Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Adriaan Roland Holst, Jan Baeke, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril, Jack McCarthy, Mitchell Albom

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

 

De belijdenis van de stilte

II.
Maar 't hart, sterker dan leed, dat breken kan
in tranen, niet van 't zelf, maar heldoorstraald
Van de vervoeringen der zee waarvan
Het niets is dan een golf die rijst en daalt,

Stort brekende terug naar de aard', waar 't loom
Sluimert in 't lichaam tot het daarmee wordt
Gewekt, en weet die hoogste Droom zijn droom,
Zijn droom de Rots waarvoor het is gestort.

En hij slechts die op breedste vleuglen streeft
Op, tot hij stort uit de ijlten van zijn doel,
Zal spreken dit hoogst woord: de hemel leeft
In mij, daar ik mij kind van de Aarde voel.

En gij, die van mijn stem de Moeder zijt,
O, Gij wier ziel zee van mijn golven is
En hemel van mijn wolken - ik belijd
U, en mijn zang is mijn belijdenis.

En zingend zwerf ik over de Aarde, die
Uw woning is, en zing haar schoon bestaan
Droomend tot in de heem'len, die ik zie
Terwijl mijn voeten in haar bloemen gaan.

 

 

III.
Maar er is een wiens eindelooze zangen
De golvingen zijn van een eeuwig zwerven,
En waar de hoogste stemmen brekend sterven
Roept door de hemelen nog zijn verlangen.

En schoon hij leeft van minnen en verlaten
En altijd lachen zal na donkerst weenen,
Gij zijt zijn eeuwge weemoed, naar u henen
Dwaalt zijn gelaat langs wiss'lende gelaten.

Hij is de Wind, hij is mijn hoogste broeder -
En eens - o, eens - laafden we ons eerste dorsten
Sluimerend aan uw ademende borsten -
Ons werd die laafnis eeuwig dorsten, Moeder -

En nu - den langen dag liep ik te dwalen,
En waar ik dwaalde hoorde ik de Aarde fluistren
Dat hij daar was geweest, en bleef ik luistren,
'k Hoorde hem zingen, ver in diepe dalen -

Toen is de dag gedoofd - de schemeringen
Werden geboren, en een vreemde toover
Kwam over de Aarde zweven - ergens over
De duisterende zee hoorde ik hem zingen -

En toen het nacht werd en der wondren weem'len
Vol werd, ben ik de rotsen opgestegen,
En één met de Aarde heeft mijn hart gezwegen,
Eén zwijgen onder het geheim der heem'len.

Alleen diep hoorde ik nog de golven breken,
Maar zelfs zijn zingen kon ik niet meer hooren -
Toen werd verlangen als een oud, verloren
Verhaal - toen wist ik - en heb opgekeken,

En zag hem onbeweeglijk aan mijn zijde
Staan, en hij zag mij aan, en toen onze oogen
Elkander vulden was 't ons of de hooge
Nacht uw gelaat werd, en gij zaagt ons beide....

Wij stonden samen lang en zonder spreken,
- Want wisten wij niet ál elkanders woorden? -
Wij stonden op de rotsen, en wij hoorden
Diep in de nacht de lange golven breken.

           

 

IV.
Ik, die geboren ben
Uit uwe schoot,
Voel mij verkoren en
Klaar tot uw dood -
't Eind van mijn zwerven zal
Zijn als ik sterven zal
Weer in uw schoot -

Maar is mijn zwerven niet
Zingen naar u?
En is mijn derven niet
Winnen van u?
't Einde der dingen is
Eeuwig - mijn zingen is
Sterven in u.

 

2240474-9f2319d8af69967a4737b86aea71c797.gif
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)

 

 

De Nederlands dichter Jan Baeke werd geboren in Roosendaal op 23 mei 1956. Zie ook alle tags voor Jan Baeke op dit blog.

 

De boom die tussenbeide kwam

Een man kwam met een zaag te leven.
Spraakzaam was de zaag niet
en ook kon de man het niet opbrengen
de zaag te omarmen.
Toch was er tussen hen
het zachte zingen van de gordijnen
een wolk die aan het raam voorbijtrekt
en een vogel op de vensterbank,
door beide waargenomen.
Onverminderd
het geringe dat van dag tot dag voldoende was.

Alleen de nachten brachten donkere portieken
en een onrustige slaap.
Niet de scherpe natuur van de zaag
wierp de man terug uit zijn dromen
maar de huiver van de boom
de in het hoofd van de man was aangeplant.

 

 

Dit hoeft geen stilte te betekenen

Dit hoeft geen stilte te betekenen

Het klopt, maar niet omdat het waar is.

Ik heb een uur rondgelopen.
Steeds hetzelfde raam, niet eens een helder uitzicht.

Jij vond iets om tegen het licht te houden
en te onderzoeken.
Het uitzicht waar jouw hoofd was.

Wij praatten veel.
Ik deed na hoe wij daarbij keken.
Jij praatte veel, maar verdween.

Ik kan raden waar jij bent, maar doe het niet.
Raad eens welke uren trager zijn geworden
hoeveel kans dat dit elders ook gebeurt?

Van wie zullen jij en ik te horen krijgen
hoe we het beste kunnen lopen?

Mengt zich een antwoord daarin
dat geen antwoord wil zijn.

Zo hoef ik niet degene te zijn
die rondloopt om bij het raam te willen wachten.

Dit hoeft geen stilte te betekenen.

Dit zou ik als enige kunnen zeggen en ik zeg het.

 

 2240474-ac8c63c43246d279ced8e7c718be37aa.jpg
Jan Baeke (Roosendaal, 23 mei 1956)

 

 

De Nederlandse schrijver Maarten Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Zie ook alle tags voor Maarten Biesheuvel op dit blog.

Uit: Port Churchill

“En gebeurde het nu dat ik 's nachts in de clinch lag met de onbegrijpelijkheid van ruimte, tijd, Toeval en Opzet, Schepper of absurditeit, dan stak ik, om maar iets te noemen, de pin die het uiteind vormde van de draad die op Algiers was gericht in de radio-antennedoos en stemde ik de korte golf af op die zender omdat ik meende wel rust te zullen vinden bij het urenlang durende eentonige vrouwengezang in een mij altijd weer onbekend, uit onaardse regionen lijkende te komen, nimmer in zijn diepere, ware betekenis geopenbaard, klinkend toonsysteem dat natuurlijk iedere nacht hetzelfde was, maar door zijn onbekendheid voor mij, slechts de beperkte ruimte van het Westland kennende, altijd opnieuw visioenen opriep van oases, kamelen, gesluierde vrouwen met rijkelijk gevulde kruiken op het hoofd, kostbare sieraden om hals, polsen en voeten en vermoeide karavaanleiders, die lagen te genieten van een verkoelend briesje onder de palmbomen. Zo heb ik vaak tot vlak voor het morgengloren liggen genieten en tegen de tijd dat ik insliep, knielde er een kameel voor me en besteeg ik, na me in een achttal dekens tegen de zonnewarmte te hebben gehuld, het waardige dier dat met een maag vol tientallen liters kostbaar water mij een haast onvoorstelbaar aantal mijlen door de woestijn zou gaan zeulen. 's Morgens hoefde mijn moeder het toestel maar uit te zetten om me wakker te krijgen.
Twee jaar later - de Korea-oorlog was juist een jaar beëindigd, Elvis Presley had in augustus in Rotterdam gezongen, het schip The Flying Enterprise was op de pier in tweeën gebroken, hoewel zijn kapitein, hij had dezelfde naam als een bekende zweedse dichter, de held van de dag was, daar hij pas, toen hij dreigde door de hoge golven op nog geen veertig meter van het Nederlandse strand verzwolgen te worden, zich liet redden door de Hoek van Hollandse reddingsbrigade, welke vereniging haar scheepjes op slechts een kleine afstand heeft liggen van het beginpunt van de luxueuze Hoek van Holland-Moskou expres, in welke trein Vladimir Nabokov, denkend aan een andere trein, zijn ontwerp voor First love heeft bedacht - kreeg ik ruzie met de bestuurders van ons christelijk gymnasium in Vlaardingen, (de school lag aan de Westhavenkade, vlak bij de Nieuwe Waterweg, het gebouw zelf bestaat nog steeds maar wordt nu als opslagplaats voor peulvruchten gebruikt door de N.V. De Pelmolen) en besloot ik voor minstens een jaar het ruime sop te kiezen. Van de waterschout in Rotterdam kreeg ik te horen dat ik slechts voor de mast kon varen met toestemming van mijn ouders of mijn vader alleen. Drie weken lang liep ik mijn vader te soebatten en te smeken totdat hij toegaf, zodat ik nog eens twee weken later me trots kon vertonen bij de aanmonsteringsbalies van verschillende Rotterdamse rederijen met een heus en waarachtig Zeemansboekje.”

 

 2240474-c2fbe459cb8cdb2cdbddbeeca8e6ec49.jpg
Maarten Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939)

 

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Zie ook alle tags voor Lydia Rood op dit blog.

Uit: De Kus

`Flauw zeg,' zegt Toon. Hij springt overeind. 'Zo zijn vaders niet. Ik niet tenminste. Stiefvaders, oké, die misschien. Daarom verzon ik dat van dat koekoeksjong.' Hij praat snel, veel sneller dan toen hij de moeder was. Hij hijgt zelfs een beetje. Hij gaat op de onderste tree van de tribune zitten en wrijft zijn slapen. Daarna maakt hij zijn eigen haar door de war. Het is bijna alsof hij zichzelf zit te troosten. 'En waarom zei je dat: "en nou ben ik weg, kus"?' `Nou,' zegt Marjon, 'dat zeggen vaders als ze weggaan. Jij tenminste wel altijd.' `Ze zeggen ook: "ik kom je vanavond nog een kusje bren-gen als je slaapt." Ik tenminste wel.' `Kusjes als je slaapt tellen niet.' `0 zeker wel!' `Laten we maar weer verder gaan,' zegt Marjon. 'Terug naar het pad, bedoel ik.' Maar ze verroert zich niet en ze gaat naast Toon op de laagste tree van de tribune zitten. In de kou en met al die koude kleren aan voelt ze zijn warmte niet. `Kwam jouw vader je een kusje brengen als je al sliep?' vraagt ze. `Nee.' `Nooit?' `Nee.' `Hoe weet je dat? Als je sliep?' Toon zucht. `Zulke dingen weet je.' `Hoe dan? Ik heb nooit geweten of je het echt deed, die kusjes. Sloeg je nooit eens over?' Toon zucht. `Nou?' `Natuurlijk wel.' Marjon knikt. Dat had ze wel gedacht.
`En ik heb nooit verschil gemerkt. Nachten met kusjes of zonder kusjes, precies hetzelfde, geen verschil.' `0 zeker wel!' zegt Toon boos. 'En ook tussen vaders die van je houden en kerels die alleen maar zorgen dat je te eten hebt.' Koekoeksjong, schiet Marjon te binnen, is een woord dat oma laatst ook gebruikte. 'Joop heeft me genomen met koe-koeksjong en al.' De laatste zondag dat ze er waren zei ze dat. Marjon durfde niet te vragen wat het betekende. En Liesbeth kneep haar ogen bij elkaar alsof ze een klap kreeg. lij bent het koekoeksjong,' zegt Marjon. Toon zwijgt. Hij probeert niet wéér te zuchten. `Nou snap ik het,' zegt Marjon. le snapt niets,' zegt Toon. 'Helemaal niets.'

 2240474-4e6e5e79a5c906ee1d20bf2955e240e2.jpg
Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Afternoon at MacDowell

On a windy summer day the well-dressed
trustees occupy the first row
under the yellow and white striped canopy.
Their drive for capital is over,
and for a while this refuge is secure.

Thin after your second surgery, you wear
the gray summer suit we bought eight
years ago for momentous occasions
in warm weather. My hands rest in my lap,
under the fine cotton shawl embroidered
with mirrors that we bargained for last fall
in Bombay, unaware of your sickness.

The legs of our chairs poke holes
in the lawn. The sun goes in and out
of the grand clouds, making the air alive
with golden light, and then, as if heaven's
spirits had fallen, everything's somber again.

After music and poetry we walk to the car.
I believe in the miracles of art, but what
prodigy will keep you safe beside me,
fumbling with the radio while you drive
to find late innings of a Red Sox game?

 

 

Alone For A Week

I washed a load of clothes
and hung them out to dry.
Then I went up to town
and busied myself all day.
The sleeve of your best shirt
rose ceremonious
when I drove in; our night-
clothes twined and untwined in
a little gust of wind.

For me it was getting late;
for you, where you were, not.
The harvest moon was full
but sparse clouds made its light
not quite reliable.
The bed on your side seemed
as wide and flat as Kansas;
your pillow plump, cool,
and allegorical. . . .

 

 2240474-c72ee2566e00acf2ef8e0616b521b7a6.jpg
Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)
Hier samen met Donald Hall

 

 

De Britse schrijfster Susan Cooper werd op 23 mei 1935 geboren in Buckinghamshire. Zie ook alle tags voor Susan Cooper op dit blog.

Uit: Ghost hawk

“Eleven winters later, my father Flying Hawk took me to the bitternut hickory tree on the marshland. It was a longer journey than it had been for him before, because a year later our village had moved on. All the goodness of the land where it stood had been used up, by our years of growing crops on the fields, and the time had come to give the land back to the trees who would replenish it. This is the way of things. So the crops had been harvested and packed into baskets, corn and squash and beans, and one by one the houses of elm-bark shingles and woven birch-bark matting had been taken apart. Everyone had carried the shingles and mats a long way through the forest to the new land that the men had been burning and clearing since spring, and poles had been set in the ground to make new frames for the houses. This was home—the only one I could remember. Though hunting or fishing would take us away in their seasons, this was now the place to which we always returned—until, once more, the time would come for us all to move on. From here the marsh had to be reached on foot, and that took my father and me three days. But when after all our walking we came out of the woods to the open marshland, I could hear the distant breathing of the sea. And across the waving grass—fading now from green to gold—I could see the three islands my father had described to me. They were three dark hummocks of woodland, in this flat bird-haunted elbow of almost-land that the river made on its winding way to the sea. My father headed for the smallest island, zigzagging on dumps of grass so that our moccasins would stay dry. "We were out here on a hunt, before you were born," he said. "I saw the small bitternut then. It was already a toma-hawk tree." A tomahawk tree is a sapling with that double shoot, the two leading branches that can—with help—become one. "If I wasn't born yet," I said, daring, "you didn't know I would be a boy. I might have been a girl." He said quietly, "I knew." And I saw the bitternut hickory, beside its two rocks. It was a tall tree now, twice the height of a man. The stone blade stuck out on both sides of the slender trunk, a little way below the branches; it was as deep in the wood as if it were a natura' part of the tree. It had been there as long as I had been alive.”

 

 2240474-485556119ee2de60a1479021ca75cf86.jpg
Susan Cooper (Buckinghamshire, 23 mei 1935)

 

 

De Vlaamse dichter Michaël Vandebril werd geboren op 23 mei 1972 in Turnhout. Vandebril studeerde rechten. Zie ook alle tags voor Michaël Vandebril op dit blog.

 

La casina rossa

waarheen de weg van je voeten gaat terwijl deze paarse bloemen
                                                mijn sappen drinken
ja zo draag je lokken los vol van god ik heb de oudste brieven
                                                maar jij het onophoudelijk

geklater van vallend water ik bied je mijn verpulverde wang
                                                voor één ademhaling
in de donkerte van mijn kleine kamer ik schik elke dag
                                                mijn beenderen in een andere vorm

op zoek naar geurige prooi niet dat het donker is en dit vergeten
                                                een feest draag ik
deze pijnbomen als gewelfde kronen op mijn hoofd mijn
                                                dichterschap doet geen keien bloeden

maar wind zei je en er verschijnt een stad waar stenen spreken
                                                en waar we overdag
witte hemden dragen sierlijk als luipaarden die mijn koets leiden
                                                over de oude weg van appia

 

 

Jour de grâce

ik leid je om de tuin mijn mooie grote tuin vol vreemde bloemen
                                                       die ruiken naar
stof en oude plankenvloeren rook kringelt als zwarte dansers rond
                                                       je lenden het lange

trage zuigen van het gras ruist in onze meisjesachtige oren
                                                       we schuifelen slaperig
onze voeten de donkere aarde in ik neem langzaam je tong
                                                       uit je mond die ik draag

als een trofee na een lange reis ik bestijg op mijn blote knieën
                                                       de trappen waaraan
nachtvlinders kleven ik schuif je een ring van zilver om de vinger
                                                       van je kleinste hand

deze nacht kent vele vaders en moeders deze nacht wordt
                                                       je graf kijk ik drink je
koel en donker bloed en verdrink je in de ondiepe poel
                                                       van een nieuwe poëzie

 

 2240474-8353137d8cac8425fd410c479e6abaf3.jpg
Michaël Vandebril (Turnhout, 23 mei 1972)

 

 

De Amerikaanse schrijver en slam poet Jack McCarthy werd geboren op 23 mei 1939 in Massachusetts. Zie ook alle tags voor Jack McCarthy op dit blog.

 

III. Fooling the Wave

For the perfect ride, you have to fool the wave.
You may think this wave is made
of molecules that have known each other
all the way from Portugal,
not so.
In these last moments before hurling itself
against New England, it has picked up much
water that is strange to it.
Because of this, you can convince the wave
that you are part of it, that you are water.
(It may be that body weight-to-volume ratio
governs whether this is possible for you.
So that if you follow everything I tell you’
and still you do not find yourself
creasing the sea like a hell-bent dolphin.
hitting the shore like an express train,
why it may not be your fault.
it may simply be
that God did not make you to ride the waves.)
To fool the wave,
at the last second turn your back on it
and dive, a flat-out racing dive,
so that you skim the surface like a sea-bird.
Your feet must come all the way up.
The suction of the wave will lift you back
(it is often necessary to kick a little here:
you must decide by feel), maintain a position
with your feet just under the crest
of the now-breaking wave,
with your toes pointed backward.
Your feet are now in fact above your head,
your hands plane slightly upward.
You feel that you are moving downhill very fast,
and yet your hands stay mostly out of water.
How can this be? A mystery!

 

 2240474-98199b8173740e11a6f30b33f834435d.jpg
Jack McCarthy (Massachusetts, 23 mei 1939)

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en radiopresentator Mitchell David Albom werd geboren op 23 mei 1958 in Passaic, New Jersey. Zie ook alle tags voor Mitch Allborn op dit blog.

Uit:The Five People You Meet in Heaven

“ After that, Joe didn't talk to him for months. He was ashamed. Joe was the oldest, the firstborn, but it was Eddie who did the fighting.
"Can we go again, Eddie? Please?"
Thirty-four minutes to live. Eddie lifted the lap bar, gave each boy a sucking candy, retrieved his cane, then limped to the maintenance shop to cool down from the summer heat. Had he known his death was imminent, he might have gone somewhere else. Instead, he did what we all do. He went about his dull routine as if all the days in the world were still to come.
One of the shop workers, a lanky, bony-cheeked young man named Dominguez, was by the solvent sink, wiping grease off a wheel.
"Yo, Eddie," he said.
"Dom," Eddie said.
The shop smelled like sawdust. It was dark and cramped with a low ceiling and pegboard walls that held drills and saws and hammers. Skeleton parts of fun park rides were everywhere: compressors, engines, belts, lightbulbs, the top of a pirate's head. Stacked against one wall were coffee cans of nails and screws, and stacked against another wall were endless tubs of grease.
Greasing a track, Eddie would say, required no more brains than washing a dish; the only difference was you got dirtier as you did it, not cleaner. And that was the sort of work that Eddie did: spread grease, adjusted brakes, tightened bolts, checked electrical panels. Many times he had longed to leave this place, find different work, build another kind of life. But the war came. His plans never worked out. In time, he found himself graying and wearing looser pants and in a state of weary acceptance, that this was who he was and who he would always be, a man with sand in his shoes in a world of mechanical laughter and grilled frankfurters. Like his father before him, like the patch on his shirt, Eddie was maintenance -- the head of maintenance -- or as the kids sometimes called him, "the ride man at Ruby Pier."

 

 2240474-20f826b2c5eb28d889afe5f73b4718f3.jpg
Mitchell Albom (Passaic, 23 mei 1958)
Cover

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Sterfbed (Jean Pierre Rawie)

 

Dolce far niente

 

 2240224-cba37f4bfaaec38ae85b451beb7b8e26.jpg
Boten aankomend bij de haven door Nicolaas Riegen, 19e eeuw

 

 

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

 

 2240224-1d2d3fc874aa51f500cc9e678b9d9bb8.jpg
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)
Scheveningen bij zonsondergang

 

 

Zie voor de schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2018 en eveneens mijn blog van 22 mei 2017.

Geschreven door Romenu om 20:25 Reageer op dit bericht

Elizabeth Bishop, Gabriele Wohmann, Amy Waldman, Maria Semple, Takis Würger, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2240033-ef59a3748fe2f00e3ff68f7d9cb7d024.jpg
The Old Shepherd's Chief Mourner door Edwin Henry Landseer, 1837

 

 

One Art

The art of losing isn't hard to master;
so many things seem filled with the intent
to be lost that their loss is no disaster.

Lose something every day. Accept the fluster
of lost door keys, the hour badly spent.
The art of losing isn't hard to master.

Then practice losing farther, losing faster:
places, and names, and where it was you meant
to travel. None of these will bring disaster.

I lost my mother's watch. And look! my last, or
next-to-last, of three loved houses went.
The art of losing isn't hard to master.

I lost two cities, lovely ones. And, vaster,
some realms I owned, two rivers, a continent.
I miss them, but it wasn't a disaster.

—Even losing you (the joking voice, a gesture
I love) I shan't have lied. It's evident
the art of losing's not too hard to master
though it may look like (Write it!) like disaster.

 

 2240033-09163d3789977df290d4b873e5edc4e2.jpg
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
De Sint Paulus kathedraal in Worcester, Massachusetts, de geboorteplaatsd van Elizabeth Bishop

 

 

De Duitse schrijfster Gabriele Wohmann werd op 21 mei 1932 in Darmstadt geboren als Gabriele Guyot. Zie ook alle tags voor Gabriele Wohmann op dit blog.

Uit: Die Klavierstunde

„Eins zwei drei vier, eins zwei drei vier. Der glitzern* Zeiger des Metronoms pendelte beharrlich und stumm von einer auf die andere Seite seines düsteren Gehauses. Sie stand auf, löschte das ungerufene Bild. Mit der (landfache stemmte sie das Gewicht ihres Arms gegen die Stirn und schob die lappige lose Haut in die Höhe bis zum I laaransatz. Owehoweh. Sie entzifferte die verworrene Schrift auf dem Reklameband, das so sich durchs Halbdunkel Ihres Bewusstseins schob: Kopfschmerzen. Unerträgliche. Ihn wegschicken. Etwas Lebendigkeit kehrte in sie zurück. Im SchlafzImmer fuhr sie mit dem kalten Waschlappen über ihr Gesicht.
Brauchte nicht hinzugehen. Einfach wegbleiben. Die Umgebung wurde vertraut: ein Platz für Aktivität. Er blieb stehen, stellte die schwere Mappe mit den Noten zwischen die Beine, die Schuhe klemmten sie fest. Ein Kind rollerte vorbei; die kleinen Rader quietschten; die abstoßende Ledersohle kratzte den Kies. Nicht hingehen, die Mappe loswerden und nicht hingehen. Er wusste, dass er nur die Mappe loszuwer-den brauchte. Das glatte warme Holz einer Rollerlenkstange in den Handen haben. Die Mappe ins Gebüsch schleudern und einen Stein In die Hand nehmen oder einen Zweig abreißen und ihn tragen, ein Baumblatt mit den Fingern zerpflücken und den Geruch von Seife wegbekommen. Sie deckte den einmal gefalteten Waschlappen auf die Stirn und legte den Kopf, auf dem Bettrand saß sie, weit zurück, bog den Hals. Noch mal von vorne. Und eins und zwei und eins. Die schwarze Taste, b, mein Junge. Das hellbeschriftete Reklameband erleuchtete die dämmrigen Bewusstseinskammern: Kopfschmer-zen. Ihn wegschicken. Sie saß ganz still, das nasse 'fluch beschwichtigte die Stirn: sie las den hoffnungs-weckenden Slogan. Feucht und hart der Lederhenkel in seiner Hand. Schwer zerrte das Gewicht der Hefte: pede einzelne Note hemmte seine kurzen Vorwartsbewegungen. Fremde Wirklichkeit der Sonne, die aus den Wolkenflocken zuckte, durch die Laubdacher flackerte, abstrakte Muster auf den Kies warf, zitterndes Gesprenkel. Ein Kind; eine Frau, die bunte Päckchen im tiefhangenden Netz trug; ein Mann auf dem Fahrrad. Er lebte nicht mit Ihnen.
Der Lappen hatte sich an der Glut Ihrer Stirn erwärmt: und nicht mehr tropfig hörte er auf, wohl zu tun. Sie stellte sich vor den Spiegel, ordnete die grauen Haar-fetzen. Im Ohr hämmerte der jetzt auch akustisch wirkende Slogan.
Die Mappe loswerden. Einfach nicht hingehen. Seine Beine trugen ihn langsam, mechanisch In die Nahe der efeubeklecksten Villa.
Kopfschmerzen, unerträgliche. Sie klappte den schwarzen Deckel hoch; rückte ein verblichenes Foto auf dem Klaviersims zurecht; kratzte mit dem Zeigefingernagel ein trübes Klümpchen unter dem Dau-mennagel hervor.
Hinter dem verschnörkelten Eisengitter gediehen unfarbige leblose Blumen auf winzigen Rondellen, akkuraten Rabatten. Er begriff, dass er sie nie wie wirkliche Pflanzen sehen würde.“

 

 2240033-f8630ea501e4503b1973e68fa89353ee.jpg
Gabriele Wohmann (21 mei 1932 – 22 juni 2015)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Amy Waldman werd geboren op 21 mei 1969 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Amy Waldman op dit blog.

Uit: The Submission

“His mind wandered to the coming days, weeks, months. They would announce the winning design. Then he and Edith would visit the Zabar’s at their home in Menerbes, a respite for Paul between the months of deliberation and the fund- raising for the memorial that would begin on his return. It would be a major challenge, with the construction of each of the two fi nalists estimated at $100 million, minimum, but Paul en-joyed parting his friends from serious money. Countless ordinary Ameri-cans were sure to open their wallets, too.Then this chairmanship would lead to others, or so Edith assured him. Unlike many of her friends, his wife did not collect Chanel suits or Harry Winston baubles, although she had quantities of both. Her eye was for prestigious positions, and so she imagined Paul as chairman of the public library, where he already sat on the board. It had more money than the Met, and Edith had pronounced Paul “literary,” although Paul him-self wasn’t sure he’d read a novel since The Bonfi re of the Vanities.“Perhaps we should talk more about the local context,” said Made-line, a community power broker from the neighborhood ringing the site. As if on cue, Ariana extracted from her bag a drawing she had made of the Void to show how well it would play against the cityscape. The Void’s “vertical properties,” she said, echoed Manhattan’s. Claire arched her eyebrows at Paul. Ariana’s “sketch,” as she called it, was better than the drawings accompanying the submission. Claire had complained to Paul more than once that she suspected Ariana knew the Void’s designer— a student, a protégé?— because she seemed so eager to help it along. Maybe, although he didn’t think Ariana had done any more for her favorite than Claire had for hers. For all her poise, Claire couldn’t seem to handle not getting her way. Nor could Ariana, who was used to dominating juries without this one’s slippery quota of sentiment.The group retreated to the parlor, with its warm yellow walls, for dessert. Jorge, the chef at Gracie Mansion, wheeled in a cart laden with cakes and cookies. Then he unveiled, with little fanfare, a three- foot- high gingerbread reconstruction of the vanished towers. The shapes   were unmistakable. The silence was profound.“It’s not meant to be eaten,” Jorge said, suddenly shy. “It’s a tribute.”“Of course,” said Claire, then added, with more warmth, “It’s like a fairy tale.” Chandelier light glinted off the poured-sugar windows.Paul had piled his plate with everything but the gingerbread when Ariana planted herself in front of him like a tiny spear. In concert they drifted toward a secluded corner behind the piano.“I’m concerned, Paul,” Ariana said. “I don’t want our decision based too much on”— the last word almost lowed—“emotion.”“We’re selecting a memorial, Ariana. I’m not sure emotion can be left out of it entirely.”“You know what I mean. I worry that Claire’s feelings are having disproportionate impact.”

 

 2240033-dee4d73159bba43bbb50b3e3accf0647.jpg
Amy Waldman (Los Angeles, 21 mei 1969)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijfster en scenariste Maria Keogh Semple werd geboren op 21 mei 1964 in Santa Monica, Californië. Zie ook alle tags voor Maria Semple op dit blog.

Uit: This One Is Mine

"Are we good?" "You didn't notice it when you looked out the window this morning?" "Apparently not," Violet said. "Oh! Your milk." She removed a small pitcher from the microwave, set it next to the coffee, and surveyed David's domain. "Okay, that's everything." "It doesn't upset you that there's a dead animal in our Jacuzzi?" "I guess it does, a little. For the gopher." "What gopher?" asked Dot. "That water could have dysentery in it." David sat down. "What if Marta took Dot in there to swim?" To underscore the seriousness of his point, he had called their nanny by her real name, Marta, not their nickname for her, LadyGo. "Mama! Want cheese," said Dot. "I'm getting you some." Violet walked a piece of cheese over to Dot, then sat down on a tiny stool beside her and looked up at David. "Marcelino is coming today. I'll have him fish out the gopher, drain the Jacuzzi, and disinfect it." There was no discernible edge to her voice. This was one of Violet's most bedeviling tactics, acting as if she was being completely reasonable and it was David who was hell-bent on ruining a perfectly fine morning. "Thank you," he said. "Look, I'm sorry. Today's big. KROQ is debuting the Hanging with Yoko single at nine. I've got tickets going on sale at the Troubadour at ten - Shit." "What, Dada?" "Yesterday was my sister's birthday," he said to Violet. "I totally spaced it. That must have been why she kept calling the office." "I'll get her something and have it messengered over," Violet said. "I'll make sure it's expensive enough so she can't complain." "Really? Thanks." David was heartened. This was the Violet he loved, the Violet who took care of business. He jiggled the mouse on his laptop and clicked open his brokerage account. Up from yesterday, and the Dow was down eighty points. The hard part wasn't making the money, it was keeping the money. And he had his gold stocks, his little fighters, to thank for that. He opened the chart for Nightingale Mining and sang its theme song. (After all, what would a stock be without its own theme song?) For Nightingale Mining - symbol XNI - he sang Metallica's "Enter Sandman." "X-N-I. X-N-I. Take my hand. Off to never-never land." Plunk.”

 

 2240033-2330bb1af1b101bd0971244f2942e6fb.jpg
Maria Semple (Santa Monica, 21 mei 1964)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver en journalist Takis Würger werd geboren in 1985 in Hohenhameln. Zie ook alle tags voor Takis Würger op dit blog.

Uit: Der Club

„Jeden Abend hörte ich ihren Husten durch die Dielen meines Kinderzimmers. Das Geräusch half mir beim Einschlafen. Die Eltern sagten mir, dass der Krebs aufgehört habe zu wuchern, die Bestrahlung, die sie nach der Geburt bekommen hatte, habe gewirkt. Ich merkte mir das Wort » Remission «, obwohl ich nicht wusste, was es hieß. So, wie meine Mutter schaute, als sie es sagte, schien es etwas Gutes. Sie sagte mir, dass sie sterben würde, aber niemand wüsste, wann. Ich glaubte, solange ich keine Angst hatte, würde sie leben.
Ich spielte nie. Ich verbrachte meine Zeit damit, die Welt zu beobachten. An den Nachmittagen ging ich in den Wald und schaute zu, wie die Blätter sich bewegten, wenn der Wind sie berührte. Manchmal saß ich neben meinem Vater an der Werkbank und beobachtete, wie er Eichenholz drechselte, und roch den Duft frischer Späne. Ich umarmte meine Mutter, wenn sie Marmelade aus weißen Johannisbeeren kochte, und horchte an ihrem Rücken, wenn sie hustete.
In die Schule ging ich ungern. Das Alphabet lernte ich schnell, und Zahlen mochte ich, weil sie geheimnisvoll waren, Lieder singen oder Blumen aus Pappe basteln fiel mir schwer. Als wir im Deutschunterricht anfingen, Geschichten zu schreiben, verstand ich, dass die Schule mir helfen könnte. Ich schrieb Texte, die vom Wald handelten und von den Arztbesuchen meiner Mutter, und die Geschichten machten mir die Welt weniger fremd, sie erlaubten mir, eine Ordnung zu schaffen, die ich nicht sah. Von meinem Taschengeld kaufte ich mir ein Tagebuch und begann, jeden Abend darin zu schreiben. Ich weiß nicht, ob ich ein Streber war, falls ja, war es mir egal.
Es gab verschiedene Gruppen in der Schule : die Mädchen, die Fußballer, die Handballer, die Gitarrenspieler, die Russlanddeutschen, die Jungs, die in den schönen, weißen Häusern am Waldrand wohnten. Ich mochte keinen Ballsport und spielte kein Instrument, ich wohnte nicht in einem der weißen Häuser und sprach kein Russisch. Die Mädchen stellten sich in der Pause zu mir, und als die Jungs aus meiner Klasse das sahen, lachten sie, deswegen versteckte ich mich in den Pausen oft hinter einem Aquarium, wo ich allein war. An meinem achten Geburtstag bat meine Mutter die anderen Eltern darum, ihre Kinder vorbeizubringen. Ich saß still vor dem Marmorkuchen, war aufgeregt und fragte mich, ob die Kinder meine Freunde sein würden.“

 

2240033-6ac960611bcf327caffa05f7b80b745f.jpg
Takis Würger (Hohenhameln, 1985)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 21 mei 2018.

Geschreven door Romenu om 19:08 Reageer op dit bericht

Christina Rossetti, Ellen Deckwitz, Tommy Wieringa, Auke Hulst, Jeroen Thijssen, Maurits de Bruijn, Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2239763-d270c75a7850077ce2e5ca105f15091d.jpg
End of the Road door Brian Buckrell, 2017

 

 

When I come to the end of the road

When I come to the end of the road
And the sun has set for me
I want no rites in a gloom filled room
Why cry for a soul set free?
Miss me a little, but not for long
And not with your head bowed low
Remember the love that once we shared
Miss me, but let me go.
For this is a journey we all must take
And each must go alone.
It’s all part of the master plan
A step on the road to home.
When you are lonely and sick at heart
Go the friends we know.
Laugh at all the things we used to do
Miss me, but let me go.
When I am dead my dearest
Sing no sad songs for me
Plant thou no roses at my head
Nor shady cypress tree
Be the green grass above me
With showers and dewdrops wet
And if thou wilt remember
And if thou wilt, forget.
I shall not see the shadows,
I shall not fear the rain;
I shall not hear the nightingale
Sing on as if in pain;
And dreaming through the twilight
That doth not rise nor set,
Haply I may remember,
And haply may forget.

 

 2239763-c6e9c3a3260117767b9a96064a7b75de.jpg
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
All Hallows-by-the-Tower, de oudste kerk in London, de geboorteplaats van Christina Rossetti

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

 

Een plaats
Voor Willem Barnard

Samen met de fakkeldragers stopte ik bij zijn raam,
hij zag me niet. Hief armen op om de kinderen

mee te krijgen in een vreugde
die ze nog niet begrepen. Hij gebaarde:

‘Kijk, de mensen zijn gekomen,
ze kropen uit het water!’

Vlammen weerkaatsten op de glasplaat,
hij tuurde alsof er een wak in zat.

Ik dacht aan zijn opgeheven handen.
Dat hij steeds verder weg leek

en dat dit er is geweest. Een plaats
waar we niet meer zijn.

 

 

Een paar opmerkingen

Wat valt er nog te bergen als alles is teruggezonken,
vaders, broers, Sophie? Door het plafond wenken
wormen. Bomen pompen hen vol.

Zerken vastgelopen rookpluimen
boven een stad, huizen waarin mag worden
geleefd. Gras groeit nog een paar dagen
nadat het is gemaaid.

Alles weggestopt, keurig zoals de kelders
die in dochters worden verborgen. Laag op laag
geordend: eerst het gras, dan de grond,

eerst de grond, dan de kast, eerst de grond,
daaronder strijdhelmen, houten bedden
dan de grond, daaronder een verloren
boerenhoeve ten slotte een aan de god
geofferde hond.

De estafetteknoken die naar ons wuiven.
Een bladerpilaar te worden

en de tenen wortel schieten en de tenen het boven
beneden zuigen.

 

 2239763-58662a77f0f7895474749a17a7f03c65.jpg
Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

 

De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa werd geboren in Goor op 20 mei 1967. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.

Uit: De heilige Rita

“Paul trok zijn benen binnenboord, deed het portier dicht en reed naar het dorp.
Bij Shu Dynasty, voorheen Bar-Feestzaal Kottink, stond Laurens Steggink met een onbekende man bij het biljart.
‘Mannen,’ groette Steggink.
Paul ging zitten aan de kopse kant van de bar, in de nis van schrootjes. Hij was graag gedekt in de rug, als een cowboy, zodat hij iedereen kon zien binnenkomen. Hedwiges schoof op de kruk naast hem. De radio stond op een halve zender, op golven van ruis klonk Die Sonne geht unter in Texas.
Mama Shu zei ‘hai Paul’ en ‘hai Hedwig’, en zette een flesje Grolsch voor Paul neer en een glas cola voor Hedwiges. De piraat bedankte cafetaria’s, loonbedrijven, houtzagerijen en sloperijen voor hun steun aan de zender. Paul wist hem te zitten, in een schuur achter aan de Tien Ellenweg; soms was de doffe basdreun tot in de wijde omtrek te horen.
Steggink boog voorover en spiedde langs zijn keu. Hij nam de tijd. Hij kon goed biljarten. In dienst geleerd tijdens de lange, lege uren in de onderdeelsbar in Seedorf.
Paul Krüzen had met Hedwiges Geerdink en Laurens Steggink in de klas gezeten.
Met Steggink had hij op een dag een ondergrondse hut gebouwd in het bos. Ze zouden er slapen. Ze roosterden bevroren frikadellen boven een rokerig vuurtje en rolden hun slaapzak uit, maar toen het donker werd schrok Paul terug voor een nacht in het hol tussen de spinnen en de pissebedden en fietste naar huis terug. Steggink bleef alleen achter. Hij was niet bang voor het donker.
De vriendschap was voorbijgegaan; Paul had steeds meer een afkeer gekregen van zijn streken en verhalen, alsmede van het vettige paardenstaartje in zijn nek. Op Theo Abbinks drieëntwintigste verjaardag had Steggink drie kittens van Theo’s vriendin de nek omgedraaid en in het weiland gegooid. Zijn verweer: hij was dronken en had een hekel aan katten.
De stilte tussen hen had zo’n twintig jaar geduurd.
Toen Steggink op een dag werd veroordeeld voor een wietplantage bij de ouders van zijn verloofde in de schuur en valse zaken op Marktplaats, was Paul niet verbaasd geweest. Niemand eigenlijk. Je zag het aankomen. Laurens Steggink had geen biografie maar een strafblad. Zijn ex deed het nog altijd in haar broek voor hem.
Toen hij vrijkwam had hij zijn zaken naar de overzijde van de grens verplaatst. In een voormalige drukkerij op een armetierig industrieterrein buiten Stattau bestierde hij een bordeel met meisjes uit de hele wereld. In Club Pacha zat hij met zijn lange lijf op een barkruk met een frisje voor zich en een telefoon aan het oor. Hem ontging niets. Maar vandaag was het maandag en op maandag was de club gesloten.”

 

 2239763-c9fd7e7b8588a66ae60e74a01e1f78de.jpg
Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en muzikant Auke Hulst werd geboren in Hoogezand-Sappemeer, op 20 mei 1975. Zie ook alle tags voor Auke Hulst op dit blog.

Uit: Motel Songs

“Ik had tijdens de reis en de eraan voorafgaande maanden al vaak zulke gedachten gehad — want slecht geslapen — en ook onze omstandigheden vertoonden overeenkomsten. Heat-Moon was zijn baan als docent Engels kwijtgeraakt en had net vernomen dat zijn vrouw, van wie hij gescheiden leefde, een nieuwe vriend had. 'Die nacht, toen ik me lag af te vragen wat er zou komen: slaap of een explosie, kwam in plaats daarvan het idee. Als je er niet in slaagt iets van het leven te maken kun je tenminste maken dat je wegkomt. Niet langer proberen het leven te omzeilen. Weg uit de sleur. De echte risico's van het bestaan opzoeken. Het was een kwestie van waardigheid.' Hij ging op reis door de vs en ik ging op reis door de vs. Inderdaad, het was een kwestie van waardigheid. Of was het een vlucht?
Eigenlijk begon de reis veel eerder. Dankzij Amerikaanse soft power — de proliferatie van een wereldbeeld middels films, muziek, tv-programma's, boeken, jeans, sneakers en aanverwanten — ben ik al vanaf mijn geboorte ingezetene op afstand, zoals wij allen dat zijn, of in elk geval: mensen van mijn generatie en jonger. Er is alle reden kritisch te kijken naar die soft power, maar de junkieliefde die ik heb opgevat voor veel wat met de culturele golfstroom onze kant op kwam, zit diep. Ik ben van de generatie waarvoor The A-Team de wekelijkse kerkgang was, en die zich tijdens Veronica's Meimaand Filmmaand gewillig onderwierp aan de propagandamachine van Hollywood. Van de generatie die de elpees van Madonna, Michael Jackson en Prince stukdraaide, en voor wie het ultieme Kwaad Darth Vader was, tevens ultiem stijlicoon. Van de generatie die sciencefiction las die impliciet Exceptionalisme predikte of juist de horror blootwoelde van de Amerikaanse consumptiemaatschappij, die spoedig ook de onze zou zijn.”

 

 2239763-bdc84e76ed8e2b73ae558d4c9c4e49d6.jpg
Auke Hulst (Hoogezand-Sappemeer, 20 mei 1975)

 

 

 De Nederlandse schrijver Jeroen Thijssen werd geboren op 20 mei 1959 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Jeroen Thijssen op dit blog.

Uit: Hazer

‘Moeten we niet even praten?’ vroeg Marcel voorzichtig.
‘Niet nodig.’ De baard trilde heftig. ‘Die vogel deugt. Dat voel je toch.’
Hij beende weg. Marcel keek wat aarzelend naar Rogier.
‘Kom maar mee dan,’ zei hij.
De gang had dezelfde granito vloer als de hal, de muren waren gesaust in een onbestemd geel.
Rogi, dacht Rogier.
‘Rogi,’ zei hij. ‘Ik heet Rogi.’
Marcel knikte.
Hein bracht zijn spullen de volgende dag over met de Volvo, waar alles in paste want er viel weinig mee te nemen. De matras en de boekendozen vulden nog niet de helft van de ruimte, alleen de luie stoel, die nog van opa Klaver was geweest, een geval van houten spijlen en dikke kussens die ‘rookstoel’ werd genoemd, bezat enig volume.
Ze stopten voor de deur. Het razen van de motor stierf weg maar Hein stapte niet uit. Hij keek naar de voordeur, die enorme metalen deuren die de aanval hadden kunnen weerstaan van een vastberaden vijand.
‘Wij moeten weg uit dit land,’ zei hij ten slotte. ‘Dat snap je toch wel?’
Rogi knikte.
‘De revolutie is dood,’ zei Hein. ‘En dan blijven de patjepeeërs over.’ Hij legde zijn hand op zijn keel. Even meende Rogi tranen in zijn ogen te zien.
Hij bekeek zijn vader zijdelings, als om een portret te maken. Lange haren, die hem tot hippie maakten. Zijn puntige kin-met-baardje, diepliggende, grote ogen. Een half jaar geleden had Hein op school opgetreden met zijn band en de volgende dag vroeg Caroline Waalberg, de sloerieachtige schoonheid van 6A2, nog of Rogi’s vader toevallig gescheiden was.
Rogi bevoelde zijn eigen kin. Puntig als die van Hein maar nog niet begroeid. Ze hadden dezelfde ogen en ooit, wie weet zou ooit de Caroline Waalberg van een andere 6A2 ook wel informeren of hij, Rogi Pardoen, soms gescheiden was.
Hein stapte uit, opende de klep en nam kreunend een boekendoos ter hand.
‘Ik ben niet meer de jongste.’

 2239763-abd0301aa347d13e4a920f957b7a272c.jpg
Jeroen Thijssen (Haarlem, 20 mei 1959)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Maurits de Bruijn werd geboren op 20 mei 1984 in Delft. Zie ook alle tags voor Maurits de Bruijn op dit blog.

Uit: Broer

“Ik ben te laat dus besluit ik een taxi te nemen. Naar Den Haag.
Op elk van mijn vragen reageert de chauffeur kortaf. Ik lees zijn naam op zijn taxibewijs: Omar. Het oog van Allah schommelt onder de achteruitkijkspiegel. Omar rijdt ontzettend veilig, hij laat mij niet betalen. Omar toont mij de palm van zijn vlakke hand als ik hem het briefje van vijftig aanreik. Er is niets van zijn gezicht te lezen. Ik stap uit, kijk in de felle zon. Het is nog steeds ochtend.
Ze willen hem dood of levend. Dat is het vonnis. Voor het Paleis van Justitie kan Broer maar één van de twee zijn. Hij moet kiezen. Zwart of wit. Als hij dat niet kan, moeten wij voor hem kiezen. Ertussenin zweven mag niet. Er is geen ruimte voor een grijs gebied.
In niets lijkt het gebouw op een paleis. Het houdt het midden tussen een crematorium en een wachtruimte van de huisarts. Maar dan groter. Hier staan mensen met zorgelijke blikken in gesprek met hun advocaten, het paleis maakt iedere burger machteloos. Het paleis spreekt een eigen taal en hanteert de rigide regels van de wet. Na tien jaar is Broer een zaak geworden. Een stapel papieren in de handen van mensen in toga’s. Verworden tot een naam die door het paleis schalt zodra de zitting zich aandient.
Ik, papa en mama lopen een vierkante zaal binnen. Ik neem plaats op de tweede rang. Hier zijn de wanden bekleed met paarsgrijze stenen. Niets in de rechtbank mag aanstoot geven. De rechter vraagt mijn ouders of ze het ultieme hebben gedaan om hun zoon te vinden. Voor de rechtbank is het ultieme een advertentie in de krant. Een paar regels tekst, meer wil het paleis niet vragen.
Boven de zwarte achterkant van haar computer zie ik de zoekende ogen van de griffier. Ze bewegen snel van de rechter naar mijn ouders. De rechter noemt het ‘betrokken’ dat ik en mijn ouders aanwezig zijn bij deze zitting. Ik zie voor me hoe de griffier het woord intikt. Een woord dat net zo goed vervangen kan worden door ‘onnodig’. De doodverklaring van Broer is een formaliteit waar door het paleis vijf weken over nagedacht moet worden. De rechter geeft ons vijf weken om te laten zien dat hij het ook niet niks vindt, zo’n doodverklaring. En dan krijgen de onderdanen van het paleis nog drie maanden om in beroep te gaan.
Weer vraag ik me af waarom niemand wat zegt. In het paleis duurt niets te lang, de zittingen worden in een routineus tempo afgedraaid. Geen woord te veel. De tijd krijgt niet de kans zich uit te rekken, zoals dat vannacht in het park gebeurde.
Ik mag protesteren tegen de dood van mijn broer. Ik bedenk dat niemand die kans krijgt. Voor hij wordt doodverklaard kan ik hem nog redden. Ik heb drie maanden en vijf weken de tijd om het paleis te laten zien dat Broer niet dood maar levend is.”

 2239763-2aff2a8b367ec8e06b3fa86205ee0463.jpg
Maurits de Bruijn (Delft, 20 mei 1984)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter Gerrit Achterberg werd geboren in Nederlangbroek op 20 mei 1905. Zie ook alle tags voor Gerrit Achterberg op dit blog.

 

Verschijning

Terwijl het regent tussen u en mij
is elke afstand bezig te vermind'ren.
Ieder figuur aanschouwt zijn overzij
zonder zich door de stof te laten hind'ren.
En vage sluiers nemen omtrek aan.
Een omgekeerde orde is op handen.
Ik zie uw ogen in de regen branden.
Om mijn gelaat liggen uw natte handen.
Ga niet meer heen. Of laat mij medegaan.

 

 

Kindergraf

Hier ligt het grafje met de zoden glad.
Het is het sluitstuk na een kort ontwaken:
een meter aarde om gelijk te maken,
wat voor een ogenblik verheffing had

tegen een moederarm, niet meer dan dat.
En beide armen langs het lichaam slaken
en denken, denken: waar moet ik geraken
met kinderstoel, commode, wieg en bad?

Ruimteverlies in rekening gebracht
voor doodskist, lijkkoets en gemeentegrond.
Mijn hart krimpt samen als ik overweeg

hoe alles om mij heen voldoening kreeg.
Ik loop met een paar volle borsten rond,
die men nu langzaam leeg te kolven tracht.

 

 

Moordballade

O gij die ik had omgebracht.
Ik bond den wind om uwen hals
in verre sterrenacht, ik brak
uw dansen af tot op den grond,
uw lachen vond
den dood in mijnen lach.
------------

De huizen werden blokken nacht.
De hemel was een zwarte doek
over de rouwhuizen heengebracht,
en in mijn mond
de regen regende lang en zwart.
------------

Toen stond gij op en vond
mijn handen, waar uw bloed afdroop.
Met nooit zoo ondervonden handen
sloot gij mijn opgebroken oog.

Gij hield mijn hoofd in wind en licht
en woei mij uit en liet doorstralen
dit moegebeefde vleesch, het lijf
lag in uw schoot adem te halen.

En in uwer oogen spiegelzalen
braken de eerste tranen los.
Gij kunt uw dansen weer herhalen.
Ik ben, o droomenbond, verlost.

 

 2239763-086372d000a496196ddb1b2b463e4ddf.jpg
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
Op 19-jarige leeftijd

 

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Anna M G Schmidt werd op 20 mei 1911 geboren in Kapelle. Zie ook alle tags voor Annie M.G. Schmidt op dit blog.

Vaders

De vader zegt: wat ga je doen?
De dochter zegt: ‘k ga rijen,
De vader zegt: met wie, met Koen?
Gaan jullie met z’n beien?
De dochter zegt: jawel, allicht,
En dan houdt Paps z’n wafel dicht.
Daar gaat ze dan, ze zegt: so long,
En paps bijt liever op zijn tong
Dan nog te vragen hoe of waar.
Het lieve kind is zestien jaar,
Ze heeft gezegd wat ze gaat doen.
Ze gaat op ’t scootertje met Koen,
Maar vader denkt: wat gaan ze dóén?

De vader zegt: waar ga je heen?
De dochter zegt: kamperen.
De vader zegt: met Koen alleen?
En in die malle kleren?
De dochter zegt: met Jan. Salu!
Ze gaat. En daar zit vader nu.
Ze heeft gezegd wat ze gaan doen,
Ze gaat kamperen, niet met Koen.
Ze gaat kamperen met haar Jan.
En vader denkt: wat dóén ze dan?

Zo zitten al die duizend pa’s
Zich zwijgend op te vreten.
Helaas helaas, helaas helaas,
Zij zullen het niet weten.
Wat doet mijn dochter op de plas?
Jawel, ik weet, ze zeilt met Bas.
Wat doet mijn dochter nu vandaag –
Ze danst met Leo in Den Haag.
Zij zwemt met Dick, ze roeit met Piet,
Maar wat ze dóén, dat weet Paps niet.

 

 

De trap is weggewaaid

Toen vader ’s morgens wakker werd,
toen riep hij: Wel verdraaid!
Kijk nou es wat er is gebeurd,
de trap is weggewaaid.

En moeder zei: Hoe moet dat nou?
Hoe komen we beneden?
De hele trap is weggewaaid,
met vijfenzestig treden.

De kinders kwamen uit hun bed
en riepen: Heerlijk zeg!
We kunnen lekker niet naar school,
want onze trap is weg.

En vader nam de telefoon
en belde naar ’t kantoor.
Zeg baas, de trap is weggewaaid,
ik kan niet komen hoor!

Maar ja, er was geen brood in huis,
geen melk, geen kaas, geen fruit;
ze konden het niet halen ook,
ze konden er niet uit.

Daar zaten ze, drie dagen lang.
Ze waren bleek en mager.
Want niemand kon naar boven toe,
geen bakker en geen slager.

Toen belde vader ’t vliegveld op
en riep: Hallo, Hallo!
Stuurt u een helikoptertje
en krijgen we ’t cadeau?

Er kwam een helikoptertje,
dat landde op het plat.
Het bracht hen naar beneden toe.
Ziezo, en dat was dat.

En moeder zei: Nu moeten wij
een nieuwe trap gaan bouwen.
Maar vader riep: Ach Bets, waarom?
We zullen ’t zo maar houwen.

En voortaan houden ze ’t maar zo.
Ze zijn nu erg tevreden.
Ze gaan per helikoptertje
omhoog en naar beneden.

En vader zegt: Nou zie je, Bets
die trappen zijn maar ouderwets!

 

 2239763-fe7ecdc8d3229c1a4aca14af18e7ff55.jpg
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Mascha Kaléko, Constantin Göttfert, Simone van Saarloos, Karel van het Reve, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2239511-f165050f28a03b095dd097dd9caa50f9.jpg
Vanitas-Stilleven door Maria van Oosterwijck, 1668

 

 

Memento

Vor meinem eignen Tod ist mir nicht bang,
Nur vor dem Tode derer, die mir nah sind.
Wie soll ich leben, wenn sie nicht mehr da sind?

Allein im Nebel tast ich todentlang
Und laß mich willig in das Dunkel treiben.
Das Gehen schmerzt nicht halb so wie das Bleiben.

Der weiß es wohl, dem gleiches widerfuhr;
— Und die es trugen, mögen mir vergeben.
Bedenkt: den eignen Tod, den stirbt man nur,
Doch mit dem Tod der andern muß man leben.

 

 2239511-e29a6778ef1ad0527556e0463ebb2213.jpg
Mascha Kaléko (7 juni 1907 – 21 januari 1975)
De Sint-Johanneskerk in Chrzanów, de geboorteplaats van Mascha Kaléko

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Constantin Göttfert werd op 19 mei 1979 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Constantin Göttfert op dit blog.

Uit: Steiners Geschichte

„Ich muss sagen, dass ich diesen Namen kannte. Es war unmöglich, mit Ina zusammen zu sein und nicht mit diesem Namen konfrontiert zu werden. Limbach war ein Dorf in der Slowakei. Ihr Großvater, den alle nur den Steiner nannten, war dort aufgewachsen. Aber natürlich war dieser Name viel mehr. Er war eine zerstörte Hoffnung, eine Sehnsucht, ein einziger Schmerz. Aber das begriff ich damals noch nicht so gut wie heute. Ina nannte nur wieder diesen Namen, «Limbach», und löste sich aus meinem Griff, während der gelbe Stern noch unter dem Wort ruhte. Sie stand auf, ging einen Schritt auf die Tür zu, blieb dort aber nicht stehen, sondern drehte sich nach mir herum, als wollte sie etwas sagen. Sie sagte aber nichts. Steiner war tot. Ich zog mein Handy heraus, um das Datum abzulesen. Er war vor genau vierzehn Tagen gestorben. «Wir können den Fährmann ja einfach fragen», sagte ich. «Wir kommen morgen wieder und fragen ihn nach diesem Ort. Wenn er dort wohnt, wie du glaubst.» <‹morgen?», höhnte sie. «Oder wenn die Fähre wieder fährt. Wir nennen ihm den Namen deines Großvaters, vielleicht weiß er von jemandem, der noch mit Steiner bekannt war.» Und später würden wir dorthin fahren, sagte ich. «Wann später?», fragte sie. Die Spitze meines Zeigefingers pendelte auf ihren Bauch zu, aber ich sagte es nicht. Es gab Worte, die sprachen wir nicht aus. Schwangerschaft war so ein Wort, das Wort Geburt, das Wort Kind. Es war eine stille Abmachung, die in den letzten Wochen immer verbindlicher geworden war. Ich könnte nicht genau beschreiben, wie sie mich jetzt ansah, auf jeden Fall fühlte es sich bedrohlich an. Sie stellte die Tasse hin, rückte den Stuhl, auf dem sie gesessen war, zurück an den Schreibtisch. Durch die Luke fiel jetzt etwas Licht in die Kajüte und verfing sich in ihren Haaren. Die Wolkendecke war ein Stück aufgerissen. Ein halber Mond hing über dem Flusslauf, im Gebüsch lag noch etwas Schnee. Man sah die verfallenen Fabrikschlote am slowakischen Ufer und flussabwärts die Stumpen der Brückenpfeiler im silbrig-trüben Wasser. Ich legte meine Hand in die Grube zwischen Inas Schulterblättern. Ich roch die Feuchtigkeit in ihrem Mantel. Ich konnte spüren, wie sehr sie die Haltung anstrengte, aber sie beugte sich jetzt hinaus wie ich zuvor, als könnte sie von hier aus durch die Dunkelheit bis zu diesem Limbach sehen, in ein unbekanntes Land und bis zu einem alten Hof, von dem sie nichts wusste, außer, dass er verloren war. Es war nicht so, dass sie oft von ihrem Großvater sprach. Aber ich erinnere mich daran, dass sie vor ein paar Tagen gesagt hatte, die Last der Großväter drücke auch die Enkel oder irgendetwas, das so ähnlich geklungen hatte. Es war gar nicht ihre Art, so zu reden. Vor fast 70 Jahren hatten die tschechoslowakischen Kommunisten die Reste einer alten Steinbrücke sprengen lassen, um das, was sie unter dem Namen Republikflucht mit langen Gefängnisstrafen, Sippenhaftung und Berufsverboten ahndeten, zu verhindern. Dieselbe Steinbrücke endete immer noch im Nichts, im Nichts der Grenzregion, immer noch in dieser Stille, dachte ich, die seit meiner Kindheit über der March hängt. An die Luke gedrängt, blickten wir eine Weile auf die Stumpen der Brücke, und als sich unsere Augen an die Dunkelheit gewöhnt hatten, sahen wir, wie sich das dunkle Wasser dort fast lautlos teilte.“

 

2239511-dacc9984586ef5dabb65c80a2b2df843.jpg
Constantin Göttfert (Wenen, 19 mei 1979)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Simone van Saarloos werd geboren in Summit, New Jersey op 19 mei 1990. Zie ook alle tags voor Simone van Saarloos op dit blog.

Uit: De vrouw die

“Op het veldje achter hen werd een oosterse sport beoefend. Een groepje Chinezen – Chinees-ogend –, gekleed in wijdvallend grijs, stond stijf als soldaten. Tegelijk, zonder zichtbaar teken, kwamen ze in beweging. Heel langzaam spreidden ze hun armen, borstkassen helden voorover en de knieën bogen. Zo, klaar om te springen, bleven ze staan. Er werd aanhoudend getoeterd. De chauffeur schoof zijn wagen abrupt in een andere baan. Het getoeter nam toe en werd nu persoonlijk. Janine opende haar raam om het opzwepende geluid binnen te laten.
In het midden van de rotonde torende een triomfboog. Adelaars prijkten aan weerszijden, bezetten ieder een eigen zuil. Op de horizontale vlakte die de sokkels samenbond memoreerden strijdlustige woorden de Amerikaanse burgeroorlog. De steen was helderwit, de geschiedenis oogde fris.
De etalageruiten van koffietentjes prezen verse lokale producten aan. Gevlochten manden vol kruiden vulden de kozijnen. Houten planken rondom de platanen op de stoep dienden als bankjes. Mensen zaten buiten te werken, ze knepen hun ogen dicht tegen de zon om de schermen van hun laptops te kunnen lezen.
De chauffeur remde voor een rood licht en klaagde: augustus was een rustige maand. New Yorkers ontvluchtten de hitte en toeristen kwamen liever in de herfst. Een jongen met een hond aan zijn voeten en een telefoon tussen oor en schouder geklemd, zoog ijskoffie door een duimdik rietje. Zijn wangen pompten. Het gemalen ijs in de drank was te grof om gezamenlijk te bewegen. De kristallen buitelden over elkaar heen, gebruikten elkaar om omhoog te komen. De hond kefte naar een wesp, die vermoedelijk op de gesuikerde koffie afkwam. Het waren zijn agressieve laatste weken: in september loost de wesp zijn laatste gif, om daarna te sterven. De hond sprong op en trok aan de riem, die om de pols van zijn baasje hing. Die wist zijn laptop te redden, alleen de telefoon viel op de grond. De man rukte aan de halsband. Hij corrigeerde zijn hond.
Het artificiële heeft voor groei slechts successen nodig. Het natuurlijke verbetert alleen na een mutatie.
Midden in de zomer, een jaar geleden, was Janine begonnen met hardlopen. Het was niet de zon die haar naar buiten brandde. Haar collega’s maakten zich hardop zorgen om de kringen rond haar ogen. Hoewel de oculairs op haar microscoop waren voorzien van siliconen hoesjes, droeg ze een permanent brilletje van rode striemen. De kracht waarmee ze haar gezicht overdag tegen de microscoop duwde, zat ’s nachts in het samenklemmen van haar kaken. In haar kussen zat elke ochtend een krater. De haren van haar elektrische tandenborstel waren binnen een week plat omdat ze kauwde in plaats van poetste. Gebruiksvoorwerpen markeerden haar of bogen mee.”

 

 2239511-74222a8c7ebdd260a0b18836c71b1122.jpg
Simone van Saarloos (Summit, 19 mei 1990)

 

 

De Nederlandse letterkundige, vertaler, essayist, schrijver en columnist Karel van het Reve werd geboren in Amsterdam op 19 mei 1921. Zie ook alle tags voor Karel van het Reve op dit blog.

Uit: Nacht op de Kale Berg

“De protestantse kanselredenaar veinst, lijkt het, een soort ontroering. Dankbaar en eerbiedig richt hij zich tot God - de ‘soortnaam is hier tegelijk eigennaam’ en de neiging van sommige ongelovigen om hier een kleine letter te gebruiken moet meer uit rancune dan uit redelijkheid voortkomen - en voegt Deze (hier is de hoofdletter niet verplicht, maar vooruit) op onderdanige toon tal van vleiende dingen toe, die mij, ware ik in Zijn plaats, met walging zouden vervullen. Men begrijpt niet dat Hij niet iedere zondag een paar honderd van die redenaars met Zijn bliksem neervelt. Aan het uitblijven van deze reactie Zijnerzijds zou men een argument kunnen ontlenen ten bewijze van Zijn algoedheid of Zijn niet bestaan.
In de loop der jaren heb ik een verzameling aangelegd van boeken van de Engelse schrijver Somerset Maugham, boeken die mij in hun literaire eenvoud sterk bekoren, en in een van die boeken komt een kennis van hem voor die iedere dag aan tafel voorging in gebed, maar die in het Book of common prayer alle passages had doorgestreept, waarin de Heer ‘to his face’ werd geprezen. Hij meende, zeer terecht naar het mij voorkomt, dat dit een barbaarse gewoonte was.
Maar afgezien daarvan. Ook wanneer zij zich tot het publiek richten en uitleggen hoe wij de verhouding tussen God en Zijn schepping eigenlijk moeten zien, blijft die walging bestaan, die onuitwisbare indruk van schandelijke veinzerij, die, en dat is het merkwaardige en eigenlijk onredelijke van mijn kant, des te groter wordt naarmate ik meer de indruk heb dat de spreker meent - of meent te menen, laat ons niet onrechtvaardig zijn - wat hij zegt. ‘Hoe kan iemand zo verdorven zijn’, aldus in zulke gevallen ongeveer mijn gedachtegang, ‘hoe kan iemand zo verdorven zijn dat hij dingen die hij kennelijk meent op een zo uitgesproken huichelachtige wijze ten gehore brengt?’
Met de katholieken is het weer anders. Ook bij hen wordt men van afkeer vervuld. Zij behandelen echter Onze Lieve Heer enigszins en canaille, als ware Hij zelf een soort pastoor.”

 

 2239511-b6cb6c6669770238cc74f92951eab605.jpg
Karel van het Reve (19 mei 1921 – 4 maart 1999)
Cover achterkant

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gijs IJlander (eig. Gijs Hoetjes) werd op 19 mei 1947 in Alkmaar geboren. Zie ook alle tags voor Gijs IJslander op dit blog.

Uit: Vergeef ons onze zwakheid

“Door de beslagen ramen zag hij dat alle tafels en banken in het passagiersverblijf bezet waren, voor de kleine bar stond een rij. Toen die was opgelost besloot hij naar binnen te gaan, de kou aan dek was doordringend.
Met een mok koffie in de hand zocht hij een plaatsje, een boer wiens vrouw op de bank tegenover hem lag te slapen schikte een stukje in. Verweerd gezicht, diepliggende ogen; de man bleef hem nauwlettend gadeslaan terwijl hij zijn koffie opdronk. Weer zo’n slappe bak, wanneer zouden ze hier ooit begrijpen dat koffie geen thee is en op een totaal andere wijze bereid moet worden?
Not from here, are you? vroeg de man naast hem.
Holland, zei hij. But I’ve come to the islands for many years now. Own a house there, actually.
You do, do you? And do you think that’s a good idea?
Yes, of course. Of course I do.
Ze keken naar buiten, er kwam land voorbijglijden, ze naderden de kade van het eerste eiland dat de veerboot aandeed. Aan de wal was geen sterveling te bekennen, pas toen ze tot op enkele meters genaderd waren kwam er met hoge snelheid een landrover aanrijden, de bestuurder sprong eruit en was nog net op tijd om een uitgeworpen lijn aan te nemen.
Sybrand stond op met een knikje naar zijn tafelgenoot, ging naar buiten en zag vanaf het dek een paar passagiers aan land gaan, er werden pakketten op de kade gezet. Vervolgens werd er weer losgemaakt, de passagiers stapten in de auto en verdwenen landinwaarts.
Het oponthoud had nog geen tien minuten geduurd.
Het eiland leek leeg en onbewoond, maar toen de veer-boot gedraaid was zag hij een pompeus fantasiekasteel dat uitkeek over zee. Sommige eilanden waren privébezit, de rijken hadden er hun eigen koninkrijk, de popmusici, bankiers en industriëlen; wie het zich veroorloven kon hield anderen op afstand.
Toen ze de baai waren uitgevaren was de mist dichter geworden, van het eiland was al snel niets meer te zien, ze waren omringd door grijze nevel vermengd met de zwavelige walm uit de schoorsteenpijp. Ze deden een tweede eiland aan. Een derde. De stoten op de misthoorn bij het naderen van de aanlegplaats stierven weg en bleven onbeantwoord. De kades waren verlaten.”

 

 2239511-444ef7ea44867662e0175db47ff158e7.jpg
Gijs IJlander (Alkmaar, 19 mei 1947)

Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e mei ook mijn blog van 19 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:20 Reageer op dit bericht

Eva Gerlach, Yi Mun-yol, W.G. Sebald, Markus Breidenich, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2239291-932ee81f81e773c74af21f7f418e0ea8.jpg
Riviergezicht met kerk en veerpont door Salomon van Ruysdael, 1649

 

 

Veergeld 1

Liggen we 's nachts met de doden die op ons gaan zitten
ons strelen met handen van talk bergamot en citroen

bij elke beweging levender: Han met de tanden
Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over

door te gaan, toe dan, aderen zwellen op
vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring

verwijzing: nu wil ik mijn oma
Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt

in haar hals en de hel breekt los, rent ze
met loshangend haar, de doden klemmen zich vast

wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar
dubbelgevouwen steken zwart in zwart - : liefje

slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk!
waar is je kussen, hoe laten ze anders los -

De ochtend wekt ons met geluid van vracht
wagens door de straat, de muren trillen

en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte
zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.

 

 2239291-cc0665ad6c37996f2054a838dec8b610.jpg
Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)

 

 

De Zuidkoreaanse schrijver Yi Mun-yol werd geboren op 18 mei 1948 in Yongyang. Zie ook alle tags voor Yi Mun-yol op dit blog.

Uit:Our Twisted Hero (Vertaald door Kevin O’Rourke)

“He spoke once again in that same soft but firm voice. That was all; he didn't move a finger; And yet I found myself almost getting up. Such was the strange effect his eyes had on me.
I braced myself, with the shrewd sophistication of a Seoulite. My first fight, I thought, and with this sudden realization came a determination to see it through to the end. If I let myself be seen as easy prey from the beginning, I figured life here would be difficult. But could I fight back in the face of the baffling, virtually absolute obedience of the others?
"What do you want?" I answered defiantly, pulling in my tummy; he just snickered contemptuously.
"I want to ask you something," he said.
"If you want to ask something, come on over here then."
"What?"
The corners of his eyes suddenly arched as if to say that he'd heard everything now; again he snickered. He said no more; he just looked at me quietly, his eyes glued to me so intensely that it was difficult to meet them. But I had come too far to back down now. This too is a kind of fight, I thought, bracing myself with all my strength. Two of the bigger boys who were sitting beside him got up and came over to me.
"Get up!"
They both looked angry. It seemed as if they might pounce on me at any moment. Any way I looked at it, I wouldn't be able to take on both of them. Suddenly I was on my feet. One of them grabbed me roughly by the collar and shouted, "Didn't Om Sokdae, the class monitor, tell you to come over?"
This was the first time I had heard the name Om Sokdae. It was engraved on my memory from the moment I heard it, perhaps because of the odd tone of voice the boy used to pronounce it. It was as if he were using the name of someone very great and noble, as if respect and obedience for such a person were only fitting. This made me shrink again, but I couldn't give in now. One hundred and twenty eyes were watching me.
"Who are you fellows?"
"I'm in charge of sports; he keeps the classroom nice.
"So, what's up?"
"Om Sokdae, our class monitor . . . didn't he ask you to come over?"
Hearing for the second time that his name was Om Sokdae, that he was monitor, and that for this one reason Ihad to present myself and wait on his command, did begin to make me feel intimidated.”

 

 2239291-46e8f1b7ff40eb29681c7ed38c336532.jpg
Yi Mun-yol (Yongyang, 18 mei 1948)

 

 

De Duitse schrijver W.G. Sebald werd geboren in Wertach (Allgäu) op 18 mei 1944. Zie ook alle tags voor W. G. Sebald op dit blog.

Uit: Campo Santo (Vertaald door Anthea Bell)

“There are also many statuettes of the Emperor carved from soapstone and ivory and showing him in familiar poses, the tallest about ten centimeters high and each of the others smaller than the last until the smallest seems almost nothing but a white speck, perhaps representing the vanishing point of human history. One of these diminutive figures depicts Napoleon after his abdication sur le rocher de l’île de Sainte-Hélène (on the rock of the island of St. Helena). Scarcely larger than a pea, he sits in cloak and three-cornered hat astride a tiny chair set on a fragment of tuff which really does come from his place of exile, and he is gazing out into the distance with furrowed brow. He cannot have felt at ease there in the middle of the bleak Atlantic, and he must have missed the excitement of his past life, particularly as it seems that he could not really depend even on the few faithful souls who still surrounded him in his isolation.
Or so, at least, we might conclude from an article in Corse-Matin published on the day of my visit to the Musée Fesch, in which a certain Professor René Maury claimed that a study of several hairs from the Emperor’s head undertaken in the FBI laboratories established beyond any doubt que Napoléon a lentement été empoisonné à l’arsenic à Sainte-Hélène, entre 1817 et 1821, par l’un de ses compagnons d’exil, le comte de Montholon, sur l’instigation de sa femme Albine qui était devenue la maîtresse de l’empereur et s’est trouvée enceinte de lui. (“that Napoleon was slowly poisoned with arsenic on St. Helena, between 1817 and 1821, by one of his companions in exile, the comte de Montholon, at the urging of his wife, Albine, who had become the Emperor’s mistress and was pregnant by him.”) I do not really know what we should think of such stories. The Napoleonic myth has, after all, given rise to the most astonishing tales, always said to be based on incontrovertible fact. Kafka, for instance, tells us that on November 11, 1911, he attended a conférence in the Rudolfinum on the subject of La Légende de Napoléon, at which one Richepin, a sturdy man of fifty with a fine figure, his hair arranged in stiff whorls in the Daudet style and at the same time lying close to his scalp, said among other things that in the past Napoleon’s tomb used to be opened once a year so that old soldiers filing past could set eyes on their embalmed Emperor. But later the custom of the annual opening of the tomb was discontinued, because his face was becoming rather green and bloated. Richepin himself as a child, however, says Kafka, had seen the dead Emperor in the arms of his great-uncle, who had served in Africa and for whom the commandant had the tomb specially opened. Moreover, Kafka’s diary entry continues, the conférence concluded with the speaker swearing that even in a thousand years’ time every mote of the dust of his own corpse, should it have consciousness, would still be ready to follow the call of Napoleon.”

 

 2239291-650bb5da47c36f6f56c21479176af8d4.jpg
W.G. Sebald (18 mei 1944 – 14 december 2001)
Cover Engelse uitgave

 

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

MORPHING

Man beginnt damit, sich in Schalen zu werfen, einen
Hauch von Perlmutt über weichen Körpern
zu tragen und – am Ende des kalten Buffets –
ein Schneckenhaus zu leeren, aus Eigenbedarf.

Wie spät das Heben der Gläser von Grund.
Perlen auf Zungen zergehen. Die Steine.
Ketten, an denen man hängt.

Algenverhangene Säle, Kronleuchter, die
– vom Boden herauf – in Meeresströmen leuchten.

Dann sieht man es nachts, mit feuchteren Augen.
Den Kopf voll Gold sinkt man in Schlaf. Und
hört in den Schalen entfernt das
Pochen der Echolote.

 

 

REQUIEM

Vorletztes Jahr, es gab ja erste Zeichen, eines
Nachts, wir sahen schwarz, im Spätprogramm
die Sterne vor den Augen, Popcorn
aus den Satellitenschüsseln fallen.

Als Wolken sich von Süden vor die Bilder schoben.
Jemand Geld von uns verlangte für die nächsten dreißig
Monate im voraus.

Fieberhaft. Im Keller unsres siebten Hauses suchten wir
nach Unterlagen über Orte, Zeiten jeder
Sendung. Gaben Daten, die wir fanden,

die Ermächtigung zum Einzug der
Geburten weiter, als der Wind sich drehte. Und die
Aufklärung des Himmels über uns

es kälter werden ließ. Der Schüttelfrost sich
auf Antennenstäbe legte. Wir von ferne noch
den Schnee im Dritten sahen, später – wie vorhergesagt –
nach kurzer, schwerer Krankheit dann verschieden.

 

 2239291-3f038307544c02cea1975192e90347dd.jpg
Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn blog van 18 mei 2018 en eveneens mijn blog van 18 mei 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:29 Reageer op dit bericht

Remember (Christina Rossetti), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

2239109-8c52b4ad4e25bd41f7cba1bebb7657de.jpg
Remember me door Amy Donaldson, z.j.

 

 

Remember

Remember me when I am gone away,
        Gone far away into the silent land;
        When you can no more hold me by the hand,
Nor I half turn to go yet turning stay.
Remember me when no more day by day
        You tell me of our future that you plann'd:
        Only remember me; you understand
It will be late to counsel then or pray.
Yet if you should forget me for a while
        And afterwards remember, do not grieve:
        For if the darkness and corruption leave
        A vestige of the thoughts that once I had,
Better by far you should forget and smile
Than that you should remember and be sad.

 

 2239109-c6e9c3a3260117767b9a96064a7b75de.jpg
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
Buckingham Palace in Londen, de geboorteplaats van Christina Rossetti

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e mei ook mijn blog van 17 mei 2018 en ook mijn blog van 17 mei 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:00 Reageer op dit bericht

Michel van der Plas, Paul Gellings, Margreet Schouwenaar, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2238817-3e0eab31484a7fd0b713f121f8fd9100.jpg
De droom van Jacob door Ferdinand Bol, 1642

 

 

Engel in de nacht

Zend ons een engel in de nacht
als alles ons een raadsel is,
als ons de zekerheid en kracht
ontvallen in de duisternis.

Zend ons een engel ieder uur
die ons ontvoert van U vandaan,
wanneer wij voor de blinde muur
van uw geheime plannen staan.

Zend ons een engel met Uw licht
in onze slaap, de metgezel
die troost brengt in het vergezicht
van God met ons, Immanuel.

Zend ons in hem de zekerheid
dat U ons zelf bezoeken zult
en bij ons wonen in Uw tijd
en leer ons wachten met geduld.

 

2238817-6d57fbab993a72842b13ce595ceb3178.jpg 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)
De Nieuwe kerk in Den Haag, de geboorteplaats van Michel van der Plas

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953. Zie ook alle tags voor Paul Gellings op dit blog.

 

Het kind uit mij

Voor Mara’s 21e verjaardag

Je oogjes wisten het op het moment van je geboorte
ik kwam je bekend voor en jij mij in even sterke mate
wie ben je toch, zo sprak je zonder woorden
we huilden samen alsof we toen al praatten

later dansend aan mijn hand op zaterdagen
of tekenend in de trein op weg naar Amsterdam
waar je me in het Rijksmuseum zou vragen
hoe het kon dat er zomaar licht uit schilderijen kwam

ja, toen was je meer dan ooit het kind uit mij
daarna werden we overrompeld door de tijd
een eierschaal stelde zich op om al dat zachte

een pantser, wat kon ik er zo gauw aan doen –
toch zag ik altijd het kind uit mij erachter
en ach, die schaal, die  brak, je keek me aan als toen

 

 

Boekenbalgedicht

Later vieren denk ik de boeken
zelf feest, wervelen op het toneel
of staan te lezen in elkaar.

Op kousenvoeten terug naar het
theater, dat nagonst als een
schrijvershoofd. Daar inderdaad

gezien hoe zijzelf dansten, dansten,
tot de slaap kwam met de dag –
ochtend op een eenzaam plein.

Binnen alle pluche nu dof;
blijft alleen hun glans
als wij er niet meer zijn.

 

 

December

Zwakke zon aan duisternis ontkomen,
over een blinde muur van tijd, maakt
van deze namiddag een ingekleurde
staalgravure. Okergeel de bomen op
het plein; hardroze de trottoirs.
Van korte duur is dit stadsgezicht.
Maar puur zoals het, voor wij
hier kwamen wonen, ook al
eens geweest moet zijn.

Daarna het zwoegen van de winternacht
waarin gestommel van een laatste trein,
een hemel openscheurend met de kracht
van een geboorte. Voor onze deur alvast
drie koffers uit het oosten, onverwacht.

 

 2238817-b6f981cff1f55c940e81d6860785d16d.jpg
Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Margreet Schouwenaar werd geboren in Schagen op 16 mei 1955. Zie ook alle tags voor Margreet Schouwenaar op dit blog.

Oude huizen, nieuwe deuren

In dit lege huis ligt verkruimeld
mijn heelal, op de tast vind ik
babygeur, heilig vuur, verschoten
pijn. Op het oog blozen dozen van
het grauwe stouwen Over en weer
klinkt stom geblaf of brekend hart.

De deur, een bokkig heer, wil niet
open, kast blijft steken, bank schiet
dwars. Met blauwe knieën, geschaafde
schenen, wring ik door een kier. Tevergeefs
is het stenen slepen, stutten bouwen,
beelden ketenen, het zondagskind
blijft hier, evenals de kromgetrokken
dromen en het Duvels bier.

Achter de horizon slaat een vlag
de gongslag van de wind. Wie weet
wat ik vind in vers steen: een oude
wandelstok, een nieuw been.

 

 

Dodijnendom

Tussen verschoning en overjas
de gepoederde hoop, de dracht,
de klokkende buik, de lebbige lach.
Achter de hand. Psalmen en gesnik.

Er is een pak voor ieder leven.
Plunje. Boel. Paradekleed. Ieder
is gelijk de ander andersom
in hem gekleed. Rokend. Leppend
of onthoudend. De mens is zijn bef,
zijn lus, zijn trens, zijn pat. Zijn
gedoe. Gekoord. Gesmokt.
Knievrij! voor het ontlopen.

Kijk het schepsel scheppen.
Handenvol stof stolt zijn roeping.
Zijn hoop een mes. Zijn mes zijn vlees.
Zo bot dat het mijdt wanneer het snijdt.
In alle ernst, groot is zijn formaat. Geweekt,
gewit, gepapt zijn pipse daad. Bleekjes
bezigt hij allemans kleur in zijn roomwitte
villa waar hij met ronken spraak maakt,
tranen in kristal laat, de dood in dingen
vertaalt. Onsterfelijk in grut en beuzelen.
Schappelijk voor hoofd en kloddeman.
Te geef. Hij is te geef, zijn weke bolle wang,

zijn broos gebaar dat reikt naar iets
meer eigen, meer privaat, iets zo zacht
en stevig als twee kusjes voor de slaap.

 

 2238817-102c19d27328ac78ec8a4baf54314409.jpg
Margreet Schouwenaar (Schagen, 16 mei 1955)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e mei ook mijn blog van 16 mei 2018.

Geschreven door Romenu om 18:48 Reageer op dit bericht

Frieda Jung, Albert Verwey, W.J.M. Bronzwaer, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2238429-ea44d30498d17440b7f35383aed6973d.jpg
Der Vater des Künstlers auf dem Krankenbett II door Franz Marc 1906-1907

 

 

Am Krankenbett

Nun schleichst du schon wieder tagein — tagaus
Um unser armes, kleines Haus!
Herr Gott im Himmel! — schon wieder?

Ich fahre auf, entsetzt, verstört,
Mir ist, als hätt' ich rufen gehört!
Herr Gott im Himmel! — schon wieder?

Ein Schluchzen erfaßt mich, ein wildes Schrei'n.
Ich lasse dich nicht in das Haus hinein!

Ich kenn' deine Stimme, ich kenn' dein Gesicht!
Mein letztes Liebes bekommst du nicht!

Mein letztes Liebes, das mir blieb,
Das hab' ich so lieb! das hab' ich so lieb!

Das rett' ich in zitternder Angst und Pein
Tief, tief in Gottes Erbarmen hinein.

Mit meinem Herzblut versieg!' ich das Tor,
Mit all meinem Glauben stell' ich mich vor.

Herr Gott im Himmel! Erhör' mein Fleh'n,
Laß den Tod, den Tod vorübergehn!

 

 2238429-483e252559f9d8dde75c7ab853b03637.jpg
Frieda Jung (4 juni 1865 - 14 december 1929)
Kiaulkehmen, Landkreis Gumbinnen, de geboorteplaats van Frieda Jung

 

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Het verlaten huis

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien - zó zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk're huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, - maar áls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar 't niet wil weten om die grote smart; -
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al de dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De grote smart, die 'k zien zal in dat oog.
Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in 't verlaten huis. –

 

 

Lachen en Schreien

Ik wenste dat mij mocht gebeuren,
Nu en voortaan, -
Heel goed te zijn voor hen, die treuren,
Nu en voortaan.

Want als ik blijf behou'en
Gezang en de vreugd daarvan, -
Dan weet ik, dat ik al wie rouwen
Oneindig troosten kan.

Want al mijn zangen in mij
Zijn boodschappers van vreugd:
Zij dragen goede tijdingen,
En hemelse verblijdingen,
En 't vlieden van hun licht gewaad is liefelijk gewin mij,
Daar ik ze alleen in 't vlieden zie en 't vlieden mij slechts heugt.

De mensen klagen,
Dat vreugde vliedt:
Laat vreugden vlieden, laat mensen jagen,
Wij zien ze vlieden en klagen niet.
Want al wat schoon is,
Is schoon wijl 't vliedt;
Want schoonst van een citer zijn toon is
't Sterven, - het stijgen niet...

En dáarom staren
We op 't vliedend-schone,
En zeggen zacht: na vreugd zal 'k vreugd ontwaren,
Die 't leven lone...
Veel zang en schone dromen,
Om zoet te slapen tot het ochtend-domen:
Want vreugden vlieden opdat vreugden komen...

Schrei daarom niet, want als gij schreit,
Dan zal ik zelf gaan schreien wijl ik schrijf,
En al die schone bloemen van mijn zang
Zal 't zijn of er een dauw van tranen drijv'
Om hen, om mij, tot 'k eindlijk lang, heel lang,
Zal moeten wenen en geen trooster blijf,
En niet meer schrijf en enkel lijd...

Schrei niet, schrei niet: mijn zang is ál te teer:
Daar blinkt een traan in de ogen van mijn zang,
Zijn wangen zijn zo bleek, - ik zend hem u:
Trek 'm aan uw knie en zeg: kind, ween niet meer,
Want ik ben ook niet somber, 'k was 't te lang,
Zit neer en glimlach nu...

Dan zal hij lachen door zijn tranen heen,
En zeggen: zie, 't verdriet zelfs is een vreugd;
Want grootste vreugd is lachen na geween,
En dat doe 'k veel en dat 's mijn deugd.

 

 2238429-b3b0c92fb4144172cf23337a02969e64.jpg
Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937)
De Oude Kerk in Amsterdam

 

 

De Nederlandse letterkundige, essayist en criticus W.J.M. Bronzwaer werd geboren op 15 mei 1936 in Heerlen. Zie ook alle tags voor W. J. M. Bronzwaer op dit blog

Uit: Lessen in Lyriek

“Bij alle vormen van communicatie treedt redundantie op, al zullen we vaak proberen dat te vermijden. Wanneer iemand ons op straat begroet met de woorden ‘Goeiedag! Goeiedag!’, dan brengt onze afkeer van redundantie met zich mee, dat we de woordherhaling niet als redundant zullen opvatten. Dan zou de herhaling immers zinloos zijn. We interpreteren deze woorden als buitengewoon hartelijk, of als blijk van grote verrassing. De herhaling krijgt voor ons zodoende een betekenisvolle meerwaarde die de strikt lexicale betekenis van het herhaalde woord te boven gaat.
Een van de vroegste voorbeelden uit de literatuur van een herhaling die deze meerwaarde bezit is de uitroep ‘De zee! De zee!’ van de Griekse soldaten in het vierde boek van Xenophons Anabasis, als zij uiteindelijk vanaf een heuveltop de zee ontwaren en zich gered weten van hun Perzische achtervolgers. We kunnen deze uitroep, net als de beurtzang van de Israëlitische vrouwen in het eerste boek Samuel, als een oervorm van poëzie beschouwen. In het poëtisch taalgebruik werken de informatietheoretische wetten, zoals wij die voor kunsttalen hebben opgesteld, niet. In de logica betekent ‘a + a’ niet hetzelfde als ‘a’. Zo betekent ‘De zee! De zee!’ ook niet hetzelfde als ‘De zee!’. Nu zouden we kunnen zeggen dat bij een leeswijze die het verschil tussen ‘De zee! De zee!’ en ‘De zee!’ op dezelfde wijze interpreteert als het verschil tussen ‘a + a’ en ‘a’, het citaat uit Xenophon op niet-poëtische wijze wordt gelezen.
Herhaling is op alle niveaus werkzaam in de poëtische tekst; men hoeft maar aan eenvoudige fenomenen als rijm, maat, gelijkheid van regellengte en dergelijke te denken om dit in te zien. Maar om poëtisch functioneel te zijn dient de herhaling ook geperiodiseerd op te treden. De psychologie leert dat periodisering een onmisbare voorwaarde is bij onze waarnemingen. Het absoluut eenmalige is voor ons niet waarneembaar, en evenmin het zich ongedifferentieerd tot in het oneindige herhalende. Klokken en uurwerken (althans de ouderwetse) produceren eindeloze reeksen van herhalingen van steeds hetzelfde tikkende geluid, maar in onze waarneming worden die reeksen gebroken tot elkaar opvolgende periodes die wij als ‘tik-tak’ waarnemen. De lucht om ons heen nemen wij niet waar, behalve in de periodisering van onze ademhaling (‘in-uit’) of in de onregelmatiger periodisering van windvlagen. Periodisering heeft dus te maken met afwisseling,met terugkeer van hetzelfde na het andere, met ritme. De tijd zelf kunnen we alleen beleven als in periodes verdeeld: etmalen, seizoenen en de al veel abstractere periodes van generaties en tijdperken. Theorieën volgens welke de geschiedenis zich in grote periodes van 2000 jaar zou herhalen, zoals opgesteld door Vico, Spengler, Toynbee of Yeats, ja ook een ‘theorie’ als die over het thans aanbrekende ‘Aquarius-tijdperk’, zijn niets anders dan symptomen van onze periodiseringsbehoefte.”

 

 2238429-ada58f8a6c19f437438f1b4f81d44b96.jpg
W.J.M. Bronzwaer (15 mei 1936 – 20 januari 1999)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:41 Reageer op dit bericht

Ida Gerhardt, Jo Gisekin, Karl-Markus Gauß, Gaby Hauptmann, Tor Jonsson, Michael Bass

 

Dolce far niente

 

 2238195-735860568d39f4661139ab77ec9c35ae.jpg
La Mélancolique door Jules Pascin, 1909

 

 

Kwade dagen

Ga niet naar anderen als dat leed u slaat
dat een mens kromt, of als een wig u splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern, waarmee u het bestaat.
En houd uw huis in stand, gelijk altijd.

Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering, te beseffen wat er is.
Straks woedt hún onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar niét gezeggen laat.

Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd,
één die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie ge zijt
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.

 

 2238195-7bb524f6f278f1bbc1d7e05eaba6d41b.jpg
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Gorinchem, de geboorteplaats van Ida Gerhardt

 

 

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Zie ook alle tags voor Jo Gisekin op dit blog.

 

De nacht is veel te groen

De nacht is veel te groen
om krekels van het
blauw te onderscheiden

waar is het licht
dat leeggezogen weiden
uit hun stramme schaduw dwingt?

Je hoort geen stilte
die luider snikt
dan legers meeldraden
- ze vechten voor wat licht –

schrijf met glazen woorden
de scherven op hun dode bloemenmond.

de tijd eet geld met hopen
en af en toe
zich rond.

 

 

Moedervlek

Soms is het kind een wimper in je oog
of noem het maar
een vleselijk schandaal
een slak of een worm je durft het
niet zeggen
de deur staat open

Je schrijft een naam op zijn buik
een landschap met honderd gebaren
want je bent sprakeloos
als vaders met open oren
en naakt als een zeehond
die rilt in zijn huid

Waar komt het buurmeisje vandaan
dat met hoofdletters spreekt
ik zou haar cacao willen geven
en een moestuin met mussen bijvoorbeeld

Je denkt: het is een prins
met wollen wangen
en jurkjes uit valenciennekant
misschien had het geen vader
en opa, dat moet je noteren
al jarenlang weg

dus
zwijg je maar
over zijn oortjes
die lieflijk als zwemvliezen zijn
nagels die je nooit hebt geknipt

toch is het geboren met gembergeel
de moedervlek

 

 2238195-93bcc165b055f12ec130b3ca53c6bd4c.jpg
Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

 

De Oostenrijkse schrijver, essayist en uitgever Karl-Markus Gauß werd geboren op 14 mei 1954 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Karl-Markus Gauß op dit blog.

Uit: Der Alltag der Welt

„Vor jeder der zahllosen Türen blieb ich stehen, auf der Suche nach dem Zimmer mit der Nummer Abt. VII, 1.21, in dem ich mit meiner Unterschrift genehmigen würde, was notfalls auch gegen meinen Willen erzwungen werden könnte, dass nämlich die Oberleitung des städtischen Busses, der durch meine Straße fährt, eine neue Verankerung in der Fassade unseres Wohnhauses erhalte, direkt neben unserem Küchenfenster im zweiten Stock. Kein Mensch war zu sehen, offenbar war der Amtsverkehr mit und ohne Oberleitung erloschen, fast schon, dass ich die Sehnsucht verspürte, einer der Inspektoren oder Adjunkten von früher, wie längst keine mehr existieren, würde aus seinem Zimmer stürmen, mich anherrschen und mit dem mündlichen Bescheid, dass ich schon wieder die Frist übersehen habe, mein Anliegen gebührenpflichtig einzureichen, von der Schwelle scheuchen. Mit der eilfertigen Beflissenheit, mit der ich immer alles richtig zu machen versuche und die alles in allem das ist, was ich in meinem Leben seit jeher falsch mache, schlich ich über den Gang und bemühte mich, so leise wie möglich aufzutreten und einzuatmen. In der vollkommenen Ämterstille aber fehlte etwas, das es vor den zwanzig Jahren, als ich das letzte Mal hier gewesen war, noch gegeben hatte. Erst auf dem Nachhauseweg fiel mir ein, was es war: das Klappern der Schreibmaschinen. Damals hatte es aus allen Zimmern geklappert, selbst durch geschlossene Türen und dicke Wände, die sonst jedes Lebenszeichen verschluckten, war es zu hören gewesen, und dieses Klappern war monoton, aber nicht gleichmäßig und nicht eintönig, denn es kannte Takte, in denen es sich beschleunigte, und Pausen, in denen es abrupt stockte, und je schneller es voranging, umso höher schien die Tonlage zu werden, während die von ungelenker Hand nur sporadisch gesetzten Anschläge bedeutungsschwer tief klangen.Wer damals einen Behördengang zu erledigen hatte, ging wie durch eine vormittägliche Musikschule, in deren Übungsräumen die Schüler an Ersatzklavieren klappernd immer dieselben Etüden spielten. Die Schreibmaschine ist aus den Büros verschwunden, und der Zeitschrift, die ich herausgebe, schicken nur mehr zwei Mitarbeiter ihre Texte nicht als elektronische Dateien, sondern auf dem Postweg als Typoskripte zu, die mit Schreibmaschine verfertigt wurden und die sie mit etlichen handschriftlichen Korrekturen versehen. Größere Passagen korrigieren sie mithilfe jenes weißen Plättchens, das man zwischen Papier und Farbband fixieren musste, damit man die falschen Buchstaben und fehlerhaften Worte wieder entfernen konnte, und ich muss Hermann Schreiber und Hansjörg Graf, die beiden neunzigjährigen Münchener aus Österreich, einmal fragen, woher sie diese Plättchen noch beziehen oder ob sie seinerzeit einfach so viele Tipp-Ex im Voraus gekauft haben, dass es für ihr Leben und viele tausend Manuskriptseiten reichen mag.“

 

 2238195-e6b684d34ede285d35da16101557ea6f.jpg
Karl-Markus Gauß (Salzburg, 14 mei 1954)

 

 

De Duitse schrijfster Gaby Hauptmann werd geboren op 14 mei 1957 in Trossingen. Zie ook alle tags voor Gaby Hauptmann op dit blog.

Uit: Plötzlich Millionärin – nichts wie weg!

„Ich hätte auf meine Vorahnung hören sollen. Wieso habe ich das nicht getan? Ich habe sie beiseite gewischt. Aber hinterher ist man immer schlauer – wer weiß das nicht!
Jetzt sitze ich auf diesem Flughafen, mitten in Afrika, und schüttle nur noch den Kopf: über mich, über das Schicksal, überhaupt darüber, dass die Dinge nie so sind, wie sie scheinen.
Wenn man zu einem Zeitpunkt, da einem das Wasser bis zum Hals steht, im Lotto gewinnt, dann wendet sich doch alles zum Guten. Glaubt man. Ja, eigentlich sollte man das glauben.
Gleichzeitig beginnen aber die Dinge um einen herum, ein dynamisches Eigenleben zu entwickeln. Denn eines ist sicher: Kaum hast du Geld, kommt die Gier der anderen. Und ich habe es nicht bemerkt.
Aber jetzt stecke ich mittendrin und habe Entscheidungen zu treffen, von denen ich vor Kurzem nicht einmal geträumt hätte. Wozu auch. Ich hatte ja kein Geld und war deshalb uninteressant für die meisten Menschen. Jetzt habe ich Geld, und einiges hat sich geändert. Für manche Menschen bin ich jetzt interessant. Sehr interessant.
Vor allem für meine eigene Familie.
Immerhin habe ich nun Zeit zum Nachdenken, denn ich habe meinen Weiterflug verpasst und bin gestrandet. Nachts in Nairobi. Und Hunderte von Fluggästen mit mir, weil unser Flugzeug von Johannesburg Verspätung hatte und der Anschluss nach Bangkok pünktlich war – also weg. Folglich sind wir nun alle hier, hier in Nairobi. Und stehen alle in einer langen Schlange vor einem einzigen Schalter, denn alle müssen übernachten. Das bedeutet, raus aus dem Flughafen. Aber bevor man Kenia betreten darf, braucht man ein Transit-Visa-Tagesticket. Die gelben Formulare sind angesichts der Menge an Menschen aber ausgegangen. Die weißen Formulare sind die falschen. So stehen nun alle in der Schlange und warten. Es sind noch zwei weitere Schalter besetzt: Dort aber steht niemand an, denn zwei Schilder »First Class« und »Diplomaten« zeigen uns, dass wir eben nur einfache Economics sind. Ein Herr mit Aktentasche probiert es trotzdem und wird von einer gähnenden Beamtin zurück in die lange Schlange geschickt.“

 2238195-eb3340b45e737a589c55de203613a45b.jpg
Gaby Hauptmann (Trossingen, 14 mei 1957)
Cover

 

 

De Noorse dichter, schrijver en journalist Tor Jonsson werd geboren op 14 mei 1916 in Lom, Oppland. Zie ook alle tags voor Tor Jonsson op dit blog.

 

I am sorrow and joy

Shape me not anew with shadow.
I wish to be the one I became.
I am sorrow in white clothing,
I am joy dressed in black.

Shape me not anew with joy.
I became who I wished to be:
Ruler of an unknown kingdom,
Slave in my own time.

 

 2238195-000555fa38aa40623effee60a9eeb84e.jpg
Tor Jonsson (14 mei 1916 – 14 januari 1951)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Basse geboren op 14 april 1957 in Bad-Salzuflen / Nordrhein-Westfalen. Zie ook alle tags voor Michael Basse op dit blog.

Uit: Ein einziges lyrisches Missverständnis

„Doch damit sind die Parallelen nahezu erschöpft. Während Borchardt in Lucca mit Vorliebe königliche Hoheiten empfing, avancierte Rapallo unter Pound zum internationalen Treff für Musiker und Komponisten (von Igor Strawinsky bis George Antheil), und Dichter (von W. B. Yeats bis T. S. Eliot). Während Borchardt, der zu Beginn des Ersten Weltkriegs noch vom "Untergang des alten autonomen Europas und seiner kulturellen Übernahme durch das deutsche Imperium" träumte, auch danach noch an der deutschen Mission festhielt und einen aggressiven Chamberlain-Hitler-Pakt gegen Franco favorisierte, schwor Pound - vom ersten Weltkrieg gründlich desillusioniert - allen imperialistischen Visionen ab, mutierte zum Kriegsgegner und Internationalisten und schrieb seinen "Mauberly"-Zyklus. Hitler hielt er von Anfang an für einen "epileptischen Hinterwäldler", während ihm der Duce - wie vielen italophilen Ausländern - der einzige Garant für ein kulturell fortschrittliches Europa zu sein schien. Mit anderen Worten: während Pound selbst noch als angeklagter "Hochverräter" seinen republikanischen Überzeugungen treu blieb und den Faschismus in seiner italienischen Spielart nur insoweit goutiert hatte, als er die res publica "fortschrittlicher" (und das hieß für ihn "gemeinnütziger und friedlicher") organisierte als der wild gewordene Kapitalismus, der zu Weltkrieg und Börsenkrach geführt hatte, huldigte Borchardt unverdrossen einem untergegangenen deutschen Wilhelminismus samt seinen imperialen Ansprüchen. Borchardts überstrapazierter Leitbegriff hieß nicht "Republik" sondern "deutsche Nation", und zwar eine, die im Zweifelsfall über alles ging (also auch über Leichen)."

 

 2238195-863425c02b542b656872fb7145dcc933.jpg
Michael Basse (Bad-Salzuflen, 14 april 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e mei ook mijn blog van 14 mei 2018 en eveneens mijn blog van 14 mei 2017 deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 18:30 Reageer op dit bericht

In Memoriam Leo Herberghs

In Memoriam Leo Herberghs

 

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Herberghs is in de nacht van vrijdag op zaterdag overleden. Hij was 94 jaar. Zie ook alle tags voor Leo Herberghs op dit blog.

 

oude wandelingen

maar de wind is een adelaar
die op ons jaagt, die ons kaal
plukt. we leggen onze snavel
tegen onze borstveren aan

de wind naait met zijn naaigaren
onze ogen dicht. wij draaien
rond een met zilver beslagen
kerktoren die we niet naderen

weggelegd worden we in de laden
van wind en weggedragen
in de diepste aardlagen.
niemand die ons terugvindt

 

 

Portret van een landschap

           

I Bezijden

Waar het licht is, vult het de vlakken, ontvouwt het zijn
zwarten, legt het schaduw op vierkanten, daalt het onder het
vlak: een water misschien dat stil lag.

En het wreedste in de struik, het blijdste, de grond daaronder
angstig. Wat het daar nadert, nadert het langzaam.

Als het nabij is? Waar zal het zich neerleggen? Waarvoor zal
het zich hoeden, waar zal het zich bergen?

Alsof het er niet was. Iemand zag het en toen was het er.
Nooit was het er vroeger geweest. Die het gezien had was
daarna weggegaan, was er daarna niet meer.

Alsof het terug was onder het blauwe, weggenomen was van
het gele.
Alsof het bij sparappels was gaan wonen, bij eikenbladeren,
gegaan was naar het stille van varens, naar kelders, naar zolders.

Dat vlakke was er: een pad.

Alsof het later geworden was, alsof het eerder was begonnen.
Alsof het er vroeger geweest was, ervoor was, erna. Alsof het
daarna op was gehouden, weer was begonnen, schuil was
gegaan.

 

 

VII Afdrift

Aan alle kanten is het zichtbare zichtbaar, trekt zich daarna
terug, wordt kleiner. Zoveel licht: tot aan de verblinding.
Zoveel duisternis: daarin verliest het zich.
Iets wil het kennen voor het nacht wordt. Het schuift door
onder het liggende: of het daarginds is. Achter het water gaat
het: of het omhoog gaat. Wat is hoger dan water? Wat is lager
dan water?
Het staat en is rond. Of is het niet rond en hangt het?
Wat daar omheen is, is het vlakke. Paden zijn er: wat iemand
zich herinnert. Als de smaak van zichtbare druiven.
Kon het maar liggen zoals de akker ligt. Kon het maar ongeoogst
blijven en ongemaaid. Kon het maar troost zijn.

Ontmoet het dit en waar? Staat het bij een boom en wacht
het? Is het bij de bocht met de vis? Staat het stil waar het is? Is
het er als het komt, bij wat daar waait, wat daar aan de zoom
gezien wordt? Even staat het, zoveel wind in zijn afscheid.

Waarom is het hier, rust het hier uit, ligt het zo, wordt het
weggedragen en neergelegd waar iemand het kan zien, waar
het niet meer kan weggaan.

Zover als het te zien is, is het overal, maakt het de wind overal
donker.
Het is ergens en het staat er. Nergens komt het vandaan, nergens
gaat het heen. Nog even is het te zien. En daarna.

 

 2238100-2116c90d60d2000043edecb6cd9c0323.jpg
Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 - 11 mei 2019)

Geschreven door Romenu om 07:48 Reageer op dit bericht

Anna Enquist, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier

 

Dolce far niente

 

 2237971-bb8f52dd92f3f17ca384e8e2b5e3de57.jpg
Ziekenhuistuin in Edam door Max Liebermann, 1904

 

 

Andante

Als de tocht niet meer voert naar de
plaats waar alles weer goed komt,
wat houdt haar gaande? Rood zand
op het fresco verbleekt, troost verkleint
tot een blik, tot een handpalm.
Als niet wanhoop met windkracht tien
in haar rug staat, wat houdt haar in gang?

De straatstenen houden haar gaande
ogen likken de gevels, de keel
is gulzig naar lucht. Haar houdt
in gang het plezierpaard lijf dat
geen halt verstaat. Haar hakken
slaan vuur uit de tegels: Dat zij gaat
houdt haar gaande. Zij gaat.

 

 2237971-49eda4a359f79a136acd39e5df616c5f.jpg
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Anna Enquist

 

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

De paradox van slaap

Die muurschildering, de vogel op hoge stelt,
de twee speren, de bizon, de man met armen
wijd, liggend tegen lucht, zijn pik stijf.

Waar gaat dit naartoe?

Nergens: nacht, land van wat
niet bestaat.

Wat richt die vogel/ziel
op hoge stelt/hakken uit?

Op het tipje van je tong begint de wacht.

Kon je maar als een dolfijn
slapen met een hersenhelft,
rondjes varen met de andere.

 

 

Het temmen

Voor rijst gebeurde het in China,
een zevental millennia geleden.
De dichter zegt: ‘in Middelaarde, toen
de tijd nog niet bestond’. De wetenschapper
maakt koeken en knabbelt.

De afstand vergroot in de vertaling van de ene
algemeenheid naar de andere.

Lege spelletjes, dacht ze, energie uit fotosynthese,
altijd hetzelfde liedje, een extra laag
maar niets dat blijft hangen.

Tan telt niet. Ook Guo-Ping niet.

Glo-Ping?

Ben je grapjes aan het maken?
Want grappig is het niet. Als je zo
blijft doorgaan...

(Hij snapte het.)
(Zowel de dichter als de wetenschapper.)

Tarwe en gerst suggereren: zachtjesaan.

 

 

Heb je het ook gevoeld

Heb je het ook gevoeld
een flurry of beginningen

mission impossible

dat rest wat rest
en blijvend moge blijven
de tot verlangen bekeerde

want o
mijn lieve lijdend

voorwerp van aandacht

het zwijgen in alle vuren
onvermogelijk

heffe zich het glas
je bubbly

mijn elixir

met randy
op het randje

lippen die nodig willen

jij mag kiezen waar.

 

 2237971-98d8ebda93498890038744af7e472509.jpg
Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

 

De Vlaamse dichter Reinout Verbeke werd geboren op 13 mei 1981 in Roeselare. Zie ook alle tags voor Reinout Verbeke op dit blog.

 

Honda asimo

De handleiding zegt dat je humanoid bent
dat je me in bed zult tillen
de deur openmaakt voor
bezoek, mijn zakdoek raapt
me vasthoudt

Volg me langzaam tot op de gang
tot in de eetzaal, tot in de kleine
witte kamer die ik ben

Hou daar pas mee op
tot ik de schroefbladen tussen je schouders
verwar met haar zuchten, de buzzer in je buik
met haar schoot. Spiegel me voor hoe zij was,
hoe zij destijds de deur
mijn zakdoek
mij

Wees, word, herinner me

Kom met je batterijen hart
naast me liggen
dat ik je een paar heel
dierlijke dingen leer
en kir kir kir dat het een lust is

 

 2237971-41fde021abc00aeb93386380f400c50f.jpg
Reinout Verbeke (Roeselare, 13 mei 1981)

 

 

De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook alle tags voor Bruce Chatwin op dit blog.

Uit: The Songlines

“When he did come to town, he worked from a disused newspaper shop-floor where rolls of old newsprint still clogged the presses and his sequences of aerial photos had spread, like a game of dominoes, over the shabby white walls. One sequence showed a three-hundred-mile strip of country running roughly due north. This was the suggested route of a new Alice to Darwin railway. The line, he told me, was going to be the last long stretch of track to be laid in Australia; and its chief engineer, a railway-man of the old school, had announced that it must also be the best. The engineer was close to retiring age and concerned for his posthumous reputation. He was especially concerned to avoid the kind of rumpus that broke out whenever a mining company moved its machinery into Aboriginal land. So, promising not to destroy a single one of their sacred sites, he had asked their representatives to supply him with a survey. Arkady's job was to identify the 'traditional landowners'; to drive them over their old hunting grounds, even if these now belonged to a cattle company; and to get them to reveal which rock or soak or ghost-gum was the work of a Dreamtime hero. He had already mapped the 1 so-mile stretch from Alice to Middle Bore Station. He had a hundred and fifty to go. 'I warned the engineer he was being a bit rash,' he said. 'But that's the way he wanted it.' 'Why rash?' I asked. 'Well, if you look at it their way,' he grinned, 'the whole of bloody Australia's a sacred site.' 'Explain,' I said. He was on the point of explaining when an Aboriginal girl came in with a stack of papers. She was a secretary, a pliant brown girl in a brown knitted dress. She smiled and said, 'Hi, Ark!' but her smile fell away at the sight of a stranger. Arkady lowered his voice. He had warned me earlier how Aboriginals hate to hear white men discussing their 'business'. 'This is a Pom,' he said to the secretary. 'A Porn by the name of Bruce.' The girl giggled, diffidently, dumped the papers on the desk, and dashed for the door. 'Let's go and get a coffee,' he said. So we went to a coffee-shop on Todd Street.”

 

 2237971-fdce25e99b635128f0990b51503d6d90.jpg
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Zie ook alle tags voor Daphne du Maurier op dit blog.

Uit: Jamaica Inn

“They drove along the twisting lane to the farmhouse at the top of the village. A neighbour met them at the gate, her face eager to impart bad news. 'Your mother's worse,' she cried. 'She came out of the door just now, staring like a ghost, and she trembled all over, and fell down in the path. Mrs Hoblyn has gone to her, and Will Searle; they've lifted her inside, poor soul. They say her eyes are shut.' Firmly the doctor pushed the little gaping crowd away from the door. Together he and the man Searle lifted the still figure from the floor and carried her upstairs to the bedroom. `It's a stroke,' said the doctor, 'but she's breathing; her pulse is steady. This is what I've been afraid of — that she'd snap suddenly, like this. Why it's come just now, after all these years, is known only to the Lord and herself. You must prove yourself your parents' child now, Mary, and help her through this. You are the only one who can.' For six long months or more Mary nursed her mother in this her first and last illness, but with all the care she and the doctor gave her it was not the widow's will to recover. She had no wish to fight for her life. It was as though she longed for release, and prayed silently that it would come quickly. She said to Mary, 'I don't want you to struggle as I have done. It's a breaking of the body and of the spirit. There's no call for you to stay on at Helford after I am gone. It's best for you to go to your Aunt Patience up to Bodmin.' There was no use in Mary telling her mother that she would not die. It was fixed there in her mind and there was no fighting it. 'I haven't any wish to leave the farm, mother,' she said. 'I was born here and my father before me, and you were a Helford woman. This is where the Yellans belong to be. I'm not afraid of being poor, and the farm falling away. You worked here for seventeen years alone, so why shouldn't I do the same? I'm strong; I can do the work of a man; you know that.' 'It's no life for a girl,' said her mother. 'I did it all these years because of your father, and because of you. Working for someone keeps a woman calm and contented, but it's another thing when you work for yourself. There's no heart in it then.’
'I'd be no use in a town,' said Mary. 'I've never known anything but this life by the river, and I don't want to. Going into Helston is town enough for me. I'm best here, with the few chickens that's left to us, and the green stuff in the garden, and the old pig, and a bit of a boat on the river. What would I do up to Bodmin with my Aunt Patience?' 'A girl can't live alone, Mary, without she goes queer in the head, or comes to evil. It's either one or the other. Have you forgotten poor Sue, who walked the churchyard at midnight with the full moon, and called upon the lover she had never had? And there was one maid, before you were born, left an orphan at sixteen. She ran away to Falmouth and went with the sailors. 'I'd not rest in my grave, nor your father neither, if we didn't leave you safe. You'll like your Aunt Patience; she was always a great one for games and laughing, with a heart as large as life. You remember when she came here, twelve years back? She had ribbons in her bonnet and a silk petticoat."

 

 2237971-b0f4c4aecb90cd8ab977c285eb8ab789.jpg
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:56 Reageer op dit bericht

Alexander Rybak

De Noorse violist, zanger, componist, acteur en schrijver van Wit-Russische afkomst Alexander Igorjevitsj Rybak werd geboren in Minsk, Sovjet-Unie, op 13 mei 1986. Zijn ouders emigreerden naar Noorwegen toen Rybak vier jaar oud was. Hij speelt sinds zijn vijfde jaar zowel piano als viool. De ouders van Rybak zijn Natalia Rybak-Goerina, een bekende Wit-Russische pianiste en vader Igor Rybak, die een bekende violist is in Noorwegen. Zijn ouders studeerden beiden aan het conservatorium van Minsk, maar kwamen oorspronkelijk beiden uit de stad Vitebsk. Rybak heeft samen met de Israëlische violist Pinchas Zukerman opgetreden. Hij won de Anders Jahre Cultuurprijs in Noorwegen en is concertmeester van een van de grootste symfonische jeugdorkesten in Bergen. In 2005 deed hij mee aan Idols in Noorwegen. In 2007 trad Rybak op als violist in de musical Fiddler on the Roof in het theater van Oslo. In augustus 2009 was hij te zien zijn in de telefilm Yohan - Child Wanderer. De muzikale idolen van Rybak zijn Sting, The Beatles en Mozart. Rybak won het Eurovisiesongfestival 2009 in Moskou met het door hemzelf geschreven en gecomponeerde lied “Fairytale”. Het nummer is geënt op Russische en Noorse folklore en geïnspireerd door de liefde. Rybak won met 387 punten wat op dat moment een record was. Het nummer werd in heel Europa uitgebracht en stond in de Nederlandse Top 40. Een week na zijn overwinning was Rybak te gast in Mooi! Weer de Leeuw. Na het Songfestival verscheen Rybaks eerste album Fairytales, het album bevatte negen nummers en de singles Fairytale, Funny Little World, en Roll With The Wind. Hij ging op promotour voor zijn album onder andere naar Oekraïne, België en Finland. Fairytales, werd meerdere keren platinum in Noorwegen, dubbel platinum in Rusland en goud in Finland. In juli 2010 verscheen het album No Boundaries. De officiële promotie single ervan is Europe Skies. De videoclip speelt zich af op de Krim. In 2011 was Rybak te zien in verschillende tv-shows, zo was hij deelnemer aan de Zweedse versie van Strictly Come Dancing, Let's Dance. Samen met zijn danspartner Malin, bereikte hij de vierde plaats. In de zomer kwam zijn derde album uit: Visa Vid Vindens Änger. Een album volledig in het Zweeds. De melodieën van de nieuwe liedjes werden geschreven door Rybak en de teksten door de Zweedse dichter en componist Mats Paulson. Bij het album verscheen ook de single Resan Till Dig. In 2012 bracht hij zijn nieuwe single Leave Me Alone uit. Het verhaal van de single draait om iets wat hemzelf is overkomen. Hij werd gestalkt door een vrouw en hij wist geen manier om van haar af te komen. Uiteindelijk besloot hij in plaats om naar de politie te gaan, er een liedje over te schrijven. De videoclip werd wederom opgenomen in Kiev. Door promotie van Paul De Leeuw in zijn programma Manneke Paul bij de VTM in Vlaanderen bereikte het liedje een plaats op de Belgische tiplijst. In november van dat jaar kwam zijn vierde album Chirstmas Tales uit. In september 2015 publiceerde hij een half autobiografisch kinderboek: “Trolle en de betoverde viool”.De op dit boek gebaseerde gelijknamige musical zal worden gereleased in november 2019. In 2018 besloot Alexander Rybak zich opnieuw te presenteren op de Melodi Grand Prix met zijn nummer That How You Write a Song. Hij won de Melodi Grand Prix op 10 maart en vertegenwoordigde Noorwegen voor de tweede keer op het Eurovisie Songfestival, na zijn zegevierende deelname in 2009. Rybak werd eerste in de tweede halve. In de finale eindigde hij deze keer op de 15e plaats. Zijn lied was het 1500ste dat ooit op het Eurovisie Songfestival werd uitgevoerd.

Uit: Trolle en de betoverde viool

“Huldermyren was geen plek om vrijwillig naartoe te gaan. Het lag verborgen in de diepten van een donker bos, als een geheimzinnig geheim. Er werd geen levend wezen in de buurt gevonden, slechts een paar dunne bomen op de rand van het moeras. Vaak wervelde een sluier van dichte mist in dit gebied en dan konden figuren worden gezien die tussen de boomstammen bewogen. Er waren nerds, hellen die ooit jong waren geweest en die in de dorpen bij het bos hadden gewoond. Elke keer dat de mist over het moeras zakte, verschenen de lopers. Toen stonden ze op uit de dood om te dansen. Ze bewogen zwijgend, een stille waarschuwing dat er iets engs stond te gebeuren. De huilers wachtten tot hun meester wakker werd uit zijn diepe slaap. En, mijnheer, het was de koning van de Hulder. Hij sliep, goed beschermd door de bomen. Zijn ademhaling was traag. De King of Holder was een lange en donkere figuur en hij had langer geleefd dan iemand zich kon herinneren.

Ja, al honderden jaren waren er legendes over hem verteld. De koning van de houder had onuitsprekelijke dingen gedaan om koning te blijven. Eens in elke tijd werd de Hulk King wakker. En toen waren geen bossen veilig.

Niet ver van de slapende Hulder King, op een grote rots, stond een viool. Het was zijn geheime, magische wapen. Degenen die werden blootgesteld aan de muziek van de viool waren betoverd. De tonen lokten hen steeds verder het bos in, totdat ze in het moeras belandden. Niemand kon het geluid van de kerel weerstaan. Maar zoals bij alle betoverde objecten, was de viool ook grillig. En terwijl de obers wachtten tot de King of the Wakes ontwaakte, begon de viool ongeduldig te worden. Het verlangde ernaar gespeeld te worden.”

 

2266602-db33e1538b36406db76cd8a2ad6473e5.jpg
Alexander Rybak (Minsk, 13 mei 1986)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Moederliefde (Willem M. Roggeman)

 

Bij Moederdag

 

 2237542-8000484b30a06e51287c93f6e1f7cf05.jpg
Moeder en kind door Mary Cassatt, 1903

 

 

Moederliefde

Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een beeld van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste
om even een korte rustpauze te houden.
De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.

Haar gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over haar ogen
een dun laagje vocht ligt en trilt,
nog geen echte tranen, maar toch,
iets als een pril begin van verdriet.

Haar handen liggen in haar schoot,
lichtbruin, als gevallen bladeren,
wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog een kind, leg het hoofd
met de rode schram over de wang
op de harde rondingen van haar knieën.
Jaren later laat zij mij los en leer ik
de eenzaamheid van de volwassenen.

 

 2237542-1ca02a3b7a951805bb239af5492a3eca.jpg
Willem M. Roggeman (Brussel, 9 juli 1935)
De Grand Place in Brussel, de geboortestad van Willem M. Roggeman

 

 

Zie voor de schrijvers van de 12e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:59 Reageer op dit bericht

Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Eva Demski, Willem A. Hecker, Jesse Laport

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Hiernamaals

1
Het hiernamaals is een veel te lang woord
voor wie al dood zijn en doof
voor al te lange woorden.

Daar is slechts het hier en het na wordt
het nu en het maal is wel duizendmaal
ontelbaar levenslang met alle sterren
vermenigvuldigd zoals er een toekomst is
om van te dromen en een die de droom is.

Onder het uitspreken van hiernamaals
kan vele malen worden gestorven,
het klinkt dan ook zacht als het zwijgen
na de laatste ademhaling, zoals welterusten
wanneer je ging uit logeren maar
zonder terug te komen naar huis.

 

2
Zal het hiernamaals onveranderlijk zijn
of verschuiven met de lichtval van één dag,
de invalshoeken prismadiep, telescopisch ver
wanneer er lenzen op versteld worden,
diafragma's aangedraaid
als duimschroeven van het moment?

Het moment ontglipt de kijker, is dunner
dan een duim en sneller dan kleinduimpje
maar op het hemelsbreed hiernamaals hoe in godsnaam
het vooruitzicht zo te verstellen dat het past?


3
Ik stel ons voor
als kronkelende zaadjes
in een behaaglijk natte ruimte
als spermatozoïden onder de microscoop
rondzwemmend

slingerend ons staartje, vinnetje, tentakeltje
rond in dik water,
we zijn de schrijvertjes van Gezelle
maar dan onderwater,

vermaken ons door schuldeloos
om elkaar heen te draaien
bij tijd en wijle glijden we
eventjes tezamen

het is zo nat
zo ontrammelanterig
hierna en zo behaaglijk.

 

4
Van iemand die ik niet kende
heb ik gehoord dat zijn zoon zelfmoord pleegde,
medelijden met vader en zoon gekregen,
naar woorden gezocht om onbestemd
naar hen te verzenden.

Ik hoorde dat de woorden zijn teruggekomen
als holle echo's die de vader slaakt
in zijn slaap die hij 's nachts vermijdt
in de gesmoorde klank van het kussen

en zag dat de woorden holle ogen werden
in de zwarte muur van zijn kleine slaapkamer
die tegen me aan bleven hameren:
wat is leven?

De man die ik niet kende van wie de zoon
die ik evenmin kende zelfmoord pleegde
ben ik nooit helemaal uit het oog verloren.
Soms als er ergens iets ergs gebeurt
huilen we even.

 

 2237534-2e0461fe786bac7ad3848ba097698ae9.jpg
Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjes op dit blog.

 

Een voetreis naar Rome (Fragment)

Calliope, van heldenzangen
de gebiedster, doe uw poëet
naar iets edels en groots verlangen
in 't relaas van zijn lief en leed.
En Urania, van de sterren
de gebiedster, daar steil omhoog,
overkoepel mijn vers van verre
met uw duizendvoudige oog.
Helpt mij deze regels te dichten ;
gunt mij iets van uw heerlijkheid,
mij, de dichter meest van het lichte
genre aan Cupido gewijd,
en van rozen, altijd weer rozen,
en van de dood, die desolaat
door de triestige bladerloze
najaarsplantsoenen zijns weegs gaat.

Want ik wens een lang vers te schrijven,
dat men leest in het avonduur,
om ergens mee bezig te blijven
bij het warm knapperende vuur.
Buiten gaat de herfst al beginnen,
en de regen stort op het groen ;
men neemt dan een boek op daarbinnen,
om maar iets te hebben te doen ;
en men breekt een oud wijnmerk open,
voor de kille dagen bewaard ;
langzaam laat men het glas vollopen ;
dan opent men het boek bedaard.
Voor dat uur heb ik dit geschreven ;
vul het glas, smoor de bruine pijp ;
laat de regen zijn sluiers weven,
want de vrucht van de geest wordt rijp.

 

 2237534-f3b10e6eeb214dc147a9e45d31a28509.gif
Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter, kunsthistoricus en politicus August Vermeylen werd geboren in Brussel, op 12 mei 1872. Zie ook alle tags voor August Vermeylen op dit blog.

Uit: Twee vrienden

“Na het zien van zijn vriend voelt Frans zich vaster. Hij springt in een wagen en rijdt naar huis. Hier is het Sinte-Kathelijneplein, de Graanmarkt, de Hopstraat, hij herkent de winkels... het huis!
Fien, de oude meid, komt opendoen. Hij verbluft ze met zijn luid geroep: ‘Hier ben ik, Fien!’ geeft haar de valies over en loopt recht beneden naar de voorkeuken, waar hij zijn moeder stram van rheumatiek in haar ouden zetel weet zitten. Ze zegt eenvoudig: ‘Frans!’ en haar lippen sidderen, haar bol gezicht naar haar jongen opgeheven als om zijn blik op te drinken. Haar gerimpelde kaken hebben wel iets van een appel waar de winter over gegaan is. Frans wil aan zijn gevoeligheid niet toegeven, hij zal de warme vochtigheid in zijn ogen weerhouden. Zijn moeder, dat simpel, ongeletterd volksmens, dat van hem niets begrijpt, zij is hem toch het liefste, het enige zelfs wat hij buiten Mark bezit. Hij houdt haar soms voor een soort van heilige, - een heilige van den tweeden rang, want te benepen, te uitsluitend lijdzaam, zwijgend onder de dwingelandij van haar man, maar steeds schuchter stralend van zuivere, onbegrensde goedhartigheid.
- Jongen, jongen, zegt zemaar. En daar komt vader Balders de trap afgelopen, schudt Frans een hand, pakt hem bij den schouder. ‘Wel, kerel!...’ En na een poos: ‘Waarom hebt ge niet getelegrafeerd?’
Frans valt het op, dat zijn vader wat ouder geworden is: de fletse wangen doen onaangenaam aan in dien kloek getekenden kop. Hij houdt veel van zijn vader, maar liefst op een afstand, hij heeft te veel voor zijn strengheid gebeefd.
Het noenmaal wordt in de kelderkeuken opgediend; die ziet bovenaan op de straat uit en is de eigenlijke woonkamer; de achterkeuken blijft het gebied van de meid. Deze, een familiestuk, zit naar patriarchaal gebruik mee aan. En dan komt ook, van zijn kantoor in de Congolese Bank, de joviale Jozef, die zich op uitbundige wijze zo verheugd toont, zijn broer Frans terug te zien en hem met vragen overstelpt. Met hem kan er nog gepraat worden: hij is slechts vier jaar ouder dan Frans, leest nu en dan een boek, een roman van Zola bij voorbeeld, en kan ook wel eens een onverantwoord oordeel over buitenlandse politiek inbrengen.
Frans herkent den eigen reuk van het huis, niet te bepalen, en al het van oudsher vertrouwde rondom zich: de potsierlijke bronzen pendule met jager en herderin, op den schoorsteen, tussen de twee bonte porseleinen vazen, het snijwerk van de Mechelse eiken kasten aan weerszijden... Alles getuigt van zulk een onvervalst burgerlijken wansmaak, dat hij er, vergoelijkend, karakter in ontdekt. Hij herinnert zich, hoe hij als kind voor zichzelf historietjes onder de tafel speelde als in een kluis, waar hij zich afgezonderd dacht, en zich schaamde, wanneer een van zijn broers hem daar betrapte. En die zware zetel waar zijn moeder in zit, met een bankje onder haar voeten...”

 

 2237534-887e8d7657a2d8631109a0efd318100c.jpg
August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945)
Twee pagina’s uit Vermeylens verzameld werk

 

 

De Russische dichter Andrej Andreyevich Voznesensky werd geboren in Moskou op 12 mei 1933. Zie ook alle tags voor Andrej Voznesensky op dit blog.

 

The Nose (Fragment)

Gogol, that mystical uneasy soul,
Intuitively sensed their role.

My good friend Buggins got drunk: in his dream
It seemed that, like a church spire
Breaking through washbowls and chandeliers,
Piercing and waking startled ceilings,
Impaling each floor like,
Receipts on a spike,

Higher and higher
rose
his nose.

“What could that mean?” he wondered next morning.
“A warning,” I said, “of doomsday: it looks
As if they were going to check your books.”
On the 30th poor Buggins was haled off to jail.

Why, O Prime Mover of Noses, why
Do our noses grow longer, our lives shorter,
why during the night should these fleshly lumps,
like vampires or suction pumps,
Drain us dry?

They report that Eskimos,
Kiss with their nose.

Among us this has not caught on.

 

 2237534-ce06ea81c5691ded1f2d00c9bbe3e687.jpg
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010)
In 2008

 

 

De Zwitserse dichteres Sabine Imhof werd geboren in Brig in 1976. Zie ook alle tags voor Sabine Imhof op dit blog.

Uit: Eingebettet

„Hotel Seventeen. Und die Blümchentapete passt nicht. Ich bemerke, dass ich nicht mag, wie du sprichst. Eigentlich. Wie du das Satzende immer verschluckst. Du liegst mit offener Hose da. Atmest tief und ruhig, wie es nur jemand kann, an dem Dinge abprallen oder dem Dinge gar nicht erst passieren. Ich wende mich ab und dir den Rücken zu, zähle die Gegenstände auf dem Nachttisch. Eine kleine Schüssel, sechs aufgeweichte Cornflakes, die darin kleben. Ein Löffel. Fünf Postkarten mit fünf Briefmarken, unbeschrieben.
"Fass mich an", sagst du.
"Fass mich an. Hier", und zeigst dabei wohl irgendwohin, ich zähle nochmals die Dinge auf dem Tischchen, weil ich den Faden verloren habe.
"Das ist doch...normal, weisst du."
Ich nicke in mein Kissen, du siehst es nicht. Ich denke darüber nach, wo in dieser Stadt nun Osten ist und wo Westen, und daran, dass ich gerne hier leben möchte. Und dass ich alleine hierher wollte. Aber du bist plötzlich im Flugzeug neben mir gesessen. Und wolltest schmusen; ein junges Paar auf Reisen. Ich wollte dem hübschen Amerikaner links von mir beim Essen zusehen, seinen Händen, wie sie Gabel und Messer hielten. Ich wollte ihn so lange anschauen, bis er mich bemerkt. Du hast meine Schulter in Besitz genommen, mit offenem Mund darauf gedöst, danach war mein Pullover nass. Was träumen Menschen wie du? Menschen, die bestimmt nie einen Herzinfarkt bekommen und mindestens achtzig Jahre alt werden. Das hätte ich gerne gewusst, obwohl es mich nicht wirklich interessierte.
"Fass mich an", hauchst du und fasst mich am Handgelenk. Ich rutsche weiter weg von dir, bin nun bei der Bettkante angelangt, mein Arm reicht aber immer noch bis an deine Haut.“

 

 2237534-3e50aedbeb5c822e764a90c70c6a2eb6.jpg
Sabine Imhof (Brig, 12 mei 1976) 
Brig

 

 

De Engelse schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti werd op 12 mei 1828 inLonden geboren. Zie ook alle tags voor Dante Gabriel Rossetti op dit blog.

 

Sonnet VII: Supreme Surrender

To all the spirits of Love that wander by
Along his love-sown harvest-field of sleep
My lady lies apparent; and the deep
Calls to the deep; and no man sees but I.
The bliss so long afar, at length so nigh,
Rests there attained. Methinks proud Love must weep
When Fate's control doth from his harvest reap
The sacred hour for which the years did sigh.
First touched, the hand now warm around my neck
Taught memory long to mock desire: and lo!
Across my breast the abandoned hair doth flow,
Where one shorn tress long stirred the longing ache:
And next the heart that trembled for its sake
Lies the queen-heart in sovereign overthrow.

 

 

Vox Ecclesiae, Vox Christi

Not 'neath the altar only,—yet, in sooth,
There more than elsewhere,—is the cry, “How long?”
The right sown there hath still borne fruit in wrong—
The wrong waxed fourfold. Thence, (in hate of truth)
O'er weapons blessed for carnage, to fierce youth
From evil age, the word hath hissed along:—
“Ye are the Lord's: go forth, destroy, be strong:
Christ's Church absolves ye from Christ's law of ruth.”
Therefore the wine-cup at the altar is
As Christ's own blood indeed, and as the blood
Of Christ's elect, at divers seasons spilt
On the altar-stone, that to man's church, for this,
Shall prove a stone of stumbling,—whence it stood
To be rent up ere the true Church be built.

 

 2237534-78809797d3b1d0648bc1c94fe9d20fe8.jpg
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
Roman Widow door Dante Gabriel Rossetti, 1874

 

 

De Duitse schrijfster Eva Demski werd geboren op 12 mei 1944 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Eva Demski op dit blog.

Uit: Gartengeschichten

„Sie war eine jener Pessimistinnen, die grade deshalb die schönsten Gärten zustande bringen. Sie zeigen nämlich der verrotteten, dreckigen und kranken Gegenwart, wie sie aussehen könnte, wenn gärtnerische Vernunft regierte. Plato wollte Philosophen als Könige haben, meine Mutter Gärtner. Natürlich keine professionellen, die waren Teil des weltweiten Mörder­ und Vergifterkartells. Es gelangen ihr geniale Kombinationen von Farben und Pflanzen, ich beneidete sie um vieles und konkurrierte niemals – ich mit meinem »Handtuch«. Zu Lebzeiten meines Vaters durfte sie keinen Kitsch aufstellen und hielt sich mit Geschenken an mich schadlos, Steinamphoren und allerlei Terrakotta. Ein abstraktes eisernes Gebilde, das er als Kunstwerk ernster Art in Sichtweite des Hauses auf den Rasen betoniert hatte, bepflanzte sie mit Clematis der Sorte Montana Rubens, ein wunderbares und temperamentvolles Gewächs, unter dem man auch das Frankfurter Polizeipräsi­ dium schnell unsichtbar werden lassen könnte, wenn man nur wollte. In kurzer Zeit war aus dem Kunstwerk eine duftige, aber kompakte Wolke geworden, im April mit Hunderten von vierblättrigen rosa Blüten bedeckt, die sich in kleine gelbe Knöpfe und dann in sehr dekorative weiße Spiralnebelchen verwandelten. Wenn man etwas zu einem schönen Verschwinden bringen will, ist die Montana Rubens allererste Wahl.
Mein Vater hängte trotzig eine verdrehte, bearbeitete und etwa mannshohe Wurzel so hoch an die Hauswand, wie es ging, und sagte, die sei schließlich Natur, irgendwie. Die Favoriten meiner Mutter wechselten. Sie ging mit Pflanzen um wie ein Intendant mit seinen Schauspielern. Wer in einer Spielzeit zu viele Hauptrollen hatte, mußte sich in der nächsten mit Nebenrollen begnügen. Und wie ein Intendant konnte sie sich manchmal nicht entscheiden, wen sie nun mehr liebte: die fulminant auftretenden Feuerwerkstypen, prachtvoll, aber schnell schlapp – zum Beispiel Schwertli­ lien –, oder die verläßlichen Darsteller, von sanfterer, aber haltbarer Schönheit wie manche Polyantharosen, die den ganzen Sommer unermüdlich Blüten nachschieben. Das ist ein verbreitetes gärtnerisches Dilemma. Ich habe eine Freundin, die sich in einer bestimmten Zeitspanne im Monat Mai weder von lukrativen Jobs noch von verheißungsvollen privaten Terminen aus dem Garten lokken läßt, weil sie darauf wartet, daß ihre chinesischen Päonien aufblühen, riesige, zarte Blütenschüsseln, die schon ein Windhauch oder ein kleiner Regenguß zur Strecke bringt. Ihre volle Schönheit haben sie nur für Stunden. Das ganze übrige Jahr machen sie sich mit furchtbar viel Grünzeug wichtig, nehmen eine Menge Platz weg und leben von der Erinnerung. Meine Freundin pflegt einen Regenschirm über sie zu halten, wenn es nötig ist.“

 

 2237534-2baa1abac2fa3556ee45ef6098c4d637.jpg
Eva Demski (Regensburg, 12 mei 1944)

 

 

De Nederlandse dichter Willem Augustus Hecker werd geboren op 12 mei 1817 in Groningen. Zie ook alle tag voor Willem A. Hecker op dit blog.

Uit: HIPPOKREEN-ONTZWAVELING

Zo ontwikkelt in 'tgemoed des dichters, wat er diep
Verholen, onbewust van zijn ontvlamming, sliep;
Zy doet de volle borst tm 't glorierijk ontwaken,
Daar ze als een Etna kookt, een lavagloedstroom braken
Van poëzy, die de aard (een zondvloed) overstroomt !
De roem is 't eelst kleinood, waar elk zich ziek van droomt,
En onvermoeid om draaft en eindloos woelt en wemelt;
Maar 't is de bronwel , die aan 't uitgedroogd verhemelt
Ontsnapt, dat reikhalst naar den laafnisvollen dronk;
Een star is 't. die verschoot, als ze overheerlijk blonk.
Ik moet beroemd zijn!" - waarom niet ? – “ 'k bezit talenten !"
Althands om knollen voor citroenen uit te venten,
»Een ieder koopt mijn waar en 'k ben by elk bekend."
Dat pleit voor 't onverstand van wie die koopt en vent ! –
- Zoo schijnen veel met haar of zy met veel te spelen:
En hoed de Hemel elk in tolk een vloek te deelen,
Die meest (rampzalig!) op 't Poëtenvolkjen drukt,
En vaak 't verbijsterd brein zijn denkenskracht ontrukt;
Die eigen prulwerk, waar de autheur voor diende te ijzen,
Schoon duizendwerf gelaakt, hem eindloos dwingt te prijzen,
En de altoos veile stem eens Letteroefenaars
Of Gids te huren die 't gebrekkig kreupelvaars
Door valsche orakeltaal van windrige Sofisten
De onsterflijkheid (die ze aan klienten slechts verkwisten!)
Verzeekren : — dichter, ras den hemel ingerukt !
Met lijf en ziel ! — maar ach ! door d'overlast gedrukt
Van bondels verzen, moet ge op de aarde kruipen blijven,
Om eindlijk op den stroom der Lethe weg te drijven !
‘t Belachlijk kind des roems kwam in zijn roemzucht om:
Wie versjes rijmel, wees (hy kleer u !) niet zo dom.

 

 2237534-4e853bb3ab3c8859ddb00f6e56251746.jpg
Willem A. Hecker (12 mei 1817 – 15 januari 1909)
Postuum portret in de senaatskamer van de Universiteit van Groningen

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Jesse Laport werd geboren in Arnhem in 1991. Zie ook alle tags voor Jesse Laport op dit blog.

 

Wintertijd

als de dagen korter lijken
houd dan in je achterhoofd
dat de afwezigheid van licht
niet de gids is van je tijd

in de avond
heb je evenveel adem
als toen – wat je gisteren
nog middag hebt genoemd

 

Kind

Hoe lang ben je verliefd?
Hoe lang ben je boos?
In hoeveel staten tegelijk kun je zijn?
En hoe lang duurt de dood?
Hoeveel kun je van iemand houden?
Hoe lang heb je geluk?
Kun je iemands hart doen smelten?
En kan het dan nog stuk?
Hoeveel liefde kun je iemand geven?
En raakt het ook eens op?
En kan het ook gebeuren
dat gevoelens zijn verstopt?

 

 2237534-e447925e55a673a6f26df8e9e6fc4666.jpg
Jesse Laport (Arnhem, 1991)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2018 deel 2 en eveneens deel 3.



Geschreven door Romenu om 10:58 Reageer op dit bericht

Cecilia Quílez, Ida Gerhardt, J. H. Leopold, Sandra Hoffmann, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

2237312-3a4bc1754ff823b3b4aaabb8262c9749.jpg
The hallucinations of poets (dandelion) door Hernan Bas, 2010

 

 

PLASMASCHERM EN VIER GEDICHTEN

          Iemand kwam het witte geheugen binnen
          in de roerloosheid van het hart. Onder de mist zie ik een licht
          en de zachtheid van de dwaling doet me de ogen sluiten
                                                                Antonio Gamoneda

 

Vier gaten van oneindige schittering
houden ons vanuit het halfduister in het oog.
De andere storingen zijn te wijten
aan een plaag van verveelde zeekreeften
die op virtuele hallucinaties van
frontale beelden kauwen.

Een ontwrichte liefde heeft geen plaats
en geen nooduitgangen.
Tijdens de lange trajecten drinken
de lichamen niet horizontaal.
De goede nachten ontsnappen niet
met een automatische kleurenbediening.

Ik verdwijn in de versgravures
ontdaan van witte oden en keer opgesmukt
terug van een verwerpelijke wijsheid
die mijn aandrang om je te blijven
nodig hebben in tweeën hakt.
Later denk ik, zoals altijd,
dat alweer de poëzie ons heeft gered.

 

 

Vertaald door Fa Claes

 

2237312-d459db1f920341477b39ba5574fdcb03.jpg 
Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)
Algeciras, Plaza Alta met de kerk van Onze Lieve Vrouwe van La Palma

 

 

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

Biografisch I

De taal slaapt in een syllabe
en zoekt moedergrond om te aarden.

Vijf jaren is oud genoeg.
Toen mijn vader, die ik het vroeg,

mij zeide: 'dat is een grondel',
- en ik zág hem, zwart in de sloot

legde hij het woord in mij te vondeling,
open en bloot.

Waarvoor ik moest zorgen,
met mijn leven moest borgen:

tot aan mijn dood.

 

Kinderherinnering

Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.

 

 

Verwachting

Weet gij het ook de ganse nacht?
De vogels komen. Aan een geuren
- van wind, van water?- valt te speuren
hoe 't lage land een komst verwacht.

Morgen het teken aan de lucht
- een frons, een lijn, een krimpend wolken-
en dan, bui van geluid, een vlucht
die dalen gaat: de vogelvolken.

En wéér staan in verwondering
wij tussen dit gevleugeld sneeuwen;
morgen- dan zijn wij, lieveling,
het eerste paar van duizend eeuwen.

 

 2237312-6510a0f153002ecc057c32647d75b223.jpg
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Cover voorleesboek

 

 

De Nederlandse dichter en classicus Jan Hendrik Leopold werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 11 mei 1865. Zie ook alle tags voor J. H. Leopold op dit blog.

 

Ik scheidde; onverstand was allerwegen

Ik scheidde; onverstand was allerwegen,
van al mijn parels werd niet één geregen.
De dwazen! honderd dingen, nooit beseft
en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.

 

 

In deze tuin zijn saamgelegd

In deze tuin zijn saamgelegd
geelbruine en witte en zwarte stenen,
gevoegd, gezocht, dat elk wat zegt
met een allengs opkomend menen,

bedoeld door een die niet meer is
de velerlei gevormde vlakken,
en met in de vakken
voorzichtige betekenis,

gebleekten in het aangezicht
der zon, gewassen door de regen,
rillende open plekken tegen
het plat invallend hemellicht,

en stil en toeziend aan de kant
de ceders en de blauwe den,
wistaria’s, de zachte plant
van irisbloemen, die ik ken.

O lief en teder onvermogen
tegen het gruwzaam element,
dat wankels nog iets blijven moge,
en strijd met het geweten end.

 

 

Zingende lucht

ZINGENDE lucht
zingende wind -
en binnen in,
binnen de struiken
ligt uitgegoten
een donkere vijver
en luistert en hoort,
hoort stil verloren
en denkt en peinst...
Want van lente, van lente,
Het zingt al van lente en zonneschijn.

 

 2237312-d1ec2322cd4ec9fc67aef3eb1f647d05.jpg
J. H. Leopold (11 mei 1865 – 21 juni 1925)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster Sandra Hoffmann werd geboren op 11 mei 1967 in Laupheim, Baden-Württemberg. Zie ook alle tags voor Sandra Hoffmann op dit blog.

Uit: Paula

„Schweigen ist anders als still sein. Nirgends, auch nicht, wenn du tief in die Taschen greifst, um die Münze zu finden, die du zwischen den Fingern bewegst, oder ein Stück Papier mit den Notizen vom Einkauf, findet sich darin wirklich Halt. Du hörst von irgendwoher oder aus dir heraus die dunklen Geräusche der Stummheit, die sich gegen dich wenden, du hörst sie als Grollen, als Grummeln, als fortwährendes Gemurre, Gemurmel irgendwo weit entfernt und zugleich nah. Als suchten sich all die ungesprochenen Wörter Wege aus dem stummen Körper heraus und hinein in den Raum, hin zu dir. Sie bringen dich um die Ruhe und sie bringen dich um den Schlaf. Das Schweigen, wenn jemand nahe bei dir lebt und so schweigt, so unerbittlich jedes Wort auffrisst, dass nichts übrig bleibt für dich und für keinen. Das Schweigen am Tisch, wenn die Gabeln und Messer auf Tellern klappern, wenn jemand, nur einer, sagt, kann ich bitte das Salz haben, und jemand reicht es. Und über allem das Schweigen, das dir vorkommt, als verschlinge es dich und all deine guten Sommer und die wenigen guten Winter. So als käme die Fröhlichkeit nie mehr zurück. Und du hörst das Geräusch von Strumpfhosenbeinen unter dem Tisch und wie der Hund am Stuhlbein vorbeistreicht, ein Räuspern und das laute Schlucken beim Wassertrinken, wenn der Halsmuskel spannt. Wenn die Geräusche aus den Körpern sich im Zimmer so ausgebreitet haben, dass da nur noch Dichte ist, Verdichtung nach außen. Dieses Schweigen, das schließlich in jeder Ritze eines Hauses sitzt, das abstrahlt, ausstrahlt, das ein Haus zur Festung macht, kennt nur die Endgültigkeit als Erlösung. Du kannst bleiben und sterben oder gehen. In der Stille aber wäre auch nur ein Traktor, draußen auf der Straße, ein schönes Geräusch, wäre das eine Verheißung, jemand mäht die Wiese zum ersten Mal in diesem Jahr, es ist noch hell. Die Welt wäre wieder da. Helligkeit und Sprache.

Am 10. November 1997 stirbt meine Großmutter Paula im Alter von 82 Jahren. Sie hat nicht über sich gesprochen, bis zum Schluss nicht. Sie hat ihr ganzes Leben, alle ihre Geheimnisse, aber auch alle ihre Nöte mit ins Grab genommen. Wenn ich morgens durch den Park laufe, den See umrunde und höre, wie die Schwäne und Enten schnattern, wenn ich den Mandarinenten zusehe, die wie bunte Punkte zwischen den anderen Enten leuchten, denke ich häufig an meine Großmutter, die seit achtzehn Jahren tot ist, und ich denke an meine Eltern. Ich würde ihnen gerne den Park zeigen, die Hunde, die mir regelmäßig auf meiner Laufstrecke begegnen, die schönen Stellen an den Nebenkanälen des Eisbachs, deren Oberfläche ab und zu eine Weide streift. Die Männer, die vor ihrer Personaltrainerin auf der Erde liegen und anstrengende gymnastische Übungen machen oder gegen kleine Boxsäcke schlagen, die in den Bäumen hängen, wieder und wieder und wieder, damit sie stark werden, für was auch immer.“

 

 2237312-9582edf8f0b881ac661f4c7314f9f77b.jpg

Sandra Hoffmann (Laupheim, 11 mei 1967)
Cover, met op de achtergrond een bundel oude foto’s

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Spaanse dichteres Cecilia Quílez Lucas werd geboren in Algeciras in 1965. Quílez publiceerde tot dusver vier dichtbundels: La posada del dragón (Ed. Huerga & Fierro), Un mal ácido (Ed. Torremozas), El cuarto día ( Calambur) en Visteme de largo (Calambur). Ook heeft zij meegewerkt aan radioprogramma's en heeft talloze tentoonstellingen van schilderkunst en beeldhouwkunst gecoördineerd en geleid. Ze heeft meegewerkt aan verschillende tijdschriften en was betrokken bij een groot aantal poëziehappenings.

 

De jongen van Cosmopolitan

Het is omdat je beeld,
die rustende billen en ellebogen,
de zomer berispt
en daar, tussen je benen
de schuldige zich opricht.
Het is omdat de tarwe
zich verspreidt over het denkbeeldige bed
en de korrels hun goddelijke aanleg vergeten
in de puberale omhulling.
Met rood geverfd haar
hou je onder de
regendruppels dienstvaardig
je ogen voor het objectief.
En ik verlang niet dat jij meijuni van dit blad
dat me aan de dagen herinnert, laat voorbijgaan.
Je hand, zie je wel,
leidt de voyeur af
en dat is omdat in werkelijkheid
een slip vaag zichtbaar is,
doorschijnend nochtans
voor deze wellust.

 

 

De offergave

De beweging van het doodshoofd is voltooid.
De spleet van de oogleden spreekt nodeloos.
Op elke plaats op aarde huilt een meute
en weerstaan moeders die op de grafstenen afwachten.

Op iedere plaats is verleden
en trilt de beslissende zonsondergang.
Hier brandt de eerste kreet
in een roestige woordenkom.

Wij vereren de kwantumsymbolen
op het altaar van de obsessies.
We vernielende heiligdommen en bevrijden de beesten.
We werden gerechtelijk vervolgd
aan de onduidelijke muur van de tijd.

Nu draag je mijn hoofd op het dienblad,
voldoe aan mijn laatste wens:
Het zwaard de zee in.
De zee in.

 

 

Vertaald door Fa Claes

 

 2237312-f55648dc5b82abbce8e695261986e2f5.jpg
Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2018.



Geschreven door Romenu om 10:08 Reageer op dit bericht

Paul van Ostaijen, J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2237192-fb157cba3d4235dd04fbda9c75ba3573.jpg
Sailing Boats, Dieppe Harbor door John Henry Twachtman, 1883 - 1885

 

 

Facture Baroqueaant

Soms
- wanneer de boten van hun zinnen sloegen
aan de immer deinende rotswand
van een reuk die openstaat
op wonderlike dieren
     en planten die
     koortsdoorschoten

tussen de blauwheid van de zee en de blauwheid van de
lucht

slechts zijn een vergelijken -
soms slaat het verlangen der mensen zo hoog uit
dat zij takelen de nederige boot
en ter zee gaan
in de zeilen speelt de wind een waan

     een oude waan
     die over de kim gekelderd lag
     tot de wind de huizen stuk woei
     en uit de scherven walmt de wijn van deze waan
     van deze oude waan
Geen kent het S.O.S.-gesein geenzijds der zinnekim
en dat aan de boôm van onze ziel er sprieten steken
die alleen het trillen vatten
van gene zijde
Soms dringt de drang de droom tot een gestalte
en wordt het lichaam droom

 

 2237192-ee12013393943ee6ebd9cf6d0eb0241f.jpg
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928)
De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, de geboortestad van Paul van Ostaijen

 

 

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

Afscheid

Ieder scheiden is van 't laatste scheiden
voorbode, ieder bed van 't laatste bed.
Alle sterfelijke wegen leiden
naar het eind waarvan geen liefde redt.

In het stedelijk duister van de straten
nemen we afscheid - en het drukt als lood,
kijken om en wuiven, reeds verlaten,
slaan de hoek om, en het is de dood.

 

 

Liefde

Kon ik één gaaf der jeugd terugverkrijgen,
Ik vroeg de makkelijke ontroerbaarheid
Van 't hart, dat nog niet heeft geleerd te zwijgen,
Maar vrijelijk bij den breuk der droomen schreit.

Nu ben ook ik gewend, mij te gewennen;
Ik trek mij allengs in mijzelf terug.
En ach, zelfs die mij beter moesten kennen,
Ik schijn hun wellicht liefdeloos en stug.

Toch ben ik vol verholen teederheden,
Gekneusde liefde, die geen uitweg vond,
Oneindig medelijden met wie leden,
Bewogenheid, die 't zware leven schond.

Alleen wanneer ik neder ben gezeten
In avondeenzaamheid en lampgesuis,
En al wat mij benauwde heb vergeten,
Begint er in mijn hart een zacht geruisch.

Dan wellen in mij nooit-verwonnen drangen,
Dan gaat een stroom van liefde van mij uit,
Die alle menschen in zich houdt omvangen,
Nu zij zich eindlijk niet meer voelt gestuit.

Dan heb ik 't hart weer van mijn jeugd gevonden,
En ben ik warm van innerlijke gloed.
Al wat de wereld in zich houdt gebonden
Dat voer ik de beminden tegemoet.

Dan schijnt het mij, bij 't zien van zóóveel derven,
Van zóóveel vleugels tot geen vlucht ontvouwd,
Dat ik alleen maar door voor hen te sterven
Hun toonen kan, hoeveel ik van hen houd.

Een oogwenk - de bekoring is gebroken,
Ik meng het mijne weer met hun bestaan.
Ik heb hun van mijn liefde niet gesproken,
En dit moet alles langs hen henengaan.

 

 

Enkele strofen

II
In den trein. De tijd vergaat met droomen.
Op de ruitjes wiegelt avondrood.
Als ik bij U ben gekomen,
Ben ik weer wat nader bij mijn dood.

Maar daar zal ik neder zijn gezeten
In verzadigdheid en lampenschijn.
Alles zal ik zijn vergeten
Dan dit eenige: bij U te zijn.

Deze liefde kent geen gaan en keeren,
Kent geen afstand en gewiekten tijd;
De ééne drang van haar begeeren
Is haar hongeren naar eeuwigheid.

O ik kan mijn hart niet doen gelooven
- Hart, dat zich gewende aan elk gemis -
Dat één oogenblik kan dooven
Waar een leven niet te lang voor is.

 

 2237192-d8b4761c0b50914406a1c7e95e4bda89.jpg
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
J.C. Bloem door Titus Leeser, beeld bij de kerk en de begraafplaats van Paasloo

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook alle tags voor Herman Leenders op dit blog.

 

Amatus

Er staat een man aan het raam.
Hij draagt een baard en een das
en kijkt mij indringend aan.
Ik zit verborgen achter spiegelglas.

Hij kamt z'n haar
neemt plaats achter het bureau
als achter een altaar,
zo breed is zijn gebaar.

Hij zit gebogen over het blad
waarvan hij opkijkt zo nu en dan
alsof er woorden staan
op de gevel aan de overkant.

Hij wordt niet gestoord,
zover ik weet
want vaak verlies ik hem uit het oog
voor een vergadering of een telefoon.

Zou hij er zijn als ik er niet ben?
Ik durf het niemand te vragen.
Wat gaat het mij aan?
Waar ben ik mee bezig als hij hier niet werkt

maar toevallig op dezelfde hoogte
dezelfde breedtegraad
aan de andere kant van de straat.
De ramen gaan niet open.

Hij legt de stukken samen,
plooit een handdoek open
haalt een thermos boven
een brooddoos, een banaan.

Hij slaat een kruis
(denkt dat hij alleen is in huis)
en bijt in een boterham
met kaas en sla.

Zijn linkerhand ligt onder de krant
waarin hij leest met het air
van de handelsreiziger in een restaurant.
Zijn rechter schenkt hem koffie in

lauw misschien maar zoet
de melk erin.
Hij is op alles voorzien.
De worst ligt op boterpapier.

Er dalen twee mannen
voor zijn raam
als engelen uit de hemel.
Het is een ander ras.

Zij zemen de ruiten
en laten strepen na op het glas.
Met zijn mond vol eten
zit hij met ze te spreken.

Ik denk dat men
vergeten is dat hij bestaat
of opgesloten zit.
Waarom is het dat hij niet opstaat

niet ongeduldig rammelt aan de deur
of gek wordt en zijn neus
platdrukt tegen het raam?
Ik moet dringend, hij nooit helaas.

 

 2237192-41b18286214230b99c26ff5f1b133262.jpg
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Didi de Paris werd geboren op 10 mei 1957 in Leuven. Zie ook alle tags voor Didi de Paris op dit blog.

Uit: Blake

“Hij kon er mee door. Blake wiste zich het zweet van het voorhoofd. Het begon er op te lijken dat het inmiddels dan toch zomer geworden was. In welk seizoen was hij vertrokken? In welk seizoen zal hij aankomen? Was zijn kleding niet te fleurig voor de tijd van het jaar? Het weder was wisselvallig. De kleding moet synchroon met de seizoenen zijn. Hoe laat is het? Komt het nog wel ooit goed?
Hij vond het park het mooist wanneer het er verlaten bij lag. Op zondag is het hier een drukte van jewelste. Dus klopte er iets niet met de tijd. Of misschien waren er die ochtend ruimtewezens geland en hadden zij in een vlaag van wereldverbeteringswaanzin alle mensen hun auto's gesaboteerd.
Blake fronste de wenkbrauwen toen hij even op een rijtje stelde hoeveel machines een mens nodig heeft voor zijn verzorging. "De machines onze geisha's! 's Avonds in de huiskamer vertelt een machine ons (voor het slapengaan) verhaaltjes met beeldjes, klank en kleur. De mens wordt de slaaf (het huisdier) van de machine-god. En toch: zonder de techniek is er geen verdere evolutie denkbaar. De mens is de enige diersoort die kan nadenken over de eigen evolutie, en die zelfs kan bepalen hoe het verder moet.
Evolutie? Neen, we gaan weer in omgekeerde richting! Een mens en een god, daaruit komt een halfgod tevoorschijn. Na een tijdje zullen de mensen verdwijnen (weer stom worden: teevee-ogen, walkman-oren, de huizen storten in en de mens verliest zijn vuur.). In de plaats daarvan zal de wereld weer bevolkt zijn door een handvol halfgoden. Die zullen uiteindelijk allemaal in ware James Bond stijl hun supersonische straalmotorgordel omsjorren en dan tenslotte en masse - Tsjonge, tsjonge, tsjonge! Wat een scene! - ten hemel opstijgen. Nadat zij de hemelingen, de goden vervoegd hebben, zullen zij hier op aarde chaos achterlaten. De evolutie is haar tijd ver vooruit!"
Alhoewel hij dacht dat het nog maar middag was, was het ondertussen reeds herfst. De nerven van de boomstammen. Het bladerentapijt. Wolkenhemel. Een hertje vlucht weg.
Zijn naam is hem op het lijf geschreven. Heel lang geleden, toen hij nog klein was, dronk hij eens een fles bleekwater leeg, en nog niet zo lang geleden hebben ze zijn maag moeten leegpompen. Hij neemt vaak Rennies. Maar toch voorzichtig. De eeuwige jeugd bereikt men immers door een juist en efficiënt toepassen van de juiste combinatie van multi-vitaminepreparaten, beauty farms, fitnessprogramma's en plastische chirurgie. Haarverf, hairwaving, anti-rimpelcrème, celterapie. Retine-A. Met getrokken degen de tijd tegemoet.”

 

 2237192-3a3b1ca0bd15a7a82c688e5e3e7f4735.jpg
Didi de Paris (Leuven, 10 mei 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 1 en eveneens
deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Willem Wilmink, Jorie Graham, Pieter Boskma, Charles Simic, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 

 2236885-1c1fa2ac583e9f81bcd18d0df9c34d42.jpg
Slapende man met boek door Yehuda Pen

 

 

Een probleem

Vandaag vroeg mijn zoontje
met angstige stem :
'Als iemand dood gaat
wat gebeurt er dan met hem ?'
Nu ken ik wel iemand
die daarover zegt :
'Wie dood is komt in de hemel terecht
dus boven de wolken, dus altijd mooi weer
met een bal in het gras en ijsjes, meneer.'
Maar weer iemand anders vertelde zo waar
'Als je dood bent, dan komt er een tovenaar.
Dan tovert hij aan je en word je een dier
een mus of een tijger, een leeuw of een mier.
Zelf mag je kiezen welk dier je wilt zijn,
een mug of een olifant of een konijn.'
Maar op een morgen ben ik gegaan
naar een man die heel oud was, dus gauw dood zou gaan
'Of ik een dier wordt,' zei deze man
'Of ik in de hemel kom, ik weet er niets van,
maar als ik dood ben is 't eerste wat ik doe
honderd jaar slapen. Want ik ben moe…'

 

 2236885-b2f3c1e34e465d828b6a40c7391926ed.jpg
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
De Grote Kerk in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink

 

 

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

Mother’s Hands Drawing Me

Dying only mother’s hands continue
undying, blading into air,
impersonal, forced, curving it
down — drought incessant rain
revolution and the organs shutting
down but not these extremities,
here since I first opened my first
eyes first day and there they were,
delicate, pointing, will not back off,
cannot be remembered. Mother,
dying — mother not wanting to
die — mother scared awakening
each night thinking she’s dead —
crying out — mother not
remembering who I am as I run
in — who am I — mother we must
take away the phone because who
will you call next — now saying I
dreamt I have to get this dress on, if
I get this dress on I will not die —
mother who cannot get the dress on
because of broken hip and broken
arm and tubes and coils and pan
and everywhere pain, wandering
delirium, in the fetid shadow-
world — geotrauma — trans-
natural — what is this message
you have been scribbling all your
life to me, what is this you drag
again today into non-being. Draw it.
The me who is not here. Who is the
ghost in this room. What am I that
is now drawn. Where are we
heading. Into what do you throw
me with your quick eye — up onto
me then down onto the blank of the
page. You rip the face
off. I see my elbow there where
now you bend it with the pen, you
fill it in, you slough it off me onto
more just-now making of more
future. You look back up, you take
my strangeness from me, you
machine me, you hatch me in. To
make what, mother, here in this
eternity this second this million
years where I watch as each thing is
seen and cancelled-out and re-
produced — multiplying aspects of
light in the morning air — the
fingers dipping frantic into the bag
of pens, pencils, then here they
are — the images — and the hands
move — they are making a
line now, it is our world,
it horizons, we ghost, we sleepwalk,
everything around us is leveled,
canceled, we background, we
are barely remains, we remain, but
for what, the fingers are deepening
curling, bringing it round, the mind
does not — I don’t think — know this
but the fingers, oh, for all my life
scribbling open the unseen,
done with mere things, not
interested in appraisal, just
seizure — what is meant by
seizure — all energy, business-
serious, about direction, tracing
things that dissolve from thingness
into in-betweens — here firm lines,
here powdery lift off — hunger,
fear — the study begins — all is not
lost — the thought a few seconds
wide — the perusal having gone
from here to here, aggregates,
thicket, this spot could be where
we came in, or where we are saved,
could be a mistake, looks across
room through me, me not here
then, me trying to rise in the beam,
nothing I do will make it
happen, rock-face, work that
excludes everything that is not
itself, all urge in the process of
becoming all effect, how can I touch
that hand like snow moving, when
is it time again as here there is no
time, or time has been loaded but
not cocked, so is held in reserve, all
wound up, I was also made but not
like this, I look for reluctance,
expectation, but those are not the
temperatures — if only I could be in
the scene — my time is not
passing — whose is the time that is
passing — the hands rushing across
the paper, cloudy with a sun
outside also rushing scribbling —
wisdom turning itself away from
wisdom to be — what — a thing that
would gold-up but cannot, a patch
of blue outside suddenly like the
cessation of language when lips
cease to move — sun — self-
pronouncing — I want this to not be
my writing of it, want my hands not
to be here also, mingling with hers
who will not take my hand ever into
hers, no matter how late we are, no
matter that we have to run so fast
through all these people and I need
the hand, somewhere a radiant
clearing, are we heading for it, head
down towards the wide page, hand
full of high feeling, cannot tell if it
takes or gives, cannot tell what it is
that is generating the line, it comes
from the long fingers but is not
them, all is being spent, the feeling
that all — all that we need or have —
would be spent for this next thing
this capture, actually loud though
all you can hear is the small
scratching, and I feel dusk
approaching though it is still early
afternoon, just slipping,
no one here to see this but me, told
loud in silence by arcs, contours,
swell of wind, billowing, fluent —
ink chalk charcoal — sweeps, spirals,
the river that goes
nowhere, that has survived the
astonishments and will never
venture close to that heat again, is
cool here, looking up at what,
looking back down, how is it
possible the world still exists, as it
begins to take form there, in the not
being, there is once then there is the
big vocabulary, loosed, like
a jay’s song thrown down when the
bird goes away, cold mornings,
hauling dawn away with it, leaving
grackle and crow in sun — they have
known what to find in the unmade
undrawn unseen unmarked and
dragged it into here — that it be
visible.

 

 2236885-e695dbe993c0405e85c0631212548c74.jpg
Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Pieter Boskma werd geboren in Leeuwarden op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Pieter Boskma op dit blog.

 

Drie liedjes uit het zwarte water

 

(licht lied)

Liefje als het later
aan het zwarte water
onder lichtgeklater
nog als nu als nu kon zijn

Heel ons leven staat er
en alles alles gaat er
in een stille schater
door ons terug in zijn voorbij

Liefje als het later
zoals nu als nu kon zijn:
goud over berg en water
en dat oude goud zijn wij.

 

 

(donker lied)

Maar als het als het later
aan het lange zwarte water
onder duisternisgeklater
een alleen alleenzijn is
En jouw leven staat er
als een schaduw naast en
begint opnieuw te praten
als van onder aarde

Dan zal ook ik ontwaken
in de opgegraven stem
waarmee ik over water
naar je kom toegerend

 

 

Klamme lente

Een boeket violen staat
te zwiepen op de radio.
Ergens in een studio
zweet de dirigent zich dood.

Het is inderdaad een warme dag.
Anderhalf miljoen mussen
vielen van de daken - toch
glimlachen wij welterusten.

Slaap je al? Ik ook niet, nee.
Het is te warm, te warm...
Mijn God wat ben je klam...
Hoe laat? Een uur of twee.

Ook de kikkers raken al
vermoeid na drie keer kwaken.
Hoog in de concertzaal
puffen vaag de sterren

en beginnen zoek te raken.
Het waterig applaus wordt
afgebroken door het nieuws.
Negen Mei en dertig graden,

voorbij flitst het bestaan.
Bekkenslag. Een buiging.
En dan het zachte kraken
van de bevroren nacht.

 

 2236885-0ec5ce4e322b502d93f3b11fa9d4f06c.jpg
Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Simic werd geboren in Belgrado op 9 mei 1938. Zie ook alle tags voor Charles Simic op dit blog.

 

Old Couple

They're waiting to be murdered,
Or evicted. Soon
They expect to have nothing to eat.
In the meantime, they sit.

A violent pain is coming, they think.
It will start in the heart
And climb into the mouth.
They'll be carried off in stretchers, howling.

Tonight they watch the window
Without exchanging a word.
It has rained, and now it looks
Like it's going to snow a little.

I see him get up to lower the shades.
If their window stays dark,
I know his hand has reached hers
Just as she was about to turn on the lights.

 

 

So Early in the Morning

It pains me to see an old woman fret over
A few small coins outside a grocery store -
How swiftly I forget her as my own grief
Finds me again - a friend at death's door
And the memory of the night we spent together.

I had so much love in my heart afterward,
I could have run into the street naked
Confident anyone I met would understand
My madness and my need to tell them
About life being both cruel and beautiful,

But I did not - despite the overwhelming evidence:
A crow bent over a dead squirrel in the road,
The lilac bushes flowering in some yard,
And the sight of a dog free from his chain
Searching through a neighbor's trash can.

 

 2236885-8fdb650e903dd1d099d2c81fc6336e7f.jpg
Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2018 en ook mijn blog van 9 mei 2017 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:17 Reageer op dit bericht

Robert W. Service, Roddy Doyle, Thomas Pynchon, Pat Barker, Gary Snyder, Rocko Schamoni, Gerrit Kamphuis

 

Dolce far niente

 

 2236686-df58d080358b4daca07fb0f007638867.jpg
  Old man door Mark Liptrott, z. j.

 

 

My Rocking-Chair

When I am old and worse for wear
I want to buy a rocking-chair,
And set it on a porch where shine
The stars of morning-glory vine;
With just beyond, a gleam of grass,
A shady street where people pass;
And some who come with time to spare,
To yarn beside my rocking-chair.

Then I will light my corn-cob pipe
And dose and dream and rarely gripe.
My morning paper on my knee
I won't allow to worry me.
For if I know the latest news
Is bad,--to read it I'll refuse,
Since I have always tried to see
The side of life that clicks with glee.

And looking back with days nigh done,
I feel I've had a heap of fun.
Of course I guess that more or less
It's you yourself make happiness
And if your needs are small and few,
Like me you may be happy too:
And end up with a hope, a prayer,
A chuckle in a rocking-chair.

 

 2236686-3f92b39268398b0bd0789bfaa3ee7450.jpg
Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)
St. John's Minster in Preston, Lancashire, de geboorteplaats van Robert W. Service

 

 

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: The Snapper

“–It’s shockin’, said Jimmy Sr again,—so it is. Wha’ do you think o’ this?
He was talking to Veronica.
–I don’t know, said Veronica.
–Is tha’ the best yeh can do, Veronica?
–Well, what do YOU think?
Jimmy Sr creased his face and held it that way for a second.
–I don’t know, he said.—I should give ou’, I suppose. An’ throw a wobbler or somethin’. But—what’s the point?
Veronica nodded. She looked very tired now.
Jimmy Sr continued.
–If she was—
He turned to Sharon.
–You should’ve come to us earlier—before, yeh know—an’ said you were goin’ to get pregnant.
The three of them tried to laugh.
–Then we could’ve done somethin’ abou’ it.—My God, though.
No one said anything. Then Jimmy Sr spoke to Sharon again.
–You’re absolutely sure now? Positive?
–Yeah, I am. I done—
–Did, said Veronica.
–I did the test.
–The test? said Jimmy Sr.—Oh.—Did yeh go in by yourself?
–Yeah, said Sharon.
–Did yeh? Fair play to yeh, said Jimmy Sr.—I’d never’ve thought o’ tha’.
Sharon and Veronica looked at each other, and grinned quickly.
Jimmy Sr got down to business.
–Who was it?
–Wha’?—Oh. I don’t know.
–Ah now, Jaysis—!
–No, I do know.
–Well, then?
–I’m not tellin’.
Jimmy Sr could feel himself getting a bit angry now. That was better."

 

 2236686-fe374130e04b3282a402cabb8f3798c3.jpg
Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon werd op 8 mei 1937 geboren in Glen Cove, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Thomas Pynchon op dit blog.

Uit: V

“Beatrice brought beer. There was a piercing yelp from one of the back tables, she flinched, beer slopped over the edge of the glass. "God," she said, "it's Ploy again." Ploy was now an engine-man on the mine sweeper Impulsive and a scandal the length of East Main. He stood five feet nothing in sea boots and was always picking fights with the biggest people on the ship, knowing they would never take him seriously. Ten months ago (just before he'd transferred off the Scaffold) the Navy had decided to remove all of Ploy's teeth. Incensed, Ploy managed to punch his way through a chief corpsman and two dental officers before it was decided he was in earnest about keeping his teeth. "But think," the officers shouted, trying not to laugh, fending off his tiny fists: "root canal work, gum abscesses...." "No," screamed Ploy.
They finally had to hit him in the bicep with a Pentothal injection. On waking up, Ploy saw apocalypse, screamed lengthy obscenities. For two months he roamed ghastly around the Scaffold, leaping without warning to swing from the overhead like an orangutan, trying to kick officers in the teeth. He would stand on the fantail and harangue whoever would listen, flannelmouthed through aching gums. When his mouth had healed he was presented with a gleaming, regulation set of upper and lower plates. "Oh God," he bawled, and tried to jump over the side. But was restrained by a gargantuan Negro named Dahoud. "Hey there, little fellow," said Dahoud, picking Ploy up by the head and scrutinizing this convulsion of dungarees and despair whose feet thrashed a yard above the deck. "What do you want to go and do that for?" "Man, I want to die, is all," cried Ploy. "Don't you know," said Dahoud, "that life is the most precious possession you have?" "Ho, ho," said Ploy through his tears. "Why?" "Because," said Dahoud, "without it, you'd be dead." "Oh," said Ploy. He thought about this for a week. He calmed down, started to go on liberty again. His transfer to the Impulsive became reality. Soon, after Lights Out, the other snipes began to hear strange grating sounds from the direction of Ploy's rack. This went on for a couple-three weeks until one morning around two somebody turned on the lights in the compartment and there was Ploy, sitting crosslegged on his rack, sharpening his teeth with a small bastard file. Next payday night, Ploy sat at a table in the Sailor's Grave with a bunch of other snipes, quieter than usual. Around eleven, Beatrice swayed by, carrying a tray full of beers. Gleeful, Ploy stuck his head out, opened his jaws wide, and sank his newly filed dentures into the barmaid's right buttock. Beatrice screamed, glasses flew parabolic and glittering, spraying the Sailor's Grave with watery beer. It became Ploy's favorite amusement.”

 

 2236686-1d8b5162e8a361bbbb053957983121aa.jpg
Thomas Pynchon (Glen Cove, 8 mei 1937)

 

 

De Engelse schrijfster Pat Barker werd geboren in Thornaby-on-Tees op 8 mei 1943. Zie ook alle tags voor Pat Barker op dit blog.

Uit: Noonday

“Closing the front door quietly behind her, Elinor took a moment to absorb the silence. Facing her, directly opposite the front door, where nobody could possibly miss it, was a portrait of her brother, Toby, in uniform. It had been painted, from photographs, several years after his death and was frankly not very good. Everybody else seemed to like it, or at least tolerate it, but Elinor thought it was a complete travesty. Item: one standard-issue gallant young officer, Grim Reaper for the use of. There was nothing of Toby there at all. Nigel Featherstone was the artist: and he was very well regarded; you saw his portraits of judges, masters of colleges, politicians and generals everywhere, but she'd never liked his work. Her own portrait of Toby was stronger - not good, she didn't claim that - but certainly better than this. She resented not having been asked to paint this family portrait: his own sister, after all. And every visit to her sister's house began with her standing in front of it. When he was alive, Toby's presence had been the only thing that made weekends with the rest of her family bearable. Now, this portrait - that blank, lifeless face - was a reminder that she was going to have to face them alone.
She caught the creak of a leather armchair from the open door on her left. Oh, well, better get it over with. She went into the room and found Tim, her brother-in-law, sitting by the open window. As soon as he saw her he stood up and let his newspaper slide, sighing, to the floor. `Elinor.' He pecked her proffered cheek. 'Too early for a whisky?' Evidently it wasn't: there was a half-empty glass by his side. She opened her mouth to refuse but he'd already started to pour. 'How was the train?' `Crowded. Late.' 'Aren't they all?' When she'd first met Tim he might've been a neutered tomcat for all the interest he aroused in her. She'd thought him a nonentity, perhaps influenced in that - as in so much else - by Toby, who hadn't liked Tim, or perhaps hadn't found much in him to either like or dislike. And yet Tim had gone on to be a successful man; powerful, even. Something in Whitehall, in the War Office. Which was strange, because he'd never actually seen active service.”

 2236686-2d2a887bc22ec4cc4976d141fbd2da35.jpg
Pat Barker (Thornaby-on-Tees, 8 mei 1943)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

Night Song of the Los Angeles Basin

Owl
calls,
pollen dust blows
Swirl of light strokes writhing
knot-tying light paths,

calligraphy of cars.

Los Angeles basin and hill slopes
Checkered with streetways. Floral loops
Of the freeway express and exchange.

Dragons of light in the dark
sweep going both ways
in the night city belly.
The passage of light end to end and rebound,
—ride drivers all heading somewhere—
etch in their traces to night's eye-mind

calligraphy of cars.

Vole paths. Mouse trails worn in
On meadow grass;
Winding pocket-gopher tunnels,
Marmot lookout rocks.
Houses with green watered gardens
Slip under the ghost of the dry chaparral,

Ghost
shrine to the L. A. River
The jinja that never was there
is there.
Where the river debouches
the place of the moment
of trembling and gathering and giving
so that lizards clap hands there
—just lizards
come pray, saying
"please give us health and long life."

A hawk,
a mouse.

Slash of calligraphy of freeways of cars.

Into the pools of the channelized river
the Goddess in tall rain dress
tosses a handful of meal.

Gold bellies roil
mouth-bubbles, frenzy of feeding,
the common ones, the bright-colored rare ones
show up, they tangle and tumble,
godlings ride by in Rolls Royce
wide-eyed in brokers' halls
lifted in hotels
being presented to, platters
of tidbit and wine,
snatch of fame,

churn and roil,

meal gone the water subsides.

A mouse,
a hawk.

The calligraphy of lights on the night
freeways of Los Angeles

will long be remembered.

Owl
calls;
late-rising moon.

 

 

Changing Diapers

How intelligent he looks!
on his back
both feet caught in my one hand
his glance set sideways,
on a giant poster of Geronimo
with a Sharp's repeating rifle by his knee.

I open, wipe, he doesn't even notice
nor do I.
Baby legs and knees
toes like little peas
little wrinkles, good-to-eat,
eyes bright, shiny ears
chest swelling drawing air,

No trouble, friend,
you and me and Geronimo
are men.

 

 2236686-83654369715703cde991a77a28dd9f18.jpg
Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

 

De Duitse schrijver, entertainer, muzikant, acteur en clubeigenaar Rocko Schamoni (pseudoniem van Tobias Albrecht) werd geboren op 8 mei 1966 in Lütjenburg. Zie ook alle tags voor Rocko Schamoni op dit blog.

Uit: Fünf Löcher Im Himmel

„Ab und zu blieb er stehen, um die Hand am Koffergriff zu wechseln. Er bog in eine Seitengasse ein, lief sie hinunter, beobachtete schweigend die Häuser und Wohnungen, an denen er vorbeikam, die Kneipen und Läden und die überall geparkten Autos. Sein Gesichtsausdruck blieb regungslos. Straße für Straße lief er hinunter und Viertel für Viertel, manchmal setzte er sich für einen Moment auf eine Bank oder eine Mauer, rauchte eine Zigarette und starrte dabei in das Nichts zwischen den Sternen.
Schließlich, nach Stunden, erreichte er den Stadtrand. Die Häuser wurden flacher, es gab kaum noch Geschäfte und Kneipen, nur noch endlose Wohnsiedlungen, von kleinen Straßen und Wegen durchzogen, ab und zu einen Zeitungskiosk, die Außenhaut eines gigantischen Organismus.
Paul kam zu einer Schrebergartensiedlung. Die Nacht war halb vorüber, und es hatte zu nieseln begonnen, langsam zog die feuchte Kälte in seine Kleidung. Er fand eine Hütte, die verlassen aussah, die Parzelle war verwildert, die Gartenpforte hing schief in den Angeln. Vorsichtig betrat er das Grundstück, das von einer hohen Buchsbaumhecke umgeben war, und arbeitete sich zur Eingangstür der Hütte vor. Sie war verschlossen. Paul lehnte sich langsam, aber mit dem ganzen Gewicht seines Körpers dagegen und hielt den Griff gedrückt, irgendwann hörte er ein knackendes Geräusch, das morsche Holz des Türrahmens gab nach, und Paul trat ein. Er leuchtete mit dem Feuerzeug in den Raum. Vor ihm lag ein ziemlich verwahrlostes, kleines, aber komplett eingerichtetes Zimmer. Er schloss die Tür hinter sich und zündete die Kerze an, die auf einem Campingtisch in der Mitte des Raumes stand. Er setzte sich auf das Sofa dahinter und atmete tief durch. Eine Weile beobachtete er den Dunst, den seine Atemluft in der Kälte bildete, dann schlief er ein, und sein Kopf sank auf die Brust.
Ein Knurren weckte Paul. Er schlug die Augen auf. Ein paar Sonnenstrahlen schienen ihm durch das verstaubte Wohnzimmerfenster ins Gesicht. Es knurrte wieder, hell und unangenehm rasselnd. Langsam griff Paul nach dem Messer in seiner Manteltasche, er öffnete die Klinge mit dem Daumen und zog es vorsichtig heraus. Dann beugte er sich vor, um den Raum überblicken zu können. In der Ecke neben dem Kühlschrank hockte ein Tier, er konnte es im Schatten kaum erkennen, vielleicht ein Marder. Langsam erhob sich Paul und griff dabei mit der anderen Hand nach einem schweren gläsernen Aschenbecher vor ihm auf dem Tisch. Der Marder knurrte, bewegte seinen Kopf drohend vor und zurück. Je näher Paul kam, desto nervöser wurde das Tier, langsam hob er die Hand mit dem Aschenbecher, doch plötzlich brach der Marder fauchend aus der Ecke hervor, sprang blitzschnell an ihm hinauf, biss wütend in den Mantel und stürzte quiekend durch den Raum und unter das Sofa. Nervöses Geraschel war zu hören, dann herrschte für einige Sekun-den absolute Ruhe. Vorsichtig hob Paul mit der linken Hand das Sofa an, in der anderen hielt er den Aschenbecher. Aber der Marder war verschwunden. Paul durchsuchte die Schränke nach etwas Essbarem, er fand ein paar alte Teebeutel und zwei abgelaufene Konservendosen mit Erbsensuppe, die er sich auf dem Herd aufwärmte. Er sah sich ein bisschen um, entdeckte eine elektrische Heizung und drehte sie auf.“

 

 2236686-3ad1bbbc5fb59cb165aefbafa241cf6e.jpg
Rocko Schamoni (Lütjenburg, 8 mei 1966)

 

 

De Nederlandse dichter en essayist Gerrit Kamphuis werd geboren in Zwolle op 8 mei 1906. Zie ook alle tags voor Gerrit Kamphuis op dit blog.

 

Veronica's Doek

Dit hoofd. bloedrig bezweet en vuil,
de starend-groote schrik der oogen
en stekels scheurend in het hooge
Voorhoofd, verminkt door schram en buil.
Geen deernis en geen mededoogen,
afschuw van zooveel walglijk leed
Is in het neerslaan onzer oogen.

Maar God, waarom voor hem zoo wreed,
terwijl met ons Gij waart bewogen?

Doch geen, die uw geheimen weet
dan dat: Gij zijt met ons bewogen.

 

 

Twee vrienden

Het luide licht zweeg tot een schaduw grijs
En loom. De avond hief de donkre hulling
Van zijn mantel. En traag werd de vervulling
Der dingen stil, en 't zong een zachte wijs.

Wij gingen eenzaam langs het duistre water
En dachten ieder aan het leven om ons heen
En in ons hart; en elk wist zich alleen -
Toen hebben wij gesproken over nu en later.

Maar 't was vergeefs; het somberdreigend duister
Kon nimmer aan ons moede hart ontgaan -
Later, in een spiegel, zag elk 't ontdaan
Gelaat en hoorde zijn vervreemd gefluister.

 

2236686-5fe444ed6d4893e59037f15e3ec33e37.JPG 
Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 – 25 april 1998)
Midden jaren 1920

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:38 Reageer op dit bericht

Marjolijn van Heemstra, Willem Elsschot, Almudena Grandes, Robert Browning

 

Dolce far niente

 

2236417-dd5baa2f46ff4a00293090642be44a22.jpg 
Slaaploze nacht door Nikolaj Romadin, z.j.

 

 

Slaapdagboek

Slaapadvies 1 tot en met 5:
Verwijder wekkers.
Maak de avond rond en elke handeling een bocht op weg naar slaap.
Creëer gewoontes, simpel als een glas water.
Draag een pyjama om het lijf te overtuigen van de nacht.
Denk als je wakker ligt niet: ik lig wakker. Denk: ik lig en dat is het begin van slapen.

Maar dit begin ligt gekanteld, vier poten en de blik omhoog, als een schaap niet in staat zichzelf te draaien. De nacht heeft in- en uitgeademd, op de wekker die ik wegdeed hebben de wijzers zestiggraden afgelegd, gradaties donker trokken door de kamer tot nu, de meest doorlaatbare, nautische schemer: al urenlang verandert alles, maar niet dit begin — of hoe moet ik het noemen? Een zeef tussen binnen en buiten. Het wiegen van een tak in en uit de schaduw. Dit schommelend in tweeën liggen: half verdwenen, half aanwezig.

Slaapadvies 6: De pijnappelklier, de pit in de hersens die donker meet en doet versuffen kan gebaat zijn met een dosis extra melatonine.

In afwachting van de werking google ik de klier, de pit. De zetel van de ziel, schrijft Descartes, ter grootte van een erwt. Een kogelrond vissenoog dat open en glazig mijn brein verkent; schaamte, klein conflict, wie te bellen, wat te zeggen, wat recht moet, ongedaan gemaakt, het overzichtelijk leed dat leven heet en zich 's nachts tot rozenkrans rijgt. Het oog schiet erlangs, kraal voor kraal, razendsnel, een waanzinnige erwt, een neurotische non in gebed. Als dit een zetel is, dan een wankele, mijn ziel tot wandelen gedoemd.

Slaapadvies 7: Een bed is groter dan een bed. Het is het hele huis dat je toedekt, inclusief zijn mensen. Ken het ritme van wie naast je ligt.

Maar ik vind geen ritme of het moet het ritme zijn van een ruïne, een langzaam overwoekerd worden. Van zijn lichaam losgeknoopt ligt wie naast mij ligt geduldig te vergaan tot open plek. Wie weet waar hij nu wakker is, met wie zijn geest versmelt. In zijn adem hoor ik geroezemoes van nachtelijk bezoek terwijl ik gesloten op de veren lig.

Slaapadvies 8 tot en met 31:
Vermijd licht. Verduister. Oefen.
Eet bananen. Eet geen fruit.
Zoek het licht op. Drink warme melk.
Kies een houding waarin slaap je overvalt.
Sta op. Val af. Open ramen.
Trek sokken aan. Sokken uit. Vermijd melk. Adem. Handen naast je.
Pieker niet. Lees. Wandel. Lig stil.
Praat. Tel. Vergeet.
Onthaal de slaap.

Achter me een trage voetstap, een paard, in het laatste donker opgedoemd, dat mij volgt, het hoofd een zware engel in mijn nek. Ik verberg me in de manen, val uit mijn wervels, gered. Ik aai, klop, juich maar vergeet het paard te voeren, het loopt doodkalm van mij weg.

Slaapadvies 32:
Becijfer, om grip te krijgen, je slaap van een tot tien.
De laatste tram.
Een dronken galm.
De hese stem van het meisje bij de buren op tv.
Negen, acht.
Het rolluik van de avondwinkel. Zeven.
Laag voor laag afgepeld. Zes, vijf vier, tot dit bangste dier

 

 2236417-1e36bc92c21e6de5b98c421937d53a12.jpg
Marjolijn van Heemstra (Amsterdam, 10 februari 1981)
Amsterdam bij nacht

 

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

'Pension de famille de premier ord re' was wel een beetje overdreven. Wat het ‘confort moderne' betreft, dat bestond voornamelijk hierin, dat men dadelijk een huissleutel kreeg en dus ook bij nacht vrij gaan en komen kon zonder iemand te moeten opbellen. Elektrische verlichting en een badgelegenheid daarentegen, hield men er niet op na. Werd er al eens naar gevraagd door een nieuweling die zich na een week of zo onrein begon te gevoelen, of door een die er alles van weten wilde voor hij begon, dan maakte madame Brulot hem duidelijk dat zij van beide nieuwigheden afgezien had wegens het daaraan verbonden gevaar. Het afbranden van de Bazar de la Charité, waarbij een paar honderd mensen het leven verloren, was volgens madame Brulot veroorzaakt door kortsluiting in de elektrische geleiding, en schuin over de Villa was er eens een deurwaarder van nog geen veertig jaar in zijn bad gestikt, zonder dat de buren ook maar één kreet vernomen hadden. Door `déjeuners et diners au cachet' werd bedoeld dat men ook 's middags of 's avonds kon komen eten zonder dat men in de Villa zijn intrek behoefde te nemen, waardoor het aantal monden nogal afwisselde. Het 'English spoken' dagtekende uit een tijd toen er onder de kostgangers der Villa een heer was, die in Londen had gewoond en daarom opsneed met zijn Engels. Nog steeds kende madame Brulot een woord of vijf zoals yes, no, money, room en dinner. Laat ons Caesar geven wat hem toekomt. Het dient ter ere van madame Brulot gezegd dat het eten, een paar artikelen van ondergeschikt belang en dan die eieren terzijde gelaten. heus zo slecht niet was. De grondstoffen kocht zij in eigen persoon en het toebereiden ervan werd overgelaten aan de zorgen van een keukenmeid. bijgestaan door een kamermeisje, dat gewoonlijk ook net iets van koken afwist. De spijzen. althans die welke genuttigd werden op de twee grote gemeenschappelijke maaltijden. welke respectievelijk 's middags om twaalf en ’s avoinds om zeven uur aanvingen, waren voor alle kostgangers dezelfde. Maar toch werden zeer uiteenlopende prijzen betaald. Hierop hadden verscheidene factoren een meer of minder overwegende invloed, en wel in de eerste plaats de grootte, ligging en meubilering der kamer welke men betrok, de hoeveelheid voedsel welke men gebruikte, de financiele reputatie van het land waar men vandaan kwam (Amerikanen bijvoorbeeld betaalden in de regel meer dan Polen of Armeniers) eindelijk de gezondheid en de ouderdom der kostgangers in verband met de meer of mindere last door ieder van hen veroorzaakt. Men werd dan ook nooit anders dan op proef aangenomen, hetzij voor een week, hetzij voor een maand, al naar gelang van de indruk die men hij het eerste onderhoud op madame Brulot maakte, waarbij ook rekening gehouden werd met het gewicht en de kubiekinhoud van het meegebrachte reisgoed. Dit laatste was echter hij de beoordeling gaandeweg minder overwegend geworden, sedert madame Brulot allertreurigste ondervindingen opgedaan had met een paar reusachtige koffers. Madame Brulot beoordeelde haar nieuwelingen nog dikwijls zeer verkeerd, al had zij tijd genoeg gehad om zich in de loop der jaren te volmaken in een studie, welke toch rechtstreeks tot haar vak behoorde. Zo kon zij zich niet geheel losmaken van het vooroordeel, dat dikke mensen altijd veel en magere gewoonlijk weinig spijs en drank gebruiken, zonder te bedenken dat zwaarlijvigen dikwijls matigheid moeten betrachten, terwijl magere kerels vaak met een lintworm rondlopen, wat natuurlijk een ramp is voor een kosthuis.”

 

 2236417-3a7d3c3e7d5bdb9a7f9d908abda0d090.jpg
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 
Cover DVD

 

 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Dat was waar, maar ook niet waar. Ze was geboren aan zee, in een buurtschapje van vissers, zo dicht bij Almería dat het haast een buitenwijk van de stad leek. Daar was het nooit koud. Dat wist ik omdat haar jongste zus begin maart was getrouwd en ons had uitgenodigd voor de trouwerij. Aanvankelijk had het bericht weinig indruk op mij gemaakt, want we hadden wel vaker dergelijke uitnodigingen gekregen en daar was nooit iets mee gebeurd, maar die keer was anders dan anders. Ten eerste omdat mijn moeder had besloten ernaartoe te gaan, om weer terug te gaan naar haar dorp waar ze meer dan tien jaar niet was geweest. En ook omdat ze had besloten ons mee te nemen. In 1947 was die reis een enorme gebeurtenis voor elke familie in de Sierra Sur.
‘En waarom gaat papa niet mee?’ durfde ik te vragen toen we al in de streekbus zaten die ons van Fuensanta naar Martos zou brengen, terwijl ik door het raampje naar hem keek en zag hoe hij ons op de stoep stond uit te zwaaien.
‘Daarom niet.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat hij niet kan.’
‘Moet hij werken?’
‘Ja, natuurlijk.’
Die ochtend was mijn dorp ontwaakt onder een dun laagje sneeuw. In Martos was de sneeuw niet blijven liggen, maar het was er wel heel koud. Dat weet ik nog, omdat de bus ons met ruim twintig minuten vertraging afzette bij het station en we naar de trein moesten rennen, maar ondanks het geren, het gezweet en het gedoe met de koffers met de cadeaus voor de bruid en haar familie kregen we het maar niet warm.
Moeder dreef ons voort als een stel schapen, terwijl ze met een getypt vel papier in haar hand door de gangpaden liep, op zoek naar de twee leden van de Guardia Civil die meereisden in de trein. Ik zat voor het eerst zonder mijn vader in een trein, en hoewel ik probeerde net te doen of alles heel gewoon was omdat ik, doordat hij niet meeging, de enige man van de familie was, was ik voor alles bang. Als hij erbij was, was het anders. Als hij vooropging in zijn uniform, met zijn driekante steek en zijn dienstwapen, gingen de reizigers voor ons opzij, en in plaats van ons naar onze kaartjes te vragen, haastten de conducteurs zich om zo nodig iemand op te laten staan zodat we allemaal bij elkaar konden zitten, maar deze keer ging mijn vader niet mee, en ik vertrouwde niet helemaal op de twee getypte vellen papier die hij ons in een envelop had meegegeven toen hij bij het portier van de streekbus afscheid van ons nam.”

 

 2236417-3008e11c54a3f277d1da89025be00cf2.jpg
Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

 

VIII
So, quiet as despair, I turn’d from him,
That hateful cripple, out of his highway
Into the path the pointed. All the day
Had been a dreary one at best, and dim
Was settling to its close, yet shot one grim
Red leer to see the plain catch its estray.

IX
For mark! no sooner was I fairly found
Pledged to the plain, after a pace or two,
Than, pausing to throw backward a last view
O’er the safe road, ’t was gone; gray plain all round:
Nothing but plain to the horizon’s bound.
I might go on; nought else remain’d to do.

X
So, on I went. I think I never saw
Such starv’d ignoble nature; nothing throve:
For flowers—as well expect a cedar grove!
But cockle, spurge, according to their law
Might propagate their kind, with none to awe,
You ’d think; a burr had been a treasure trove.

XI
No! penury, inertness and grimace,
In the strange sort, were the land’s portion. “See
Or shut your eyes,” said Nature peevishly,
“It nothing skills: I cannot help my case:
’T is the Last Judgment’s fire must cure this place,
Calcine its clods and set my prisoners free.”

 

 2236417-9b67a3584ec7ddcfb794e73bf2b9b3a1.jpg
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)
Portret door Pen Browning, 1882

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:35 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten