Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Crauss, Ingrid Jonker, Patrick Marber, Orlando Emanuels, Stefanie Zweig

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook mijn blog van 19 september 2008. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

 

der mond über zollstock

 

ist der selbe wie hier. ick vermisse dir,

du bist das masz aller dinge, die elle,

um die mich die freunde beneiden. nimm meinen langen

schatten unter den arm, wenn im zollstocker eck du nicht

mehr erinnerst, wie das spiel früher ging:

ich &du &dazwischen der mond. denn

wisse: du bist die ellen, die ich vermisse.

 

 

 

 

u & e
mittelgebirgsermittlung

 

es gibt keinen horizont aber
alles ist eben. am tage
ein kontingent aus 24 abgemessenen worten
ein leseband fliesst gerade hindurch
aber es fehlt die schleuse die ebene
anzuheben zu einem sturz aus ausgelaufenen filzstiften:
ich schmiere mit dem handrücken die mulden aus u
& den beklemmenden sommer zu
sumpf. jetzt ist es herbst & ein nebel zieht vor
das licht ist schön mild nur einsam
steht ein geziegeltes e dann wird es nacht
& das sprechen ein bergisches land

 

 

 

 

cf_improvisation 3

 

am sichersten lemcke fragen: man vergisst

so viel zwischen den gerüsten gedanken gebäude

türmen sich auf in der küche im wohnzimmer

verliert ein pepsigetränk leben und all diese tiere

aus staub! es ballen sich träume im bad und im

flur vielleicht hilft es zu fragen was stellt

dieses verschachtelte was stellen die prosabalkone

was stellt das kreideblech dar. du brauchst doch

dieses amerika nicht aus twintowerkarton

und emiprestatekisten. wo soll uns das hinführen

sage was könnte es sein das ich vergesse.

die antwort hat lemcke die ameisendateien und alles

was vormals hinter das bett... nerven muskeln ent

scheidungen: vielleicht doch lieber nach wien?

und bete die flugzeuge weg! ich lese vergesse

bin schon am morgen ganz müde. dieser schweflige

gifthimmel das muss von der kola das kommt

von den blitzen im kopf. wo sind wir denn hier.

 

 

 

 

Crauss-Crauss
Crauss (Siegen, 19 september 1971)

 

 

 

 

De Zuidafrikaanse dichteres en schrijfster Ingrid Jonker werd geboren op 19 september 1933 bij Komberley (Noord Kaap). Zie ook mijn blog van 19 september 2006 en ook mijn blog van 19 september 2008.

 

 

Bittervrucht van dageraad 


(Bitterbessie dagbreek) 

Bittervrucht van de dageraad 
bittervrucht van zon 
een spiegel is gebroken 
tussen mij en hem 

Wil ik langs de hoofdweg 
rennend op een draf 
telkens slaan er paadjes 
met zijn woorden af 

Dennenbos herinnering 
dennebos vergeet 
waar ik ook verdwaal 
trap ik in mijn leed 

Papegaai-bonte echo 
lach me, lach me uit 
totdat ik bedrogen 
op het spotwoord stuit 

Echo is geen antwoord 
antwoordt hij alom 
bittervrucht van dageraad 
bittervrucht van zon.

 

 

Het kind dat doodgeschoten is door soldaten bij Nyanga

 

Het kind is niet dood

het kind heft zijn vuisten naar zijn moeder

die Afrika schreeuwt  de geur schreeuwt

van vrijheid en heide

in de townships van het omsingelde hart

 

het kind heft zijn vuisten naar zijn vader

in de optocht van de generaties

die Afrika schreeuwen  de geur schreeuwen

van gerechtigheid en bloed

in de straten van zijn gewapende trots

 

Het kind is niet dood

noch bij Langa noch bij Nyanga

noch bij Orlando noch bij Sharpville

noch bij het politiebureau van Philippi

waar het ligt met een kogel door zijn hoofd

 

Het kind is de schaduw van de soldaten

op wacht met geweren pantserwagens en knuppels

het kind is aanwezigbij alle vergaderingen en wetgevingen

het kind loert door de vensters van huizen en in de harten

van moeders

het kind dat alleen maar wilde spelen in de zon bij Nyanga is overal

het kind dat een man is geworden trekt door heel Afrika

het kind dat een reus is geworden trekt door de gehele wereld

 

Zonder pas

 

 

 

Vertaald door Gerrit Komrij

 

 

 

 

Jonker
Ingrid Jonker (19 september 1933 – 19 juli 1965)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver, acteur en regisseur Patrick Marber werd geboren op 19 september 1964 in Londen. Hij groeide op in Wimbledon en studeerde in Oxford. Na vier jaar als Standup-Comedian te hebben gewerkt ging hij in 1991 naar Parijs tot hij gevraagd werd als acteur en schrijver aan een nieuwe serie voor Radio 4 mee te werken. De serie won prijzen en kwam ook op televisie. Marber begon draaiboeken te schrijven. Als toneelschrijver debuteerde hij in 1997 met zijn stuk Closer in eigen regie in het National Theatre.

 

Uit: Don Juan In Soho

 

DJ (To Statue) What are you?

STATUE Recognition

Pause

DJ Are you alive

STATUE I come from the dead.

Pause

DJ Why?

STATUE You know why. You have always known.

STATUE You summoned me.

DJ When?

STATUE Last night. In the square. You invited me to join you.

DJ I was not myself

STATUE You are always yourself. It is that you cannot bear.

DJ I don’t believe in you. I choose not to believe in you!

STATUE I am you.

They stare at each other. DJ understands now:

DJ Recognition.

 

 

 

 

marber
Patrick Marber (Londen, 19 september 1964)

 

 

 

 

De Surinaamse dichter en schrijver Orlando Emanuels werd geboren in Paramaribo op 19 september 1927. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: De duivel verkoopt zijn ziel

 

‘Vergeten die ellendelingen dan wie ik ben?’ Hij beukt met zijn vuisten op het bureau. Zo vroeg op de morgen schenkt hij zich al zijn vierde borrel in en drinkt het glas in één teug leeg.

‘Verdomme... ver-dom-me!’ Hij schenkt zich nogmaals in en ook nu verdwijnt de whisky in één slok. ‘Geen enkele uitgever weigert zomaar een manuscript van Edward John Mesquita, wiens boeken jaren achtereen op de bestsellerslijst hebben geprijkt!’

De ellebogen op het bureau geplant en met de vuisten zijn kin ondersteunend kijkt hij neer op het schrijven dat opengevouwen voor hem ligt. De inhoud liegt er niet om, duidelijk staat er dat het toegezonden manuscript enigszins teleurstellend is en dat men dan ook niet tot uitgeven ervan kan overgaan.

‘Met mooie woorden geven ze mij te kennen dat mijn manuscript is afgewezen! Ondankbaar tuig! Het is toch voornamelijk mijn werk waar ze hun kapitaal mee verdiend hebben! Zij zijn heus niet de enige uitgevers in het land. Voor een schrijver van mijn kaliber staan de deuren van alle uitgeverijen wijd open!’

De drankverslaving van Edward John Mesquita was de uitgevers niet onbekend gebleven en hoewel die het erover eens waren dat zijn latere pennevruchten bij lange na niet het niveau van zijn eerder verschenen werk haalden, hadden ze rekening gehouden met zijn status en de manuscripten toch geaccepteerd. Maar de duidelijke teruggang die ze vooral bij zijn laatste werk hadden geconstateerd, had een vernietigend oordeel tot gevolg gehad.

Na zes shots zit Edward John Mesquita nog steeds over de brief heen gebogen, zijn ogen zijn rood doorlopen en hij beeft van woede: ‘Ik ga die shits hun eigen braaksel laten slikken! Ik ga ze tonen waar ik met mijn 72 jaar nog toe in staat ben. Ik ga het beste verhaal schrijven dat ooit uit mijn pen is gevloeid! Als honden laat ik hen naar mij toe kruipen om mij te smeken het te mogen uitgeven. Als honden! Ik zal me revancheren, al moet ik daarvoor bij de duivel aankloppen.

Als hij wakker wordt, is het reeds middag. Hij leunt niet meer op zijn vuisten, maar ligt uitgestrekt over het bureau. Flarden van een gesprek dwarrelen door zijn hoofd. Iemand had gesproken over het onrecht dat de uitgevers hem hebben gedaan. Die vreemde gast had hem assistentie bij het schrijven van zijn verhaal aangeboden. Iemand. Wie?”

 

 

 

Emanuuels
Orlando Emanuels (Paramaribo, 19 september 1927)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Stefanie Zweig werd geboren in Leobschütz, Oberschlesien, op 19 september 1938. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: Das Haus in der Rothschildallee

 

„Strahlende Sonne am 27. Januar war seit zwölf Jahren eine Berliner Tradition. Am Geburtstag von Kaiser Wilhelm II. strahlten die Sonne und die Bürger der Reichshauptstadt um die Wette. Selbstbewusst flanierten sie auf ihren Prachtstraßen und ein jeder wusste, dass »Kaiserwetter« eine Berliner Spezialität war.

Weit weniger kaisertreu zeigten sich die Januarwinde, die von den Bergen im Taunus nach Frankfurt wehten. In der ehemaligen Freien Reichsstadt waren die Leute zu bürgerstolz und skeptisch, um auf neumodische monarchistische Mythen zu setzen. Die Frankfurter empfanden den kaiserlichen Geburtstag als einen Tag, der sich nicht von den übrigen dreißig im Monat unterschied – übellaunig

schimpften sie den Januar einen rücksichtslosen Wüstling. Mit eiserner Faust vergalt ihnen der garstige Geselle seinen schlechten Leumund; häufig übertraf er mit Wetterkatastrophen, die zu Tragödien führten, noch seinen fürchterlichen Ruf.

Der 27. Januar 1900 war allerdings in der schönen Stadt am Main der strahlende Beweis, dass in der Meteorologie noch weniger Verlass auf Verallgemeinerungen ist als auf besser überschaubaren Gebieten. An diesem letzten Samstag im Januar war das Frankfurter Wetter, wie die Leuteeinander aufgeräumt versicherten, wenn sie am Flussufer spazieren gingen und die Kirchturmspitzen in der Wintersonne wie die vergoldeten Kuppeln in Märchenbüchern glitzerten, »zum Eier Legen«. Der volkstümliche Ausdruck entstammte der Sommersprache, eignete sich aber trefflich, um am einundvierzigsten Geburtstag Seiner Majestät Kaiser Wilhelms II. das Lebensgefühl der Menschen zwischen den Ebbelweinwirtschafen in Sachsenhausen und den Feldern auf dem Lohrberg zu beschreiben. Der Himmel über den Frankfurtern, die dafür bekannt waren, dass sie nur glaubten, was sie sahen, anfassen und schmecken konnten, war am 27. Januar 1900 so klar und blau wie seit

Wochen nicht mehr.

Solch rares Wetterglück erhellte die dunkelste Gesindestube. Die Sonne erreichte feuchtes Gemäuer in engen Gassen und strahlte mit Titanenkraft auf Herrenhäuser und die weiträumigen Plätze, von denen es immer mehr in der Stadt gab. Hell im Licht der Hoffnung leuchteten die Schwanzfedern der Wetterhähne. Die alten Stadttürme wirkten, als wären sie in der Nacht geputzt worden. Auf der Zeil und in der Kaiserstraße pfiffen vorwitzige Spatzen von allen Dächern, dass es bald Frühling werden würde. Frisch gestriegelt waren die Pferde vor den geputzten Kutschen.“

 

 

 

stefanie-zweig
Stefanie Zweig (Leobschütz, 19 september 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 19:27 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Mika Waltari, Jean-Claude Carrière, Curt Meyer-Clason, William Golding, Hartley Coleridge

De Finse schrijver Mika Toimi Waltari werd geboren in Helsinki op 19 september 1908. Op wens van zijn moeder studeerde hij eerst theologie, maar hij wendde zich al snel tot de literatuurwetenschap en de filosofie. Na zijn studie werkte hij o.a. als journalist, vertaler en literair criticus. Beroemd werd hij door zijn romans die levensechte beschrijvingen bieden van oude culturen. Sinuhe de Egyptenaar (ook verfilmd) en De Romein zijn twee voorbeelden daarvan. Werk van Waltari, met name Sinuhe de Egyptenaar, dat uit 1945 dateert, werd in ruim 30 talen vertaald, waaronder het Nederlands (in 1949).

 

Uit: Sinuhe der Ägypter (Vertaald door Charlotte Lilius)

 

„Die Wächter wagten mich nicht daran zu hindern, weil ich Haremhabs Arzt war und die Soldaten mich bereits als einen boshaften Mann kannten, der sich sogar getraute, Haremhab mit harten und beißenden Worten entgegenzutreten. Zu Aziru aber ging ich, weil er in ganz Syrien keinen einzigen Freund mehr besaß. Ein gefangener, seines Reichtums beraubter und zu schimpflichem Tode verurteilter Mann hat keine Freunde mehr. Ich begab mich zu ihm, weil ich wusste, dass er das Leben sehr liebte, und weil ich ihm auf Grund all dessen, was ich gesehen, versichern wollte, dass es überhaupt nicht lebenswert sei. Auch wollte ich ihm als Arzt sagen, dass Sterben leicht sei, leichter jedenfalls als die Qual, der Kummer und das Leid des Lebens. Das Leben ist eine heiße, versengende Flamme, der Tod hingegen das dunkle Wasser der Vergessenheit. Das alles wollte ich ihm sagen, weil er am Morgen darauf sterben sollte, und ich wusste, dass er ohnehin nicht schlafen werde, da er das Leben über alles liebte. Sollte er aber meinen Worten kein Gehör schenken, so wollte ich mich schweigend neben ihn setzen, damit er nicht allein sei. Der Mensch kann wohl leicht ohne Freunde leben, ohne einen einzigen Freund zu sterben aber fällt ihm schwer, besonders wenn er zu Lebzeiten Kronen auf dem Haupte getragen und über viele Menschen befohlen hat.
Deshalb schlich ich mich im Dunkel der Nacht in das Zelt, wo er in Fesseln gehalten wurde. Bei Tageslicht hatte ich mich ihm nicht zeigen wollen und war ihm mit verhülltem Gesicht ausgewichen, als er und seine Familie auf schmähliche Weise in Haremhabs Lager geschleppt wurden, wobei ihn die Soldaten verhöhnten und mit Schmutz und Pferdemist bewarfen. Denn er war ein sehr stolzer Mann, dem es sicherlich peinlich gewesen wäre, wenn ich ihn in seiner Erniedrigung gesehen, nachdem ich ihn in den besten Tagen seiner Kraft und Macht gekannt hatte. Deshalb hatte ich ihn am Tage gemieden und suchte sein Zelt erst im Dunkel der Nacht auf. Die Wächter hoben ihre Speere und sprachen zueinander: ‚Wir wollen ihn einlassen! Es ist Sinuhe, der Arzt, der sich gewiss nicht auf unerlaubten Wegen befindet. Wenn wir ihm den Zutritt verweigern, wird er uns vielleicht beschimpfen oder durch Zauberei entmannen; denn er ist ein boshafter Mensch, und seine Zunge sticht ärger als ein Skorpion.‘
 

 

 

 

Mika_Waltari
Mika Waltari (19 september 1908 - 26 augustus 1979)

 

 

 

 

 

De Franse romanschrijver, regisseur, acteur, toneel- en scenarioschrijver Jean-Claude Carrière werd geboren op 19 september 1931 in Colombières-sur-Orb, Hérault. Hij schreef honderden scenario's waaronder 'Le Fantôme de la liberté', later een film van Luis Buñuel .Hij werkte ook samen met onder meer Peter Brook en Jaques Tati. Eerder verscheen van zijn hand 'Entretiens sur la multitude du monde', dat hij schreef samen met Thibault Damour.

 

Uit: Mit anderen Worten. Ein erotischer Sprachführer  (Vertaald doorNathalie Rouanet)

 

Paris, am 3. September

 

Sehr geehrtes Fräulein!

 

Ich danke Ihnen für Ihren Brief, der mich zutiefst berührt und den schlaffen Mann (der ich aber nicht immer war) wachgerüttelt hat.

Die wissenschaftliche Arbeit, die Sie ansprechen und die heute vergriffen ist, hatte den genauen Titel „Abhandlungen zur Entwicklung des erotischen Vokabulars“. Ich habe sie schon vor sehr langer Zeit veröffentlicht, und ich wage zu behaupten, daß sie bis heute unübertroffen ist. Selbstverständlich sind seitdem einige neue Ausdrücke entstanden – die Sprache lebt –, aber ich habe mich immer so gut es ging auf dem laufenden gehalten.

So haben sich ergänzende Notizen zum Buch angesammelt. Sie verteilen sich bereits über meine ganze Wohnung.

Ich glaube, ich kann Ihre heikle Frage beantworten. Sie fürchten, daß Ihr quälendes Problem mir „eigenartig oder unangebracht“ erscheinen könnte. Seien Sie beruhigt: Ich bin glücklich, Ihnen helfen zu können und mein bescheidenes Wissen zu Ihren Füßen zu legen, die ich mir übrigens sehr hübsch vorstelle.

„Es ist kein Handwerk schlecht, doch viele treiben’s nicht recht.“ Sie beschäftigen sich, wenn ich Sie richtig verstanden habe, mit der „Synchronisation“ fremdsprachiger Filme, die, wie Sie sagen, einen entschieden pornographischen Charakter haben, und Sie bedauern den armseligen Wortschatz, der Ihnen vorgelegt wird. Niemand könnte Sie besser verstehen als ich. Es ist vielleicht ein-  oder zweimal vorgekommen, seitdem ich im Ruhestand bin, daß ich mich in eines dieser Kinos verirrt habe, und ich war jedes Mal zutiefst betrübt, und zwar nicht über das Gesehene, sondern über das Gehörte. Immer die gleichen abgenutzten und ordinären Wörter. So üppig die Kurven, so flach die Sprache.

Dabei verfügt unsere schöne Sprache, glauben Sie mir, mein Fräulein, in diesem Bereich über wahre, meist verkannte Schätze. Nehmen wir zum Beispiel den Ausdruck Liebe machen, den Sie sicherlich verwenden und der seit immer und ewig durch das Verb ficken ausgedrückt wurde, das seine heutige Bedeutung schon im 16. Jahrhundert bekommen hat und nach und nach das früher verbreitete fickfacken ersetzte, und es lassen sich sofort jede Menge malerische und köstliche Synonyme finden, etwa im Jargon der Schneiderinnen das Wort einfädeln oder, um im Handwerklichen zu bleiben, stangeln und wetzen, die sehr gebräuchlich sind, eigentlich genauso wie pflanzen, stechen, pfropfen, bimsen, und nicht zu vergessen poppen, das in Deutschland sehr beliebt ist und seinen Reiz hat.*

 

 

 

 

carriere
Jean-Claude Carrière (Colombières-sur-Orb, 19 september 1931)

 

 

 


De Duitse schrijver en vertaler
Curt Meyer-Clason werd geboren op 19 september 1910 in Ludwigsburg. Hij volgde een opleiding voor de handel en werkte als koopman in Bremen, Brazilië en Argentinië. In 1955 keerde hij naar Duitsland terug en werd lector in München. Vanaf de jaren zestig begon hij steeds meer te vertalen, vooral werk van schrijvers uit Latijns Amerika. Van 1969 tot 1976 leidde hij het Goethe Instituut in Lissabon. Meyer-Clason publiceerde verhaqlen en essays, maar vooral als vertaler en uitgever een grote bijdrage geleverd aan de receptie van moderne Latijnsamerikaanse in het Duitse taalgebied.

 

Uit: Die Erzählungen (Gabriel Garcia Marquez, vertaald door Curt Meyer-Clason)

 

„Die dritte Entsagung

Da war wieder dieser Lärm. Jener kalte, schneidende, senkrechte Lärm, den er schon so gut kannte; der sich jetzt aber als scharf und schmerzhaft erwies, als sei er ihm von einem Tag auf den anderen ungewohnt geworden.

Der Lärm kreiste in seinem leeren Schädel, dumpf und stechend. Eine Wabe hatte sich in den vier Wänden seiner Gehirnschale gebildet. Sie wuchs zunehmend in aufeinanderfolgenden Spiralen und schlug drinnen und ließ seine Wirbelsäule erzittern, unmäßig und misstönend, im sicheren Rhythmus seines Körpers. Etwas war in seinem stofflichen Aufbau eines festgefügten Menschen aus der Ordnung geraten; etwas, das »bei den anderen Malen« normal funktioniert hatte und nun in seinem Kopf hart und trocken hämmerte, mit den Knochen einer abgezehrten Hand hämmerte und ihn an alle bitteren Empfindungen des Lebens erinnerte. Er fühlte den animalischen Drang, die Fäuste gegen die blauen, vom Druck des verzweifelten Schmerzes violett angeschwollenen Adern seiner Schläfen zu pressen. Er hätte den Lärm, der den Augenblick mit seiner scharfen Diamantspitze durchbohrte, zwischen seinen beiden empfindlichen Handflächen orten mögen. Mit der Bewegung einer Hauskatze zogen sich seine Muskeln zusammen, als er sich vorstellte, wie er durch die gepeinigten Winkel seines fieberzerfetzten heißen Kopfes verfolgt wurde. Er würde ihn gleich einholen. Nein. Der Lärm hatte ein glattes, fast unberührbares Fell.“

 

  

 

Curt_Meyer-Clason
Curt Meyer-Clason (Ludwigsburg. 19 september 1910)

Ludwigsburg, markt 

 

 

De Engelse schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall, op 19 september 1911. Zie ook mijn blog van 19 september 2007 en ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: Lord of the flies

 

“The fat boy thought for a moment.

"That pilot."

The fair boy allowed his feet to come down and sat on the steamy earth.

"He must have flown off after he dropped us. He couldn't land here. Not in a place with wheels."

"We was attacked!"

"He'll be back all right."

The fat boy shook his head.

"When we was coming down I looked through one of them windows. I saw the other part of the plane. There were flames coming out of it."

He looked up and down the scar.

"And this is what the cabin done."

The fair boy reached out and touched the jagged end of a trunk. For a moment he looked interested.

"What happened to it?" he asked. "Where's it got to now?"

"That storm dragged it out to sea. It wasn't half dangerous with all them tree trunks falling. There must have been some kids still in it."

He hesitated for a moment, then spoke again.

"What's your name?"

"Ralph."

The fat boy waited to be asked his name in turn but this proffer of acquaintance was not made; the fair boy called Ralph smiled vaguely, stood up, and began to make his way once more toward the lagoon. The fat boy hung steadily at his shoulder.

"I expect there's a lot more of us scattered about. You haven't seen any others, have you?"

Ralph shook his head and increased his speed. Then he tripped over a branch and came down with a crash.

The fat boy stood by him, breathing hard.

"My auntie told me not to run," he explained, "on account of my asthma."

"Ass-mar?"

"That's right. Can't catch my breath. I was the only boy in our school what had asthma," said the fat boy with a touch of pride. "And I've been wearing specs since I was three."

He took off his glasses and held them out to Ralph, blinking and smiling, and then started to wipe them against his grubby wind-breaker. An expression of pain and inward concentration altered the pale contours of his face. He smeared the sweat from his cheeks and quickly adjusted the spectacles on his nose.

"Them fruit."

He glanced round the scar.

"Them fruit," he said, "I expect—"

He put on his glasses, waded away from Ralph, and crouched down among the tangled foliage.

"I'll be out again in just a minute—"

Ralph disentangled himself cautiously and stole away through the branches. In a few seconds the fat boy's grunts were behind him and he was hurrying toward the screen that still lay between him and the lagoon. He climbed over a broken trunk and was out of the jungle.

The shore was fledged with palm trees. These stood or leaned or reclined against the light and their green feathers were a hundred feet up in the air. The ground beneath them was a bank covered with coarse grass, torn everywhere by the upheavals of fallen trees, scattered with decaying coconuts and palm saplings. Behind this was the darkness of the forest proper and the open space of the scar. Ralph stood, one hand against a grey trunk, and screwed up his eyes against the shimmering water.”

 

 

 

 

golding
William Golding (19 september 1911 – 19 juni 1993)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Hartley Coleridge werd geboren in Clevedon, Somerset, op 19 september 1796. Hij was de oudste zoon van de dichter Samuel Taylor Coleridge. Hij ging in 1815 naar de Universiteit van Oxford en verwierf in 1820 een 'fellowship' aan Oriel College. Na zijn proefjaar werd hij hier echter van ontheven wegens 'onmatigheid'. De autoriteiten wilden de beslissing niet terugdraaien, maar gaven wel een compensatie in de vorm van 300 pond. Toen hij geen carrière kon maken in de universitaire wereld, trok hij naar Londen, waar hij privélessen gaf en korte gedichten schreef voor kranten. Zijn werk, met name zijn sonnetten, werd beschouwd als veelbelovend, maar heeft niettemin geen blijvende indruk achtergelaten. Zijn broer Derwent Coleridge verzorgde een uitgave van de Complete Poems in 1851.

 

 

Friendship

 

WHEN we were idlers with the loitering rills,

The need of human love we little noted:

Our love was nature; and the peace that floated

On the white mist, and dwelt upon the hills,

To sweet accord subdued our wayward wills:

One soul was ours, one mind, one heart devoted,

That, wisely doting, ask'd not why it doted,

And ours the unknown joy, which knowing kills.

But now I find how dear thou wert to me;

That man is more than half of nature's treasure,

Of that fair beauty which no eye can see,

Of that sweet music which no ear can measure;

And now the streams may sing for others' pleasure,

The hills sleep on in their eternity.

 

 

 

 

coleridge
Hartley Coleridge (19 september 1796 - 6 januari 1849)

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Tachtig jaar Armando, Michaël Zeeman, Ton Anbeek

De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren op 18 september 1929 in Amsterdam. Dat is dus vandaag precies tachtig jaar geleden. Zie ook mijn blog van 18 september 2006.

 

 

wat vader, de lust tot wezen en inkeer, de ver-

nietiging voor mij betekende, de lust tot bewegen

en langzaam sterven, als vóór mij de doden

de stoom van hun vergissing traag lieten verglijden,

de jaren dat wij leefden.

 

de lust tot inkeer, de vader en de vernietiging zij keren

mij om, hoe langzaam, hoe ingetogen is de hand

waarmee zij de zon boetseren om slechts te leven om te doden.

 

 

 

armando%20kelk
Kelk                              

 

 

een bijtende spreuk verlost hem van de duivel

de schepping is voltooid.

hij voelt het zachte gras, een klein gebaar omhoog en bevend

slaapt hij in.

men zoekt hem, een machteloos dier, de vader van een dode.

 

de zoon is gesneuveld, de moeder, begroeid met dromen, bestuift

haar kind moet leven, het wonder wordt gehoond:

de hemel pakt de aarde woedend aan.

 

 

 

 

armando_das_haus_12505
Das Haus

 

 

 

waarom zouden we

 

waarom zouden we wat we gedaan hebben
om vergeving vragen waarom
hebben we gedaan wat we moesten doen

we deden wat we konden om niet
te weten dat we leefden

 

 

 

 

 

Armando_88498a
Armando (Amsterdam, 18 september 1929)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman werd geboren op Marken op 12 september 1958. Zie ook mijn blog van 18 september 2008. Michaël Zeeman is op 27 juli van dit jaar overleden. Zie ook mijn blog van 28 juli 2009.

 

 

Halverwege, de factor t

 

Giet twee duim zwarte peper in een kolf,

daarna, voorzichtig, twee duim zout erop,

schudt dan de kolf met vaste hand naar grijs.

 

Nooit zal men zo lang kunnen schudden,

dat alle korrels hun plaats hernemen en grijs

weer wit op zwart, of zwart op wit geworden is.

 

Ook valt een beker melk wel in een plas

en scherven op de grond, maar nooit een

plas en scherven in een beker melk bijeen.

 

Er is geen wet die het verbiedt. Als kind

spoelden wij filmpjes terug; herstelden

de toestand, maakten de schade ongedaan.

 

De som te maken is zo simpel als die film te keren:

de factor t hoef ik er niet uit te elimineren,

er is geen reden en geen richting voor de tijd.

 

De weg loopt hellend naar de oever,

schuift rimpelloos het grijze water in.

Hoe ik ook zoek, ik vind geen ommekeer.

 

 

 

 

Halverwege, de factor t

 

Staand voor de spiegel, is alleen

links rechts en omgekeerd. Voor

blijft voor en achter achter -

 

maar is dan de voorwaarts afgelegde weg

niet ook even lang als wat achterwaarts nog rest?

 

Niet over mijn schouder, keek ik,

ik boog en week om achteruit te kijken,

ik kronkelde om te zien wat er nog komen ging.

 

Steeds kleiner de gestalte, steeds smaller de weg.

En onooglijk de verborgen diepte,

het vermoeden van bloed en gevecht -

 

de paling die in de Carriben begint,

de zalm uit de Schotse rivier -

 

zij weten het, ja, zij weten het:

ten halve gekeerd.

 

 

 

 

 

Zeeman
Michaël Zeeman (18 september 1958 - 27 juli 2009)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en letterkundige Ton Anbeek werd geboren in Ede op 18 september 1944. Zie ook mijn blog van 18 september 2008.

 

Uit: Remco Campert, al die dromen al die jaren

 

“Is de titel van Camperts romandebuut Het leven is vurrukkulluk (1961) ironisch? Wie zijn columns kent of denkt aan de rafelige figuur van de schrijver, zal snel geneigd zijn dat zonder meer aan te nemen. Toch geeft het boek wel degelijk aanleiding om de titel zonder grijns te lezen. ‘Het leven is vurrukkulluk’ is een uitspraak van het meisje Panda, dat vederlicht door het leven danst. Haar credo vat zij als volgt samen: ‘Geld is het allerallerbelangrijkste op de wereld. Geld en lichamelijke liefde. Ik ben blij dat ze bestaan.’ Over die lichamelijke liefde doet ze niet moeilijk. Tot ontsteltenis van de andere hoofdpersoon, Mees, vat ze verhoudingen even luchthartig op als hijzelf. Moralisten zullen Panda mogelijk zien als de mannenfantasie van een voor iedereen beschikbare beeldschone vrouw, maar je kan haar ook opvatten als de belichaming van de mentaliteit die later als typerend voor de jaren zestig zal worden beschouwd.

 

En er is meer dat in deze roman die roerige tijd aankondigt. Uitdagend wordt de jeugdcultuur tegenover de wereld van de ouderen gesteld. De grijsaard die in het boek voortdurend opduikt, windt zich buitengewoon op over de jeugd van tegenwoordig: ‘En maar giegullen [...]. Dat komt natuurlijk van het rokkenrollen en het Marie-Johanna roken.’ Zo heeft hij het ook over ‘rokkenrollende zakkenrollers.’ Hij wordt op zijn wenken bediend, want kort daarop wordt hij zonder pardon door Mees neergeslagen en door Panda van zijn centen beroofd. Het conflict tussen de generaties wordt samengevat in de volgende tirade van de retiradejuffrouw:

 

‘Viezerikken vind je overal,’ zei de juffrouw, ‘ook in boeken. Trouwens, wat is er zo mooi aan de werkelijkheid?’

‘Ik heb het niet over mooi,’ antwoordde Panda. ‘Ik zei dat de werkelijkheid levender is. Ik wil geen boeken lezen, ik wil leven.’

Met iets van afschuw in haar oude gezicht keek de retiradejuffrouw Panda aan. ‘Ajakkes, kind,’ zei ze, ‘ik dacht dat dat soort idealisme er in de veertiger jaren uitgebrand was. Moeten we het werkelijk weer allemaal opnieuw meemaken?’

 

Dus een boek dat het feest van de jaren zestig aankondigt? Zo eenvoudig ligt het niet. Panda mag dan wel een vlinder zijn, Mees zit heel wat gecompliceerder in elkaar. Hij krijgt van de schrijver een aantal treurige jeugdherinneringen mee (gescheiden ouders, de vader een Don Juan zonder scrupules) die hem niet bepaald een vrolijke kijk op het leven hebben meegegeven.”

 

 

 

Anbeek
Ton Anbeek (18 september 1944)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:23 Reageer op dit bericht

Samuel Johnson, Omer Karel De Laey, Jan Mens

De Britse lexicograaf, dichter, essayist en criticus Samuel Johnson werd geboren in Lichfield op 18 september 1709. Zie ook mijn blog van 18 september 2008.

 

 

The Vanity Of Human Wishes (Fragment)

 

IN IMITATION OF THE TENTH SATIRE OF JUVENAL.

 

Let observation, with extensive view,

Survey mankind, from China to Peru;

Remark each anxious toil, each eager strife,

And watch the busy scenes of crowded life;

Then say, how hope and fear, desire and hate

O'erspread with snares the clouded maze of fate,

Where wav'ring man, betray'd by vent'rous pride

To tread the dreary paths, without a guide,

As treach'rous phantoms in the mist delude,

Shuns fancied ills, or chases airy good;

How rarely reason guides the stubborn choice,

Rules the bold hand, or prompts the suppliant voice.

How nations sink, by darling schemes oppress'd,

When vengeance listens to the fool's request.

Fate wings with ev'ry wish th' afflictive dart,

Each gift of nature, and each grace of art;

With fatal heat impetuous courage glows,

With fatal sweetness elocution flows,

Impeachment stops the speaker's pow'rful breath,

And restless fire precipitates on death.

But, scarce observ'd, the knowing and the bold

Fall in the gen'ral massacre of gold;

Wide wasting pest! that rages unconfin'd,

And crowds with crimes the records of mankind;

For gold his sword the hireling ruffian draws,

For gold the hireling judge distorts the laws;

Wealth heap'd on wealth, nor truth nor safety buys,

The dangers gather as the treasures rise.

Let hist'ry tell where rival kings command,

And dubious title shakes the madded land,

When statutes glean the refuse of the sword,

How much more safe the vassal than the lord;

Low sculks the hind beneath the rage of power,

And leaves the wealthy traitor in the Tower,

Untouch'd his cottage, and his slumbers sound,

Though confiscation's vultures hover round.

 

 

 

 

 

samuel_johnson
Samuel Johnson (18 september 1709 – 13 december 1784)

Portret door Joshua Reynolds

 

 

 

 

De Vlaamse dichter, toneelschrijver en essayist Omer Karel De Laey werd geboren in Hooglede op 18 september 1876. Zie ook mijn blog van 18 september 2006 en ook mijn blog van 18 september 2008.

 

 

Fantaisie

 

Kent gij de vermaarde dichten

van den ouden Lessing niet,

die in alle dingen: Liebe und

Wein, of Wein und Liebe, ziet?

 

Trinken - van 't begin tot 't einde;

kijkt en leest: op ieder blad

is hij minstens, zonder liegen,

zes of zeven keeren zat.

 

'k Hoor u verontweerdigd roepen:

- zulke dorst is al te groot!

vader Lessing, ongetwijfeld,

vader Lessing dronk hem dood! -

 

Neen, pardon, geachte lezer,

neen! de Duitsche dichter heeft,

boven alle middenmate,

twee en vijftig jaar geleefd.

 

De uitleg hiervan is, dat Lessing

in de bekers die hij dronk,

Vele meer - het was voorzichtigst -

fantaisie dan Moezel schonk.

 

'k Ken er velen, hier te lande,

die, al spreken over wijn

of van ander zaken, zelve

Lessings... en nog erger zijn!

 

 

 

 

 

omer-karel-de-laey-dierensprookjes-gedichten
Omer Karel De Laey (18 september 1876 - 16 december 1909)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Mens werd geboren in Amsterdam op 18 september 1897. Zie ook mijn blog van 18 september 2008.

 

Uit: De kleine waarheid (Televisiserie met Willeke Alberti)

 

 

Sla, tomaten en radijsjes

 

Sla, tomaten en radijsjes

Jonge erwten, jonge meisjes

Jonge veulens, jonge lammetjes in de wei

En de zon op alle daken

Op de Amstel met zijn aken

Op Jordaan en Pijp en Vondelpark en IJ

 

Sla, tomaten en radijsjes

Westertoren speel je wijsjes

Munt en Dampaleis en Montelbaan kom erbij

Vier ons biefstuk, mals en mager

Bij de grinnikende slager

Iedereen is aardig, iedereen is blij

 

Sla, tomaten en radijsjes

Overal zijn paradijsjes

Alle dagen komt een stukje geluk voorbij

Maar omdat je 't deelt met velen

Moet je 'r krijgertje mee spelen

Of 't zegt 'iene-miene-mutte, af ben jij'...



Tekst: Willy van Hemert, Muziek: Harry de Groot

 

 

 

 

MENS
Jan Mens (18 september 1897 – 31 oktober 1967)

 

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

William Carlos Williams, H.H. ter Balkt, Ken Kesey, Abel Herzberg

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook mijn blog van 18 september 2006.  

 

 

A Sort of a Song 

 

Let the snake wait under

his weed

and the writing

be of words, slow and quick, sharp

to strike, quiet to wait,

sleepless.

-- through metaphor to reconcile

the people and the stones.

Compose. (No ideas

but in things) Invent!

Saxifrage is my flower that splits

the rocks.

 

 

 

 

Approach of Winter 

 

The half-stripped trees

struck by a wind together,

bending all,

the leaves flutter drily

and refuse to let go

or driven like hail

stream bitterly out to one side

and fall

where the salvias, hard carmine--

like no leaf that ever was--

edge the bare garden. 

 

 

 

 

January 

 

Again I reply to the triple winds

running chromatic fifths of derision

outside my window:

Play louder.

You will not succeed. I am

bound more to my sentences

the more you batter at me

to follow you.

And the wind,

as before, fingers perfectly

its derisive music.

 

 

 

 

 

williamWC
William Carlos Williams (17 september 1883 -  4 maart 1963)

 

 

 

De Nijmeegse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938.

 

 

 

De vliegen dragen de winter

 

De vliegen dragen de winter weg

uit de boom met de zeven lichten

Naar die vloeren in Siberië

Waar je heel makkelijk op bevriest

 

Een omvallende popgroep speelt daar

onder zeven vilten dekens

met bruinkoolgruis op altsax

en vuile putlucht op de hoorn.

 

 

 

 

Anti-canto I

 

 ‘In meiner Heimat

  where the dead walked

  and the living were made of cardboard.’

  Ezra Pound, Canto cxv*

 

Secretarisvogel van Yeats, liep je Henry James na

de luide eeuw in, grondvestte windhandel; duister

Jij die de schaaf opnam in Pisa, polijster

Een oud-reizigster leidde je rond in Europa

- een heel continent om in repen te scheuren!

‘The scientists are in terror

and the European mind stops’

 

‘ik herinner mij hoe eensklaps de hidalgo

zijn penseel opnam en kalm verwoesting verfde

de stemmen in scherven, gedoofd licht’,

zei daar in de sneeuwjacht bij Aust

in een wetland dat je niet aandeed, Pound

de bonte kraai in de berk. ‘Ai

na de val noemde hij dat Guernica’

 

Jij en treurnis... Jij buizerdkop roemde

het totalitaire; ‘Gesteenteboor van de Waterkruiken’

beeld van verbrijzeling eerder dan van ontworteling

en ook ijziger: een Syrisch grafglas schonk jou

teruggereisd naar Venetië de dogenstad

miljoenen tranen; verspilling

 ... blinde medeplichtigheid...

 

‘Er ligt rijp op de rotswand’, Canto Honderdacht

Was dan een tabakswinkeltje begonnen, maker

Scheef wiel reed uit... Schijnwerper scheen

op de Wetgever van de wereld, snel kwik

mengden kou en hitte waanzin dooreen

Er hangt een verbleekt Schema

boven de prent van de schaaf

 

 

 

 

Inzicht in Delft, met de kraam van de

muziekinstrumentenverkoper (Carel Fabritius)

 

Delft was inniger dan Amsterdam, ik verliet

Rembrandt de geldwolf, zijn beslijkt palet en al

dat bruin, als turfbergen dampend ten hemel.

Hier slaan de huizen het licht niet tot munt,

 

hier zijn de grachten lieflijker, éen leid ik

er rondom de Nieuwe Kerk, devotie van de huizen

straalt in de zilveren halo van de historie. 't Is

of de boom opspringt bij de deemoedige keien.

 

De muziekinstrumentenverkoper onder zijn hoed,

ben ik niet. Uithangbord van welke handel. En

zwarte houten traliën, tussen welke werelden.

 

Het jaar is 1652, iets viel al stil in die tijd;

geen koper nadert over de keien de luit, muziek

diep in slaap in de snaar gekeerd naar de muur.

 

 

 

Carel Fabritius (Midden-Beemster 1622-Delft 1654)

 

 

 

 

 

H_H_terBalkt
H.H. ter Balkt (Usselo, 17 september 1938)

 

 

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 19 september 2006 en  mijn blog van 19 september 2007 en ook mijn blog van 17 september 2008.

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Ken Kesey werd geboren in La Junta (Colorado) op 17 september 1935. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

Uit: One Flew Over the Cuckoo's Nest

 

„He talks a little the way Papa used to, voice loud and full of hell, but he doesn't look like Papa; Papa was a full-blood Columbia Indian — a chief — and hard and shiny as a gunstock. This guy is redheaded with long red sideburns and a tangle of curls out from under his cap, been needing cut a long time, and he's broad as Papa was tall, broad across the jaw and shoulders and chest, a broad white devilish grin, and he's hard in a different kind of way from Papa, kind of the way a baseball is hard under the scuffed leather. A seam runs across his nose and one cheekbone where somebody laid him a good one in a fight, and the stitches are still in the seam. He stands there waiting, and when nobody makes a move to say anything to him he commences to laugh. Nobody can tell exactly why he laughs; there's nothing funny going on. But it's not the way that Public Relation laughs, it's free and loud and it comes out of his wide grinning mouth and spreads in rings bigger and bigger till it's lapping against the walls all over the ward. Not like that fat Public Relation laugh. This sounds real. I realize all of a sudden it's the first laugh I've heard in years.“

 

 

 

 

kesey
Ken Kesey (17 september 1935 – 10 november 2001)

 

 

 

 

De Nederlandse toneel- en kroniekschrijver en essayist Abel Herzberg werd geboren in Amsterdam op 17 september 1893. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

Uit: De oneindige oorlog (Interview door stan van Houcke)

 

„‘Ik herinner mij een Scharführer met een hond die op de eerste dag dat we aan het werk gingen tegen ons zei: “Jullie hoeven geen enkele angst te hebben, 75 procent van onze mensen is goed.” Maar de 25 procent die overbleef, daar heb ik het over. Dat waren vijanden. Een andere Scharführer zei: “Wij zijn een arm volk. Jullie zullen ons rijk maken.” Zo was het. Het is niet waar dat alle Duitsers moordlustig waren. Die indruk kreeg ik helemaal niet. En de verschillen waren essentieel. Ik zal je een voorbeeld geven: onze aanvankelijke commandant is ontslagen, werd weggestuurd omdat hij een portret had laten maken door een jood die kon schilderen. Dat is die commandant zo kwalijk genomen dat hij naar het front werd gestuurd. Er zat een zekere menselijkheid in hem en dat mocht niet… Ander voorbeeld. Wij hadden een rechtbank ingesteld, dat was een zeldzaamheid in die kampen. Ik heb daar zelf als advocaat aan meegewerkt. In het begin gebeurde het clandestien, omdat wij bang waren dat ze het zouden verbieden en we ervoor gestraft zouden worden. Maar het kwam toch uit. Diezelfde kampcommandant hoorde ervan en zei toen: “Ja, zoiets begrijp ik wel, wanneer zoveel mensen bijeenleven, moet er wel iets gebeuren. Die rechtspraak is juist.” We crepeerden allemaal van de honger, dus kwam er diefstal voor, vooral onder jongeren, die stalen brood, maar ook kledingsstukken. Er werd veel gestolen, maar er waren weinig dieven, natuurlijk meer dan in de normale maatschappij, maar verreweg de grootste meerderheid ging liever dood dan dat ze van elkaar stal. En omdat het mocht werden de processen openbaar, zelfs Duitse officieren kwamen er bij zitten om te zien hoe het verliep. Zo kregen wij de gelegenheid om hen duidelijk te maken hoe slecht het met ons ging. Maar een andere commandant, Josef Kramer, was heel anders, dat was een echte, die hoorde tot de 25 procent. Als hij een dief te pakken kreeg dan kreeg die Prügel, een afranseling, 25 stokslagen op zijn blote achterste. En dan konden we hem door het hele kamp heen horen schreeuwen van pijn.“

 

 

 

 

herzberg
Abel Herzberg (17 september 1893 - Amsterdam, 19 mei 1989)


Zie voor nog meer schrijvers van de 17e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 20:38 Reageer op dit bericht

Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

Uit: Aus der Schule oder Europaanstalt Mayerlingplatz

 

„Direktor Willi Muster hat durch den Bombenalarm nichts an Schwung eingebüßt. Schläue litzt aus seinen Äuglein, von denen sich Lustfältchen bis zu den Ohren kerben, der Schnurrbart zittert über einem Strahlelächeln, der ganze Mann vibriert wie ein Vertreter, der drauf und dran ist, eine Jahrhundertprovision zu verdienen. Qualitätsschule, Mitarbeiter, um die man mich beneidet, unsere Anstalt allen anderen wieder einmal um Jahre voraus.

Muster erläutert ein neues Corporate-Identity-Logo, das er in den letzten Ferientagen gemeinsam mit einigen Vorzugslehrern entworfen hat: ein vierblättriges Kleeblatt, in dem sich die Worte Dynamik, Offenheit, Globalität und Praxisbezogenheit um das Kürzel Mayer-WIFASCH samt der Kringelschlange des Verbandes Christlicher Kaufleute gruppieren. Das Emblem symbolisiere das Selbstbild des "Betriebes", den "Schwung unserer Anstalt". Die werte Kollegenschaft möge über eine entsprechende Bezeichnung für das Logo nachdenken, vielleicht gebe es bereits spontane Ideen. "Schwungpropeller", schlägt Terlaner vor, "christliches Verbandszeug." Muster lächelt ignorativ. "Eventuell sollten wir uns im Anschluß an die Konferenz etwas überlegen. Nun aber zu einem, ich möchte sagen: künstlerischen Unterfangen ..." Endlich kann der Direktor sein Ruprecht Mayerling-Büstenprojekt enthüllen.“

 

 

 

 

Fleischer
Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

 

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

 

 

Ich lach. Ich wein.

Ich lach. Ich wein. Ich zünde Kerzen an. Trink Alkohol.
Die Augen noch schmutzig von Liebe. Der Mund
Verdreckt von Gesang. Gedichte wachsen wie Läuse mir im Haar.
Sagte der Romantiker. Saß in einer Kneipe in Bombay.
Die Holzbänke geschwärzt vom Schweiß der Jahre.
Die nackte Birne warf ihren dürftigen Schleier in den Raum.
Die Madonna und das Gotteskind verblaßten an der Wand.
Wir gossen noch etwas Soda zur Tragödie und spülten sie hinab.
Einer sagte Asien steht in Flammen. Ein andrer es wird aufwärts gehn mit Indien.
Draußen lag Bombay wie Erbrochnes. Phosphoreszierend in der Nacht.
Verzeih und unsre Unwissenheit und unsern gestauten Verkehr Herr.
Den schalen Geruch der Paarung hinter Blumengardinen.
Vergib uns unsern Kollektivlärm und unsre Stimmlosigkeit.
Aus solch grandiosen Visionen fallen wir hinaus in schlammige Gassen.
Wir laufen und entgehen dabei knapp dem Leben um ein Uhr
Morgens wenn eben endet unser Tag.

 

 

Vertaald door Lothar Lutze

 

 

 

 

dilipchitre
Dilip Chitre (17 september 1938)

 

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

 

 

Il y a des mois que j'écoute

 

Il y a des mois que j'écoute
Les nuits et les minuits tomber
Et les camions dérober
La grande vitesse à la route
Et grogner l'heureuse dormeuse
Et manger la prison les vers
Printemps étés automnes hivers
Pour moi n'ont aucune berceuse
Car je suis inutile et belle
En ce lit où l'on n'est plus qu'un
Lasse de ma peau sans parfum
Que pâlit cette ombre cruelle
La nuit crisse et froisse des choses
Par le carreau que j'ai cassé
Où s'engouffre l'air du passé
Tourbillonnant en mille poses
C'est le drap frais le dessin mièvre
Léchant aux murs le reposoir
C'est la voix maternelle un soir
Où l'on criait parmi la fièvre
Le grand jeu d'amant et maîtresse
Fut bien pire que celui-là
C'est lui pourtant qui reste là
Car je suis nue et sans caresse
Mais veux dormir ceci annule
Les précédents Ah m'évader
Dans les pavots ne plus compter
Les pas de cellule en cellule

 

 

 

 

 

Sarrazin
Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)

 

 

 

 

Rectificatie:

 

De Engelse schrijfster Mary Stewart werd geboren op 17 (en niet 12) september 1916 in Sunderland. Zie ook mijn blog van 12 sepember 2008.

 

Uit: The Ivy Tree

 

„I might have been alone in a painted landscape. The sky was still and blue, and the high cauliflower clouds over towards the south seemed to hang without movement. Against their curded bases the fells curved and folded, blue foothills of the Pennines giving way to the misty green of pasture, where, small in the distance as hedge-parsley, trees showed in the folded valleys, symbols, perhaps, of houses and farms. But in all that windless, wide landscape, I could see no sign of man's hand, except the lines — as old as the ridge and furrow of the pasture below me — of the dry stone walls, and the arrogant stride of the great Wall which Hadrian had driven across Northumberland, nearly two thousand years ago.

The blocks of the Roman-cut stone were warm against my back. Where I sat, the Wall ran high along a ridge. To the right, the cliff fell sheer away to water, the long reach of Crag Lough, now quiet as glass in the sun. To the left, the sweeping, magnificent view to the Pennines. Ahead of me, ridge after ridge running west, with the Wall cresting each curve like a stallion's mane.

There was a sycamore in the gully just below me. Some stray current of air rustled its leaves, momentarily, with a sound like rain. Two lambs, their mother astray somewhere not far away, were sleeping, closely cuddled together, in the warm May sunshine. They had watched me for a time, but I sat there without moving, except for the hand thatlifted the cigarette to my mouth, and after a while the two heads went down again to the warm grass, and they slept.”

 

 

 

stewart
Mary Stewart (Sunderland, 17 september 1916)

 

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

Breyten Breytenbach, Michael Nava, Andreas Neumeister, James Alan McPherson

De Zuid-Afrikaanse schrijver en dichter Breyten Breytenbach werd geboren op 16 september 1936 in Bonnievale. Zie ook mijn blog van 16 september 2006 en ook mijn blog van 16 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

Report

 

I saw couples kissing in doorways

turning around with open mouths I walked

across bridges and heard people cough below

I saw grayheads riding in taxis

look through rain-thick windows at buildings

no longer there. snow in winter

and grapes in the summer but I

don’t remember much about it

 

I saw the midnight sun

and birds of all sizes and fish

in the water and the southern cross above a peak

and cats wearing boots and drunken women

and bare trees with blossoms.

snow in the winter

and grapes in summer but

I don’t remember much about it

 

I too heard roosters crow

and the call of trains and voices

in my bed and gods on the roof and I saw

dragons in zoos and the beards

of friends and smelled the sun.

snow in winter and grapes in summer

but I don’t remember much about it

death sets in at the feet

 

One should simply doze off

yet they say for 48 hours consciousness will

still beat at the steamed-up windows of the skull

      like a fish in a basket

      or an astronaut in his spacetub beyond control

      or a Jew under a pyramid of Jews

      or a nigger(lover) in a cell

with a prickling of pins that begins in the soles.

 

Could it be thus?

The giddiness as the floor tilts

and a membrane of water draws over trees

and a zealous hand embraces the throat more tightly?

And what a farce, this fumbling for pictures.

 

Last week’s chrysanthemums are already rotten

on their stems, the green veins perished rubber tubes,

they who were yakking parrots

are now drooping withered wings.

 

Yesterday’s white carnations stink like slumped old women.

Yesterday’s red roses have a deeper bloom

as smothered fists.

 

People usually die flat on their backs,

feet coldly erect as petrified rabbits

or blossoms on a branch,

with a prickling of pins that begins in the soles.

 

My feet are recalcitrant: I must cajole them,

swaddled in rags, because I’m not yet done,

must still learn how to die,

I must still decide how to make up my mind.

 

For now I gaze through a mirror into a riddle,

but tomorrow it will be from face to face.

 

 

 

 

BreytenBreytenbach

Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Nava werd geboren op 16 september 1954 in Stockton, Calefornië, en groeide op in Sacramento. In 1981 voltooide hij zijn studie rechten aan de Stanford universiteit, waar hij een jaar eerder zijn partner Bill Weinberger had leren kennen. Zij runden samen een advocatenpraktijk, eerst in Palo Alto, vanaf 1984 in Los Angeles. In 1986 verscheen de eerste roman The little death. Na zeven delen was de romancyclus over de homosexuele advocaat Henry Rios in 2001 afgesloten. Nava praktizeert sinds 1995 in San Francisco en is ook actief in de homobeweging.

 

Uit: Rag And Bone

 

I wasn't usually so dyspeptic this early in the day, but I had the world's worst heartburn, undoubtedly the result of a breakfast that had consisted of four cups of coffee, a bagel that was half-burned and half-frozen-I really needed a new toaster-and a handful of vitamins. The bitter aftertaste of the pills lingered at the back of my throat. Also, now that I noticed it, my right arm was throbbing. Great. When I was a teenager, I'd suffered through growing pains; at forty-nine, I was suffering through growing-old pains.

The young deputy A.G. beside me pored over his notes and muttered to himself, as if he were about to argue before the United States Supreme Court rather than a three-judge panel-two white-haired white men, one graying black lady-of the intermediate state appellate court. His knee knocked nervously against mine and I glanced at him. He was a handsome boy with that luminous skin of the young, as if a lantern were burning just beneath the flesh.

"'Scuse me," he murmured without looking up.

"Your first appearance?" I asked.

Now he looked. His eyes were like cornflowers. "Is it that obvious?"

"Don't be too anxious," I said. "They've already written the opinion in your case."

"Really?"

"Really," I said. "Oral argument's mostly for show. It's hardly worth bothering to show up."

"Then why are you here?"

"I'm a criminal defense lawyer," I said. "Tilting at windmills is my specialty."

He smiled civilly, then returned to his notes.

"We will hear People versus Guerra," the presiding justice said.

I pulled myself out of the chair and made my way to counsel table. The young A.G. beside me also stood up.

"You're Mr. Rios?" he said as we headed to counsel table.

"None other," I replied.

He held open the gate that separated the gallery from the well of the court where counsel tables were located, and said, "Great brief. I had to pull an all-nighter to finish my reply."

I remembered his brief had had the whiff of midnight oil. "Thanks. You did a good job, too."

I set my file on my side of the table and was gripped by a wave of nausea so intense I was sure I was going to vomit, but the moment passed.

"Counsel?"

I looked up at the presiding justice, Dahlgren, who was not much older than me and quite possibly a year or two younger.

"I'm sorry, Your Honor."

"Your appearance, please."

"Yes, Your Honor," I grunted. "Henry Rios for defendant and appellant Anthony Guerra."

"Mr. Rios," the lady judge, Justice Harkness, spoke. "Are you all right? You went white as a ghost a second ago."

"Heartburn, Justice Harkness. I'll be fine with a little water." I poured a glass from the carafe on the table. My hand was shaking.

 

 

 

 

 

nava
Michael Nava (Stockton, 16 september 1954)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Andreas Neumeister werd geboren op 16 september 1959 in Starnberg. Hij studeerde na het gymnasium ethnologie in München. Neumaster staat in de traditie van de popliteratuur. Ook rap poetry wordt in zijn collage-achtige teksten verwerkt. In zijn werk „Könnte Köln sein“ onderzoekt hij de samenhang tussen architectuur, politiek en geschiedenis. In 1993 ontving Neumeister de Förderpreis zum Alfred-Döblin-Preis en in 1996 de Bayerische Förderpreis für Literatur.

 

Uit: Könnte Köln sein

 

“Aus dem Wasser ans Land gekrochen. Auf dem Umweg über das Reptil zum aufrechten Gang gefunden. Im Schutz von Bäumen übernachtet. Wo es Höhlen gab, in den Schutz von Höhlen gekrochen. In den tiefsten Höhlen überwintert. Horden gebildet. Immer wieder die Kontinente gewechselt. Auf dem Umweg über Landbrücken und Pässe weites Neuland besiedelt. Vom Urknall

über den Urschrei zur Urhütte gefunden. Das Feld vor der Hütte als Anlass genommen, sesshaft zu werden. Gesellschaftsvertrag. Dörfer gebaut. Fehden gefochten, Schanzen gebaut. Kriege geführt. Grenzen gezogen, Mauern errichtet. Neue Säue durch neue Dörfer getrieben. Gräben gegraben, Mauern geschliffen. Entdeckungen gemacht und Hürden übersprungen. Dabei immer wieder in den Regen geraten. Auf dem Umweg über die Geschichte immer wieder in die Geschichtslosigkeit zurückgefallen. Auf dem Umweg über Abgründe immer wieder festen Boden unter die Füße bekommen. Städte gegründet und Handel getrieben. Immer größere Ansiedlungen geplant. Staaten gegründet. Kriege geführt. Meere überwunden und aus fernen Kontinenten unerhörte Schätze mitgebracht. Sklaven verschifft und weiterverkauft. Städte befestigt und Burgen geschleift.

Neue Waffen erfunden und Kirchen geweiht. Schulen errichtet, Kasernen gebaut. Niederlagen beweint. Siege gefeiert. Immer wieder aufgerappelt und von Neuem gestrauchelt. Gold eingeschmolzen und Münzen geprägt. Dächer geflickt und Paläste angezündet. Vom Land in

die Städte geflüchtet. Fabriken hochgezogen, Produkte verkauft. Eisenbahnlinien in die Landschaft getrieben und um neue Bahnhöfe neue Siedlungen erichtet. Baumschulen gegründet, Hecken gepflanzt

 

wo waren wir stehengeblieben?

 

Brieftauben, schreibt der weltkundige Wissenschaftsteil heute, nutzen gerne das Straßennetz zur Orientierung. Offensichtlich folgen die Tiere lieber Autobahnen oder Schienen, als sich nach ihrem angeborenen Orientierungssinn zu richten – selbst wenn es für sie einen Umweg bedeutet.”

 

 

 

 

neumeister
Andreas Neumeister (Starnberg, 16 september 1959)

Foto: Franz-Xaver Fuchs

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver James Alan McPherson werd geboren op 16 september 1943 in Savannah, Georgia. In 1978 won hij de Pulitzer Prize voor fictie voor zijn bundel korte verhalen Elbow Room. Zijn werk is gepubliceerd in 27 kranten en tijdschriften, in zeven bloemlezingen van short stories. McPherson studeerde aan de Morgan State University, Morris Brown College, Harvard Law School, de University of Iowa's Writers' Workshop, en aan Yale Law School. Hij doceerde Engels aan de University of California, Santa Cruz, Harvard, en gaf lezingen in Japan.

 

Uit: Hue and Cry. Stories

 

“Thomas Brown stopped going to church at twelve after one Sunday morning when he had been caught playing behind the minister's pulpit by several deacons who had come up into the room early to count the money they had collected from the other children in the Sunday school downstairs. Thomas had seen them putting some of the change in their pockets and they had seen him trying to hide behind the big worn brown pulpit with the several black Bibles and the pitcher of ice water and the glass used by the minister in the more passionate parts of his sermons. It was a Southern Baptist Church.

"Come on down off of that, little Brother Brown," one of the fat, black-suited deacons had told him. "We see you tryin' to hide. Ain't no use tryin' to hide in God's House."

Thomas had stood up and looked at them; all three of them, big-bellied, severe and religiously righteous. "I wasn't tryin' to hide," he said in a low voice.

"Then what was you doin' behind Reverend Stone's pulpit?"

"I was praying," Thomas had said coolly.

After that he did not like to go to church. Still, his mother would make him go every Sunday morning; and since he was only thirteen and very obedient, he could find no excuse not to leave the house. But after leaving with his brother Edward, he would not go all the way to church again. He would make Edward, who was a year younger, leave him at a certain corner a few blocks away from the church where Saturday-night drunks were sleeping or waiting in miseryfor the bars to open on Monday morning. His own father had been that way and Thomas knew that the waiting was very hard. He felt good toward the men, being almost one of them, and liked to listen to them curse and threaten each other lazily in the hot Georgia sun. He liked to look into their faces and wonder what was in their minds that made them not care about anything except the bars opening on Monday morning. He liked to try to distinguish the different shades of black in their hands and arms and faces. And he liked the smell of them. But most of all he liked it when they talked to him and gave him an excuse for not walking down the street two blocks to the Baptist Church.”

 

 

 

 

 

McPherson
James Alan McPherson (Savannah,16 september 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:34 Reageer op dit bericht

Hans Arp, Anna Bosboom - Toussaint, Justin Haythe, Frans Eemil Sillanpää

De Frans-Zwitserse kunstenaar, dichter en schrijver Hans (Jean) Arp werd geboren op 16 september 1886 in Straatsburg. Zie ook mijn blog van 16 september 2006.

 

Opus Null

1

Ich bin der große Derdiedas
das rigorose Regiment
der Ozonstengel prima Qua
der anonyme Einprozent.

Das P. P. Tit und auch die Po
Posaune ohne Mund und Loch
das große Herkulesgeschirr
der linke Fuß vom rechten Koch.

Ich bin der lange Lebenslang
der zwölfte Sinn im Eierstock
der insgesamte Augustin
im lichten Zelluloserock.

2

Er zieht aus seinem schwarzen Sarg
um Sarg um Sarg um Sarg hervor.
Er weint mit seinem Vorderteil
und wickelt sich in Trauerflor.

Halb Zauberer halb Dirigent
taktiert er ohne Alpenstock
sein grünes Ziffernblatt am Hut
und fällt von seinem Kutscherbock.

Dabei stößt er den Ghettofisch
von der möblierten Staffelei.
Sein langer Würfelstrumpf zerreißt
zweimal entzwei dreimal entdrei.

3

Er sitzt mit sich in einem Kreis.
Der Kreis sitzt mit dem eignen Leib.
Ein Sack mit einem Kamm der steht
dient ihm als Sofa und als Weib.

Der eigne Leib der eigne Sack.
Der Vonvon und die linke Haut.
Und tick und tack und tipp und topp
der eigne Leib fällt aus der Braut.

Er schwingt als Pfund aus seinem Stein
die eigne Braut im eignen Sack.
Der eigne Leib im eignen Kreis
fällt nackt als Sofa aus dem Frack.

4

Mit seiner Dampfmaschine treibt
er Hut um Hut aus seinem Hut
und stellt sie auf in Ringelreihn
wie man es mit Soldaten tut.

Dann grüßt er sie mit seinem Hut
der dreimal grüßt mit einem du.
Das traute sie vom Kakasie
ersetzt er durch das Kakadu.

Er sieht sie nicht und grüßt sie doch
er sie mit sich und läuft um sich.
Der Hüte inbegriffen sind
und deckt den Deckel ab vom Ich.

 

 

 

 

hans-arp-1905
Hans Arp (16 september 1886 - 7 juni 1966)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Anna Bosboom - Toussaint werd geboren op 16 september 1912 te Alkmaar. Zie ook mijn blog van 16 september 2006

 

Uit: Almagro

 

“Eene vrouw, die moeder eener achttienjarige dochter is, en nog, daarenboven, Lord jeverless tot echtgenoot heeft, moet vaak genoegens en begeerten aan hare berekeningen opofferen.

De season is reeds aangevangen; alles ijlt naar Londen; twee luisterrijke assemblées zijn er reeds gegeven; entréekaartjes, voor de eerstkomende raouts, liggen vóór mij op mijn schrijfkistje, en toch vertoef ik nog met mijne anny, die beter danst dan menige eerste danseuse van de opera, wier élégante taille in onze côterie haars gelijken niet vindt, hier, op Chummore-Castle, bij den ouden St. really, die altijd buiten woont, sinds hij zijn prachtig hôtel in de hoofdstad, tot zijns zoons meerderjarigheid, aan Sir b. verhuurde.

 

Hij leeft daar echter niet eenzaam, zijne oudvaderlijke gastvrijheid en goed humeur maken, dat hij zijn ruim kasteel bijna altijd opgevuld ziet met gasten, die er komen, om onder de vrienden van den aanzienlijken Lord geteld te worden, of, omdat zij smaak vinden in hem zelven, of in degenen, die men er aantreft. Thans echter, nu de wintervermaken de meeste lieden naar de stad drijven, zoude het hier spoedig ledig geworden zijn, zoo niet onze gastheer aan een gedeelte van zijn gezelschap had voorgesteld, om te blijven tot den dag waarop zijn zoon meerderjarig wordt, daar hij dien met eenigen luister wenscht te vieren. Eenparig werd er besloten, niet te vertrekken; mijn gemaal echter uitgezonderd; hij, die zich hier niet vermaakte, niet inziende, dat hij ergens noodig kan zijn, waar hij zich niet vermaakt, verliet ons, en aan mij alleen bleef het dus opgedragen, om een sinds lang ontworpen huwelijksplan voor mijne dochter tot stand te brengen. Zie, dit is de oorzaak mijner afwezigheid van Londen, in eenen tijd, die zeker door hen, die mij geen goed hart toedragen, gebruikt zal worden, om de ontwerpen, welke hun eigenbelang medebrengt, voor te staan. Doch van dit alles thans niets; liever maak ik het u duidelijk, waarom ik u schrijf.”

 

 

 

 

Bosboom
Anna Bosboom – Toussaint (16 september 1812 – 13 april 1886)

Portret door D. J. Sluyter

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Justin Haythe werd geboren op 16 september 1973 in Londen. Zie ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver mijn blog van 16 september 2006.


De Finse schrijver en Nobelprijswinnaar Frans Eemil Sillanpää werd geboren in Hämeenkyrö op 16 september 1888.

 

Geschreven door Romenu om 20:28 Reageer op dit bericht

Jan Slauerhoff, Lucebert, Orhan Kemal

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2006.

  

Uit: Such is life in China

 

“Het is nog vroeg, voor vieren, de dag is nog in den hemel. Misschien was het beter dat hij er bleef en de wereld voortaan overliet aan den nacht, goedgunstig voor de minnaars en misdadigers, de avonturiers, de eenigsten die aan de lotgevallen dezer wereld nog iets nieuws geven, al is het dan niet onder de zon. Waarom houdt deze laatste toch het doffe dagelijksche leven in gang, overal hetzelfde, in China, in Europa?

Wat zou er gemist worden als de zon eens niet meer kwam? Maar hij komt toch, en daarmee ook dit verhaal te voorschijn. Nu is het nog niet zoo ver, een oogenblik verademing. Lucht en wereld zijn nog even grijs, raken elkaar aan met laaghangende wolken en zacht naar de hoogte zwellende bergen. Daartusschen zijn gaten waardoor een groen verschiet als een hoogerliggende zee glooit. De zon komt op, ergens achter de Tai Sjan, de stad ligt nog in diepe schaduw, het eiland Lappa, waarop de huizen en tuinen van de Westerlingen, yamen en rijke kooplieden liggen, drijft al in rozig licht.

Langs de landtongen meren de sampans in groote zwermen, de gespleten achterstevens omhoog, groen en rood als van watervogels met dubbele

staarten. De vrachtschepen liggen roerloos op den stroom, op enkele brandt schaarsch en bleek licht, in de verte wordt bij een kustvaarder, uit een langszijliggenden lichter, geladen, telkens, hoor, de kleine donder van een kraan.

Dan komt er ook beweging in deze wereld. Een groote driemastjonk zeilt dwars door de baai.

Dichtbij ziet men talrijke mannen op het dek; vrouwen met kinderen op den arm tusschen manden met groenten en kippenkooien op den achtersteven. Van den boeg steken vier koperen kanonnen den tromp op. De piraten zijn nog niet uitgeroeid. De jonk is vol lading, leven en beweging. Een poos later drijft hij in de verte als een hol bruin blad op het water en de baai is weer stil en leeg.

Dan schieten plotseling, bijna gelijktijdig, alsof twee kustkanonnen tegen elkaar waren afgevuurd, snelronkend, twee motorbootjes de baai in, één van het eiland, één van de stad. Zij naderen elkaar. Welk van beide is de torpedo? Ze zullen elkaar rammen! Neen, op een paar meter afstand een scherpe zwenking. ‘Stockfish!’ ‘Wooden Shoe!’ Zijn dit oorlogskreten?

De twee aan het roer schijnen dubbelgangers, beiden stokmager, de kleeren fladderend om het lijf. Van dichtbij verschillen ze als engel en duivel: drankduivel en doodsengel. Talman is manager van de South China Bank en honorair consul van Letland, Holland, Oostenrijk en nog een paar kleinere naties.”

 

 

 

 

slauerhoff
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2006.

 

 

gij zult rondtasten in de middaghitte

 

de slaper door een sloopwerktuig ontworpen

eens genummerd als kind is door willekeur omringd

hij gaat tenslotte op zijn tenen staan zijn ogen

zullen eenzaam opklimmen naar een schitterend lichaam in de lucht

dit is mijn geluk dit is mijn ellende

 

deze dag zal zijn als alle dagen

gedachten worden gedaan rondom de dingen

deels duidelijk deels aangeduid

maar geen zal er daadwerkelijk winnen

 

slechts even door handoplegging

zal zich losmaken het pakijs van het verdriet

te zijn gebonden een last logge onderdelen

een loopmachine smekend om respijt

om rust in de rage

de dwingende bronnendorst

 

bah hoe slaat in de goedgesmeerde steden

keer op keer de bliksem in

juist daar waar ik drinken wil

 

 

 

 

Sachsen

 

ik a classic

ik dronk de deur open

de deur het rode water

waarvan wij zo vaak samen droomden

ook jij maoni

met 30 dolzinnige ogen onder een voorhoofd

pauwogen pijnlijk open

jij hield niet van beeldhouwershanden onthouden

heuvels en dalen nee en zelfs geen schaduwen

 

toen wij een rode oto kogten

en naar gross magdenburg reden

daarna in de elmerstrasse ontvouwde jij je kaarten

een staalkaart van stenen appelen

en op de platz de morello-kapelle speelde

weisse schatten ja en sehr reizvoll

wei yes studentensnelle blikken over alle gebreken

globale van de Globe

afwisslend en waar als heuvels en dalen

 

is het niet waar fredrich?

 

 

 

 

sonnet

 

ik

mij

ik

mij

 

mij

ik

mij

ik

 

ik

ik

mijn

 

mijn

mijn

ik

 

 

 

 

 

lucebert
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)

 

 

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Nog tijdens zijn schooltijd moest hij met zijn vader om politieke redenen naar Syrië vluchten. Hij keerde in 1932 terug naar Adana waar hij als arbeider zijn brood verdiende. Tijdens zijn diensttijd werd hij weer om politieke redenen tot een gevangenisstraf van vijf jaar veroordeeld. In die tijd leerde hij de schrijver Nazım Hikmet kennen. Na zijn vrijlating trok hij naar Istanbul waar hij vanaf 1951 als zelfstandig schrijver werkte. Onder het pseudoniem Ekmek Kavgası publiceerde hij in 1949 zijn eerste verhalenbundel en eveneens zijn roman Baba Evi. Later schreef hijook draaiboeken en toneelstukken.

 

Uit: Schokolade

 

„Sie waren vor dem riesigen Schaufenster des Süssigkeitengeschäfts. Im Schaufenster waren verschieden grosse Bonbons, Süssigkeiten in Schachteln und Schokolade. Sie schauten zu den Schokoladen. Rechts des dicken und runden Knaben war seine Schwester und links die Tochter des Joghurtverkäufers. Die Tochter des Joghurtverkäufers war etwa so alt wie die Schwester. Die Schwester hatte gerade vorhin den dicken und runden Bruder zum Coiffeure gebracht, mit grosser Mühe. Der Coiffeure hatte einen grossen Spiegel, einen Käfig mit blauem Gitter, im Käfig einen gelben Vogel.

Er war ein Freund des Vaters. Der hauchdünne, pechschwarze Schnurrbart oberhalb seiner Lippe lächelte ständig durch den Spiegel dem Mädchen mit den grossen Busen des gegenüberliegenden Hauses. Auch das Mädchen mit den grossen Busen lächelte, sie lächelten sich gegenseitig an. Ab und zu winkten sie sich gegenseitig. Der dicke und runde Knabe hatte es auch gesehen, als seine Haare rasiert wurden, er hatte auch den gelben Vogel gesehen. Fingergross, es zwitscherte ununterbrochen.

Wenn bloss die Maschine des Coiffeurs sein Haar nicht ab und zu rupfen würde. Das tat ihm so weh. Er wollte aufstehen und fliehen und den Laden von draussen mit Steinen bombardieren. Desshalb mochte er es nicht, zum Coiffeur zu gehen. Sein Stampfen und seine Fusstritte gegen die Schwester waren desshalb. Wenn seine Schwester nach der Rasur nicht:" Komm, lass unser Geld zusammenmischen und uns Schokolade für einen fünfziger kaufen!" Gesagt hätte, hätte er schon gewusst, was er machen würde.“

 

 

 

 

Kemal
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:33 Reageer op dit bericht

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

Sonata Form Denatured Prose

 

crush the alphabet between your teeth yawn vowels, the fire is burning in hell vomit and spit now or never I and dizziness you or never dizziness now or never.

we will begin over

crush the alphabet macadam and your teeth yawn vowels, the sweat runs in hell I am dying in the convolutions of my brain vomit now or never dizziness I and you. i and he she it. we will begin over. i and he she and it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. scream and cry: it goes fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions like madness in the sky dizziness. scream and cry: he is falling he has fallen. it was fine it went fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions vomit now or never dizziness i and you. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it.

we will begin over.

crush the alphabet between your teeth yawn vowels the fire is burning in hell vomit and split now or never i and dizziness you or never dizziness now or never.

 

 

 

Vertaald door Robert Bly en Christina Paulston

 

 

 

 

Ekelof
Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook mijn blog van 16 september 2008.

 

Uit: The Mysterious Affair at Styles

 

“The intense interest aroused in the public by what was known at the time as "The Styles Case" has now somewhat subsided. Nevertheless, in view of the world-wide notoriety which attended it, I have been asked, both by my friend Poirot and the family themselves, to write an account of the whole story. This, we trust, will eVectually silence the sensational rumours which still persist.

I will therefore brieXy set down the circumstances which led to my being connected with the aVair.

I had been invalided home from the Front; and, after spending some months in a rather depressing Convalescent Home, was given a month's sick leave. Having no near relations or friends, I was trying to make up my mind what to do, when I ran across John Cavendish. I had seen very little of him for some years. Indeed, I had never known him particularly well. He was a good Wfteen years my senior, for one thing, though he hardly looked his forty-Wve years. As a boy, though, I had often stayed at Styles, his mother's place in Essex.

We had a good yarn about old times, and it ended in his inviting me down to Styles to spend my leave there.

"The mater will be delighted to see you again?after all those years," he added.

"Your mother keeps well?" I asked.

"Oh, yes. I suppose you know that she has married again?"

I am afraid I showed my surprise rather plainly. Mrs. Cavendish, who had married John's father when he was a widower with two sons, had been a handsome woman of middle-age as I remembered her. She certainly could not be a day less than seventy now. I recalled her as an energetic, autocratic personality, somewhat inclined to charitable and social notoriety, with a fondness for opening bazaars and playing the Lady Bountiful. She was a most generous woman, and possessed a considerable fortune of her own.”

 

 

 

 

Christie
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Ina Seidel werd geboren op 15 september 1885 in Halle. Zie ook mijn blog van 15 september 2007.

 

 

Regenballade

 

Ich kam von meinem Wege ab, weil es so nebeldunstig war. 

Der Wald war feuchtkalt wie ein Grab und Finger griffen in mein Haar. 

Ein Vogel rief so hoch und hohl, wie wenn ein Kind im Schlummer klagt 

und mir war kalt, ich wußte wohl, was man von diesem Walde sagt! 

 

Dann setzt' ich wieder Bein vor Bein und komme so gemach vom Fleck 

und quutsch' im letzen Abendschein schwer vorwärts durch Morast und Dreck. 

Es nebelte, es nieselte, es roch nach Schlamm, verfault und naß, 

es raschelte und rieselte und kroch und sprang im hohen Gras. 

 

Auf einmal, eh ich's mich versehn, bin ich am Strom, im Wasser schier. 

Am Rand bleib ich erschrocken stehn, fast netzt die Flut die Sohle mir. 

Das Röhricht zieht sich bis zum Tann und wiegt und wogt soweit man blickt 

und flüstert böse ab und an, wenn es im feuchten Windhauch nickt. 

 

Das saß ein Kerl! Weiß Gott, mein Herz stand still, als ich ihn sitzen sah! 

Ich sah ihn nur von hinterwärts, und er saß klein und ruhig da. 

Saß in der Abenddämmerung, die Angelrute ausgestreckt, 

als ob ein toter Weidenstrunk den dürren Ast gespenstisch reckt. 

 

"He, Alter!" ruf ich, "beißt es gut?" Und sieh, der Baumstamm dreht sich um 

und wackelt mit dem runden Hut und grinst mit spitzen Zähnen stumm. 

Und spricht, doch nicht nach Landesart, wie Entenschnattern, schnell und breit, 

kommt's aus dem algengrünen Bart: "Wenn's regnet, hab' ich gute Zeit"! 

 

"So scheint es", sag ich und ich schau in seinen Bottich neben ihn. 

Da wimmelts blank und silbergrau und müht sich mit zerfetzem Kiem´, 

Aale, die Flossen zart wie Flaum, glotzäugig Karpfen. Mittendrin, 

ich traue meinen Augen kaum, wälzt eine Natter sich darin! 

 

"Ein selt'nes Fischlein, Alter, traun!" Da springt er froschbehend empor. 

"Die Knorpel sind so gut zu kaun" schnattert listig er hervor. 

"Gewiß seid ihr zur Nacht mein Gast! Wo wollt ihr heute auch noch hin? 

Nur zu, den Bottich angefaßt! Genug ist für uns beide drin!" 

 

Und richtig watschelt er voraus, patsch, patsch am Uferrand entlang. 

Und wie im Traume heb ich auf und schleppe hinterdrein den Fang. 

Und krieche durch den Weidenhag, der eng den Rasenhang umschmiegt, 

wo, tief verborgen selbst am Tag, die schilfgebaute Hütte liegt. 

 

Da drinnen ist nicht Stuhl, nicht Tisch, der Alte sitzt am Boden platt, 

es riecht nach Aas und totem Fisch, mir wird vom bloßem Atmen satt. 

Er aber greift frisch in den Topf und frißt die Fische kalt und roh, 

packt sie beim Schwanz, beißt ab den Kopf und knirscht und schmatzt im Dunkeln froh. 

 

"Ihr eßt ja nicht! Das ist nicht recht!" Die Schwimmhand klatscht mich fett aufs Knie. 

"Ihr seid vom trockenen Geschlecht, ich weiß, die Kerle essen nie! 

Ihr seid bekümmert? Sprecht doch aus, womit ich Euch erfreuen kann!" 

"Ja", klappre ich: "Ich will nach Haus, aus dem verfluchten Schnatermann." 

 

Da hebt der Kerl ein Lachen an, es klang nicht gut, mir wurde kalt. 

"Was wißt denn Ihr vom Schnatermann?" "Ja", sag ich stur," so heißt der Wald." 

"So heißt der Wald?" Nun geht es los, er grinst mich grün und phosphorn an: 

"Du dürrer Narr, was weißt du bloß vom Schnater-Schnater-Schnatermann?!" 

 

Und schnater-schnater, klitsch und klatsch, der Regen peitscht mir ins Gesicht. 

Quatsch´ durch den Sumpf, hoch spritzt der Matsch, ein Stiefel fehlt - ich acht es nicht. 

Und schnater-schnater um mich her, und Enten- ,Unken-, Froschgetöhn. 

Möwengelächter irr und leer und tief ein hohles Windgestöhn... 

 

Des andern Tags saß ich allein, nicht weit vom prasslenden Kamin 

und ließ mein schwer gekränkt´ Gebein wohlig von heißem Grog durchziehn. 

Wie golden war der Trank, wie klar, wie edel war sein starker Duft! 

Ich blickte nach dem Wald - es war noch sehr viel Regen in der Luft... 

  

 

 

 

Seidel
Ina Seidel (15 september 1885 – 2 oktober 1974)

 

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Amerikaanse schrijver Jim Curtiss werd geboren in 1969 in Beaver Falls, Pennsylvania. In 2008 verscheen van hem een fictie en nonfictie onder de titel „Stories from elsewhere". Zijn roman Every Thing Counts is nog niet gepubliceerd, maar delen ervan zijn opgenomen in de bundel „Stories from elsewhere" en in de bloemlezing „Falling in Love Again" van de Outrider Press.

 

Uit: Every Thing Counts

 

„When I wasn't examining it, I carried the ring in my pocket. I thought of it as a charm, a type of connection with my grandmother's spirit. It had been her ring, after all, and perhaps it would bring me some of her wisdom. Perhaps it would see me through the turmoil of deciding between tying myself to a Central European lady or remaining Mr. Freeandeasy. Both paths beckoned, and the situation really didn't need exacerbated by the re-appearance of rock-and-roll hoochie-koo. But sometimes I suppose these things happen for a reason.

The story: On Feb. 1st I told Liliana I was going into town to meet Josh. No problem, she said. She had a lot of work.

Into town I went. After two beers and no Josh, I called my messages and he'd left one saying he couldn't make it. Great.

So, being the in-love fool that I was, I hurried back to spend a quiet evening with baby.

But when I knocked on her dorm room there was no answer.

Ok…

Since I didn't have to teach the next day, I headed over to the big campus bar to see if Karel was there. Maybe we'd play some pool.

I went in, got a beer, and looked around the large hall. There were perhaps 30 square tables in the middle of the room, pool tables off to the right. Being a weeknight and sparsely peopled, it was easy to pick out Liliana.

She was sitting with Mr. Rock and Roll himself, Zdenek I-forget-his-last-name (Ok, I do remember it, but I'm spiting it out of memory).

Liliana was sitting with her back to me, Zdenek to her left. I could partially see his face.

Like an idiot, I skulked over to a nearby table and watched them. They were enjoying each other's company, and every now and again they'd explode in laughter.“

 

 

 

Curtiss
Jim Curtiss (Beaver Falls, 1969)

 

Geschreven door Romenu om 20:29 Reageer op dit bericht

Hans Faverey, Theodor Storm, Ivan Klima

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2006.

 

 

 

[Staande op een rots]

 

Staande op een rots,

die het begin is

van een berg,

 

en die zich niettemin

voor mijn ogen

in zee stort,

 

heb ik soms

zo kunnen verlangen

naar de binnenzee in mij,

dat ik mij haast een zich

verstotende was geworden.

 

 

 

 

[Ik zit in mijn cirkel]

 

Ik zit in mijn cirkel

en stel mij een oneindig

aantal veelhoeken voor:

 

ik zie het me al doen.

De boot, op het land

 

getrokken, is niet meer

van mij; hoeft niet meer

van mij te zijn. Ik ben

haast waar ik wezen moet:

al was ik het zelf

 

die op de oever zit, of

liever: op de oever ligt,

 

onder geoorde, zilver- of

amandelwilgen, daaraan al

zo lang zijn hangende

de harpen; de gewurgden.

 

 

 

 

[Eerst was er niets]

 

 Eerst was er niets.

 

 Daarna was er meer dan iets.

 Toen bleek er te veel over;

 

 tenslotte hield ik niets

 meer over. Het begin

 van het einde;

 het houdt niet over.

 

 Wat er aan deze dingen bestaan

 zou kunnen hebben, heeft bestaan,

 of zou bestaan kunnen hebben.

 

 Of heeft zich dood gezwegen;

 of heeft nooit bestaan.

 

 

 

 

 

Favery
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Storm werd geboren in Husum op 14 september 1817.

 

 

Oktoberlied

 

Der Nebel steigt, es fällt das Laub;

Schenk ein den Wein, den holden!

Wir wollen uns den grauen Tag

Vergolden, ja vergolden!

Und geht es draußen noch so toll,

Unchristlich oder christlich,

Ist doch die Welt, die schöne Welt,

So gänzlich unverwüstlich!

 

Und wimmert auch einmal das Herz -

Stoß an und laß es klingen!

Wir wissen's doch, ein rechtes Herz

Ist gar nicht umzubringen.

 

Der Nebel steigt, es fällt das Laub;

Schenk ein den Wein, den holden!

Wir wollen uns den grauen Tag

Vergolden, ja vergolden!

 

Wohl ist es Herbst; doch warte nur,

Doch warte nur ein Weilchen!

Der Frühling kommt, der Himmel lacht,

Es steht die Welt in Veilchen.

 

Die blauen Tage brechen an,

Und ehe sie verfließen,

Wir wollen sie, mein wackrer Freund,

Genießen, ja genießen!

 

 

 

 

 

Wohl fühl ich, wie das Leben rinnt

 

Wohl fühl ich, wie das Leben rinnt,

Und daß ich endlich scheiden muß,

Daß endlich doch das letzte Lied

Und endlich kommt der letzte Kuß.

Noch häng ich fest an deinem Mund

In schmerzlich bangender Begier;

Du gibst der Jugend letzten Kuß,

Die letzte Rose gibst du mir.

 

Du schenkst aus jenem Zauberkelch

Den letzten goldnen Trunk mir ein;

Du bist aus jener Märchenwelt

Mein allerletzter Abendschein.

 

Am Himmel steht der letzte Stern,

O halte nicht dein Herz zurück;

Zu deinen Füßen sink ich hin,

O fühl's, du bist mein letztes Glück!

 

Laß einmal noch durch meine Brust

Des vollsten Lebens Schauer wehn,

Eh seufzend in die große Nacht

Auch meine Sterne untergehn.

 

 

 

 

 

Theodor_Storm_Denkmal_Husum_1
Theodor Storm (14 september 1817 -  4 juli 1888)

Standbeeld in Husum

 

 

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 14 september 2007 en ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

 

 

 

De Tsjechische schrijver Ivan Klíma werd op 14 september 1931 geboren in Praag. Zie ook mijn blog van 14 september 2006 en ook mijn blog van 14 september 2008.

 

Uit: The Spirit of Prague (Vertaald door Paul Wilson)

 

“Totalitarianism correctly understood the threat this cultural resistance posed, but the nature of that power ruled out any accommodation or compromise. It continued to battle against literature. It raided private flats and detained people who had gathered there to listen to lectures or the reading of a play or something as innocent as lyric poetry. It confiscated manuscripts from poets, prose writers and philosophers, both local and translated works, just as it did documents from Charter 77. From time to time it held trials in which judgement was passed on those who copied texts or organized other kinds of cultural activitiy. Because these people were clearly innocent, even according to the laws in force, the outcome of these trials were the opposite of what the authorities intended. They were meant to intimidate, but they succeeded only in unmasking power, in revealing it for the unprincipled, prejudiced and philistine force it was. This merely stiffened people's resistance. Early samizdat publications came out in tiny editions of tens of copies; by the eighties, books were being reproduced in many workshops, the technology of reproduction was modernized, and the number of titles mushroomed. (The literary samizdat enterprise Padlock Editions published three hundred titles.) In the seventies, there were practically no samizdat cultural journals; by the eighties, there were more than a hundred unofficial magazines. (At the same time, there were only five official magazines dealing with culture.)

Sasmizdat literature was only one of the ways in which the repressed culture expressed itself. There were seminars in philosophy, and lecture series were held on different areas of the humanities. Young people frequently tried to distance themselves entirely from the pseudo-culture offered to them by the authorities. They founded small theatres, and from the seventies on, the most authentic expression of their relationship to the ruling system was the protest song. Singers who were closest to them in age and attitude became their idols. The authorities reacted predictably, and one generation of protest singers was essentially driven into exile, but as usual, the results were the opposite of what was intended.“

 

 

 

 

ivan-klima5
Ivan Klíma (Praag, 14 september 1931)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:45 Reageer op dit bericht

Corly Verlooghen, Eric van der Steen, Mario Benedetti, Uli Becker

De Surinaamse dichter, schrijver, journalist en muziekpedagoog Corly Verlooghen werd geboren op 14 september 1932 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2006  en ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Dit gaat niemand aan

 

Deze zomerherinnering

gaat niemand aan

zij dacht zo mij

aan te voelen

er kwam een telegram

je bent voortvluchtig

als mijn kans op onweer

de storm in je greep

in je ogen de bliksem

het voorgevoel in de rivier

van jouw zondvloed

te verdrinken

 

ik seinde prompt terug

wees mutoditna overtuigd

van mijn innigste deelname.

 

 

 

De Plezierboot

 

Dichter schrijf een dwangbevel

tegen de intellektuelen en hun gedaas

horden van smulpapen

in de plezierboot van champagne

 

dichter schrijf aan creoolse leentje

en haar vaderloze pop

de saramaccastraat begint bij lelydorp

dichter vergeef de proletariërs

want hun plezierboot is

een krot wat rhum en cha-cha's

dichter vergeef het hoongelach

van hen die beter weten

dichter schrijf en vergeef.

 

 

 

 

Verlooghen
Corly Verlooghen (Paramaribo, 14 september 1932)

 

 

 

 

 

De Uruguayaanse dichter, schrijver, criticus en journalist Mario Benedetti Farugia werd geboren op 14 september 1920 in Paso de los Toros in het department Tacuarembó. Mario Benedetti is op 17 mei van dit jaar overleden. Hij werd 88 jaar. Zie ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Necrologie met juichkreten

 

Komaan, laat ons feesten

Iedereen is uitgenodigd

De onschuldige

Alle slachtoffers

Zij die het ’s nachts uitschreeuwen

En bij dag dromen

En de last van hun lichamen dragen

En geesten herbergen

En blootvoets marcheren

En de bevroren armen

vervloeken en verbranden

 

Zij die van iemand houden

En dat nooit vergeten

Komaan, laat ons feesten

Iedereen is uitgenodigd

De schurk is dood

De vriend is weg

De verrotte dief is voor goed weg

Haast u

Iedereen is uitgenodigd

Komaan, het is tijd om te feesten

Niet om te zeggen

Dat de dood de lei schoonveegt

Alles zuivert

Op gelijk welke dag

De dood veegt niets uit

Wij dragen nog steeds de littekens

Haast u

de schoft is dood

het is tijd om te feesten

niet om te treuren uit gewoonte

laat zijn tegenhangers maar wenen

en hun tranen verspillen

de monsterachtige magnaat is weg

hij is weg voor goed

het is tijd om te feesten

en niet om ons in te tomen

herinner u daar is niet zo maar iemand dood

het is tijd om te feesten

niet om te vermurwen

vergeet niet dat deze dode man

een echte S.O.B. was

 

 

 

 

Vertaald door Henri Thijs

 

 

 

 

 

Rostro De Vos  (Face Of You)

I've got such a concurred loneliness
So filled with melancholy
and faces of you,
with long ago good byes,
and welcome kisses,
of changing springs
and last trains.

I've got such a concurred loneliness
that i can organize it
like a procession
by colours,
shapes,
and promises
by epoch
by tact
and by flavour.

Without more trembling,
I hug your absences
which visit and visit me
with my face of you.

I'm filled with shades,
with nights and wishes,
with laughs and some course

My guests concur,
concur like dreams,
with their new rancors,
and their lack of candour,
and i put them a broom behind the door,
because i want to be alone,
with my face of you.

But the face of you looks elsewhere
with its eyes of love,
but no longer love
as provisions that look for their hunger,
they look and look and extinguish my day.

The walls leave,
remains the night,
melancholies leave,
nothing's left.

Then my face of you
closes its eyes,
and it is such a desolate loneliness..

 

 

 

 

 

Benedetti_1
Mario Benedetti  (14 september 1920 – 17 mei 2009)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Eric van der Steen werd op 14 september 1907 in Alkmaar geboren. Zie ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Chantage

 

Hoe zou ik slapen kunnen, nu haar ogen,
zo dromerig blauw, als nauw bewogen meer
door wat ter wereld ook, niet rusten eer,
ik zacht mij over haar heb heengebogen ?

 

Maar wat ik mogen zal en niet zal mogen,
dat is een vraag die ik al doende leer
en 't antwoord, dat ik meer dan haar begeer,
wijst tevens uit of zij mij heeft bedrogen.

 

Zij zal niet rusten voor ik moet bekennen
en lokt mij in haar weelderige tent,
ik zal niet slapen voor ik binnen ben en

met zoet geweld mijn liefs gastvrijheid schend -

en in de morgen, als ik wordt verbannen,
weet zij dat ik voorgoed gevangen ben.

 

 

 

 

 

VanDerSteen
Eric van der Steen (14 september 1907 - 3 november 1985)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Uli Becker werd geboren op 14 september 1953 in Hagen. Zie ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Ewig nicht gemäht – 

mein hippieskes Phlegma: 

Langes, blondes Gras.

 

 

 

Wer hat gesagt, daß sowas Leben

ist? Ich gehe in ein

anderes Blau.

 

 

 

Wie altes Eisen

stehn die Bäume im Park rum,

wenn der Lack ab ist.

 

 

 

 

hagen-ostermarkt-freilichtmuseum
Uli Becker (Hagen, 14 september 1953)

Hagen (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 14 september 2008.

 

Geschreven door Romenu om 20:30 Reageer op dit bericht

Tõnu Õnnepalu, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, Anton Constandse, J. B. Priestley

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin.

 

Uit: Freedom as a Border State of Mind

 

„There are some rare moments in the time, while freedom emerges. If we want to be more grandiloquent we may call time the History. Or, speaking about someone’s personal life, we may call it Destiny. Those moments, political and psychological, are perhaps the most suitable for writing. I mean the real writing, which is always the emerging of something unexpected, something new, as in the end of the Baudelaire’s poem Le Voyage.

It is a long poem, which starts with an image of a child dreaming on the maps of seas and continents. The world under the lamp of childhood is huge and without borders. And then the old poet says (well, he wasn’t this old in fact – perhaps as old as I’m now, but, like he says in another poem – Le Spleen – J’ai plus des souvenirs que si j’avais mille ans – I have more memories than I would have at the age of thousand years), so, he says: how little is world in the eyes of memory!

For a child the potential of possibilities, the latent freedom is in it’s maximal rate. Then, during the life, the doors of unused possibilities are closing, one by one. The hungry dreaming has been replaced by searching of real sensations, then by dullness, boredom and spleen – the famous ennui. As the potential of freedom has been used up, the life becomes to be felt like a prison. The trials of escape from this prison become more and more violent. As the poet says in another poem, the boredom – ennui – is the worst of all vices, the most powerful source of evil. A bored human being may – just to escape from his own prison – destroy the world, kill and torture.

Or destroy himself. The last part of the poem, which closes the whole book, evokes the Death as ultimate liberator and ultimate door into the unknown and the last remaining possibility for something new. This absurd hope tells us about the inner feelings of the poet, who’s sources of creation are like drying up and who doesn’t find his former freedom any more. So was the freedom, the childhood’s borderless world just an illusion?“

 

 

 

 

Õnnepalu
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

 

 

 

 

 

 

De Poolse dichter Julian Tuwim werd geboren in Łódź op 13 september 1894.

 

 

 

The Dancing Socrates 

 

I roast in the sun, old wretch...

I lie, and yawn, I stretch.

Old am I, but full of pep:

When I take a slug from the cup

I sing.

My ancient bones bask in the sun's glow,

And my curly, wise, grey head.

In that wise head, like woods in spring

Hums and hums a wiser wine.

Eternal thoughts flow and flow,

Like time

 

 

 

 

 

 

tuwim2
Julian Tuwim (13 september 1894 – 27 december 1953)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, predikant en hoogleraarr Nicolaas Beets werd geboren op 13 september 1814 in Haarlem. Voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 13 september 2006.

 

Uit: Uit: Camera Obscura

 

“En wezenlijk, de Hollandsche jongens zijn een aardig slag. Ik zeg dit niet met achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat Potgieter, in zijn tweede deel van ‘het Noorden’, over de Zweedsche, en wat Wap in het tweede deel van zijne ‘Reis naar Rome’, over de Italiaansche in 't midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde spes patriae.

De Hollandsche jongen; - maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van krijgertje, - twee lieve spelen, mevrouw, die u ed. te wild vindt. Ten derde, heeft u ed., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen, om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort u ed. als zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in 't ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een schoffel en een klap leeren berekenen? - ik verzeker u dat hij nagelt, mevrouw! een nagelaar is hij, en een nagelaar zal hij blijven: - wat kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar? Ook draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet u ed. wat u ed. van uw lief Fransje maakt? 1. een gluiper; 2. een klikspaan; 3. een geniepigerd; 4. een bloodaard; 5... Och lieve mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken, en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen zonder een buil of een schram, - hij zal een groot man worden”.

 

 

 

 

Beets
Nicolaas Beets (13 september 1814 –  13 maart 1903)

Borstbeeld, gemaakt door Cornelis Beets

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Roald Dahl werd geboren op 13 september 1916 in Llandalf, Zuid-Wales.

 

 

Cinderella (Fragment)

 

I guess you think you know this story.

You don't. The real one's much more gory.

The phony one, the one you know,

Was cooked up years and years ago,

And made to sound all soft and sappy

just to keep the children happy.

Mind you, they got the first bit right,

The bit where, in the dead of night,

The Ugly Sisters, jewels and all,

Departed for the Palace Ball,

While darling little Cinderella

Was locked up in the slimy cellar,

Where rats who wanted things to eat

Began to nibble at her feet.

She bellowed, "Help!" and "Let me out!"

The Magic Fairy heard her shout.

Appearing in a blaze of light,

She said, "My dear, are you all right?" '

All right?" cried Cindy. "Can't you see

I feel as rotten as can be!"

 

She beat her fist against the wall,

And shouted, "Get me to the Ball!

There is a Disco at the Palace!

The rest have gone and I am jalous!

I want a dress! I want a coach!

And earrings and a diamond brooch!

And silver slippers, two of those!

And lovely nylon pantyhose!

Thereafter it will be a cinch

To hook the handsome Royal Prince!"

The Fairy said, "Hang on a tick."

She gave her Wand a mighty flick

And quickly, in no time at all,

Cindy was at the Palace Ball!

It made the Ugly Sisters wince

 

 

 

 

 

Roald Dahl
Roald Dahl (13 september 1916 –  23 november 1990)

 

 

 

 

 

De Nederlandse wetenschapper en publicist, vrijdenker en anarchist Anton Constandse werd geboren in Brouwershaven op 13 september 1899.

 

Uit: Het terrorisme

 

„De bloedige onderdrukking van de Parijse Commune en de wrede taferelen van officiële moord op weerloze socialisten hebben een diepe indruk gemaakt op de revolutionairen van het laatste gedeelte der vorige eeuw. Nimmer scheen tegengeweld zo geoorloofd als bij het verweer tegen standen en klassen die op zo tirannieke wijze hadden gewoed. Men vergete niet dat de ‘tirannenmoord’ op velerlei gronden door uiteenlopende richtingen was goedgekeurd, en dat het christendom zich daarbij niet onderscheidde van politieke stromingen. Talloos was het aantal koningsmoordenaars (‘régicides’) geweest wier daden verontschuldigd waren geworden. De man die de laatste en dodende aanslag had gepleegd op Willem de Zwijger, Balthazar Gerards, voltooide een goddelijk geachte opdracht. Toen in 1610 de Franse koning Henri IV van het leven werd beroofd door Ravaillac, wilde deze laatste de gewezen protestantse monarch treffen, die nog als beschermer der hugenoten werd beschouwd. Nadat in 1793 Charlotte Corday de revolutionaire leider Marat had doodgestoken (door haar beschouwd als een tiran) had zij gezegd: ‘Ik heb één man gedood om honderdduizenden te redden.’ Hoewel de meeste politieke moorden - men denke aan de tijd der Renaissance, Reformatie en Contrareformatie - door leden van de overheid zijn gepleegd, is de liquidatie van een dictator door het nageslacht bijna altijd verdedigd als een begrijpelijke en vaak heilzame daad.

Deze opvatting werd in de negentiende eeuw versterkt door de berichten, die uit het absolutistisch geregeerde Rusland kwamen. Na 1848, toen de tsaar had ingegrepen om de Hongaarse opstand te helpen neerslaan; na 1863 toen wederom een Poolse revolutie was onderdrukt; na de massa-arrestaties en verbanningen van Russische revolutionairen gold het ook in het Westen als onvermijdelijk dat aanslagen nog de enig mogelijke vorm waren van noodzakelijk verzet. De invloed van Alexander Herzen, met wie Bakoenin (na zijn ontsnapping uit Siberië) enige jaren had samengewerkt, was voornamelijk ideologisch, gericht op een vaag democratisch socialisme. Hij keerde zich in beginsel tegen het revolutionaire geweld. ‘Wie niet wil dat de beschaving wordt gevestigd met de knoet, mag de bevrijding niet willen bereiken met de guillotine.’ Maar wel riep hij op christelijke wijze herhaaldelijk het beeld op van een bloedige Apocalyps, een Wereldondergang waaruit de nieuwe orde geboren zou worden.“

 

 

constandse2
Anton Constandse (13 september 1899 - 23 maart 1985)

Portret door Jan Wiegers

 

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 13 september 2008.

 

 

De Engelse schrijver, journalist en literatuurcriticus John Boynton Priestley werd geboren in Bradford op 13 september 1894. Zie ook mijn blog van 13 september 2007.

 

 

Geschreven door Romenu om 20:42 Reageer op dit bericht

Michael Ondaatje, Werner Dürrson, James Frey, Gust Van Brussel, Hannes Meinkema, Stanislaw Lem

De Canadese schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Toen zijn ouders op zijn negende scheidden, verhuisde hij samen met zijn moeder, broer en zus naar Londen. In Engeland ging hij naar het Dulwich College. Op negentienjarige leeftijd verhuisde hij naar Canada. Zijn broer Christopher leefde toen al enkele jaren in Montreal. Hij haalde een licentie in Engels en geschiedenis aan de Bishop's University in Lennoxville, enkele jaren later zou hij zelf professor worden. Hij las grote dichters als Browning, Elliot en Yeats en kwam in contact met hedendaagse Engelse dichters als D.G. Jones. Het waren zijn ideeën dat Canada geen literaire traditie had, dat Ondaatje aanzette om te schrijven. In 1967 verscheen zijn eerste gedichtenbundel The Dainty Monsters, waarvan de titel afkomstig is van een gedicht van Baudelaire. In 1978 reisde Michael Ondaatje naar Sri Lanka om vijf maanden bij zijn familie te verblijven. De impressies die hij hieraan overhield vinden deels hun weerslag in Ondaatje's dichtbundel There's A Trick With A Knife I'm Learning To Do, maar vooral in Running In The Family, zijn enige autobiografische roman.Tien jaar later publiceerde hij In The Skin Of A Lion, waarin een gedetailleerd beeld wordt gegeven van het Toronto van de vroege jaren '20. In vele opzichten vormt dit werk één geheel met zijn volgende en tevens bekendste roman The English Patient.

 

Uit: Anil's Ghost

 

“She arrived in early March, the plane landing at Katunayake airport before the dawn. They had raced it ever since coming over the west coast of India, so that now passengers stepped onto the tarmac in the dark.

By the time she was out of the terminal the sun had risen. In the West she'd read, The dawn comes up like thunder, and she knew she was the only one in the classroom to recognize the phrase physically. Though it was never abrupt thunder to her. It was first of all the noise of chickens and carts and modest morning rain or a man squeakily cleaning the windows with newspaper in another part of the house.

As soon as her passport with the light-blue UN bar was processed, a young official approached and moved alongside her. She struggled with her suitcases but he offered no help.

'How long has it been? You were born here, no?'

'Fifteen years.'

'You still speak Sinhala?'

'A little. Look, do you mind if I don't talk in the car on the way into Colombo -- I'm jet-lagged. I just want to look. Maybe drink some toddy before it gets too late. Is Gabriel's Saloon still there for head massages?'

'In Kollupitiya, yes. I knew his father.'

'My father knew his father too.'

Without touching a single suitcase he organized the loading of the bags into the car. 'Toddy!' He laughed, continuing his conversation. 'First thing after fifteen years. The return of the prodigal.'

'I'm not a prodigal.'

An hour later he shook hands energetically with her at the door of the small house they had rented for her.

'There's a meeting tomorrow with Mr. Diyasena.'

'Thank you.'

'You have friends here, no?'

'Not really.'

Anil was glad to be alone. There was a scattering of relatives in Colombo, but she had not contacted them to let them know she was returning. She unearthed a sleeping pill from her purse, turned on the fan, chose a sarong and climbed into bed. The thing she had missed most of all were the fans. After she had left Sri Lanka at eighteen, her only real connection was the new sarong her parents sent her every Christmas (which she dutifully wore), and news clippings of swim meets. Anil had been an exceptional swimmer as a teenager, and the family never got over it; the talent was locked to her for life. As far as Sri Lankan families were concerned, if you were a well-known cricketer you could breeze into a career in business on the strength of your spin bowling or one famous inning at the Royal-Thomian match. Anil at sixteen had won the two-mile swim race that was held by the Mount Lavinia Hotel.”

 

 

 

ondaatje
Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Van 1953 tot 1955 volgde hij een opleiding tot muziekleraar in Trossingen. In 1957  behaalde hij alsnog zijn gymnasiumdiploma en aansluitend studeerde hij germanistiek, romanistiek en muziekwetenschappen in München und Tübingen. In 1962 promoveerde hij in Tübingen. Van 1962 tot 1968 was hij docent Duitse Taal– en Literatuur aan de universiteit van Poitiers en van 1968 tot 1978 aan een privé-instituut in Zürich. Daarna werkte hij als zelfstandig schrijver en vertaler in Oberschwaben en Parijs. Hij schreefgedichten, verhalen en essays. In Frankrijk onderging hij de invloed van surrealisten als Max Ernst en René Char

 

 

 

Unter Bäumen

 

 

Tröstlich die Fichten.

In ihrem Lidschatten zu

ichten, zu dichten

 

Anders die Buchen

blaudurchleuchteter Wald: wie

da Wörter suchen –

 

Im Park die Eiben

lassen mir Zeit, Verse um-

und umzuschreiben

 

Unter der Eiche

ein Gedankenblitz, den ich

fasse, dann streiche

 

Die echten Tannen

windverschwistert, schicken mich

schweigsam von dannen

 

Unter den Linden:

wie bei soviel Blätterschwall

noch Worte finden –

 

Am Fluß die Erlen

ließen zu guter Stunde

die Zeilen perlen

 

Holunder im Mai:

Zur Stunde des Strauchelns ein

Verszeilenwunder

 

Am Apfelbaum kaum,

auch am Birn-, am Kirschbaum nicht

gedeiht mein Gedicht

 

Schrieb A-Horn, B-Horn,

C-Horn, suchte nach Deinem,

triebs wieder von vorn

 

Daß ich die Weide

meide, wen wunderts, wenn ich

ohne sie leide –

 

Höre mich, Föhre:

Als harzige Kiefer reimt

sich`s tiefer, schiefer

 

Ach der Wacholder!

Stichhaltiges Wort macht das

Haiku nicht holder

 

Jaja, die Espe

alias Zwitterpappel,

mir fremd, die Lesbe

 

Frankreichs Platanen

wie´s im Herbst ihre Blätter

treiben, beschreiben

 

Sterbende Ulme,

wie fang ich dich auf mit wurm-

stichigen Silben –

 

Tut mir leid, lichte

Birke, wenn ich für dich kein

Dunkel bewirke

 

Was soll mir, kühle

Akazie, sag, deine

Pseudo-Grazie

 

Am Bach, ihr Eschen

Wolframs. Vielblättrig auch ich.

Wortdreschen im Wind.

 

Lärche, verballhornt

meinem Tirili lausche,

genannt Poesie

 

Nicht jeder Zeder

entlocke ich Daktylen

(eigentlich keiner)

 

Doch Roms Pinien-

hochmut ließ mich (vorüber-

gehend) verstummen

 

Unvergessen vor

Arles das Windharfenspiel van

Goghscher Zypressen.

 

 

 

 

 

 

duerrson
Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland.

 

Uit: A Million Little Pieces

 

„I wake to the drone of an airplane engine and the feeling of something warm dripping down my chin. I lift my hand to feel my face. My front four teeth are gone, I have a hole in my cheek, my nose is broken and my eyes are swollen nearly shut. I open them and I look around and I'm in the back of a plane and there's no one near me. I look at my clothes and my clothes are covered with a colorful mixture of spit, snot, urine, vomit and blood. I reach for the call button and I find it and I push it and I wait and thirty seconds later an

Attendant arrives.

How can I help you?

Where am I going?

You don't know?

No.

You're going to Chicago, Sir.

How did I get here?

A Doctor and two men brought you on.

They say anything?

They talked to the Captain, Sir. We were told to let you sleep.

How long till we land?

About twenty minutes.

Thank you.

Although I never look up, I know she smiles and feels sorry for me. She shouldn't.

A short while later we touch down. I look around for anything I might have with me, but there's nothing. No ticket, no bags, no clothes, no wallet. I sit and I wait and I try to figure out what happened. Nothing comes.

Once the rest of the Passengers are gone I stand and start to make my way to the door. After about five steps I sit back down. Walking is out of the question.

I see my Attendant friend and I raise a hand.

Are you okay?

No.

What's wrong?

I can't really walk.

If you make it to the door I can get you a chair.

How far is the door?

Not far.

I stand. I wobble. I sit back down. I stare at the floor and take a deep breath.

You'll be all right.

I look up and she's smiling.“

 

 

 

 

james-frey
James Frey (Cleveland, 12 september 1969)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster  Hannes Meinkema werd op 12 september 1943 geboren in Tiel. Zie ook mijn blog van 12 september 2006.

 

Uit: Het binnenste ei

 

"Joost zit daar zijn krant te lezen en ik ben blij met hem. Zijn haar is aan de lange kant, zijn krullen steken horizontaal uit zijn hoofd. Ik ben trots als ik met hem op straat loop: alle meisjes kijken, Joost is een knappe jongen. Waarom heb je mij getrouwd, vroeg ik, ik ben zo onopvallend. Om de kuiltjes in je wangen als je lacht, zei hij - en ik lach veel als hij er is, ik lach nu hoewel hij niet naar me kijkt, ik lach omdat Joost me door met me te trouwen, de kans gegeven heeft een echt volwassenmensen-leven te leiden."

(...)

"Ik weet het niet met Max. Soms denk ik hij is aardig, maar dan weer lijkt het of ik alleen de oppervlakte zie, dat hij daar onder al die tijd zijn eigen dingen denkt. Ik ken hem niet. [...] Zijn manier van spreken is precieus. Ja, zegt hij dan, nu word ik wel heel persoonlijk - en komt met iets gewoons. Of: ik weet niet waarom ik er lust in heb je dit te vertellen - en ik denk: lust. Maar hij is niet iemand om in vertrouwen te nemen, dat zie ik wel."

 

 

 

 

Meinkema
Hannes Meinkema (Tiel, 12 september 1943)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Gust Van Brussel werd geboren in Antwerpen op 12 september 1924.

 

Uit: De helm van Parsival

 

„De jonge Oostenrijkse soldaat Johan Marthaler had geen greep meer op de realiteit. Zijn leven sijpelde weg, terwijl de boot op en neer ging in de golven. De storm gierde. De planken van de kajuit kraakten. Hij lag vast- gebonden op een brits. In Polen was hij haast een held geweest. Het bleef in zijn kop rondspoken. Wat in die kleine Poolse kerk gebeurd was, had niemand kunnen voorzien. Omdat het allemaal zo vlug gebeurde. Uit de deur van de sacristie viel een schot. In een flits zag hij hoe de polak aanlegde. Hansel viel achterover met een kogel in zijn kop. Wat kon je meer doen dan zorgen datje niet bij Hansel op de vloer terechtkwam? Kerk of geen kerk. Toen hij vuurde, zag hij de Pool neervallen en bloed spuwen! Op enkele meters voor hem! Zeg me watje doen moet, als het om je vel gaat! Dat moet de Pfarrer dan maar eens verklaren! Een Pfarrer weet niet wat er in je omgaat op dat moment. Het gebeurt in je buik, in je borst, in je armen en benen. Het heeft niks te maken met je vaderland. Dat is je reinste larie. Als hij het zo op de hoeve vertelde, zou zijn vader voorzeker knorren ach- ter zijn pijp. Met zijn kleine ogen. Daar bleef je beter onderuit. Hij zou nooit een echte zoon zijn voor hem. Gott mit Uns! Enkele jaren terug spuwde hij Hitier nog uit. Toen verdachten vele Oostenrijkers Hîtler ervan de hand te hebben gehad in de moord op Dollfuss. Dat herinnerde hij zich nog heel precies. Na de Anschluss werd het anders. Toen stond zijn vader met zijn grote bek open, stil voor dat tieren van die man. Dat was zijn leider.“

 

 

 

 

VanBrussel
Gust Van Brussel (Antwerpen, 12 september 1924)

 

 

 

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 12 september 2007 en ook mijn blog van 12 september 2008.

 

 

De Poolse schrijver Stanislaw Lem werd geboren op 12 september 1921 in Lwów. Zie ook mijn blog van 12 september 2006.  

 

Geschreven door Romenu om 17:01 Reageer op dit bericht

Eddy van Vliet, D.H. Lawrence, O. Henry

De Vlaamse dichter Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007 en ook mijn blog van 11 september 2008

 

 

 

Beeld in Salamanca

 

Was het uit hout gesneden of uit steen gekapt,
het beeldhouwwerk op het dak?

Als riep het alleen vragen op: In welke eeuw
hadden de bouwers van de stad de ooievaar
een plaats als heilige waard geacht?

Onverwacht, als door een omkering van
de zwaartekracht, bevrijdde de vogel zich
van het kunstwerk waarvoor ik hem gehouden had.

 

 

 

 

 

Biografie (hij)

 

De slaapwagen was de einder. Een gunst van de nacht.
Tot en met de tekening in het fluweel
had Gropius bedacht. Leder, geslepen spiegels
en de luxe hierin een zinsnede te verbeelden.

Hij hoort zich nog zeggen: Daarna reizen wij af
naar Virginia of Californië. Tijd genoeg. Zolang straten
en pleinen de namen van schilders en schrijvers dragen.

Belachelijk klein was de landkaart in de serre
waarin thee werd gedronken
en het groen van Canada het won van de zon.

Een gunst van de dag. Nooit had hij zulke
mooie muziek op het perron van Treblinka verwacht.

 

 

 

 

Verliefd

 

Zo gaat het, zo ging het en zo zal het altijd gaan.
Afspreken in cafés op de sluitingsdag.
Aan de verkeerde zijde van bruggen staan.
Tussen duim en wijsvinger, als brandende as,
het fout begrepen telefoonnummer.
Parken te nat, hotels te vol, Parijs te ver.
Liefde als een veelvoud van vergissingen.

Onbeholpen woorden als zo-even op zak en
zoveel zin om, los van de wetten
van goede smaak en intellect, te schrijven
dat van de stad waar je elkaar voor het eerst zag,
een plattegrond bestaat, waarop een kus,
die het nauwelijks was, geregistreerd werd.

 

 

 

 

 

eddy_van_vliet
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)

 

 

 

 

 

De Engelse romanschrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007 en ook mijn blog van 11 september 2008

 

Uit: Sons and lovers

 

"The bottoms" succeeded to "Hell Row." Hell Row was a block of thatched, bulging cottages that stood by the brookside on Greenhill Lane. There lived the colliers who worked in the little gin-pits two fields away. The brook ran under the alder trees, scarcely soiled by these small mines, whose coal was drawn to the surface by donkeys that plodded wearily in a circle round a gin. And all over the countryside were these same pits, some of which had been worked in the time of Charles II, the few colliers and the donkeys burrowing down like ants into the earth, making queer mounds and little black places among the corn-fields and the meadows. And the cottages of these coal-miners, in blocks and pairs here and there, together with odd farms and homes of the stockingers, straying over the parish, formed the village of Bestwood.
Then, some sixty years ago, a sudden change took place. The gin-pits were elbowed aside by the large mines of the financiers. The coal and iron field of Nottinghamshire and Derbyshire was discovered. Carston, Waite and Co. appeared. Amid tremendous excitement, Lord Palmerston formally opened the company's first mine at Spinney Park, on the edge of Sherwood Forest.
About this time the notorious Hell Row, which through growing old had acquired an evil reputation, was burned down, and much dirt was cleansed away.
Carston, Waite & Co. found they had struck on a good thing, so, down the valleys of the brooks from Selby and Nuttall, new mines were sunk, until soon there were six pits working. From Nuttall, high up on the sandstone among the woods, the railway ran, past the ruined priory of the Carthusians and past Robin Hood's Well, down to Spinney Park, then on to Minton, a large mine among corn-fields; from Minton across the farmlands of the valleyside to Bunker's Hill, branching off there, and running north to Beggarlee and Selby, that looks over at Crich and the hills of Derbyshire: six mines like black studs on the countryside, linked by a loop of fine chain, the railway.
To accommodate the regiments of miners, Carston, Waite and Co. built the Squares, great quadrangles of dwellings on the hillside of Bestwood, and then, in the brook valley, on the site of Hell Row, they erected the Bottoms.
The Bottoms consisted of six blocks of miners' dwellings, two rows of three, like the dots on a blank-six domino, and twelve houses in a block. This double row of dwellings sat at the foot of the rather sharp slope from Bestwood, and looked out, from the attic windows at least, on the slow climb of the valley towards Selby.”

 

 

 

 

Lawrence
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)

Portret door Mike Bolt

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver O.Henry, pseudoniem van William Sydney Porter , werd geboren in Greensboro (North Carolina) op 11 september 1862. Zie ook mijn blog van 11 september 2008

 

Uit: The Gift of the Magi

 

“One dollar and eighty-seven cents. That was all. And sixty cents of it was in pennies. Pennies saved one and two at a time by bulldozing the grocer and the vegetable man and the butcher until one’s cheeks burned with the silent imputation of parsimony that such close dealing implied. Three times Della counted it. One dollar and eighty-seven cents. And the next day would be Christmas.
There was clearly nothing to do but flop down on the shabby little couch and howl. So Della did it. Which instigates the moral reflection that life is made up of sobs, sniffles, and smiles, and sniffles predominating.
While the mistress of the home is gradually subsiding from the first stage to the second, take a look at the home. A furnished flat at $8 per week. It did not exactly beggar description, but it certainly had that word on the lookout for the mendicancy squad.
In the vestibule below was a letter-box into which no letter would go, and an electric button from which no mortal finger could coax a ring. Also appertaining there-unto was a card bearing the name “Mr. James Dillingham Young.”
The “Dillingham” had been flung to the breeze during a former period of prosperity when its possessor was being paid $30 per week. Now, when the income was shrunk to $20, the letters of “Dillingham” looked blurred, as though they were thinking seriously of contracting to a modest and unassuming D. But whenever Mr. James Dillingham Young came home and reached his flat above he was called “Jim” and greatly hugged by Mrs. James Dillingham Young, already introduced to you as Della. Which is all very good.
Della finished her cry and attended to her cheeks with the powder rag. She stood by the window and looked out dully at a gray cat walking a gray fence in a gray backyard. Tomorrow would be Christmas Day, and she had only $1.87 with which to buy Jim a present. She had been saving every penny she could for months, with this result. Twenty dollars a week doesn’t go far. Expenses had been greater than she had calculated. They always are. Only $1.87 to buy a present for Jim. Her Jim. Many a happy hour she had spent planning for something nice for him. Something fine and rare and sterling—something just a little bit near to being worthy of the honor of being owned by Jim.”

 

 

 

O_Henry
O. Henry (11 september 1862 – 5 juni 1910)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:22 Reageer op dit bericht

Joachim Fernau, Peter Hille, James Thomson, Thomas Parnell

De Duitse schrijver, kunstenaar en kunstverzamelaar Joachim Fernau werd geboren in Bromberg op 11 september 1909. Zie ook mijn blog van 11 september 2008

 

Uit: Und sie schämeten sich nicht

 

“Das erste Kapitel pflegt - daran ist nichts Besonderes - gemeinhin am Anfang eines Buches zu stehen und sich als Lokomotive zu fühlen. Das aber ist dieses erste Kapitel nicht. Es erwischt gerade noch das letzte Trittbrett einer zu Ende gehenden Epoche und nimmt wehmütig von ihr Abschied. Es ist jene Epoche, als unsere Vorfahren noch in den germanischen Wäldern wie in einem Paradies lebten und liebten. Merkwürdige Menschen, zum Fürchten und zum Beneiden
Als Sextus Aetius, der Friseur und Manikeur des römischen Generalfeldmarschalls Marius, noch einen kleinen nächtlichen Spaziergang zur Rhone hinunter machte und um die Ecke bog", sah er im Gebüsch einen Mann, einen riesenhaften Kerl mit nacktem, haarigem Oberkörper, geschnürter Unterhose, auf dem Kopf den ausgehöhlten Schädel eines Widders, in seinen Armen ein gewaltiges Weib. In irrsinnigem Schrecken floh der Friseur, so schnell es seine tadellos geputzten Beinschienen und der enge Spitzenkragen erlaubten, in das befestigte römische Lager zurück.
Er hatte einen Teutonen gesehen!
Der Friseur wurde der Urheber des geflügelten Wortes vom »Furor teutonicus«.
Die Vorstellung, daß der Friseur das Wort von der »teutonischen Raserei« auf eine nächtliche geheime Beobachtung gemünzt haben könnte, ist eine heiter stimmende neue Idee und eröffnet ein weites, reich bestelltes Feld der Gedanken. Daß der Friseur so kopflos davonstürmte, ist bei dem schrekkenerregenden Anblick, den die alten Germanen boten, verständlich, aber sehr bedauerlich. Da alle Welt wegzulaufen pflegte, anstatt genau hinzuschauen und später Memoiren zu schreiben, wissen wir von unseren Ur-Ur-Ur-Ur-Ur-Großeltern ...”

 

 

 

Fernau
Joachim Fernau (11 september 1909 - 24 november 1988) 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Hille werd geboren in Erwitzen bij Nieheim op 11 september 1854. Zie ook mijn blog van 11 september 2007.en ook mijn blog van 11 september 2008

 

 

 

Der Sonne Geburtstag

 

Die Schieferdächer zottig und breit,
Noch wacht kein einzig Haus,
Zartklare Gegend und Einsamkeit,
Da jubelt ein Vöglein sich aus.

 

Die Sonne zu grüßen, so steigt es hinan
In reiner und reineres Blau,
Bis man es nicht mehr sehen kann,
Nun jubelt die Himmelsau.

 

Die Schieferdächer zottig und lang,
Schroff ragt ein Berg einher,
Die Mondsichel zart und morgenbang,
Da Wolkenfleisch, blühend und schwer.

 

Die Lerche hat die Sonne gesehn
Und sinkt nun wieder zu Tal,
Das hören die Morgenwinde und wehn,
Froh glühen die Wölklein zumal.

 

Kirschbäume stehn und richten sich aus
Und schauen stumm sich um,
Wie Kinder stehn mit Spruch und Strauß
So köstlich blöd und dumm.

 

Siehe, da blitzt es freudig erhellt,
Da hebt es sich und steigt,
Das liebeleuchtende Antlitz der Welt,
Und unsre Seele schweigt.

 

 

 

 

Abbild

 

Seele meines Weibes wie zartes Silber bist du.
Zwei flinke Fittiche weißer Möven
Deine beiden Füße.
Und dir im lieben Blute auf
Steigt ein blauer Hauch
Und sind die Dinge darin
Alle ein Wunder.

 

 

 

 

Der Schutzengel

 

Ein Schatten fällt auf deine Wange,
Es ist die Wimper nur, die lange.
Ein Seufzer sucht die Himmelslust,
Von der noch warm die Traumesbrust.

Du hast das Heimweh nach dem ewigen Leben
Und fühlst dich mit uns noch im Himmel schweben,
Und kommst bald wieder.

 

 

 

 

 

Hille
Peter Hille (11 september 1854 - 7 mei 1904)

Geschilderd door Lovis Corinth, 1902

 

 

 

 

 

De Schotse dichter en schrijver James Thomson werd geboren op 11 september 1700 in Ednam, Roxburghshire. Thomson is vooral bekend geworden door zijn poëtisch werk, met name zijn gedichtencyclus over de seizoenen, die uiteindelijk in 1730 gepubliceerd zou worden onder de titel The Seasons, en zijn lange gedicht The Castle of Indolence. Ook schreef hij de tekst van het nog altijd populaire vaderlandse lied Rule Britannia, dat in 1740 door Thomas Arne van muziek werd voorzien.

James Thomson was de zoon van een dominee. Hij bezocht het gymnasium in Jedburgh, waar hij niet bijzonder uitblonk, en vervolgens vanaf 1715 de Universiteit van Edinburgh, waar hij bevriend raakte met de Schotse toneelschrijver David Mallet. Hij volgde een breed scala aan studies, maar besloot in 1719 in zijn vaders voetsporen te treden en geestelijke te worden. Na de succesvolle publicatie van enkele gedichten in de ’Edinburgh Miscellany’ gaf hij dit idee op en vertrok in 1725 met Mallet naar London om daar zijn (literaire) geluk te zoeken.

 

 

Sunday up the River 

 

MY love o'er the water bends dreaming;

   It glideth and glideth away:

She sees there her own beauty, gleaming

   Through shadow and ripple and spray.

 

O tell her, thou murmuring river,

   As past her your light wavelets roll,

How steadfast that image for ever

   Shines pure in pure depths of my soul.

 

 

 

 

The Vine 

 

THE wine of Love is music,

   And the feast of Love is song:

And when Love sits down to the banquet,

   Love sits long:

 

Sits long and arises drunken,

   But not with the feast and the wine;

He reeleth with his own heart,

   That great, rich Vine.

 

 

 

 

 

james_thomson
James Thomson (11 september 1700 – 27 augustus 1748)

Gravure door James Basire

 

 

 

 

 

De Ierse dichter Thomas Parnell werd geboren in Dublin op 11 september 1679. Hij bezocht Trinity College in Dublin, werd kanunnik van St. Patrick's Cathedral in 1702 en aartsdiaken van Clogher in 1706. In 1712 vertrok hij naar Londen. Twee allegorische essays die hij bijdroeg aan The Spectator trokken de aandacht van Jonathan Swift. Deze raakte vervolgens met hem bevriend en introduceerde hem bij zijn vriendenkring. Zodoende raakte hij betrokken bij de Scriblerus Club. Afgezien van An Essay on the Different Styles of Poetry publiceerde hij slechts weinig. Wel assisteerde hij Alexander Pope bij diens vertaling van de Ilias. In 1716 accepteerde hij een betrekking als geestelijke in Finglass, waardoor hij naar Ierland moest terugkeren. Hij kreeg hier kennelijk spijt van en hij overleed binnen twee jaar.  Pope verzamelde en redigeerde zijn gedichten in 1722, verschenen onder de titel Poems on Several Occasions.

 

 

 

My Days Have Been So Wondrous Free 

 

My days have been so wondrous free,

The little birds that fly

With careless ease from tree to tree,

Were but as bless'd as I.

 

Ask gliding waters, if a tear

Of mine increas'd their stream?

Or ask the flying gales, if e'er

I lent one sigh to them?

 

But now my former days retire,

And I'm by beauty caught;

The tender chains of sweet desire

Are fix'd upon my thought.

 

Ye nightingales, ye twisting pines!

Ye swains that haunt the grove!

Ye gentle echoes, breezy winds!

Ye close retreats of love!

 

With all of nature, all of art,

Assist the dear design;

Oh teach a young, unpractic'd heart

To make my Nancy mine!

 

The very thought of change I hate,

As much as of despair;

Nor ever covet to be great,

Unless it be for her.

 

'Tis true, the passion in my mind

Is mix'd with soft distress;

Yet while the fair I love is kind,

I cannot wish it less.

 

 

 

 

Parnell
Thomas Parnell (11 september 1679 – 24 oktober 1718)

 

Geschreven door Romenu om 20:19 Reageer op dit bericht

Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Werfel werd op 10 september 1890 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 10 september 2006 en ook mijn blog van 10 september 2007 en ook mijn blog van 10 september 2008.

 

 

Ein Liebeslied

 

Alles, was von uns kommt, wandelt schon andern Raum.
Tat ich dir Liebe an, liebt ich die Welt darum!
Bist du durch mich erhöht, lächelt und glänzt dein Schritt,
Wenn mich mein Weh verspült... bin ich im höchsten Sinn!
Ach, was man Schicksal nennt, raffe mich wolkenwärts!
Trifft mich am Tor der Pfeil... wenn du nur glücklich bist.
Daß du zur Flöte tönst, roste mein Tag im Nu!
Sieh, wir auf Erden sind Ebenbild Gottes so!

 

 

 

 

Nacht

 

O die ihr geht am Abend in euer Zimmer ein,
Mit Atem sanftem bleibend und einem Licht allein!
Weh, euch, ihr traut
Dem Spiegelblick, der höhnisch schaut,
Und bergt euch hinter Wänden,
Als könnten Wände wenden,
Und halten ab das Walten, vor ihnen angestaut.
Die Türen gehn von unsichtbaren Händen,
Und euer Haus ist ein und aus und in die Welt gebaut.
Ihr, die in Mitternächten kehrt spät in eure Betten ein,
O Bett, du letzte Heimat, du tiefes altes Allgemein!
Wenn ihr durchs Grün´ des Schlafes hüpft,
Ihr seid nicht fern, ihr seid verknüpft.
Durch eure Herzen schleiert leis der Wasserfall,
Der Wendekreis, die Venus leicht
Um eure Schläfe schlüpft.
Von Pol und Strahl und Schuld seid ihr dahingerafft,
Der harte Eisenengel geht,
Der mit der Lamp euch übers Auge weht,
Und fordert ewig, fordert Rechenschaft.

 

 

 

 

 

franzwerfel
Franz Werfel (10 september 1890 – 26 augustus 1945)

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver Paweł Huelle werd geboren op 10 september 1957 in Gdańsk. Zie ook mijn blog van 10 september 2007 en ook mijn blog van 10 september 2008.

 

Uit: Erzählungen von einem kalten Meer

 

„Die Straßenbahnen und Busse verkehrten nicht mehr. Deshalb herrschte im Waggon der S-Bahn ein fürchterliches Gedränge. Es gab keine andere Möglichkeit, ins Zentrum von Danzig zu gelangen, und schließlich wollten alle dorthin, zum Hauptbahnhof, von wo es nur sieben Minuten zu Fuß bis zum Eingang der Werft waren. Und eigentlich sprachen alle, flüsternd oder halblaut, über das gleiche: Im Moment wurde noch nicht geschossen – aber sie würden sicher irgendwann anfangen, ohne Zweifel, die Frage war nur, zu welchem Zeitpunkt! Auch ich erinnerte mich an den Dezember vor genau zehn Jahren: Ich war mit Vater in die Dachkammer gegangen, um durch das offene Fenster den Lärm aus der Innenstadt zu hören. Die frostige Luft trug das Knallen einzelner Schüsse heran, die Sirenen der Krankenwagen, das Dröhnen der Panzer. Über der Stadt hing ein roter Feuerschein. In dem dunklen Raum dahinter erschien immer wieder ein Hubschrauber. Er warf Leuchtraketen ab, und in dem kurzen Moment, wo der Himmel erhellt war, hörten wir deutlich zwei oder drei Salven aus schweren Maschinengewehren. Wenn diese Geräusche verstummten, kam es uns manchmal vor, als hörten wir den wie ein Refrain wiederkehrenden Schrei der Menge.
„Merk dir“, hatte mein Vater gesagt, als wir die zwei Stockwerke zu unserer Wohnung hinuntergingen, „das ist der Anfang vom Ende für sie.“ Mit „sie“ meinte er natürlich nicht die Arbeiter. Das abgebrannte Parteigebäude sah ich ein paar Tage danach, als die Sperrstunde schon aufgehoben war, vom Fenster der Straßenbahn aus. Auf einer Kreuzung der Hucisko-Straße, gleich neben der Haltestelle, fand ich einen Arbeiterhelm, platt wie eine zertretene Streichholzschachtel. In der Luft hing überall Brandgeruch und der Gestank von Tränengas.”

 

 

 

 

huelle2
Paweł Huelle (Gdańsk, 10 september 1957)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres Mary Oliver werd geboren op 10 september 1936 in Maple Heights, Ohio. Zie ook mijn blog van 10 september 2008.

 

 

 

Fall Song

 

Another year gone, leaving everywhere

its rich spiced residues: vines, leaves,

 

the uneaten fruits crumbling damply

in the shadows, unmattering back

 

from the particular island

of this summer, this NOW, that now is nowhere

 

except underfoot, moldering

in that black subterranean castle

 

of unobservable mysteries - roots and sealed seeds

and the wanderings of water. This

 

I try to remember when time's measure

painfully chafes, for instance when autumn

 

flares out at the last, boisterous and like us longing

to stay - how everything lives, shifting

 

from one bright vision to another, forever

in these momentary pastures.

 

 

 

 

 

Little Summer Poem Touching The Subject Of Faith

 

Every summer

I listen and look

under the sun's brass and even

into the moonlight, but I can't hear

 

anything, I can't see anything --

not the pale roots digging down, nor the green

stalks muscling up,

nor the leaves

deepening their damp pleats,

 

nor the tassels making,

nor the shucks, nor the cobs.

And still,

every day,

 

the leafy fields

grow taller and thicker --

green gowns lofting up in the night,

showered with silk.

 

And so, every summer,

I fail as a witness, seeing nothing --

I am deaf too

to the tick of the leaves,

 

the tapping of downwardness from the banyan feet --

all of it

happening

beyond any seeable proof, or hearable hum.

 

And, therefore, let the immeasurable come.

Let the unknowable touch the buckle of my spine.

Let the wind turn in the trees,

and the mystery hidden in the dirt

 

swing through the air.

How could I look at anything in this world

and tremble, and grip my hands over my heart?

What should I fear?

 

One morning

in the leafy green ocean

the honeycomb of the corn's beautiful body

is sure to be there.

 

 

 

 

 

mary_oliver
Mary Oliver (Maple Heights, 10 september 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 17:13 Reageer op dit bericht

Hilda Doolittle, George Bataille, Jeppe Aakjær

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Hilda Doolittle werd geboren in Bethlehem, Pennsylvania, op 10 september 10 1886. Zie ook mijn blog van 10 september 2006  en ook mijn blog van 10 september 2008.

 

 

 

ORCHARD

 

I SAW the first pear

as it fell--

the honey-seeking, golden-banded,

the yellow swarm

was not more fleet than I,

(spare us from loveliness)

and I fell prostrate

crying:

you have flayed us

with your blossoms,

spare us the beauty

of fruit-trees.

 

The honey-seeking

paused not,

the air thundered their song,

and I alone was prostrate.

 

O rough hewn

god of the orchard,

I bring you an offering--

do you, alone unbeautiful,

son of the god,

spare us from loveliness:

 

these fallen hazel-nuts,

stripped late of their green sheaths,

grapes, red-purple,

their berries

dripping with wine,

pomegranates already broken,

and shrunken figs

and quinces untouched,

I bring you as offering.

 

 

 

 

 

Doolittle
Hilda Doolittle (10 september 1886 – 21 september 1961)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver en filosoof George Bataille werd op 10 september 1897geboren in Billom (Auvergne). Zie ook mijn blog van 10 september 2006 en ook mijn blog van 10 september 2008.

 

Uit: Larmes d'Eros

 

„Le monde lié à l'image ouverte du supplicié photographié, dans le temps du supplice, à plusieurs reprises, à Pékin, est, à ma connaissance, le plus angoissant de ceux qui nous sont accessibles par des images que fixa la lumère. Le supplice figuré est celui des Cent Morceaux, réservé aux crimes les plus lourds. Un de ces clichés fut reproduit, en 1923 dans le Traité de psychologie de Georges Dumas. Mais l'auteur bien à tort, l'attribue à une date antérieure et en parle pour donner l'exemple de l'horripilation: les cheveux dressés sur la tête! Je me suis faire dire que pour prolonger le supplice, le condamné recevait une dose d'opium. Dumas insiste sur l'apparence extatique des traits de la victime. Il est bien entendu, je l'ajoute, qu'une indéniable apparence, sans doute, en partie du moins, liée à l'opium, ajoute à ce qu'a d'angoissant l'image photographique. Je possède depuis 1925 un de ces clichés ( photographie ci-contre ). Il m'a été donné par le Docteur Borel, l'un des premiers psychanalystes français. Ce cliché eut un rôle décisif dans ma vie. Je n'ai pas cessé d'être obsédé par cette image de la douleur, à la fois extatique (?) et intolérable. J'imagine le parti que, sans assister au supplice réel, dont il rêva, mais qui lui fut inaccessible, le marquis de Sade aurait tiré de son image: cette image, d'une manière ou de l'autre, il l'eût incessamment devant les yeux. Mais Sade aurait voulu le voir dans la solitude, au moins dans la solitude relative, sans laquelle l'issue extatique et volptueuse est inconcevable.“

 

 

 

 

bataille
George Bataille (10 september 1897 – 9 juli 1962)

 

 

 

 

 

De Deense dichter en schrijver Jeppe Aakjær werd geboren in Aakjær bij Skive op 10 september 1866. Zie ook mijn blog van 10 september 2007.

 

Uit: Die Kinder des Zorns (Vertaald door Erich Holm)

 

"Der alte Wollesen saß schmunzelnd, den Geifer über die kurze Pfeife spritzend, und lachte über das Getümmel und Gehopse der besessenen Tiere. Sein Hauptspaß war, einen Brotbrocken an die Zwinge seines Eichenstockes zu stecken und ihn in Armhöhe von der Erde emporzuhalten. Da begann alsbald ein Schnappen nach dem Kloß, über das sich auch andere als Wollesen hätten kranklachen können. Die gefräßigen Geschöpfe sprangen immer aufs neue in die Höhe, um den lockenden Köder zu erhaschen, fielen aber stets wieder enttäuscht auf den Rücken ins Gras nieder; hier rächten sie sich, indem sie ihre Nachbarn aufs Ohr schlugen oder sich gegenseitig Haarbüschel aus den Pelzen rissen. Auf einmal kommt ein alter dicker Staatsrat aus der Schar der Ratten hervorgewatschelt und nähert sich Wollesen. In einem Nu hat das Tier den Sessel erklettert; mit grünschillernden Augen und einem nervösen Zittern der Schnauzhaare duckt es sich über Wollesens Knie, setzt von da mit keckem Sprunge auf seinen Arm, läuft an dem vorgestreckten Stock dahin, nimmt das Brot in die Schnauze und läßt sich dann dumpf aufklatschend ins Gras zurückplumpsen. Die andern begrüßen diesen wohlgelungenen Versuch mit infernalischem Geheul.

Plötzlich stürzt die ganze Rattenschar über Hals und Kopf unter die Kletten hinein …

Wollesen dreht langsam und verdrießlich wie ein alter Uhu sein sonnvertrocknetes Runzelgesicht dem Eingangsgatter zu, wo gleich darauf ein ältlicher hagerer Mann mit großer Nase und rotem Backenbart hinter den Johannisbeersträuchern zum Vorschein kommt. Er tritt vor Wollesen, macht eine grüßende Bewegung mit dem gekrümmten Zeigefinger nach dem rechten Ohr und ruft mit lauter Stimme: »Guten Abend, Wollesen!«

Es ist der Gemeindevorsteher und Armenrat Hans Nielsen aus Runge. Er stützt sich auf seinen dicken Rohrstock und fährt dann fort: »Wird wohl am besten sein, ich rück gleich mit meinem Geschäft heraus; ich hab mir erlauben wollen, mit Euch wegen der verdammten Schusterleut bei uns drunten zu sprechen, für die sich die Gemeinde gewissermaßen bei Euch zu bedanken hat.«

»He, he, he!« lacht Wollesen, schleudert die in der Schüssel noch übrigen Brotrinden unter die Kletten und wischt sich mit der Handwurzel einen großen hellen Tropfen unter den Nasenflügeln weg.

»Ja, Ihr habt, meiner Seel, gut lachen, jetzt, wo Ihr draußen seid,« fuhr Hans Nielsen fort, »aber, wie ich sag, das verteufelte Schustervolk wird noch den ganzen Gemeinderat auseinander bringen. Und was einen am allermeisten fuchst, das ist das Gerede, das unter den Leuten jetzt umgeht, wir in Runge hätten uns von Euch hier in Skejby nur zum Narren halten lassen, und an der ganzen Bescherung war nur unsre dumme Gutmütigkeit schuld.«

 

 

 

 

Aakjaer
Jeppe Aakjær (10 september 1866 - 22 april 1930)

 

Geschreven door Romenu om 17:07 Reageer op dit bericht

C. O. Jellema, Cesare Pavese, Hana Androníková

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 8 juni 2007 en mijn blog van 9 september 2006

 

 

Terhorst (2)

 

 Wat ik jou liet zien: de jeneverbessen,

 wat er over is van de hei, de paden

 die ik ken hier, waar is. Want wat ik zie is

 niet te bekijken.

 

 Toegevoegd nu jij aan de beelden, dierbaar

 beeld, gedacht ook vroeger in deze scène

 reeds, al was niet jij het en niemand die ik

 kende dan dromend.

 

 Nam ik jou wel waar? Gaat het mij niet altijd

 om herdenking? Zo de jeneverbessen,

 zwijgend dicht bijeen, nu herinnerd zonder

 jou pas ondenkbaar.

 

 Waarom zwijgend? Vorm in zichzelf, gestalte,

 zomer, winter, niets te verliezen zoals

 bomen blad,-hun blijvend gelijk, gerede

 vorm voor gedachten.

 

 Komen in de schemer tot leven, lijken

 sprekend dat wat ik in hen vrees, mijn eigen

 angst van toen, van kind voor het raam, de wereld

 duister daar buiten.

 

 Ben jij zo ook? Enkel de vorm waarin ik

 denk? Verander jij in de schemering straks

 ook? Als ik, en weer voor een raam, de angsten

 ken voor het vreemde -

 

 Wie ben jij dan, wat had ik lief in jou toen

 wij daar waren, ik jou liet zien de hei, maar

 welke, paden, welke - want nooit zal ik het

 zien met jouw ogen.

 

 

 

 

In de koude voorjaarsnacht

 

Je denkt symbolen uit. Telkens dat wonder
hoe jou iets invalt bij de dingen die
je ziet. Wat er op wijst: je kunt niet zonder.
Jouw rêverie.

 

Verdichtingen. Verboden op te lossen.
Wat het betekent staat er maar eenmaal:
zo zingt 's nachts in brandnetelbossen
de nachtegaal.

 

Jouw rêverie: de leemte in te vullen
die elk ding is. Je zet jezelf te kijk.
Een nachtegaal die niets blijkt te onthullen:
onsterfelijk.

 

Symbool voor wat? Een parelzang waartegen?
Een ogenblik triomf en dan verval.
Verraadselingen. Die dat juist verzwegen:
jij wist het al.

 

En toch, je wist het al, verbintenissen. 
Home-made allicht.
Daarom hopeloos heel.
Waarin je bent. Je kunt jezelf niet missen,
als woord te veel.

 

Maar ook die ander heb je ingesponnen:
een mens valt samen met een beeld in taal.
Blijft, ongezien gehoord, onoverwonnen,
de nachtegaal:

 

er is geen houden aan- jij wilt behouden,
onuitgesproken, maar je spreekt het uit -,
wat rest jou als zo'n vogel in de koude
voorjaarsnacht fluit?

 

Je denkt symbolen uit. Verzingt de vragen.
't Mooist is altijd wat daarover weer zwijgt,
een beeld om niet, dat in zchzelf voldragen
jou overstijgt.

 

 

 

 

Jellema
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Portret door Jacqueline Kasemier

 

 

 

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Cesare Pavese werd geboren in Santo Stefano Belbo op 9 september 1908.

 

 

Ancestors

 

Stunned by the world, I reached an age

when I threw punches at air and cried to myself.

Listening to the speech of women and men,

not knowing how to respond, it's not fun.

But this too has passed: I'm not alone anymore,

and if I still don't know how to respond,

I don't need to. Finding myself, I found company.

 

I learned that before I was born I had lived

in men who were steady and firm, lords of themselves,

and none could respond and all remained calm.

Two brothers-in-law opened a store--our family's

first break. The outsider was serious,

scheming, ruthless, and mean--a woman.

The other one, ours, read novels at work,

which made people talk. When customers came,

they'd hear him say, in one or two words,

that no, there's no sugar, Epsom salts no,

we're all out of that. Later it happened

that this one lent a hand to the other, who'd gone broke.

 

Thinking of these folks makes me feel stronger

than looking in mirrors and sticking my chest out

or shaping my mouth into a humorless smile.

One of my grandfathers, ages ago,

was being cheated by one of his farmhands,

so he worked the vineyards himself, in the summer,

to make sure it was done right. That's how

I've always lived too, always maintaining

a steady demeanor, and paying in cash.

 

And women don't count in this family.

I mean that our women stay home

and bring us into the world and say nothing

and count for nothing and we don't remember them.

Each of them adds something new to our blood,

but they kill themselves off in the process, while we,

renewed by them, are the ones to endure.

We're full of vices and horrors and whims--

 

 

 

 

 

pavese
Cesare Pavese (9 september 1908 – 27 augustus 1950)

 

 

 

 

De Tsjechische schrijfster Hana Androníková werd geboren op 9 september 1967 in Zlín.

 

Uit: The Sound of the Sundial

 

„He won her round. She tempered the punishment to one week. Seven days, seven nights and indescribable torment. Every day I watched the ice on the river and begged it to hold on. By the time the penalty expired, the river was awash with gigantic chunks of ice. That was annoying, but even these chunks of ice were better than nothing. The boys and I had a whale of a time. We got hold of sticks and poked at the pieces; soaking wet and frozen stiff we would dare each other to cross the river dry-shod. We jumped from one lump of ice to the next right across to the other bank. I was balancing on one piece when she suddenly appeared. Mum. I could never figure out how it was that she almost unfailingly caught me when I was up to something naughty. I knew I was in for it again. It could be total grounding with some unpleasant chore on top. “Now you’ve had it,” she would say on such occasions.
I jumped onto one lump of ice close to the bank, rammed my stick into the water and waved dashingly at Mum so the lads wouldn’t think I was under her thumb. What came next was the work of a second. My stick snapped. The ice, rocking and slippery, Mum’s wild staring eyes, her mouth wide agape and the implacable weight of my own body. A short flight, or rather free-fall. A loud plop. Down under the water I went. Pins and needles, a pain like knives, shards of glass. I’ve no idea how I got out of the water or how they hauled me off home. Lost memory came flowing back with warm water. A bath and Mum’s hands, her soothing voice. Then I blacked out again. Dad was there in a kind of mist, carrying me in his strong arms. He was saying something to Mum, in firm, blunt terms. I was still feverish as I returned to the sultry streets of Calcutta.
Everything was dark and black like Savitri’s eyes. At the height of that hot Indian summer I fell in love for the first time.
I can’t now remember why, but I had crawled out of bed earlier than usual. In the corridor I ran across Kavita. She was standing by a window that gave onto the street, arms akimbo as if trying to arrest the
avalanche of fat that flowed over her hips. When she registered my presence she cried: “Come and see! Just look at that gutter-snipe of the Sivors! What trash!”
Kavita and Zam shared an obvious contempt for anyone of a lower caste, the scrounging riff-raff that lounged about the streets of Calcutta.“

 

 

 

 

HanaAndroníková
Hana Androníková (Zlín, 9 september 1967)

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers  ook mijn blog van 9 september 2007 en ook mijn blog van 9 september 2008.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

 

Geschreven door Romenu om 20:34 Reageer op dit bericht

Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2006.

 

Uit: Auferstehung (Vertaald door Wladimir Czumikow)

 

„Nach vierzehn Tagen konnte die Sache zur Verhandlung vor den Senat gelangen, und zu diesem Zeitpunkt gedachte Nechliudow nach Petersburg zu fahren und für den Fall eines Mißerfolges beim Senat die Bittschrift an die Allerhöchste Stelle einzu-reichen, wie es ihm der Advokat geraten, der die Bittschrift aufgesetzt hatte. Falls die Kassationsbeschwerde keinen Erfolg haben sollte, worauf man, nach der Meinung des Advokaten, gefaßt sein mußte, da die Kassationsgründe sehr schwach seien, konnte die Abteilung der Zwangsarbeiter, zu der die Maslowa gehörte, in den ersten Tagen des Juni abgehen; und so, um sich für die Reise nach Sibirien, der Maslowa nach, vorzubereiten, wie Nechliudow fest beschlossen hatte, galt es, schon jetzt aufs Land zu fahren, um da seine Angelegenheiten zu ordnen. Vor allem fuhr Nechliudow nach Kusminskoje, seinem nächsten und größten Gut im Schwarzerdegebiet, aus dem das Haupteinkommen floß. Er hatte auf diesem Gut manchmal gelebt, in der Kindheit und Jugendzeit, und nachher, schon als Erwachsener, war er zweimal dort gewesen und hatte auch, auf die Bitte seiner Mutter, einen Verwalter, einen Deutschen, mitgebracht und mit ihm zusammen die Wirtschaft revi-diert, so daß er seit langem den Zustand des Gutes und die Beziehungen der Bauern zur Verwaltung, das heißt zum Grundbesitzer, kannte. Dies Verhältnis der Bauern zum Grundbesitzer war derart, daß die Bauern sich in voller Abhängigkeit von der Verwaltung befanden. Nechliudow wußte das seit den Universitätsjahren, als er Henry Georges Lehren bekannt und verkündet, und auf Grund dieser Lehren das Land seines Vaters den Bauern gegeben hatte. Nach dem Militärdienst freilich, als er ge-wöhnt war, etwa zwanzigtausend Rubel im Jahr zu verbrauchen, hörte all diese Erkenntnis auf für sein Leben von verpflichtendem Einfluß zu sein; sie war vergessen, und er legte sich nicht nur nie die Frage vor, woher das Geld kam, das ihm seine Mutter gab, sondern er bemühte sich, nicht darüber nachzudenken. Aber der Mutter Tod, die Erbschaft und die Notwendigkeit, sein Besitztum, das heißt das Land, zu verwalten, regten die Frage nach seinem Verhalten gegen den Grundbesitz von neuem an.“

 

 

 

 

Tolstoi_Repin
Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)

Portret door Ilja Repin, 1887

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2006.

 

 

 

Verlaten

 

 De wind zucht droevig in de schouw.

 'k Zit hier alleen, het hart vol rouw,

 Te denken.

 Ik zocht naar liefde en vond bedrog.

 Wat heil kan mij het leven nog

 Wel schenken?

 

 Het leed versmooren in den wijn,

 't Gedacht verstompen, dronke zijn,

 Kan 't baten?

 De drank bereidt ons niets dan gal,

 En morgen vond ik mij weeral

 Verlaten.

 

 Geen liefde meer, geen hope meer.

 ‘Hebt gij mij ook, o Heer, o Heer!

 Verstooten?’

 De wolke zwart daarboven drijft;

 Het licht verdwijnt, de hemel blijft

 Gesloten.

 

 Alleen, alleen, zoo gansch alleen!

 Hier helpt geen klagen noch geween

 Noch smeeken!...

 Welnu! het nijdig lot getard!

 Al moest, in mijnen boezem, 't hart

 Nog breken.

 

 

 

 

 

Moederhart, moederliefde

 

Gij vraagt mij, kind: ‘Hoe kunt gij, moeder,

Zoo gaarn mij zien, en mijnen broeder

Toch evenzeer?’ -

 

‘Ik weet het, wijl ik 't ondervinde:

God geeft gewis bij elken kinde,

Aan ieder moeder een harte meer.

 

En ieder hart mint even teeder,

Schenkt duizendmaal de liefde weder,

Die 't kind hem geeft;

 

Maar breekt het kind een moederharte,

Dan lijden ze allen zelfde smarte,

Omdat ze zijn aaneengekleefd.

 

 

 

 

Antheunis
Gentil Th. Antheunis  (9 september 1840 – 5 augustus 1907)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik.

 

 

Ik ben zo blij

 

Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben.

Nu zal ik weer veel verzen kunnen schrijven.

nu zal ik weer de poëzie bedrijven.

Want wààr verdriet alleen beweegt mijn pen.

 

Ik ben U dankbaar, Heer, voor deze traan.

Nu kan ik wenen, vrolijk en vol ijver.

Ik heb het nodig, want ik ben een schrijver.

Van vreugd en lachen kan geen kunst bestaan.

 

Ik zie de bloemen en ik voel de zon.

Maar bloemen worden in de knop gebroken

en achter wolken zit de zon verdoken

- Goddank! - zo vaak dat ik nog dichten kon.

 

Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben.

o Heer, gij die de weemoed hebt geschapen,

laat mij toch nooit te veel aan vreugde rapen.

En als het moet, breek dan desnoods mijn pen.

 

 

 

 

GastonDurnez
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)

 

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers  ook mijn blog van 9 september 2007 en ook mijn blog van 9 september 2008.

 

Geschreven door Romenu om 20:32 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten