzufriedenen, zweifelvollen, ja gequälten Zustande Angemessenste empfunden hatte. Sein Auszug, dem eine Sinnbetonung von Widerspruch und Auflehnung nicht abzusprechen gewesen war, hatte zusammengehangen mit gewissen Bauwerken, die ihm auf beleidigende Weise eindrucksvoll gewesen und die der dortzulande eben herrschende Nimrod und Erdengewaltige wenn nicht errichtet, so doch erneuert und übermächtig erhöht hatte: weniger, nach des Ur-Mannes geheimer Überzeugung, den göttlichen Lichtern zu Ehren, denen sie geweiht waren, denn als Hemmriegel der Zerstreuung und himmelaufragende Male von des Nimrods-Königs gesammelter Macht, — welcher der Mann von Ur sich nun gerade entzogen hatte, indem er sich dennoch zerstreute und mit seinem Anhange auf unbestimmte Wanderschaft begab.

 

 2259587-95a1ba0ffa7b4a420f212dbaf452d4c5.jpg
De jas van Jozef wordt aan Jakob getoond door Diego Velázquez, 1630

 

Josephs Überlieferungen waren nicht ganz einsinnig darin, ob es die große Mondburg von Ur gewesen war, die den Unzufriedenen namentlich geärgert, der getürmte Tempel des Sin-Gottes, nach welchem das ganze Land Sinear also benannt war und dessen Name auch in so manchem mitklang, was Heimatlicheres bezeichnete, wie etwa in dem des Berges Sinai; oder etwa jenes hochragende Sonnenhaus, der Mardug-Tempel Esagila zu Babel selbst, dessen Spitze der Nimrod ebenfalls gleich dem Himmel erhöht hatte und von dem Joseph genaue mündliche Beschreibung besaß. Auch war da offenbar noch mehreres andere gewesen, woran der sinnende Mann sich gestoßen hatte: angefangen von der Nimrod-Gewaltigkeit überhaupt bis zu den und den Sitten und Bräuchen, die den anderen als heilig hergebracht und unveräußerlich erschienen waren, ihm aber die Seele je mehr und mehr mit Zweifeln erfüllt hatten; und da mit zweifelnder Seele nicht gut stillsitzen ist, so hatte er sich eben in Bewegung gesetzt. Er war nach Charran gelangt, der Mondstadt des Nordens, der Stadt des Weges, im Lande Naharain, wo er mehrere Jahre verblieben war und Seelen gesammelt, sie in die enge Verwandtschaft der Seinen aufgenommen hafte. Das war aber eine Verwandtschaft, die Unruhe bedeutete und fast nichts weiter, —Unruhe der Seele, sich äußernd in einer Unrast des Leibes, die mit dem Leichtsinn gewöhnlicher Wanderlust und abenteuernder Freizügigkeit wenig zu schaffen hatte, vielmehr die Getriebenheit und Heimsuchung eines Einzelnen war, in dessen Blut sich Schicksalsentwicklungen dunkelanfänglich vorbereiteten, zu deren erdrückender Tragweite die Qual seiner Friedlosigkeit in heimlich genauem Verhältnis mochte gestanden haben.“

 

 2259587-fd6a8ee508772c5888b6d83ff7e4ac84.jpg
Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)

 

 

De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren. Zie ook alle tags voor Marcellus Emants op dit blog.

Uit: Lichte kost (Een dag van ijdelheid)

“Pas toen zij voor het laatste haakje geen oog meer vond, bemerkte zij haar fout, maakte met één ruk alles weer los, en begon nogmaals van boven af aan.
Zij was er zeker van deze melodie meer te hebben gehoord; maar kon zich niet herinneren waar, en meende ook dat haar man in de vorm en de harmonie veranderingen had aangebracht.
Welk een geestdrift in die wijs; wat een pit in dat ritme; welk een rijkdom van akkoord-verbindingen! Het was een allegro vol bruisend leven, vol node bedwongen kracht, een muziek, die de zenuwen prikkelde, de spieren spande en elke sluimerende levensvonk tot een heldere vlam moest aanblazen!
Van welke componist of dit stuk wel was?
Vruchteloos verdiepte Mina zich in gissingen; zij zocht onder de beroemdste namen; doch vond er geen, die paste.
Veel later dan gewoonlijk kwamen moeder en dochter zo ver klaar, dat zij naar beneden konden gaan om in de huiskamer te ontbijten.
Van haar binnentreden in het achtervertrek bemerkte Koever even weinig, als van Mina's driemaal herhaalde vraag: ‘Ga je vanmorgen niet naar Kraijenhof, 't is al half negen gestagen?’
In het kleine voorsalon aan zijn vleugel gezeten, speelde hij onverdroten door en zijn volle aandacht bleef op het beschreven - ja bekraste - muziekblad gericht, dat, naast vele dergelijke, op het lessenaartje van zijn instrument rustte. Nu en dan neuriede hij er bij - wat Mina boven niet had gehoord - en de woorden: vrijheid, pal staan, trouw tot in de dood, waren duidelijk te onderscheiden.
Om Jetje niet te laten wachten, smeerde Mina nu maar eerst een paar boterhammen, schonk een glas melk in en liet het kind aan de etenstafel plaats nemen. Daarna trad zij naar voren, ging aan de piano staan, legde een hand op Hendriks schouder, en vroeg nog eenmaal:
‘Heeft juffrouw Kraijenhof haar les afgezegd?’
Nauwelijks had Koever zijn vrouw bemerkt, of met zenuwachtige opgewondenheid sprong hij van zijn taboeret op, sloot haar in zijn armen, kuste herhaaldelijk de rode lippen, de frisse wangen, zelfs de bruine kijkers, en riep eindelijk op hartstochtelijke toon uit:
‘Nu heb ik het! Nu ben ik zeker van mijn zaak! Nu twijfel ik niet langer aan de overwinning!’
Verbaasd keek Mina hem in de zonderling glanzende, hel blauwe ogen, en vroeg op bezorgde, bijna angstige toon:
‘Man, wat scheelt je? Waar heb je 't over?’
Een paar keer haalde Koever de dunne vingers van zijn linkerhand door de blonde, achterovergolvende haren heen, terwijl de rechter een zakdoek te voorschijn bracht, waarmee hij zich het voorhoofd afwiste. Ondertussen riep hij met trillende stem uit:
‘Waar ik 't over heb? Waar ik 't over heb? Dat zal je horen!’

 

 2259587-b2029e33257e367e233bb4363bf7de74.jpg
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)
Jeugdportret van Emants door M.W. Liernur, 1862.

 

 

De Duitse dichter en schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. Zie ook alle tags voor Hans-Ulrich Treichel op dit blog.

Uit: Der Verlorene

„Abfahrt Berlin Hauptbahnhof 12.37 Uhr. Ankunft Kutno 17.07 Uhr. Der Berlin-Warszawa-Expreß war reservierungspflichtig. Ich hatte einen Platz an der Abteiltür reserviert, da ich sowohl im Flugzeug als auch in der Bahn zu Beklemmungen neige, wenn ich nicht am Gang beziehungsweise an der Abteiltür sitze. Neben mir war zudem frei, so daß ich mich auf eine entspannte Reise freuen konnte. Mir gegenüber saß eine ältere, ganz in Schwarz gekleidete Dame und daneben ein junges, unübersehbar verliebtes Pärchen. Der junge Mann mit seinem strohig-blonden Haar, den vollen Lippen und melancholischen Augen gefiel mir. Und das Mädchen, das eine sehr tief sitzende Jeans, eine viel zu kurze Bluse und eine Perle im Bauchnabel trug, ebenfalls. Die beiden redeten unentwegt miteinander, allerdings auf polnisch, was ich schade fand, ich hätte sie gern ein wenig belauscht. Und wenn sie nicht redeten, dann küßten sie sich, was weder die ältere Dame noch mich störte. Im Gegenteil. Wäre ich der junge Mann gewesen, dann hätte ich das Mädchen auch geküßt. Ich fand es sehr anziehend, zumal sie mich beim Küssen einige Male durch den Vorhang ihrer brünetten Haare unverhohlen anschaute und anscheinend nichts dagegen hatte, daß ich den beiden bei ihren Zärtlichkeiten zusah. Ich bemühte mich trotzdem, mich auf meine eigenen Angelegenheiten zu konzentrieren, und blätterte zuerst im Fahrplanheft, holte dann meine Lektüre aus der Tasche und breitete sie auf dem Sitz neben mir aus. Der Zug fuhr laut Plan über Frankfurt/Oder, Rzepin, Poznan und Konin nach Kutno. Konin kannte ich aus den Papieren meiner Eltern. Hier hatten sie im Januar 1945 ihr erstes Kind Günter auf der Flucht vor den Russen zurücklassen müssen, waren danach in einen Wald geflüchtet und schließlich für ein Jahr in einem polnischen Arbeitslager interniert worden. Sie hatten ihren verlorenen Sohn trotz jahre- und jahrzehntelanger Suche mit Hilfe des Suchdienstes des Roten Kreuzes niemals wiedergefunden. Ich hatte darüber vor gut einem Jahrzehnt ein Buch geschrieben. Einige Jahre später habe ich ein Buch über einen Mann namens Stephan geschrieben, der als Akademischer Rat in Berlin lebt, ein Buch über seinen verlorenen Bruder geschrieben hat und sich noch einmal, sechzig Jahre nach Kriegsende, auf die Suche nach dem Bruder begibt. Bald darauf habe ich es ihm nachgetan und mich auch selbst auf die Suche nach meinem Bruder gemacht. Die Suche habe ich inzwischen hinter mir. Stephan hatte sich außerdem vorgenommen, einen Ort namens Bryschtsche oder auch Bryszcze in der Ukraine zu besuchen, wo sein Vater geboren worden war. Er hatte den Ort dann doch nicht besucht und war lieber nach Ägypten gereist, um sich die Pyramiden anzuschauen, Freuds Traumdeutung zu lesen und sich in einem Hotel auf einer Nilinsel unweit von Luxor auf eine Affäre mit einer deutschen Archäologin einzulassen. Er hat recht daran getan, denn was hätte ihn in der Ukraine schon erwartet? Ein verschlafenes Bauerndorf, wenn überhaupt. Vielleicht existierte es schon längst nicht mehr und war irgendwelchen Plattenbausiedlungen gewichen. Stephan ist nicht nach Bryschtsche gereist. Ich wollte es besser machen. Die Reise habe ich inzwischen ebenfalls hinter mir.“

 

2259587-970aada9cd774b651deacac433e4d556.jpg
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 12e augustus ook mijn blog van 12 augustus 2018 en mijn blog van 12 augustus 2015 en mijn blog van 12 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 10:29 Reageer op dit bericht

Kleines Beispiel (Erich Fried)

 

Bij de 19e zondag door het jaar

 

 

 2259431-415f108b6aada2de56266c51d5e802b0.jpg
De ontrouwe knecht, tekening door Rembrandt van Rijn

 

 

Kleines Beispiel

Auch ungelebtes Leben
geht zu Ende
zwar vielleicht langsamer
wie eine Batterie
in einer Taschenlampe
die keiner benutzt

Aber das nutzt nicht viel:
Wenn man
(sagen wir einmal)
diese Taschenlampe
nach so- und so vielen Jahren
anknipsen will
kommt kein Atemzug Licht mehr heraus
und wenn du sie aufmachst
findest du nur noch Knochen
und falls du Pech hast
auch diese
schon ganz zerfressen

Da hättest du
genauso gut
leuchten können

 

 2259431-e9c65f9cf9741cb068ca6521a7642395.jpg
Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)
Pfarrkirche hl. Franz von Assisi in Wenen, de geboorteplaats van Erich Fried

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e augustus ook mijn volgende blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:47 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Fernando Arrabal, Yoshikawa Eiji, Ernst Stadler, Hugh MacDiarmid, Andre Dubus

 

Dolce far niente

 

 

 2259368-c2324fcc46c61285685e622575c2417e.jpg
Slapende herder met zijn hond door Filippo Palizzia, ca. 1870

 

 

Traum ist Brokat, der vor dir niederfließt.

Traum ist Brokat, der vor dir niederfließt.
Traum ist ein Baum, ein Glanz der geht, ein Laut –
ein Fühlen, das in dir beginnt und schließt ist Traum;
ein Tier das dir ins Auge schaut ist Traum;
ein Engel, welcher dich genießt, ist Traum.
Traum ist das Wort, das sanften Falles in dein Gefühl
fällt wie ein Blütenblatt,
das dir im Haar bleibt: licht, verwirrt und matt –,
hebst du die Hände auf: auch dann kommt Traum,
kommt in sie wie das Fallen eines Balles –;
fast alles träumt –, du aber trägst das alles.

 

 2259368-c40f0aae1f81e7f8eb938b3128395d86.jpg
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Borstbeeld van Rilke in Praag, zijn geboorteplaats

 

 

De Spaanse schrijver, dichter, dramaturg en cineast Fernando Arrabal werd geboren in Melila, Spaans Marokko op 11 augustus 1932. Zie ook alle tags voor Fernando Arrabal op dit blog.

Uit: Lettre au général Franco (Vertaald door Dominique Sevrain)

« Excellence,

Je vous écris cette lettre avec amour. Sans la plus légère ombre de haine ou de rancœur, il me faut vous dire que vous êtes l’homme qui m’a causé le plus de mal. J’ai grand peur en commençant à vous écrire. Je crains que cette modeste lettre, qui émeut tout mon être, soit trop fragile pour vous atteindre, qu’elle n’arrive pas entre vos mains. Je crois que vous souffrez infiniment. Seul un être qui ressent une telle souffrance peut imposer tant de douleur autour de lui. La douleur règne non seulement sur votre vie d’homme politique et de soldat, mais jusque sur vos distractions. Vous peignez des naufrages, votre jeu favori est de tuer des lapins, des pigeons ou des thons. Dans votre biographie : que de cadavres ! en Afrique, aux Asturies, pendant la guerre civile et l’après-guerre. Toute votre vie couverte par la moisissure du deuil. Je vous imagine cerné de colombes sans pattes, de guirlandes noires, de rêves qui grincent le sang et la mort. Je souhaite que vous vous transformiez, que vous changiez, que vous vous sauviez, oui ; c’est-à-dire que vous soyez heureux, enfin. Que vous renonciez au monde de répression, de haine, de geôle, de bons et de méchants qui présentement vous entourent. Je ne fais pas partie des espagnols qui, par légion, à la fin de la guerre civile, traversèrent les Pyrénées couvertes de neige, comme mon ami Enrique qui avait alors 11 mois. Les ventres secs, l’épouvante à flot cherchaient la cime et fuyaient le fond de la terreur. Que d’héroïsmes anonymes, que de mères à pied portant leurs enfants dans leurs bras. Puis, tout au long de ces années, de ces derniers lustres, combien ce sont exilés ? Combien ont émigré ? Ne voyez en moi aucun orgueil. Je ne me sens en aucune façon supérieure à quiconque et moins qu’à personne à vous. Nous sommes tous les mêmes. Mais il faut écouter cette voix qui vient jusqu’à vous, baignée d’émotions, volant par-dessus la moitié de l’Europe. Ce que je vais vous écrire dans cette lettre, la plupart des hommes d’Espagne pourraient vous le dire si leurs bouches n’étaient pas scellées. C’est ce que disent les poètes en privé. Mais ils ne peuvent proclamer à haute voix le cri de leur cœur : ils risquent la prison. C’est pourquoi tant s’en sont allés. Votre régime est un maillon de plus dans une chaîne d’intolérance commencée en Espagne voilà des siècles. Je voudrais que vous preniez conscience de cette situation et, grâce à cela, que vous ôtiez les baillons et les menottes qui emprisonnent la plupart des espagnols. Tel est le but de ma lettre: vous voir changer. »

 

2259368-a8b939926735804d9306af0598f6e99e.jpg
Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932)
Cover Spaanse uitgave

 

 

De Japanse schrijver Yoshikawa Eiji werd geboren op 11 augustus 1892 in de prefectuur Kanagawa. Zie ook alle tags voor Yoshikawa Eiji op dit blog.

Uit: Taiko (Vertaald door William Scott Wilson)

“Whether in the villages or on the roads, the children were quick to yell this whenever they saw warriors. The general, the mounted samurai, and the common soldiers dragging their feet were all silent, their strong faces set like masks. They did not warn the children about getting too close to the horses, nor did they favor them with so much as a grin. These troops seemed to be part of the army that had withdrawn from Mikawa, and it was clear that the battle had been bitterly fought. Both horses and men were exhausted. Blood-smeared wounded leaned heavily on the shoulders of their comrades. Dried blood glistened, as black as lacquer, on armor and spear shafts. Their sweaty faces were so caked with dust that only their eyes shone through. "Give the horses water," ordered an officer. The samurai on horseback passed the order along in loud voices. Another order went out to take a rest. The horsemen dismounted, and the foot soldiers stopped dead in their tracks. Breathing sighs of relief, they dropped wordlessly onto the grass. Across the river, Kiyosu Castle looked tiny. One of the samurai was Oda Nobuhide's younger brother, Yosaburo. He sat on a stool, gazing up at the sky, surrounded by half a dozen silent retainers. Men bound up arm and leg wounds. From the pallor of their faces it was clear they had suffered a great defeat This did not matter to the children. When they saw blood, they themselves became heroes bathed in blood; when they saw the glitter of spears and pikes, they were convinced that the enemy had been annihilated, and they were filled with pride and excitement. "Hachiman! Hachiman! Victory!" When the horses had drunk their fill of water, the children threw flowers at them, too, cheering them on. A samurai standing beside his horse spotted Hiyoshi and called, "Yaemon's son! How is your mother?" "Who, me?" Hiyoshi walked up to the man and looked straight up at him with his grimy face. With a nod, the man put his hand on Hiyoshi's sweaty head. The samurai was no more than twenty years old. Thinking this man had just come from battle, and feeling the weight of the hand in its chain-mail gauntlet on his head, Hiyoshi was overwhelmed by a feeling of glory.”

 

 2259368-7b8b4945d01535d95f4065d2e1f605ef.jpg
Yoshikawa Eiji (11 augustus 1892 – 7 september 1962)
Cover Spaanse uitgave

 

 

De Duitse dichter Ernst Stadler werd geboren op 11 augustus 1883 in Colmar (Kolmar). Zie ook alle tags voor Ernst Stadler op dit blog.

 

Beata Beatrix

Dämmerläuten schüttet in den veilchenblauen Abend
weiße Blütenflocken. Kleine Flocken
blank wie Muschelperlen rieseln· tanzen·
schwärmen weich wie dünne blasse Daunen·
wirbelnd· wölkend. Schwere Blütenbäume
streuen goldne Garben. Wilde Gärten
tragen mich in blaue Wundernächte·
große wilde Gärten. Tiefe Beete
schwanken brennend auf· wie Traumgewässer
still und spiegelnd. Silberkähne heben
mich von braunen Uferwiesen
in das Leuchten. Über Scharlachfluten
dunklen Mohns· der rot in Flammensäulen
züngelt· treibt der Nachen. Bleiche Lilien
tropfen schillernd drüberhin wie Wellen.
Düfte aus kristallnen Nächten tauchend·
schlingen wirr und hängen sich ins Haar·
und sie locken . . leise· leise . .
und die grünen klaren Tiefen flimmern . .
Purpurstrahlen schießen . . leise sink ich . .
süß umfängt mich müder Laut von Geigen . .
schwingt· sinkt· gleitende Paläste
funkeln fern. Licht stürzt
über mich. Weit· grün
schwebt ein Glänzen . .

 

 

Bahnhöfe

Wenn in den Gewölben abendlich die blauen Kugelschalen
Aufdämmern, glänzt ihr Licht in die Nacht hinüber gleich dem Feuer von Signalen.
Wie Lichtoasen ruhen in der stählernen Hut die geschwungenen Hallen
Und warten. Und dann sind sie mit einem Mal von Abenteuer überfallen,
Und alle erzne Kraft ist in ihren riesigen Leib verstaut,
Und der wilde Atem der Maschine, die wie ein Tier auf der Flucht stille steht und um sich schaut,
Und es ist, als ob sich das Schicksal vieler hundert Menschen in ihr erzitterndes Bett ergossen hätte,
Und die Luft ist kriegerisch erfüllt von den Balladen südlicher Meere und grüner Küsten und der großen Städte.
Und dann zieht das Wunder weiter. Und schon ist wieder
Stille und Licht wie ein Sternhimmel aufgegangen,
Aber noch lange halten die aufgeschreckten Wände, wie Muscheln Meergetön, die verklingende Musik eines wilden Abenteuers gefangen.

 

 2259368-f2d7fb6ca18e5c0c751e9ae398b5d750.jpg
Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914)

 

 

De Schotse dichter Hugh MacDiarmid werd geboren op 11 augustus 1892 als Christopher Marray Grieve in Langholm. Zie ook alle tags voor Hugh MacDiarmid op dit blog.

 

Gairmscoile (Fragment)

II

Wergeland, my warld as thine 'ca' canny' cries,
And daurna lippen to auld Scotland's virr.
Ah, weel ye kent—as Carlyle quo' likewise—
Maist folk are thowless fules wha downa stir,
Crouse sumphs that hate nane 'bies wha'd wauken them.
To them my Pegasus tae's a crocodile.
Whummelt I tak' a bobquaw for the lift.
Insteed o' sangs my mou' drites eerned phlegm.
... Natheless like thee I stalk on mile by mile,
Howk'n up deid stumps o' thocht, and saw'in my eident gift.

Ablachs, and scrats, and dorbels o' a' kinds
Aye'd drob me wi' their puir eel-droonin' minds,
Wee drochlin' craturs drutling their bit thochts
The dorty bodies! Feech! Nae Sassunuch drings
'll daunton me. —Tak' ye sic things for poets?
Cock-lairds and drotes depert Parnassus noo.
A'e flash o' wit the lot to drodlich dings.
Rae, Martin, Sutherland—the dowless crew,
I'll twine the dow'd sheaves o' their toom-ear'd corn,
Bind them wi' pity and dally them wi' scorn.

Lang ha'e they posed as men o' letters here,
Dounhaddin' the Doric and keepin't i' the draiks,
Drivellin' and druntin', wi' mony a datchie sneer
... But soon we'll end the haill eggtaggle, fegs!
... The auld volcanoes rummle 'neath their feet,
And a' their shoddy lives ‘ll soon be drush,
Danders o' Hell! They feel th' unwelcome heat,
The deltit craturs, and their sauls are slush,
For we ha'e faith in Scotland's hidden poo'ers,
The present's theirs, but a' the past and future's oors.

 

 2259368-bfb8ca4292063c826212093b6d6d26ed.jpg
Hugh MacDiarmid (11 augustus 1892 – 9 september 1978)

 

 

De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubus werd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Zie ook alle tags voor Andre Dubus op dit blog.

Uit: Dancing After Hours

“Beneath his heart, wings fluttered. He looked at her eyes and the wings paused like a hawk's, and glided. "You," he said, and they rushed in his breast, and someplace beneath them he felt the cool plume of a lie. "I want to feel you." The lie spread upward, but light was in her eyes, and she was standing, was saying softly: "Let's go." He stood and put on his coat and hat; she had a black umbrella; she left her newspaper on the counter and he followed her out the door. She opened the umbrella, held it between them, and he stepped under it. His arm touched hers; perhaps it was the first time he had ever touched her. He went with her up the street, away from the river; at the corner she stopped and faced traffic, and watched the red light. He looked at her profile. Suddenly he felt the solidity of the earth beneath his feet. Were gravity and grave rooted in the same word? In that moment, looking at her left eye and its long upturning lashes, her nose and lips, and the curve of her chin, he could have told her they must not do this, that he was a waste of her time, her fertility. Then she turned to him, and her eyes amazed him; he was either lost or found, he could not know which, and he surrendered. The traffic light changed and they crossed the street and she led him down a brick alley between brick shops, then across a courtyard. His life was repeating itself, yet it felt not repetitious but splendid, and filled with grace. He lowered his eyes to rain moving on darkened bricks. God in heaven, he thought, if there is one, bless us. As a boy he was an Episcopalian. Then, with his first wife, he became his flesh and what it earned. Only his love for his children felt more spiritual than carnal. Holding one in his arms, he felt connected with something ancient, even immortal. In the arms of his passionate wife he felt a communion he believed was the supreme earthly joy. It had ended and he had found it again with other wives and other women, and always its ending had flung him into a dark pit of finitude, whose walls seeped despair as palpable as the rain he walked in now, after too many years. Doreen's kiss dispelled those years. She gave it to him just across the threshold of her apartment, and he marveled at the resilience of nature. So many kisses in his lifetime, yet here he was, as though kissed for the first time on a front porch in summer in Dayton, Ohio. Oh plenitude, oh spring rain, and new love. He did not see the apartment: it was objects and shadows they moved through. Her unmade bed was box springs and a mattress on the floor, and quickly they were in it, his hat and clothes on the carpet with hers. He did not want it to end; he made love to her with his lips, his hands, his tongue. The muscles of her arms and stomach and legs were hard, her touch and voice soft; he spoke her name, he called her "sweet," he called her "my lovely," he perspired, and once from his stomach came a liquid moan of hunger.”

 

 2259368-c0545efb715d01c3abad583c7b1a2c2f.jpg
Andre Dubus (11 augustus 1936 –  24 februari 1999)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 09:51 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, M. Vasalis, Mark Doty, Kees van Kooten, Moses Isegawa, Elvis Peeters

 

Dolce far niente

 

 2259138-77fa5c08cb4c9bd5d7fda23f2a562fa7.jpg
Studie matrozen in de nacht door Yannis Tsarouchis, 1955

 

 

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ´t een droom, in ´t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

 

 2259138-a06aa6954c4e8229c17c67b98425acb1.jpg
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Het Noordeinde in Den Haag door Isaac Israels, 1917
Vasalis werd geboren in Den Haag.

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

Atlantis

2. Reprieve

I woke in the night
and thought, It was a dream,

nothing has torn the future apart,
we have not lived years

in dread, it never happened,
I dreamed it all. And then

there was this sensation of terrific pressure
lifting, as if I were rising

in one of those old diving bells,
lightening, unburdening. I didn’t know

how heavy my life had become—so much fear,
so little knowledge. It was like

being young again, but I understood
how light I was, how without encumbrance,—

and so I felt both young and awake,
which I never felt

when I was young. The curtains moved
—it was still summer, all the windows open—

and I thought, I can move that easily.
I thought my dream had lasted for years,

a decade, a dream can seem like that,
I thought, There’s so much more time ...

And then of course the truth
came floating back to me.

You know how children
love to end stories they tell

by saying, It was all a dream? Years ago,
when I taught kids to write,

I used to tell them this ending spoiled things,
explaining and dismissing

what had come before. Now I know
how wise they were, to prefer

that gesture of closure,
their stories rounded not with a sleep

but a waking. What other gift
comes close to a reprieve?

This was the dream that Wally told me:
I was in the tunnel, he said,

and there really was a light at the end,
and a great being standing in the light.

His arms were full of people, men and women,
but his proportions were all just right—I mean

he was the size of you or me.
And the people said, Come with us,

we’re going dancing. And they seemed so glad
to be going, and so glad to have me

join them, but I said,
I’m not ready yet. I didn’t know what to do,

when he finished,
except hold the relentless

weight of him, I didn’t know
what to say except, It was a dream,

nothing’s wrong now,
it was only a dream.

 

 2259138-f9bb3803af44a3fcfa753eaccf3043fb.JPG
Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

 

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Dagboek van een werkloze optimist (Het groot bescheurboek)

“Vrijdag
Gebruikelijke schoonmaakdag voor weekend. Missen tweede vatenkwast wel. Bij afstoffen Taj Mahal schoot Lea uit, maar geeft niet. Zo blijft een mens bezig. Geprobeerd van oude kranten nieuwe stofzakken voor stofzuigers te plakken. Lukte aardig, maar bij zuigen hele gang, net schoon, gehuld in stofwolk. Geeft niet, zo blijft een mens bezig.
Gelukkig belde mevrouw IJsseldijk aan, volkomen overstuur, dat bij haar, nota bene aan de straatzijde, gordijn lelijk van roe was gemieterd en heeft zelf geen trapje. Snel met haar mee om ravage in ogenschouw te nemen. Viel erg mee en in ruil voor klaren karwei, bedong ik nieuwe stofzak voor onze zuiger. We hebben gelukkig zelfde type zuiger. Zag tersluiks in buurvrouws keukenkastje, dat zij er wat stofzakken betreft warmpjes bijzit. Thuisgekomen nog even kangoeroe gedaan met stofzak op hoofd, daar panty in was was. Te oordelen naar Lea's reactie, minstens zo leuk.
Schoonmaakschema door alle gedoe lelijk in war. Stond middernacht nog balkonnetje te schrobben, met veel SSST-geroep van beneden.
Moe maar voldaan gaan slapen. Net of bed lekkerder slaapt, wanneer eronder goed is gezogen.”

 

 2259138-14bf42cb89ece50c6cdb1734858fc222.jpg
Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

 

De Oegandese schrijver Moses Isegawa (pseudoniem van Sey Wava) werd geboren op 10 augustus 1963 in Kawempe in Oeganda. Zie ook alle tags voor MosesIsegawa op dit blog.

Uit: Abyssinian Chronicles

“A cousin called her disciplinary activities “beating children like drums.” She also accused Padlock of standing in the way of Kawayida’s progress by stopping Serenity from helping his brother to get loans from the bank and able individuals. Kawayida’s ambition was to own a business and make and spend his own money, but he lacked capital and needed his brother’s recommendation. The truth was that Serenity, who had helped Kawayida get his current job, did not believe in retail business, hated it for personal reasons, and would not help anyone get into it. Because he had remained very laconic about his stand, Serenity’s position got interpreted ad libitum by each of the warring parties.
Nowadays, the brothers met at weddings, funerals and when Muhammad Ali fights took place. Uncle Kawayida conveyed to us the details, wreathed in the sheen of his saliva, redolent with tricks of his imagination, on the wings of the blue-bellied eagle. Grandma listened to the endless accounts with the same vague irony that had entertained Serenity’s revelations about the Fiddler’s burden, and the same sparing laugh that had rewarded the famous duck walk. Kawayida took us through Ali’s flashy arsenal of jabs, hooks and wiggles with the same appetite that animated his usual stories. Behind his back Grandma called him “Ali,” a name which never stuck because, apart from us, only one family, the Stefanos, knew of Muhammad Ali’s exploits, and they could not see the appeal of this lanky substitute.
Aunt Tiida, Serenity’s eldest sister, was the most unpopular, albeit imposing, visitor we received all year round. Her visits put everyone on edge, especially when she first arrived. In order to blunt the arrogance of his eldest child, Grandpa would greet her with generous, half-mocking cheer. Grandma, a great believer in countering vanity with candor, would receive her with an indifference which diminished only in direct proportion to Tiida’s arrogance. Both strategies had their limitations, for as soon as Tiida opened her bags, she made sure that things were done her own way. I always had the impression that we were being visited by a government health inspector in mufti.
Tiida was like a member of an endangered species threatened with extinction, her life made more precarious by this inevitable contact with our backward village environment. She never came unannounced. Days before her arrival, Serenity’s house had to be aired all day, swept, and the bed doused in insecticide. I had to combat the prolific spiders, dismantling their nets, puncturing their webs, destroying their eggs. I broke the veins the termites built on doors and windows. I scraped bat shit from the floor and windowsills with a knife. It was my duty to smoke the latrine with heaps of dry banana leaves, a duty I detested most of all because it reminded me of my first proper thrashing at the hands of Padlock.”

 

 2259138-890d3be56458b53906876ae79308a083.jpg
Moses Isegawa (Kawempe, 10 augustus 1963)

 

 

De Vlaamse schrijver en musicus Elvis Peeters werd geboren op 10 augustus 1957 in Grimbergen. Zie ook alle tags voor Elvis Peeters op dit blog.

Uit: De ommelanden

“Merde, het kreng start niet.
Weer niet. Nog een keer. Niets, niet eens een klik, ik zit verdomme in een dood voorwerp.
Fuck.
Kut. Het instructieboekje volgen. Oliepeil in orde. Voldoende benzine in de tank. Motor niet oververhit.
En nu?
Wachten?
De hitte trotseren. Zo vroeg op de dag al, en voor hoelang?
Er zal wel iemand langskomen. Waarom ligt hier anders een weg? Een ongelukkige, stoffige weg, door een weids landschap, dat wel, maar dor, droog, doornig.
Mijn telefoon heeft natuurlijk geen bereik. Dat er nog zulke plekken bestaan. De economie is stilgevallen in dit door god vergeten gat. Correctie: de economie is geëmigreerd, deze streek is willens en wetens opgegeven, geen dokter, geen voorzieningen, alles moet met liefde, geduld en onbegrip worden opgelost. Hier en daar een schrale boomgaard, wat dorstige aanplant, verpieterde gewassen, een werkeloze ploeg tussen de keien, ofwel de boer overleden ofwel het trekdier, in ieder geval een maag minder om te vullen. De streek raakt ontvolkt. Met een hak en een ezel het stenige land bewerken, een paar olijfpitten in de grond stoppen, de schaduw verleggen, wie houdt dat vol? Geen huis in de omtrek, met wie zul je hier dansen als je jong bent?
Ik hoop dat er snel iemand opdaagt, want in deze hitte houden ze niemand lang uit de grond. Een man, tweeënvijftig jaar volgens de gegevens, van de doodsoorzaak weet ik niets, dat vertellen ze me niet. Het sterftecijfer ligt hoog. Wie blijft, wacht af.
Voor mij is het een goudmijn, zoals eerder Lampedusa. Dagenlang gebeurt er niets, tot zich dat ene moment voordoet waarop ik in actie kom. Soms loopt het ook dan nog mis. Maar met een geldbriefje krijg je veel gedaan.
Ik probeer mijn aanwezigheid zo onzichtbaar mogelijk te maken, ik wil niet op een aasgier lijken. Het grootste deel van de tijd breng ik door op de Steenhoeve, een afgelegen boerderij, bij een oude weduwe, waar ik aankwam op de dag dat haar echtgenoot stierf.”

 

 2259138-376e8bfb94443ec4c0a6ce4b7ce53c08.jpg
Elvis Peeters (Grimbergen, 10 augustus 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.



Geschreven door Romenu om 07:01 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Anton Ent, Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Jan van Aken

 

Dolce far niente

 

 

 2258946-be931098abad444b8a89fff84da62b8a.jpg
Summer Storm Brewing door Sidney Richard Percy, z.j.

 

 

Onweer

In nachten van zinledigheid
toont god zijn pinksterdrift
de hand van zijn aanwezigheid:
vurige vingers in het zwart gegrift

De wind slaat in de tuin, papieren
waaien weg, waarheden vervallen
De geest, in hart en nieren
vuur, brandt in ons allen

Hij dringt door in keel en hand
Daden lichten op bij het spreken
Harten zullen zinvol breken
als het vuur van liefde brandt

 

 2258946-f5192c8fb6e9bcc3ca7d362439c9ff20.jpg
Anton Ent (Rotterdam, 20 januari 1939)
Rotterdam

 

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Esthetica

Het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water
waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt,
een rimpeling van vriendelijke huiver.

Het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel
waarin het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt,
terwijl een hand verschuift over je huid
en ook een streling dan, omhelzing van zichzelf,
op je lichaam liggen gaat.

Terwijl mijn blik die dat niet blijvend
vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd,
zoals wie ééns genodigd tot genot,
daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

 

 

Biografie

Het lichaam is een eenzaam ding
met plasma, beendermerg en smeer
en kleine holtes vol geheim
en drie, vier klieren voor plezier.

Het kreeg twee handen voor iets liefs,
maar zelfs twee handen zijn alleen
gehoorzaam aan het protocol
van een of ander kolderdier.

Een koningsvaren heeft nooit last
van blinde onderdanigheid,
maar halzen willen weerloos zijn,

zij die zo teer geschapen zijn.
Een lichaam is een eenzaam ding
en niemand wil dat het geneest.

 

 

Sourdine

En als er geen tederheid meer is,
laten we de tederheid dan veinzen
met geblinddoekte handen en geloken ogen,
liggend aan elkander als een grens.

Een woord mag dan niet langer een woord heten,
maar een mondvol troostvol verzwijgen;
en verlangen niet langer een armslag lang,
maar verder, weidser dan een vergezicht

vol zomervogels, muziek van Mendelsohn, een sfumato
aan Da Vinci ontleend. Jij zult je mooiste medelijden
ruilen met mijn liefste verdriet; ik, voorzichtig talmen
om het tanen van je lichaam dieper af te tasten.

O als er dan nog tederheid is, laten wij de tederheid vrezen
als een oud zeer. Zoveel tederheid,
daar kon geen mens ooit tegen.

 

 2258946-ee92776b6e24d52f715ccd22a2d30383.jpg
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

Aubade

I work all day, and get half-drunk at night.
Waking at four to soundless dark, I stare.
In time the curtain-edges will grow light.
Till then I see what’s really always there:
Unresting death, a whole day nearer now,
Making all thought impossible but how
And where and when I shall myself die.
Arid interrogation: yet the dread
Of dying, and being dead,
Flashes afresh to hold and horrify.

The mind blanks at the glare. Not in remorse
—The good not done, the love not given, time
Torn off unused—nor wretchedly because
An only life can take so long to climb
Clear of its wrong beginnings, and may never;
But at the total emptiness for ever,
The sure extinction that we travel to
And shall be lost in always. Not to be here,
Not to be anywhere,
And soon; nothing more terrible, nothing more true.

This is a special way of being afraid
No trick dispels. Religion used to try,
That vast moth-eaten musical brocade
Created to pretend we never die,
And specious stuff that says No rational being
Can fear a thing it will not feel, not seeing
That this is what we fear—no sight, no sound,
No touch or taste or smell, nothing to think with,
Nothing to love or link with,
The anaesthetic from which none come round.

And so it stays just on the edge of vision,
A small unfocused blur, a standing chill
That slows each impulse down to indecision.
Most things may never happen: this one will,
And realisation of it rages out
In furnace-fear when we are caught without
People or drink. Courage is no good:
It means not scaring others. Being brave
Lets no one off the grave.
Death is no different whined at than withstood.

 

 

Toads

Why should I let the toad work
Squat on my life?
Can’t I use my wit as a pitchfork
And drive the brute off?

Six days of the week it soils
With its sickening poison —
Just for paying a few bills!
That’s out of proportion.

Lots of folk live on their wits:
Lecturers, lispers,
Losels, loblolly—men, louts—
They don’t end as paupers;

Lots of folk live up lanes
With fires in a bucket,
Eat windfalls and tinned sardines—
they seem to like it.

Their nippers have got bare feet,
Their unspeakable wives
Are skinny as whippets —and yet
No one actually starves.

Ah, were I courageous enough
To shout Stuff your pension!
But I know, all too well, that’s the stuff
That dreams are made on:

For something sufficiently toad—like
Squats in me, too;
Its hunkers are heavy as hard luck,
And cold as snow,

And will never allow me to blarney
My way of getting
The fame and the girl and the money
All at one sitting.

I don’t say, one bodies the other
One’s spiritual truth;
But I do say it’s hard to lose either,
When you have both.

 

 2258946-2df51b736dc855ebba351aff55b69a8d.jpg
Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Gerrit Kouwenaar op dit blog.

 

Vandaag

Dit meldt men op doorreis
men is halverwege
het licht is gespleten
men ligt tussen drinken en eten
het glas speelt de meerdere
het eten vast nog een meter
men is hier geheel

gisteren vertrokken zal men morgen
als het luchtkasteel meezit
als van ouds arriveren –

 

 

Een zonnige ochtend

De zon die hem wakker sloeg

volstaan zou te schrijven:
de hamer neerkomend op de domme
of achteloze vinger
ontketent een wereldoorlog

of beter: de eerste blinde schermutselingen
in het omstreden grensland: in het jonge zonlicht
gaat het oude weerlicht nog even
volledig verloren

de rest is pakpapier, houtwol
journalistiek, psychologie, voort-
planting, het uitstellen van zelfmoord
de romankunst, heldendom, lafheid, liefdes
als lieveheersbeestjes bijtend, als vliegen
wegvliegend naar ander aas

de rest is wat wij verdedigen
wat vernield wordt
de republiek of het koninkrijk
het dagelijks brood of althans
het gat in de maag
dit gedicht

 

 

Het is laat

Het is laat zoals ieder jaar, de tijd
zit krap in zijn heden, de dag
is steeds weer geweest

steek dus het licht aan
dat de toekomst nog uitspaart, spreek
het brood aan dat nog niet doof is, maak
de taal waar achter zijn tekens, spel
het vlees, stil de tijd, leef nog even

 

 2258946-3147f3e3656a9708318f566aad96618e.jpg
Gerrit Kouwenaar (9 augustus 1923 – 4 september 2014)

 

 

De Nederlandse schrijver Jan van Aken werd geboren in Herwen-en-Aerdt op 9 augustus 1961. Zie ook alle tags voor Jan van Aken op dit blog.

Uit: De ommegang

“Ik, Isidorus van Rillington, bevind me hier in het eeuwige duister van een kerker, waar de tijd niet lijkt te verstrijken. Ik twijfel tegenwoordig aan alles, zelfs aan mijn eigen bestaan en aan dat van jou, vreemdeling. Weliswaar ben je onzichtbaar, maar na al die tijd dat we samen zijn, meen ik je contouren af te kunnen leiden uit geluiden, een onverhoedse beweging, of uit je ademhaling die ik aanvankelijk nauwelijks kon horen, maar die inmiddels met haar rijzen en dalen de eb en vloed van mijn bestaan vormt.
Soms kondigt een doffe klap van boven ons eten aan. Dan regent het opeens brood, kaaskorsten, koolstronken en soms wat rotte appels. Maar mijn maag vertelt me waar ik geen horologium voor nodig heb. Zelfs onze voedertijden kennen geen regelmaat. Af en toe denk ik dat ik je hoor kreunen, mijn vriend, maar nooit komt er een woord over je lippen. Of je nu doofstom bent, of mijn taal niet spreekt, ik weet het niet. Evengoed zal ik je mijn verhaal vertellen, ook in jouw belang, opdat we, die draad uitspinnend, nog enig besef zullen hebben van de voortschrijdende uren.
Ik zoek iets, een herinnering die zich net achter de horizon verschuilt, zoals je soms een eenvoudig woord niet meer voor de geest kunt krijgen, maar tegelijkertijd weet dat het je ieder moment weer te binnen kan schieten. Ik zal me het hoofd niet pijnigen, want ik weet dat de kans groter is om het te achterhalen als ik er niet te hard naar zoek; het zal vanzelf komen, onder het vertellen.
Ik weet alleen niet goed waar ik moet beginnen. Bij mijn vroegste herinneringen? Of bij de wending die mijn leven nam toen ik Maelgys weer tegenkwam op de lange weg naar Konstanz? Maar er is geen reden waarom we geen twee paden kunnen bewandelen, tenslotte betreden we het domein van de geest.
Verveling, zo zei iemand mij eens, is de ergste plaag. Verveling, dat onzalige wangedrocht: ledigheid is haar vader, domheid haar moeder en volgens velen zijn wij in dit leven gedoemd ons ofwel dood te werken, ofwel dood te vervelen. Ik sprak de man niet tegen, noch beaamde ik zijn stelling. Die ergste plaag mag dan gelden voor de meesten, ik wist mij er altijd aan te onttrekken. Ik heb me nooit verveeld, zelfs nu niet! Ledig noch dom ben ik en daarnaast kreeg ik al op jonge leeftijd het juiste boek in handen.
Het duister is een dankbaar canvas, een glad houtpaneel waarop mijn verbeelding kan schilderen. Ik heb geen kleurenpalet nodig en hoef mijn ogen niet eens te sluiten om me de sterren voor de geest te brengen, dat schitterende gewemel, die grote wenteling van flonkerend argent op het diepe sabel van de nacht.”

 

 2258946-3d313e9ae71874cd759bf3de1a6cc8d5.jpg
Jan van Aken (Herwen-en-Aerdt, 9 augustus 1961)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 08:14 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten