Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Robert Graves, Katia Mann

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

 

In the Beginning Was a Word

The difficulty was, it was
Simple, as simple as it seemed;
Needing no scrutinizing glass,
No intense light to be streamed.

Upon it. It said what it said
Singly, without backthought or whim,
With all the strictness of the dead,
Past reason and past synonym.

But they, too dull to understand,
Laboriously improvised
A mystic allegory, and
A meaning at last recognized:

A revelation and a cause,
Crowding the cluttered stage again
With saints’ and sinners’ lies and laws
For a new everlasting reign.

 

 

Recalling War

Entrance and exit wounds are silvered clean,
The track aches only when the rain reminds.
The one-legged man forgets his leg of wood
The one-armed man his jointed wooden arm.
The blinded man sees with his ears and hands
As much or more than once with both his eyes.
Their war was fought these twenty years ago
And now assumes the nature-look of time,
As when the morning traveller turn and views
His wild night-stumbling carved into a hill.

What, then, was war? No mere discord of flags
But an infectionof the common sky
That sagged ominously upon the earth
Even when the season was the airiest May.
Down pressed the sky, and we, oppressed, thrust out
Boastful tongue, clenched fist and valiant yard.
Natural infirmiries were out of mode,
For Death was young again: patron alone
Of healthy dying, premature fate-spasm.

Fear made fine bed-fellows. Sick with delight
At life’s discovered transitoriness,
Out youth became all-flesh and waived the mind.
Never was such antiqueness of romance,
Such tasty honey oozing from the heart.
And old importances came swimming back
Wine, meat, log-fires, a roof over the head,
A weapon at the thigh, surgeons at call.
Even there was a use again for God &mdash
A word of rage in lack of meat, wine, fire,
In ache of wounds beyond all surgeoning.

War was return of earth to ugly earth,
War was foundering of sublimities,
Extinction of each happy art and faith
By which the world had still kept head in air,
Protesting logic or protesting love,
Until the unendurable moment struck
The inward scream, the duty to run mad.

And we recall the merry ways of guns
Nibbling the walls of factory and church
Like a child, piecrust; felling groves of trees
Like a child, dandelions with a switch.
Machine-guns rattle toy-like from a hill,
Down in a row the brave tin-soldiers fall:
A sight to be recalled in elder days
When learnedly the future we devote
To yet more boastful visions of despair.

 

 

Het strand

Harder dan meeuwen schreeuwen de kleine kinderen
die vaders het vrolijke schuim in trekken;
maar anderen rennen er onbevreesd in, tot borsthoogte,
en lachen het zoute water uit hun monden –
helden van de kinderkamer.

De geile schipper, die walvissen heeft gezien
en vliegende vissen, die zo ver is gevaren
als Demerara en Ivoorkust,
zal hen waarschuwen, wanneer ze zich verdringen
om zijn verhalen te horen,
dat elke oceaan naar teer ruikt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

„Wir fuhren zusammen nach Meran, mein Mann und ich und Urmiemchen. So nannten wir sie, weil meine Kinder sie Urmiemchen nannten. Urmiemchen fuhr mit, und da sagte sie: Ach, Tommy! Tommy! Komm doch bitte mal schnell in mein Coup& denn weißt du, hier im Schlafwagen ist ja alles für Riesen eingerichtet. Sie war eine sehr kleine, sehr putzige und in ihrer Art reizvolle, alte Dame. Annette Kolb kannte ich lange, ehe ich Thomas Mann kannte. Ich kannte sie seit meinem zwölften Jahr. Sie verkehrte in meinem Elternhaus und schrieb damals schon. Wir standen uns immer sehr herzlich. Ich duzte mich auch mit ihr von Kindheit an. Dann verkehrte Paul Heyse bei uns, und er wollte es gar nicht glauben, daß ich noch nie etwas von ihm gelesen hatte; er war sehr enttäuscht. Damals war ich vielleicht vierzehn. Er besuchte meine Mutter, und da sagte sie: Ich muß Ihnen doch mal meine Tochter Katia vorstellen. Und dann sagte er: Na, Sie haben doch …? Ich sagte: ja, ich denke doch … Er war ein sehr eitler Mensch und hatte so eine sanfte Stimme und einen weichen kleinen Vollbart und schöne blaue Augen. Max Halbe kannte ich, Wolfskehl, die Gräfin Reventlow. Aber näher habe ich sie alle nicht gekannt. Mein Vater war nicht so sehr dafür, daß ich einen Schriftsteller heirate. Er dachte immer: ein Schriftsteller ist doch nicht so ganz das Richtige, nicht wahr? Das ist doch eher etwas Unseriöses. Er dachte, es müßte ein junger Gelehrter, ein Universitätsprofessor sein, und ich hatte damals, neben anderen, sogar einen Bewerber, der Professor war. Meine Mutter war gleich für eine Heirat mit Thomas Mann, ihr leuchtete es sofort ein. Meinem Vater nicht in dem Maße; aber er hat die Heirat mit Thomas Mann auch nicht verhindert. Er hätte es auch gar nicht gekonnt. Gern sah er es nicht, auch deshalb: als das einzige Mädchen mit den vier Buben war ich so ein kleiner Sonnenschein, nicht? Ich sollte nicht so früh aus dem Haus. Es war ihm nicht recht, wie Väter so sind. Thomas Mann hat das auch ein bißchen in >Königliche Hoheit< geschildert. In meiner Jugend war ich, glaube ich, recht hübsch. Das Traurige ist, daß ich es gar nicht wußte. Es hat eigentlich nie jemand in meiner Familie die Freundlichkeit gehabt, es mir zu sagen.“

 


Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)
Katia Mann in 1927

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Lauren Groff, Claudia Gabler

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: De weidse wildernis (Vertaald door Lucie Schaap)

“De maan verschool zich achter de wolken. De wind spuwde striemende sneeuwvlagen. Door een kier in de hoge zwarte wand van de palissade, ogenschijnlijk te nauw om een mens door te laten, wrong het meisje zich de grote, griezelige wildernis in. Ze had een kap tot ver over haar gezicht getrokken en ze was van nature tenger, zowel knokig als kinderlijk klein, maar de honger had haar nog verder uitgemergeld, zodat ze vel over been was, haar vlees mager, uitgeteerd, pezig. Maar ook uitgehongerd en verblind door de duisternis was ze nog watervlug. Ze krabbelde op, struikelde bij haar eerste stap, viel bijna, maar wist overeind te blijven en begon te rennen, snel en ineengedoken over de bevroren groeven van de akker en de vele dode maïsstengels die toen ze opkwamen in de zomer al grauw, vruchteloos en verschrompeld waren door de rot. Sneller, meid, zei ze tegen zichzelf, en voortgedreven door angst en vrees holden haar benen sneller.
De stevige schoenen had het meisje gestolen van de zoon van een heer, een jonge knaap half zo oud als zij, maar even groot, die de vorige nacht was bezweken aan de pokken, zijn uitgehongerde gestel als met een roestlaag bezaaid met uitslag. De leren handschoenen en de dikke mantel had ze gestolen van haar mevrouw. Ze verjoeg de herinnering aan de nog wenende vrouw geknield op de bevroren grond van de binnenplaats van dat helse oord. Met elke stap waarmee ze zich verwijderde, verslapte de greep van alles wat daar was op het meisje. Verderop ontwaarde ze een vreemde weerglans op de donkere akkergrond, eenmaal dichterbij zag ze dat het het hemd was van de soldaat die veertien dagen eerder gesnapt was toen hij op zijn buik zijn vege lijf langzaam wegschoof van de gruwelen van het fort naar de andere gruwelen van het bos. Halfweg tussen fort en bomen  verdonkerde in alle stilte een schaduw die op de grond had gelegen, die groeide en zich ten slotte toonde als de meest gevreesde man van dit land, de krijgsman twee koppen groter dan de mannen van het fort, die zichzelf nog vervaarlijker maakte met een wijde donkere mantel van kalkoenveren die hij over zijn schouders droeg. Met één hand trok hij de kruipende angstige soldaat aan zijn haren omhoog en sneed met een mes een lange, natte rode jaap in de keel van de man. Hij liet hem weer vallen, het levensbloed van de inmiddels dode man gutste over de bevroren bodem en eerloos uitgespreid bleef hij daar liggen. Al die tijd had hij daar onbegraven gelegen, want de soldaten van de nederzetting waren van de honger te verzwakt en te laf geraakt om het lijk op te halen.”

 


Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

 

Pioniers van de herprogrammering als een vreemd beeld.
De haastig opgeroepen afdelingen maakten onderscheid

voor ons. Tussen de waargenomen en de geleefde stad lagen
hun tijdelijke gebouwen. Emigratie werd dus als zakendoen beschouwd,

maar men onderzocht desalniettemin de ziekte van deze clichés.
Een enorm spektakel voltrok zich, mijn wilde haren

waren verdwenen (verdwenen tussen de slopen). De verandering van tijdperk
in het gesprek werd mijn persoonlijke cross-over,

de koffie op de lakens was dan wel weer grappig.
Maar natuurlijk zien we de vlaggen wapperen aan de rand van de stad.

We strooien suiker in de cacao, en ons ruimtegebruik
wordt onmiddellijk nieuw leven ingeblazen. De thermische broek

en zijn positieve relatie met vochtigheid. Rond de heupen
geleidelijke verdichting, hoe lees je

hoe lees je de wolken ook alweer in de stedelijkheid?

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:44 Reageer op dit bericht

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Reise nach Laredo

„So gegen zehn Uhr am Vormittag in dein Hof, in dem sich die Sonnenuhr befindet, soll der Privatmann Karl mittels einer Hebevorrichtung in einen Zuber mit heißem Wasser gehoben werden. Sein Leibarzt, Henri Mathys, der glaubt sich auszukennen mit dem, was ratsam ist, murmelt verärgert: »Das kann nicht gutgehen, das ist Selbstmord.« So ein Bad ist ein Bett, ein Leintuch, ein Leichentuch, eine Leiter. Karl denkt: Der Tod könnte schön sein, wenn man gelebt hat. Eine Zeitlang starrt er zu Boden, als versuche er wieder und wieder mit dumpfer Verwunderung zu begreifen, dass seine Beine ihn nicht tragen, wie sie ihn früher getragen haben. Dicht neben ihm, bereit zum Auffangen, steht wachsam der Sekretär, Willem Van Male, er weiß, dass man im Alter nicht fallen darf. Er wartet auf Karls nächsten Schritt, alle, die sich im Garten des Klosters eingefunden haben, warten auf den nächsten Schritt. Sie wissen, dass sich das Leben ändert. Es ist ein schöner Tag für den Anfang. Der Wahnsinn des Sommers klingt ab. Im gleißenden Licht umschwirrt eine Fliege Karls Gesicht, er hat keine freie Hand, weil er an den Oberarmen festgehalten wird. Heftig bläst er durch die Nase, worauf ein Tropfen in seinen Bart fällt. Dann steht er wieder für einige Momente unbeweglich und versucht, die Fliege nicht zu beachten, er ist gut darin, Dinge nicht zu beach-ten. Die Fliege verschwindet als schwarzer Punkt im Gegen-licht. Gebückt und steifbeinig wie ein Kavallerist nach mehreren Tagen im Sattel setzt Karl einen Fuß vor den anderen. Er ist jetzt bei der Hebevorrichtung, die sein Uhrmacher Juanelo Turriano entworfen hat, um das Unvermögen von Karls Beinen auszugleichen: eine lange Stange, die mittig in einer zweieinhalb Meter hohen, in den Boden eingelassenen Gabel aufliegt. Unter dem hinteren Ende der Stange stehen drei Knechte, die himbeerfarbene Mütze eines der Knechte verleiht der Szene etwas Absonderliches. Karl hätte im Traum nicht an so eine Mütze gedacht. Seltsam, dass immer etwas ganz anders ist als erwartet.“

 


Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

 

SNEEUWWATER

Als nauwgezette theezetter, thee-
Connaisseur alsmede dichter,
Vraag ik bescheiden voor mijn zestigste
Als verjaardagscadeau sneeuwwater.

Theestoom en inktvlekken. Helemaal
Gefocust verhit ik mijn theepot en
Meet ik wat Zilveren Naaldenthee af,
Genoeg voor een tweede trek.

Andere favoriete smaken zijn Clear
Distance en Eyebrows of Longevity
Of, van gevaarlijke bergtoppen,
Cloud Mist Tea (heel verrukkelijk)

Die bekwame apen oogsten
Hun manden vullend met uitgelezen bladeren
En naar beneden brengen waar ik wacht
Met mijn pot sneeuwwater.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Hans van de Waarsenburg, Michael Longley

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Johannes (Hans) Paul Richard Theodorus van de Waarsenburg werd geboren in Helmond op 21 juli 1943. Zie ook alle tags voor Hans van de Waarsenburg op dit blog.

 

 

Toulon

Geluid dat uit de foto’s stijgt
Kale plekken binnen het hoofdgordijn
Wie er allemaal verdwenen zijn
Tegen de lijmstokken van de dood gevaren

Roekeloos, as, verstrooid verleden
Stomme film zonder gebaren

Naar de dood richt ik elk grijs kanon
In de haven van Toulon.

 

 

Dodenvaart

Na de dodenvaart, de schepen zwijgen
lauw branden de fakkels
wanneer de bocht wordt gerond

Staande op het hoogste duin
wuift hij naar de zeilen

Niets in dit beeld beweegt
het helmgras ligt

Het lemmet rust.

 

 

Railing

De railing, niets anders
dan de railing
verdwijnt

Over de voeten
valt het licht

Schaduw verdonkert
de plaats, de plekken

Dood is het meten,
de terugtocht
zichzelf te schrijven.

               

 


Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)

 

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Vrieskou

 

De vrieskou annexeert zelfs de zee,
en spreidt zijn platform uit over de golven.
Laat de lucht vallen, de buik van de vos stort in –
Deze catastrofale, kortstondige hervorming
leidt de vogels van de hemel naar onze huizen.
Ze komen met verre winden om ons warm te houden.
Romantisch
Door deze om te kopen met overvloed, zouden we liever
onze hoop op dooi vergeten wanneer de lente de takken reinigt,
het stof veegt van onze vensterbanken, sneeuw en veren,
overlaat aan zijn verval en ware ondergang
de roerdomp die dit andere weer
in ijs had opgeborgen als een specimen

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939) 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2022 en ook mijn blog van 21 juli 2020 en eveneens mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Arie Storm, Paul Violi

De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Storm op dit blog.

Uit: Satirië

“Ik stop met schrijven. Niet op dit moment, zoals je ziet, maar dit is wel mijn laatste roman. Kan ik dit een roman noemen als ik er zelf zo duidelijk in optreed? Ik lees momenteel de dikke studie The Rhetoric of Fiction. Wayne C. Booth, de schrijver ervan, maakt een behoorlijk groot nummer van de vraag of een schrijver wel of niet in de roman die hij schrijft aanwezig is. Ik moet erbij zeggen dat het boek van Booth uit 1961 komt. Dat is meer dan zestig jaar geleden; ik was nog niet geboren, nog net niet. Het is een vreemd idee dat er al van alles aan de hand was voordat ik mijn eerste schreden op deze planeet zette. Maar als ik weg ben – dood -, gebeurt er vanzelfsprekend ook nog het een en ander. Het gaat allemaal door, vermoed ik, maar dan zonder mij. Dit roept de vraag op waar een schrijver is als hij niet aanwezig is in zijn eigen roman. Als hij dáár al niet is, in zijn door hem bedachte woorden, dan is hij nergens. Dat is natuurlijk niet waar, want als ik stop met schrijven, ben ik er nog steeds. Misschien ben ik er dan wel juist méér, bevind ik me in het echte leven, in de werkelijkheid buiten de roman. Een werkelijkheid die voor mij juist bestaat omdat ik schrijf, meende ik tot voor kort, maar dat zou op een vergissing kunnen berusten. Je zou net zo goed kunnen beweren dat de werkelijkheid juist door dat schrijven verdwijnt, of uit beeld verdwijnt, dat die werkelijkheid door al dat geschrijf niet goed zichtbaar meer is. Romanschrijver Martin Amis schrijft in zijn memoir Experience dat hij van het schrijversbestaan houdt – dag in, dag uit -, of dat hij dat in elk geval deed toen hij bijna dertig was, en dat hij er veel meer van houdt of hield dan zijn vader Kingsley destijds deed, of dat hij die indruk had, dat zijn vader dus niet van het schrijversbestaan hield en dat misschien wel nooit had gedaan, Kingsley, de aanvankelijke angry young man, of een van de angry young men, hoewel Kingsley zich niet zo wilde noemen. Zijn eerste roman was Lucky Jim geweest, een roman waaruit wel degelijk woede sprak, zij het op komische wijze, en die in 1954 was gepubliceerd, en die, toen zijn zoon Martin dit vermoeden uitsprak, of liever gezegd opschreef, tegen de zestig liep. Zestig, zestig, zestig dus, waarop het keerpunt van de ouderdom nadert, voegt, of voegde, moet ik inmiddels schrijven, Martin eraan toe, zestig, een leeftijd die ik nu zelf heb bereikt, terwijl ik heb besloten op te houden met schrijven, en waarvan ik vind dat ik moet uitleggen, of er getuigenis van moet geven, of afleggen, waarom ik er de brui aan geef, al schrijf ik die uitleg, die getuigenis, alleen maar voor mezelf op, en zijn de meeste lezers al juichend gestopt na het lezen in de boekwinkel van de eerste vier woorden van deze roman.”

 

 


Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)

 

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

 

Lof der Luiheid

Voor de tweede keer deze week
heb ik sneeuw zien vallen bij zonsopgang,
de dageraad zien aankomen op een briesje
(zoals ik denk dat het altijd gebeurt).
Ik weet niet wat, de tijd of het weer,
me wakker maakte, me uit een droom toverde
waarin een paar van ons ronddreven,
grappenmakers van de zwaartekracht,
met het gezicht omhoog in het kalme water
en het wrakhout van een langzaam leven.
Ik had één zin die ik had bewaard
en liet die los alsof het de mijne was,
roepend om “Donkerder dagen en stralender goden!”
Toen had ik slechts een moment van ontwaken,
maar dat opende zich met datzelfde schaduwloze licht,
een gevoel van verandering, van iets dat zowel dichtbij
als ver weg was, eerst en laatst,
dat met de wind en de sneeuw
door mijn weerspiegeling in het raam waaide.
En toen verloor ik het.

Dus hier ben ik dan, met sigaretten en koude koffie,
een onvoltooide ode aan de luiheid,
spinnenwebben op hoge plaatsen,
een spin die van de boekenplanken afdaalt,
en een in alle rust herinnerde commotie;
zonlicht dat doorstroomt,
en weer een heldere pagina
met een eigenaardige duisternis eroverheen
—schaduwen van hittegolven van de radiator,
of mijn gedachten die in rook opgaan.

Het glas, als het beslagen is,
doet me denken aan winkelruiten,
hoe ze met zeep zijn ingesmeerd,
gehuld in geheimzinnigheid
vóór een grote opening
of na een schandelijke sluiting.
Hoe dan ook, niet erg interessant,
behalve misschien wanneer de graffiti,
de anonieme berichten verschijnen,
erop gekrabbeld
door een kind van de lucht,
woorden waar je doorheen kunt kijken
of een duidelijke veeg.

En in de schemering ben ik er nog steeds,
op dezelfde plek, in hetzelfde licht.
Niets anders te doen dan me te verplaatsen met het uitzicht:
sneeuw, wind over zachte ruïnes,
onafgemaakte gebouwen die opdoemen
als monumenten voor een uitgebluste nieuwsgierigheid
Ik sta in het hoogste, hierboven met de Nee’s
die op drassige leuningen rusten.
Zin in een sigaret? Nee.
Heb je een lucifer? Nee.
Zie je een alternatief voor solipsisme? Nee.
Hedonisme? Nee. Slordig stoïcisme? Nee.
Wist je dat Maryland
geen natuurlijke, maar alleen kunstmatige meren heeft? Nee.

De wezens van de luiheid
zijn pure speculatie.
Ze volgen het weer,
schaduwen de wind, vullen de gaten in.
Sommigen zijn groot, onhandig en sluw
en likken graag aan mijn horloge;
anderen, zoals gerundia,
hebben zichzelf al
in een staat van zijn gedronken.
Een ander, met tijd over
en het besef hoe ramen
zowel binnen als buiten een plek zijn,
staat daar te kijken hoe zijn silhouet
verandert in een weerspiegeling,
terwijl het licht verandert,
en hij vooruit of achteruit beweegt,
speelt als een god
die in en uit zichzelf stapt,
en hoort de wind als de adem van verandering
wanneer de laatste vlaag in het licht weg dwarrelt.

De laatste vlok wordt groter
terwijl hij neerdaalt en presenteert,
wanneer hij in een uitbarsting van schittering landt,
de plattegrond van een nieuw gebouw,
waar elk nat, gepareld raam
een beeld is van plezier en verwachting.
De druppels rijpen, momenten in het licht,
vragen die, beantwoord door een gevoel,
zo helder als mijn wezen wegglijden,
druppel voor druppel langs het glas.
Als de wind zo hard waait,
staat hij op het punt om eindelijk iets te zeggen.
De aarde tot waar zij pure magie is,
wind en glas, water en licht.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2024 en ook mijn blog van 20 juli 2020 en eveneens mijn blog van 20 juli 2019 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:21 Reageer op dit bericht

Teddy Tops, Nisrine Mbarki Ben Ayad, Alara Adilow

De Nederlandse schrijver, programmamaker en cultuurjournalist Teddy Tops werd geboren op 20 juli 1989 in Den Bosch. Tops host en programmeert Mensen Zeggen Dingen in EKKO (Utrecht) en Paradiso (Amsterdam). Ze is opgeleid aan de academie voor journalistiek in Tilburg, waarna ze bureauredacteur was van de redactie Cultuur en Leven van de Volkskrant. Ze was betrokken bij Festival Boulevard en bij Het Zuidelijk Toneel. Haar artikelen, columns en korte verhalen zijn gepubliceerd in De Standaard, de Volkskrant en VPRO Tegenlicht. In september 2025 verscheen haar debuutroman “Egelskop”.

Uit: Egelskop

“Kinderen zijn getuigen van ouders die zeggen: kijk naar me, let goed op, ik doe het maar één keer voor. Ouders die denken: zolang een ziel zo puur als die van een kind kijkt naar hoe ik mijn leven leid en dat voor waar aanneemt, kan het niet verkeerd zijn wat ik doe. Ouders zoeken in kinderen hun medestanders, bevestiging van hun goede bedoelingen en verdiensten als opvoeder. Vrouwen die geen kinderen kregen hebben deze getuigen niet gehad, ze zijn niet bewaard gebleven in het brein van onschuldige hoofdjes, in hun archieven opgeslagen. Wat deze vrouwen deden bleef binnenshuis, kwam niet in musea of boekenkasten terecht, maar bleef achter in de keuken of slaapkamer achter stof of steen. De meeste vrouwelijke kunstenaars, de zorgverleners, de bouwers, de vrouwen die niet konden schrijven, die geen klein verzet pleegden zoals goudsbloemen in de berm planten — oranje in het straatbeeld was verboden — de vrouwen die het huishouden van anderen deden, die pasten op de kinderen van anderen, die de kinderen niet konden krijgen, de vrouwen die ze niet wilden hebben, de vrouwen die van vrouwen hielden: ze blijven anoniem achter, met hun liedjes, hun liefjes, hun eigenaardigheden en hun meisjesnamen. Met hun twee slaapkamers, de eerste om in te slapen en de tweede om te zorgen dat niemand vragen stelde bij twee vrouwen die in één huis wonen. Er hingen schilderijen aan de muur en het bed was onbeslapen, de onbewoonde kamer was er om hun recepten, ambities, herinneringen in te bewaren. Ze worden niet omschreven in geschiedenisboeken, zijn geen onderzoeksgroep in een wetenschappelijk tijdschrift, gaven geen dagboeken, oorlogstrauma’s of fotoalbums door aan nakomelingen. Of ze kozen voor het kunstenaarschap, het kunstmonsterschap, het verzet, de rebellie, tegen kind en tegen hoeksteen, en kregen een plek aan de muur van een museum. Maar meestal maakten we er ook dan heksen of heiligen van, gum de vrouwen die niet baren, kunst of kind, hun hele le lang alles wat na hen had kunnen komen uit, alsof z< geschiedenis achterstevoren schrijven. De navelstret intrekken en dichtknopen op hun buik. Mijn oma’s stierven ongelukkig, omdat ze moest leven naar wat van hen verwacht werd. Wanneer ze : mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zouden mij: ouders niet geboren zijn, zou ik niet geboren zijn, h2 zij misschien een vol leven kunnen leiden.”

 

2676708-ad6bd0d5637f178e4d390a2058b77f97.jpg
Teddy Tops (Den Bosch, 20 juli 1989)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, dichteres, programmamaakster en vertaalster Nisrine Mbarki Ben Ayad werd geboren in 1977 in Tilburg. Haar poëziebundel ‘Oeverloos’ werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs en de Grote Poëzieprijs in 2021. Mbarki Ben Ayad is programmamaker voor het literatuurfestival ‘Winternachten’. In oktober 2025 verscheen haar nieuwe roman ‘Kookpunt’,

 

oorlog

de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap 
ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven 
hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker 
draagt manchetknopen en paradeert graag op hoge hakken 

ik deel onbevangen mijn zout wijn en dromen met hem 
hij zwaait met zijn sigarettenhouder en turquoise vingers 
drinkt uit gouden glazen eet delicaat met zilveren lepels 
leunt in de deurpost en loert uit zijn glanzende khol ogen 

in het hart van de nacht beraamt en tekent hij zijn offensief 
ik zie zijn ambitieuze plannen en snijd onmiddellijk m’n tong af 
zachte stemmen mesten het wapenarsenaal in zijn lichaam 
hij spint taal tot stalen strengen in zijn verfijnde handen 

rondom mijn keel plant ik geurende jasmijn als omheining 
ik borduur met zilverdraad een harnas aan mijn zachte armen 
op de bruine flanken van mijn rug galopperen wilde paarden 
in de schaduw van mijn borsten bouw ik een noodhospitaal 

ik heb het oorlogsrecht nageleefd en dwaas gewacht op de strijd 
hij wekt me in alle vroegte en leidt me de trap af naar de keuken 
staat stil achter me en steekt een fors vleesmes tussen mijn ribben 
’t gif en de immense zege verspreiden zich in mijn romp 

hij fluistert karmozijnzacht in mijn haar 
‘kijk de eerste sneeuw’ 
het tellen van de slachtoffers en het graven mag beginnen

 

 

2676708-16646a1f86a9bd14cd3869f8c1c09dd2.png
Nisrine Mbarki Ben Ayad (Tilburg, 1977)

 

 

De Somalisch- Nederlandse prozaïste en dichteres Alara Adilow werd geboren in 1988. Ze studeert deeltijd Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit en volgt de schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool Amsterdam met studierichting proza. In 2019 haalde ze de finale van het NK Poetry Slam. Ze publiceerde onder andere in De Gids, Het liegend konijn, De Revisor en Tirade. In april 2022 is haar debuutbundel “Mythen en Stoplichten” verschenen. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman, “Kijk es naar al dit licht”, die in februari 2025 zal verschijnen bij De Bezige Bij. Voor haar debuutbundel Mythen en stoplichten ontving ze de C. Buddingh’-prijs en de Herman de Coninckprijs 2023. Ze is door de De Volkskrant uitgeroepen tot literatuur talent van 2024.

 

 

De kamer deint in mij

Ik lig tegen de borst van een oude visser
en streel zijn ballen zoals golven kliffen.

Het is heet en we zweten allebei.
De jasmijnstruik die langs het raam groeit staat in bloei.
Nabij hoor je de zee en

ik wil hem bezitten. Ik wil hem bezitten
ook de reizen in zijn ogen.

De wind steekt zijn lange arm door het raam
rust zijn geparalyseerde hand tussen onze lichamen.

We lijken gebonden aan elkaar
maar het hart in de kamer is niet meer dan een idee.

Doradeschubben plakken aan zijn schouders.
Zijn vingers nog vuil van de vangst die hij vanmiddag heeft schoongemaakt.

Hij houdt mijn billen vast zoals een stroming een boei.
Mijn huid liegt tegen de jaren die hem veranderd hebben.

Ik druk mijn lippen op zijn grijze wenkbrauwen,
verander mezelf in een hangklok, een anemoon, koraal, een ree.
Daarna een panter, een zeester.

De versleten deur in de hoek dreigt een metafoor te worden.
De zon kijkt weemoedig op ons neer.

 

 2676708-a476d295d3e8b3946eddd3edc3a4e629.jpg
Alara Adilow (1988)



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Anna Enquist, Ghayath Almadhoun

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Uit: De verdovers

“Drik de Jong wacht. Hij wacht in zijn eigen wachtkamer die eigenlijk geen kamer is maar een hoekje onder de trap, waar één stoel in past. Tegen de vlakke muur hangt een foto van een rij bomen in een polderlandschap. Drik de Jong wacht op een nieuwe patiënt. Wil hij voelen hoe het voor zo iemand is om hier te zitten wachten? Onwaarschijnlijk. Hier heeft vrijwel nooit iemand gezeten want Drik neemt ruim tijd tussen zijn afspraken en zorgt ervoor dat zijn patiënten elkaar niet tegen het lijf lopen. De dubbele deur naar de spreekkamer staat open; de lampen boven het bureau en schuin achter de therapeutenstoel heeft hij aangeknipt, al is het elf uur ’s morgens. Hij is even in die stoel gaan zitten en zag de smoezelige vitrage, de bewolkte hemel daarachter —het is oktober en het licht gaat verdwijnen. Maar niet hier, dacht hij, in deze kamer hoort een warm, gelig licht te hangen. Een voorraad gloeilampen aanleggen nu het nog kan, die verplichte nieuwe spaarlampen zijn afschuwelijk. Gevangenisverlichting. Hij kijkt op zijn horloge. Over drie minuten. Even pissen nog? Beter van niet. Sta je net je handen te wassen met zo’n gorgelende watertank achter je als de bel gaat. Niet alleen de patiënt is gespannen voor zo’n eerste contact. Voor de therapeut is het ook een vrij cruciaal moment. Er moet zoveel tegelijk. Kijken, luisteren, contact leggen, beslissen, wegwijs maken, oordelen, onthouden. Terwijl je je optimaal concentreert moet je je zodanig ontspannen voelen dat je echt een indruk van iemand krijgen kan. Drik haalt diep adem. Hij heeft meer dan een halfjaar niet gewerkt. Toen zijn vrouw ernstig ziek werd sloot hij zijn praktijk. Hij kon twee analyses afsluiten, te abrupt en iets voorbarig, maar het ging. Een derde analysand verwees hij naar een collega, net als een aantal therapiepatiënten. Hij nam geen nieuwe mensen meer aan. Ineens waren de dagen leeg en kwam hij nauwelijks meer in zijn spreekkamer.
De tuinkamer werd het zwaartepunt van het huis. Daar lag Hanna in zo’n veel te hoog ziekenhuisbed op haar dood te wachten. Daar verschenen zuurstofcilinders, een morfinepomp, een infuusstandaard. Daar dromden mensen samen — de huisarts, vrienden, verpleegsters, een anesthesiemedewerker uit het ziekenhuis. Hijzelf stond met zijn rug tegen de muur en kwam er niet tussen. Zijn zuster was er, Suzan. Hij zag haar altijd als het kleine zusje, vier jaar jonger dan hij. Nu nam ze de regie over.Tot zijn verbazing bewerkstelligde ze een verlof voor onbepaalde tijd. Het kwam goed uit, zei ze, er was een tijdelijk overschot aan anesthesiologen omdat de helft van de operatiekamers werd verbouwd.”

 


Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

 

De berg Qasyoun

Gedicht voor Anish Kapoor

Het was een kleine berg die leek op een wolk, en uitkeek op niets. Hij was hoog als een vogel, groot als een boom, en erg eenzaam, want voor de uitvinding van de mobiele telefoon communiceerden de bergen via vogels, zodat de herinneringen niet zouden uitsterven.
Het was een kleine berg die droomde van de stad, en de voorkeur gaf aan de drukte, maar hij bleef erg eenzaam, want dertig aardbevingen geleden bezochten de bergen elkaar niet, vanwege familieonenigheden.
Een kleine berg, en dichters dachten dat hij een rots was die van de hoorn van een stier was gevallen, maar een toevalligheid die plaatshad tijdens het jachtseizoen deed hen ontdekken dat de berg vrouwelijk was. Tijdens het jachtseizoen, in het jaar dat de archeologen haar nog niet hadden ontdekt, waren de dichters op een gedicht aan het jagen toen zij hen om de tuin leidde en haar toevlucht zocht in een grot aan de voet van de berg. Ze gingen achter haar aan, en wisten niet dat ze de vagina van de berg in waren gegaan, het was de eerste geslachtsgemeenschap tussen de mensen en de berg. Ze gaf geboorte aan een stad die de taalkundigen ‘het begin’ noemden en de dichters ‘Damascus’, de dochter van halal overspel, de eerste der steden.
Op het moment dat een berg zakt voor een natuurkunde examen, geeuwt een andere berg, en de stad slaapt, alsof er niets was, alsof alles was, wie zei dat twee bergen elkaar nooit ontmoeten, ik zal voor jullie de uitspraak corrigeren: als Mohammed niet naar de berg kan gaan, zal de berg tot hem komen. Nee, ik zal hem nog eens corrigeren: als Kapoor niet naar de berg kan gaan, zal de berg tot hem komen. 
 

 

Vertaald door Ferida Jawad

 


Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2023 en ook mijn blog van 19 juli 2020 en eveneens mijn blog van 19 juli 2019 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:51 Reageer op dit bericht

Joachim Meyerhoff, Steffen Popp

De Duitse schrijver, regisseur en acteur  Joachim Philipp Maria Meyerhoff werd geboren op 18 juli 1967 in Homburg, Saarland. Zie ook alle tags voor Joachim Meyerhoff op dit blog.

Uit: Ach, diese Lücke, diese entsetzliche Lücke

„Es war schon immer ganz gleich, wann ich meine Großeltern besuchte. Ob ich vier, zehn oder fünfzehn Jahre alt war, spielte keine Rolle, sie blieben immer dieselben. Die vielen Urlaube, die ich vor meiner Schauspielausbildung bei ihnen verbrachte, verschwimmen in meiner Erinnerung zu einer einzigen, die Jahre vernebelnden Zeitwolke. Was auch daran liegen mag, dass nur selten einzelne hervor-stechende Ereignisse den Alltag meiner Großeltern unter-brachen. Ihr Leben selbst war das Ereignis. Jeder einzelne Tag stand für alle Tage und jeder dieser Tage war ein kleines Wunderwerk. Ein von ihnen zelebrierter Parcours, abgesteckt aus Ritual, Disziplin und Skurrilität. Bis auf den Sonntag, an dem sie in die Kirche gingen oder zu Wanderungen aufbrachen, sahen alle ihre Tage exakt gleich aus. Ich habe mich oft gefragt, ob sie ihre Tage überhaupt jemals anders verbrachten, denn ich habe in all den Jahren nie etwas Unvorhergesehenes mit ihnen erlebt. Vielleicht war es sogar so, dass der zentrale Kern ihres Da-seins darin bestand, Überraschungen zu vermeiden, und je älter sie wurden, desto penibler wurden sie in der Abfolge ihrer Handlungen. Ihr wunderschönes Haus in der Nähe des Nymphenburger Parks, das sie nur zwei Mal im Jahr länger verließen — zwei Wochen Lanzarote im Februar, zwei Wochen Dürnberg, ein Luftkurort in den österreichischen Alpen, im Spätsommer —, war der ideale Ort für ihre Zeiteinteilungen und Wege.
Mir fällt kein einziger Gegenstand im Hause meiner Groß-eltern ein, kein Möbel, keine Schale, kein Untersetzer, kein Teppich, der je den Platz gewechselt hätte. Ja selbst die Schlüssel am Schlüsselbrett hingen stets in derselben Reihenfolge sowie auch die Küchenmesser an der Magnetleiste jahrzehntelang ihre Formation wahrten. Sicher, es kamen im Laufe der Zeit ein paar Dinge dazu. Es wurde ein Platz für sie gesucht, und da blieben sie dann für immer. So als hätte die freie Stelle geduldig auf genau diesen Gegenstand gewartet. Das Haus war immer blitzeblank-sauber. Da jedoch die Putzfrau, Frau Schuster, immer dieselbe blieb, die Bügel-frau alt und taub wurde, Herr Moser, der ebenfalls betagte Gärtner und Alleskönner, irgendwann nur noch im Schneckentempo den Rasenmäher kreuz und quer durch den Garten schob, schlichen sich Unebenheiten ein, die aber meine Großeltern durch ihr eigenes Noch-Älter-Sein nicht bemerkten.“

 


Joachim Meyerhoff (Homburg, 18 juli 1967 )

 

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

 

Bucolische ansichtkaarten III

Dit orkest grenst aan stilte
dunne kristallen zolen, grind
het hart spreekt waarheid, draad, merg
onverschrokken, op een sprinkhaan
over nationale wegen
aan de voet van het criterium lig je
geklauwd in canules, lava.
De vogel met prachtige poten
loopt door me heen als de zee
ik zag ook de eilanden en
ooit bewoont hij de lucht.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 18 juli 2024 en ook mijn blog van 18 juli 2020 en eveneens mijn blog van 18 juli 2019.

Geschreven door Romenu om 16:43 Reageer op dit bericht

Tsead Bruinja, Judith Beveridge

De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

 

 

Wij spelen wasbord op de onderkaak

wij spelen wasbord op de onderkaak
van een dode koe

op de binnenplaats
klampt de zomerregen
zich vast aan de cactussen
schreeuwen de papegaaien
de veranda blank

waar de buurman met zijn barbecue

en ik maar controleren
of niet alles tegelijk vlam vat

omdat ik denk dat woorden
de vorm van een wolk
kunnen veranderen

omdat de zon
een meisjesgezicht

terwijl ik eigenlijk wil weten
of het wat uitmaakt

samen of apart verbranden

 

 

Je koude handen om de voorraad

de wieg en het vuur
de wieg in brand
de brand in de wieg
de wiegende brand
de brand aan je kont
de bliksem in je bol
de lach aan je kont

het velours trainingspak is een aardappelschil die je in een keer uit moet kunnen krijgen
in een keer de helix dat truttige liedje van haar natte lijf

de vrachtwagen
tegen de garagedeur
van het magazijn
van de supermarkt
de vrachtwagen
in de winter

jij wilt dat baantje hè

jij wilt dat baantje
met uitzicht op de dampende pan rijst
buitengezet door de vriendelijkste chinezen
om af te koelen in die open deur
van dat restaurant

onmogelijk

de mussen vlieren af en aan
je koude handen om het ijzer
de containers met voorraad
zijn handen in de winter

de containers met lege flessen

misschien wordt het wel knokken

 

 


Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische dichteres en schrijfster Judith Beveridge werd geboren in 1956 in Londen, Engeland. Zie ook alle tags voor Judith Beveridge op dit blog.

 

 

Mulla Mulla Beach

Voordat de zee een mijl verderop stopt,
hoor ik de schoepen van vissers die de rotsen raken

en hun haspels beginnen te knarsen als fietstandwielen.
Het zand is glad, op het wier na,

kwalachtig helder als chirurgische handschoenen.
Ik kijk naar de mannen die de hele dag vissen, ogen strak

op het water gericht, die geboren zijn met de zee altijd in hun oren.
Een plek sijpelt door in de stem

van elke inwoner. Ik loop waar sponzen groeien
als vochtige gist, een nieuwe wereld voor mij,

maar vertrouwd. Ik pers de zee eruit.
Een deel van die heldere stem sterft weg.

Het is het gesprek van mensen die hier het hele jaar door wonen,
die gewoon met rust gelaten willen worden.

Nu, bijna in het donker, kleeft er een dode confetti
van visschubben aan de rotsen.

Er is geen woord, behalve het geluid van de door zee en getijden gekeerde schelpen
die rustig heen en weer bewegen als oeverlopers:

hoewel er soms een lijn is, een gemurmel
dat zich in en uit de schelpen wikkelt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Judith Beveridge (Londen, 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 17 juli 2023 en ook mijn blog van 18 juli 2020 en eveneens mijn blog van 18 juli 2019.

Geschreven door Romenu om 16:01 Reageer op dit bericht

Andrea Wolfmayr, William Irwin Thompson

De Oostenrijkse schrijfster en politica Andrea Wolfmayr werd geboren op 16 juli 1953 in Gleisdorf. Zie ook alle tags voor Andrea Wolfmayr op dit blog.

Uit: Vom Leben und Sterben des Herrn Vattern, Bauer, Handwerker und Graf

„Goldmünzen und Silberreiher
Auf der Hütte, 26. Dezember 2005
Hatte gestern keine Zeit für Notizen, zu viel zu tun, zu viel Familie. Aber nun, da wir weggefahren sind, mein Mann und ich, ein paar Tage zum Abschalten, werde ich wohl hoffentlich langsam zu mir kommen, zum Denken. Einem Denken, das sich erst wieder verliert. Im Buch, das ich grad lese. Über Alzheimer. Alles dreht sich bei uns nun darum.
Literatur über Demenz. Dabei sind das alles nur Versuche, es abzugrenzen. Uns Lebende von ihnen, die am Abgrund stehen. Es gibt verschiedene Arten, erfahre ich, unzählige Bezeichnungen für das Vergessen. Alles nur Krücken, Versuche, das Schreckliche, das Unbeschreibbare, dieses Fragile, Unausweichliche und Unfassbare, bei jedem Menschen Andere, das »Tod« heißt oder »Krankheit zum Tod«, in Unterkategorien zu fassen, in Schubladen, mit Bezeichnungen zu versehen.
Wir tun uns anscheinend leichter, wenn das Ding einen Namen hat. So bringen wir die Welt in eine Ordnung, mit der wir leben können. Doch bei alten Menschen verliert sich jede Ordnung. Immer mehr Ersatznamen, Umschreibungen für die Lücken und Löcher. Sprüche wie grobe Pfosten, die in die Tage gerammt werden, damit man sich gerade noch halbwegs weitertasten kann in einem Nebel, der zunimmt.
Manches geht überhaupt nicht mehr. Wenn das Misstrauen zu groß wird, die Halsstarrigkeit, die Angst. Warum deshalb sie auch noch zu Ärzten zwingen, die oft genug wenig oder keine Ahnung haben von Geriatrie oder Palliativmedizin, die überlastet sind, selbst nah am Burnout und krank, und dann halt irgendwas machen, damit die Angehörigen sich beruhigen? Es ist ja nicht viel mehr. Die Ärzte sind weg mit dem Blick und dann mit den Worten. Weg ins Unverständliche.
Ein strenger Blick, ein schneller Strich, »Geben Sie das und das …«, und schon sind sie aus dem Zimmer. Sicher, sie können einen auch retten, bestimmt wäre ich schon tot ohne sie und ihre Medikamente und Maschinen, also darf ich auch nicht undankbar sein…
Demenz und Vergessen, geistige Krankheiten sind komplex: Und es bleibt die Frage nach dem Sinn des Ganzen. Will er überhaupt länger leben? Zu gefallen scheint es ihm jedenfalls, dieses »Ausleben« und in Ruhe gelassen werden. Ohne Zweifel schläft er viel länger als früher. Er geht früher schlafen, schläft auch tagsüber immer wieder, wie eine Katze, aber bei uns darf er das wenigstens, versichern wir uns gegenseitig. Sein natürlicher Rhythmus.“



Andrea Wolfmayr (Gleisdorf, 16 juli 1953)

 

 

De Amerikaanse dichter, sociaal filosoof en cultuurcriticus William Irwin Thompson werd geboren op 16 juli 1938 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor William Irwin Thompson op dit blog.

 

Een luie zomermiddag

luisterend naar Chet Baker
die “You Don’t Know What Love Is” zingt,
en natuurlijk denkend aan jou
altijd bij het grote gezin
waarop jouw genereuze leven is gebouwd.
Ik ben voorbij je horizon,
in een zijwereld met andere sterren
in verontrustende sterrenbeelden
die niet thuis spellen
maar me er wel van overtuigen dat ik
niet ben wie ik denk dat ik ben en dat jij
een deel bent van wat ik me niet kan herinneren.
We hebben in ons leven
bladmuziek van populaire liedjes geschreven,
maar de droevige trompet speelt vals
en de pianist hoort
noten van andere liedjes en zou kunnen
afwisselen met andere melodieën
hield de menselijke stem hem niet
binnen zijn liefdesverhaal van verlies.
Dit is waar jij en ik in beeld komen
Van God weet waar in onze getimede levens
die niet langer de lijn volgen
die ze ooit volgden voordat we luisterden
naar de sterrenstemmen in onze ogen.
Er is niets wat we nu kunnen doen.
We zijn onmogelijkheden
voor elkaar, openingen
naar onbewoonbare levens.
Bakers gedempte trompet keert terug
naar het goed gevulde lied,
de piano geeft het treurig op,
en ik blijf weer alleen achter,
memorerend wat we nooit waren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


William Irwin Thompson (16 juli 1938 – 8 november 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juli ook mijn blog van 16 juli 2023 en ook mijn blog van 16 juli 2021 en ook mijn blog van 16 juli 2020 en eveneens mijn blog van 16 juli 2019 en ook mijn blog van 16 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:33 Reageer op dit bericht

Richard Russo, Steffen Popp

De Amerikaanse schrijver Richard Russo werd geboren op 15 juli 1949 in Johnstown, New York. Zie ook alle tags voor Richard Russo op dit blog.

Uit: Brug der zuchten (Vertaald door Hans Vierdag)

“Laat ik beginnen met de feiten. Mijn naam is Louis Charles Lynch en ik ben zestig jaar. Al meer dan veertig jaar ben ik de toegewijde hoewel niet bepaald opwindende echtgenoot van dezelfde, lieve vrouw. Ik ben de trotse vader van Owen, onze zoon, die nu zelf een volwassen, getrouwde man is. Owen en zijn vrouw hebben geen kinderen. jammer genoeg ziet het ernaar uit dat dit zo zal blijven. Toen we pas getrouwd waren, dachten we dat we gezegend zouden worden met de geboorte van een dochter. Helaas kreeg mijn vrouw een miskraam toen ze in de vierde maand van haar zwangerschap betrokken was bij een auto-ongeluk. Het is al lang geleden gebeurd, maar Sarah en ik denken nog vaak aan dit kind. Ik woon al mijn hele leven in hetzelfde stadje in het noorden van de staat New York. Volgens mij zijn tegenwoordig nog maar weinig mensen z6 honkvast. Voor mijn vrouw geldt dat overigens wel. Haar ouders verhuisden naar Thomaston toen ze nog klein was. Ze heeft dus maar weinig herinneringen aan de tijd daarvoor. Sommige mensen kijken ons vol medelijden aan wanneer ze horen hoe we onze jaren hebben doorgebracht. Ze vinden het zielig dat ons leven zo weinig avontuurlijk is. Eveneens zijn ze ervan overtuigd dat een bestaan dat geografisch zo begrensd is, ongetwijfeld onaangenaam en onbevredigend moet zijn. Wanneer ik ze dan verzeker dat ons leven wel degelijk aangenaam en bevredigend is, kijken ze ons meewarig aan. Aan hun spottende glimlach te oordelen, geloven ze vast dat we onszelf voor de gek houden. Op die manier hoeven we immers niet na te denken over alles wat we hebben gemist. Fijntjes wijs ik er dan op dat vroeger de meeste mensen beperkt werden door geografische grenzen. Bovendien kan levensgeluk ook door heel veel andere dingen worden beïnvloed: ziekte, armoede, domheid, eenzaamheid en gebrek aan vertrouwen -om er maar eens een paar te noemen.
Mijn vrouw heeft mijn argumenten – filosofische en andere – om nergens heen te gaan altijd rustig aangehoord. Voor haar komen ze allemaal op hetzelfde neer: mijn aangeboren neiging tot weloverwogen passiviteit. Vermoedelijk heeft ze nog gelijk ook. Toch denk ik niet dat Sarah in ons huwelijk ongelukkig is geweest. Ze houdt van mij, onze zoon en, naar ik aanneem, van ons leven samen. Dat heeft ze me trouwens een tijdje geleden zelf verteld, toen we vreesden dat aan haar leven een einde zou komen. Ziek van bezorgdheid heb ik haar toen gevraagd of ze spijt had van het eenvoudige, maar comfortabele leven dat we samen hebben opgebouwd. De laatste tijd doen we het een stuk rustiger aan. En je kunt nou niet bepaald zeggen dat we het altijd gillend druk hebben gehad. We hebben simpelweg nooit de drang gehad om meer van de wereld te ontdekken, omdat ons leven in Thomaston zo vol en veeleisend was.”

 


Richard Russo (Johnstown, 15 juli 1949)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog en ook mijn blog van 18 juli 2010.

 

 

Voetnoten uit het oudhedenboekje

Je peinst over de vlakte, as
een grijze tint in zijn lagen betekent
“Rome”, een roestige insluiting “Bonn”

het amulet van een hetaere
onder de warmte die als een verlangen
uit je hand in het metaal stijgt

de tand van de oorlogsolifant raakt je
met breuken, scheuren

rijd uit, zegt hij, zoek het hart
waaraan ik gehecht was, dat voor jou klopt
sinds lange tijd.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juli ook mijn blog van 15 juli 2020 en eveneens mijn blog van 15 juli 2019 en ook mijn blog van 15 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Yukiko Motoya, Steffen Popp

De Japanse schrijfster Yukiko Motoya werd geboren op 14 juli 1979 in Hakusan, Ishikawa. Zie ook alle tags voor Yukiko Motoya op dit blog.

Uit: The Dogs (Vertaald door Asa Yoneda)

“I once lived with a whole lot of dogs.
I don’t recall their breed, which is strange, because we were close, and spent all that time together. I loved those dogs, and they loved me. There were dozens of them, each one bright white like freshly fallen snow. I spent my days warm and comfortable in a room with a fireplace, not seeing anyone. The dogs did ask to be let out, but I never once saw them doing their business – which was also strange, but at the time, I assumed that they were modest, and had set up some kind of toilet area away from the cabin. I didn’t like beds, so I slept standing up, leaning against the windowsill. The dogs would gather around me at night like an overcoat, leaving only my mouth and eyes exposed. I enjoyed drowsily gazing at the fire, drifting to sleep, with the heady feeling of being engulfed by the mass of dogs.
At the time, I had some work that I could do holed up in the cabin. It involved sitting at the desk in the attic from morning to night, peering into a magnifying glass, tweezering tiny pieces of paper of innumerable colours: work too mind-numbing for most people even to contemplate. For many years, come winter, I’d take several weeks’ worth of food and water and hide myself away in that cabin, which belonged to someone I knew.
The cabin consisted of a high-ceilinged living room, a small bedroom and an attic, but that was ample. When I first reached the isolated cabin, having driven inexpertly over the narrow, winding mountain roads, I was still on my own. I remember dropping the keys, and struggling to pick them up again while still holding all my luggage, because of the bulky scarf which covered half my face, preventing me from seeing my hands. Autumn had just ended. Towards the beginning of my stay I’d definitely gone to sleep alone, looking out the window each night and feeling as if I were at the bottom of a deep sea. Strangely enough, I don’t recall when the dogs started living there.
I loved all the dogs equally. At first, I made an effort to name each one of them, but that was short-lived because I never actually liked naming things. I was happy just looking into the glossy black of their eyes, which shone as though they’d been fired in a magic kiln. And after all, it wasn’t as if the dogs called me by name. But this got to be a little inconvenient, so I came up with some names to try out on them. I lined the dogs up in front of the fireplace, and told them to bark if they heard a name they liked. Then I held up the collars I’d fashioned and, looking into their eyes, called out the names one by one.”

 


Yukiko Motoya (Hakusan, 14 juli 1979)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog en ook mijn blog van 18 juli 2010.

 

BUCOLISCHE ANSICHTKAARTEN II

De transformatie van plaatsen in ons
oud als de Sfinx, en wij zijn ze, zijn
ons ver weg zijn in hun.

Alles moet groot worden, gaan schuimen
maar de nacht concentreert zich
op een piepklein object.

Technologie wil denken, maar stenen
dragen zichzelf tot aan de grens, als slaap.

Een zekering voor het hart
schakelt het licht uit
achter je rug de piramidelamp
erboven de kleine sterren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juli ook mijn blog van 14 juli 2020 en eveneens mijn blog van 14 juli 2019 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 14:47 Reageer op dit bericht

Rien Vroegindeweij, Wole Soyinka

De Nederlandse dichter en (toneel)schrijver Rien Vroegindeweij werd geboren in Middelharnis op 13 juli 1944. Zie ook alle tags voor Rien Vroegindeweij op dit blog.

 

Vader

De magere jaren werden vette.
Je had hard gewerkt en gespaard.
En als bewijs van zekere welvaart,
kocht je je eerste Mobylette.

’s Nachts stond hij in ’t schuurtje,
onder een deken voor het stof.
Zondags reed je menig uurtje,
als een vorst rond op de plof.

Je zette mij op de bagagedrager
en spande trots de kabels.
Je trok sporen als je gas gaf,

het grint sprong krachtig op.
Huizenhoog soms als je op gaf
van de bougies en de kogellagers.

 

 

Straat

De straat waar ik geboren ben
heeft gelukkige tijden gekend.
Want slaan we er Prisma 381 op na,
dan lezen we dat Meindert Hobbema:

‘in zijn zonnige Gelderse land-
schappen met watermolens een blijmoediger kijk op
de natuur geeft dan zijn leermeester
Jacob van Ruisdael, en die in een
gelukkig moment een der statigste
Hollandse landschappen schiep:
het Laantje van Middelharnis.’

Het Laantje heet nu Steeneweg en
ligt in een grauwe nieuwbouwwijk.
Geluk en statigheid zijn daar verdreven,
geen schilder geeft er nog blijmoedig kijk.

Het schilderij dat hangt in Londen,
in een museum van de staat.
Ik heb hem daar gezien, mijn straat,
achter glas, door de eeuwen ongeschonden.

 

 

Uitzicht

De buren waar we toen op keken,
gescheiden door meer dan de straat,
hadden als hun welvaartsteken
een Fiat 500 voor de deur staan.

Jaloers keek ik op ’t voertuig neer.
Hun zoon was in de klas veel dommer
dan ik, en toch hadden zij een brommer
met een dak en twee wielen meer.

Als ze zondags gingen rijden zwaaide
hij naar mij. En ik terug, maar ‘k laaide
van woede en zon op wraak voor ’t zwaaien.

Op een avond haalde ik met een spijker
een lange haal over het lakwerk. ’t Haalde
niets uit. Ze werden alsmaar rijker.

 


Rien Vroegindeweij (Middelharnis, 13 juli 1944)

 

 

De Nigeriaanse dichter, schrijver en voorvechter van democratie Akinwande Oluwole “Wole” Soyinka werd geboren op 13 juli 1934 in Abeokuta. Zie ook alle tags voor Wole Soyinka op dit blog.

 

LEVEND BEGRAVEN

Zestien passen
Op drieëntwintig. Ze
Belegeren de menselijkheid
En de Waarheid
Tijd gebruikend om door te boren tot zijn oordeel

Schismatische
Minnaar van Antigone!
Zal je? Zal je lijken
Van vorig jaar
Opgraven? De mest blootleggen van de huidige geboorte?

Verzegel hem levend
In diezelfde dodenstad.
Moge zijn geestgeliefde
De klassieke weg
Wijzen naar Stygische Mysteries voor Buitenstaanders.

Bulletin:
Hij slaapt goed, eet
Goed. Zijn dokters maken geen melding
Van beschadiging
Onze plastisch chirurgen verzorgen zijn imago.

Bekentenis
Fictie? Is waarheid niet de essentie
Van Kunst, en fictie Kunst?
Om haar niet te laten verroesten
Hebben we beleefd zijn dichterslicentie geleend.

Galileo
Zo hoopten we, zou hij worden – leeftijd
Of genie kunnen berouw tonen – onze slachters
Het wachten moe
Bevalen; neem de zondebok, laat de wijze vallen.

Wachters De hagedis:
Elke minuut schraapt
De keel van een betonmolen.
Het colaslijm
Vliegt om de muren te bekladden in groezig patroon

De lijkeneter:
Bezweet van het hangen, snuift,
Om zijn hoofd van zonden te
Zuiveren waar – zoals de wet
verklaarde – de galgenlading die ochtend dood van was.

De voyeur:
Stelt zijn sluwe patrouille af
Voor het uur op de troon
Ik denk dat hij huivert
Bij het horen van het verstopte gekreun van de muze.

 

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

 


Wole Soyinka (Abeokuta, 13 juli 1934)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juli ook mijn blog van 13 juli 2020 en eveneens mijn blog van 13 juli 2019 en ook mijn blog van 13 juli 2016 en ook mijn blog van 13 juli 2014 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:18 Reageer op dit bericht

Sasha Filipenko, Pablo Neruda

De Belarussische schrijver, journalist en tv-presentator Sasha Filipenko werd geboren op 12 juli 1984 in Minsk. Zie ook alle tags voor Sasha Filipenko op dit blog.

Uit: Uitgewist (Vertaald door Arie van der Ent)

“Eventjes op adem komen en dan de volgende poging tot leven. Het eerst verhaal is afgelopen, het tweede staat op het punt te beginnen. Een afgrond en een hangbrug, in de gedaante van een mens Om de andere oever te bereiken, moet hij zichzelf over de kloof heen slaan. Geluk heeft altijd een verleden, zegt mijn moeder graag, elk verdriet vindt onherroepelijk een toekomst.
Als een aangespoelde schipbreukeling besluit ik het onbekende eiland te verkennen. Minsk. Waarom ben ik eigenlijk hierheen gekomen? Het mag dan een broedervolk zijn, het is toch een vreemd land. Een rode, katholieke kerk en een brede avenue, een of andere kalende dichter en de doodkist van het Republikeins Paleis: tientallen flatgebouwen en niet één herinnering. Onbekende ramen, vreemde gezichten. Wet is dit eigenlijk voor een land? Wat weet ik van deze stad? Mijn moeder heeft er haar tweede gezin.
Voor de portiek ligt een hoopje afgedankte boeken. Ik bekijk er een. Jakoeb Kolas. Novaja zjamlja. • (• Nieuw land)
Terug op de derde verdieping zie ik op mijn buitendeur een rood kruis staan. Even klein als opvallend. Zeker een grapje van de makelaar denk ik. Ik laat mijn plastic tassen bij de lift staan en begin het kruis weg te vegen, maar op dat moment zegt een onbekende stem echter mijn rug: ‘Wat doet u nu?!’
‘Ik maak mijn deur schoon; zeg ik, zonder me om te draaien.
‘Waarom?’
‘Een of andere hufter heeft er een kruis op gekalkt.’
‘Aangenaam kennis te maken! Die hufter van u, dat ben ik. Onlangs is bij mij de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Vooralsnog heeft alleen mijn kortetermijngeheugen eronder te lijden; soms weet ik niet meer wat mij een paar minuten eerder is overkomen, maar de dokter belooft dat heel binnenkort ook mijn spraak wordt aangetast. lk zal woorden gaan vergeten, en daarna verlies ik mijn vermogen om me voort te bewegen. Aardig vooruitzicht, niet? Die kruisen heb ik hier aangebracht zodat ik de weg neer huis kan vinden. Trouwens, alles wijst erop dat ik heel gauw vergeten zal zijn waar ze voor staan: ‘Wat erg voor zeg ik, in een poging beleefd te zijn.
‘Hou op, zeg! In mijn geval moest het zo wel aflopen.’
‘Waarom dan?
‘Omdat God bang voor me is. Er wachten hem te veel ongemakkelijke vragen.’
Buurvrouw leunt op haar stok en slaakt een diepe zucht. Ik zwijg. God is wel de laatste over wie ik het nu wil hebben. Ik wens de oude vrouw een goede nachtrust, pak mijn plastic tassen met etenswaren op en maak aanstalten ons mijn flat binnen te stappen. ‘Wat nu, stelt u zich niet eens even voor?’ ‘
Aleksandr, ik ben Aleksandr.’
‘Praat u altijd met uw rug tegen vrouwen?
‘Sorry. Ik ben Sasja, en dit is mijn gezicht. Tot ziens!’ zeg ik, met een gespeelde glimlach.”

 


Sasha Filipenko (Minsk, 12 juli 1984)

 

 

De Chileense dichter Pablo Neruda (eig. Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto) werd geboren in Parral op 12 juli 1904. Zie ook alle tags voor Pablo Neruda op dit blog.

 

Ik hou ervan

Ik hou ervan als je zwijgt want dan is het
of je afwezig bent
en van verre naar mij luistert en mijn stem
je niet beroert.
Dan is het of je ogen zijn weggevlogen
en een kus je mond voor altijd zal vergrendelen.

Waar alle dingen vol van mijn ziel zijn
kom je tevoorschijn uit de dingen vol van mijn ziel.
Jij vlinder van dromen je lijkt op mijn ziel,
je lijkt op dat woord melancholie.

Ik hou ervan als je zwijgt en ver weg lijkt
en het is of jij wiegende vlinder jezelf beklaagt
en van verre naar mij luistert en mijn stem
je niet bereikt:
laat mij daarom alleen hier, mijn lief, opdat ik zwijge
in jouw stilte,
laat mij hier achter, mijn lief, opdat ik ook met jou
kan praten
in jouw stilte als een lamp, eenvoudig
en goed als een ring.
Als de nacht ben je, zwijgend en vol sterren,
jouw stilte is van een ster, zo ver en natuurlijk.

Ik hou ervan als je zwijgt want dan is het
of je afwezig bent,
ver weg en vol droefenis, alsof je gestorven ware.
Dan is éen woord, éen glimlach voldoende
en ben ik blij, blij met waaraan ik soms twijfel.

 

Vertaald door Riekus Waskowsky

 


Pablo Neruda (12 juli 1904 – 23 september 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juli ook mijn blog van 12 juli 2020 en eveneens mijn blog van 12 juli 2019 en ook mijn blog van 12 juli 2016 en ook mijn blog van 12 juli 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Amitav Ghosh, Jhumpa Lahiri

De Indiase schrijver Amitav Ghosh werd geboren in Calcutta op 11 juli 1956. Zie ook alle tags voor Amitav Ghosh op dit blog.

Uit: Vloed van vuur (Vertaald door Ankie Blommesteijn)

“Havildar Kesri Singh was zo’n soldaat die graag vooropging, vooral op dagen zoals deze, nu zijn bataljon door gebied trok dat al onderworpen was en de voorhoede alleen tot taak had om de vlag van het paltan te dragen en haar beste paradegezicht te laten zien vanwege de menigte die zich langs de kant van de weg had verzameld. De dorpelingen die langs de weg stonden opgesteld waren eenvoudige mensen, en Kesri hoefde hen niet echt aan te kijken om te weten dat ze met grote ogen van verbazing naar hem staarden. Sepoys van de Britse Oost-Indische Compagnie zag je niet vaak in di afgelegen deel van Assam: een volledig paltan van het 25ste regiment van de Bengaalse Inheemse Infanterie — het beroemde ‘Pacheesi’ — dat door de rijstvelden marcheerde, was de mooiste tamasha die de meesten van hen in een jaar of misschien wel tien jaar tijd zouden meemaken. Kesri hoefde alleen maar zijn blik vooruit te richten om tientallen mensen naar de weg te zien komen: boeren, oude vrouwen, herders en kinderen. Ze kwamen aanrennen, alsof ze bang waren de voorstelling te missen: ze hadden er geen idee van dat het schouwspel nog uren zou duren.
Achter Kesri’s paard volgde de zogenaamde Russud Garde — de “foerageringsgroep’— te voet. Daar weer achter liepen de kampvolgers — ten onrechte zo genoemd, aangezien ze in feite voor de troepen uit marcheerden en veel groter in aantal waren, wel tweeduizend op slechts zeshonderd sepoys. Hun stoet was net een bewegende stad, een lange rij door ossen getrokken bylees met daarop allerlei mensen — pandits en melkvrouwen, winkeliers en graanverkopers van de Banjara-stam, zelfs een groep bazaarmeisjes. Er waren ook een heleboel dieren — lawaaiige kuddes schapen, geiten en ossen, en een paar olifanten die de bagage van de officieren en de meubelen voor hun mess droegen, met de tafels en stoelen vastgebonden aan de poten hoog in de lucht, wiebelend en schuddend als omgekeerde torren. Er was zelfs een reizende tempel die boven op een kar mee rolde. Pas nadat dit alles langs was gekomen zou er een ritmisch tromgeroffel te horen zijn en een stofwolk verschijnen. De grond zou trillen op de maat van de trom wanneer de eerste rijen sepoys in zicht kwamen, tien naast elkaar, aan het begin van een lange, kronkelende rivier van donkere topi’s en flitsende bajonetten. Bij de aanblik daarvan zouden de dorpelingen haastig dekking zoeken; ze zouden veilig vanachter bomen en struiken toekijken terwijl de sepoys langs marcheerden, begeleid door tamboers en pijpers. 

 


Amitav Ghosh (Calcutta, 11 juli 1956)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri Vourvoulias werd geboren op 11 juli 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Jhumpa Lahiri op dit blog.

Uit: De naamgenoot (Vertaald door Ko Kooman)

“Op een klamme augustusavond, twee weken voor ze is uitgerekend, staat Ashima Ganguli in de keuken van een appartement aan Central Square en mengt in een kom gepofte rijst met zoute pinda’s en een gesnipperde rode ui. Ze doet er zout, citroensap en dungesneden groene chilipeper bij, en wou dat ze mosterdolie had om erbij te doen. Ashima eet dit mengelmoesje al zolang ze zwanger is, een bescheiden imitatie van de lekkernij die voor een paar centen op straat te koop is in Calcutta en op de perrons van stations in heel India, in puntzakken van krantenpapier waaruit veel wordt gemorst. Zelfs nu ze er nauwelijks nog ruimte voor heeft, is dit het enige waarnaar ze verlangt. Ze proeft uit de holte van haar hand en fronst haar voorhoofd: zoals gewoonlijk mankeert er iets aan. Ze staart zonder iets te zien naar de plank met haken achter het aanrecht waaraan haar kookgerei hangt, alles bedekt met een dun laagje vet. Ze wist het zweet van haar gezicht met het losse eind van haar sari. Haar gezwollen voeten doen pijn op het grijze gespikkelde linoleum. Haar bekken doet pijn door het gewicht van de baby. Ze opent een kast waarvan de planken bedekt zijn met goor, geelwit geblokt papier dat ze van plan is te vervangen, en pakt nog een ui; ze plukt aan de knisperende paarsrode schil en fronst opnieuw haar voorhoofd. Een vreemde warmte doorstroomt haar onderlijf, gevolgd door een wee, zo hevig dat ze naar adem snakkend ineenkrimpt en de ui op de vloer laat ploffen. De pijn ebt weg, maar wordt gevolgd door een langere aanval. Op de wc ontdekt ze in haar onderbroek een dikke streep bruinachtig bloed. Ze roept haar man, Ashoke, een doctoraalstudent elektrotechniek aan het Massachusetts Institute of Technology, die in de slaapkamer zit te studeren. Hij zit over een kaarttafeltje gebogen; de rand van hun bed, twee tweepersoonsmatrassen op elkaar onder een roodpaarse gebatikte sprei, dient hem tot stoel. Als ze Ashoke roept, noemt ze hem niet bij zijn naam. Als Ashima aan haar man denkt, denkt ze nooit aan zijn naam, al kent ze die best. Ze heeft zijn achternaam aangenomen, maar weigert zijn voornaam uit te spreken omdat ze dat onbetamelijk vindt. Een Bengaalse echtgenote doet zoiets niet. Zoals een kus of liefkozing in een Indiase film, is de naam van je man iets intiems dat niet wordt uitgesproken, maar listig omzeild. Dus in plaats van Ashokes naam te zeggen, gebruikt ze het vragende zinnetje dat de plaats ervan heeft ingenomen en dat zich ongeveer laat vertalen als <Hoor eens?’
Bij het krieken van de dag wordt er een taxi gebeld die hen door de lege straten van Cambridge via Massachusetts Avenue en langs Harvard Yard naar het Mount Auburn Hospital brengt. Ashima wordt ingeschreven, beantwoordt vragen over de frequentie en duur van de weeën, terwijl Ashoke de formulieren invult.”

 


Jhumpa Lahiri (Londen, 11 juli 1967)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juli ook mijn blog van 11 juli 2020 en eveneens mijn blog van 11 juli 2019 en ook mijn blog van 11 juli 2016 en ook mijn blog van 11 juli 2015 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:52 Reageer op dit bericht

Erik Jan Harmens, Jürgen Becker

De Nederlandse dichter Erik Jan Harmens werd op 10 juli 1970 geboren in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Erik Jan Harmens op dit blog.

 

De extreem rustige huurder

1

de extreem rustige huurder
zegt dat het zo goed is
hij weet niet of het zo goed is
in niksgesprekjes valt hij vaak stil
voor verhuurders is dat sinecure
als hij stil valt is het stil
je hoeft niet met ‘m naar de balearen
hij is een huurder en hij is chill
zó chill dat je ‘m af en toe een banaan brengt
die eet hij rood en zwijgend op
dan knikt het a-sexy en galant
de bastaard gaat zijn eigen weg
als voor een zwaan gaan de eendjes aan de kant
nu wordt de huurder nat

2

staat een rustige huurder synoniem voor een ideale huurder
wel voor wie genoeg heeft gehoord
wel voor wie wat spreeuwen schreeuwen muziek is
wel voor wie meer dan de bassdrum wil
wel voor wie de baby wil verdoven
wel voor wie alleen kan plassen in een koker
wel voor bij wie de nullen en enen in het hoofd de horlepiep dansen
wel voor wie de vulling in het het gebit van zijn kinderen mist
wel voor wie gedenkt en ook echt
wel voor wie lawaai maakt maar nooit hier
wel voor wie port drinkt als jenever
wel voor wie de radio zo zacht dat hij alleen de contouren hoort van het nieuws
wel voor wie save our souls prevelt op een denkbeeldig zinkend schip
wel voor wie stukspatte als een lompe bolle plofvrucht

3

spookt hij rond door je platgerecenseerde cultbrein
mag zijn pallet gestald in jouw cargohal
de pot die hij pakt die in het midden ligt
hij belt niet maar jij belt hem ook niet
je loopt niet echt leeg dat voelt alleen maar zo
vaak verlangt-ie naar je medaillon dat hij verloor bij het pokeren
hey baby en het tikken van de tijd
de glasbak en de pillenstrip
alles wat hij heeft is dit
een loos gemum en zijn lange ladder lid
als hij stil valt is het stil hij is chill
maar de rustigste huurder is een onzichtbare huurder
de rustigste huurder is een niet-bestaande huurder

 

 


Erik Jan Harmens (Harderwijk, 10 juli 1970)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Becker werd op 10 juli 1932 in Keulen geboren. Zie ook alle tags voor Jürgen Becker op dit blog.

 

Voor ‘s middags

De asters of de kunstvereniging, je wilt het wel
preciezer weten. ’s Middags misschien, wanneer
de schaduwen langer worden en het gefluit ophoudt
dat uit een van de bovenste ramen komt. Je kunt ook
van onderwerp veranderen, motieven zoeken voorbij
het tuinhek, waarachter de horizon begint.

Een paar oude biografieën hangen in de kast, en
als je je erin verdiept, eindigt elk verhaal
met het begin van de twijfel. Want wie zat er
aan de tafel, die op de foto geen tafel, maar
het merengebied tussen de populieren is? Datum
klopt, maar het laatste adres ontbreekt, en
de naam zegt je niets. Het gefluit
houdt op, mannen verschijnen; een hoed vliegt
over het veld, vanaf het begin gloeien de rozenbottels.

Alleen hoor je niets van de kunstvereniging, als het al
de kunstvereniging was. Vaak zijn stemmen te horen die
bedrieglijke dingen zeggen, maar geloof me, de vleermuizen
gisteren waren echt. De asters brachten we mee
uit Bornim, toen de kaart en de route
van de snelweg weer klopten. Zoveel is zeker, en
met stilte en schaduw kan de middag aanbreken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Jürgen Becker (10 juli 1932 – 27 november 2024)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juli ook mijn blog van 10 juli 2020 en eveneens mijn blog van 10 juli 2019 en ook mijn blog van 10 juli 2011 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:30 Reageer op dit bericht

June Jordan, Hans Arnfrid Astel

De Afro-Amerikaanse schrijfster, dichteres en politiek activiste June Jordan werd geboren op 9 juli 1936 in New York. Zie ook alle tags voor June Jordan op dit blog.

 

 

Apologies to All the People in Lebanon

Dedicated to the 600,000 Palestinian men, women, and children who lived in Lebanon from 1948-1983.

I didn’t know and nobody told me and what
could I do or say, anyway?

They said you shot the London Ambassador
and when that wasn’t true
they said so
what
They said you shelled their northern villages
and when U.N. forces reported that was not true
because your side of the cease-fire was holding
since more than a year before
they said so
what
They said they wanted simply to carve
a 25 mile buffer zone and then
they ravaged your
water supplies your electricity your
hospitals your schools your highways and byways all
the way north to Beirut because they said this
was their quest for peace
They blew up your homes and demolished the grocery
stores and blocked the Red Cross and took away doctors
to jail and they cluster-bombed girls and boys
whose bodies
swelled purple and black into twice the original size
and tore the buttocks from a four month old baby
and then
they said this was brilliant
military accomplishment and this was done
they said in the name of self-defense they said
that is the noblest concept
of mankind isn’t that obvious?
They said something about never again and then
they made close to one million human beings homeless
in less than three weeks and they killed or maimed
40,000 of your men and your women and your children

But I didn’t know and nobody told me and what
could I do or say, anyway?

They said they were victims. They said you were
Arabs.
They called your apartments and gardens guerrilla
strongholds.
They called the screaming devastation
that they created the rubble.
Then they told you to leave, didn’t they?

Didn’t you read the leaflets that they dropped
from their hotshot fighter jets?
They told you to go.
One hundred and thirty-five thousand
Palestinians in Beirut and why
didn’t you take the hint?
Go!
There was the Mediterranean: You
could walk into the water and stay
there.
What was the problem?

I didn’t know and nobody told me and what
could I do or say, anyway?

Yes, I did know it was the money I earned as a poet that
paid
for the bombs and the planes and the tanks
that they used to massacre your family

But I am not an evil person
The people of my country aren’t so bad

You can expect but so much
from those of us who have to pay taxes and watch
American TV

You see my point;

I’m sorry.
I really am sorry.

 


June Jordan (9 juli 1936 – 14 juni 2002)
Portret door Sophie Herxheimer, 2017

 

 

De Duitse dichter Hans Arnfrid Astel werd geboren in München op 9 juli 1933. Zie ook alle tags voor Hans Arnfrid Astel op dit blog.

 

HYGROMETER

Wat zegt de vis? Hij voorspelt het weer.
Hij hangt aan een koord, een draad,
en draait mee met het weer, zoals een vlag
mee met de wind. Hij draait mee met het water
van de vochtige lucht waarin hij droog zwemt.
In een kerk, in de catacomben,
als een lamp, vond ik deze vis.
Hij maakte geen geluid. Hij was van klei.
Dat verkondigde welsprekend de stomme vis.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Hans Arnfrid Astel (9 juli 1933 – 12 maart 2018)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juli ook mijn blog van 9 juli 2023 en ook mijn blog van 9 juli 2021 en ook mijn blog van 9 juli 2020 en eveneens mijn blog van 9 juli 2019 en ook mijn blog van 9 juli 2018 en ook mijn blog van 9 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Micha Hamel, Hans Arnfrid Astel

De Nederlandse dichter, componist en dirigent Micha Hamel werd geboren in Amsterdam op 8 juli 1970. Zie ook alle tags voor Micha Hamel op dit blog.

Uit: Het zwarte raam

“Een huis.
Het enkele huis.
Het huis nee huisje.
Het huis is een huisje.
Een vrouw.
Een enkele vrouw in het huisje.
Vrouw. Haard. Vlammen.
Buiten de wind, de toornige wind over de witte vlakte de witte vlakte wit als wit papier, de excessief veel belovende rechthoek. De vrouw zit aan tafel en schrijft, schrijft vel na vel vol. Haar balpen knerpt, ingespannen werkt ze, voor ons, voor lezers, lezende mensen – mensen, uiteindelijk.
De deur gaat open. Een man komt binnen.
`Waar was je?’ vraagt ze. Tilt de pen van het papier en kijkt op.
De woorden – niet plomp, bits ook niet, verwijtend ook niet – houden hem staande.
Een zweem van een frons op haar voorhoofd, benieuwd, vorsend, en doortrokken van het enigma van de liefde.
‘Ik moest overwerken.
`Alweer?’ Niet schamper of wantrouwig. Verbaasd.
`Het is een drukke tijd. Waar ben jij mee bezig?’
Ze kijkt naar de pen in haar zwevende hand. De haard knappert.
Ze kijkt hem aan: ‘Ik zei: alweer?’
`Het is een drukke tijd: Dezelfde woorden. Om ervan af te zijn?
`Alweer?’ Oprecht nieuwsgierig is ze.
`Het is een drukke tijd: Het is waarschijnlijk waar, maar daarmee verdwijnt het probleem niet. Haar geduld wordt getest. ‘Je antwoordt me niet. Je longen pompen lucht langs je stembanden, je tong klappert en je mond beweegt, maar..:
`Wat zit jij dan te doen? Wat doe jij de hele dag?’ De man zet zijn aktetas neer en doet een bedachtzame maar vastberaden stap in de richting van de vrouw. Ze ontspant enigszins, maar wie weet is het strategisch, wil ze harmonie uitstralen.
`Dat weet je. Waarom werk je zo vaak over?’
Hij doet een tweede stap in haar richting. Er zit iets smekends in hem, en hij talmt een ogenblik, maar weerstaat haar vraag. Een hard moment.”

 

 


Micha Hamel (Amsterdam, 8 juli 1970)

 

 

De Duitse dichter Hans Arnfrid Astel werd geboren in München op 9 juli 1933. Zie ook alle tags voor Hans Arnfrid Astel op dit blog.

 

 

ACHTER glas
de Madonna. Ik
sta ervoor.

Mijn beeltenis
draagt zij
op haar kleding.

Ik zie,
mijn spiegelbeeld
lijkt op haar.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hans Arnfrid Astel (9 juli 1933 – 12 maart 2018)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juli ook mijn blog van 8 juli 2024 en ook mijn blog van 8 juli 2020 en eveneens mijn blog van 8 juli 2019 en ook mijn blog van 8 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:18 Reageer op dit bericht

Ivo Victoria, Hans Arnfrid Astel

De Vlaamse schrijver Ivo Victoria (pseudoniem van Hans van Rompaey) werd op 7 juli 1971 geboren in Edegem (Antwerpen). Zie ook alle tags voor Ivo Victoria op dit blog.

Uit: Alles is OKÉ

“Gedurende enkele seconden kijken we allebei naar het stuk aluminiumfolie dat ze van een rol heeft gescheurd en me aanreikt. Ze kijkt op, kijkt om zich heen, alsof ze verwacht dat de woorden die ze nodig heeft om dit uit te leggen dadelijk ho de ruimte zullen verschijnen; ze zijn gewoon wat laat, dat is alles. En ik aarzel, zowaar. Ik overweeg om hierin mee te gaan. Ik zie het als een vrij reële optie om dat stuk aluminiumfolie opgevouwen naast mijn bord te leggen en er desnoods ook mijn mond mee af te vegen. In plaats daarvan neem ik de rol uit haar handen en leg hem in de ovenlade, waarin ook twee katoenen servetten blijken te liggen. We eten. We vegen onze monden af met de servetten. Het voelt als een nederlaag. Ik wijs haar op de fles witte wijn die boven op de buffetkast staat Geen bergerac. Ze zegt dat ze die fles van de poetshulp heeft gekregen.
Allez, hoe heet die trut weeral?
Moederke.
Wat? Mag ik dat niet zeggen? Uw jongste zus zegt dat ik geen trut mag zeggen.
Dat klopt. Dat is toch niet beleefd?
Pfffif. Wat moet ik dán zeggen? Zoeteke?
Moederke. Gewoon.. ge zoudt beter geen alcohol drinken.
Ah. Dat ook al niet.
Het is niet goed bij uw medicijnen.
Wie zegt dat.
Moederke. Dat hebben we al heel dikwijls gezegd.
Ah ja?
Ze zucht.
Ge ziet er moe uit.
Ja, ik zijn niet in mijn talloor.
Ge zijt al een paar dagen moe.
Wie zegt dat.
Ik heb dat gehoord. Ge weet, wij praten achter uwe rug hé.
Dat weet ik! Dat doen jullie.
Niks dan goe hè.
Dat weet ik niet Dat zegt gij nu.
Terwijl we praten sluipen haar pupillen naar boven en verschijnt het wit van haar ogen.”

 


Ivo Victoria (Edegem, 7 juli 1971)

 

 

De Duitse dichter Hans Arnfrid Astel werd geboren in München op 9 juli 1933. Zie ook alle tags voor Hans Arnfrid Astel op dit blog.

 

 

Zondagavond

Gierzwaluwen vliegen ’s avonds
krijsend rond je huis,
en in de verlaten straten
trekt de vrouw aan haar gloednieuwe jurk.
Vanuit het eetkamerraam
ziet de maan er niet slechter uit.
Alles lijkt in orde zo. Alleen
zou je graag over sommige dingen gewoon iets weten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hans Arnfrid Astel (9 juli 1933 – 12 maart 2018)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juli ook mijn blog van 7 juli 2021 en ook mijn blog van 7 juli 2020 en eveneens mijn blog van 7 juli 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:56 Reageer op dit bericht

Miquel Bulnes, John Heath-Stubbs

De Nederlandse schrijver Miquel Bart Ekkelenkamp Bulnes werd geboren op 6 juli 1976 in Bloomington, Indiana (Verenigde Staten van Amerika). Zie ook alle tags voor Miquel Bulnes op dit blog.

Uit: Monstrum

“Werkt u al lang bij de dienst?’ vraagt Estyr. ‘Heel lang maar niet heel veel,’ mompelt de vrouw. Dan duidelijk en procedureel: `De functie waarvoor u in een sollicitatietraject zit is een vertrouwensfunctie. De informatie waar u toegang toe zou krijgen zou onder andere vertrouwelijke diplomatieke post en rapporten van de AND en de MND omvatten. Daarom dienen wij na te gaan of uw aanstelling risico’s kan vormen voor de staatsveiligheid of voor andere staatsbelangen. Het betreft een veiligheidsonderzoek van het type A. Een gesprek is een standaardonderdeel van een dergelijk onderzoek.’ ‘Het is me vooraf uitgelegd.’ ‘Dit gesprek wordt opgenomen,’ voegt Verkade eraan toe. `De opname wordt tien jaar bewaard – de transcriptie langer.’ ‘Zolang ik leef?’ ‘Op z’n minst.’ Estyr schokschoudert. Ze knikt naar twee camera’s aan het plafond, die op haar zijn gericht. ‘Zijn dat camera’s?’ ‘Is dat een vraag?’ antwoordt Verkade. Patricia Meyer kucht. ‘Kunnen we u iets te drinken aanbieden?’ ‘Graag koffie.’ ‘De koffie moet je hier kauwen,’ waarschuwt Verkade. ‘Drie koffie,’ spreekt Meyer in haar microfoon. Ze kijkt Estyr aan: ‘We beginnen vast.’ Ze leest op van haar scherm: ‘Uw naam is Estyr Bosvelt. U bent vierendertig jaar, ongehuwd en woonachtig te Utrecht.’ ‘Den Haag,’ verbetert Estyr. ‘Ik ben net verhuisd.’ Meyer maakt een aantekening op haar blocnote. ‘Juist, Den Haag.’ Ze gaat verder. ‘Uw ouders zijn Sandra en Ewout Bosvelt, beiden gepensioneerd. Uw broer Shane Bosvelt is financieel data-analist. Geen van hen heeft een aantekening op hun uittreksel justitiële documentatie. U hebt een betaalrekening, een spaarrekening en een creditcard bij dezelfde bank. Het totale saldo valt in de categorie tussen nul en honderdduizend euro.’ ‘Dichter bij het eerste dan bij het tweede getal, veel dichter,’ zegt Estyr, haar nervositeit wegschertsend. ‘Wij hebben geen verdachte transacties vastgesteld in de afgelopen zesendertig maanden. U hebt geen aantekeningen op uw uittreksel justitiële documentatie en geen openstaande schulden bij de staat. U bent geen lid van een politieke partij of vakbond. Op sociale media staat nauwelijks persoonlijke informatie over u, maar u hebt wel vele posts verzorgd namens uw werkgever.’ ‘Het makkelijkste veiligheidsonderzoek ooit voor jullie,’ zegt Estyr. ze wiebelt op haar stoel en glimlacht ongemakkelijk. ‘U hebt gestudeerd in Utrecht – internationale betrekkingen met vervolgens een master in conflictstudies en mensenrechten. Daarna hebt u een aantal rechtenvakken gevolgd aan de Sorbonne-universiteit in Parijs, en in dezelfde stad hebt u een jaar lang stage gelopen bij Artsen zonder Grenzen.”

 

 


Miquel Bulnes (Bloomington, 6 juli 1976)

 

 

De Engelse dichter John Heath-Stubbs werd geboren op 9 juli 1918 in Londen. Zie ook alle tags voor John Heath-Stubbs op dit blog.

 


Talisman tegen kiespijn

Eerwaarde Moeder Kiespijn
Klim van je witte kantelen,
Stop met het draaien in je gele vingers
Van het viervoudige koord van zenuwen;

En morgen geef ik je een scheutje whisky
Om in je komvormige handen te houden,
Een krans van anijsbloemen,
En drie kruidnagels als spijkers.

En vertel de begeleidende kabouters
Dat het tijd is om nu op te houden,
Om hun kleine houwelen op hun schouders te nemen,
Hun beitels en boren.
En je mag via een zilveren ladder
De lucht in klimmen, om te malen
In de gebarsten, gepolijste mortel
Van de holle maan.

Bij het wegvallen van warm water,
En de klaprozen die knikken als rode kolen,
De paden op de granieten bergen,
En de plantage van mijn dromen.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


John Heath-Stubbs (9 juli 1918 – 26 december 2006)
Portret door Thomas Watt,1955

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e juli ook mijn blog van 6 juli 2024 en ook mijn blog van 6 juli 2020 en eveneens mijn blog van 6 juli 2019.

Geschreven door Romenu om 16:56 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten