Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Jean Paul, Peter Hacks, Youssef Rzouga, Günter Vallaster, Hubert Fichte, Siegfried Kapper

Jean Paul (21 maart 1763 – 14 november 1825)











De Duitse dichter en schrijver Jean Paul werd op 21 maart 1763 in Wunsiedel. Zie ook mijn blog van 21 maart 2007.

 

Uit: Flegeljahre (Bleiglanz)

 

“Solange Haßlau eine Residenz ist, wußte man sich nicht zu erinnern, daß man darin auf etwas mit solcher Neugier gewartet hätte - die Geburt des Erbprinzen ausgenommen - als auf die Eröffnung des Van der Kabelschen Testaments. - Van der Kabel konnte der Haßlauer Krösus - und sein Leben eine Münzbelustigung heißen, oder eine Goldwäsche unter einem goldnen Regen, oder wie sonst der Witz wollte. Sieben noch lebende weitläuftige Anverwandten von sieben verstorbenen weitläuftigen Anverwandten Kabels machten sich zwar einige Hoffnung auf Plätze im Vermächtnis, weil der Krösus ihnen geschworen, ihrer da zu gedenken; aber die Hoffnungen blieben zu matt, weil man ihm nicht sonderlich trauen wollte, da er nicht nur so mürrisch-sittlich und uneigennützig überall wirtschaftete - in der Sittlichkeit aber waren die sieben Anverwandten noch Anfänger -, sondern auch immer so spöttisch dareingriff und mit einem solchen Herzen voll Streiche und Fallstricke, daß sich auf ihn nicht fußen ließ. Das fortstrahlende Lächeln um seine Schläfe und Wulstlippen und die höhnische Fistel-Stimme schwächten den guten Eindruck, den sein edel gebautes Gesicht und ein Paar große Hände, aus denen jeden Tag Neujahrsgeschenke und Benefiz-Komödien und Gratiale fielen, hätten machen können; deswegen gab das Zug-Gevögel den Mann, diesen lebendigen Vogelbeerbaum, worauf es aß und nistete, für eine heimliche Schneuß aus und konnte die sichtbaren Beere vor unsichtbaren Haarschlingen kaum sehen.

Zwischen zwei Schlagflüssen hatt' er sein Testament aufgesetzt und dem Magistrate anvertraut. Noch als er den Depositionsschein den sieben Präsumtiv-Erben halbsterbend übergab: sagt' er mit altem Tone, er wolle nicht hoffen, daß dieses Zeichen seines Ablebens gesetzte Männer niederschlage, die er sich viel lieber als lachende Erben denke denn als weinende; und nur einer davon, der kalte Ironiker, der Polizei-Inspektor Harprecht, erwiderte dem warmen: ihr sämtlicher Anteil an einem solchen Verluste stehe wohl nicht in ihrer Gewalt.”

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver en dichter Peter Hacks werd geboren op 21 maart 1928 in Breslau. Zie ook mijn blog van 21 maart 2007.

 

Der Winter 

 

Im Winter geht die Sonn'

Erst mittags auf die Straße

Und friert in höchstem Maße

Und macht sich schnell davon.

 

Ein Rabe stelzt im Schnee

Mit graugeschneitem Rücken,

In seinen Fußabdrücken

Sieht man jeden Zeh.

 

Der Winter ist voll Grimm.

Doch wenn die Mutter Geld hat

Und viel Briketts bestellt hat,

Dann ist er nicht so schlimm.

 

 

Sehnsucht
 
Nachts hör ich die Brunnen rauschen,
Wie sie rinnen in dem Gras.
Meine Ruhe muss ich tauschen.
Wenn ich wüsste, gegen was.
Zu dem Anlass meiner Leiden
Ziehts mich immer wieder hin.
Einer nur liebt von uns beiden.
Und es scheint, dass ich der bin.
 
Wenn ich ihn liebe, will ich ihn sehen,
Will ihm immer nahe sein.
Wenn ich ihn sehe, will ich ihn halten,
Will spüren, er ist mein.
Wenn ich ihn halte, will ich ihn küssen
Mit den Lippen allezeit.
Wenn ich ihn von Herzen küsse
Und in dem Kuss sein Herz vermisse,
Schmeck ich meine Einsamkeit.
 

 

 

 

 

De Tunesische dichter Youssef Rzouga werd geboren op 21 maart 1957 in Mahdia. Zie ook mijn blog van 21 maart 2007.

 

Love at first sight

 

I leave the door half-open
Come
The are a few chocolates left
On my left?
Anyone
To my right?
Too
Open the door, please
Never fear
Life isn't a bad of roses
I love you, my rose
I love to be The unborn child
Likewise
I don't like
You ageing like those

 

 

LOVE

 

It's 42 degrees
But
It's raining

I love her, Hera...

She's very feminine
She's my ant

Me?
I'm her cicada
Z z z z z z z z z
I'm mad about her

It's time
To live love's dream

Inspired
By her sheer madness
All the time
(At no time)
She infecte me
With her cheefulness

Now
Me?
The same child
The little devil
I love her
With
The passing days

I look high and low
For her
In all corners of the earth
On every street corner
Even
In the nooks and crannies of her dream

Where can she be?

She's distant
Up there
In the high mountains
About me

But what for?

It looks
As if it's raining
It looks
As if when I was a teenager

 


It's her
(I tell you)

She's very feminine
I love her
One way or another

It's difficult for me
To avoid her

All this
Leaves me time
Subconsciously
To be seen the ineffable cicada
In all corners of the earth

I'm singing
Z z z z z z z
Just to please her

I love her
I love her
I love her.

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Günter Vallaster werd geboren op 21 maart 1968 in Schruns (Vorarlberg). Zie ook mijn blog van 21 maart 2007.

 

Uit: Das fröhliche Wohnzimmer

 

„wir betonen

 

daß durch die überbrückung der talsohle jedämm der einwände erhebt eine gerechte straße widerfahren wird wir werden nach reiflicher überlegung wagen diejenigen die bequem befördern zu-lassen anstadt zu bemauern daß bei einer breiten basis kein um-denken stadtfindet haben wir natürlich als katalysatoren aus eigenem antrieb den öffentlichen verkehrt angekurbelt und die verhüttung von schadstoffen bewerkstelligt dadurch jedämm einwohnär aussicht auf 1st. natur verschafft wir wollen nur noch deponieren daß wir vermüllungen mit großer entsorgnis entgegentreten die übelsten gerüchte haben wir bereiz zementiert“

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Hubert Fichte werd geboren op 21 maart 1935 in Perleberg, Brandenburg. Zie ook mijn blog van 21 maart 2007.

 

Uit: St. Pauli Interviews

 

Fichte: Was tust du am liebsten?
Wolli: Am liebsten mache ich Liebe, Haschisch rauchen und Musik hören.
Fichte: Mehr nicht?
Wolli: Ich lese auch gerne, aber am liebsten mache ich Liebe, wenn du mich fragst.
Fichte: Proust antwortet: la lecture, la rêverie, les vers, l’histoire, le théâtre - Lektüre, Träumerei, Verse, Geschichte und Theater.
Wolli: Ja, das ist auch schön, aber Proust war vierzehn Jahre, stell dir mal vor, der hätte gesagt, am liebsten mache ich die Liebe, da hätte man gesagt, was ist denn das für ein verkommenes Bürschchen...

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 21 maart 2007.

 

De Tsjechische schrijver en vertaler Siegfried Kapper werd op 21 maart 1820 geboren in Smichov.

 

Geschreven door Romenu om 20:22 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

In Memoriam Ed Leeflang

Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)









In Memoriam Ed Leeflang

 

Afgelopen maandag 17 maart stierf in zijn woonplaats Amsterdam dichter en docent Nederlands Ed Leeflang.  Het moment van overlijden heeft hijzelf verkozen; Leeflang was al geruime tijd ernstig ziek en hij had veel pijn. Leeflang heeft nog tot het laatst aan een nieuwe bundel poëzie gewerkt, maar helaas heeft hij die niet meer kunnen voltooien. Zijn laatste publicatie is de bibliofiele bundel Eenden op één nacht ijs (2000). Zie ook mijn blog van 21 juni 2007.

 

 

Waarom de wind zo boos is

Waarom de wind zo boos is
weet ook zij niet, evenmin

waarom de vaders weggaan

en de moeders weer zijn opgenomen.

 

Ze raapt veel op.

 

Ze zegt: dit is mijn lievelingsmuziek
en laat het horen.

 

Ze zingt dwars door de klas: waarom
is het hier nu zo druk,

ik praat mezelf een ongeluk

 

Ze moeten lachen.

 

Wie het bangste is
om weer naar huis te gaan

mag helpen opruimen;

dan valt de avond minder

plompverloren.

 

Al haar lesstof is geordend
om de vraag, op geen examen

ooit gesteld: hoe leer je ze

vergeten dat ze in verkeerde

plannen zijn geboren.

 

Het moorden kent zijn tijd,
na vieren, zijn plaats, op straat,

zijn doel, tweemaal per week

de ondergang van iemand die

ook kind is, maar in doodsnood

niet eens vlucht of bijt.

 

 

 

 

 

De vader van de baby Constantijn

 

De vader van de baby Constantijn, wat hem
voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet.
Precieze dromen moet ik ’s nachts wel uit,
naar de keuken en ik wil dan nog een uur
op een bevriende stoel.

Niet de geringste engel zou er voor
hebben gevoeld verder te gaan
met haar broze, bedreigde lichaam.

Hij heeft veel te veel bedoeld.
Ik kom niet uit met zijn stoïsch verdriet
en niet met zijn troostrijke orde.

Hoe waar zijn die in zijn huis
trouwens geworden?

Want de moeder schreef het niet.

 

 

 

 

 

Hij stelt het elke dag geërgerd vast

 

Hij stelt het elke dag geërgerd vast;
zij zijn niet multicultureel geboren,

vormen geen symbiose maar een klas

Hij kent van hun thuislanden de folklore

en de Verlichting heeft hem achteraf verrast.

 

Wil hij het westen nog wel toebehoren,
want dat stelt boven vroomheid intellect;

nog  nooit heeft hij een kind verwekt,

deed hij het, liefst zou hij het

historieloos en statenloos een goede

wilde van de Randstad laten.

 

Een leerplan van toevalligheden
zou van de dagen leerstof moeten maken,

de koning der analfabeten zou bevelen

de maanstand, de eetbare planten,

de kunst van het sterven te weten.

 

 

 

 

 

Geschreven door Romenu om 19:28 Reageer op dit bericht

Ovidius, Friedrich Hölderlin, Henrik Ibsen, David Malouf, Christoph Ransmayr, Henning Heske, Jens Petersen, Gerard Malanga , Touré

Ovidius (20 maart 43 v. Chr. - 17 na Chr.)











De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso werd geboren op 20 maart 43 v. Chr. uit een welgestelde ridderfamilie te Sulmo, nu het stadje Sulmona. Zie ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

Uit: Metamorphoses

 

Orpheus en Euridyce

 

Van Kreta vloog hij, krokusgeel gesluierd, door het luchtruim
en haastte zich – hij, Hymenaeus, huwelijksgod - naar ‘t land
der Thraciërs. Voor niets, helaas! Orpheus had hem geroepen
en daarom kwam hij, maar hij liet geen plechtig bruiloftslied,
geen vrolijke gezichten toe, geen enkel voorspoedteken [5]
en zelfs de fakkel die hij droeg deed niets dan sissen met
veel rook, tot tranen toe; zwaaien hielp niets, hij wou niet vlammen -
een droevig teken met nog droever afloop. Want terwijl
de jonge bruid zich met haar nimfenschaar in 't gras vermeide,
liep ze een gifbeet van een slang op, in haar hiel, en stierf. [10]

De zanger van het Thracisch bergland heeft eerst tot de goden
geklaagd; toen, om ook hulp te zoeken in het dodenrijk,
waagde hij zich bij Taenarum de poort door, naar de Styx
en liep tussen de lichaamloze langbegraven schimmen
tot vóór Persephone met naast haar de gebieder over [15]
het somber rijk des doods. Zich begeleidend op zijn lier
zong hij hen toe: “Ach, goden van de onderaardse wereld,
waar iedereen die sterflijk is zijn eindbestemming vindt -
als u mij toestaat zonder omhaal en vertoon van woorden
waarheid te spreken... Nee, ik ben hier niet gekomen om [20]
de donkere Tartarus te zien, niet om de drie behaarde
slangehondkoppen van de Cerberus te ketenen;
mijn komst betreft mijn vrouw: nadat zij op een slang getrapt had,
beet deze haar zijn gif in en ontnam haar levensbloei.

 

 

Vertaald door  M. d'Hane-Scheltema

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

Uit: Hyperion

 

“Hyperion an Bellarmin

 

Der liebe Vaterlandsboden gibt mir wieder Freude und Leid.

Ich bin jetzt alle Morgen auf den Höhn des Korinthischen Isthmus, und, wie die Biene unter Blumen, fliegt meine Seele oft hin und her zwischen den Meeren, die zur Rechten und zur Linken meinen glühenden Bergen die Füße kühlen.

Besonders der Eine der beeden Meerbusen hätte mich freuen sollen, wär ich ein Jahrtausend früher hier gestanden.

Wie ein siegender Halbgott, wallte da zwischen der herrlichen Wildnis des Helikon und Parnaß, wo das Morgenrot um hundert überschneite Gipfel spielt, und zwischen der paradiesischen Ebene von Sicyon der glänzende Meerbusen herein, gegen die Stadt der Freude, das jugendliche Korinth, und schüttete den erbeuteten Reichtum aller Zonen vor seiner Lieblingin aus.

Aber was soll mir das? Das Geschrei des Jakals, der unter den Steinhaufen des Altertums sein wildes Grablied singt, schröckt ja aus meinen Träumen mich auf.

Wohl dem Manne, dem ein blühend Vaterland das Herz erfreut und stärkt! Mir ist, als würd ich in den Sumpf geworfen, als schlüge man den Sargdeckel über mir zu, wenn einer an das meinige mich mahnt, und wenn mich einer einen Griechen nennt, so wird mir immer, als schnürt' er mit dem Halsband eines Hundes mir die Kehle zu.

Und siehe, mein Bellarmin! wenn manchmal mir so ein Wort entfuhr, wohl auch im Zorne mir eine Träne ins Auge trat, so kamen dann die weisen Herren, die unter euch Deutschen so gerne spuken, die Elenden, denen ein leidend Gemüt so gerade recht ist, ihre Sprüche anzubringen, die taten dann sich gütlich, ließen sich beigehn, mir zu sagen: klage nicht, handle!

O hätt ich doch nie gehandelt! um wie manche Hoffnung wär ich reicher! -

Ja, vergiß nur, daß es Menschen gibt, darbendes, angefochtenes, tausendfach geärgertes Herz! und kehre wieder dahin, wo du ausgingst, in die Arme der Natur, der wandellosen, stillen und schönen.”

 

 

 

 

 

 

De Noorse toneelschrijver en dichter Henrik Johan Ibsen werd geboren op 20 maart 1828. Zie ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

Uit: G e s p e n s t e r (Vertaald door M. von Borch)

 

"E i n  g e r ä u m i g e s  G a r t e n z i m m e r

mit einer Thür auf der linken Seitenwand und zwei Thüren auf der rechten Wand. In der Mitte des Zimmers ein runder Tisch, um diesen Stühle; auf dem Tische liegen Bücher, Zeitschriften und Zeitungen. Im Vordergrunde links ein Fenster, an diesem ein kleines Sopha, vor dem ein Nähtisch steht. Den Hintergrund bildet ein offenes, schmäleres Blumenzimmer, das nach außen durch Glaswände mit großen Scheiben abgeschlossen wird. Auf der rechten Seitenwand des Blumenzimmers befindet sich eine Thür, die zum Garten hinunter führt. Durch die Glaswände unterscheidet man eine düstere Fjordlandschaft, welche durch einen gleichmäßigen Regen verschleiert wird.

 

=Tischler Engstrand= steht oben an der Gartenthür. Sein linkes Bein ist

etwas krumm; unter der Stiefelsohle hat er einen Holzklotz. =Regine= mit

einer leeren Blumenspritze in der Hand hindert ihn am Näherkommen.

 

=Regine= (mit gedämpfter Stimme). Was willst du? Rühr' dich nicht von

der Stelle. Du triefst ja von Regen.

 

=Engstrand.= Das ist ja der Regen unseres H e r r g o t t s, mein Kind.

 

=Regine.= Des Teufels Regen ist es.

 

=Engstrand.= Wie du doch sprichst, Regine. (Hinkt ein paar Schritte

weiter ins Zimmer hinein.) Ja, d a s war es, was ich sagen wollte -- --

 

=Regine.= Stoß nicht so mit dem Fuße auf, Mensch! Der junge Herr liegt

oben und schläft.

 

=Engstrand.= Jetzt liegt er und schläft? Am helllichten Tage?“

 

 

 

 

 

 

De Australische schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

 

Uit: Dream Stuff

 

„At Schindler's Jack woke early. The sound of the sea would find its way into his sleep. The little waves of the bay, washing in and receding, dragging the shell-grit after them, would hush his body to their rhythm and carry him back to shallows where he was rolled in salt. It was his own sweat springing warm where the sun struck the glass of his sleepout, which was so much hotter than the rest of the house that he might, in sleep, have drifted twenty degrees north into the tropics where the war was: to Borneo, Malaya, Thailand. He would throw off even the top sheet then to bake in it, till it was too hot, too hot altogether, and he would get up, go down barefoot to pee in a damp place under one of the banana trees and take a bit of a walk round the garden. Until Dolfie, the youngest of the Schindlers, came out bad-tempered and sleepy-eyed to chop wood, he had the garden's long half-acre to himself.
There was a pool at Schindler's. In the old days Jack and his father had swum there each morning. Jack would cling to the edge and kick, while his father, high up on the matted board, would leap, jackknife in the air, hang a moment as if he had miraculously discovered the gift of flight, then plummet and disappear. Then, just when Jack thought he was gone altogether, there would be a splash and he would reappear, head streaming, a performance that gave Jack, after the long wait in which his own breath too was held, a shock of delighted surprise that never lost its appeal.
Schindler's was a boarding house down the 'Bay' at Scarborough. They went there every holidays.
The pool these days was empty, closed, like so much else, for the 'duration'. But Jack, who this year would have been old enough to use the board, liked each morning to walk out to the end and test its spring. Toes curled, arms raised, beautifully balanced between the two blues, the cloudless blue of the early-morning sky and the painted one that was its ideal reflection, he would reach for what he remembered of his father's stance up there, grip the edge, strain skywards with his fingertips, push his ribcage out till the skin felt paper-thin, and hang there, poised.
He had got this part of it perfect. For the rest he would have to be patient and wait.”

 

 

 


De Oostenrijkse dichter en schrijver
Christoph Ransmayr werd geboren op 20 maart 1954 in Wels.
Zie ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

Uit: Der Fliegende Berg (fragment)

 

Ich starb

6840 Meter über dem Meeresspiegel

am vierten Mai im Jahr des Pferdes.

Der Ort meines Todes

lag am Fuß einer eisgepanzerten Felsnadel,

in deren Windschatten ich die Nacht überlebt hatte.

Die Lufttemperatur meiner Todesstunde

betrug minus 30 Grad Celsius,

und ich sah, wie die Feuchtigkeit

meiner letzten Atemzüge kristallisierte

und als Rauch in der Morgendämmerung zerstob.

Ich fror nicht. Ich hatte keine Schmerzen.

Das Pochen der Wunde an meiner linken Hand

war seltsam taub.

Durch die bodenlosen Abgründe zu meinen Füßen

trieben Wolkenfäuste aus Südost.

Der Grat, der von meiner Zuflucht

weiter und weiter

bis zur Pyramide des Gipfels emporführte,

verlor sich in jagenden Eisfahnen,

aber der Himmel über den höchsten Höhen

blieb von einem so dunklen Blau,

daß ich darin Sternbilder zu erkennen glaubte:

den Bärenhüter, die Schlange, den Skorpion.

Und die Sterne erloschen auch nicht,

als über den Eisfahnen die Sonne aufging

und mir die Augen schloß,

sondern erschienen in meiner Blendung

und noch im Rot meiner geschlossenen Lider

als weiß pulsierende Funken.

Selbst die Skalen des Höhenmessers,

der mir irgendwann aus dem Klumpen

meines Handschuhs gefallen

und in die Wolken hinabgesprungen war,

blieben wie eingebrannt in meine Netzhaut:

Luftdruck, Meereshöhe, Celsiusgrade . . .

jeder Meßwert des verlorenen Instruments

eine glühende Zahl.

Als zuerst diese Zahlen

und dann auch die Sterne verblaßten

und schließlich erloschen, hörte ich das Meer.

Ich starb hoch über den Wolken

und hörte die Brandung,

glaubte die Gischt zu spüren,

die aus der Tiefe zu mir emporschäumte

und mich noch einmal hochtrug zum Gipfel,

der nur ein schneeverwehter Strandfelsen war,

bevor er versank.

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en essayist Henning Heske werd geboren op 20 maart 1960 in Düsseldorf. Zie ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

LÖSSWOLKE

 

Die andere Antike: ein Paralleluniversum jenseits der Wüste.
Eine mannshohe Terrakotta-Armee aus Untoten,
präpariert für den Kampf gegen das Ego,
aufgebahrt in einem Labyrinth der Finsternis.
Ein Jenseitsgeleit mit Akrobaten, Löwenstatuen,
geflügelten Pferden und Kultkesseln. Lampen mit Walöl
spenden ewiges Licht für den Drachenthron.
Keine Götzenbildnisse.
Bronzekraniche zieren eine unterirdische Uferlandschaft
mit einem Styx aus Quecksilber. Gesichert
mit automatischen Armbrüsten. Jadeflöten, glasierte Kamele,
Rhinozerosse aus Eisen, Penisse aus Bronze, alles
ein vergeblicher Kotau vor der Unsterblichkeit,
nur ein Ton im Klang der großen Kakofonie.

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 20 maart 2007.

 

De Duitse schrijver en arts Jens Petersen werd geboren op 20 maart 1976 in Pinneberg.

 

De Amerikaanse dichter en fotograaf Gerard Joseph Malanga werd geboren op 20 maart 1943 in New York.

 

De Afrikaans-Amerikaanse schrijver, journalist en cultuurcriticus Touré werd geboren op 20 maart 1971 in Milton, Massachusetts.

 

Geschreven door Romenu om 20:28 Reageer op dit bericht

In Memoriam Hugo Claus













Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)




In Memoriam Hugo Claus

In het Middelheimziekenhuis in Antwerpen is vanmiddag Hugo Claus overleden. De Belgische schrijver-kunstenaar-filmer leed aan Alzheimer en heeft zelf het tijdstip van zijn dood gekozen, zo maakte zijn weduwe, Veerle Claus, bekend. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

Dichter

 

Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?

Het nadert in onze kleren, in onze haren.

Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?

Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.

 

Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken

Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.

In de ochtendmist waarin hun beelden smelten

Bevriezen de dichters in een herkenbaar colbert.

 

Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren

Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,

Hun weduwen van lezers doen snikken.

 

‘O, ons ego was te duister!’ klagen zij.

‘Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!’

En kijk, zij kruipen uit de windsels van hun ziel,

De mond vol kroket en gebed om genade

Voor hun prostaat, hun plagiaat.

 

Ei op sterven na ontdekken de dichters plots

De bedarende mirakels van goden, aforismen,

Aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief

Iets van haar lief met haar lippen lezen.

 

En voordat de dichters, loze winterappels

Door de plukkers als ondermaats versmaad

Uiteindelijk ook vallen in november

Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar

Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.

Zij blijven bitter luisteren naar het gefrommel

Van de krant die hun naam verkeerd blijft spellen

En zij vullen hun kruiswoordraadsels in

Vol anekdotes, angst en struikelende liefdes.

 

Maar te laat, te doof, worden de dichters gewaar

Dat wat duister en bot was in hun verzen

Niet lichter wordt door sleet, door de duur,

Maar dat het blijft bederven. Ondoorgrondelijk

Blijven hun huis, hun woord, de evenaar, het azuur.

Hun stuurse donkerte blijft gemeen als geld

En als de dood zo vluchtig.

 

‘Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet

De splitsing, de gisting eerder dan het monument?

Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf?

Wrong jij niet een embleem uit elk letsel?

Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?’

 

- ‘Jawel. Nog overeind droom ik van het letterlijke.

Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen,

Paradijzen, radijzen, voze gelijkenissen. Met

Tot op dit papier deze lijken van letters.’

 

Adieu schrijven de dichters een leven lang

En vergrijzend als lavendel in november

Blijven zij, gangreen en grap een raadsel,

Erbarmelijk bedelen om mededogen,

Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen

Die jou beminden, beminnen.

 

 

 

 

Het Land (Egyptisch)

De wondere wagens der zon gaan onder,
Bereiken nog - de wind wordt lichter en dit gerstig land is
laag -
De vluchtelingen, gedoken in hun nood.

Nederknielende, sparende, biddende, buigende
Zijn zij steeds ongedeerd.
Hun spaden staan, hun spannen rijden.

Maar wacht, wacht. Als een schot in de twijgen
Waarin geofferd wordt, gesmeekt, gehunkerd,
Slaat het uur der huursoldaten.

Ietwat later - vloeit de beek? en de halmen, de zachte, buigen zij?
En de stemmen, sterven zij? - schrijven de laatste bevlekte
vingers
Letters en namen van kindermoordenaars.

Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.

In de straat van genade. De parkiet schreeuwde
De nacht lang. Wie weet wat de wezel riep?
De parkiet schreeuwde en vijf soldaten braakten.

In de straat van genade een uil en een rat.
De dieren wankelden in hun schonken, de rechter was verschrikt
Toen zijn bebloede dochter vluchtte over de vlammende weide.

In hun korenbed liggen de boeren. Gesloten is hun biddend oog.
Hun land kraakt.
Het water vloeit er niet meer binnen.

 


De moeder

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichtn waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

‘Je bent mij ontgroeid’, zegt ze traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
Als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, mannelijk word ik u vreemd.
Ge ziet mij naar u komen, gij denkt: ‘Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.’

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug, van u herstel ik niet.

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van vandaag mijn vorige bericht.

 

 

Geschreven door Romenu om 22:38 Reageer op dit bericht

Hans Mayer, Philip Roth, Peter Abrahams, William Allingham, Lina Kostenko, Irving Wallace, Rosalie Loveling, Ion Barbu, Tobias Smollett

Hans Mayer (19 maart 1907 – 19 mei 2001)



De Duitse literatuurwetenschapper, schrijver, criticus, jurist en socioloog Hans Mayer werd geboren op 19 maart 1907 in Keulen. Hij studeerde rechts –en staatswetenschappen, geschiedenis en filosofie in Keulen, Bonn en Berlijn en promoveerde in 1930. Omdat hij zowel jood als marxist was kreeg hij in 1933 een beroepsverbod. Hij vluchtte naar Frankrijk en in 1934 naar Zwitserland. Na de oorlog keerde hij naar Duitsland en terug en trok samen met vriend Stephan Hermlin in 1948 naar de Russische zone. Hij aanvaardde een hoogleraarschap literatuurwetenschap in Leipzig en werd een van de invloedrijkste critici van de nieuwe Duitse literatuur. Hij wisselde gemakkelijk tuusen de West –en Oostduitse leefwereld, was een graag geziene gast bij de Gruppe 47 en had gedurende deze jaren ook contact met Bertolt Brecht. Vanaf 1956 verslechterde zijn relatie met de machthebbers in de DDR. Uiteindelijk keerde hij in in 1963 niet van een reis naar de BRD terug. Het werk van Mayer omvat meer dan veertig boeken. Hij schreef o.a. studies over Büchner, Goethe,Thomas Mann, Montaigne, Robert Musil, James Joyce, Uwe Johnson, Günter Grass en Hans Henny Jahnn.

 

Uit: Goethe

 

„Just dieser fleißige und praktische Mann wurde früh schon von vielen Zeitgenossen als müßiggängerische Hofschranze mißbilligt: als Liebediener, wo nicht gar Verführer eines blutjungen und libertinistischen Monarchen. Verdorrte Freundschaften die Fülle in Goethes Leben: mit den Stolbergs, Lavater, später mit Herder. Schillers langwieriges, nie ganz überwundenes Befremden vor dem Machthaber im Herzogtum. Goethe unterzeichnet das Todesurteil einer Kindsmörderin und empfiehlt die Exekution. Vertreibung des »atheistischen« Professors Fichte aus Jena, später des »Demagogen« Fries; Konflikte mit Männern der Universität wie Oken oder Luden. Der Freund aus Straßburger Zeiten, Jakob Michael Reinhold Lenz, kommt ungeladen nach Weimar und wird schließlich, man ahnt bis heute nur, aus welchen Gründen, aus dem Herzogtum weggeschafft.

Jede neue Etappe in diesem Leben und jede neue Geschichtskonstellation bringt neue Feindschaften, oft pervertiert aus einstiger Sympathie. Die Frommen aller Observanz verurteilen den weimarischen »Heiden«: von Lavater bis zu Friedrich Heinrich Jacobi. Dann die katholischen Konvertiten der Romantischen Schule. Zeloten ereifern sich über die Unmoral der Wahlverwandtschaften. Dezidierte Gegner jedoch der feudalen und klerikalen Restauration, wie Börne oder auch Heine, unternehmen keineswegs eine Verteidigung des verkannten Aufklärers, religiösen Indifferentisten und Napoleonverehrers am Frauenplan in Weimar. Im Gegenteil: der berühmte Frankfurter Landsmann bleibt für Börne ein Fürstenknecht. Goethe und Hegel bindet Ludwig Börne - antithetisch und insgeheim solidarisch - aneinander als den »gereimten und den ungereimten Knecht«. Heinrich Heine kommt als Lyriker niemals los von Goethe, insbesondere nicht vom Westöstlichen Divan. Auch stört ihn nicht, wie den Patrioten Börne, der Kosmopolitismus des alten Mannes. Abstand bewirken bei ihm, und polemische Distanz, die klassizistischen Gebärden und Theorien. Die »Wolfgang Goethesche Kunstperiode« sei zu Ende, diagnostiziert Heine noch zu Lebzeiten des Gegenspielers.

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver  Philip Roth werd geboren op 19 maart 1933 in Newark. Zie ook mijn blog van 19 maart 2007.

 

Uit: The Human Stain

 

“It was in the summer of 1998 that my neighbor Coleman Silk—who, before retiring two years earlier, had been a classics professor at nearby Athena College for some twenty-odd years as well as serving for sixteen more as the dean of faculty—confided to me that, at the age of seventy-one, he was having an affair with a thirty-four-year-old cleaning woman who worked down at the college. Twice a week she also cleaned the rural post office, a small gray clapboard shack that looked as if it might have sheltered an Okie family from the winds of the Dust Bowl back in the 1930s and that, sitting alone and forlorn across from the gas station and the general store, flies its American flag at the junction of the two roads that mark the commercial center of this mountainside town.

Coleman had first seen the woman mopping the post office floor when he went around late one day, a few minutes before closing time, to get his mail—a thin, tall, angular woman with graying blond hair yanked back into a ponytail and the kind of severely sculpted features customarily associated with the church-ruled, hardworking goodwives who suffered through New England's harsh beginnings, stern colonial women locked up within the reigning morality and obedient to it. Her name was Faunia Farley, and whatever miseries she endured she kept concealed behind one of those inexpressive bone faces that hide nothing and bespeak an immense loneliness. Faunia lived in a room at a local dairy farm where she helped with the milking in order to pay her rent. She'd had two years of high school education.”

 

 

 

 

De Zuid-Afrikaanse schrijver Peter Abrahams werd op 19 maart 1919 geboren in Vrededorp bij Johannesburg. Zie ook mijn blog van 19 maart 2007.

 

Uit: Lights Out

 

“Man is the word. You can't stop hearing it when you're inside. "You crazy, man?" "You fuckin' with me, man?" "Fuck you, man." "Shi', man." "Sheet, man." "Shit, man." It doesn't mean a thing. It's just an itch that no one can stop scratching, a sore tooth no one can stop probing.

Fifteen years is a long time for scratching and probing, longer when there's nothing to do but mop floors and sew mailbags, all for fifty-five cents an hour. You've got to find ways of making time go faster. Nails--during his third year they started calling him Nails, but his real name was Eddie Nye--Nails took up weight lifting. That made time go faster, but not fast enough. What he needed was a way to make time disappear. That's what led him to reading. Nails probably hadn't read a book in his life, except for high-school assignments, and, much earlier, Muskets and Doubloons, but in the room they called the library, with its blue-white strip lighting, steel chairs and tables bolted to the floor, yawning corrections officers, he ploughed through everything on the shelves. He started with Max Brand. After a while he learned that the better the book, the closer time shrank to the vanishing point. Seven years later he was reading Tolstoy, still searching for the story so perfect it would kill time dead. Old books were better. Nothing written in the twentieth century worked at all.

Poems were best, especially long ones with rhymes and a beat. One day Eddie came upon "The Rime of the Ancient Mariner." He returned to it over and over, not unlike a child who can't stop looking at a bloody crucifixion on the wall at Grandma's house.”

 

 

 

 

 

De Ierse dichter William Allingham werd geboren op 19 maart 1824 in Ballyshannon, Donegal. Zie ook mijn blog van 19 maart 2007.

 

The Boy

 

The Boy from his bedroom-window
Look'd over the little town,
And away to the bleak black upland
Under a clouded moon.

The moon came forth from her cavern,
He saw the sudden gleam
Of a tarn in the swarthy moorland;
Or perhaps the whole was a dream.

For I never could find that water
In all my walks and rides:
Far-off, in the Land of Memory,
That midnight pool abides.

Many fine things had I glimpse of,
And said, "I shall.find them one day."
Whether within or without me
They were, I cannot say.

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 19 maart 2007.

 

De Oekraïense schrijfster en dichteres Lina Kostenko werd op 19 maart 1930 geboren in Rzhyshchiv.

 

De Amerikaanse schrijver Irving Wallace werd geboren op 19 maart 1916 in Chicago, Illinois.

 

De Vlaamse schrijfster en dichteres Rosalie Loveling werd geboren op 19 maart 1834.

 

De Roemeense dichter en wiskundige Ion Barbu (eig. Dan Barbilian) werd geboren op 19 maart 1895 in Câmpulung.

 

De Schotse romanschrijver Tobias George Smollett werd geboren op 19 maart 1721 in Dalquhurn in het tegenwoordige West Dunbartonshire.

 

Geschreven door Romenu om 20:49 Reageer op dit bericht

John Updike, Wilfred Owen, Héctor Bianciotti, Stéphane Mallarmé, Christa Wolf, Friedrich Hebbel, Hellema, Max Barry, Richard Condon, Wolfgang Bauer

John Updike (Shillington, 18 maart 1932)











De Amerikaanse schrijver John Updike werd geboren in Shillington, Pennsylvania, op 18 maart 1932. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

Uit: Licks of Love

 

“Pierce Junction was an isolated New Hampshire town somewhat dignified by the presence of a small liberal-arts college; we survived by clustering together like a ball of snakes in a desert cave. The Sixties had taught us the high moral value of copulation, and we were slow to give up on an activity so simultaneously pleasurable and healthy. Still, you couldn’t sleep with everybody: we were bourgeoisie, responsible, with jobs and children, and affairs demanded energy and extracted wear and tear. We hadn’t learned yet to take the emotion out of sex. Looking back, the numbers don’t add up to what an average college student now manages in four years. There were women you failed ever to sleep with; these, in retrospect, have a perverse vividness, perhaps because the contacts, in the slithering ball of snakes, were so few that they have stayed distinct.

“Well, Martin,” Audrey Lancaster murmured to me toward the end of a summer cruise on a boat hired out of Portsmouth in celebration of somebody or other’s fortieth birthday, “I see what they say about you, at last.” The “at last” was a dig of sorts, and the “they” was presumably female in gender. I wondered how much conversation went on, and along lines how specific, among the wives and divorcées of our set. I had been standing there by the rail, momentarily alone, mellow on my portion of California Chablis, watching the Piscataqua River shakily reflect the harbor lights as the boat swung to dock and the loudspeaker system piped Simon and Garfunkel into the warm, watery night.”

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Wilfred Owen werd op 18 maart 1893 geboren in Oswestry in Shropshire. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

 

Greater Love

 

Red lips are not so red

      As the stained stones kissed by the English dead.

Kindness of wooed and wooer

Seems shame to their love pure.

O Love, your eyes lose lure

      When I behold eyes blinded in my stead!

 

Your slender attitude

      Trembles not exquisite like limbs knife-skewed,

Rolling and rolling there

Where God seems not to care;

Till the fierce Love they bear

      Cramps them in death's extreme decrepitude.

 

Your voice sings not so soft, -- -

      Though even as wind murmuring through raftered loft, -- -

Your dear voice is not dear,

Gentle, and evening clear,

As theirs whom none now hear

      Now earth has stopped their piteous mouths that coughed.

 

Heart, you were never hot,

      Nor large, nor full like hearts made great with shot;

And though your hand be pale,

Paler are all which trail

Your cross through flame and hail:

      Weep, you may weep, for you may touch them not.

 

 

 

 

 

De Argentijnse schrijver Héctor Bianciotti werd geboren op 18 maart 1930 in Córdoba. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

Uit: Wie die Spur des Vogels in der Luft (Vertaald door Uli Wittmann)

 

“Der Abt gab mir ein wenig Geld und sagte: Du kannst einmal im Monat nach Cordoba gehen und dir Bücher kaufen. Aber nur unter der Bedingung, dass du sie nicht an deine Kameraden ausleihst. (kichert) Außerdem lag im Kloster die Sonntagszeitung aus, in der viel über Literatur stand. Und da habe ich eines Tages über den Tod eines Unbekannten gelesen: Paul Valery. Und Paul Valery wurde für mich zu einem Erlebnis - er ist es immer noch. Seine Werke stehen dort im Regal. Die Bücher sind fast zerrissen, weil ich sie immer wieder lese. Sie sind für mich wie eine Bibel. Und damals habe ich Lust bekommen, ihn im Original, auf französisch zu lesen. Es gab nur zwei Prosabände von Valery, die ins Spanische übertragen waren. Die anderen habe ich mir beschafft und mit Hilfe eines zweisprachigen Wörterbuchs übersetzt.”

 

 

 

 

 

 

De Franse dichter Stéphane Mallarmé werd geboren in Parijs op 18 maart 1842. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

Cantique de saint Jean

 

Le soleil que sa halte
Surnaturelle exalte
Aussitôt redescend
Incandescent

je sens comme aux vertèbres
S'éployer des ténèbres
Toutes dans un frisson
A l'unisson

Et ma tête surgie
Solitaire vigie
Dans les vois triomphaux
De cette faux

Comme rupture franche
Plutôt refoule ou tranche
Les anciens désaccords
Avec le corps

Qu'elle de jeûnes ivres
S'opiniâtre à suivre
En quelque bond hagard
Son pur regard

Là-haut où la froidure
Éternelle n'endure
Que vous le surpassiez
Tous ô glaciers

Mais selon un baptême
Illuminée au même
Principe qui m'élut
Penche un salut.

 

 

 

Salut

 

Rien, cette écume, vierge vers
A ne désigner que la coupe ;
Telle loin se noie une troupe
De sirènes mainte à l'envers.

Nous naviguons, ô mes divers
Amis, moi déjà sur la poupe
Vous l'avant fastueux qui coupe
Le flot de foudres et d'hivers ;

Une ivresse belle m'engage
Sans craindre même son tangage
De porter debout ce salut

Solitude, récif, étoile
A n'importe ce qui valut
Le blanc souci de notre toile.

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Christa Wolf werd geboren op 18 maart 1929 in het huidige Poolse Gorzów Wielkopolski. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

Uit: Medea (Vertaald door John Cullen)

 

“So this is how it is: either I'm out of my mind, or their city is founded on a crime. No, believe me, I'm quite clear on this point, what I say or think about it is quite clear to me, for I've found the proof, yes, I've touched it with my own hands. Oh, it's not arrogance that threatens to undo me now. The woman -- I simply followed her. Perhaps I just wanted to teach Jason a lesson, since he'd stood by and let them seat me at the end of the table among the servants, that's it, I didn't dream that, that was yesterday. At least they're the highest-ranking servants, he said pathetically, don't cause a scandal, Medea, please, not today, you know what's at stake, the King can't lose face in front of all his foreign guests. Ah, Jason, save your breath. He still hasn't understood that King Creon can't grieve me anymore, but that's not what I'm talking about, I have to clear my head. I have to promise myself never to speak about my discovery to a living soul. The best thing would be to do what Chalciope and I used to do with secrets when we were children, do you know what that was, Mother? We'd wrap our secret up tight in a leaf and eat it up while staring into one another's eyes. Our childhood -- or rather everything in Colchis -- was full of dark secrets, and when I arrived here, a refugee in King Creon's gleaming city-state of Corinth, I had an envious thought: these people have no secrets. And that's what they think too, that's what makes them so convincing; with every look, with every one of their measured movements, they're drumming it into you: Here's one place in the world where a person can be happy. It was only later that I realized how much they hold it against you if you express doubts about their happiness. But that's not what I'm talking about either, what's the matter with my head? It's buzzing with a whole swarm of thoughts, why is it so hard for me to reach into the swarm and snatch out the one thought I need?”

 

 

 

 

De Duitse schrijver Christian Friedrich Hebbel werd geboren in Wesselburen op 18 maart 1813. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

Uit: Agnes Bernauer

 

“Zweite Szene

 

Agnes(tritt ein mit einer Suppe). Guten Morgen, Theobald!

Theobald. Danke schön, Jungfer, danke schön! Wohl geschlafen?

Agnes. So sollt' ich Euch fragen! Ihr werdet oft herausgeklopft, wenn sie gerauft haben, und ein Pflaster brauchen.

Theobald. Das bemerkt Ihr? (Für sich.) Ich geb ihr den Strauß und bestelle alles! Wenn sie dann ein Gesicht macht und pfui sagt und mich anfährt: dazu gibst du dich her –

Agnes. Was verbergt Ihr denn hinter dem Rücken?

Theobald(zeigt den Strauß). Ja so, das hätt' ich bald vergessen!

Agnes. Ah, der ist schön! Gebt ihn mal her! (Sie riecht.) Wenn wir doch auch einen Garten hätten! Wessen Namensfest ist denn heute? (Sie will ihn zurückgeben.)

Theobald. Behüte, er gehört Euch!

Agnes. Mir? Oh, da dank ich! Aber da geht's mit Eurem alten Ohm wohl bald zu Ende?

Theobald. Mit meinem Ohm?

Agnes. Nun ja, weil er seine Blumen zu verschenken anfängt, das pflegt ein Gärtner nicht zu tun, und gekauft habt Ihr sie doch gewiß nicht?

Theobald. Er ist nicht von mir!

Agnes. Nicht von Euch? Von wem denn?

Theobald. Ratet!

Agnes. Von – – Nein, Barbara kann's nicht sein, die sieht mich nicht mehr an, ich weiß zwar nicht, warum.

Theobald. Es ist keine Sie!

Agnes. Keine Sie? Und Ihr seid's auch nicht? (Sie legt den Strauß auf den Tisch.)

Theobald. Gottlob, ihr fällt sonst niemand ein!

Agnes. Aber, da muß ich Euch doch fragen – –

Theobald. Scheltet nur! Ich wollt's bloß wissen!

Agnes. Was?

Theobald. Ob Ihr vielleicht in der Kirche nach ihm geblinzelt, oder ihm wohl gar bei einem Tanze die Hand gedrückt hättet!

Agnes. Wem denn?

Theobald. Es ist schon gut, wenn Ihr nicht von selbst auf ihn kommt! (Er nimmt den Strauß.) Ha, unserer alten Gertrud will ich ihn jetzt verehren, die soll ihn an die platte Brust stecken, wenn sie auf den Markt humpelt, und sich mit einem Knicks bedanken, wenn sie sich an dem Hause vorbeischiebt! (Er springt.) Ich könnte jetzt – – (Er singt.)”

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 maart 2007.

 

De Nederlandse schrijver Hellema (pseudoniem voor Alexander Bernard (Lex) van Praag) werd geboren in Amsterdam op 18 maart 1921.

 

De Australische schrijver Max Barry werd geboren op 18 maart 1973 in Melbourne.

 

De Amerikaanse romancier Richard Thomas Condon werd geboren op 18 maart 1915 in New York.

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Wolfgang Bauer werd geboren op 18 maart 1941 in Graz.

 

Geschreven door Romenu om 20:19 Reageer op dit bericht

William Gibson, Siegfried Lenz, Urmuz, Hans Wollschläger, Paul Green, Jean Ingelow, Patrick Hamilton

William Gibson (Conway, 17 maart 1948)




De Amerikaanse schrijver William Ford Gibson werd geboren in Conway (South Carolina) op 17 maart 1948. In 1984 won hij met zijn debuut Neuromancer de Nebula Award en de Philip K. Dick Memorial Award, het jaar daarop de Hugo Award. Neuromancer werd gevolgd door Count Zero en Mona Lisa Overdrive, en vormt daarmee een trilogie die bekend staat als de Sprawl-serie.

Gibson verwierf meteen na zijn debuut de status van cultauteur, maar toch hoort hij volgens velen eerder thuis in het vakje van de literatuur dan de zgn. lectuur. Gibson gebruikte als eerste de term cyberspace en matrix (verwijzend naar iets dat lijkt op wat wij nu het internet noemen), en beschreef op visionaire wijze de (extreme) mogelijkheden van het internet, lang voor het internet algemeen bekend raakte. Zijn werk inspireerde o.a. de makers van de film The Matrix (Neo en Trinity uit de film The Matrix zijn gebaseerd op Case en Molly uit Neuromancer), een kort verhaal van Gibson lag aan de basis van de film Johnny Mnemonic, en Gibson zelf schreef het scenario van een X-Files aflevering (over online gaming).

 

Uit: Neuromancer

 

“The sky above the port was the color of television, tuned to a dead channel.

"It's not like I'm using," Case heard someone say, as he shouldered his way through the crowd around the door of the Chat. "It's like my body's developed this massive drug deficiency." It was a Sprawl voice and a Sprawl joke. The Chatsubo was a bar for professional expatriates; you could drink there for a week and never hear two words in Japanese.

Ratz was tending bar, h is prosthetic arm jerking monotonously as he filled a tray of glasses with draft Kirin. He saw Case and smiled, his teeth a webwork of East European steel and brown decay. Case found a place at the bar, between the unlikely tan on one of Lonny Zone's whores and the crisp naval uniform of a tall African whose cheekbones were ridged with precise rows of tribal scars. "Wage was in here early, with two joeboys," Ratz said, shoving a draft across the bar with his good hand. "Maybe some business with you, Case?"

Case shrugged. The girl to his right giggled and nudged him.

The bartender's smile widened. His ugliness was the stuff of legend. In an age of affordable beauty, there was something heraldic about his lack of it. The antique arm whined as he reached for another mug. It was a Russian military prosthesis, a seven-function force-feedback manipulator, cased in grubby pink plastic. "You are too much the artiste, Herr Case." Ratz grunted; the sound served him as laughter. He scratched his overhang of white-shirted belly with the pink claw. "You are the artiste of the slightly funny deal."

"Sure," Case said, and sipped his beer. "Somebody's gotta be funny around here. Sure the fuck isn't you."

The whore's giggle went up an octave.

"Isn't you either, sister. So you vanish, okay? Zone, he's a close personal friend of mine."

She looked Case in the eye and made the softest possible spitting sound, her lips barely moving. But she left.

"Jesus," Case said, "what kinda creepjoint you running here? Man can't have a drink?"

 

 

 

 

De Duitse schrijver Siegfried Lenz werd op 17 maart 1926 in Lyck, in de landstreek Masuren in Oostpruisen geboren. Zie ook mijn blog van 17 maart 2007.

 

Uit: Fundbüro

 

“Endlich hatte Henry Neff das Fundbüro entdeckt. Heiter betrat er den kahlen Vorraum, in dem nur ein schwarzes Schreibpult stand, setzte die Segeltuchtasche ab, zwischen deren Griffen ein Hockeyschläger lag, und nickte dem alten Mann zu, der vor dem breiten Schiebefenster stand und -anscheinend zum wiederholten Mal - einen Klingelknopf drückte. Hinter dem Schiebefenster, in der Tiefe eines nur ahnbaren Raumes, ertönte ein seltsam schepperndes Geräusch, es hörte sich an, als hakte der Klöppel mitunter und drosch danach besonders eilig auf der Glocke, und nach einer Weile näherten sich Schritte, die aus großer Ferne zu kommen schienen. Der alte Mann, der dunkel gekleidet war und zu weißem Hemd eine schwarze Krawatte trug, sah Henry erleichtert an, er bewegte die Lippen so -, als probierte er vorsorglich Wörter -, er beklopfte seine Taschen, ohne zu finden, was er suchte, und als eine dunkle Silhouette hinter der Milchglasscheibe erschien, strich er sich übers Haar und zog seine Krawatte nach.
Das Fenster wurde hochgewuchtet, und Henry erblickte zum ersten Mal Bußmann, Albert Bußmann mit seinem verdrossenen Gesicht, in dem zu weiten fleckigen Blaumann, der ihn bei gewissen Bewegungen zu umwehen schien. Auf seinen anfragenden Blick ließ Henry dem alten Mann den Vortritt - er hier, der Herr war vor mir da -, lehnte sich gegen das Schreibpult, sah mit vergnügter Neugierde einer Verhandlung zu, die er demnächst vermutlich selbst führen würde - fast kam es ihm so vor, als sollte er noch vor seinem Einstellungsgespräch Anschauungsunterricht erhalten.“

 

 

 

 

 

 

De Roemeense schrijver en avantgardist Urmuz (eig. Demetru Dem. Demetrescu-Buzău) werd geboren op 17 maart 1883 in Curtea de Argeş. Zie ook mijn blog van 17 maart 2007.

 

Uit: ALGAZY & GRUMMER (Vertaald door Julian Semilian)

 

„Algazy is a pleasant old man, gap toothed and grinny, with sparse and silky beard, neatly placed upon a gridiron screwed under the chin and hedged with barbed wire...

Algazy speaks no European language... But if you wait for him in the dawn of day, at the break of morn, and say to him: “What goez, Algazy!” dwelling on stressing the sound of Z, Algazy grins, and so as to manifest his gratitude, pushes his mitt in his pocket and yanks at the start of a string, prompting his beard to jump for joy an entire quarter of an hour... Unscrewed, the gridiron serves to resolve any quandary, pertinent to the harmony or hygiene of the home...

Algazy never accepts bribes. Once only he lowered himself to this mode of demeanor, when he was a copyist for the Church Notary, and even then he took no cash but only a few crock shards, eager to endow with dowry several of his indigent sisters who were about to become betrothed the very next day...

Algazy's greatest bliss — along with his customary tasks at the store — is to harness himself of his own good will to a wheelbarrow, and tagged at the distance of two meters by his crony Grummer — to hop at a gallop, with the singular ambition of collecting old rags, punctured vegetable oil tins, but notably, knucklebones, which then the two gobble together, after midnight, under the most sinister silence...“

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, essayist, vertaler, uitgever, historicus, organist en muziekwetenschapper Hans Wollschläger werd geboren op 17 maart 1935 in Minden. Zie ook mijn blog van 17 maart 2007.

 

Uit: Kleine Mauerschau des Alterns

 

„Über die ganz ernsten Dinge läßt sich eigentlich bloß ernst nicht mehr reden, schon gar nicht über das komplizierte und unabsehbar implizierende Ernsteste Ding überhaupt, den Tod. Sein Dasein allein läßt einem derart die Luft wegbleiben, daß die Wörter nicht mehr von der Zunge kommen: eine Lebe-Welt, in der Alles, aber auch Alles von ihm abgeschlossen wird, und zumeist auch noch auf die haarsträubendste Weise, ist das unglaubliche Absurdum selber. Man kann imgrunde gar nicht davon reden und müßte, wollte man’s wenigstens versuchen, einen eigenen Zynismus dafür ersinnen: eine Satire-Form, die das Große Gelächter wie ein Stück Eis über den Rücken schöbe; Karl Kraus hätte sie schreiben können. Unser tod-ernstes Mienenspiel ist zu sehr kompromittiert durch die Alfanzereien, die wir täglich damit begleiten, als daß es für das wüste Un-Ding noch ausreichte, von dem wir’s haben.

Spätestens seit der Tod nicht als Person mehr vorstellbar ist, mit der man Bergman’sche (oder sogar noch bessere) Dialoge führen könnte, ist auch die Vorstellung dahin, er wäre als Nebenwesen überlistbar, zu besiegen, gar selber sterblich; die Religionen, die ihn früher so wohlgemut nach seinem Stachel gefragt haben, werden in Kürze nur noch eine liebenswürdige Erinnerung sein. Selbst Bazon Brock, der seinerzeit, mit meinem ungeteilten Beifall, eine Liga zu seiner Abschaffung gegründet hat, war ohne Fortune, wenn man ihm nicht als Teilerfolg anrechnen will, daß er selber trotz seiner Werke noch da ist. Die Situation ist tatsächlich absurd, empörend, unerhört: das Leben als nun wirklich prädestinierter Kreuzweg aufs Grab zu stellt eine derartige Zumutung des Großen Ganzen an uns Kleine Teilchen dar, daß mir schon in der Wiege die mir dort beigebrachte, ebenso stark geglaubte wie schwach beglaubigte Vorstellung von einem allmächtigen und allgütigen Schöpfer, egal ob Gott, Allah oder das Tetragrammaton geheißen, schier zum Kopfschütteln war. Jedenfalls mutete mich auch später, als ich mit seinem sympathischen – und, bitteschön, durchaus denkbar möglichen – Endzweck, der Evolution, bekannt gemacht wurde, die Wahl eines so flüchtigen Baustoffs, wie Wir ihn mit unserer

kurzen Zerfallszeit darstellen, eher als ungeschickt und keineswegs als Zureichender Grund zum Loben und Preisen an, und das überlieferte Eigenlobs-Prädikat (»tob meod – sehr gut«) schien mir vorschnell erteilt.”

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 17 maart 2007.

 

De Amerikaanse toneelschrijver Paul Green werd geboren op 17 maart 1894 in Lillington, North Carolina.

 

De Engelse dichteres en schrijfster Jean Ingelow werd geboren op 17 maart 1820 in Boston, Lincolnshire.

 

De Engelse schrijver Patrick Hamilton werd geboren op 17 maart 1904 in Hassocks, Sussex.

 

Geschreven door Romenu om 20:19 Reageer op dit bericht

Bredero, Pieter Cornelisz. Hooft, Sully Prudhomme, César Vallejo, Hooshang Golshiri, Haldun Taner, Zoë Jenny, René Daumal, Jakob Haringer

Gerbrand Bredero (16 maart 1585 - 23 augustus 1618)











De Nederlandse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaensz. Bredero werd geboren op 16 maart 1585 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

 

SONNET.

 

Aerdtsche Goddin, alleen besitster van mijn hert
En ziele van mijn ziel, meestersche der ghedachten,
Wiens schoonheyts klaren glants en heusheyt my verkrachten,
Als in den blonden strick mijn hert ghevanghen wert.

 

Soo ghy niet aensien wilt de wreedheyt van mijn smert
En stoppen u ghehoor voor mijn bedruckte clachten,
Van my hebdy dan niet als droefheyt te verwachten
En afghesloofde dood, daer ick in blijf verwart.

 

Maar gaedy tot ghenae u goedertieren wennen
En wilt de trouwe Min uws dienaers recht bekennen,
Dan sal ick sijn verlost van droefheyt, sorgh en pijn.

 

Mijn hert dat stadelijck en altoos sou verteeren
En sal dan nimmermeer in assche konnen keeren,
Maer in een soeten brandt altoos onsterflijck zijn.

 

 

 

 

 

De geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Cornelisz. Hooft werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1581. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

Sonnet

 

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden ('ck weet niet hoe)

Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die 't oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde' het doe.

O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn siel in haer vol hart van deuchden.
Maer doe de morgenstar nam voor den dach haer wijck,

Is, met de claere son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen 't Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?

 

 

 

 

 

De Franse schrijver en dichter Sully Prudhomme (eig. René François Armand Prudhomme) werd geboren op 16 maart 1839 in Parijs. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

 

LE LONG DU QUAI


Le long des quais les grands vaisseaux,
Que la boule incline en silence,
Ne prennent pas garde aux berceaux
Que la main des femmes balance.

Mais viendra le jour des adieux ;
Car il faut que les femmes pleurent
Et que les hommes curieux
Tentent les horizons qui leurrent.

Et ce jour-là les grands vaisseaux,
Fuyant le port qui diminue,
sentent leur masse retenue
Par l'âme des lointains berceaux.

 

 

 


De Peruaanse dichter
César Vallejo werd geboren op 16 maart 1892 in Santiago de Chuco, Peru. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

 

Black Stone Lying On A White Stone

 

I will die in Paris, on a rainy day,

on some day I can already remember.

I will die in Paris--and I don't step aside--

perhaps on a Thursday, as today is Thursday, in autumn.


It will be a Thursday, because today, Thursday, setting down

these lines, I have put my upper arm bones on

wrong, and never so much as today have I found myself


with all the road ahead of me, alone.


César Vallejo is dead.  Everyone beat him

although he never does anything to them;

they beat him hard with a stick and hard also


with a rope.  These are the witnesses:

the Thursdays, and the bones of my arms,

the solitude, and the rain, and the roads. .

 

 

Robert Bly

 

 


De Iraanse schrijver
Hooshang Golshiri werd geboren op 16 maart 1938 in Isfahan. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

Uit: King of the Benighted:

 

“Again this morning as he opened his eyes, he saw that Farkhondeh's mother was not staring or even glancing furtively, as the living do, but looking at him from the depth of the two glazed eyes that were left of her in the picture, with that grey and limpid color of a much reprinted black and white picture. Her hair was disheveled, and she was looking at him. She had said, "What's the meaning of it all?"

By the bedside, standing there, perhaps on top of the dressing table, and frameless, between the two silvery hooks of a light wooden base, in such a way that it occasionally seemed to quiver.

The picture had been taken years ago, when Farkhondeh was probably only five or six; it had stood there on the dressing table for fifteen or sixteen years. When Grandfather died, she put his picture in the lower corner of the mirror. When her brother disappeared (they still say he might be a prisoner of war, although there has been no news of him or about a year), his picture was added to the other two. It is in the upper right hand corner of the mirror. The nice thing about Grandfather's picture is that it doesn't seem to stare at him, although you can see his eyes. When Grandfather died, he was already blind, with dark glasses. His eyes, or whatever is left of them in the photograph, don't say anything.

He turned his back to the picture, and said, "What a graveyard they've made."

He rolled over. Maybe it was all because of the hejleh he had seen on the street corner yesterday afternoon. A martyred soldier or a revolutionary guard. He no longer remembered names. It might still be there. A little boy, plate in hand, was giving out dates as alms. All around the glittering hejleh hung pictures of the young martyr. Youthful, smiling, beardless. Perhaps he had been only old enough to have had down on his face. He must have just shaved to leave a hint of beard on his countenance. That was it. Two other young men, dressed completely in black, sat on the front step of the closed store. They were talking. That's it. A young man, barely bearded, and dressed in black, was looking at him.”

 

 

 

 

De Turkse schrijver Haldun Taner werd geboren op 16 maart 1915 in Istanboel. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

 

Uit: THE BALLAD OF ALI OF KESHAN

 

“ SCENE 4

ALI OF KESHAN, CHIEF OF THE SHANTYTOWN
OR IN UNION THERE IS STRENGTH


Temel: Let's be quiet, friends! Our new headman Ali of Keshan will deliver his first inaugural address.
Drunken Rasih: When did he write it?
Nuri: He wrote it last night with help from Uncle Dervish, the public letter-writer.
Sipsi: I didn't know he was that eager.
Ali: Quiet everybody!
First Citizen: We've got democracy here, haven't we? Can't I express my opinions?
Temel: Shut your big mouth. Stop twaddling!
Nuri: Democracy was for the campaign period.
Ali: If I wanted, I wouldn't consult you at all. I'd do what I pleased. I counted you as human and decided to read it to you.
Lutfiye: Read it, son, read it. Don't mind them.
Ali: (starts to read the draft that he wrote on a roll of toilet paper): Article one: A regime of peace and order has been established at Fly Mountain. Anyone who acts contrary and tries to disturb that peace will be made good and sorry and his seven generations before him will be damned and cursed. His house will be made one with the ground with the argument that the building is in dangerous condition and all his estate – real or unreal – will be confiscated.
Voices: Good! Wonderful!
First Citizen: You said there would be an end to bullying.
Chorus: Well, you can't have everything.
Ali: I've appointed Mr. Thirty Percent Temel as my financial advisor and the Letter-Writer Dervish as my legal advisor.
Voices: Congratulations! (TEMEL and DERVISH are congratulated.)
Ali: In all games played in all coffee houses I shall have my cut. If anyone fails to pay up, I'll make him wear the coast of a porcupine. I want no killjoy around here.
Drunken Rasih: You said there would be no more such things.”

 

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijfster Zoë Jenny werd geboren op 16 maart 1974 in Basel. Zie ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

 

Uit: Ein schnelles Leben

 

„Ich wollte fortkommen, so weit weg wie nur irgend möglich. Aber nicht dorthin, nicht an den Ort, an den man geplant hat, mich hinzuschicken, wenn meine Zeit hier zu Ende geht. Auf keinen Fall werde ich ihnen folgen und tun, was sie verlangen. Das aber werde ich niemandem sagen, auch Matteo nicht.
Die Morgendämmerung ist noch nicht hereingebro-chen, das Fenster ein schwarzes Rechteck. Die Bettdecke hinter mir ist zurückgeschlagen, die Innenseite warm und feucht. Ich wünschte, ich würde noch dar-unter liegen und schlafen; nicht hier am Tisch sitzen, nicht wach sein, nicht in diesem Haus. Es ist völlig still, alle schlafen. Aber manchmal denke ich, daß Ata die ganze Nacht wach oben unterm Dach sitzt, wie ein lauerndes Tier mit geöffneten Augen. Ich stelle sie mir wie einen Vogel mit riesigen Schwingen vor. Sie hockt auf ihren roten Kelimkissen vor dem kleinen Fenster, starrt in den Nachthimmel und wartet auf mich. In dem Moment, wenn ich ins Zimmer komme, regen sich ihre Schwingen und falten sich auf. Auf ihrem breiten weißen Rücken wird sie mich mitnehmen. Gemeinsam reisen wir ins Innere der Nacht, die eine Höhle ist, aber so weit, daß man keine "Zeit haben wird, bis an ihr Ende zu kommen.
Aber wahrscheinlich schläft Ata, tief in ihren Decken und Kissen versunken, und denkt überhaupt nicht daran, das Haus zu verlassen. Tatsächlich wäre sie die letzte, die gehen würde, sie wird auch bleiben, wenn ich und Zafir schon längst woanders sind. Sie wird im Haus zurückbleiben wie in einer Festung. Wird wie immer für die Mahlzeiten und die frische Wäsche sorgen und der Mutter abends die Haare kämmen. Sie wird mein Zimmer und das Zafirs genau so belassen, wie wir es zurückgelassen haben.

 

 

 

 

 

Zie voor de volgende schrijvers ook mijn blog van 16 maart 2007.

 

De Franse schrijver en dichter René Daumal werd geboren op 16 maart 1908 in Boulicourt in de Ardennen.

 

De Duitse dichter Jakob Haringer werd als Johann Franz Albert geboren op 16 maart 1898 in Dresden.

7nbsp;

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

Louis Paul Boon, Ben Okri, David Albahari, Andreas Okopenko, Kurt Drawert, Franz Schuh, An Rutgers van der Loeff, Paul Heyse, Ángelos Sikeliános

Louis Paul Boon (15 maart 1912 - 10 mei 1979)

Zelfportret











De Vlaamse schrijver, kunstschilder en dichter Louis Paul Boon werd geboren in Aalst op 15 maart 1912. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007.

 

Uit: Verscheurd jeugdportret

 

“Ach, we woonden in een dezer kleine arbeidershuisjes, en plaats om er koetsen en auto's in onder te brengen had hij vader niet. Maar hij mocht de poort en de schuur van de teloorgaande boerderij van Sander Koppes gebruiken.

Oorspronkelijk moet de straat aan de uitkant der stad gewoon een veldweg geweest zijn, met aan de ene kant het oude huis van Leonie (van Geem) en aan de andere kant de twee boerenhoeven, deze van Hortence de Boerin en deze van Sander Koppes. Hortence de Boerin verdween en zocht een nieuw boerenbestaan ver buiten de stad. Sander Koppes bleef.

Naast het scheefgezakte en ingevallen huis van Leonie lag het Donker Straatje, waar we als kinderen een voorraad avontuur, romantiek en seks opdeden waar we nog steeds op teren kunnen. Eeuwen geleden was het gewoon een veldwegel, maar nu lag daar smal en donker als een stadsader, met aan de ene zijde de hoge en blinde achtermuur van de rijkswacht en aan de andere zijde de eeuwenoude en nimmergesnoeide haag van Leonie.”

 

 

 

 

 

De Nigeriaanse dichter en romanschrijver Ben Okri werd geboren op 15 maart 1959 in Minna, Nigeria. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007.

 

The Awakening Age

 

O ye who travel the meridian line,
May the vision of a new world within you shine.

 

May eyes that have lived with poverty's rage,
See through to the glory of the awakening age.

 

For we are all richly linked in hope,
Woven in history, like a mountain rope.

 

Together we can ascend to a new height,
Guided by our heart's clearest light.

 

When perceptions are changed there's much to gain,
A flowering of truth instead of pain.

 

There's more to a people than their poverty;
There's their work, wisdom, and creativity.

 

Along the line may our lives rhyme,
To make a loving harvest of space and time.





An African Elegy

 

We are the miracles that God made
To taste the bitter fruit of Time.
We are precious.
And one day our suffering
Will turn into the wonders of the earth.

 

There are things that burn me now
Which turn golden when I am happy.
Do you see the mystery of our pain?
That we bear the poverty
And are able to sing and dream sweet things.

 

And that we never curse the air when it is warm
Or the fruit when it tastes so good
Or the lights that bounce gently on the waters?
We bless the things even in our pain.
We bless them in silence.

 

That is why our music is so sweet.
It makes the air remember.
There are secret miracles at work
That only Time will bring forth.
I too have heard the dead singing.

 

And they tell me that
This life is good
They tell me to live it gently
With fire, and always with hope.
There is wonder here

 

And there is surprise
In everything the unseen moves.
The ocean is full of songs.
The sky is not an enemy.
Destiny is our friend.

 

De Servische schrijver David Albahari werd op 15 maart 1948 geboren in Pec in Sevie. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007.

 

 

Uit: Gotz and Meyer

 

“Götz and Meyer. Having never seen them, I can only imagine them. In twosomes like theirs, one is usually taller, the other shorter, but since both were SS non-commissioned officers, it is easy to imagine that both were tall, perhaps the same height. I am assuming that the standards for acceptance into the SS were rigorous, below a certain height you most certainly would not qualify. One of the two, or so witnesses claim, came into the camp, played with the children, picked them up, even gave them chocolates. We need so little to imagine another world, don’t we? But Götz, or Meyer, then went off to his truck and got ready for another trip. The distances were not long, but Götz, or Meyer, was looking forward to the breeze that would play through the open truck window. As he walked towards the truck, the children returned, radiant, to their mothers. Götz and Meyer were probably not novices at the job. Though the assignment was not a big one – we are talking of no more than five thousand souls – the efficiency required meant that only trusted colleagues could handle it. It is entirely possible that Götz and Meyer wore decorations of some sort on their non-commissioned officers’ lapels. I wouldn’t be surprised. I’d be more surprised if one of them had a moustache. I cannot picture Götz, or Meyer, with facial hair. In fact, I cannot picture them at all. The moustaches are no help. It is simplest, of course, to fall back on stereotypes – blond hair, fair complexion, pale face and steely eyes – but I would only be demonstrating my vulnerability to propaganda. The chosen race had barely got off the ground, Götzand Meyer represented only one link in a chain stretching far into the future. But what a link they were! Sometimes it is precisely the little tasks such as theirs that form the cornerstone of a vast edifice; their sturdiness ensures the stability of the foundations. I am not saying that Götz and Meyer dwelt on this – perhaps they merely did their job conscientiously as they might have done any other – but they did, undoubtedly, know what their work was for. Their job, more precisely, that was how they referred to it, their assignment, their order, their command. Military terminology cannot be avoided here.”

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Andreas Okopenko werd als zoon van een Oekraïense arts en zijn Oostenrijse vrouw in Košice (Slowakije) geboren op 15 maart 1930. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007.

 

Uit: Kindernazi

 

„Palmenhaus. Bald wirds womöglich keine Schule mehr geben. Schule kann man das eh nicht nennen. Wenn kein Luftangriff ist, ist Bergungseinsatz, heute gar Bergungseinsatz bei Luftgefahr 15, die paar Buben, die noch nicht eingerückt sind. Wir sitzen auf Ziegelhaufen in Schönbrunn, vorm zerbombten Palmenhaus, bei prächtiger Sonne, und klopfen Ziegel. Retten, was zu retten ist. Antschi greift die Klampfe an und hat schon eine blutige Hand. Ich hab ihm überhaupt erst zeigen müssen, was eine Klampfe ist und wie man damit den Mörtel abklopft. Dafür glaubt er noch an den Sieg. Den Endsieg, die große Wende. Die Wunderwaffe. Ists nicht die V3, die sich kühl lächelnd Zeit läßt mit ihrem rettenden Autritt (Aristoteles, Moment der letzten Spannung), wirds halt die V4, allerdings gibts dann wohl kein Reichsgebiet mehr unter ihrem Hintern, und dann startet sie eben der Plutokrat gegen den Bolsche. Wir sind bis dahin eh alle hin, Antschi, sag ich. "Im Ural gibts Berge mit endlosen Stollen", zitiert er fehlerfrei seinen Goebbels, vom Scheißpropagandaplakat merkt er sich alles bis zum nackten Odysseus vor der Nausikaa. Aber jetzt ist der Hautfetzen ganz weg. Ich geb ihm Jod drauf, habs seit dem Kasperltheater am Ostwall (dens nicht gibt) immer mit. Antschi macht keinen Muckser. Ich seh ihn schon beim großen Brandmarken käsweiß ohne Muckser zusammenfallen. Morgenthau will uns Deutsche auf ein Zehntel vermindern, und dieser Rest soll fischen und ackern gehn. FRIEDE steht jetzt weiß auf jeder Hausmauer, viel zu spät. KAMPF - SIEG - flicken die Unentwegten, die jetzt ihre Schrappen auf "Sirene" und "Granate" taufen lassen, mit der Schablone dazu. Hast du Kalk zuhaus, Fuxl, fragt Antschi, den Pappendeckel kann ich mir selber schneiden. Bist teppert, sag ich.”

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Kurt Drawert werd geboren op 15 maart 1956 in Henningsdorf. Zie ook mijn blog van 15 maart 2007.

 

 

Engel

 

Die Engel des Glücks,
Zentimeter für Zentimeter
gehen sie von mir.

Die einen stilvoll,
das Gesicht noch zu mir gewandt
und in sanfter Verneigung,

die anderen wortlos,
mit kalter Schulter
am Standort des Gläubigers vorbei.

Und was gestern noch zählte,
ist heute der Schnee
auf den sinkenden Armen der Tanne.

 

 

 

 

Was passiert morgen?

 

Aus den Kronen der Bäume vor meinem Fenster
sinkt langsam das Gold in den See. Der Schwan
ist wieder ein Tier unter anderen Tieren.

Das war vorauszusehen.

Und was passiert morgen?

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 15 maart 2007.

 

De Oostenrijkse schrijver en essayist Franz Schuh werd geboren op 15 maart 1947 in Wenen.

 

De Nederlandse schrijfster An Rutgers van der Loeff werd geboren in Amsterdam op 15 maart 1910.

 

De Duitse schrijver en essayist Paul Heyse werd geboren in Berlijn op 15 maart 1830.

 

De Griekse dichter Ángelos Sikeliános werd geboren op 15 maart 1884 op het eiland Lefkas.

 

Geschreven door Romenu om 20:22 Reageer op dit bericht

Pam Ayres, Volker von Törne, Jochen Schimmang, Albert Robida, Theodore de Banville, Horton Foote

Pam Ayres (Stanford in the Vale, 14 maart 1947)











De Britse dichteres van humoristische poëzie Pam Ayres werd geboren op 14 maart 1947 in Stanford in the Vale in Berkshire (tegenwoordig Oxfordshire). Zie ook mijn blog van 14 maart 2007.

 

 

Yes, I'll Marry You.

 

Yes, I'll marry you, my dear,
And here's the reason why;
So I can push you out of bed
When the baby starts to cry,
And if we hear a knocking
And it's creepy and it's late,
I hand you the torch you see,
And you investigate.

Yes I'll marry you, my dear,
You may not apprehend it,
But when the tumble-drier goes
It's you that has to mend it,
You have to face the neighbour
Should our labrador attack him,
And if a drunkard fondles me
It's you that has to whack him.

Yes, I'll marry you,
You're virile and you're lean,
My house is like a pigsty
You can help to keep it clean.
That sexy little dinner
Which you served by candlelight,
As I do chipolatas,
You can cook it every night!

It's you who has to work the drill
and put up curtain track,
And when I've got PMT it's you who gets the flak,
I do see great advantages,
But none of them for you,
And so before you see the light,
I do, I do, I do!

 

 

 

Like You Would

Well I got up in the morning,
Like you would.
And I cooked a bit of breakfast,
Like you would
But at the door I stopped.
For a message had been dropped,
And I picked it up, and read it,
Like you would


"Oh Blimey!" I said,
Like you would,
"Have a read of this,
This is good!"
It said: "I live across the way,
And admire you every day,
And my heart, it breaks without you."
Well, it would.

It said: "I'd buy you furs and jewels,
If I could,"
And I go along with that,
I think he should,
It said: "Meet me in the Park,
When it's good and dark,
And so me wife won't see,
I'll wear a hood."

Oh, I blushed with shame and horror,
Like you would,
That a man would ask me that,
As if I could!
So I wrote him back a letter,
Saying "No, I think it's better,
If I meet you in the Rose and Crown,
Like we did last Thursday."

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Volker von Törne werd geboren op 14 maart 1934 in Quedlinburg. Zie ook mijn blog van 14 maart 2007.

 

Uit: Halsüberkopf: Arkadische Tage

 

3

Weinlaubumrankt: ein Dionys
Will ich mit Wünschen nicht mehr geizen
Schon wächst mir aus der Hand der Weizen
Und aus der Zunge sprudelts süß

 

Nie wieder will ich im Gedicht
Mit Preußens sauren Gurken handeln
Mein Wort soll Stein in Brot verwandeln
Und Mitternacht in Mittagslicht

 

Heb deinen Kopf: sieh die Raketen
Die schon von Schiffen unter Dampf
Auf unsre Augen, unsre Zähne zielen

 

Schon spielt der Tod mit uns in heißen Drähten
Daß ich uns Hoffnung aus dem Boden stampf
Will ich die Stirn an deiner kühlen4

 

 

4

 

Will ich die Stirn an deiner kühlen
Und meinen Mund an deinem stehn
Bis Meer und Himmel mich durchwehn
Auf deines Atems Flügeln

 

Schon ist die Erde aufgebrochen
Des Hades Tiefen finster qualmend
Ein Räderwerk zu Staub zermalmend
Des Tantalos verfluchte Knochen

 

Ich aber lebe, weil ich euch
Ihr Götter, mein verkauftes Fleisch
Aus euren Zähnen reiße

 

Im Licht, das meine Schulter kaut
Wächst mir eine neue Haut
Und ich will Pelops heißen

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Jochen Schimmang werd geboren op 14 maart 1948 in Leer, Ostfriesland. Zie ook mijn blog van 14 maart 2007.

 

Uit: Der schöne Vogel Phönix

 

"»Ich bin nun 26 Jahre alt. Inzwischen habe ich einen akademischen Titel, mit dem ich vermutlich kaum etwas anfangen kann. Trotzdem stellt er zunächst eine gewisse Beruhigung dar.
          Mehr als fünf Jahre habe ich in Berlin gelebt, das ich übermorgen endgültig verlassen werde. Mein Gefühl gegenüber der Zukunft ist am besten wohl als ein gewisses Desinteresse zu beschreiben, da ich selber nicht ganz begreife. Wie die meisten Leute, die ich kenne, habe ich in den letzten fünf Jahren versucht herauszufinden, wie man einigermaßen richtig lebt und es ist mir bisher nicht gelungen. Ich bezweifle, daß es mir in absehbarer Zeit gelingen wird. Es würde gültige Kriterien voraussetzen, und die sehe ich derzeit nicht.
          Natürlich möchte ich am liebsten glücklich sein, auch wenn klar ist, daß alles Glück bis heute sehr zufällig, sehr partikular und sehr falsch ist. Mein sogenanntes Privatleben war in den letzten Jahren überwiegend ein Scheitern. Von den Beziehungen hier in Berlin sind viele im Lauf der Zeit abgestorben. Das ist nicht schlimm, weil ich sowieso fortgehe. Andere haben sich erhalten, manche sogar verbessert. Die wichtigste, die vielleicht langfristig alles hätte ändern können, ist mir einfach abhanden gekommen.
          Als ich vor über fünf Jahren nach Berlin kam, war ich noch gewissermaßen Teil eines Aufbruchs, einer Bewegung, die aber schon beinahe das Stadium ihrer Ebbe erreicht hatte. Woran ich aktiv teilnahm, zum Teil unter großer Kraftanstrengung und unter Aufbietung aller verfügbaren Irrtümer, war allein die Ebbe, auch wenn ich sie lange Zeit für die Flut hielt. Natürlich hoffen wir alle darauf, und mancher sieht in jedem kleinen Aufflackern gleich den Beginn einer neuen Bewegung (...). Aber in Wahrheit versuchen wir vor allem zu überwintern, und der Winter kann ewig dauern. (Noch immer) Berlin, im September 1974. Murnau.«"

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 14 maart 2007.

 

De Franse schrijver, tekenaar, schilder, karikaturist en journalist Albert Robida werd geboren op 14 maart 1848 in Compiègne.

 

De Franse dichter Theodore Faullain de Banville werd geboren op 14 maart 1823 in Moulins in de Auvergne.

 

De Amerikaanse schrijver en draaiboekauteur Horton Foote werd geboren op 14 maart 1916 in Wharton, Texas.

 

Geschreven door Romenu om 20:22 Reageer op dit bericht

Melih Cevdet, Oskar Loerke, Paul Morand, Yuri Andrukhovych, Hugh Walpole, Hermine de Graaf, W.O. Mitchell

Melih Cevdet (13 maart 1915 – 28 november 2002)











De Turkse dichter
Melih Cevdet (eig. Melih Cevdet Anday) werd geboren op 13 maart 1915 in Istanboel. Zie ook mijn blog van 13 maart 2007.

 

Foto

Zo te zien hebben wij vieren hem
In het park laten maken:
Oktay, Orhan, Şinasi en ik.
Het is duidelijk herfst,
Een paar van ons hebben een overjas aan,
De anderen alleen een jasje.
De bomen achter ons zijn kaal.
Oktay's vader is nog niet gestorven,
Ik heb nog geen snor en
Orhan heeft Süleyman Efendi nog niet ontmoet.


Maar ik heb me nooit zo triest gevoeld.
Wat is het aan deze foto
Dat mij doet denken aan de dood?

 

 

 

(vertaling Erik Jan Zürcher)

 

 

ARE WE GOING TO LIVE WITHOUT AGING?

 

At dawn, a throng came out

Of the skies: Convex shields, glittering

Tattoos, a rose, a daggered

Heart, bows of wheat,

Aquariums emptying out, a king,

A turkey's crest, a fresh corpse,

Brass-footed horses, a wine in a glazed jug

Waiting to be poured into the sea.

A tumult arose from the roots of the trees,

Eyeless monsters emerged from the sea.

What's that? Should we believe in rapacious beaks?

Or in thin axes, in grass burned at night

Or in tree-shaped wings?

I pay no heed to clouds, I don't care

If they go south along the river

Or to the slow lakes set afire by towers.

Let them go...Are we going to live without aging?

Come, let's go and see the dawn's spider.

The top part of this piece of writing

Couldn't be read; no one knows who wrote it either.

Never mind, what matters is the words, not the sound.

 

"...Then I ate whatever I found in the house:

"Bread, almonds, dill.

Barefoot I jumped on the horse,

The wine of the morning was raving mad

So I dashed through the people and went away

Full gallop."

 

Vertaald door  Talat Sait Halman

 

     Hinterhaus

     

      In kalten, steifen Engen,

      An gelben Schornsteinlängen,

      Verirrten Schieferdächern,

      Verstaubten Lukenfächern,

      An braunen glatten Röhren,

      An roten Drahtes Öhren,

      Verblichnen blauen Flecken

      Und blechbehuften Ecken

 

Liegt Sonne, wie nach Winkelmaß gemessen

Und wie von einem Handwerksmann vergessen.

 

      Hier hinter Luken wimmeln,

      In Kellerlöchern schimmeln

      Und tanzen unter Sparren

      Wir galgenfrohen Narren,

      Die sich in Kammern bücken,

      Doch ihre Wände schmücken

      Mit goldnen Sterntapeten,

      Weil wir vom Himmel wehten,

 

Wir Fetzen Licht, nach Winkelmaß gemessen,

Und wie von einem Handwerksmann vergessen.

 

 

 

 

 

 

De Franse schrijver en diplomaat Paul Morand werd geboren op 13 maart 1888 in Parijs. Zie ook mijn blog van 13 maart 2007.

 

Uit: Die Kunst, Coco Chanel zu sein

 

“Was verstand ich denn eigentlich von meinem neuen Metier? Gar nichts. Ich wußte nicht einmal, daß es den Beruf "Schneiderin" gab. Und war ich mir etwa bewußt, daß ich die Bekleidungsordnung revolutionierte? Nicht im geringsten. Eine Welt ging zu Ende, eine andere entstand. An diesem Übergang befand ich mich, eine Chance bot sich, und die ergriff ich. Ich hatte das richtige Alter für dieses neue Jahrhundert. Es wandte sich logischerweise an mich, um sich in der Kleidung zum Ausdruck zu bringen. Es brauchte Schlichtheit, Bequemlichkeit, klare Linien. Dies alles konnte ich bieten, und ich bot es, fast unbewußt. Echte Erfolge sind häufig schicksalhaft.

Die unteren Tribünen vor 1914! Ich ahnte doch nicht, daß ich bei den Pferderennen dem Untergang des Luxus, der Agonie des neunzehnten Jahrhunderts, dem Ende einer Epoche beiwohnte. Einer Epoche, großartig, doch dekadent, letzter Abklatsch eines barocken Stils, bei dem das Ornament die klare Linie überdeckte, der überladene Schmuck die Architektur erdrückte und der Körper keine Luft mehr bekam, ähnlich dem von Parasiten befallenen Baum der Tropenwälder. Die Frau war nur mehr ein Vorwand, sollte Reichtum vorführen, Spitzen, Zobel, Chinchilla, das Kostbarste vom Kostbaren. All diese komplizierten Motive, der übertriebene Aufwand an Spitzen, Gaze, Volants, Farbtupfern hatten das Kleid zum Monument eines späten Flamboyant-Stils gemacht. Die Schleppen fegten durch den Staub, all diese Pastellschattierungen zerlegten den Regenbogen in tausenderlei Farbtupfer. Das war so gekünstelt, daß es manieriert wirkte. Die Sonnenschirmchen warfen Schatten über Gärtchen, Volieren, Treibhäuser. Das Ausgefallene war banal geworden, Reichtum so alltäglich wie Armut. (...)”

 

 

 

 

 

De Oekraïense schrijver Yuri Andrukhovych werd geboren op 13 maart 1960 in Iwano-Frankiwsk. Zie ook mijn blog van 13 maart 2007.

 

 

Without you

From Songs For the Dead Rooster

 

 

Again, damn it, radio, television, the papers.

The powers that be, as expected, are consummate crooks.

Those back in the days at least had some fear, today’s are no better.

 

I’d forbid the days to pass without you,

their pitiful sum total – you don’t come,

in the morning you are not to be found even in any of the mirrors,

you don’t arrive at noontime with a purse, a vagina,

an underarm, skin, a scent, an apple –

what should I do between noon and the evening?

 

In the evening you also do not come.

I want to know what has happened. Maybe you were on your way here,

perhaps they were running after you, maybe they raped you.

I think they cannot not rape you.

 

All this is radio, television, the papers.

The day without you is my untalented loneliness.

I lie under the ceiling, I pass.

Nothing has happened anywhere, you aren’t here.

 

A few armed conflicts,

a couple of traitors on TV.

The dollar exchange rate grew,

no trading in rubles today.

 

 

 

 

 

I Wanna Woman

From Songs For the Dead Rooster

 

 

Today they talked again about the masturbator.

Summer heat attracts plenty of womenfolk to the riverbank,

they display all body parts without exception

with a greater or lesser degree of openness

and inattentiveness.

Some of them have shaved armpits,

others have bruised hips.

 

“Careful, that guy’s there again,”

warned a granny with goats,

nodding towards a willow thicket –

as if this were our problem.

As if he was looking at us through his binoculars,

his breath halting from excitement.

 

We are always ready to chase him away with sticks

and whistles.

Or, if need be, smash his skull

with an axe or

gouge his eyes with skewers –

let him only try!

 

But – rest assured –

even after all of this,

already without his binoculars, with empty eye sockets

he will all the same crawl into these thickets,

sniff the hot body of air,

sculpt out of it wet women to spy after,

moan and hum a tune

he heard on the radio this morning,

“We yearned so much for the warmth . . .”

 

A few more weeks, and August will come to an end,

A few more tries, and the abyss will open.





Vertaald door Vitaly Chernetsky

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 13 maart 2007.

 

De Britse schrijver Hugh Seymour Walpole werd geboren op 13 maart 1884 in Auckland, Nieuw Zeeland

 

De Nederlands schrijfster Hermine de Graaf werd geboren in Winschoten op 13 maart 1951.  


De Canadese schrijver
W.O. Mitchell werd geboren op 13 maart 1914 in Weyburn, Saskatchewan.

 

Geschreven door Romenu om 20:37 Reageer op dit bericht

Henrike Heiland, Jack Kerouac, Edward Albee, Gabriele d'Annunzio, De Schoolmeester, Dave Eggers, Irving Layton, Sergej Michalkov, Helga Goetze

Henrike Heiland (Solms, 12 maart 1975)



De Duitse schrijfster Henrike Heiland werd geboren op 12 maart 1975 in Solms. Na haar eindexamen gymnasium studeerde zij in Gießen, Bonn en Durham Duitse en Engelse literatuur. Na haar studie, die zij afsloot met een werk over Elizabeth George, was zij lector en tv-producente bij verschillende filmbedrijven in München. Ook was zij werkzaam als dramaturg en schrijfster voor theater en film. Sinds 2004 is zij zelfstandig schrijfster en woont zij afwisselend in Berlijn en in Schotland. Haar eerste detective „Späte Rache" verscheen in 2006.

 

Uit: Blutsünde

 

Sie stand im Hinterhof und übergab sich gerade, als er zu ihr trat.

„Bist du krank?“ Er klang besorgt und reichte ihr sein Taschentuch. Sie nahm es nicht. „Ich habe deine Nachricht gerade erst gefunden.“

„Lass uns schnell hineingehen. Ich muss dir etwas sagen.“

„Was ist denn mit dir, bist du krank?“, fragte er wieder, als er ihr in das Versteck auf dem Dachboden gefolgt war.

„Warum bist du nicht in der Schule?“

Sie drehte ihren Kopf schnell zur Seite, als er ihr wie sonst auch immer einen Kuss geben wollte.

„Wir müssen weg, hat mein Vater gesagt.“ Sie spürte, wie sich ihr Magen wieder zusammenzog, wie die Übelkeit in ihrer Kehle aufstieg. Doch diesmal kam die Übelkeit von der Aufregung.

„Weg?“ Ernst sah sie ängstlich an. „Wieso? Hat man euch …“

„Gestern Nacht ist der Cousin meiner Mutter abgeholt worden.“

„Oh Gott!“ Ernst ließ sich auf eine große Holztruhe sinken. Er blickte unruhig umher, als fürchtete er, jemand könnte sie entdecken. Dabei hatte sie noch nie jemand erwischt, in dem ganzen Jahr nicht.

„Vater hat etwas organisiert. Er hat schon im letzten Jahr damit angefangen, Sachen zu verkaufen“, sagte sie, während sie unsicher vor ihm stand. „Aber er erzählt mir nichts. Er hat nur heute Morgen zu Mutter gesagt, keiner von uns soll aus dem Haus gehen, er kommt am Abend wieder. Bis dahin sollen wir das Wichtigste gepackt haben.“

Ernst nickte langsam. „Soll ich mit meinem Vater reden?

Er ist mit dem Gauleiter befreundet und …“

„Auf keinen Fall“, rief sie, und war selbst darüber erschrocken, wie heftig ihre Stimme klang. „Auf keinen Fall“, wiederholte sie etwas leiser und ruhiger. „Selbst wenn er es könnte, würde uns dein Vater nicht helfen. Er hasst uns.“

„Er kennt euch doch gar nicht!“ Ernst stand auf, und für einen Moment sah es so aus, als wollte er sie in seine Arme nehmen. Doch fast sofort ließ er seine Hände wieder sinken, steckte sie in die Hosentaschen und begann, auf und ab zu gehen.„

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Jack Kerouac werd geboren op 12 maart 1922 in Lowell, in de Amerikaanse staat Massachusetts. Zie ook mijn blog van 12 maart 2007.

 

Uit: The Subterraneans

 

“So there we were at the Red Drum, a tableful of beers a few that is and all the gangs cutting in and out, paying a dollar quarter at the door, the little hip-pretending weasel there taking tickets, Paddy Cordavan floating in as prophesied (a big tall blond brakeman type subterranean from Eastern Washington cowboy-looking in jeans coming in to a wild generation party all smoky and mad and I yelled, "Paddy Cordavan?" and "Yeah?" and he'd come over)--all sitting together, interesting groups at various tables, Julien, Roxanne (a woman of 25 prophesying the future style of America with short almost crewcut but with curls black snaky hair, snaky walk, pale pale junky anemic face and we say junky when once Dostoevski would have said what? if not ascetic but saintly? but not in the least? but the cold pale booster face of the cold blue girl and wearing a man's white shirt but with the cuffs undone untied at the buttons so I remember her leaning over talking to someone after having been slinked across the floor with flowing propelled shoulders, bending to talk with her hand holding a short butt and the neat little flick she was giving to knock ashes but repeatedly with long long fingernails an inch long and also orient and snake-like)--groups of all kinds, and Ross Wallenstein, the crowd, and up on the stand Bird Parker with solemn eyes who'd been busted fairly recently and had now returned to a kind of bop dead Frisco but had just discovered or been told about the Red Drum, the great new generation gang wailing and gathering there, so here he was on the stand, examining them with his eyes as he blew his now-settled-down-into-regulated-design "crazy" notes--the booming drums, the high ceiling--Adam for my sake dutifully cutting out at about 11 o'clock so he could go to bed and get to work in the morning, after a brief cutout with Paddy and myself for a quick ten-cent beer at roaring Pantera's, where Paddy and I in our first talk and laughter together pulled wrists--now Mardou cut out with me, glee eyed, between sets, for quick beers, but at her insistence at the Mask instead where they were fifteen cents, but she had a few pennies herself and we went there and began earnestly talking and getting hightingled on the beer and now it was the beginning--returning to the Red Drum for sets, to hear Bird, whom I saw distinctly digging Mardou several times also myself directly into my eye looking to search if I was really the great writer I thought myself to be as if he knew my thoughts and ambitions or remembered me from other night clubs and other coasts, other Chicagos--not a challenging look but the king and founder of the bop generation at least the sound of it in digging his audience digging his eyes, the secret eyes him-watching, as he just pursed his lips and let great lungs and immortal fingers work, his eyes separate and interested and humane, the kindest jazz musician there could be while being and therefore naturally the greatest--watching Mardou and me in the infancy of our love and probably wondering why, or knowing it wouldn't last, or seeing who it was would be hurt, as now, obviously, but not quite yet, it was Mardou whose eyes were shining in my direction, though I could not have known and now do not definitely know—“

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Edward Albee werd geboren op 12 maart 1928 in Washington DC. Zie ook mijn blog van 12 maart 2007.

 

 

Uit: The Zoo Story

 

“It is Central Park; a Sunday afternoon in summer; the present. There
are two park benches, one towards either side of the stage;  they both
face, the audience. Behind than: foliage, trees, sky.

[At the beginning PETER is seated on one of the benches. As the
curtain rises, PETER is seated on the bench stage-right. He is
reading a book. He stops reading, cleans his glasses, goes back to
reading. JERRY enters.]

JERRY: I've been to the zoo. [PETER doesn't notice.] I said, I've been
to the zoo. MISTER, I'VE BEEN TO THE ZOO!
PETER: Hm? . . . What? . . . I'm sorry, were you talking to me?
JERRY: I went to the zoo, and then I walked until I came here. Have   
I been walking north?
PETER: [puzzled] North? Why . . I . . . I think so. Let me see.
JERRY: [pointing past the audience] Is that Fifth avenue?
PETER: Why ya; yes, it is.
JERRY: And what is that cross street there; that one, to the right?
PETER: That? Oh, that's Seventy-fourth Street.
JERRY: And the zoo is around Sixty-5fth Street; so, I've been walking
north.
PETER: [anxious to get back to his reading] Yes; it would seem so.
JERRY: Good old north.
PETER: [lightly, by reflex] Ha, ha.
JERRY: [after a slight pause] But not due north.
PETER: I ... well, no, not due north; but, we ... call it north. It's
northerly.
JERRY: [watches as PETER, anxious to dismiss him, prepares his pipe]
Well, boy, you're not going to get lung cancer, are you?
PETER: [looks up, a little annoyed, then smiles] No, sir. Not from this.
JERRY: No, sir. What you'll probably get is cancer of the mouth, and
then you'll have to wear one of those things Freud wore after
they took one whole side of his jaw away, What do they call
those things ?
PETER: [uncomfortable] A prosthesis?
JERRY: The very thing! A prosthesis. You're an educated man, aren't
you ? Are you a doctor ?
PETER: Oh, no; no. I read about it somewhere: Time magazine, I think.
[He turns to his book.]
JERRY: Well, Time magazine isn't for blockheads.
PETER: No, I suppose not.
JERRY: [after a pause] Boy, I'm glad that's Fifth Avenue there.
PETER: [vaguely] Yes .
JERRY: I don't like the west side of the park much.
PETER: Oh? [Then, slightly wary, but interested] Why?
JERRY: [offhand] I don't know.
PETER: Oh. [He returns to his book.]
JERRY: [stands for a few seconds, looking at PETER, who finally looks
up again, puzzled] Do you mind if we talk?
PETER: [obviously minding] Why . . . no, no.
JERRY: Yes you do; you do.
PETER: [puts his book down, his pipe out and away, smiling] No, I
really; I don't mind.
JERRY: Yes you do.
PETER: [finally decided] No; I don't mind at all, really.
JERRY: It's ... it's a nice day.

 

 

 

 

 

De  Italiaans schrijver, dichter en politicus Gabriele d'Annunzio werd geboren in Pescara op 12 maart 1863. Zie ook mijn blog van 12 maart 2007.

 

 

Der Regen im Pinienhain       

 

Schweige. Auf der Schwelle
des Waldes höre ich
die menschlichen Worte nicht,
die du sagst. Aber ich höre
neue Worte;
die von weit entfernten Tropfen und Blättern erzählen.
Höre. Es regnet
aus zerrissenen Wolken.
Es regnet
auf salzige, trockene
Tamarisken,
Es regnet
auf die schuppigen und stacheligen Pinien;
Es regnet
auf die göttliche Myrthe,
auf die unzähligen Blüten des leuchtenden Ginsters,
auf Wacholder voller duftenden Beeren,
Es regnet
auf unsere waldesgleichen Gesichter,
Es regnet
auf unsere bloßen Hände,
auf unser leichtes Gewand,
auf die reinen Gedanken,
die den neuen Geist erwachen lassen,
auf das schöne Märchen,
das gestern dich verzauberte, das heute mich verzaubert.
Oh Ermione.

Hörst du? Der Regen fällt,
auf das verlassene Grün,
Mit einem endlosen, wechselnden Plätschern in der Luft,
je nachdem ob das Laub dichter ist
oder weniger dicht.
Höre. Es antwortet
auf den Regen der Gesang
der Zikaden,
die sich weder durch südliches Rauschen
noch durch den grauen Himmel
abschrecken lassen.
Und die Pinie
erklingt und die Myrte
erklingt anders und der Wacholder
wieder anders, verschiedene Instrumente
unter unzähligen Fingerschlägen.
Und verschlungen
sind wir im Waldgeist,
eines Baumes gleich lebend;
Und dein nasses Gesicht
gleicht einem von Regentropfen
bespicktem Blatt,
und deine Haare
verbreiten den Duft
leuchtendes Ginsters,
ich du Nymphe des Waldes,
die du den Namen Ermione trägst

Höre, höre. Der Ton
der luftigen Zikaden
wird nach und nach
dumpfer
unter heftigerem Regen;
aber ein Gesang mischt sich ein
der rauer ist
und von dort hinten kommt,
aus feuchten verborgenen Schatten.
Dumpfer und schwächer werdend
verklingt er.
Nur eine Note
schwingt noch und verklingt,
blüht wieder auf, schwingt und verklingt.
Man hört das Rauschen der Wellen nicht.
Jetzt hört man auf allen Blättern
den silbernen Regen prasseln,
der wäscht,
und das Prasseln
das sich im dichter
oder weniger dichten Laub verändert.
Höre.
Die Tochter der Lüfte schweigt, die Tochter der Erde jedoch,
die Unke,
singt im entfernten Schatten!
Wo nur – wo?
Und der Regen fällt auf deine Wimpern,

Ermione!

Er benetzt deine schwarzen Wimpern,
als weintest du aus Freude;
einem Baum entsprungen scheinst du.
Und das ganze Leben in uns ist jung und frisch,
und das Herz wie eine unberührte Frucht,
deine Augen gleichen Quellen in der Wiese,
deine Zähne bitt’ren Mandeln.
Eng umschlungen oder gelöst
wandeln wir durch das Dickicht.
Fast umschlingt das kräft’ge Grün uns’re Knöchel,
rankt sich um uns’re Knie
wo nur – wo?
Es regnet
auf unsere waldesgleichen Gesichter,
es regnet auf unsere bloßen Hände,
auf unser leichtes Gewand,
auf die reinen Gedanken,
die den neuen Geist erwachen lassen,
auf das schöne Märchen,
das gestern dich verzauberte,
das heute mich verzaubert.
Oh Ermione.

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter De Schoolmeester (Gerrit van de Linde) werd geboren op 12 maart 1808 in Rotterdam. Zie ook mijn blog van 12 maart 2007.

 

 

De Leeuw

 

Een leeuw is eigentlijk iemand,
Die bang is voor niemand,
Zijne oogen en zijn neus
Zijn grooter dan die van een reus;
En zijn muil
Is een ware moordkuil;
Met zijn klaauw
Is een leeuw geweldig gaauw;
Met zij staart
Gooit hij een schutter van zijn paard;
En met zijn tanden
Durft hij de heele schutterij wel aanranden.
Enfin
, hij is altijd het verscheurendste beest
Onder de dieren geweest
Onlangs heeft hij immers in Londen
Nog een juffrouw verslonden;
Doch, nu ik mij bezin,
Was hij het niet: het was de leeuwin.

 

De leeuw wordt viervoetig geboren:
Twee van achteren en twee van voren;
Of, volgens anderen, twee aan zijn rechterhand:
En de andere twee aan deze kant.

 

De leeuw zijn gemalin
Is mevrouw de leeuwin,
En de jongelui, zoolang zij zich met de borst behelpen,
Noemt men gewoonlijk: welpen.

 

Gouden leeuwen en leeuwen van hout,
Mitsgaders de Hollandsche, worden heel oud;
Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch
[zeldzaam in 't woud.
Komt ooit de ware leeuw rechtstreeks op u aan,
Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.
Doch niet als hij opgezet of dood is,
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is.

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Dave Eggers werd geboren op 12 maart 1970 in Chicago. Zie ook mijn blog van 12 maart 2007.

 

Uit: What Is the What

 

“The walk to Ethiopia, Julian, was only the beginning. Yes we had walked for months across deserts and wetlands, our ranks thinned daily. There was war all over southern Sudan but in Ethiopia, we were told, we would be safe and there would be food, dry beds, school. I admit that on the way, I allowed my imagination to flower. As we drew closer to the border, my expectations had come to include homes for each of us, new families, tall buildings, glass, waterfalls, bowls of bright oranges set upon clean tables.

But when we reached Ethiopia, it was not that place.

-- We are here, Dut said.

-- This is not that place, I said.

-- This is Ethiopia, Kur said.

It looked the same. There were no buildings, no glass. There were no bowls of oranges set upon clean tables. There was nothing. There was a river and little else. -- This is not that place, I said again, and I said it many times over the coming days. The other boys tired of me. Some thought I had lost my mind.

I will admit that when we did cross into Ethiopia, there was a measure of safety, and some rest. We were able to stop, and this was strange. It was strange not to walk. That first night, we slept again where we sat. I was accustomed to walking every day, to walking at night and at the first light of morning, but now, when the sun rose, we stayed. There were boys spread all over the land, and all that was left to do, for some, was to die.

The wails came from everywhere. In the quiet of the night, over the hum of the crickets and frogs, there were the screams and moans, spreading over the camp like a storm. It was as if so many of the boys had been waiting to rest, and now that they had settled at Pinyudo, their bodies gave out. Boys died of malaria, of dysentery, of snake bites, of scorpion stings. Other illnesses were never named.

We were in Ethiopia and there were too many of us. Within days there were thousands of boys and soon after the boys arrived, there were adults and families and babies and the land was crowded with Sudanese. A city of refugees rose up within weeks. It is something to see, people simply sitting, surrounded by rebels and Ethiopian soldiers, waiting to be fed. This became the Pinyudo refugee camp.

Because so many had lost or bartered their clothing along the way, only half of us wore any garments at all. There sprung up a class system, whereby the boys who had shirts and pants and shoes were considered the wealthiest, and next were those who had two of the three. I was lucky to be considered upper-middle-class, with one shirt and two shoes and a pair of shorts. But too many boys were naked, and this was problematic. There was no protection from anything.”

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 12 maart 2007.

 

De Canadese schrijver Irving Layton werd geboren als Israel Pincu Lazarovici op 12 maart 1912 in Tîrgu Neamt, Roemenië.

 

De Russische dichter Sergej Michalkov werd geboren op 12 maart 1913 in Moskou.

 

De Duitse dichteres, kunstenares en politiek activiste Helga Goetze werd geboren op 12 maart 1922 in Magdeburg.

 

Geschreven door Romenu om 21:20 Reageer op dit bericht

Karl Krolow, Leena Lehtolainen, Ernst Wiechert, Torquato Tasso, Douglas Adams, Josef Martin Bauer, Georg Maurer

Karl Krolow (11 maart 1915 – 21 juni 1999)









De Duitse dichter Karl Krolow werd geboren op 11 maart 1915 in Hannover. Zie ook mijn blog van 11 maart 2007.

 

 

Gedicht für Darmstadt

Hier war die Luft einmal lateinisch.
Über der ungeborenen Stadt
Bewegte der Wind
Seine römische Zunge,
Ehe man unter sie
Die Totenmünze legte.
Ein Jahrtausend verwilderte rasch
Bis auf den Wein, die schwarzen Augen,
Brombeerblicke aus einem andern Land.


Ein Ort
Ist das Gedächtnis seines Himmels,
Der ihn auf der blauen,
Italienischen Karte entwarf.
Ein Ort
Ist die Erinnerung seiner Steine.
Ihre Profile sind sanft geschnitten:
Wie Gesichter spöttisch sanft sind
Um bewegte Lippen.
Sie nennen dich
Bei Deinem Namen.
Hände voller Licht geschüttet
Wie zu einem Bad auf ein Gelände
Zwischen Ried und Hügeln.
Es lebt sich leicht in ihm.


Man weiß: der liberale Mond
Ist hier noch Mond, die Nacht
Noch Nacht, mit Scherzen und Geflüster
Der Geister, die nicht sterben können.
Später errät man sie als Geist,
Der aus den Rosen bricht, im Obst
Von Hängen duftet. In den Parks
Die Statuen winken wieder, wenn man
Ihnen zuwinkt oder nur
Den Hut zieht.

So ist das also: - leben lassen
Und warten können, wenn sich die Netzhaut
Badet, überrieselt von Bildern –
Farbigem Regen, der die Gärten fleckt.
Währenddessen trägt noch jede Fahne
Die gleichen Zeichen auf dem Tuch.
Sie wird mit gleicher Anmut
Geschwenkt: die Stadt ist groß genug.
Man kann in ihren Straßen sagen,
Was man träumt,
Und wird erkannt als einer, der nichts anderes
Als seine Stunde, seine Träume zählt.
Gekleidet von den eigenen Worten,
Lehne ich mich so
An deine heitere Luft.

 

 

 

 

 

De Finse schrijfster Leena Lehtolainen werd geboren op 11 maart 1964 in Vesanto. Zie ook mijn blog van 11 maart 2007.

 

Uit: Die Todesspirale

 

„Kati Järvenperä parkte ihren uralten dunkelblauen Mercedes auf dem leeren Oberdeck des Parkhauses beim Einkaufszentrum von Matinkylä. Auf dem unteren Parkdeck wäre auch noch Platz gewesen, aber sie hatte keine Lust, ihren Straßenkreuzer mühsam in eine Lücke zu manövrieren. Es war zwanzig vor acht, gerade noch Zeit, die Einkäufe zu erledigen. Beim HNO-Arzt hatten sie zwei Stunden warten müssen, bis Olli behandelt wurde. Nun blieb ihr keine andere Wahl, als ihre beiden Söhne in den Laden mitzunehmen, wo Jussi mit der Ausrede, sein kleiner Bruder wäre krank, bestimmt um Süßigkeiten betteln würde.

Kati klappte den Kofferraum auf und nahm Ollis Buggy und eine Getränkekiste heraus. Später, wenn die Kinder schliefen, würde sie sich eine Flasche eisgekühlten Cider gönnen, den hatte sie sich verdient. Sie machte sich nicht die Mühe, den Kofferraum abzuschließen. Das tat sie selten, und trotzdem war noch nie etwas weggekommen. Wer würde in ihrer Rostlaube schon Wertgegenstände vermuten! Sie setzte den knapp zweijährigen Olli in den Buggy, schärfte dem vierjährigen Jussi ein, sich an der Getränkekiste festzuhalten, seufzte vernehmlich und zog los.

Eine Minute vor acht kamen sie zurück. Jussi hatte so lange gequengelt, bis Kati für beide Kinder Schokopudding und eine große Tüte Xylitolkaugummi gekauft hatte. Sie hatte nicht die Nerven gehabt, konsequent zu bleiben. Der Arbeitstag an der Sommeruniversität war die reine Hölle gewesen, und der Anruf aus der Tagesstätte, Olli klage schon wieder über Ohrenschmerzen, hatte ihr den Rest gegeben. Da ihr Mann um sechs Uhr eine Vorlesung halten musste, war ihr nichts anderes übriggeblieben, als mit beiden Jungen zur Poliklinik zu fahren.”

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Ernst Wiechert werd geboren op 11 maart 1831 in Insterburg. Zie ook mijn blog van 11 maart 2007.

 

Uit: Der Wald

 

„Die Nacht war sturmbewegt und warm. Schwere, dunkle Wolkenmassen jagten mit zerrissenen Rändern über den Himmel, schleppten feuchte Gewänder hinter sich her und griffen mit gierigen, lang gereckten Händen nach vorn; rafften einen Fetzen, der ihnen unter den Fingern zerrann oder tasteten haltlos ins Leere, wie jagende Menschen, die den Tod hinter sich haben und das Grauen.
Auf der Chaussee glänzten die Wasserlachen fahl und kalt, wenn das Mondlicht hastig und gedämpft hernieder fiel. Stand aber zwischen zwei Wolkenwänden die glänzende Scheibe für ein paar Atemzüge ruhig und strahlend in blauer Höhe, dann schimmerten wie ein Kirchenschiff Nähe und Ferne, die dampfende Frühlingsscholle, Wiesen und Gebüsch, bis zum hohen Walde am Ende der leuchtenden Welt.
Dann erschien jedes Mal auf der Chaussee, als springe er aus der Nacht heraus, der unruhige, zuckende Schatten des Wanderers, der mit dem Sturm nach Norden schritt, den Hut in der Hand und den klingenden Stock in der Faust. Und jedes Mal war es, als risse ihn das Bild des rastlosen Schattens eiliger vorwärts, den Wolken nach, die ihn überjagten, und dem Sturme nach, der in dem ersten Grün der Birken wühlte. Der Schrei der Wildgänse flog ihm voraus, in die unruhige, brausende Nacht, die aufglänzte und versank wie unter dem Licht von Scheinwerfern.
Das schlafende Dorf erschien lebendig, von hastendem, heimlichem Treiben erfüllt. Über die feuchten Strohdächer lief es wie von ausbrechender Glut und verlöschte, bis hier und dort ein First, ein schmaler Giebel aufflammte und plötzlich wieder wie in trüber Asche erstarb. Hinter den kleinen Fenstern zuckten Lichter auf wie hinter Vorhängen, verstohlen geöffnet und hastig zugezogen, irrten über die Wände und versanken wie über böser, heimlicher Tat, während der Wind wehklagend aufschrie und in jammervollen Tönen von Haus zu Haus lief, an Türen und Fenstern rüttelnd, als schreie jemand Hilfe suchend an den dunklen Hütten vorbei, weiter und weiter, das ganze Dorf entlang, bis die Wolken sich über den Mond stürzten und nur ein dunkles, böses Flüstern sich in der Ferne verlor.”

 

 

 

 

 

De Italiaanse dichter Torquato Tasso werd geboren op 11 maart 1544 in Sorrento bij Napels. Zie ook mijn blog van 11 maart 2007.

 

 

Das befreite Jerusalem (fragment)

Erster Gesang.

 

Den Feldherrn sing' ich und die frommen Waffen,

So des Erlösers hohes Grab befreit.

Viel führt' er aus, was Geist und Arm geschaffen,

Viel duldet' er im glorreich kühnen Streit.

Und fruchtlos droht die Hölle, fruchtlos raffen

Sich Asien auf, und Libyen, kampfbereit;

Denn Gottes Huld führt zu den heil'gen Fahnen

Ihm die Gefährten heim von irren Bahnen.

 

2.

O Muse, die mit welken Lorbeerkronen

Nie auf dem Helikon die Stirn umflicht,

Doch die im Himmel, wo die Sel'gen wohnen,

Strahlt mit des Sternenkranzes ew'gem Licht:

Hauch' in die Brust mir Glut aus Himmelszonen!

Erleuchte du mein Lied; und zürne nicht,

Füg' ich zur Wahrheit Zier, schmück' ich bisweilen

Mit anderm, als nur deinem Reiz, die Zeilen.

 

Du weißt ja, daß die Welt, wo seiner Gaben

Parnaß die süßesten verströmt, sich drängt;

Und daß die Wahrheit manchesmal, vergraben

In holden Reim, die Sprödsten lockt und fängt.

So reichen wir auch wohl dem kranken Knaben

Des Bechers Rand mit süßem Naß besprengt;

Getäuscht empfängt er, ohne Widerstreben,

Den herben Saft, und, durch die Täuschung, Leben.

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 11 maart 2007.

 

De Engelse schrijver Douglas Noel Adams werd geboren in Cambridge op 11 maart 1952.

 

De Duitse schrijver Josef Martin Bauer werd geboren op 11 maart 1901 in Taufkirchen.

 

De Duitse dichter en essayist Georg Maurer werd geboren op 11 maart 1907 in Siebenburgen (Roemenië).

 

Geschreven door Romenu om 20:33 Reageer op dit bericht

Karel van de Woestijne, Boris Vian, Manolis Anagnostakis, Joseph von Eichendorff, Jakob Wassermann, Friedrich Schlegel

Karel van de Woestijne (10 maart 1878 - 24 augustus 1929)









De Vlaamse schrijver Karel van de Woestijne werd geboren te Gent op 10 maart 1878. Zie ook mijn blog van 10 maart 2007.

 

Wijding aan mijn vader


O Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart,
en mij liet leven, en me téder léerde leven
met uw zacht spreken, en met uw strelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard ;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

 

 

 

ZOU'N WIJ GEEN GLAASKEN MOGEN DRINKEN?

 

Zou'n wij geen glaasken mogen drinken?
zou'n wij daarom een zat-lap zijn?
- De droesmen van de driften stinken
nog meer dan moer van zieken wijn.

Zou'n wij geen meisken mogen kussen?
Zou'n wij daarom een vuil-baard zijn?
- Maar wèlke boezem wordt het kussen
voor deze lang-verzopen pijn?...

Als koningen kwamen we uit den Oosten
en hadden de zilveren matten aan boord.
- Wij hebben de wàlg om ons te troosten.
Aan elke ra daar hangt een koord.

Wij werden nuchter tot bewusten
al bennen onze daden groot.
En als men moede is, kan men rusten
in uwe warme haven, Dood.

 

 

 

 

 

 

De Franse schrijver, ingenieur, dichter, zanger en jazztrompettist Boris Vian werd geboren in Ville-d'Avray op 10 maart 1920. Zie ook mijn blog van 10 maart 2007.

 

 

DE DESERTEUR

Meneer de president,
´k schrijf u een brief bij deze,
die u wellicht zult lezen
hoewel u mij niet kent.
Vanmorgen kwam de post
mij met de oproep wekken
om naar het front te trekken
als vechter uitgedost.
Meneer al bent u groot,
u moet het mij vergeven,
maar ik schiet in dit leven
geen arme and´ren dood.
Al stelt het u teleur,
´k heb mijn besluit genomen
niet naar het front te komen.
Ik word een deserteur.

Mijn vader stierf als held
Mijn broers zijn eens vertrokken
In fraaie wapenrokken
Ze sneuvelden in ´t veld.
Mijn moeder huilde lang
Nu ligt ze onder de zoden
Daar kan geen bom haar doden
Daar is ze niet meer bang.
Toen ik gevangen zat
Heeft men mijn vrouw gestolen
Mijn hart, mijn trouw gestolen
En al wat ik bezat.
Nu sluit ik morgenvroeg
De deur af naar ´t verleden
´k Ga zwerven door het heden
Want zo is het genoeg.

Ik trek van noord naar zuid
Ik loop door zon en regen
en kom de mensen tegen
draag zo mijn boodschap uit:
Negeer het kil bevel
En weiger om te strijden
En weiger om te lijden
Blijf uit die oorlogshel.
Meneer de president
Waarom ons bloed te vragen?
Ga zelf uw leven wagen
Als u zo moedig bent.
Nee, ik draag geen geweer
Geef opdracht aan uw knechten
Mij niet te vast te hechten
Knal mij gewoon maar neer.

 

 

 

 

 

 

De Griekse dichter Manolis Anagnostakis werd geboren op 10 maart 1925 in Thessaloniki. Zie ook mijn blog van 10 maart 2007.

 

 

NOW HE IS A SIMPLE SPECTATOR

Now he is a simple spectator
An insignificant fellow in the crowd
Now he no longer applauds nor is applauded
A stranger wandering to the call of the streets.

The new trumpeters come from afar
From the chosen classes of the future
Their cries demolish the decayed walls
They melt the mud into luminous streams.
The pure are coming, the non-hypocrites,
Violators, non-participants, virgins,
Crafty fellow diners, these innocents,
And the registrars of our days.
The great blaze is coming
Amid the jets of merry water.
The final proscriptions are coming.

But now he is a simple spectator
An anonymous little fellow in the crowd
With his arms on his chest a dead man laid out
Now he no longer applauds nor is applauded.

(Always know the when and the how).

 

 

 

 

 

THE MORNING . . .


In the morning
At 5
The dry
Metallic echo
After the loaded trucks
That shattered the doors of sleep.
And the final ‘adieu’ of the day before
And the final steps on the damp tiles
And your last letter
In the arithmetic notebook from your childhood
Like the grill on the small window
Which slides up the parade of the morning’s
Joyous sun with perpendicular black lines.

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Joseph von Eichendorff werd op 10 maart 1788 op het slot Lubowitz in Ratobor. Zie ook mijn blog van 10 maart 2007.

 

 

Abendlich schon rauscht der Wald

 

Abendlich schon rauscht der Wald
Aus den tiefsten Gründen,
Droben wird der Herr nun bald
An die Sternlein zünden.
Wie so stille in den Schlünden,
Abendlich nur rauscht der Wald.

 

Alles geht zu seiner Ruh.
Wald und Welt versausen,
Schauernd hört der Wandrer zu,
Sehnt sich recht nach Hause.
Hier in Waldes stiller Klause,
Herz, geh endlich auch zur Ruh.

 

 

 

Der wandernde Student

 

Bei dem angenehmsten Wetter
Singen alle Vögelein,
Klatscht der Regen auf die Blätter,
Sing ich so für mich allein.

 

Denn mein Aug kann nichts entdecken,
Wenn der Blitz auch grausam glüht,
Was im Wandern könnt erschrecken
Ein zufriedenes Gemüt.

 

Frei von Mammon will ich schreiten
Auf dem Feld der Wissenschaft,
Sinne ernst und nahm zu Zeiten
Einen Mund voll Rebensaft.

 

Bin ich müde vom Studieren,
Wann der Mond tritt sanft herfür,
Pfleg ich dann zu musizieren
Vor der Allerschönsten Tür.

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Jakob Wassermann werd geboren op 10 maart 1873 in Fürth. Zie ook mijn blog van 10 maart 2007.

 

Uit: Selbstbetrachtungen

 

Ich bin als junger Mensch ein unermüdlicher Wanderer gewesen, beständig war ich unterwegs, schon im ersten Frühjahr meines Aufenthaltes in Österreich unternahm ich wochenlange Expeditionen, bei denen ich oft zehn Stunden täglich marschierte, denn zu Eisenbahnfahrten hatte ich zu wenig Geld. So lernte ich die Landschaft vom Böhmer Wald bis in den Karst und vom Marchfeld bis in die Dolomiten gründlich kennen, ich wurde auch zum passionierten Bergsteiger, und bereits um die Wende des Jahrhunderts setzte ich mich für den größten Teil des Jahres in dem weststeirischen Tal fest, wo ich jetzt ständig lebe. Es ist für mich die schönste Landschaft der Welt, die reichste, beseelteste, harmonischste. Im »Goldenen Spiegel« und im zweiten Teil von »Ulrike Woytich« ist sie der Schauplatz charakteristischer Begebnisse, eine Anzahl Studien, in denen ich versucht habe, ihren besonderen Geist und die besondere Art ihrer Menschen darzustellen, liegt noch in meiner Mappe, aber ich glaube nicht, daß die Landschaft, in der er lebt, den gestaltenden Schriftsteller zur Formung auffordern und reizen soll, sie mit seinen Geschöpfen zu bevölkern, wenn er nicht gerade ein Jeremias Gotthelf, ein Stifter oder ein Hamsun, also nicht nur als Individuum, sondern im Generationsschicksal in ihr verwurzelt ist. Als mithandelndes Element und sozusagen freistehendes Bild habe ich die Landschaft nur in meinen frühesten Erzählungen aufgenommen und wo sie mir, als heimatliche Erde, seelisch zugehörig war. Im Verlauf der fortschreitenden Erkenntnis der Phantasiewirkungen habe ich mehr und mehr getrachtet, das Gegenständliche der äußern Welt ins Rhythmische zu übersetzen und in die Charaktere zu verlegen, ein der dramatischen Form verwandtes Prinzip, das ich als Raum-Abbreviatur bezeichnen möchte, von dem ich aber natürlich nicht sagen kann, ob es auf andre Arbeitsmethoden anwendbar ist als auf meine. Bestimmend ist dabei ein Gesetz der Linienführung, das nicht minder gebieterisch ist als etwa das der Atemführung. Vieles was dem Außenstehenden als Absicht, als Kunstgriff oder als Unvermögen erscheint, ist nichts weiter als die Auswirkung der organischen Beschaffenheit, die sich in zwangsläufigen Überlegungen niederschlägt und infolgedessen oft wie eine Hilfskonstruktion aussieht.“

 

 

 


Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 maart 2007.
 


De Duitse dichter, vertaler en filosoof
Karl Wilhelm Friedrich von Schlegel werd geboren op 10 maart 1772 in Hannover.

 

Geschreven door Romenu om 20:53 Reageer op dit bericht

Vita Sackville-West, Heere Heeresma, Ed Hoornik, Peter Altenberg, Heleen van Royen, Agnes Miegel, Umberto Saba

Vita Sackville-West (9 maart 1892 – 2 juni 1962)








De dichteres en schrijfster Vita Sackville-West werd geboren op 9 maart 1892 in Kent. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

 

And so it ends

 

And so it ends,
We who were lovers may be friends.
I have some weeks in which to steel
My heart and teach myself to feel
Only a sober tenderness
Where once was passion's loveliness.

I had not thought that there would come
Your touch to make our music dumb,
Your meeting touch upon the string
That still was vibrant, still could sing
When I impatiently might wait
Or parted from you at the gate.

You took me weak and unprepared.
I had not thought that you who shared
My days, my nights, my heart, my life,
Would slash me with a naked knife
And gently tell me not to bleed
But to accept your crazy creed.

You speak of God, but you have cut
The one last thread, as you have shut
The one last door that open stood
To show me still the way to God.
If this be God, this pain, this evil,
I'd sooner change and try the Devil.

Darling, I thought of nothing mean;
I thought of killing straight and clean.
You're safe; that's gone, that wild caprice,
But tell me once before I cease,
Which does your Church esteem the kinder role,
To kill the body or destroy the soul?

 

 

 

 

Days I enjoy

 

Days I enjoy are days when nothing happens,
When I have no engagements written on my block,
When no one comes to disturb my inward peace,
When no one comes to take me away from myself
And turn me into a patchwork, a jig-saw puzzle,
A broken mirror that once gave a whole reflection,
Being so contrived that it takes too long a time
To get myself back to myself when they have gone.
The years are too strickly measured, and life too short
For me to afford such bits of myself to my friends.
And what have I to give my friends in the last resort?
An awkwardness, a shyness, and a scrap,
No thing that's truly me, a bootless waste,
A waste of myself and them, for my life is mine
And theirs presumably theirs, and cannot touch.

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Heere Heeresma werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1932. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

Uit: Manifest voor de jaren zeventig

 

“Nu de georganiseerde schrijvers te duidelijk hebben aangetoond dat zij onvoldoende sociale of literaire persoonlijkheid bezitten om voor zichzelf een literair vakmanschap dan wel voor hun teksten een sociale of kulturele funktie op te eisen en nu zij zich daarom niet vergelijkbaar op de burgerlijke klassieke schrijvers kunnen beroepen, zijn zij er toe overgegaan om hun belangen te plaatsen in het kader van de sociale rechtvaardigheid. Zij hebben, zowel naar het jargon dat zij bezigen als naar de syndikalistiese denkbeelden die zij daarin uitdrukken, klaarblijkelijk de autoriteit van andere dan burgerlijke schrijvers aangewend om hun bestaansmogelijkheden te verdedigen. Maar laat men zich niet vergissen. Ook nu zijn de argumenten die de georganiseerde schrijvers aanvoeren alleen formeel juist. Schijnbaar hebben zij zich aan de zijde van de werkende massa geschaard. Maar zowel naar de vorm van hun organisatie als naar de inkleding van hun akties beogen deze schrijvers niets anders dan om met steun van de bestaande syndikaten hun eksklusieve en voor de massa onherkenbare teksten te kunnen blijven produceren. Evenals alle andere kleine zelfstandigen die hun bedreigde partikuliere belang verdedigen vanuit een syndikalistiese of pseudo-revolutionaire idee moeten zij beschouwd worden als reaktionaire opportunisten. Zij zijn de kruimeldieven van de mode.

Het zijn de nieuwe schrijvers die het meest te lijden hebben van de katterige onzin die vandaag de dag aan iedereen die lezen kan en wil en zelfs aan iedereen die nauwelijks lezen kan of het al niet meer wil wordt opgedrongen door de zogenaamde belangenbehartigers van alle Nederlandse schrijvers. Niet de gehele Nederlandse literatuur ondervindt op het ogenblik ernstige gevolgen van de koncentraties. De enige werkelijk bedreigde literatuur in ons land is die welke geproduceerd wordt door de aankomende en de beginnende schrijvers, degenen die nog geen enkel of slechts één enkel boek hebben kunnen publiceren. Op verschillende fronten wordt door de Nederlandse schrijversorganisatie strijd geleverd voor een verbetering van de ekonomiese positie van de literaire schrijvers. Maar het zijn de schrijvers die namens deze organisatie spreken die de ekonomiese positie van de nieuwe schrijvers nog onmogelijker maken dan hij nu al is.”

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en prozaïst Ed Hoornik werd geboren in Den Haag op 9 maart 1910. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

 

Sterilisatie

I

 

Zij dorst niet dadelijk naar 't duister af te dalen,

bleef al maar dralen bij het wondende begin,

en dan, wijdloopig, om het duidelijk te verhalen

bleef zij plots steken midden in een zin,

 

waarin zijn naam toch nog te snel, te onvoorzichtig werd genoemd;

toen sprak zij enkel nog over haar broeder

bereid en fel, en tot in 't schaamtelooze onverbloemd,

- en dieper dan een zuster leek ze mij toen moeder...

 

II

 

De jonge Jood: hij had zijn handen uit den arbeid stil zien worden,

en zocht en zwierf, maar leerde, zoeken heeft geen zin,

want voor zijn kracht was er geen doel; en hij verdorde,

toen iedre dag kwam met een eender leeg begin.

 

Maar op een keer aan tafel werd hij rood, greep naar de schalen,

vernielde ze, sprak dwaze dingen, dokters zeiden, hij is schizofreen,

en dreigden hem, totdat hij werkelijk ging malen;

vrouwen en paarden joegen door zijn droomen heen.

 

Daar hij geen geld bezat om zijn bewakers mild te stemmen

loerden zij dag en nacht op hun verzonken prooi,

toen hij dit merkte, braken de laatste remmen,

en werd hij vastgebonden in een kooi.

 

De anderen hebben tranen om zijn heil vergoten,

maar hij verstond te doen, alsof 't hem niet deerde,

toch is hij nog - uit voorzorg - ingespoten,

een weinig tijds, voordat men hem steriliseerde.

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Altenberg werd geboren op 9 maart 1859 in Wenen. Zie ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

Uit: So wurde ich

 

“Ich saß im vierunddreißigsten Jahre meines gottlosen Lebens, Details kann eine Tageszeitung unmöglich bringen, ich saß im Café Central, Wien, Herrengasse, in einem Raum mit gepreßten englischen Goldtapeten. Vor mir hatte ich das "Extrablatt" mit der Photographie eines auf dem Wege zur Klavierstunde für immer entschwundenen fünfzehnjährigen Mädchens. Sie hieß Johanna W. Ich schrieb auf Quartpapier infolgedessen, tieferschüttert, meine Skizze "Lokale Chronik". Da traten Arthur Schnitzler, Hugo von Hofmannsthal, Felix Salten, Richard Beer-Hofmann, Hermann Bahr ein. Arthur Schnitzler sagte zu mir: "Ich habe gar nicht gewußt, daß sie dichten!? Sie schreiben da auf Quartpapier, vor sich ein Portrait, das ist verdächtig!" Und er nahm meine Skizze "Lokale Chronik" an sich. Richard Beer-Hofmann veranstaltete nächsten Sonntag ein literarisches Souper und las zum Dessert diese Skizze vor. Drei Tage später schrieb mir Hermann Bahr: "Habe bei Herrn Richard Beer-Hofmann Ihre Skizze vorlesen gehört über ein verschwundenes fünfzehnjähriges Mädchen. Ersuche Sie daher dringend um Beiträge für meine neugegründete Wochenschrift "Die Zeit"!" Später sandte Karl Kraus, auch Fackel-Kraus genannt, weil er in die verderbte Welt die Fackel seines genial-lustigen Zornes schleudert, um sie zu verbrennen oder wenigstens "im Feuer zu läutern", an meinen jetzigen Verleger S. Fischer, Berlin W., Bülowstraße 90, einen Pack meiner Skizzen mit der Empfehlung, ich sei ein Original, ein Genie, einer, der anders sei. S. Fischer druckte mich, und so wurde ich! Wenn man bedenkt, von welchen Zufälligkeiten das Lebensschicksal eines Menschen abhängt! Nicht?! Hätte ich damals, im Café Central, gerade eine Rechnung geschrieben über die seit Monaten nicht bezahlen Kaffees, so hätte Arthur Schnitzler sich nicht für mich erwärmt, Beer-Hofmann hätte keine literarische Soiree gegeben, Hermann Bahr hätte mir nicht geschrieben. Karl Kraus freilich hätte meinen Pack Skizzen unter allen Umständen an S. Fischer abgeschickt, denn er ist ein "Eigener", ein "Unbeeinflußbarer". Alle zusammen jedoch haben mich gemacht. Und was bin ich geworden?! Ein Schnorrer!”

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 maart 2007.

 

De Nederlandse romanschrijfster en columniste Heleen van Royen werd geboren in Amsterdam op 9 maart 1965.

 

De Duitse dichteres Agnes Miegel werd op 9 maart 1879 in Königsberg geboren.

 

De Italiaanse schrijver Umberto Saba werd geboren op 9 maart 1883 in Triëst.

 

Geschreven door Romenu om 20:01 Reageer op dit bericht

Hafid Bouazza, Jeffrey Eugenides, John McPhee, Eric Linklater, Jan Nepomucen Potocki, Harry Thürk

Hafid Bouazza (Oujda, 8 maart 1970)









De Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza werd geboren op 8 maart 1970 in Oujda, Marokko. Zie ook mijn blog van 8 maart 2007.

 

Uit: Paravion

 

“‘Een amandelboom stond als eerste in bloesem.De bomen in de vallei begonnen op aanwijzing van de wind te spreken, schudden hun bladeren als een menigte wasvrouwen hun wasgoed, de beek stroomde vastberaden en bracht verkoeling, de vijgen rijpten. In het water dreven de gouden vruchten die de zon liet vallen. De geiten waren welgevoed en een droevig vibrato klonk door in hun gemekker. Het voorhoofd van Baba Baloek was mooi rond, hij had de mond van zijn moeder, de bovenlip ietwat opgekruld bij de snijtanden, de onderlip hing lichtelijk en vormde een kleine bekken waarin speeksel glinsterde en die het tandvlees blootgaf. Hij had een charmante, ronde wipneus, zijn wimpers krulden trots op als de bladen van een lelie in volle bloei. In het wit van zijn oogbollen lag een verre, heiige hemel begraven.

 

(…)

 

Fruitverkopers, ijscomannen, verkopers van gekoelde Orangina en orgeade, staande achter kleine karretjes, en venters van van alles en nog wat zongen de lof en de prijs van hun waar. Gendarmes, de baret op het hoofd of in de broekzak, liepen rond met zwarte knuppels die tegen het dijbeen zwaaiden en verjoegen nu en dan een arme marskramer om een parodie van dienstbetrachting op te houden. Gehurkte negers, geroosterd door de zon, in scharlaken kledij en met zwarte mutsen versierd met venusschelpen, roosterden pinda’s. Kiosken boden kranten, tijdschriften, sigaretten en ansichtkaarten te koop aan. Een bij werd misleid door de afbeelding van een roos op een kaart en botste ertegenaan, op zoek naar een ingang tot die dimensie.’

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Jeffrey Eugenides werd geboren op 8 maart 1960 in Detroit. Zie ook mijn blog van 8 maart 2007.

 

Uit: Middlesex

 

“I was born twice: first, as a baby girl, on a remarkably smogless Detroit day in January of 1960; and then again, as a teenage boy, in an emergency room near Petoskey, Michigan, in August of 1974. Specialized readers may have come across me in Dr. Peter Luce's study, "Gender Identity in 5-Alpha-Reductase Pseudohermaphrodites," published in the Journal of Pediatric Endocrinology in 1975. Or maybe you've seen my photograph in chapter sixteen of the now sadly outdated Genetics and Heredity. That's me on page 578, standing naked beside a height chart with a black box covering my eyes.

My birth certificate lists my name as Calliope Helen Stephanides. My most recent driver's license (from the Federal Republic of Germany) records my first name simply as Cal. I'm a former field hockey goalie, longstanding member of the Save-the-Manatee Foundation, rare attendant at the Greek Orthodox liturgy, and, for most of my adult life, an employee of the U.S. State Department. Like Tiresias, I was first one thing and then the other. I've been ridiculed by classmates, guinea-pigged by doctors, palpated by specialists, and researched by the March of Dimes. A redheaded girl from Grosse Pointe fell in love with me, not knowing what I was. (Her brother liked me, too.) An army tank led me into urban battle once; a swimming pool turned me into myth; I've left my body in order to occupy others -- and all this happened before I turned sixteen.“

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver John Angus McPhee werd geboren op 8 maart 1931 in Princeton. Zie ook mijn blog van 8 maart 2007.

 

Uit: A Sense of Where You Are

 

“My father, for fourteen years or so, has served as physician to United States Olympic teams. And for more than forty years, before his retirement in June of 1964, he was a physician to college athletes, almost all of that time at Princeton. I know that he greatly admires excellence in athletes, and that he would regularly become quite caught up in the evolution of a Princeton team's season, its hopes for a championship, and the kind of performance an individual might be sustaining; but these things were discernible only in highly indirect ways. He has a taciturnity celebrated in his circle, and he can watch, say, a Princeton halfback go ninety-eight yards for a touchdown without even faintly showing on the surface the excitement he feels within him. In fact, from the late thirties, which is as far back as I can remember, until the winter of 1962, I had never heard him actually make a direct statement of praise about any athlete, let alone make high claims, proud or otherwise, for an athlete's abilities. Then the phone rang one day in my apartment in New York, where I had been living for some years, and my father was on the other end, saying, "There's a freshman basketball player down here who is the best basketball player who has ever been near here and may be one of the best ever. You ought to come down and see him." 

I remember being so surprised that I felt more worried about my father than interested in the basketball player. Finally, I said, "What's his name?" 

"What difference does that make? They're playing Penn tomorrow night at six-thirty." 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 maart 2007.

 

De Schotse schrijver Eric Robert Russell Linklater werd geboren op 8 maart 1899 in Dounby, Orkney.

 

De Poolse schrijver, geschiedkundige en ontdekkingsreiziger graaf Jan Nepomucen Potocki werd geboren op 8 maart 1761 in Pikov.

 

De (Oost)Duitse schrijver Harry Thürk werd geboren op 8 maart 1927 in Zülz, Oberschlesien.

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Bret Easton Ellis, Jürgen Theobaldy, Georges Perec, Milo Dor, Reinhard Kaiser, Abe Kōbō, Jan Frederik Helmers, Alessandro Manzoni, Manfred Gregor

Reinhard Kaiser (Viersen, 7 maart 1950)









De Amerikaanse schrijver Bret Easton Ellis werd geboren op 7 maart 1964 in Los Angeles. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

Uit: Glamorama

 

“A wave of cold wind sweeps over the crowd standing behind the barricades in front of the club and causes the confetti strewn over the plush purple-and-green carpet leading up to the entrance to dance and swirl around the legs of cops guarding the place and behind the velvet ropes stand three cool Irish guys Damien hired, each of them holding a walkie-talkie and a separate guest list, and on either side of the velvet ropes are huge gangs of photographers and then the head publicist--smiling warmly until she sees Chloe's dress--asks us to wait where we are because Alison, wearing the same Todd Oldham dress Chloe has on, and Damien in a Gucci tuxedo are making their entrance and posing for the paparazzi, but people in the crowd have already noticed Chloe and shout out her name in high, garbled voices. Damien appears unusually tense, his jaw clenching and unclenching itself, and Lauren suddenly grabs my hand and I'm also holding Chloe's and when I look over at Chloe I notice she's holding Baxter's.

Damien turns around when he hears people shouting out Chloe's name and he nods at me, then smiles sadly at Lauren, who just mutters something indifferent, and when he sees Chloe's dress he does a hideous double take and tries valiantly to smile back a humongous gag and then he hurriedly ushers Alison into the club even though she's in the middle of taking major advantage of the photo ops, obviously pissed at the interruption, and thankfully Chloe's already too blinded by the flashing cameras to have noticed Alison's dress and I'm making a significant mental note about what should happen once inside: dim all the lights, sweet darling, or the night will be over with.

The photographers start shouting out all our names as we move toward the stairs leading up into the club and we linger for the appropriate amount of time--our faces masks, Chloe smiling wanly, Baxter smiling sullenly, Lauren genuinely smiling for the first time tonight, me sufficiently dazed--and above the door in giant '70s lettering is a warning from MTV ("This Event Is Being Videotaped. By Entering You Consent to the Cablecast and Other Exhibition of Your Name, Voice and Likeness") and then we're inside moving through the metal detectors and Chloe whispers something into my ear that I can't hear. We'll slide down the surface of things . . .

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Theobaldy werd geboren op 7 maart 1944 in Straatsburg. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

 

Leichte Kavallerie

Hinter seinem Stirnbein toben
die Schlachten, denen es entkam.

Mit einer Hand voll Gräsern
lockst du es weg vom Gras.

Legst du ihm die Hand auf,
zwischen seinen Augen,

fühlst du die Schädelstätte,
auf die es blickt.

 

 

 

 

Ins Innere der Insel

 

Nun endlich los! Das Lärmen der Zikaden
hat mir schon manchen Morgen wund gerieben.
Wie leicht, so durch die Sommerflut zu waten,
den Weg hinauf, wie sonnenklar die Strahlen.
Das Grün wird Staub und vor mir her getrieben.

Die nackten Füße zeichnen meine Spur in Bast.
Bald wird die Hitze in der Mittagsstille toben.
Die Ode summt im Kabel über mir vom Mast.
Die Bienen tanzen summend um die Quelle oben.

Tief draußen flattern Wellen, fernhin angehoben.

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Georges Perec werd geboren op 7 maart 1936 in Parijs. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

Uit: Het leven, een gebruiksaanwijzing (La vie, mode d'emploi)

“
Mijn naam is Cinoc. Hoe spreek je mij aan?
Cinoc, die toen een jaar of vijftig was, beoefende een merkwaardig vak.
Hij was, zoals hij het zelf zei, "woordenverdelger": zijn werk bestond uit het actualiseren van de Larousse-encyclopedieën. Maar terwijl andere redacteuren op zoek waren naar nieuwe woorden en betekenissen, moest hij, om plaats voor ze te maken, alle in onbruik geraakte woorden en betekenissen verwijderen.
Op een gegeven moment gaat hij met de VUT (ana-locachronisme) en wil nog iets constructiefs doen. Wat onderneemt hij?
De vertalers moeten plezier hebben gehad met verschillende passages. In de Nederlandse vertaling zijn Franse woorden opgenomen als voorbeelden van beslissingen van Cinoc.
Wat vindt de lezer de aardigste manier om dit vertaalprobleem aan te pakken?
(een paar woorden zijn voor ons niet in onbruik geraakt, vele woorden houden het in de ene streek langer vol dan in de andere)”

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Milo Dor werd als Milutin Doroslovac geboren op 7 maart 1923 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

Uit: Angekommen

 

„Seit ich sie aus nächster Nähe gesehen habe, seit ich hinter ihnen gestanden bin, kann ich die Holzpferde nicht mehr vergessen. In ihnen ist mehr Bewegung als in den lebenden Tieren, obwohl sie wie erstarrt dastehen in einem leichten, unhörbaren Galopp, mit aufgerissenen Augen, in denen die grenzenlose Sehnsucht nach der Weite lodert, mit schnaubenden, geblähten Nüstern und wehenden, schäumenden Kämmen. Man muss sie nä her kennen,um zu sehen, dass sie nicht erstarrt, sondern nur verzaubert sind. Ein vertrauter Pfiff, eine alte Arie auf der Drehorgel gespielt, kann sie wieder ins Leben rufen. Aber in was für ein Leben! Wenn man sich im richtigen Augenblick in ihren Sattel wirft, werden alle Ketten losgerissen, die einen an grausame Formalitäten binden, die man großzügig das Leben nennt. Wenn man sie rechtzeitig besteigt, kann man sich von allem befreien, was einen drückt und knebelt, dann kann man am besten sich selbst entkommen, um am Ende zu seinem wahren Ich zurückzufinden. Deshalb loben wir die Holzpferde! Sie führen uns in die Freiheit, in die richtige Freiheit und in das wahre Leben, das von den Kindern und von den Dichtern am reinsten empfunden oder geahnt wird ..."

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Reinhard Kaiser werd geboren op 7 maart 1950 in Viersen. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

Uit: Unerhörte Rettung

 

„Mein erstes Tagebuch

Im März 1942 bekommt Helene Holzman ein Briefchen von Lyda aus dem Ghetto. Darin schreibt sie:

»Ich habe Edwin zugeredet, sich scheiden zu lassen. Es ist die einzige Möglichkeit, uns beide zu retten, denn hier geht er zugrunde.«

Lyda scheint die Schrecken und das tägliche Elend des Ghettos besser zu verkraften als ihr Mann, und zur formellen Scheidung hatte sie ihm schon geraten, als es noch um die Frage des Umzugs ins Ghetto ging. Ohne jüdische Frau wäre dem »Halbjuden« das Ghetto erspart geblieben. Im August 1941 hatte Edwin Geist die Scheidung von der geliebten Frau noch abgelehnt. Ein halbes Jahr später ist er zermürbt. Er verspricht »alles«, was von ihm verlangt wird, und kommt wirklich aus dem Ghetto frei. Eines Tages Ende März klingelt es bei Helene Holzman.

»Ich öffnete die Tür. Da stand Edwin – stand, nein, er fiel in die Wohnung, wie ein Wild, das in seiner Höhle Zuflucht sucht. Nicht mehr derselbe, von dem wir im August Abschied genommen hatten. Der früher ein wenig behäbige, genußfrohe, humorvolle Mann war dürr, mit scharfen Linien um Nase und Mund, wachsbleich und mit einem schreckhaften, hysterischen Zug in den vorstehenden Augen, die krausen, dunklen Haare sehr gelichtet. Und doch der alte Edwin. Eine Welle der Freude stieg in mir hoch, daß das Unwahrscheinliche wirklich gelungen und er, mag die Zeit ihn auch verändert haben, nun wirklich wieder da war. Er fand auch mich völlig verändert. Was tut’s? Wir waren die alten Freunde, umarmten und küßten uns und sprachen von nichts anderem als von Lyda und wie wir ihr helfen könnten.
Er blieb nur eine Stunde, denn er wollte noch einmal zurückgehen, seine Sachen abholen und noch zwei Tage bei Lyda bleiben. Wir beluden ihn mit Päckchen und nahmen leichten Abschied.«

 

 

 

 

De Japanse schrijver Abe Kōbō werd geboren op 7 maart 1924 in Tokyo. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

Uit: The Face of Another

 

‘AT LAST you have come, threading your way through the endless passages of the maze. With the map you got from him, you have finally found your way to my hideaway--the first room at the top of the creaking, harmonium-pedal stairs. You've mounted with somewhat shaky steps. You hold your breath and knock. Why is there no answer? Instead, only a young girl comes running like a kitten. She is supposed to open the door for you. You ask if there isn't a message; the girl doesn't answer but smiles and runs away.

You peep in, looking for him. But he isn't there, not a trace is left; and an odor of ruin floats in the air. A dead room. Expressionless walls look back at you; you shudder. As you are about to go, though with a feeling of guilt, the three notebooks on the table, together with the letter, catch your eye, and you realize that you too are trapped at last. No matter how loathesome the thoughts that well up in you, you cannot resist the temptation. You have torn open the envelope with trembling hands, and now you are beginning to read the letter.

 

You are probably humiliated and angry. But I should like you to fix your eyes on the paper, though you don't want to, and go on reading. I want so desperately for you to come safely through this moment and make a step toward me. Have I lost to him or has he lost to me? Either way, my masked play is over. I have murdered him, and I proclaim myself the criminal. I shall confess everything, entirely. Whether you act out of generosity or selfishness, I want you to go on reading. He who has the right to sit in judgment also has the obligation to listen to the defendant's statement.”

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 7 maart 2007.

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Frederik Helmers werd geboren op 7 maart 1767 in Amsterdam.

 

De Italiaanse schrijver Alessandro Francesco Tommaso Manzoni werd geboren op 7 maart 1785 in Milaan.

 

De Duitse schrijver Manfred Gregor (pseudoniem van Gregor Dorfmeister) werd geboren op 7 maart 1929 in Tailfingen.


Geschreven door Romenu om 20:57 Reageer op dit bericht

Gabriel García Márquez, Elizabeth Barrett Browning, Günter Kunert, Jan Kjærstad, Victoria Maria Benedictsson, Stanisław Lec, Cyrano de Bergerac

Gabriel García Márquez (Aracataca,  6 maart 1928)









De Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez werd op 6 maart 1928 in de kustplaats Aracataca geboren. Zie ook mijn blog van 6 maart 2007.

 

Uit: Love in the Time of Cholera

 

“IT WAS INEVITABLE: the scent of bitter almonds always reminded him of the fate of unrequited love. Dr. Juvenal Urbino noticed it as soon as he entered the still darkened house where he had hurried on an urgent call to attend a case that for him had lost all urgency many years before. The Antillean refugee Jeremiah de Saint-Amour, disabled war veteran, photographer of children, and his most sympathetic opponent in chess, had escaped the torments of memory with the aromatic fumes of gold cyanide.

He found the corpse covered with a blanket on the campaign cot where he had always slept, and beside it was a stool with the developing tray he had used to vaporize the poison. On the floor, tied to a leg of the cot, lay the body of a black Great Dane with a snow-white chest, and next to him were the crutches. At one window the splendor of dawn was just beginning to illuminate the stifling, crowded room that served as both bedroom and laboratory, but there was enough light for him to recognize at once the authority of death. The other windows, as well as every other chink in the room, were muffled with rags or sealed with black cardboard, which increased the oppressive heaviness. A counter was crammed with jars and bottles without labels and two crumbling pewter trays under an ordinary light bulb covered with red paper. The third tray, the one for the fixative solution, was next to the body. There were old magazines and newspapers everywhere, piles of negatives on glass plates, broken furniture, but everything was kept free of dust by a diligent hand. Although the air coming through the window had purified the atmosphere, there still remained for the one who could identify it the dying embers of hapless love in the bitter almonds. Dr. Juvenal Urbino had often thought, with no premonitory intention, that this would not be a propitious place for dying in a state of grace. But in time he came to suppose that perhaps its disorder obeyed an obscure determination of Divine Providence.

 

 

 

 

 

 

De Engelse dichteres Elizabeth Barrett Browning werd op 6 maart 1806 geboren in Durham, Engeland. Zie ook mijn blog van 6 maart 2007.

 

Grief

 

I tell you, hopeless grief is passionless;
That only men incredulous of despair,
Half-taught in anguish, through the midnight air
Beat upward to God's throne in loud access
Of shrieking and reproach. Full desertness,
In souls as countries, lieth silent-bare
Under the blanching, vertical eye-glare
Of the absolute Heavens. Deep-hearted man, express
Grief for thy Dead in silence like to death--
Most like a monumental statue set
In everlasting watch and moveless woe
Till itself crumble to the dust beneath.
Touch it; the marble eyelids are not wet:
If it could weep, it could arise and go.

 

 

 

 

The Best Thing In The World

 

What's the best thing in the world?
June-rose, by May-dew impearled;
Sweet south-wind, that means no rain;
Truth, not cruel to a friend;
Pleasure, not in haste to end;
Beauty, not self-decked and curled
Till its pride is over-plain;
Love, when, so, you're loved again.
What's the best thing in the world?
--Something out of it, I think.

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 6 maart 2007.

 

Uit: Die Botschaft des Hotelzimmers an den Gast

 

„Auch mir ist ein Splitter des Teufelsspiegels ins Auge geflogen. Doch da ich nie weinen konnte, außer in der Kindheit, wurde ich ihn auch nie los. Der unmenschliche, Menschen erkennende Scharfblick macht sich bemerkbar durch Satire und Ironie. Das ist mir geblieben.
Sie wollen Schriftsteller werden? Bringen Sie sich in eine aussichtslose Lage, und Sie werden merken, wie Ihnen plötzlich Kreativität zuwächst.

Grundgesetz der Literatur: Beim Schreiben muß man alles das vergessen, was man übers Schreiben weiß.

Poetik: Was man wirklich weiß, ist die eigene Biografie, und nur die zählt. Das Gedicht ist eine magische und archaische Erscheinung: es kommt nicht nur aus der geschichtlichen Ferne, es steigt auch aus der Tiefe unserer persönlichen Vergangenheit. Und die Wiederholung ist ein Prinzip der Beschwörung: Du mußt es dreimal sagen. Und das außerdem immer wieder!

Egomanie, Introversion, Ichbezogenheit, Eigenschaften, welche mir durch die Umstände früh andressiert wurden und die mich später vor der Selbstauflösung im Kollektiv bewahrt haben. Ich konnte mich dieser Parteigemeinschaft nicht so hingeben wie andere; da war eine Sperre, und ich blieb der Außenseiter, zu dem mich das Dritte Reich gemacht hatte. Außer meiner heftigen und anhaltenden Lektüre halte ich diese Egomanie für eine, falls nicht die wichtigste Voraussetzung für Kreativität. Wer Literatur verfertigt, kann sich nur um die Grundlage dafür, nämlich sich selber kümmern. Und es war vielleicht auch die einzige Rettung, um nicht am Verschwinden der mich umgebenden Menschen mitgestorben zu sein. Weil ich so sehr für mich selber lebte...
(1996)

Begreife durchaus Jack Nicholson, der in »Shining« einen Schriftsteller darstellt, wie er, den ganzen Tag über an der Maschine sitzend, nichts anderes tippt als seinen eigenen Namen. (Bin ganz sicher, der Drehbuchautor war sich des Symbols nicht bewußt...)

Das Selbstbewußtsein, das Selbstwertgefühl bildet das Zentrum unseres Seins. Ich bin der Wichtigste von allen, das weiß man doch, das erfährt man doch unentwegt. Wer für sich selber zur Randerscheinung wird, verliert die Lebenskraft und wird zum Schatten seiner existenzunfähigen Person. Grund zum Suizid. Wie sehr erst spielt dieses Gefühl bei Schriftstellern, bei Intellektuellen seine dominante Rolle, da sie, durch ihre Kreativität, durch ihre Denkprozesse, durch die permanente Ausschöpfung der eigenen Befindlichkeit und des als Eigentum empfundenen Wissens, vollkommen auf sich selber fixiert sind. “

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 maart 2007.

 

De Noorse schrijver Jan Kjærstad werd geboren op 6 maart 1953 in Oslo.

 

De Zweedese schrijfster Victoria Maria Benedictsson werd geboren op 6 maart 1850 in Schonen.

 

De Poolse dichter en aforist Stanisław Jerzy Lec werd geboren op 6 maart 1909 in Lemberg.

 

De Franse schrijver Savinien Cyrano de Bergerac werd geboren op 6 maart 1619 in Parijs.

 

Geschreven door Romenu om 20:46 Reageer op dit bericht

Pier Paolo Pasolini, Arthur van Schendel, Koos van Zomeren, Leslie Marmon Silko, Frank Norris

Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)










De Italiaans filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook mijn blog van 5 maart 2007.

 

I WORK ALL DAY...

 

I work all day like a monk

and at night wander about like an alleycat

looking for love... I'll propose

to the Church that I be made a saint.

In fact I respond to mystification

with mildness. I watch the lynch-mob

as through a camera-eye.

With the calm courage of a scientist,

I watch myself being massacred.

I seem to feel hate and yet I write

verses full of painstaking love.

I study treachery as a fatal phenomenon,

almost as if I were not its object.

I pity the young fascists,

and the old ones, whom I consider forms

of the most horrible evil, I oppose

only with the violence of reason.

Passive as a bird that sees all, in flight,

and carries in its heart,

rising in the sky, an unforgiving conscience.

 

 

 

DIARY

 

Grown up? Never---never---!

Like existence itself

which never matures

staying always green

from splendid day to splendid day---

I can only stay true

to the stupendous monotony

of the mystery.

That's why I've never abandoned myself

to happiness, that's why

in the anxiety of my sins

I've never been touched

by real remorse.

Equal, always equal,

to the inexpressible

at the very source

of what I am.

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Arthur van Schendel werd geboren op 5 maart 1874 in Batavia. Zie ook mijn blog van 5 maart 2007.

 

Uit: Fregattschiff Johanna Maria (Vertaald door Gregor Seferens)

 

“Das Dreimastvollschiff "Johanna Maria" wurde an einem Februartag des Jahres 1865 von der Werft auf Oostenburg1in Amsterdam zu Wasser gelassen. Es herrschte Windstille und regnerisches Wetter, doch die Sonne schien weiß durch den Nebel und leuchtete auf dem frischen Rot des Kiels und der Flagge. Nachdem eine Mädchenhand ihn befreit hatte, geriet der Rumpf unter lauten Männerrufen allmählich ins Gleiten, dann drängte er vorwärts und stürzte sich ungestüm ins aufspritzende Wasser, das über dem Steven zusammenschlug, bis die Kabel, die ihn hielten, knarrten und quietschten. Nun lag dort ein Schiff, das auf der Kabbelung schaukelte und dessen Flaggenfarben sich spiegelten im Naß.

Einen Monat später, nachdem die Masten aufgestellt, die Innenarbeiten erledigt waren und man das Schiff gründlich inspiziert hatte, wurde es ins Nieuwediep verholt, wo das Takelwerk vervollständigt werden sollte. Dort am Kai kam ein Prahm mit Arbeitern längsseits, die die Galionsfigur brachten, eine vergoldete, die Hoffnung darstellende Frauengestalt, deren linke Hand einen Anker hielt und deren rechte auf der Brust lag. Um ihren Nacken wand sich, direkt am Schegg befestigt, ein Band, worauf mit sieben Lettern auf der einen und sieben Lettern auf der anderen Seite der Wahlspruch stand: "Nildesperandum". Band und Buchstaben waren aus Kupfer, damit der Spruch, auch wenn die Vergoldung verwitterte, fest am Schiff blieb.

 

Morgens und mittags standen Männer mit Kranzbärten auf dem Kai und schauten bei der Arbeit zu. Manchmal blinzelte einer, ehe er weiterging, manchmal nahm einer die Pfeife aus dem Mund, um ein paar Worte zu sagen. Ein Kopfnicken bedeutete Bewunderung, aber es gab niemanden, der nicht bedenklich die Augen zusammengekniffen hätte, wenn er die Höhe der Masten und Stengen maß. Die "Johanna Maria", obwohl stattlich gebaut, mit hohem Bug und kräftigen Spanten, führte tatsächlich unter den Wimpeln eine wagemutige Takelage. Als das Schiff fertig war und die Reeder, die Herren ten Hope, es mit dem Baumeister und dem Kapitän besichtigten, meinten auch sie, daß die obersten Stengen gekürzt werden müßten. Der Kapitän jedoch, der ein glücklicher Mann war, berichtete lachend von ebensolcher Takelage, mit der die Engländer unglaubliche Geschwindigkeiten erreichten, und er gab sein Wort, dasselbe zu tun, wenn die Herren nur für die richtige Ladung sorgten.

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver, columnist en dichter Koos van Zomeren werd geboren in Velp op 5 maart 1946. Zie ook mijn blog van 5 maart 2007.

 

Uit: Ik heet welkom

 

 

Er is een taal die alles laat
zoals het is – maar niemand
kan hem spreken.

Lieveling blijft lieveling
in deze taal en leeuwerikje
leeuwerikje.
Of ijs of spanrups of
de Dom van Keulen, niets heeft
iets van deze taal te vrezen.

Natuurlijk, kogel blijft
in deze taal een kogel, hij
heelt geen wonden, lest
geen dorst, lenigt
geen verdriet. Maar wat
doet het ertoe:

er is geen woord voor ik in deze
taal, niemand kan hem spreken.

 

 

 

 

 

 

De Indiaans-Amerikaanse schrijfster Leslie Marmon Silko werd geboren op 5 maart 1948 in Albuquerque, New Mexico. Zie ook mijn blog van 5 maart 2007.

 

Uit: Almanac of the Dead

 

“Iets in hun woordkeuze had Clinton ongerust gemaakt. Elke keer als hij het woord vervuiling hoorde raakte Clinton wantrouwig. Te vaak hadden Europeanen mensen uitsluitend vanwege ‘gezondheidsredenen’ uitgeroeid. Onlangs had Clinton advertenties gezien die door zogeheten ‘deep ecologists’ waren geplaatst. De advertenties weten de vervuiling van de aarde niet aan industrieel afval - koolwaterstofverbindingen en straling - maar aan overbevolking. Het was geen toeval dat de Groene Partij haar oorsprong vond in Duitsland. ‘Teveel mensen’ betekende ‘teveel donkergekleurde mensen’. Clinton kon tussen de regels door lezen. De ‘deep ecologists’ eindigden hun advertenties steeds met ‘Stop immigratie!’ en ‘Sluit de grenzen’. Clinton moest gniffelen. De Europeanen waren erin geslaagd om in minder dan vijfhonderd jaar het schone land en het schone water overal ter wereld te vervuilen. Nu wilden de vervuilers de laatste stukjes van de levende aarde alleen voor zichzelf.”

 

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 5 maart 2007.

 

De Amerikaanse schrijver Frank Norris werd geboren op 5 maart 1870 in Chicago.

Geschreven door Romenu om 20:32 Reageer op dit bericht

Khaled Hosseini, Kristof Magnusson, Léon-Paul Fargue, Alan Sillitoe, Giorgio Bassani, Kito Lorenc, Jean-Joseph Rabearivelo, Irina Ratushinskaya

Khaled Hosseini (Kabul, 4 maart 1965)










De Afghaanse schrijver Khaled Hosseini is geboren op 4 maart 1965 in Kabul. Zie ook mijn blog van 4 maart 2007.

 

 

Uit: A Thousand Splendid Suns

 

“Mariam was five years old the first time she heard the word harami.

It happened on a Thursday. It must have, because Mariam remembered that she had been restless and preoccupied that day, the way she was only on Thursdays, the day when Jalil visited her at the kolba. To pass the time until the moment that she would see him at last, crossing the knee-high grass in the clearing and waving, Mariam had climbed a chair and taken down her mother's Chinese tea set. The tea set was the sole relic that Mariam's mother, Nana, had of her own mother, who had died when Nana was two. Nana cherished each blue-and-white porcelain piece, the graceful curve of the pot's spout, the hand-painted finches and chrysanthemums, the dragon on the sugar bowl, meant to ward off evil.

It was this last piece that slipped from Mariam's fingers, that fell to the wooden floorboards of the kolba and shattered.

When Nana saw the bowl, her face flushed red and her upper lip shivered, and her eyes, both the lazy one and the good, settled on Mariam in a flat, unblinking way. Nana looked so mad that Mariam feared the jinn would enter her mother's body again. But the jinn didn't come, not that time. Instead, Nana grabbed Mariam by the wrists, pulled her close, and, through gritted teeth, said, "You are a clumsy little harami. This is my reward for everything I've endured. An heirloom-breaking, clumsy little harami."

At the time, Mariam did not understand. She did not know what this word harami - bastard - meant. Nor was she old enough to appreciate the injustice, to see that it is the creators of the harami who are culpable, not the harami, whose only sin is being born. Mariam did surmise, by the way Nana said the word, that it was an ugly, loathsome thing to be a harami, like an insect, like the scurrying cockroaches Nana was always cursing and sweeping out of the kolba.”

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Kristof Magnusson werd geboren op 4 maart 1976 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 4 maart 2007.

 

Uit: Männerhort

 

„LARS Diesmal hat sie mir versprochen, dass wir ins Sport-Paradiso gehen. Wir gehen rein, ich schon auf dem Weg zu den Tennisschlägern, da entdeckt sie diese Fahrräder, wo man vorne ein Kind drauf tun kann: Schläufchen, Füßchen, Sättelchen... Anne kannst du in einen Waffenladen schicken, und sie findet etwas, was sie auf das Thema Kinder bringt. Will sie so ein Fahrrad. Mit Damensattel.
Weil Männersättel sind so geformt. Das vermeidet, dass man impotent wird. Wenn man eine Frau auf einen Männersattel setzt, wird die Luft falsch ventiliert. Und was nützt dem Mann seine erhaltene Potenz, wenn sie eine Blasenentzündung hat? Nix. Also muss ein Damensattel her. Am besten Luftpolster, weil das drückt nicht aufs Schambein. Ich wusste gar nicht, dass Frauen so was haben, ein Schambein. Vom unternehmerischen Standpunkt kann ich es ja verstehen: Innovation, Innovation, da will jede Körperzone erschlossen sein. Kauft sie sieben von diesen Damensätteln, weil die auch kaputt gehen, und dann hat sich ihr Schambein daran gewöhnt, und später gibt es die nicht mehr, und das Kind wird behindert.
Hab ich euch eigentlich erzählt, dass ich Vater werde?

HELMUT Was? Nein.

EROLL Mensch, das ist ja...

LARS Sag ich zu Anne: Anne, ich lieb dich vom Feinsten, aber meinst du nicht, dass du mit drei von den Sätteln bis mindestens durch die Menopause radeln kannst?

 

 

HELMUT Dieses Sofa stand im bei fashion point g. Auf diesem Sofa hat Waldemar damals versucht, ein pfirsichfarbenes Negligé in 38 gegen eins in 40 in apricot umzutauschen. Im Schlussverkauf, fünf Minuten vor Ladenschluss, halbnackte Frauen kämpften um die letzte freie Umkleidekabine...
Dieses Sofa ist Waldemar gewidmet. Der sitzt seit diesem Tag in der Psychiatrie, ordnet Kassenbons und stammelt „Umtausch, Umtausch“.

 

 

 

 

 

 

De Franse dichter en essayist Léon-Paul Fargue werd geboren op 4 maart 1876 in Parijs. Zie ook mijn blog van 4 maart 2007.

 

Uit: Silhouettes

 

„...Elle dort. Elle s'est repliée avec soin. Elle subit l'empire de ses formes rondes et place ses bras sous sa nuque comme pour soutenir son fragile et précieux sommeil. La bouche est légèrement ouverte, la paupière frémit sous des atomes de fard qui la chatouillent encore. Pareil au courant électrique, le rêve, parfois, traverse ce chef-d'œuvre courbe dont la seule vue me comble et me déchire. J'ai dû bouger, enfreindre une loi, car le visage s'émeut et glisse, sans s'animer pourtant, sans reprendre contact avec le réel. Le sommeil, simplement, a manifesté quelque contrariété devant l'audace pesante de l'intrus. J'admire le soin avec lequel ce repos a été dessiné, inscrit sur le drap fin, combien la pose est réussie, tentante, en dépit de la sécurité qui a présidé au ravissant évanouissement. Une femme qui dort est un tableau. Rien n'a été fait à la légère, et même ce livre, qui a été posé à terre au dernier moment, attire le regard comme un objet précieux, fier de sa place. Cette fleur qui se penche hors de son vase impose à sa tige une rondeur polie, distinguée. La boite à cigarette, le flacon, le bâton de rouge, le mouchoir mince et vaporeux, tous les objets épars sur la table de chevet sont pour moi les accessoires d'un ballet interrompu, que la Belle au Bois Dormant prolonge dans un rêve, et que je quitte à pas de loup pour ne pas le déchirer...”

 

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Alan Sillitoe werd geboren op 4 maart 1928 in Nottingham. Zie ook mijn blog van 4 maart 2007.

 

 

Uit: A Start in Life

„You just tell me what you want out of life,’ she said, ‘and I’ll tell you.’

‘I don’t want to have to wonder what I want,’ I said, doing my best. ‘I want to live so that I never have to stop to ask myself what my ambition is or what I’m going to do. That’s what everybody does. They want this job or that house or a car. They want to become a foreman, a director or a manager. They have hopes of owning this or that, or they set their target on marrying a certain woman who it looks impossible for them to get. And when they have all these things they’ll want something else, and where’s nothing else for them to want, or their spirit is so broken that they can’t want or strive for anything in any case, they have a convenient accident and die, or just die. To want is the Devil’s own trick. To live without wanting is God’s blessing – thought I don’t believe in God or the Devil’s own trick. Yet it was a black day in my life when I switched from not wanting to wanting, and I don’t know when it happened. Probably before I was born, when I was still in my mother, or during the few minutes before my first feed. But I still only swing between the two like a skinned monkey looking for its skin. One minute I want, and the next minute I’m full of innocence. It’s all mixed up mostly, because often when I want so that’s ready to die getting it, that’s when everything is hopeless and there’s not a chance of me getting it. When I’m in the agreeable mood of not wanting, all I want to do is to stay alive. In the wanting frame of mind I’m so much full of want that I don’t know what I want, or if I do it’s so many things that I don’t know what to try for first, and so end up not trying for any of them. So I get blown around like a straw, and in the meantime live more or less all right by doing as little work as possible.’

‘It doesn’t seem to me that you’re telling me the truth.’

I laughed. ‘It doesn’t seem so to me, either.

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 4 maart 2007. 


De Italiaanse schrijver
Giorgio Bassani werd geboren op 4 maart 1916 in Bologna.

 

De Duits-sorbische dichter, schrijver en vertaler Kito Lorenc werd geboren op 4 maart 1938 in Schleife (Oost-Sachsen).

 

De Madagassische dichter en schrijver Jean-Joseph Rabearivelo werd geboren op 4 maart 1901 in Antananarivo.

 

De Russische dichteres en dissidente Irina Ratushinskaya werd geboren op 4 maart 1954 in Odessa.

 

Geschreven door Romenu om 20:26 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten