Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jozef Deleu, Jean Pierre Rawie, Steven Erickson, Arto Paasilinna

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)








De Nederlands dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook mijn blog van 20 april 2007.

 

 

Ineengebroken

IV

 

Alleen God weet waarom ik bij je kwam,
Ik wist slechts dat ik niet kwam om te rusten,
Dat je mijn hart ziek en rumoerig kustte,
Dat onze nacht brandde als een zwarte vlam.

Wij, die boven de stad te dansen dorsten
Het licht langs, dat van niets naar niets steeds stijgt,
Vielen terug in 't donker onzer borsten,
Waar voortaan één hart, schaduw-zalig, zwijgt.

Zoo lagen we in den laatsten dageraad,
Hand in hand, glimlachend tegen de zon
Die door 't raam inkeek als een groot gelaat -

En 'k voelde tranen in mijn ogen springen
En hoorde mij, toen 't carillon begon -
Met vreemde stem een kinder-liedje zingen.

 

 

 

 

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water opde koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

 

 

 

 

Het souper

't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.

Als water woelden in den nacht de landen
Onder het huis; wij voelden hoe een groot
Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de
Vaart van den tijd ons droegen naar den dood.

Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:
Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid
Dieper weerkaatst in de oogen van een ander --

Maar als de winden langs de daken huilen,
Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit,
Lach en stoot glazen stuk tegen elkander.

 

 

 

 

 

 

De Nederlands schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer werd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook mijn blog van 20 april 2007.

 

Uit: Ik Jan Cremer

 

“Ook ben ik een keer in slaap gevallen onder de preek. Want dat is ook de grootste flauwekul: je mag niks terugzeggen als zo’n priester tegen je schreeuwt: Gij zondaar, Gij zult branden op de Dag des Oordeels, want zeide niet Matthias toen m’n hem vroeg Zult Gij mij aan het kruis slaan? Voor den haan drie keer zijnen kraai heeft laten horen zal er een Zondvloed den aarde teisteren, waarop Petrus zijn Staf veranderde in een slang en de zwarte pest over Nazareth kwam tot het fiks begon te regenen waardoor een zondvloed (Den Fonck sloeg in Zeijn Kruys toen Hij Haer Voorbeij zag gaen) over de aarde kwam en er een zekere Noach, die wist waar ie de mosterd moest halen een bootje getimmerd had waardoor ie kon ontkomen (Noach wordt altijd ten onrechte voorgesteld als een groot dierenvriend. In feite heeft hij al dat vee meegenomen als proviand. Kon hij weten dat die regen zo gauw ophield?) Dat en al deze dingen zegt zo’n priester dan, hij wijst beschuldigend met de vinger naar je en roept: ‘Zondaar, sta op!’ wat moet je dan doen? Als je gaat staan wordt je door je buurman weer achterover getrokken: als je blijft zitten ben je een ‘vuile Farizeeër.’ Dus ga ik maar pitten.”

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jozef Hugo Maria Deleu werd geboren in Roeselare op 20 april 1937. Zie ook mijn blog van 20 april 2007.

 

 

DE LANGZAME DOOD

Wie langzaam sterft
sterft meer dan duizend doden.

Van kindsbeen
hoort hij in 't hoogseizoen
van gaan en komen
de voortgang van de nietigheid.

Wie langzaam sterft
is levenslang in stervensnood.

 

 

 

 

Raam

Er zou een wereldkampioenschap moeten
zijn: om ter meest bewuste

nu's in een vandaag, momenten die
er werkelijk toe – meetbaar met

elektroden op de hoofdhuid. En de winnaar wint
één minuut

gedurende de welke iedereen – behalve hij -
in comateuze slaap

één minuut bijvoorbeeld voor een raam staan
wetend: wereldwijd ben ik de allerenige die

voor een raam nu, één minuut alleenrecht over
heden

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Jean Pierre Rawie werd geboren op 20 april 1951 in Scheveningen. Zie ook mijn blog van 20 april 2007.

 

Bevlogen

 

Ik weet niet zeker of het zwanen waren,

een najaarsnanacht dat hun vleugelslag

in duizendvoud over het huis heen lag,

om pas tegen het daglicht te bedaren.

 

De hele dag liep ik als uitverkoren,

of ik door engelen was aangeraakt.

Maar hoeveel lege nachten zijn doorwaakt

waarin sindsdien geen wiekslag viel te horen?

 

Nu moet ik mij weer met de zon verzoenen

en, nooit meer zo bevlogen, wennen aan

het wassen en het slinken van de maan,

het komen en het gaan van de seizoenen.

 

 

 

No Second Troy

 

Ik heb een vrouw bemind, die best

een tweede Troje zou verdienen,

en die door drank en heroïne

onder mijn ogen werd verpest.

 

Tot ziekbed kromp het liefdesnest,

en ik zou zachtjes willen grienen,

omdat alleen dit clandestiene

sonnetje van ons tweeën rest.

 

Zo'n veertien regeltjes waarmee je

een tipje van de sluier licht,

wat zout om in de wond te wrijven.

 

Wat zijn dat toch voor waanideeën,

dat je, verdomd, in een gedicht

'de dingen van je af kunt schrijven'?

 

 

 

 

Vervulling

 

Nu zelfs mijn natste jongensdromen

zo stuk voor stuk zijn uitgekomen,

besef ik hoe genadeloos

het leven mij heeft beetgenomen.

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, essayist en criticus Steven Michael Erickson werd geboren op 20 april 1950 in Los Angeles. Zie ook mijn blog van 20 april 2007.

 

Uit: Zeroville

 

„On Vikar's shaved head is tattooed the right and left lobes of his brain. One lobe is occupied by an extreme close-up of Elizabeth Taylor and the other by Montgomery Clift, their faces barely apart, lips barely apart, in each other's arms on a terrace, the two most beautiful people in the history of the movies, she the female version of him, and he the male version of her.


2.

This is the summer of 1969, two days after Vikar's twenty-fourth birthday, when everyone's hair is long and no one shaves his head unless he's a Buddhist monk, and no one has tattoos unless he's a biker or in a circus.

He's been in Los Angeles an hour. He's just gotten off a six-day bus trip from Philadelphia, riding day and night, and eating a French dip sandwich at Philippe's a few blocks up from Olvera Street, the oldest road in the city.


3.

There in Philippe's, a hippie nods at Vikar's head and says, "Dig it, man. My favorite movie."

Vikar nods. "I believe it's a very good movie."

"Love that scene at the end, man. There at the Planetarium."

Vikar stands and in one motion brings the food tray flying up, roast beef and au jus spraying the restaurant—

—and brings the tray crashing down on the blasphemer across the table from him. He manages to catch the napkin floating down like a parachute, in time to wipe his mouth.

Oh, mother, he thinks. "A Place in the Sun, George Stevens," he says to the fallen man, pointing at his own head, "NOT Rebel Without a Cause," and strides out.


4.

Tattooed under Vikar's left eye is a red teardrop.


5.

Is it possible he's traveled three thousand miles to the Movie Capital of the World only to find people who don't know the difference between Montgomery Clift and James Dean, who don't know the difference between Elizabeth Taylor and Natalie Wood? A few blocks north of Philippe's, the city starts to run out and Vikar turns back. He asks a girl with straight blond hair in a diaphanous granny dress where Hollywood is. Soon he notices that all the girls in Los Angeles have straight blond hair and diaphanous granny dresses.

 

 

 

 

 

 

De Finse schrijver Arto Paasilinna werd geboren op 20 april 1942 in Kittilä in Lapland. Zie ook mijn blog van 20 april 2007.

 

Uit:  Der wunderbare Massenselbstmord   (Vertaald door Regine Pirschel)

 

„Der ärgste Feind der Finnen ist die Melancholie: Trübsal, grenzenlose Apathie. Schwermut lastet auf dem unglücklichen Volk, hat sich im Laufe der Jahrtausende alle Menschen des Landes unterworfen, sodass ihre Seele düster und ernst ist. Die Wirkung ist so verheerend, dass viele im Tod die einzige Rettung aus der Bedrängnis sehen. Das finstere Gemüt ist ein schlimmerer Feind als einst die Sowjetunion.

Die Finnen sind jedoch ein Volk von Kämpfern. Nachgeben gilt nicht. Ein ums andere Mal rebellieren sie gegen den Tyrannen.
Johannis, das mittsommerliche Fest des Lichtes und der Freude, ist für die Finnen wie eine gewaltige Schlacht, in der sie die zehrende Schwermut mit vereinten Kräften und gewaltsamen Mitteln zu bannen versuchen. Das ganze Volk macht am Vorabend von Johannis mobil: Nicht nur die diensttauglichen Männer, sondern auch Frauen, Kinder und alte Leute eilen an die Front. An Finnlands tausend und abertausend Seen werden riesige heidnische Feuer entfacht, um die Finsternis zu vertreiben. Blauweiße Kriegsfahnen werden an den Masten gehisst. Fünf Millionen finnischer Krieger stärken sich vor der Schlacht mit fettigen Würsten und gegrillten Schweinesteaks. Bedenkenlos trinken sie sich Mut an, und zu Akkordeonklängen marschieren die Truppen auf, um den Feind zu attackieren. In einem pausenlosen, die ganze Nacht währenden Kampf wird seine Macht gebrochen.“

 

 

 



 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Manuel Bandeira, n. c. kaser, Gudrun Reinboth, Stefan Schütz, Pierre-Jean de Béranger

Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968)








De Braziliaanse dichter, schrijver en vertaler Manuel Carneiro de Souza Bandeira Filho werd geboren op 19 april 1886 in Recife. Zie ook mijn blog van 19 april 2007.

 

 

In diepe slaap

Toen ik gisteren insliep
Het was de nacht van Sint-Jan
Was er vrolijkheid en drukte
Geknal van bommetjes Bengaals vuur
Stemmen gezang en gelach
Rond de brandende vuren.

Midden in de nacht werd ik wakker
Hoorde geen stemmen meer geen gelach
Alleen ballonnen
Dreven over
In diepe stilte
Alleen het geluid van een tram
Zo nu en dan
Doorboorde de stilte
Als een tunnel.
Waar waren zij die zojuist nog
Dansten
Zongen
En lachten
Rond de brandende vuren?

- Ze sliepen allemaal
Ze lagen allen
Te slapen
In diepe slaap.

Toen ik zes jaar was
Kon ik het eind van het Sint-Jansfeest niet zien
Omdat ik in slaap viel.

Nu hoor ik de stemmen niet meer uit die tijd
Mijn oma
Mijn opa
Totônio Rodrigues
Tomásia
Rosa
Waar zijn zij allemaal?

- Ze slapen allemaal
Ze liggen allen
Te slapen
In diepe slaap.

 

 

 

 

Moment in een café

Toen de begrafenis langskwam
Namen de mannen in het café
Werktuigelijk hun hoed af
En groetten afwezig de dode
Zij waren allen gericht op het leven
Zij gingen op in het leven
Vertrouwden het leven.

Eén echter ontblootte het hoofd in een breed en langzaam gebaar
En bleef staan kijken naar de kist
Hij wist dat het leven een genadeloos en zinloos jachten is
Dat het leven verraad is
En groette de materie die langsging
Materie voor altijd verlost van de gedoofde ziel.

 

 

 

Het laatste gedicht

Zo wenste ik mij mijn laatste gedicht

Dat het teder was en sprak van de eenvoudigste en minst nadrukkelijke dingen
Dat het verzengend was als een snik zonder tranen
Dat het de schoonheid had van bloemen bijna zonder geur
De puurheid van de vlam die de meest transparante diamant verteert
De hartstocht van hen die zich zonder uitleg doden.

 

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

 

 

 

 

De Zuidtiroolse dichter norbert c. kaser werd geboren op 19 april 1947 in Brixen. Zie ook mijn blog van 19 april 2007.

 

 

ich krieg ein kind

ein kind krieg ich

mit rebenrotem kopf

mit biergelben fueßen

mit traminer goldnen haendchen

& glaesernem leib

wie klarer schnaps

zu allem lust

& auch zu nichts

ein kind krieg ich

es schreiet nie

lallet sanft

ewig sind

die windeln von dem kind

feucht & naß

ich bin ein faß

 

 

 

 

kloster (II)

faste

jetzt wo der

vierzigstuendige tabernakel

bei den klosterfraun

geschlossen

waer zeit

den stockfisch zu waessern

& den leuten das maul

Ihr tut nicht mehr

was des HERRN ist

hoechstens daß

bruder gaertner

spaeter dann

ein pflaenzchen

aus dem guckloch reicht

in den bergen

sollten Eure kutten jetzt

flattern wie salz

& lake

& meer

durchs beichtgatter sollte mild

der losspruch

riechen

nach stockfischhungertuch

kapuziner

Ihr naht Euch wie affen

den sitten der pfaffen

wo lange kein

psalmwind mehr

pfeift ueber

gras & schilf & rohr

johannes der taeufer

erbarme Dich ihrer

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dicteres Gudrun Reinboth werd geboren op 19 april 1943 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 19 april 2007.

 

 

freiheit die ich meine

 

junger soldat
mit dem gesicht von
jedermanns sohn
der du gläubig
an der grenze stehst
ein bollwerk
meiner freiheit

 

ich bitte dich
kehre um
lebe
und schenk mir
die eine freiheit
jedes elend
lieber zu tragen
als deinen tod

 

stirbst du für mich
du erst begonnener
was fang ich an
mit meiner freiheit
die für immer
dein sterbegesicht trägt

 

 

 

 

verstummen über auschwitz

 

worte kommen
wie von weit
kommen wie
in schweren schuhn
asche und verwesung
an den sohlen
und sie bitten mich
um flügelschlag
und leichten weg

 

wollte ich sie
aus der schwere holen
müsste ich
das feuer und
die asche werden

weinen alle tränen
schreien alle flüche
opfer müsste ich
und täter werden

doch mein mut
geht nur
auf kleinen sohlen

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 19 april 2007.

 

De Duitse schrijver Stefan Schütz werd geboren op 19 april 1944 in Memel.

 

De Franse dichter en schrijver van liedteksten Pierre-Jean de Béranger werd geboren op 19 april 1780 in Parijs.

 

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

Bas Belleman, Henry Kendall, Thomas Middleton, Richard Harding Davis, Udo Steinberg

Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)




De Nederlandse dichter Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Hij debuteerde met de bundel Nu nog volop ventilatoren (2003) in de Sandwich-reeks van Gerrit Komrij. Zijn bundel werd genomineerd voor de Cees Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut van 2003. Zijn essay 'Doet poëzie er toe' zorgde in 2005 voor enige ophef. In 2006 verscheen zijn tweede bundel Hout bij Uitgeverij 521. Belleman studeerde Cultuur- en Wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht. Zie ook mijn blog van 31 maart 2006.

 

 

Mobieltje

 

Iemand zegt in zijn mobieltje:
'De stuurbootkunst van het hout aanvaren.'

 

In zijn buik rolt geluk rond
als een knikker in een schaal.

 

Hij kijkt mij aan alsof te zeggen:
'Vind je niet?'

 

 

 

 

MOSLIMA

een doek als gevouwen vleugels om haar hoofd
haar gezicht de kleur van ongebleekt postpapier

zij en ik in het openbaar vervoer ze schudt zachtjes haar hoofd
heen en weer zo zou ze ook moeten knikken zonder vervoer

moet ik het vuur in de bek van een draak blussen
of moet ik olie drinken met een lucifer?

ze is mij allerminst vijandig ze zit alleen in familie/traditie
op afstand als licht achter een raampje hoog in een toren

 

 

 

op het formulier DOODSOORZAKEN

 

op het formulier DOODSOORZAKEN
omcirkel m/v.
scheelt alvast.

'k moest maar eens kanker krijgen.
of dat het vliegtuig
vleugels voor zijn ogen op de rotsen knalt.

of van dat inpakbubbeltjesplastic,
lichaam dat cel voor cel kapot knapt.

't is een soort belasting die je niet ontduiken kunt.
die ik niet ontduik.

kanker, rotsen.

of de grand canyon, doordrenkte poliepen,
epileptische aanval, schuim op mijn lippen.

zelfs de pest is niet uitgeroeid, niets lucht op.

 

 

 

 

 

 

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Zie ook mijn blog van 18 april 2007.

 

 

Aboriginal Death Song

 

Feet of the flying, and fierce
Tops of the sharp-headed spear,
Hard by the thickets that pierce,
Lo! they are nimble and near.
Women are we, and the wives
Strong Arrawatta hath won;
Weary because of our lives,
Sick of the face of the sun.

Koola, our love and our light,
What have they done unto you?
Man of the star-reaching sight,
Dipped in the fire and the dew.

Black-headed snakes in the grass
Struck at the fleet-footed lord—
Still is his voice at the pass,
Soundless his step at the ford.

Far by the forested glen,
Starkly he lies in the rain;
Kings of the council of men
Shout for their leader in vain.

Yea, and the fish-river clear
Never shall blacken below
Spear and the shadow of spear,
Bow and the shadow of bow.

Hunter and climber of trees,
Now doth his tomahawk rust,
(Dread of the cunning wild bees),
Hidden in hillocks of dust.

We, who were followed and bound,
Dashed under foot by the foe,
Sit with our eyes to the ground,
Faint from the brand and the blow.

Dumb with the sorrow that kills,
Sorrow for brother and chief,
Terror of thundering hills,
Having no hope in our grief,

Seeing the fathers are far
Seeking the spoils of the dead
Left on the path of the war,
Matted and mangled and red.

 

 

 

 

After the Hunt

 

Underneath the windy mountain walls
Forth we rode, an eager band,
By the surges and the verges and the gorges,
Till the night was on the land—
On the hazy, mazy land!
Far away the bounding prey
Leapt across the ruts and logs,
But we galloped, galloped, galloped on,
Till we heard the yapping of the dogs—
The yapping and the yelping of the dogs.
Oh, it was a madly merry day
We shall not so soon forget,
And the edges and the ledges and the ridges
Haunt us with their echoes yet—
Echoes, echoes, echoes yet!
While the moon is on the hill
Gleaming through the streaming fogs,
Don’t you hear the yapping of the dogs—
The yapping and the yelping of the dogs?

 

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Thomas Middleton werd in Londen geboren en daar gedoopt op 18 april 1580. Zie ook mijn blog van 18 april 2007.

 

Uit: A Trick to Catch the Old One

 

„Enter Witgood, a gentleman, solus.

 

WITGOOD
All's gone! Still thou'rt a gentleman, that's all; but a poor one, that's nothing. What milk brings thy meadows forth now? Where are thy goodly uplands and thy downlands? All sunk into that little pit, lechery. What should a gallant pay but two shillings for his
ordinary that nourishes him, and twenty times two for his brothel that consumes him? But where's Longacre? In my uncle's conscience, which is three years' voyage about; he that sets out upon his conscience never finds the way home again--he is either swallowed in the quicksands of law-quillets, or splits upon the piles of a praemunire; yet these old fox-brained and ox-browed uncles have still
defences for their avarice, and apologies for their practices, and will thus greet our follies:
He that doth his youth expose
To brothel, drink, and danger,
Let him that is his nearest kin
Cheat him before a stranger.
And that's his uncle, 'tis a principle in usury. I dare not visit the city: there I should be too soon visited by that horrible plague, my debts, and by that means I lose a virgin's love, her portion and her virtues. Well, how should a man live now, that has no living, hum? Why, are there not a million of men in the world, that only sojourn upon their brain, and
make their wits their mercers; and am I but one amongst that million and cannot thrive upon't? Any trick, out of the compass of law, now would come happily to me.”

 

 

 

 

 

De Amerikaanse journalist en schrijver Richard Harding Davis werd geboren op 18 april 1864 in Philadelphia. Zie ook mijn blog van 18 april 2007.

 

Uit: Cuba in War Time

 

„But since the revolution came to Cuba the beauty of the landscape is blotted with the grim and pitiable signs of war. The sugar cane has turned to a dirty brown where the fire has passed through it, the centrals are black ruins, and the adobe houses and the railroad stations are roofless, and their broken windows stare pathetically at you like blind eyes. War cannot alter the sunshine, but the smoke from the burning huts and the blazing corn fields seems all the more sad and terrible when it rises into such an atmosphere, and against so soft and beautiful a sky.

People frequently ask how far the destruction of property in Cuba is apparent. It is so far apparent that the smoke of burning buildings is seldom absent from the landscape. If you stand on an elevation it is possible to see from ten to twenty blazing houses, and the smoke from the cane fields creeping across the plain or rising slowly to meet the sky.”

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 18 april 2007.

 

De Duitse schrijver Udo Werner Steinberg werd geboren op 18 april 1913 in Neurode.

 

Geschreven door Romenu om 20:51 Reageer op dit bericht

Antoon Coolen, Karen Blixen, Thornton Wilder, Nick Hornby, Cynthia Ozick, Ida Boy-Ed, Rolf Kalmuczak, David Wagner, R.J. Pineiro

Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)









De Nederlandse schrijver
Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: De vrouw met de zes slapers

 

“In den man sterft het kind niet, het is alleen maar ingesluimerd. Dien winter moeten de slapers  met Jacob Cordewever in het vroege donker van  den namiddag Kerstmis in het kasteel hebben  gevierd. De mensen wisten te vertellen, dat de  vrouwen van de getrouwde  mannen erbij waren geweest, behalve mevrouw  Cordewever. Maar het heilig Sjoke was met Jan  Lucas meegekomen, zij had naderhand verteld,  dat zij het heel mooi had gevonden. Ook de  kinderen uit de buurt, die altijd speelden aan den  anderen kant van de Aa, waren op het kasteel  moeten komen. Uit wat wij erover hoorden konden  wij wel opmaken, dat de slapers en de vrouwen  eigenlijk toch niet zozeer bij de barones zelf op  bezoek waren geweest. Ze hadden eerst een tijdje  stil staan wachten rond een versierden kerstboom  in de traphal. Boven was uit een kamer de piano  op de gaanderij geschoven,  daar zat Jacob Cordewever. Toen de barones ge komen was hadden de kinderen kerstliedjes  gezongen, die ze in die dagen in de school leren,  Govert van Engelen had daarna alleen gezongen. [...]”

 

 

 

 

 

De Deense schrijfster Karen Blixen (eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Jenseits von Afrika (Out of Africa)

 

“Ich hatte eine Farm in Afrika am Fuße der Ngongberge. Hundert Meilen nördlicher lief der Äquator durchs Hochland, aber die Farm lag in einer Höhe von über zweitausend Metern. Da spürt man tags- über die Höhe, die Nähe der Sonne, aber die Morgenfrühe und die Abende sind klar und friedvoll, und die Nächte sind kalt.

Die geographische Lage und die Höhe haben vereint eine Landschaft geschaffen, die in der ganzen Welt nicht ihresglei- chen hat. Nirgends ist etwas Üppiges oder Überschwengliches;

es ist, als wäre Afrika hier gleichsam durch zweitausend Meter emporgeläutert zu einer starken und klaren Essenz seines Wesens. Die Farben sind trocken und glasiert wie Farben irdener

Geschirre. Die Bäume haben ein lichtes zartes Laubwerk, und ihre Form ist anders als die europäischer Bäume, sie bilden keine Kronen und Kuppeln, sondern waagrechte Schichten. Vereinzelte hohe Bäume bekommen dadurch eine Ähnlichkeit mit Palmen, sie haben etwas Heroisches und Romantisches wie Schiffe mit vollen Segeln, und ein Waldrand wirkt seltsam: der ganze Wald scheint leicht zu schwingen. Aus dem Gras der großen Ebenen ragen verstreut die krummen, kahlen alten Dornbäume, und das Gras riecht würzig nach Thymian und Sumpfmyrte; an manchen Stellen ist der Duft so stark, daß er die Nase beizt. Alle Blumen auf den Hochebenen oder an den Schlinggewächsen und Lianen im Urwald sind gewissermaßen Verkleinerungen wie Blumen auf den Dünen; nur zu Beginn der Regenzeit sprie-

ßen große fleischige, schwerduftende Lilien auf den Hochebenen empor. Die Ausblicke sind unendlich weit. Alles, was man sieht, atmet Größe und Freiheit und unvergleichliche Vornehm-

heit.

Das wesentliche Element der Landschaft und des Lebens in ihr ist die Luft. Wer auf einen Aufenthalt im afrikanischen Hochland zurückblickt, den überkommt das Gefühl, er habe eine

Zeitlang hoch in der Luft gelebt. Der Himmel ist selten mehr als blaßblau oder violett, und mächtige, aller Schwere bare, immerfort sich wandelnde Wolken türmen sich allenthalben und segeln an ihm dahin; aber die Bläue hat etwas Leuchtendes und färbt die Umrisse der Berge und nahen Wälder mit frischem tiefem Blau. Um die Tagesmitte beginnt die Luft über dem Lande sich zu regen wie eine aufsteigende Flamme, sie flimmert, wogt und schimmert wie rieselndes Wasser, spiegelt und verdoppelt alle Gegenstände und schafft große Fata Morganen. Es atmet sich leicht in der hohen Luft, man saugt Lebensgewißheit und Unbeschwertheit der Seele in sich. Im Hochland erwacht man in der Frühe und weiß: hier bin ich, wo ich sein sollte.“

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Three plays

 

„Toward the end of the twenties I began to lose pleasure in going to the theatre. I ceased to believe in the stories I saw presented there. When I did go it was to admire some secondary aspect of the play, the work of a great actor or director or designer. Yet at the same time the conviction was growing in me that the theatre was the greatest of all the arts. I felt that something had gone wrong with it in my time and that it was fulfilling only a small part of its potentialities. I was filled with admiration for presentations of classical works by Max Reinhardt and Louis Jouvet and the Old Vic, as I was by the best plays of my own time, like Desire Under the Elms and The Front Page; but it was with a grudging appreciation, for I didn't believe a word of them. I was like a schoolmaster grading a paper; to each of these offerings I gave an A+, but the condition of mind of one grading a paper is not that of one being overwhelmed by an artistic creation. The response we make when we "believe" a work of the imagination is that of saying: "This is the way things are. I have always known it without being fully aware that I knew it. Now in the presence of this play or novel or poem (or picture or piece of music) I know that I know it." It is this form of knowledge which Plato called "recollection." We have all murdered, in thought; and been murdered. We have all seen theridiculous in estimable persons and in ourselves. We have allknown terror as well as enchantment. Imaginative literature hasnothing to say to those who do not recognize-who cannot bereminded --- of such conditions. Of all the arts the theatre isbestendowed to awaken this recollection within us-to believe is tosay "yes"; but in the theatres of my time I did not feel myselfprompted to any such grateful and self-forgetting acquiescence.”

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: A Long Way Down

 

„MARTIN.

Can I explain why I wanted to jump off the top of a tower block? Of course I can explain why I wanted to jump off the top of a tower block. I'm not a bloody idiot. I can explain it because it wasn't inexplicable: it was a logical decision, the product of proper thought. It wasn't even very serious thought, either. I don't mean it was whimsical - I just meant that it wasn't terribly complicated, or agonised. Put it this way: say you were, I don't know, an assistant bank manager, in Guildford. And you'd been thinking of emigrating, and then you were offered the job of managing a bank in Sydney. Well, even though it's a pretty straightforward decision, you'd still have to think for a bit, wouldn't you? You'd at least have to work out whether you could bear to move, whether you could leave your friends and colleagues behind, whether you could uproot your wife and kids. You might sit down with a bit of paper and draw up a list of pros and cons. You know:

CONS - Aged parents, friends, golf club.

PROS - more money, better quality of life (house with pool, barbecue etc), sea, sunshine, no left-wing councils banning Baa-Baa Black Sheep, no EEC directives banning British sausages etc. It's no contest, is it? The golf club! Give me a break. Obviously your aged parents give you pause for thought, but that's all it is - a pause, and a brief one, too. You'd be on the phone to the travel agents within ten minutes.

Well, that was me. There simply weren't enough regrets, and lots and lots of reasons to jump. The only things in my 'cons' list were the kids, but I couldn't imagine Cindy letting me see them again anyway. I haven't got any aged parents, and I don't play golf. Suicide was my Sydney. And I say that with no offence to the good people of Sydney intended.”

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick werd geboren op 17 april 1928 in New York. Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Public Intellectuals

 

„The responsibility of intellectuals includes also the recognition that we cannot live above or apart from our own time and what it imposes on us; that willy-nilly we breathe inside the cage of our generation, and must perform within it. Thinkers—whether they count as public intellectuals or the more reticent and less visible sort—are obliged above all to make distinctions, particularly in an age of mindlessly spreading moral equivalence... And political intellectuals who have the capacity, and the inclination, to reflect on fresh public issues from new perspectives are obliged to reflect on them in so careful a way that their propositions will not seem callous or morally embarrassing or downright despicable decades on.”

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg). Zie ook mijn blog van 17 april 2007.

 

Uit: Die Glücklichen

 

„Es war um jene Zeit des Jahres, wo überall in Deutschland Manöver stattfanden. Auch in dem kleinen Winkel des Reichs, der sich aus hanseatisch-lübeckischem und mecklenburgischem Grund und Boden zusammensetzt und sich an dem südlichen Ufer der Travemündung hinzieht, gab es Divisionsmanöver. Von der alten Königin der Hansa, von Lübeck, bis zu dem Gestade der Ostsee herrschte das frohe Leben, das zahlreiche Einquartierung mit sich zu bringen pflegt. Die Nächte der großen Biwaks standen noch bevor; die Bevölkerung der Gegend erwartete sie, wie man eine Volksbelustigung erwartet. Aber die einzelnen Bataillone hatten da und dort ihre kleinen Vorpostenbiwaks, und auch an dem Abend des 1. September sah man auf einem weiten Stoppelfelde ein rühriges Leben.

Zwischen dem Felde und dem Fluß zog sich die Landstraße nach dem Mecklenburgischen hin. Die sinkende Sonne gab dem wolkenlosen Himmel und dem glattfließenden Stromspiegel einen gelbroten, metallischen Glanz. Der sich hinter der Kiefernschonung erhebende Laubwald begann zu düstern; das weiße Band der Landstraße, das aus ihm sich hervorschlängelte, zeigte sich zuweilen von Staub überwirbelt, dann rollte ein Wagen heran, der von Lübeck kam und nach Schlutup fuhr. Das Rollen der Räder ließ eine kleine Gruppe von Offizieren, die vor dem runden Bataillonszelt um einen Tisch saßen, jedesmal aufspringen und mit einer gewissen Enttäuschung sich wieder setzen.
»Allmer«, sagte ein junger Offizier zu einem Einjährig-Freiwilligen, der am Tische stand und sich ein Glas Wein eingoß, »deine Mutter kommt nicht mehr.«

»Ganz gewiß, lieber Schmettau, Beatrix wird schon dafür sorgen.«

»Im Grunde ist es auch viel verlangt, daß die Frau Gräfin zwei Stunden fahren soll, um uns zu besuchen, oder vielmehr, um Komtesse ein Biwak zu zeigen.«

Herr v. Schmettau sah nach der Uhr.

»Etwas nach sieben.«

In diesem Augenblick kam der Bursche des Herrn v. Schmettau über die Koppel dahergerannt. Ehe er seine Meldung ausgerichtet hatte, wußten die Herren ihren Inhalt schon, denn zugleich erschien vom Dorf her auf der Landstraße das Fuhrwerk der Gräfin Allmer. Die Offiziere – es waren ihrer vier an der Zahl – beeilten sich, dem Wagen entgegenzugehen. Das bräunliche Antlitz des Leutnants v. Schmettau überzog sich mit feinem Rot, seine braunen Augen leuchteten warm auf, als er, gleich den übrigen, schon von fern die Insassen des Wagens mit militärischen Grüßen willkommen hieß. Der junge Graf Allmer hielt sich ein wenig zurück. Hier im Biwak durften die militärischen Rangunterschiede doch nicht ganz außer Augen gelassen werden.“

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 17 april 2007.

 

De Duitse schrijver Rolf Kalmuczak werd geboren in Nordhausen op 17 april 1938.

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach.

 

De Amerikaanse schrijver R.J. Pineiro werd geboren op 17 april 1961 in Havanna.

 

Geschreven door Romenu om 20:35 Reageer op dit bericht

Tristan Tzara, Kingsley Amis, Anatole France, Sarah Kirsch, Spike Milligan, John Millington Synge, Konstantin Vaginov, Jan Luyken, Eberhard Panitz

Tristan Tzara (16 april 1896 – 24 december 1963)









De Franse dichter, dadaïst en surrealist Tristan Tzara werd op 16 april 1896 in de Roemeense plaats Moinesti geboren als Samuel Rosenstock. Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

Uit: Dadaism (Vertaald door Robert Motherwell)

 

“*There is a literature that does not reach the voracious mass. It is the work of creators, issued from a real necessity in the author, produced for himself. It expresses the knowledge of a supreme egoism, in which laws wither away. Every page must explode, either by profound heavy seriousness, the whirlwind, poetic frenzy, the new, the eternal, the crushing joke, enthusiasm for principles, or by the way in which it is printed. On the one hand a tottering world in flight, betrothed to the glockenspiel of hell, on the other hand: new men. Rough, bouncing, riding on hiccups. Behind them a crippled world and literary quacks with a mania for improvement.

I say unto you: there is no beginning and we do not tremble, we are not sentimental. We are a furious Wind, tearing the dirty linen of clouds and prayers, preparing the great spectacle of disaster, fire, decomposition.* We will put an end to mourning and replace tears by sirens screeching from one continent to another. Pavilions of intense joy and widowers with the sadness of poison. Dada is the signboard of abstraction; advertising and business are also elements of poetry.

I destroy the drawers of the brain and of social organization: spread demoralization wherever I go and cast my hand from heaven to hell, my eyes from hell to heaven, restore the fecund wheel of a universal circus to objective forces and the imagination of every individual.

Philosophy is the question: from which side shall we look at life, God, the idea or other phenomena. Everything one looks at is false. I do not consider the relative result more important than the choice between cake and cherries after dinner. The system of quickly looking at the other side of a thing in order to impose your opinion indirectly is called dialectics, in other words, haggling over the spirit of fried potatoes while dancing method around it. If I cry out:

Ideal, ideal, ideal,

·  Knowledge, knowledge, knowledge,

·  Boomboom, boomboom, boomboom,

I have given a pretty faithful version of progress, law, morality and all other fine qualities that various highly intelligent men have discussed in so manv books, only to conclude that after all everyone dances to his own personal boomboom, and that the writer is entitled to his boomboom: the satisfaction of pathological curiosity; a private bell for inexplicable needs; a bath; pecuniary difficulties; a stomach with repercussions in life; the authority of the mystic wand formulated as the bouquet of a phantom orchestra made up of silent fiddle bows greased with philtres made of chicken manure.”

 

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Kingsley Amis werd geboren op 16 april 1922 in Londen. Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

Uit: ONE FAT ENGLISHMAN

 

“Roger began eating. There was a roll-basket on the table near him, its contents hidden by a napkin. Underneath this were lengths of hot Italian bread soaked in garlic butter. He decided he would not eat this, and then suddenly found he had started to. His decision to eat only one piece went the same way. By the time the Southern fried chicken arrived from the gloved hand of the Negroe mad it was plain to him that he might as well be hung for a fat-tailed sheep as a lamb. With the chicken there were turnips, spring onions - and corn on the cob with more butter. A razor-blade embedded in a wooden handle for sclicing the cobs and a paint-brush affair for spreading the melted butter on them were passed from hand to hand. Roger used both instruments a lot.
While Ernst and Parteger, who was sitting opposite, filled him in on what terrible courses of study were available at Budweiser (College), Roger concentrated on his food. It was the least he could do for something that was bringing his coronary nearer at such a clip, that was already, he sensed, sidling irremovably into his paunch and his neck and his bosom. Let it. As he was waiting for his helping of blueberry pancakes with fresh cream and Wisconsin cheddar, the thought of dieting brushed feebly at his mind like an old remorse. He was aware that just eating a little of what he did no fancy would sooner or later do him good in the sexual chase. This idea had been brought sharply into focus at a fellow-publisher's party the previous year. Somebody's secretary had told him that what he wanted was all right with her on the understanding that he brought his block and tackle along. Five days later, sipping a half-cup of sugarless and milkless tea to round off a luncheon of a lightly boiled egg with no salt, a decarbohydrated roll resembling fluff in plastic, and a small apple, he had made up his mind for ever that, if it came to it, he could easily settle down to a regime of banquets and self-abuse. He sent his palte up now for a second helping of pancakes and put three chocolate mints into his mouth to tide him over. Outside every fat man there was an even fatter man trying to close in.
With the Gaelic coffee, surmounted by half an inch or so of chilled cream, he felt his survival till breakfast guaranteed and ceremoniously produced for him by Joe."

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Anatole France werd geboren in Parijs op 16 april 1844. Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

 

Les arbres

 

Ô vous qui, dans la paix et la grâce fleuris,
Animez et les champs et vos forêts natales,
Enfants silencieux des races végétales,
Beaux arbres, de rosée et de soleil nourris,

La Volupté par qui toute race animée
Est conçue et se dresse à la clarté du jour,
La mère aux flancs divins de qui sortit l'Amour,
Exhale aussi sur vous son haleine embaumée.

Fils des fleurs, vous naissez comme nous du Désir,
Et le Désir, aux jours sacrés des fleurs écloses,
Sait rassembler votre âme éparse dans les choses,
Votre âme qui se cherche et ne se peut saisir.

Et, tout enveloppés dans la sourde matière
Au limon paternel retenus par les pieds,
Vers la vie aspirant, vous la multipliez,
Sans achever de naître en votre vie entière.

 

 

 

 

 


De Duitse schrijfster en dichteres
Sarah Kirsch (eig.
Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode.Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

 

Eine Schlehe im Mund
komme ich übers Feld

 

Eine Schlehe im Mund komme ich übers Feld
sie rollt auf der Zunge stößt Zähne an wenn ich geh
mein Kopf eine Schelle klappert und macht
einen traurigen Mund
                             meiner mit einer Schelle
deiner Sand schon und Kieselstein
ich drüber du drunter
Ebereschen blutrot samtrot liegts auf dem Weg
Drosseln freßt freßt
den Herbst lang euch Vogelfett an

 

 

 

 

Unglück läßt grüßen

 

Seit er fort ist fallen Palmen
um gehen Bomben los, ich bin
Von Moskitos verbeult oder schneide
Mir halbe Finger ab, es kommt noch
Schnee im August

 

 

 

 

 

Ich bin sehr sanft

 

Ich bin sehr sanft nenn
mich Kamille
meine Finger sind zärtlich baun
Kirchen in deiner Hand meine Nägel
Flügelschuppen von Engeln liebkosen ich bin
der Sommer der Herbst selbst der Winter im Frühling
möchte ich bei dir sein du
zeigst mir das Land wir gehn
von See zu See da braucht es
ein langes glückliches Leben
die Fische sind zwei
die Vögel baun Nester wir
stehn auf demselben Blatt

 

 

 

 

 

 

De Ierse dichter, musicus en komiek Spike Milligan werd geboren op 16 april 1918 in Ahmednagar in Indië. Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

 

A Silly Poem

 

Said Hamlet to Ophelia,
I'll draw a sketch of thee,
What kind of pencil shall I use?
2B or not 2B?

 

 

Eurolove

 

I cannot
and I will not
No, I cannot love you less
Like the flower to the butterfly
The corsage to the dress

She turns my love to dust
my destination empty
my beliefs scattered: Diaspora!

Who set this course - and why?
Now my wings beat -
without purpose
Yet they speed...

 

 

 

Indian Boyhood

 

What happened to the boy I was?
Why did he run away?
And leave me old and thinking, like
There'd been no yesterday?
What happened then?
Was I that boy?
Who laughed and swam in the bund*
I there no going back?
No recompense?
Is there nothing?
No refund?

 

 

 

 

 

 

De Ierse (toneel)schrijver en dichter John Millington Synge werd geboren op 16 april 1871 in Rathfarnham.Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

In Kerry

 

WE heard the thrushes by the shore and sea,

And saw the golden star's nativity,

Then round we went the lane by Thomas Flynn,

Across the church where bones lie out and in;

And there I asked beneath a lonely cloud

Of strange delight, with one bird singing loud,

What change you'd wrought in graveyard, rock and sea,

This new wild paradise to wake for me. . . .

Yet knew no more than knew those merry sins

Had built this stack of thigh-bones, jaws and shins.

 

 

 

 

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Konstantin Vaginov werd geboren op 16 april 1899 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 16 april 2007.

 

Uit: Satyr Chorus

 

“For some time now, Petersburg has been shaded for me in a greenish color, glimmering and glinting, a ghastly color, phosphorescent. Snaky and snickering, a greenish flame quivers on buildings, on faces, and in souls. A flame will flicker--and it's not Pyotr Petrovich before you, but a gluey reptile. A flame will shoot up--and you yourself are worse than a reptile. And it isn't people walking down the streets: you glance under a hat--it's the head of a snake; you peer at an old lady--a toad squats, bloating its stomach. And there are young people, each with a particular dream: an engineer just has to hear Hawaiian music, a student--for a bit more effect, to hang himself, a schoolboy--to father a child, to prove his virility. You find yourself in a store--a former general stands at the counter and wears a drilled smile; you go into a museum--the guide knows he's lying, and continues to lie. I don't like Petersburg. My dream is over.

 

 Prologue

 

PRODUCED BY AN AUTHOR WHO HAS APPEARED 

IN THE MIDDLE OF A BOOK

 

   Now, there is no Petersburg. There is Leningrad. But Leningrad doesn't concern us--the author is a coffin-maker by profession, not a master of the cradle business. Show him a little coffin--he'll give it a knock and find out what material it's made of, how long ago, by which master, and even recall the parents of the deceased. As you can see right now, the author's preparing a little coffin for the twenty-seven years of his life. He's terribly busy. But don't think he's preparing the coffin with some kind of purpose, he simply has that sort of passion. He picks up his nose--there's the whiff of a corpse; so, then, it needs a coffin. And he loves his deceased ones, and walks behind them even while they're alive, and shakes their little hands, and starts talking, and casually stocks up on boards, shops for nails, and gets hold of some lace when there's a chance.”

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 16 april 2007.

 

De Nederlandse dichter en etser Jan Luyken werd geboren in Amsterdam op 16 april 1649.

 

De Duitse schrijver Eberhard Panitz werd geboren op 16 april 1932 in Dresden.

 

Geschreven door Romenu om 20:28 Reageer op dit bericht

Jeffrey Archer, Wilhelm Busch, Henry James, Ina Boudier-Bakker, Bliss Carman, Staf Weyts

Jeffrey Archer (Londen, 15 april 1940)




De Britse schrijver Jeffrey (Howard) Archer, Baron Archer of Weston-super-Mare, werd geboren op 15 april 1940 in Londen. Archer bezocht de Wellington School in Somerset en het Brasenose College in Oxford. In 1969 zat hij als lid van de conservatioeve partij in het House of Commons. Zijn eerste verhaal Not a Penny More, Not a Penny Less verscheen in 1974 en was meteen een succes. Vervolgens verschenen de thriller Shall We Tell the President?, de bestseller Kane and Abel, en het vervolg erop The Prodigal Daughter. Tijdens de verkiezingen voor het burgemeesterschap van Londen werd hij begin 2000 wegens meineed aangeklaagd en tot enkele jaren gevangenisstraf veroordeeld. Tegenwoordig woont Archer in Lambeth (Londen) en in Grantchester bij Cambridge, in een huis, The Old Vicarage, dat beroemd werd door een gedicht van Rupert Brook.

 

Uit: A Prisoner of Birth

 

““Yes,” said Beth.


She tried to look surprised, but wasn’t all that convincing as she had already decided that they were going to be married when they were at secondary school. However, she was amazed when Danny fell on one knee in the middle of the crowded restaurant.


“Yes,” Beth repeated, hoping he’d stand up before everyone in the room stopped eating and turned to stare at them. But he didn’t budge. Danny remained on one knee, and like a conjurer, produced a tiny box from nowhere. He opened it to reveal a simple gold band boasting a single diamond that was far larger than Beth had expected—although her brother had already told her that Danny had spent two months’ wages on the ring.


When Danny finally got off his knee, he took her by surprise again. He immediately began to tap a number on his mobile. Beth knew only too well who would be on the other end of the line.


“She said yes!” Danny announced triumphantly. Beth smiled as she held the diamond under the light and took a closer look. “Why don’t you join us?” Danny added before she could stop him. “Great, let’s meet at that wine bar off the Fulham Road—the one we went to after the Chelsea game last year. See you there, mate.”


Beth didn’t protest; after all, Bernie was not only her brother, but Danny’s oldest friend, and he’d probably already asked him to be his best man.


Danny turned off his phone and asked a passing waiter for the bill. The maître d’ bustled across.


“It’s on the house,” he said, giving them a warm smile.


It was to be a night of surprises.



When Beth and Danny strolled into the Dunlop Arms, they found Bernie seated at a corner table with a bottle of champagne and three glasses by his side.


“Fantastic news,” he said even before they had sat down.


“Thanks, mate,” said Danny, shaking hands with his friend.


“I’ve already phoned Mum and Dad,” said Bernie as he popped the cork and filled the three champagne glasses. “They didn’t seem all that surprised, but then it was the worst-kept secret in Bow.”


“Don’t tell me they’ll be joining us as well,” said Beth.


“Not a chance,” said Bernie raising his glass. “You’ve only got me this time. To long life and West Ham winning the cup.”


“Well, at least one of those is possible,” said Danny.



 

 

 

De Duitse dichter en tekenaar Wilhelm Busch werd geboren in Wiedensahl op 15 april 1832. Zie ook mijn blog van 15 april 2007.

 

 

Schein und Sein

 

Mein Kind, es sind allhier die Dinge,
    Gleichwohl, ob große, ob geringe,
Im wesentlichen so verpackt,
    Daß man sie nicht wie Nüsse knackt.

Wie wolltest du dich unterwinden,
    Kurzweg die Menschen zu ergründen.
Du kennst sie nur von außenwärts.
    Du siehst die Weste, nicht das Herz.

 

 

 

Doppelte Freude

 

Ein Herr warf einem Bettelmann
    Fünf Groschen in den Felber.
Das tat dem andern wohl, und dann
    Tat es auch wohl ihm selber.

 

Der eine, weil er gar so gut,
    Kann sich von Herzen loben;
Der andre trinkt sich frischen Mut
    Und fühlt sich auch gehoben.

 

 

 

Zwei Jungfern

 

Zwei Jungfern gibt es in Dorf und Stadt,
    Sie leben beständig im Kriege,
Die Wahrheit, die niemand gerne hat,
    Und die scharmante Lüge.

Vor jener, weil sie stolz und prüd
    Und voll moralischer Nücken,

Sucht jeder, der sie nur kommen sieht,
    Sich schleunigst wegzudrücken.

Die andre, obwohl ihr nicht zu traun,
    Wird täglich beliebter und kecker,
Und wenn wir sie von hinten beschaun,
    So hat sie einen Höcker.

 

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Henry James werd geboren in New York op 15 april 1843. Zie ook mijn blog van 15 april 2007.

 

Uit: Washington Square

 

“During a portion of the first half of the present century, and more particularly during the latter part of it, there flourished and practiced in the city of New York a physician who enjoyed perhaps an exceptional share of the consideration which, in the United States, has always been bestowed upon distinguished members of the medical profession. This profession in America has constantly been held in honor, and more successfully than elsewhere has put forward a claim to the epithet of 'liberal.' In a country in which, to play a social part, you must either earn your income or make believe that you earn it, the healing art has appeared in a high degree to combine two recognized sources of credit. It belongs to the realm of the practical, which in the United States is a great recommendation; and it is touched by the light of science--a merit appreciated in a community in which the love of knowledge has not always been accompanied by leisure and opportunity.

It was an element in Doctor Sloper's reputation that his learning and his skill were very evenly balanced; he was what you might call a scholarly doctor, and yet there was nothing abstract in his remedies--he always ordered you to take something. Though he was felt to be extremely thorough, he was not uncomfortably theoretic; and if he sometimes explained matters rather more minutely than might seem of use to the patient, he never went so far (like some practitioners one had heard of) as to trust to the explanation alone, but always left behind him an inscrutable prescription. There were some doctors that left the prescription without offering any explanation at all; and he did not belong to that class either, which was after all the most vulgar. It will be seen that I am describing a clever man; and this is really the reason why Doctor Sloper had become a local celebrity.”

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Ina Boudier-Bakker werd geboren in Amsterdam op 15 april 1875. Zie ook mijn blog van 15 april 2007.

 

Uit: De straat

 

“Onder de grauwe wijde hemel lag in de stille najaarsdag de Straat - de hoofdstraat van het kleine vergeten stadje, in zijn vereenzaming achter de uiterwaarden van de grote rivier. De brede lege straat, met z'n deftige herenhuizen gerijd van poort tot poort.

Vele malen, in vroeger eeuwen, hadden wilde horden vreemd krijgsvolk de nauwe donkere poort bestormd, en de sterke verschansing van grijze wallen rondom. Strijd was er geweest en fel leven, en altijd een geest van verweer had de harten beroerd, bedacht op overval en verraad.

Daarna was gekomen het verval, de rust, de verlatenheid. In de grote herenhuizen met hier en daar een winkeltje, een werkplaats ertussen, woonden de notabelen; en achter de vensters zagen stille gezichten toe op al het dagelijks gebeurende, wéérkerende. De Straat was hun wereld, die alles beheerste, waar alles zich afspeelde. Over de Straat laaiden van achter de gesloten vensters de gedachten, die geen daden ooit werden, uit stille ogen en zwijgende monden; over de Straat sponnen zich de gedachten uit de strakke besloten huizingen voort tot elkaar, vonden elkaar en braken - klemden elkaar als worstelende vijanden, om zich dan weer plots verloren te vinden in een mist van vergetelheid en onmacht; voortgedreven, zwervende, doelloos heen en weer. Een web van onzichtbare draden tussen de huizen van de Straat, waar aan beide einden, van de poort, en van de oude gotische kerk, de klokken de tijd afbeierden - de tijd, die wegwiste de seizoenen, de jaren, in de nevel van nauw bewuste herinnering.

Eénmaal in het jaar gebeurde er iets vreemds in de straat. In de herfst, als koel en hoog de hemel spande over de groene uiterwaarden en de blauwe glinsterende rivier, kwamen grote wagens met kermistuig de houten schipbrug overzeulen, met moeite de dijk op, en de enge donkere poort onderdoor.”

 

 

 

 

 

De Canadese dichter Bliss Carman werd geboren in Fredericton, in de provicincie New Brunswick op 15 april 1861. Zie ook mijn blog van 15 april 2007.

 

 

Rivers of Canada

 

O all the little rivers that run to Hudson's Bay,
They call me and call me to follow them away.

Missinaibi, Abitibi, Little Current--where they run
Dancing and sparkling I see them in the sun.

I hear the brawling rapid, the thunder of the fall,
And when I think upon them I cannot stay at all.

At the far end of the carry, where the wilderness begins,
Set me down with my canoe-load--and forgiveness of my sins.

O all the mighty rivers beneath the Polar Star,
They call me and call me to follow them afar.

Peace and Athabasca and Coppermine and Slave,
And Yukon and Mackenzie--the highroads of the brave.

Saskatchewan, Assiniboine, the Bow and the Qu'Appelle,
And many a prairie river whose name is like a spell.

They rumor through the twilight at the edge of the unknown,
"There's a message waiting for you, and a kingdom all your own.

"The wilderness shall feed you, her gleam shall be your guide.
Come out from desolations, our path of hope is wide."

O all the headlong rivers that hurry to the West,
They call me and lure me with the joy of their unrest.

Columbia and Fraser and Bear and Kootenay,
I love their fearless reaches where winds untarnished play--

The rush of glacial water across the pebbly bar
To polished pools of azure where the hidden boulders are.

Just there, with heaven smiling, any morning I would be,
Where all the silver rivers go racing to the sea.

O well remembered rivers that sing of long ago,
Ajourneying through summer or dreaming under snow.

Among their meadow islands through placid days they glide,
And where the peaceful orchards are diked against the tide.

Tobique and Madawaska and shining Gaspereaux,
St. Croix and Nashwaak and St. John whose haunts I used to know.

And all the pleasant rivers that seek the Fundy foam,
They call me and call me to follow them home.

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 15 april 2007.

 

De Vlaamse schrijver Staf Weyts werd geboren op 15 april 1909 in Mechelen

 

Geschreven door Romenu om 20:23 Reageer op dit bericht

Alexandre Jardin, Gabriele Stötzer, Péter Esterházy, Helene Hübener, Gerhard Rohlfs

Alexandre Jardin (Neuilly,  14 april 1965)










De Franse schrijver
Alexandre Jardin werd geboren in Neuilly op 14 april 1965. Zie ook mijn blog van 14 april 2007.

 


Uit:
Le Zèbre

“- Ma chérie, ne pleure pas, c'est fini. C'était un mauvais rêve.
Hagarde, elle souleva son visage humide et darda ses yeux clairs sur le Zèbre qui souriait.
- Tu m'as vraiment cru ? lui lança-t-il avec gaieté.
- Si je t'ai cru ? répéta-t-elle, effarée.
- J'ai fait semblant de te quitter !
Camille se redressa et, pour toute réplique, lui envoya un violent coup de genou au bas-ventre. Et le Zèbre de glapir.
- Qu'est-ce qui te prend? demanda-t-il replié sur lui-même.
- Te rends-tu compte du mal que tu m'as fait ?
- C'était le prix à payer.
- A payer pour quoi? repartit-elle éberluée.
- Je voulais te priver d'oxygène pour te réap prendre à goûter l'air frais.

Emporté par son débit tumultueux, toujours plié en deux, il lui annonça que son stratagème n'était qu'une préface à la cure de jouvence qu'il entendait faire subir à leur couple. Un grand ravalement en quelque sorte, bien nécessaire après quinze années d'anesthésie progressive de leurs désirs. Le Zèbre était résolu à délaisser son rôle de mari, au sens amorti du terme, pour se glisser dans la peau d'un amant légitime. Il traquerait désormais les imperceptibles habitudes qui émoussent les sentiments. Sa vigilance ne connaîtrait plus de jours fériés. A partir de cet instant, il ne cesserait d'ourdir des mises en scène, comme celle de ce matin, pour retendre le lien qui les unissait.

- Que t'est-il arrivé ? finit-elle par murmurer.
- Il y a des conversions mystiques, pourquoi n'y aurait-il pas des conversions amoureuses ? Camille, Si je n'avais pas tiré la sonnette d'alarme, nous aurions fini comme tous ces ménages en trompe-l'oeil. Un jour ou l'autre, tu aurais dormi avec un autre et moi, bête comme je suis, j'aurais été braconner du petit gibier.
 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Gabriele Stötzer werd geboren op 14 april 1953 in Emleben inThüringen in de toenmalige DDR. Zie ook mijn blog van 14 april 2007.

 

Uit: DIE BRÖCKELNDE FESTUNG

 

„Die hohen dunklen Räume, gefühllos und kalt, hatten sie aufgenommen, wie eine Umhüllung ewiger Unabänderlichkeit. Sie blickten mit selbstverständlicher Gemeinheit aus den Augen der Wärterinnen, maulten verächtlich in den Worten der Verwahrraumältesten und riefen mit der blaukarierten Bettwäsche, in die sie sich Nacht für Nacht einschieben musste, eine fleckige Allergie auf ihrer Haut hervor. Als ob die lang eingesperrte Phantasie darauf gewartet hätte, stützte sie sich auf das sie neu Umgebende und verschlang es.“

 

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver Graaf Péter Esterházy van Galántha werd geboren in Boedapest op 14 april 1950. Zie ook mijn blog van 14 april 2007.

 

Uit: She Loves Me (Vertaald door Judith Sollosy)

 

“Not so after the elections ! Ah! So you’re back, are you!, and those cute little starry eyes of hers flashed like the very devil. They lay sprawling over this country for forty years. And these assholes went and voted for them! I keep mum. I’d rather not say that these assholes are us, the country. I didn’t vote for them, and don’t you go saying it, even as a joke, and if you voted for them in secret, I’m going to kill you. What a sweetheart. I don’t even try to calm her down, I wouldn’t dream of it: memories of Tuscany. Why, they can’t even speak the language properly, she screeches. Inside me, everything is stretched tight as a bow, that’s how close I feel to her. They robbed us blind, and now they’re playing Mr Clean! They crippled this nation, and now they’re shooting their mouths off. I turn white, my hands tremble, and I hear the beating of my heart. Trade union lobbyists!, and she squeezes my balls, but with so much feeling, passion and oomph, it would suffice to rebuild the nation.”

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Helene Hübener werd geboren op 14 april 1843 in Sternberg.

 

De Duitse schrijver en Afrikareiziger Gerhard Rohlfs werd geboren op 14 april 1831 in Vegesack bij Bremen.

 

Geschreven door Romenu om 20:26 Reageer op dit bericht

Saskia Noort, Samuel Beckett, Stephan Hermlin,Orhan Veli, Seamus Heaney

Saskia Noort (Bergen, 13 april 1967)



De Nederlandse schrijfster, freelance journaliste en columniste Saskia Noort werd geboren in Bergen op 13 april 1967. Na de havo in Utrecht journalistiek en theaterwetenschap te hebben gestudeerd is zij sinds begin jaren negentig actief als journaliste voor een groot aantal bladen waaronder Viva en Marie Claire. Noort debuteerde in 2003 als auteur met de literaire thriller Terug naar de kust. Haar tweede thriller, De eetclub, verscheen in 2004. Voor beide boeken werd zij genomineerd voor de Gouden Strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige misdaadboek. In Duitsland, Rusland, Denemarken en Noorwegen verschenen vertalingen van De eetclub en Terug naar de kust. In mei 2006 verscheen Nieuwe buren.

 

Uit: Nieuwe buren

 

“Hij werkte al ruim twee jaar op het park De Kempervennen en het kwam wel vaker voor dat de gasten hun broodjes 's morgens gewoon aan de deur lieten hangen. Doorgaans duidde dit erop dat zij het huisje voortijdig hadden verlaten en dat de receptie was vergeten dit aan hem door te geven. Dus toen hij de broodjeszak nog aan de klink van vipcottage Eekhoorn 1553 zag bungelen, begon hij onmiddellijk in zichzelf te mopperen op de meiden achter de balie, die zich klaarblijkelijk liever bezighielden met roddelen en nagels lakken dan met de organisatie. Hij stapte uit zijn groene Kempervennenbus, smeet de deur chagrijnig achter zich dicht en liep naar de grijze, betonnen bungalow, om de broodjes en de krant van gisteren weg te halen. Hij griste de witte plastic zak van de deurklink terwijl hij met zijn rechterhand zijn mobilofoon van zijn riem nam, en gluurde door het zijraam naar binnen. Hij zag jassen aan de kapstok hangen. Het leek erop dat de gasten er nog waren. Hij keek op zijn horloge. Zeven uur. Hij pakte de krant uit de zak. Het was de krant van de vorige dag. Hij stapte opzij en drukte zijn neus nogmaals tegen het zijraam. Jassen. Openhaardhout. Een paar damesschoenen onder de kapstok. Hij haalde zijn schouders op, besloot zich er verder niet mee te bemoeien en liep terug naar zijn busje, waar hij de oude zak op de passagiersstoel wierp en een verse broodzak meepakte. Hij haastte zich, struikelde bijna over zijn eigen voeten, hield de zak voor zich uit alsof die vol braaksel zat. Hij wilde hier zo snel mogelijk weg.

 

 

 

 

 

De Ierse (toneel)schrijver en dichter Samuel Barclay Beckett werd geboren in Foxrock, Dublin op 13 april 1906. Zie ook mijn blog van 13 april 2007 en mijn Blog van 13 april 2006.

 

Uit: The Unnamable: A Novel

 

“They say I suffer, perhaps they're right, and that I'd feel better if I did this, said that, if my body stirred, if my head understood, if they went silent and departed, perhaps they're right, how would I know about these things, how would I understand what they're talking about, I'll never stir, never speak, they'll never go silent, never depart, they'll never catch me, never stop trying, that's that, I'm listening. Well I prefer that, I must say I prefer that, that what, oh you know, who you, oh I suppose the audience, well well, so there's an audience, it's a public show, you buy your seat and wait, perhaps it's free, a free show, you take your seat and you wait for it to begin, or perhaps it's compulsory, a compulsory show, you wait for the compulsory show to begin, it takes time, you hear a voice, perhaps it's a recitation, that's the show, someone reciting, selected passages, old favourites, a poetry matinée, or someone improvising, you can barely hear him, that's the show, you can't leave, you're afraid to leave, it might be worse elsewhere, you make the best of it, you try and be reasonable, you came too early, here we'd need Latin, it's only beginning, it hasn't begun, he's only preluding, clearing his throat, alone in his dressing-room, he'll appear any moment, he'll begin any moment, or it's the stage-manager, giving his instructions, his last recommendations, before the curtain rises, that's the show, waiting for the show.”

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Stephan Hermlin werd als zoon van joodse immigranten geboren op 13 april 1915 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 13 april 2007.

 

Die Vögel und der Test

Zeitungen melden, daß unter dem Einfluß der
Wasserstoffbombenversuche die Zugvögel über
der Südsee ihre herkömmlichen Routen ändern.

Von den Savannen übers Tropenmeer
Trieb sie des Leibes Notdurft mit den Winden,
Wie taub und blind, von weit- und altersher,
Um Nahrung und um ein Geäst zu finden.

Nicht Donner hielt sie auf, Taifun nicht, auch
Kein Netz, wenn sie was rief zu großen Flügen,
Strebend nach gleichem Ziel, ein schreiender Rauch,
Auf gleicher Bahn und stets in gleichen Zügen.

Die nicht vor Wasser zagten noch Gewittern
Sahn eines Tags im hohen Mittagslicht
Ein höhres Licht Das schreckliche Gesicht

Zwang sie von nun an ihren Flug zu ändern.
Da suchten sie nach neuen sanfteren Ländern.
Laßt diese Änderung euer Herz erschüttern...

 

 

 

 

 

De Turkse dichter Orhan Veli (eig. Orhan Veli Kanık) werd geboren op 13 april 1914 in Izmir. Zie ook mijn blog van 13 april 2007.

 

 

ALL OF A SUDDEN

 

Everything happened all of a sudden.

All of a sudden daylight beat down on the earth;

There was the sky all of a sudden;

All of a sudden steam began to rise from the soil.

There were tendrils all of a sudden, buds all of a sudden.

And there were fruits all of a sudden.

All of a sudden,

All of a sudden,

Girls all of a sudden, boys all of a sudden.

Roads, moors, cats, people...

And there was love all of a sudden,

Happiness all of a sudden.




 

AS DEATH APPROACHES

 

Toward the coming on of evening, in winter time,

At the window of a sick man's bedroom-

I'm not the only one to be so alone;

It's dark on the sea, the sky is dark, too.

Funny, how the birds are behaving tonight!

Don't mind that I'm poor, that I'm alone in the world;

-Toward the coming on of evening in winter time-

I too in my time have had my love affairs.

To be famous, to have women, to make money-

In time one gets to know the world as it is.

 

Is it because we're to die that we have these regrets?

What were we, what happened to us in this world,

In this mortal old world, except evil?

We shall be rid of our dirt at our death,

With death we'll get to be good men at last.

Being famous, having women, making money, and all-

We'll forget all that when we die.

 

 

 

SADNESS

 

I might have got angry

With those I love

If love

Hadn't taught me

To be sad.

 

 

Vertaald door Anil Mericelli

 

 

 

 

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook mijn blog van 13 april 2007.

 

 

Exposure

 

It is December in Wicklow:
Alders dripping, birches
Inheriting the last light,
The ash tree cold to look at.

A comet that was lost
Should be visible at sunset,
Those million tons of light
Like a glimmer of haws and rose-hips,

And I sometimes see a falling star.
If I could come on meteorite!
Instead I walk through damp leaves,
Husks, the spent flukes of autumn,

Imagining a hero
On some muddy compound,
His gift like a slingstone
Whirled for the desperate.

How did I end up like this?
I often think of my friends'
Beautiful prismatic counselling
And the anvil brains of some who hate me

As I sit weighing and weighing
My responsible tristia.
For what? For the ear? For the people?
For what is said behind-backs?

Rain comes down through the alders,
Its low conductive voices
Mutter about let-downs and erosions
And yet each drop recalls

The diamond absolutes.
I am neither internee nor informer;
An inner émigré, grown long-haired
And thoughtful; a wood-kerne

Escaped from the massacre,
Taking protective colouring
From bole and bark, feeling
Every wind that blows;

Who, blowing up these sparks
For their meagre heat, have missed
The once-in-a-lifetime portent,
The comet's pulsing rose.

 

 

 

 

Rite of Spring

 

So winter closed its fist
And got it stuck in the pump.
The plunger froze up a lump

In its throat, ice founding itself
Upon iron. The handle
Paralysed at an angle.

Then the twisting of wheat straw
into ropes, lapping them tight
Round stem and snout, then a light

That sent the pump up in a flame
It cooled, we lifted her latch,
Her entrance was wet, and she came.

 

 

 

 

Lovers on Aran

 

The timeless waves, bright, sifting, broken glass,
Came dazzling around, into the rocks,
Came glinting, sifting from the Americas

To posess Aran. Or did Aran rush
to throw wide arms of rock around a tide
That yielded with an ebb, with a soft crash?

Did sea define the land or land the sea?
Each drew new meaning from the waves' collision.
Sea broke on land to full identity.

 

 

 

 

Geschreven door Romenu om 20:34 Reageer op dit bericht

Scott Turow, Tom Clancy, Alan Ayckbourn, Antje Rávic Strubel, Alexander Ostrovski, José Gautier Benítez, Guillaume-Thomas Raynal, Agnes Sapper

Scott Turow (Chicago, 12 april 1949)




De Amerikaanse schrijver en jurist Scott Turow werd geboren op 12 april 1949 in Chicago. Na zij studie aan de universiteit van Harvard werkte hij van 1978 tot 1986 als officier van justitie. In deze tijd trad hij op in verschillende corruptieprocessen. Daarna begon hij boeken te schrijven, waar hij diverse keren voor werd onderscheiden. Onder andere ontving hij de Silver Dagger van de Britse Crime Writers' Association (CWA). Scott Turows boek Presumed Innocent werd in 1990 door Alan J. Pakula met Harrison Ford in de hoofdrol verfilmd. Turows romans zijn bestsellers, waarvan er wereldwijd meer dan 25 miljoen exemplaren zijn verkocht.

 

Uit: Reversible Errors

 

“Arthur Raven, his lawyer, was determined not to worry. After all, Arthur reasoned, he was not even a volunteer. Instead, he'd been drafted by the federal appellate court to ensure that after ten years of litigation, no sound arguments remained to save Rommy Gandolph's life. Worrying was not part of the job.

He was worried anyway.

"I'm sorry?" asked Pamela Towns, his young associate, from the passenger's seat. A gurgle of anguish had escaped Arthur as he had come, once again, face-to-face with himself.

"Nothing," said Arthur. "I just hate being the designated loser."

"Then we shouldn't lose." Pamela, with rosy good looks fit for TV news, flashed a bright coast-to-coast grin.

They were far from the city now, doing eighty on cruise control in Arthur's new German sedan. In these parts, the road was so flat and straight, he did not even have to touch the wheel. The prairie farmlands raced by, corn stubble and loam, silent and eternal in the wan light of morning. They had left Center City at seven to beat the traffic. Arthur hoped to hold a brief introductory meeting with their new client, Rommy Gandolph, at the state penitentiary at Rudyard and to be back at his desk by two o'clock -- or three, if be decided to risk asking Pamela to lunch. He remained intensely conscious of the young woman nearby, of the tawny hair falling softly on her shoulders and of the hand that crept to her thigh every several miles to retract the hiking of her tartan skirt.

Eager as he was to please her, Arthur could offer little hope for the case.

"At this stage," he said, "under the law, the only thing that could possibly amount to reversible error would be new evidence of actual
innocence. And we're not going to find that."

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Tom Clancy werd geboren op 12 april 1947 in Baltimore County, Maryland. Zie ook mijn blog van 12 april 2007.

 

Uit: Rainbow Six

 

“JOHN CLARK HAD MORE TIME IN AIRPLANES THAN most licensed pilots, and he knew the statistics as well as any of them, but he still didn't like the idea of crossing the ocean on a twin-engine airliner. Four was the right number of engines, he thought, because losing one meant losing only 25 percent of the aircraft's available power, whereas on this United 777, it meant losing half. Maybe the presence of his wife, one daughter, and a son-in-law made him a little itchier than usual. No, that wasn't right. He wasn't itchy at all, not about flying anyway. It was just a lingering . . . what? he asked himself. Next to him, in the window seat Sandy was immersed in the mystery she'd started the day before, while he was trying to concentrate on the current issue of The Economist, and wondering what was putting the cold-air feeling on the back of his neck. He started to look around the cabin for a sign of danger but abruptly stopped himself. There wasn't anything wrong that he could see, and he didn't want to seem like a nervous flyer to the cabin crew. He sipped at his glass of white wine, shook his shoulders, and went back to the article on how peaceful the new world was.

Right. He grimaced. Well, yes, he had to admit that things were a hell of a lot better than they'd been for nearly all of his life. No more swimming out of a submarine to do a collection on a Russian beach, or flying into Tehran to do something the Iranians wouldn't like much, or swimming up a fetid river in North Vietnam to rescue a downed aviator. Someday maybe Bob Holtzman would talk him into a book on his career. Problem was; who'd believe it-and would CIA ever allow him to tell his tales except on his own deathbed? He was not in a hurry for that, not with a grandchild on the way. Damn. He grimaced, unwilling to contemplate that development. Patsy must have caught a silver bullet on their wedding night, and Ding glowed more about it than she did. John looked back to business class-the curtain wasn't in place yet-and there they were, holding hands while the stewardess did the safety lecture. If the airplane hit the water at 400 knots, reach under your seat for the life-preserver and inflate it by pulling . . . he'd heard that one before. The bright yellow life-jackets would make it somewhat easier for search aircraft to find the crash site, and that was about all they were good for.”

 

 

  

 

 

De Britse blijspelauteur Alan Ayckbourn werd geboren op 12 april 1939 in Londen. Zie ook mijn blog van 12 april 2007.

 

Uit: Ian Watson, ‘Conversations With Ayckbourn’

 

““It was about a family - it sounds terribly banal - about a husband, his wife, his son and his daughter. The mother has got an obsession with a pop singer. She's fallen in love with him from a distance, thinks he's wonderful and swoony. She therefore rents a house in the country - (a little Anouilh coming out there: there were a lot of definite influences in this play. In fact it's Dinner With The Family, I now realise!) - in order to invite the pop singer down for a marvellous weekend with her. And she was going to pretend to be someone totally different; have no family, and be a rich woman - she'd arranged it all. The family, having got wise to this, followed her down.
“I don't quite know why he comes, but anyway he agrees to come, we find out later. The family has followed her down and is not going to let mother get away as easily as that. They say: 'All right, let him come.' She's very cross and says: 'No, you've spoiled the whole thing.' He turns up - that's me - and of course he's not at all the glittering figure of the silver screen, but shy and bespectacled and wanting a quiet time - and this he thought was it. And he's horrified to see that mother is a sort of elderly groupie. The family roars with merriment saying: 'Look, you see, look at your hero. He's really nothing very much.' At which point he bounds out and comes back again in glitter costume, twanging his guitar, saying: 'OK, this is war' - or words to that effect (I can't remember much of the plot). He gets together with the daughter eventually, and romance blossoms there. Mother finds the error of her ways and goes back to her husband. Jerry Wattis finds true love with the simple girl, and all fades into the sunset. I don't think it was very good as a play, looking back on it, but it was OK for a first one. It's not one that one would ever want to see done again.”

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook mijn blog van 12 april 2007.

 

Uit: Kältere Schichten der Luft

 

„Vom Licht wußten sie alles.
     Sie kannten es in jeder Schattierung. Sie hatten gesehen, wie es den Himmel brüchig und zerrissen erscheinen ließ oder blauschwarz gewachst. Sie wußten, wie das Licht unter anschäumenden Wolken aussah, wie es schräg einfi el am Fjäll, wie es die Felsen, hoch oben den Wald und am Seeufer das dichte Unterholz traf. Sie wußten, wie fl üchtig, wie trügerisch es war. Erstrahlte der See eben noch türkis bis zum Grund, lag er im nächsten Moment schon stumpf und geschlossen da wie Asphalt.Sie hatten gesehen, wie das Licht bei Regen Kiefern und Brombeerbüsche matt erscheinen ließ, sie hatten gesehen, wie es morgens um vier auf vom Steinschlag verwüsteten Straßen und mittags auf dem kurzgeschnittenen Rasen schwedischer Vorgärten war. Sie kannten es in von Hitze flirrendem Gelb, im grünlichen Schimmer des Abends, sie konnten sagen, wie es über dem Dach des Geräteschuppens an verhangenen Tagen aussah.
     Sie wußten, wie sich Gesichter verändern, wenn grell das Licht auf sie fällt. Wer morgens aus den Zelten kam und zur Waschstelle ging, mußte den Grasplatz überqueren, den sie aus dem Wald geschlagen hatten. Dort wurden die Gesichter stabil.
     Sie wechselten vom milchigen Grau, der Farbe der Nacht, in eine herbe, geschliffene Bräune. Das wußten sie. Sie sahen es jeden Morgen.
     Und später, wenn nur noch wenige Wolken am Himmel waren, bekam diese Bräune eine Schärfe, wie sie Gesichter nur hier, auf dieser Landspitze hatten. Es war brutal, wie die Sonne schien.
     Keiner von ihnen hat über das Licht gesprochen.
     Es gab andere Dinge zu bereden. Sie mußten sich um die Zeltwände kümmern, die im Sturm gerissen waren, die jetzt wie abgezogene Häute auf dem Rasen lagen und ausgebessert werden sollten. Sie hatten für Nachschub zu sorgen, für die Verpfl egung, die jeden Sonnabend aus Berlin kam, sie telefonierten oft. Sie bestellten Kartoffeln und Kaffee nach, Grillkohle und Würstchen und Reis, und niemals vergaßen sie Obst, denn das Obst war in diesem Sommer in Schweden besonders teuer. Sie schickten die eintreffenden Jugendgruppen in festgelegter Reihenfolge auf die Seen, zuerst in den kleinen Stora Le und dann auf den windgepeitschten Foxen, sie gaben kopierte Outdoor-Kochbücher an die Teamer aus, damit die wußten, wie viele Bohnenbüchsen abends in die Chili-Pfanne kamen. Im Küchenzelt wurden Verpflegungstonnen für eine Woche gepackt.
     Sie erklärten, wie man über offenem Feuer kocht, und gaben unten am Steg die Boote aus. Es waren schmale Kanus für zwei Personen aus hellgrauem Leichtmetall. Der Ghettoblaster lief den ganzen Tag.”

 

 

 

 

 

De Russische toneelschrijver Alexander Nikolajewitsj Ostrovski werd geboren op 12 april 1823 in Moskou. Zie ook mijn blog van 12 april 2007.

 

Uit: POVERTY IS NO CRIME

 

KORSHUNOV: What are you crying about, young lady? For shame, for shame! He, he, he! There! I'm older than you, and I don't cry. [Looks at her searchingly.] Oh, well, I know what it's about! I suppose you want to marry a young fellow? Now, this, my pretty one, is just girlish folly. Now, just listen to what I'm going to tell you; I'll tell you the truth straight out. I don't like to deceive any one, and have no need to. Will you listen, eh? Good! Now, we'll begin with this point. Will a young man appreciate your love? Any girl will love a young man; that is nothing unusual for him; but to an old man it is precious. An old man will reward you for your love with some little gift, this and that--with gold, and with velvet--and there's nothing he won't give you. And in Moscow there are lots of nice things in the shops; there are things worth giving! So it's nice to fall in love with an old man. That's number one for you! And then this is what happens with a young and good-looking husband. You see they are a fickle lot! Before you know it he will be running after some one else, or some young lady will fall in love with him, and then his wife may pine away. Then come reproaches and jealousy. And what is this jealousy, eh? He, he, he! Do you know, young lady, what this jealousy is? It isn't like a needle prick in the finger; it's far more painful than that. You see the cursed thing consumes a man. From jealousy people stab one another, and poison one another with arsenic! [Laughs spasmodically and coughs.] But when any one falls in love with an old man, then all is peaceful for his wife. And here's something else I will tell you, my dear young lady: Young men like to go on sprees; they like gayety and distraction, and all sorts of dissipations, and their wives may sit at home and wait for them till midnight. And they come home drunk, and bully their wives, and swagger. But an old man will just sit near his wife; he'll die before he'll leave her. And he would like to look into her eyes all the time and to caress her and to kiss her hands. [Kisses them.] Just like that.

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 12 april 2007.

 

De Puertoricaanse dichter José Gautier Benítez werd geboren op 12 april 1848 in Caguas.

 

De Franse schrijver Guillaume-Thomas Raynal (Abbé Raynal ) werd geboren op 12 april 1713 in Lapanouse de Séverac.

 

De Duitse schrijfster Agnes Sapper werd geboren op 12 april 1852 in München.

 

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

VSB Poëzieprijs voor Leonard Nolens

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)





De Vlaamse dichter en schrijver  Leonard Nolens heeft gisteravond in De Rode Hoed in Amsterdam de vijftiende VSB Poëzieprijs gekregen voor zijn vorig jaar verschenen bundel Bres. De VSB Poëzieprijs is de belangrijkste dichtersprijs in het Nederlandse taalgebied. De prijs omvat 25.000 euro en een beeldje van Linda Verkaaik. Zie ook mijn blog van gisteren, 11 april 2008.

 

 

Zonder mij

 

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.

Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven

Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,

Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

 

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven.

Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,

Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.

Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

 

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.

Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.

Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,

Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

 

 

 

 

Schatplichtig

 

Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers
Van het huis waarin ik slaap met mijn vriendin.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen,
Een groot en lastig beeld waaraan ik mij moet stoten,
Een scherp gewicht dat ik moet dragen alle dagen,
Alle nachten dat haar slaap me uit de slaap houdt.

 

Ik ben met haar alleen. Alleen met haar kom ik
De jaren afgewandeld want haar naam wijst me de weg
En in haar blik zie ik mijn blinde tijd weerspiegeld.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen
Waaraan ik heel mijn bot bestaan geslepen heb
En slijp, ook als ik slaap en roepend van haar droom.

 

 

 

 

Uit de tijd

 

Ik rijd naar huis in de bellende leegte
Van de laatste tram. Het wordt mijn tijd.

 

Verlaten straten komen samen, gaan uiteen
Op steeds dezelfde, stroevende punten.

 

Ik zit in mijn ijzer, lees de haltes, steeds
Dezelfde, door het raam dat wie weerkaatst.

 

Ik zoen de koude naam op de achterkant
Van mijn adres, verscheur de enige brief.

 

Het maanwit heeft weer niets verklaard.
De nacht bezit geen grond om op te rusten.

 

Het is vroeg in de slapende stad.
Het is laat in mijn slapeloos leven.

 

Geschreven door Romenu om 18:16 Reageer op dit bericht

Leonard Nolens, Mark Strand, Attila József, Rolf Schilling, Hartmut Barth-Engelbart, Barbara Köhler, Walid Soliman, Luise Gottsched, Sándor Márai

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

Foto van Diana Ozon




De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Hij wordt beschouwd als één van de belangrijkste levende dichters uit België. Hij debuteerde met de dichtbundel Orpheushanden. Nolens woont in Antwerpen, waar hij werkzaam is als free lance vertaler. Hij was redacteur van het tijdschrift ‘Labris’ van 1969 tot 1973. Zijn voorlaatste boek is de verzamelbundel Laat alle deuren op een kier. Zijn laatste boek is de dichtbundel "Een dichter in Antwerpen". Nolens werd bekroond met de prijs van het beste literaire debuut in 1974 voor ‘De muzeale minnaar’, de Arkprijs van het Vrije Woord en de Poëzieprijs van de provincie Antwerpen in 1976 voor ‘Twee vormen van zwijgen’, de driejaarlijkse Hugues C. Pernathprijs en de Poëzieprijs van de provincie Limburg in 1980 voor ‘Alle tijd van de wereld’ en de tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse Gids in 1984 voor ‘Vertigo’.

 

Nostalgie

 

O nee, ik wil niet weer, wil nooit meer wakker worden
Van die vleugel, zacht, die traag de trap op wandelt, hoog

Tot in de nok - wolken blauwe vlinders strijken

Op me neer, mijn bed hangt er te schommelen

Van die muziek, o nee, o nee, ik wil niet weer,

 

Niet op de bovengang het dunne lachen horen

Uit de meisjeskamer dat daar nooit is uitgestorven, geen

Raad en slaag meer krijgen van zijn machteloze handen

Die dit schrijven, niet meer eten uit vier monden tegelijk

Van al mijn moeders, liefsten! Nee, ik wil niet meer.

 

Maar geef mij af en toe de duisternissen weer

Van toen ik veertien was, een onuitsprekelijkheid

Waarvoor ik 's avonds op mijn knieën val, een vrouw

Die zich verstopt in de brandende wolken van mijn gedachten,

En nachten waarin ik mijn licht nog niet heb opgestoken.

 

Alles wordt zo simpel in de lastige herhaling van de dagen,

In het koelbloedig ritme van een zon die ons beschijnt

Met haar wiskundige warmte, alles schijnt verklaard -

Wij zijn er, en wij moeten ons verspillen aan elkaar

Gespiegeld, bloot en broos, verkleind van mens tot men.

 

 

 

 

Ons huis

 

Altijd ligt, in die langzame zomer van ooit en misschien,

Ons huis te wachten, het witte gedachte, hemelhoog

De heuvels in geslingerd door een uitbundige bosgod.

Het staat in ons nog steeds naar alle kanten open

Te dromen van gastvrije paden waar de zielen lopen

Van onze doden, zij die uit hun hel naar boven komen

Om moegestorven hier in onze kussens neer te zinken.

Ook vreemden zullen er hun toekomst komen drinken

Uit de diepe kelen van onze verwisselde namen.

 

 

Vader en zoon

 

Als ik je sloeg was het mijn vlees dat vroeg om slaag.

Als ik je zoen zoek ik verzoening met mezelf.

Nu jij me hier ziet zitten, vindende verlorenheid

Die ons nog niet begrijpt, heb jij jezelf gehoord.

 

Kijk ik in mijn ogen als jij bang mijn blik ontwijkt?

En hoor ik iedereen als jij weer zwijgt: ‘Ik ben alleen’?

Alleenzijn is voor mij een raar substantief, voor jou

Een onbepaalde wijs. Maar je 18 is mijn 41 waard.

 

Onze leeftijd zonder beroep, onze naam zonder adres -

Wat kun je dan nog leren van een kind, een man als ik?

Dat je mijn vlees moet slaan en zoenen, vechtend

Tegen dit hevige doodgaan dat ik op vader bevocht.

 

 

 

 

 


De Amerikaanse dichter en schrijver Mark  Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

Uit: Poetry in the World

 

“I usually have no idea what I will say before I begin to write. This is especially true with poems, and only slightly less so with lectures or essays. I write to find out what I have to say—not what I have to say about a given subject, but simply what I have to say. Not that I find a prescribed subject too limiting, it's just that to address a particular subject might cast me in the role of an expert, which is preposterous. And yet, as it happens, I am sometimes given not just a subject for the lecture I must deliver, but a title as well. I was for this evening's, and I welcomed it—it seemed grand, even uplifting. "Humanities and the Public Sphere." "Ah yes!" I thought, "a fitting topic." But after struggling around for a few days, trying to think of what I might say, and how I might say it, I decided to change the title. I wanted one that would fall in line—almost magically—with what I might say. After all, I no longer knew what the humanities were, even though the changes that have taken place in that area of study over the past half-century have been well documented and tirelessly speculated on; and I didn't really grasp the notion of "public sphere," which, though a phrase commonly used, struck me as excessively abstract. So I came up with the less weighty "Poetry in the World." Although using "world" in the title did make me think—to be poetic for a moment—that I had bitten off more than I could possibly chew.”

 

***

 

Gedichten eten

Inkt druipt langs mijn mondhoeken.
Niemand is zo gelukkig als ik.
Ik heb gedichten gegeten.

De bibliothecaresse gelooft niet wat ze ziet.
Haar ogen staan bedroefd
en ze loopt met de handen in haar jurk.

De gedichten zijn op.
Het licht is zwak.
De honden op de keldertrap komen naar boven.

Hun oogballen rollen.
Hun blonde poten branden als braam.
De arme bibliothecaresse begint stampvoetend te huilen.

Ze begrijpt het niet.
Wanneer ik op mijn knieën val en haar hand lik,
schreeuwt ze.

Ik ben een nieuw mens.
Ik grom naar haar en blaf.
Ik dartel van genot in de boekige nacht.

 

 

Vertaald door Wiljan van den Akker

 

 

 

 

 

 

De Hongaarse dichter Attila József werd geboren op 11 april 1905 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

What Will Become of Him...

What will become of him, whoever
has got no handle to his hoe,
upon whose whiskers crumbs don't quiver,
who dawdles, gloomy, thrawn, and slow;
who would from half a furlong's hoeing
keep one potato out of three,
whose hair falls out in patches, growing
bald unnoticed - who'd care to see?

 

What will become of him, whoever
has but five acres under crops,
whose draggled hen clucks at the stover,
whose thoughts nest in a mudhole's slops;
when no yoke clinks, no oxen bellow;
when mother serves the family soup
and steam from a liquid weak and yellow
drifts from the bottom of the scoop?

 

What will become of him, whoever
must live alone and work alone;
whose stew has neither salt nor savour,
the grocer gives no tick nor loan;
who has one broken chair for kindling,
cat sitting on the cracked stove's shelf;
who sets his keychain swinging, jingling,
who stares, stares; lies down by himself?

 

What will become of him, whoever
works to support his family;
the cabbage-heart they quarrel over,
the film the big girl gets to see;
always the laundry - dirt's slow strangling -
the wife's mouth tastes of vegetables,
and when the light's off, silent wrangling,
gropings, eavesdroppings, darkness, rules?

 

What will become of him, whoever
idles outside the factory,
a woman meanwhile hauls the lever,
a pale-skulled child sets the fusee;
when through the gates he gazes vainly,
vainly humps bags and market-creels -
he dozes, they rouse him inhumanely,
and always catch him when he steals?

 

What will become of him, whoever
weighs out potatoes, salt, and bread,
wraps them in newsprint's inky flavour,
and doesn't brush the scales he's read;
and in the gloom he dusts, complaining,
the rent is high, the tax is keen,
the price - but what's the use explaining
the extra charge for kerosene?

 

And what will come of him, whoever
knows he's a poet, sings his fears,
whose wife mops up the floor forever,
who chases copy-work for years;
whose name's a brand-name, if he has one,
just like a soap or cooking-fat,
whose life is given, if he has one,
all to the proletariat?

 

 

 

 

The Scream

Love me wildly, to distraction,
scare away my huge affliction,
in the cage of an abstraction,
   I, an ape, jump up and down,
bare my teeth in malediction,
for I have no faith or fiction,
   in the terror of His frown.

 

Mortal, do you hear my singing,
or mere nature's echoes ringing?
Hug me, don't just stare unseeing
   as the sharpened knife comes down -
there's no guardian that's undying
who will hear my song and sighing:
   in the terror of His frown.

 

As a raft upon a river,
Slovak raftman, whosoever,
so the human race forever
   dumb with pain, goes drifting down -
but I scream in vain endeavour:
love me: I'll be good, I shiver
   in the terror of His frown.

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Rolf Schilling werd geboren in Nordhausen in de Harz op 11 april 1950. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

 

BABYLON

Sag, hast du Babylon gekannt,
Das Löwentor, die Wappenwand,
Den Himmel, hell und morgenweit?
Dort leg den Stab aus deiner Hand,
Dort kehrst du ein, vom Traum gebannt,
Am Ausgang jeder Ewigkeit.

Dort bist du Schweifender zuhaus
Im Wortgewirr, im Labyrinth.
Die Schwalben fliegen ein und aus,
Geheime Kunde weiß der Wind.

Ein Sperber, Spender dunklen Lichts,
Erbarmt sich deiner Ungeduld,
Versinkst du, starren Angesichts,
In seines Fittichs grauer Huld.

Du hast kein neues Reich entfacht,
Hast nur, geneigt ins Niezurück,
Uraltes endlich heimgebracht:
Den Abgesang, das Ernteglück,
Die letzten Flüge vor der Nacht.

Nun holt dich keine Zeit mehr ein,
Was jemals werden kann, verging,
Was morgen war, wird gestern sein,
Beginn und Ende schließt der Ring.

Fern aller Bitte, allem Ruf,
Tritt vor, nimm dein verheißnes Los.
Blind war der Gott, der dich erschuf,
Blind kehrst du heim in seinen Schoß.

Sag, hast du Babylon gekannt,
Den Regenbogen, weit gespannt,
Verschwistert allem Einst und Je?
Die Morgenhimmel sind verbrannt,
Von morschen Schwingen stäubt der Sand,
Und Schnee wird sein, viel Schnee.

 

 

 

YPSILON-SONETT

Wenn Hyazinth im Schimmerer der Berylle
Krystallen sich erblickt, wächst der Polyp
Zur Hyder, daß die Pythische Sibylle
In Hieroglyphen sich und Hymnen üb.

Hyperborea grünt, es fügt der Skythe
Den Zweig zur Zwille: Hütet Yggdrasil
Walkyren androgyn, blüht aus der Mythe
Der Thyrsos wie aus Krypten das Reptil.

Syrinx ertönt im Rauschen der Charybden,
Der Python paart im innersten Ägypten
Des Goldes Glanz der Schwärze des Onyx.

Zypresse hüllt die Myrte, doch dem Mysten
Entbietet Sphinx im Spiegel amethysten
Asyl, bis der Olymp sinkt im Styx.

 

 

 

 

 


De Duitse schrijver, dichter, musicus, liedjesmaker, zanger en graficus
Hartmut Barth-Engelbart werd geboren op 11 april 1947 in Michelstadt.
Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

Heidelberg

 

Heidelberg 
auf deinen Brücken 
stand ich 
den schalen Nachgeschmack 
glänzender Feste 
im Gaumen 
den beklemmenden Rauch 
deiner engen Altstadt 
atmend 
und deiner Schönheit 
nicht gedenkend 
Heidelberg 
du grausame Schöne 
zerschneidest mir mein Ich 
läßt mich den Mittelpunkt 
das Gleichgewicht 
verlieren 
und meine Gedanken 
den Neckarwellen gleich 
in ein Meer 
von Heimweh fließen - 
Wohin? 
Ich kannte mein Ziel 
doch du bringst mich ab 
vom Wege 
und fesselst mich 
wie eine Frau 
für vierundzwanzig Stunden 
Und mittags 
Heidelberg und abends 
und nachts 
auf deinen Brücken 
stehe ich 
den schalen Nachgeschmack 
glänzender Feste 
den Rückblick 
deiner Augen 
im Nacken 
den beklemmenden Rauch 
deiner engen Altstadt 
zitternd fiebernd 
röchelnd atmend 
und deine Schönheit 
nimmt mich in ihre 
feuchten kalten Arme 
deckt über mich 
ihr Nebelschleierhaar 
das mir im Fallen noch 
den Blick 
zum Sternenhimmel 
nimmt 

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Barbara Köhler werd geboren op 11 april 1959 in Burgstädt. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

 

 

Gedicht

 

ich nenne mich du weil der Abstand

so vergeht zwischen uns wie Haut

an Haut wir sind nicht

zu unterscheiden zu trennen eins

und das Andere die Grenze ist

die Verletzung der Übergang

eine offene Wunde du nennst mich

ich wer von uns beiden sagt

hier hast du ein Messer

mach meinen Schnitt.

 

 

 

guten tag

immer hinterher im regen stehen
gelassen bleiben als ob gehen
die frage sei: dahingestellt
& was aus allen wolken fällt

mir zu betrifft mich offenherzig
verheult verlacht den rest verschmerz ich
vergeh verkomme auf dich zu
entferne mich was bleibt bist du

bei trost bei dir beizeiten
JUST TRAVELLIN‘ es kommt nicht an
auf sprüche soviel ist versprochen

und haltlos was ich sagen kann
verstummt verspielt zwischen uns beiden
der regen naß bis auf die knochen

 

 

 

Rondeau Allemagne

 

Ich harre aus im Land und geh, ihm fremd,

Mit einer Liebe, die mich über Grenzen treibt,

Zwischen den Himmeln. Sehe jeder, wo er bleibt;

Ich harre aus im Land und geh ihm fremd.

 

Mit einer Liebe, die mich über Grenzen treibt,

Will ich die Übereinkünfte verletzen

Und lachen, reiß ich mir das Herz in Fetzen

Mit jener Liebe, die mich über Grenzen treibt.

 

Zwischen den Himmeln sehe jeder, wo er bleibt:

Ein blutig Lappen wird gehißt, das Luftschiff fällt.

Kein Land in Sicht; vielleicht ein Seil, das hält

Zwischen den Himmeln. Sehe jeder, wo er bleibt.

 

 

 

 

 

De Tunesische dichter, schrijver, essayist en vertaler Walid Soliman werd geboren op 11 april 1975 in Tunis. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

Lameness

 

The girl I thougt lame

Had her heel broken

In the stairs

 

 

 

My life without you

 

Like a tree without a shadow

Like a pearl without glitter

Like a moon without rays

Thus was my life without you

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 11 april 2007.

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Luise Adelgunde Victorie Gottsched<

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Leo Vroman, Paul Theroux, Stefan Heym, Richard Wagner, William Hazlitt

Leo Vroman (Gouda, 10 april 1915)







De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Voor wie dit leest

 

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen ? Ik kan U niet bereiken.

 

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.

Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord, of spreek het uit.

 

Menige verzen heb ik al geschreven,

ben menigen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven:

liefde is het enige.

 

Liefde is het meestal ook geweest

die mij het potlood in de hand bewoog

tot ik mij slapende voorover boog

over de woorden die Gij wakker leest.

 

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn

en door de letters heen van dit gedicht

kijken in Uw lezende gezicht

en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

 

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

 

Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

ik heb je zo lief.

 

 

 

 

 

De Verstandige Dolfijnen

 

Dolfijnen woonden lang geleden
in Kiev, Kleef en andere steden.

Ze hadden talk, thee en handen,

en consuls in de meeste landen.

 

Maar één dolfijn vond eerst het kruit

en toen zelfs de atoombom uit.

 

Zij riep: 'Wij zijn te ver gegaan !

Terug ! Terug naar de oceaan !'

 

Zij wierp zich jurk en al in zee.

Alle anderen doken mee,

 

en zij verloren in het schuim

weer bril en opponeerbare duim.

 

Moraal

 

Dolfijnen ! Schatjes ! Maak ruim baan,

wij komen achter jullie aan.

 

 

 

 

Bloemen

 

Als alle mensen eensklaps bloemen waren

zouden zij grote bloemen zijn met lange snorren.

Vermagerde vliegen, dode torren

zouden blijven haken in hun haren.

Tandestokers, steelsgewijs-ontsproten,

zouden zwellen tot gedraaide tafelpoten,

katoenen knoppen zouden openscheuren

tot pluche harten die naar franje geuren,

 

en op de bergen zouden gipsen zuilen staan

die gipsen druiven huilen.

 

Op het water dreven bordkartonnen blaren,

de vlinders vielen uit elkaar tot losse vlerken

en van geur verdorden alle perken

als alle mensen eensklaps bloemen waren.

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Edward Theroux werd geboren op 10 april 1941 in Medford, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: The Elephanta Suite

 

 

„Tough question," Audie said. "This time of year we're usually in our house in Florida. We've got an apartment in New York. We mostly spend our summers in Maine. We've got a condo in Vermont, ski country. Take your pick."

But the woman wasn't listening to him. She was talking about her daughter, who lived in New York City and was now twenty-seven and a little overdue to be married. They — mother and father — were in India to meet the parents of a boy they hoped would be a suitable husband. The boy happened to be living in Rochester, New York, where he taught engineering.

"Arranged marriage," she said. "Best way."

She seemed to be twinkling with defiance, challenging Audie to question her adherence to the custom of arranged marriage. He enjoyed hearing her overselling it.

"Rupesh and I were arranged by our parents. Americans find it so funny." She shrieked a little and wobbled her head. "I didn't know his name. Only his horoscope. He was almost stranger to me. Almost thirty years together now!"

While insisting on her approval of the custom of arranged marriage, she was also presenting herself as an antique, if not an oddity, and wished to be celebrated that way. She lived in the USA; she had shocked her American friends with this sort of talk and was defying Audie to be shocked. But Audie decided to defy her in return by smiling at her.

"Beth was a stranger to me when we met, too," he said. "Picked her up in a bar."

He overheard the Indian man — Bill? Rupesh? — say, "vas vesting away" and "his own urine" — and he turned away from the man's disappointed wife.

"My father," the man said, glad for another listener. "He was in intensive care at Georgetown Medical Center. They said they couldn't do any more for his condition, which was inoperable cancer of pancreas. 'He will be more comfortable at home.' They were abandoning him, no question. He was wasting. As last resort we saw a yogi. He prescribed the urine cure. My father was instructed to drink a beaker of his own urine first thing in morning. He did so. After a week he grew stronger. Appetite came back. Hunger was there. Thirst was there. Second week, my God, he began to put on weight. Skin better, head clear. Third week he was walking a bit. Balance was there. Two months of this, drinking urine, and body was clear. Doctor said, 'Miracle.'"

 

 

 

 

De Duitse schrijver Stefan Heym (eig. Hellmuth Flieg) werd geboren op 10 april 1913 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: Immer sind die Männer schuld

 

“Ich erinner mich noch. Da war eine Zeit, wo ich ein heiterer Mensch war und herumgelaufen bin mit leichtem Herzen oder zumindest ausgeglichen in meinem Geist; aber jetzt denk ich immer sofort, was hab ich schon wieder gemacht, der Fleck auf dem Hemd, wo kommt der Fleck her, es hängen doch genug saubere Hemden im Schrank, und  die alte zerbeulte Hose, immer läufst du herum  wie ein Schlump, besonders wenn wir wollen ausgehen, kannst du nicht selber auf dich achten;  und in mir fängt etwas an zu wuchern, ich weiß nicht was, aber wenn ich erzähl davon meinem Freund, dem Professor Mendel, dem bekannten

Seelenauseinandernehmer, sagt der, Das ist dein Schuldbewußtsein; wenn alles immer schiefgeht und sich verhakelt, muß einer doch daran schuld haben, und wer kann das sein nach Lage der Dinge? – nur du. Und sowieso sind immer die  Männer schuld.

Und ich spür wie mein Schuldbewußtsein  immer mehr wuchert in meinem Innern, und ich

sag mir, ich muss nachdenken wie ich’s nur fertigbringen möcht daß mir nicht immer alles danebengeht und die Menschheit mich liebt und respektiert, und besonders mein Weib. Und ich frag sie, was soll ich nur machen, Liebste, daß ich nicht völlig verkomm, ich bin doch früher ein richtig was man nennt ein patenter Mensch gewesen und hab dir ein Glück gegeben schon am frühen Morgen.“

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Richard Wagner werd geboren op 10 april 1952 in Lowrin, in Roemenië. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: Miss Bukarest

 

„Als Wasserleiche liegt sie nun vor ihm - Erika. Seine Landsfrau, wie Schelski mit einem Seitenblick auf Dino Schullerus sagt. Ob er sie kenne? Ob Schelski glaube, alle Rumaenen wuerden sich automatisch kennen? Ausserdem, aber das erwähnt Schullerus nicht, ist die tote Frau da vor ihnen keine Rumänin sondern genaugenommen eine Banater Schwäbin. Aber damit hätte er schon wieder verraten, dass er sie kennt.

Ja, er kennt diese Erika schon sehr lange. Sie waren eng befreundet, alle drei - Erika, Lotte und Dino. Voller Idealismus. Und als dann der Prager Fruehling ploetzlich die Gefahr birgt, dass die Russen auch Rumänien besetzen, beschliesst Dino, der Securitate beizutreten. Mit den lautersten Absichten - sein Land vor der Okkupation zu bewahren. Das zumindest zu Beginn. Denn schon rasch wird er fuer ganz andere Dienste eingesetzt. Spitzel spielen. Menschen unter Druck setzen. Auf die intellektuelle Schicht hat man es ganz besonders abgesehen. Und Erika hat besonders engen Kontakt zu ihnen. Ausserdem ist sie mit einem Deutschen liiert und will mit ihm in den Westen. Eine Information, die Dino eigentlich weitergeben muesste. Aber trotz der Gefahr, dass auch diese Information irgendwo abgehoert worden war, meldet er nichts.

Sie war also in den Westen gegangen. Nicht lange danach hatte sich auch Dino mit seiner Familie nach Deutschland abgesetzt. Heimlich. Das Versprechen seiner Frau Lotte gegenueber eingeloest - ihr Preis dafür, dass sie ihn trotz des Verhältnis zu Erika nicht verlassen hatte. Aber was kann ein Securitate-Mann in Deutschland machen? Das, was er immer schon am besten konnte - Leute bespitzeln. Und so war er in der Detektei gelandet, die eines Tages den Auftrag erhielt, eine Ehefrau zu beschatten. Die sich als die lange verschollene Erika entpuppt.“

 

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver en essayist William Hazlitt werd geboren op 10 april 1778 in Maidstone. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: On poetry

 

„The remarks which have been here made, would, in some measure, lead to a solution of the question of the comparative merits of painting and poetry. I do not mean to give any preference, but it should seem that the argument which has been sometimes set up, that painting must affect the imagination more strongly, because it represents the image more distinctly, is not well founded. We may assume without much temerity, that poetry is more poetical than painting. When artists or connoisseurs talk on stilts about the poetry of painting, they show that they know little about poetry, and have little love for the art. Painting gives the object itself; poetry what it implies, Painting embodies what a thing contains in itself: poetry suggests what exists out of it, in any manner connected with it. But this last is the proper province of the imagination. Again, as it relates to passion, painting gives the event poetry the progress of events: but it is during the progress, in the interval of expectation and suspense, while our hopes and fears am strained to the highest pitch of breathless agony, that the pinch of the interest lies.

 

Between the acting of a dreadful thing
And the first motion, all the interim is
Like a phantasma or a hideous dream.
The mortal instruments are then in council;
And the state of man, like to a little kingdom,
Suffers then the nature of an insurrection.

 

But by the time that the picture is painted, all is over. Faces are the best part of a picture; but even faces are not what we chiefly remember in what interests us most, -- But it may be asked then, Is there anything better than Claude Lorraine's landscapes, than Titian's portraits, Raphael's cartoons, or the Greek statues? Of the two first I shall say nothing, as they are evidently picturesque, rather than imaginative. Raphael's cartoons are certainly the finest comments that ever were made on the Scriptures. Would their effect be the same if we were acquainted with the text? But the New Testament existed before the cartoons. There is one subject of which there is no cartoon, Christ washing the feet of the disciples the night before his death. But that chapter does not need a commentary! It is for want of some such resting place for the imagination that the Greek statues are little else than specious forms. They are marble to the touch and to the heart. They have not an informing principle within them. In their faultless excellence they appear sufficient to themselves. By their beauty they are raised above the frailties of passion or suffering. By their beauty they are deified. But they are not objects of religious faith to us, and their forms are a reproach to common humanity. They seem to have no sympathy with us, and not to want our admiration.

 

 

 

Geschreven door Romenu om 20:30 Reageer op dit bericht

Charles Baudelaire, Joolz Denby, Johannes Bobrowski, Arnold Stadler, Lev Kopelev, Bernard-Marie Koltès

Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)








De Franse dichter
Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

 

La Beauté

 

Je suis belle, ô mortels! comme un rêve de pierre,
Et mon sein, où chacun s'est meurtri tour à tour,
Est fait pour inspirer au poète un amour
Eternel et muet ainsi que la matière.

 

Je trône dans l'azur comme un sphinx incompris;
J'unis un coeur de neige à la blancheur des cygnes;
Je hais le mouvement qui déplace les lignes,
Et jamais je ne pleure et jamais je ne ris.

 

Les poètes, devant mes grandes attitudes,
Que j'ai l'air d'emprunter aux plus fiers monuments,
Consumeront leurs jours en d'austères études;

 

Car j'ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belles:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!

 

 

 

 

De profundis clamavi

 

J'implore ta pitié, Toi, l'unique que j'aime,
Du fond du gouffre obscur où mon coeur est tombé.
C'est un univers morne à l'horizon plombé,
Où nagent dans la nuit l'horreur et le blasphème;

 

Un soleil sans chaleur plane au-dessus six mois,
Et les six autres mois la nuit couvre la terre;
C'est un pays plus nu que la terre polaire
— Ni bêtes, ni ruisseaux, ni verdure, ni bois!

 

Or il n'est pas d'horreur au monde qui surpasse
La froide cruauté de ce soleil de glace
Et cette immense nuit semblable au vieux Chaos;

 

Je jalouse le sort des plus vils animaux
Qui peuvent se plonger dans un sommeil stupide,
Tant l'écheveau du temps lentement se dévide!

 

 

 

 

Je te donne ces vers afin que si mon nom

 

Je te donne ces vers afin que si mon nom
Aborde heureusement aux époques lointaines,
Et fait rêver un soir les cervelles humaines,
Vaisseau favorisé par un grand aquilon,

 

Ta mémoire, pareille aux fables incertaines,
Fatigue le lecteur ainsi qu'un tympanon,
Et par un fraternel et mystique chaînon
Reste comme pendue à mes rimes hautaines;

 

Être maudit à qui, de l'abîme profond
Jusqu'au plus haut du ciel, rien, hors moi, ne répond!
— Ô toi qui, comme une ombre à la trace éphémère,

 

Foules d'un pied léger et d'un regard serein
Les stupides mortels qui t'ont jugée amère,
Statue aux yeux de jais, grand ange au front d'airain!

 

 

 

 

 

 

De Engelse dichteres, schrijfster en “spoken-word artist” Joolz Denby werd geboren op 9 april 1955 in Colchester. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

Uit: Wild Thing

 

“All of it. I had all of it, and more. Jesus, the tales I could tell - not that anyone would believe me because they wouldn't be about how great it all was and what fascinating and worthwhile people boy-bands, pop-whores and rock musicians are. Or MP's, newscasters, actors and celebrity chefs either, for that matter. Those stories wouldn't tow the party line, boost the media profile, you see. Ha! Christ, far from it - like, remember that MP, the one who was on the box all the time saying how Britain should return to a state of decency and Christian principles? Him with the blond hair and fat red face? Yeah - you know. I once saw him at a party stark naked on all fours on a dining table, coked off his tits, eating - well, yeah, not the entrées anyway. People were cheering him on while they shook bottles of Moet up and sprayed him and his - dinner - with them. Cool, eh? Right.

But I won't name the names. Why should I? Call it a point of honour. I didn't tell then and I won't now. The likes of that tosser get theirs one way or another without my help. I'm no kiss-and-tell-whore, whatever else I may be.

Jesus, it's so cold here, freezing, I'm freezing. I've run out of oil for the heaters and it's coming winter in earnest out here. The van's dead, too, battery or something - what do I know about cars? Shag all, as it goes. I should have got Evan out to fix it but it didn't seem urgent two days ago. Two days, is it only two days? I ought to phone him, I should phone Evan, he'd help me, he likes me even though I'm English but I - I can't seem to - I don't know. I think this is it. Last night was - I can't think about it, I can't. What have I done? God in heaven, what have I done? I thought I was right, you know? I was so convinced I was right, I thought I was doing the decent thing, being stand-up, a real heroine. But it's such a mess, such a fucking mess.”

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

Sprache

 

Der Baum

größer als die Nacht

mit dem Atem der Talseen

mit dem Geflüster über

der Stille

 

Die Steine

unter dem Fuß

die leuchtenden Adern

lange im Staub

für ewig

 

Sprache

abgehetzt

mit dem müden Mund

auf dem endlosen Weg

zum Hause des Nachbarn.

 

De Duitse schrijver Arnold Stadler werd geboren op 9 april 1954 in Meßkirch. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

Uit: Komm, gehen wir

 

1. Komm, gehen wir. Und sie gingen

Eigentlich waren sie nur zum Braunwerden hierher gekommen.
Deswegen waren sie hier. Und das Meer sehen wollten sie. Und nichts tun. Und sonst gar nichts.

Gerade hatte Jim sie um einen Schluck Wasser gebeten und sich neben sie auf sein kleines Handtuch gesetzt. So begann ihre Geschichte. Und wie jede Liebe begann auch diese mit
einem Blick.

Das wusste er aus den Liebesfilmen. Es war eine alte Sehnsucht, mit der ihn Tante Paula infiziert
hatte. Sie liebte Capri, muss es geliebt haben, denn anders ließ es sich nicht erklären, dass sie wie ein Kind sprach, wenn sie davon erzählte. Das Schönste auf der ganzen Welt!, sagte sie, wie Kinder sagen. Roland sah sie noch mit diesem Satz dastehen und hörte noch das Ausrufungszeichen hinter auf der ganzen Welt.
Vielleicht war es auch wegen der Liebe, von der Roland damals noch nicht viel wusste, dass es immer Capri sein musste. Und die Liebe einer alten Frau gab es für ein Kind von einst ohnehin nicht – solche Sätze waren Roland in den Sinn gekommen, als ihm diese Frau in den Sinn kam. Die Erinnerung war Schnee von gestern und das Kapital von Schriftstellern und
Verliebten, die ihre große Zeit hinter sich hatten.
Tante Paula hat ihnen jedes Jahr eine Karte von diesem Meer und den Felsen geschickt. So sah er auch nebenbei zum ersten Mal das Meer. Als Kind saß er auf ihrem Schoß, wenig
später hat sie seinen Händen Manieren beibringen wollen, dann die ersten Worte Französisch. Sie sah, wie er wuchs, und jedes Mal, wenn sie zu ihnen nach Hause kam, das war
einmal im Jahr, sah Paula, wie er Fortschritte gemacht hatte im Leben. Später, als sie wieder in die Nähe gezogen war, an den See, in der Illusion, zu Hause stürbe es sich leichter, hat sie immer wieder nach ihm gefragt, er solle sie doch einmal besuchen.“

 

 

 


 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 april 2007.

 

De Russische schrijver Lev Zinovevitsj Kopolev werd op 9 april 1912 in Kiev geboren.

 

De Franse toneelschrijver Bernard-Marie Koltès werd geboren in Metz op 9 april 1948.

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Gerard Reve, Barbara Kingsolver, Christoph Hein, Hanz Mirck, Hégésippe Moreau, Glendon Swarthout, Johann Christian Günther, John Fante

Gerard Reve (14 december 1923 -  8 april 2006)








Vandaag is het precies 2 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie over Reve ook mijn blog van 8 april 2007, mijn blog van 14 december 2007,   mijn blog van 14 december 2006. en mijn blog van 9 april 2006.

 

 

Wiegelied

Ik ging nuchter naar bed, en kon niet slapen.
Toen ik tenslotte sliep, dreunde het huis
en worstelde ik met iemand.
Niet tot de ochtend: toen ik weer wakker werd, was het
          
nog nacht.
Ook wist ik niets meer van een zegen.

 

 

 

Reisgebed

 

O God.
Ik sta op het punt, op reis te gaan.
Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is.
Ik wil U liefhebben.
Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of
ander kwaad zal berokkenen.
Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken.
Ik sta voor U.
Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen,
dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden,
altijd U toebehoor.
Want in leven en sterven zijt Gij in mij en ben ik in U.
Ik ga nu weg.
Vaarwel, o God

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Barbara Kingsolver werd geboren op 8 april 1955 in Annapolis, Maryland. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

Uit: Prodigal Summer

 

“Her body moved with the frankness that comes from solitary habits. But solitude is only a human presumption. Every quiet step is thunder to beetle life underfoot; every choice is a world made new for the chosen. All secrets are witnessed.

If someone in this forest had been watching her - a man with a gun, for instance, hiding inside a copse of leafy beech trees - he would have noticed how quickly she moved up the path and how direly she scowled at the ground ahead of her feet. He would have judged her an angry woman on the trail of something hateful.

He would have been wrong. She was frustrated, it's true, to be following tracks in the mud she couldn't identify. She was used to being sure. But if she'd troubled to inspect her own mind on this humid, sunlit morning, she would have declared herself happy.

She loved the air after a hard rain, and the way a forest of dripping leaves fills itself with a sibilant percussion that empties your head of words. Her body was free to follow its own rules: a long-legged gait too fast for companionship, unself-conscious squats in the path where she needed to touch broken foliage, a braid of hair nearly as thick as her forearm falling over her shoulder to sweep the ground whenever she bent down. Her limbs rejoiced to be outdoors again, out of her tiny cabin whose log walls had grown furry and overbearing during the long spring rains. The frown was pure concentration, nothing more. Two years alone had given her a blind person's indifference to the look on her own face.

All morning the animal trail had led her uphill, ascending the mountain, skirting a rhododendron slick, and now climbing into an old-growth forest whose steepness had spared it from ever being logged. But even here, where a good oak-hickory canopy sheltered the ridge top, last night's rain had pounded through hard enough to obscure the tracks. She knew the animal's size from the path it had left through the glossy undergrowth of mayapples, and that was enough to speed up her heart. It could be what she'd been looking for these two years and more. This lifetime. But to know for sure she needed details, especially the faint claw mark beyond the toe pad that distinguishes canid from feline. That would be the first thing to vanish in a hard rain, so it wasn't going to appear to her now, however hard she looked. Now it would take more than tracks, and on this sweet, damp morning at the beginning of the world, that was fine with her. She could be a patient tracker. Eventually the animal would give itself away with a mound of scat (which might have dissolved in the rain, too) or something else, some sign particular to its species. A bear will leave claw marks on trees and even bite the bark sometimes, though this was no bear. It was the size of a German shepherd, but no house pet, either. The dog
that had laid this trail, if dog it was, would have to be a wild and hungry one to be out in such a rain.”

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, essayist en vertaler Christoph Hein werd geboren op 8 april 1944 in Heinzendorf in Silezié. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

Uit: Das Wildpferd unterm Kachelofen

Als ich zurückkam, stand ein Junge an meinem Wagen, öffnete die Tür und schlug sie krachend wieder zu. Es schien ihm Spaß zu machen. Ich stellte mich neben ihn.
„Das kracht ganz schön“, bemerkte er beiläufig, während er erneut die Tür ins Schloss fallen ließ. „Na ja“, murmelte ich nicht sehr erfreut. „Ist das dein Auto?“, fragte er mich.
Ich nickte. „Dann bist du wohl jetzt ganz schön sauer, wie?“, erkundigte er sich interessiert.
„Sehr gut finde ich’s nicht“, bestätigte ich seine Frage. Er ließ die Autotür ein letztes Mal krachend ins Schloss fallen und schlenderte um die Ecke. Als ich an ihm vorbeifuhr, saß er auf dem Bürgersteig und beobachtete eine Meise, die einen Wurm aus der Erde zu ziehen versuchte.
Ein paar Tage später traf ich ihn wieder.Es regnete.Es regnete sehr stark.Jakob Borg stand vor einer Haustür. Er trug ein grünes Regencape und starrte trübsinnig in eine Pfütze.
„Wie geht’s“, erkundigte ich mich, „langweilst du dich?“
„Ich langweile mich nie“, sagte er, ohne mich anzusehen.Mit einem Stock stocherte er in der Pfütze herum und versuchte, die kleinen Wasserblasen aufzuspießen.„Hast du denn keine Freunde, mit denen du spielen kannst?“
„Natürlich“, sagte er.
„Deine Schulfreunde, nicht wahr?“, fragte ich weiter. Doch er schüttelte den Kopf: „Nein, in die Schule gehen sie nicht.“ Dann überlegte er eine Weile und fügte hinzu: „Jedenfalls gehen sie nicht sehr oft dorthin. Sie finden Schule nicht sehr interessant, verstehst du.“
„Ja, ja“, sagte ich, „das verstehe ich schon. Und wo sind deine Freunde jetzt?“
„Oben“, sagte er.
„Oben?“
„Ja, in meinem Zimmer. Katinka und Kleine Adlerfeder, der Falsche Prinz und Panadel der Clochard und Schnauz der Esel.“ Er setzte einen schwarzen Käfer auf ein Holzstück, das in der Pfütze schwamm.
„Du hast aber viele Freunde“, sagte ich beeindruckt.
„Ja“, sagte er und starrte aufmerksam in die Pfütze, in der ein
schwarzer Käfer Boot fuhr.
”

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

 

HEMELRIJK

                  Voor Thé Lau,
voor Iris

In het midden van mijn leven kwam ik
op een open plek. Er stond een bord: McDonald's
in de verte klonk muziek

Alleen was ik daar niet: zij was bij me
we namen een kamer in het hotel -
thuis hebben we immers geen bad

Het woord 'altijd' is net als het woord 'nooit'
bedacht door een dichter, de ziel is groter
dan het hart, het hart groter dan de wereld
Nog altijd rekenen filosofen zich erop stuk

Ineens zag ik waarom de dingen zijn zoals het is
Niet schrijven om zo voor altijd te willen blijven,
niet de weg vinden in het bos,
niet om de muziek alleen

Water is zoet. Het woord 'eeuwig'
is een kamer in het hotel. De hemel
is een open plek. Ik ben hier om haar haren te wassen,
haar mooie zachte haar

 

 

 

 

Onder een blauwe vlag met heel veel sterren

Kon niet slapen meer vannacht. Op mijn tafel een onbegrijpelijk gedicht:
Grondwet van Europa. Een parlement als los zand - fijn stof in ons
gezicht, dat met de munt die me armer maakte, tegen mijn zin campagne
voert om een grondwet waar ik voor moet zijn.

Wat moet dat met mijn mening? Ik deed geen oog meer dicht.
Ineens twee mannen in mijn kamer, Lenin bij mijn bed:
Gaat u de Sovietunie nu echt opnieuw uitvinden? Kameraad
geef me een wodka. En Trotsky bij de deur: Wat een natie!

Die surroundsoundhomecinema's klinken levensechter
dan op het veld. Wie zwaait er nog met vlaggen bij voetbal,
pinkpopopconcert, demonstratie? In een woonkamer

vlagt men niet maar heeft uit de magnetron liever
een voorgebakken mislukking dan een echte
Geef mij ook een wodka! Ik kon niet slapen meer vannacht.

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 april 2007.

 

De Franse dichter en schrijver Hégésippe Moreau (eig. Pierre-Jacques Roulliot) werd geboren op 8 april 1810 in Parijs.

 

De Amerikaanse schrijver Glendon Fred Swarthout werd geboren op 8 april 1818 in Pinckney, Michigan.

 

De Duitse dichter Johann Christian Günther werd geboren op 8 april 1695 in Stiergau. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

De Amerikaanse schrijver John Fante werd geboren in Colorado op 8 april 1909.

 

Geschreven door Romenu om 20:27 Reageer op dit bericht

William Wordsworth, Donald Barthelme, Gabriela Mistral, Johannes Mario Simmel, Roger Lemelin, Hervé Bazin, Jens Peter Jacobsen, Flora Tristan

William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850)








De Engelse dichter
William Wordsworth werd geboren op 7 april 1770 in Cumberland. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 


I Wandered Lonely As A Cloud


I Wandered Lonely As A Cloud

That floats on high o'er vales and hills,
When all at once I saw a crowd,
A host, of golden daffodils;
Beside the lake, beneath the trees,
Fluttering and dancing in the breeze.

 

Continuous as the stars that shine
And twinkle on the milky way,
They stretched in never-ending line
Along the margin of a bay:
Ten thousand saw I at a glance,
Tossing their heads in sprightly dance.

 

The waves beside them danced; but they
Out-did the sparkling waves in glee:
A poet could not but be gay,
In such a jocund company:
I gazed--and gazed--but little thought
What wealth the show to me had brought:

 

For oft, when on my couch I lie
In vacant or in pensive mood,
They flash upon that inward eye
Which is the bliss of solitude;
And then my heart with pleasure fills,
And dances with the daffodils.

 

 

 

Composed Upon Westminster Bridge

 

Earth has not anything to show more fair:
Dull would he be of soul who could pass by
A sight so touching in its majesty:
This City now doth, like a garment, wear
The beauty of the morning; silent, bare,
Ships, towers, domes, theatres, and temples lie
Open unto the fields, and to the sky;
All bright and glittering in the smokeless air.
Never did sun more beautifully steep
In his first splendour, valley, rock, or hill;
Ne'er saw I, never felt, a calm so deep!
The river glideth at his own sweet will:
Dear God! the very houses seem asleep;
And all that mighty heart is lying still!

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Donald Barthelme werd geboren op 7 april 1931 in Philadelphia. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 

"Will You Tell  Me?" 

Hubert gave Charles and Irene a nice baby for Christmas.   The baby was a boy and its name was Paul.  Charles and Irene who had not had a baby in many years were delighted.  They stood around the crib and looked at Paul; they could not get enough of him.  He was a handsome child with dark hair, dark eyes.   Where did you get him Hubert? Charles and Irene asked.  From the bank, Hubert said.  It was a puzzling answer, Charles and Irene puzzled over it.  Everyone drank mulled wine.  Paul regarded them from the crib.  Hubert was pleased to have been able to please Charles and Irene.  They drank more wine.

    

Eric was born.

    

Hubert and Irene had a clandestine affair.  It was important they felt that Charles not know.  To this end they bought a bed which they installed in another house, a house some distance from the house in which Charles, Irene and Paul lived.  The new bed was small but comfortable enough.  Paul regarded Hubert and Irene thoughtfully.  The affair lasted for twelve years and was considered very successful.

    

Hilda.

    

Charles watched Hilda growing from his window.  To begin with, she was just a baby, then a four-year-old, then twelve years passed and she was Paul’s age, sixteen.  What a pretty young girl! Charles thought to himself.  Paul agreed with Charles; he had already bitten the tips of Hilda’s pretty breast with his teeth.”

 

 

 

 

 

De Chileense dichteres en diplomate Gabriela Mistral werd geboren in Vicuña, Chili op  7 april 1889. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 

 

The Sad Mother

 

Sleep, sleep, my beloved,
without worry, without fear,
although my soul does not sleep,
although I do not rest.

Sleep, sleep, and in the night
may your whispers be softer
than a leaf of grass,
or the silken fleece of lambs.

May my flesh slumber in you,
my worry, my trembling.
In you, may my eyes close
and my heart sleep.

 

 

 

 

To See Him Again

 

Never, never again?
Not on nights filled with quivering stars,
or during dawn's maiden brightness
or afternoons of sacrifice?

Or at the edge of a pale path
that encircles the farmlands,
or upon the rim of a trembling fountain,
whitened by a shimmering moon?

Or beneath the forest's
luxuriant, raveled tresses
where, calling his name,
I was overtaken by the night?
Not in the grotto that returns
the echo of my cry?

Oh no. To see him again --
it would not matter where --
in heaven's deadwater
or inside the boiling vortex,
under serene moons or in bloodless fright!

To be with him...
every springtime and winter,
united in one anguished knot
around his bloody neck!

 

 

 

 

Pine Forest

 

Let us go now into the forest.
Trees will pass by your face,
and I will stop and offer you to them,
but they cannot bend down.
The night watches over its creatures,
except for the pine trees that never change:
the old wounded springs that spring
blessed gum, eternal afternoons.
If they could, the trees would lift you
and carry you from valley to valley,
and you would pass from arm to arm,
a child running
from father to father.

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Johannes Mario Simmel werd op 7 april 1924 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 

Uit: Liebe ist die letzte Brücke

 

„Die weiße Villa war von Sorels Frau Irene eingerichtet worden, alles entsprach ihrem Geschmack, durchaus nicht seinem, doch darüber sprach er nie, so sehr belasteten ihn Arbeit und Sorgen. Oft glaubte Sorel, in all dem Prunk kaum atmen zu können, und wann immer es möglich war, zog er sich in sein Arbeitszimmer mit dem vollgeräumten Schreibtisch zu Computer, elektronischen Geräten und den Regalen voll Fachliteratur zurück. Hier fühlte er sich, wennschon nicht glücklich, so doch freier.
Aus dem Musikzimmer erklang durch die geöffnete zweiflügelige Tür nun sehr laut Scarlattis Musik. Sorel sah, daß seine Frau auf dem Cembalo spielte, einem besonders schönen Stück aus jener Zeit, in der auch Scarlatti auf solchen Instrumenten gespielt hatte. Mit schnellen Schritten trat er zu Irene und küßte flüchtig ihr blondes Haar. Sie trug es in der Mitte gescheitelt und nach hinten zu einem Knoten gebunden, den eine Schleife aus schwarzem Samt hielt.
Irene sah zu ihm auf und lächelte, ohne ihr Spiel zu unterbrechen. Gleich darauf sah sie wieder weg. Sie trug einen Hausmantel aus schwarzem Samt, ein zarter Duft umgab sie. Fleurs de Rocaille ist das, dachte Sorel. Irene benützt dieses Parfüm, seit ich sie kenne.“

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 7 april 2007.

 

De Canadese schrijver en essayist Roger Lemelin werd geboren op 7 april 1919 in Quebec.

 

De Franse schrijver Hervé Bazin werd geboren in Angers op 7 april 1911.

 

De Deense dichter en schrijver Jens Peter Jacobsen werd geboren op 7 april 1847 in Thisted.

 

De Franse schrijfster en strijdster voor vrouwenrechten Flora Tristan werd geboren op 7 april 1803 in Parijs.

 

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

John Pepper Clark, Günter Herburger, Erich Mühsam, Uljana Wolf, Jean-Baptiste Rousseau, Brigitte Schwaiger, Alexander Herzen, Aasmund Vinje, Nicolas Chamfort

John Pepper Clark (Kiagbodo, 6 april 1935)









De Nigeriaanse dichter en schrijver
John Pepper Clark werd geboren op 6 april 1935 in Kiagbodo, Nigeria. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 


Night Rain

 

What time of night it is

I do not know

Except that like some fish

Doped out of the deep

I have bobbed up bellywise

From stream of sleep

And no cocks crow.

It is drumming hard here

And I suppose everywhere

Droning with insistent ardour upon

Our roof thatch and shed

And thro' sheaves slit open

To lightning and rafters

I cannot quite make out overhead

Great water drops are dribbling

Falling like orange or mango

Fruits showered forth in the wind

Or perhaps I should say so

Much like beads I could in prayer tell

Them on string as they break

In wooden bowls and earthenware

Mother is busy now deploying

About our roomlet and floor.

Although it is so dark

I know her practiced step as

She moves her bins, bags and vats

Out of the run of water

That like ants gain possession

Of the floor. Do not tremble then

But turns, brothers, turn upon your side

Of the loosening mats

To where the others lie.

We have drunk tonight of a spell

Deeper than the owl's or hat's

That wet of wings may not fly

Bedraggled up on the iroko, they stand

Emptied of hearts, and

Therefore will not stir, no, not

Even at dawn for then

They must scurry in to hide.

So let us roll over on our back

And again roll to the beat

Of drumming all over the land

And under its ample soothing hand

Joined to that of the sea

We will settle to sleep of the innocent and free.

 

 

 



De Duitse schrijver en dichter
Günter Herburger werd geboren op 6 april 1932 in Isny im Allgäu. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

 

Schöner Fall

Ist Millionär,
besitzt ein quadratisches Haus
aus alten Steinen in der Levante,
seine Fabriken stellen Schrauben her;
die kleinste wirbelt durch Kapillaren,
die größte, zentnerschwer,
benötigen Tanker.

Manchmal segelt er
durch die Sargassosee, sucht eine Frau,
eher, lässt sie erforschen.
Vermag stehend im Sattel zu reiten,
verzeiht Banken und beherrscht
das Taubstummenalphabet.

Die Frau, die er schließlich
nach einem Verkehrsunfall traf,
war nicht groß, blond oder gelehrt,
auch älter als er, eine Diebin
mit vier Kindern, außerdem hinkend.

Er lebte mit ihnen,
strich sich Zahnpasta aufs Brot,
liebkoste die fremden Kleinen,
hatte kein Bett, schlief,
bestes Möbel in der Baracke,
auf dem Küchentisch.
Wüst war nur, dass er eines Morgens,
als er auf ein weißes Pferd sprang,
sofort abgeworfen wurde.
Er hinterließ für seine Familie
ein Reich aus Himmelblau und Löwenzahn

 

 

 

  

 

De Duitse schrijver, anarchist en activist Erich Mühsam werd geboren in Berlijn op 6 april 1878. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

Der Revoluzzer

Der deutschen Sozialdemokratie gewidmet

 

War einmal ein Revoluzzer,
im Zivilstand Lampenputzer;
ging im Revoluzzerschritt
mit den Revoluzzern mit.

Und er schrie: "Ich revolüzze!"
Und die Revoluzzermütze
schob er auf das linke Ohr,
kam sich höchst gefährlich vor.

 

Doch die Revoluzzer schritten
mitten in der Straßen Mitten,
wo er sonsten unverdrutzt
alle Gaslaternen putzt.

 

Sie vom Boden zu entfernen,
rupfte man die Gaslaternen
aus dem Straßenpflaster aus,
zwecks des Barrikadenbaus.

 

Aber unser Revoluzzer
schrie: "Ich bin der Lampenputzer
dieses guten Leuchtelichts.
Bitte, bitte, tut ihm nichts!

 

Wenn wir ihn' das Licht ausdrehen,
kann kein Bürger nichts mehr sehen.
Laßt die Lampen stehn, ich bitt! -
Denn sonst spiel ich nicht mehr mit!"

 

Doch die Revoluzzer lachten,
und die Gaslaternen krachten,
und der Lampenputzer schlich
fort und weinte bitterlich.

 

Dann ist er zu Haus geblieben
und hat dort ein Buch geschrieben:
nämlich, wie man revoluzzt
und dabei doch Lampen putzt.

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres Uljana Wolf werd geboren op 6 april 1979 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

 

kreisau, nebelvoliere

 

streng genommen hast november du
mich an deine weiße nebeldichte brust

 

was sag ich brust ein klappriger kasten
ein käfig mit garten und diesigem tand

 

darin ein alter vogel auf der stange sitzt
halb winter halb spitzengewirkter volant

 

wie nahmst du mich wie kam ich ins tal
wie scheuchst du mich zwischen eichen

 

dein fiepender atem in der allee flicht
feuchte netze ums geäst zum labyrinth

 

halbblind bin ich in deinem rippenlicht
und schwindlig geliebter als hättest du

 

für immer das schimmlige gitter gewebt
um den vogel dein schwebeteilchen herz

 

 

 

 

an die kreisauer hunde

 

o der dorfhunde kleingescheckte schar: schummel
schwänze stummelbeine zähe schnauzen am zaun

 

euch gehört die straße der staub am asphaltsaum
euch die widerhallende nacht im schlafenden tal

 

jedes echo gehört euch: der zuckende rückstoß
von klang an den hügeln hierarchisches knurren

 

und bellen in wellen: heraklisch erst dann hünen
haft im abklang fast nur ein hühnchen das weiß:

 

wer hier nicht laut und geifer gibt den greift sich
die meute in lauffeuer kehlen verliert sich der ort

 

so mordio etc. vermesst ihr die welt in der senke
beherrscht jeden weg jeden fremden und mich –

 

euch gehört meine fährte mein tapferes stapfen
euch meine waden             dorfauswärts zuletzt

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Jean-Baptiste Rousseau werd geboren op 6 april 1671 in Parijs. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

Stances

 

Que l'homme est bien, durant sa vie,
Un parfait miroir de douleurs,
Dès qu'il respire, il pleure, il crie
Et semble prévoir ses malheurs.

Dans l'enfance toujours des pleurs,
Un pédant porteur de tristesse,
Des livres de toutes couleurs,
Des châtiments de toute espèce.

L'ardente et fougueuse jeunesse
Le met encore en pire état.
Des créanciers, une maîtresse
Le tourmentent comme un forçat.

Dans l'âge mûr, autre combat,
L'ambition le sollicite.
Richesses, dignités, éclat,
Soins de famille, tout l'agite.

Vieux, on le méprise, on l'évite.
Mauvaise humeur, infirmité.
Toux, gravelle, goutte, pituite,
Assiègent sa caducité.

Pour comble de calamité,
Un directeur s'en rend le maître.
Il meurt enfin, peu regretté.
C'était bien la peine de naître !

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 april 2007.

 

De Oostenrijkse schrijfster Brigitte Schwaiger werd geboren op 6 april 1949 in Freistadt.

 

De Russische schrijver, filosoof en publicist Alexander Herzen werd geboren op 6 april 1812 in Moskou.

 

De Noorse dichter en journalist Aasmund Olavsson Vinje werd geboren op 6 april 1818 in Vinje, Telemark.

 

De Franse schrijver en aforist Nicolas Chamfort, pseudoniem van Sébastien Roch Nicolas, werd geboren op 6 april 1740 in Clermont.

 

Geschreven door Romenu om 20:48 Reageer op dit bericht

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Conrad

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)







De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en mijn blog van 19 maart 2008. Van zijn Het Verdriet van België verscheen recent een nieuwe Duitse vertaling.

 

Uit: Der Kummer von Belgien (Vertaald door Waltraut Hüsmert)

 

“Dondeyne hatte eines der sieben Verbotenen Bücher unter seinem Kittelhemd versteckt und Louis mit sich gelockt. Die beiden Jungen hockten unter den Schlingpfl anzen in der Grotte der Bernadette Soubirous .

Dondeynes Verbotenes Buch war eine Ausgabe des illustrierten Wochenblatts ABC , einer Zeitschrift der Sozialisten, die zweifellos auf dem Index des Vatikans stand. Sein Bruder hatte sie ihm mitgebracht, als er im Krankenhaus lag. Von dort war er mit einem scharlachroten Ohr zurückgekommen, an dem er oft herumzupfte . Tagsüber lag die Zeitschrift unter seinem Spind, hinter den Schnürstiefeln.

Die vier Seiten, die nun darin fehlten, lagen glänzend und glatt, nur an den Rändern etwas eingerissen, unter dem blauen Packpapier, mit dem die Schublade von Dondeynes Schulbank ausgelegt war. Zur Sicherheit hatte Dondeyne das Papier mit punaises , Reißzwecken, festgeheftet . (»Sag nicht immer punaises , wir haben doch ein fl ämisches Wort dafür«, pfl egte Louis' Pate zu sagen, doch das fl ämische Wort benutzte Louis nie, er wurde schon wegen seiner Aussprache oft genug ausgelacht.)

Die aufgeschlagenen Seiten schimmerten in der Sonne; in der Mitte war wegen der ausgezackten Rißkante und des Schattens ein häßlicher Spalt. Louis hätte seine Verbotenen Bücher niemals auseinandergerissen, mochte die Gefahr, entdeckt zu werden, noch so groß sein. Aber Dondeyne war ja auch ein Hottentotte .

Die vier Apostel besaßen zusammen sieben Verbotene Bücher. Vlieghe gehörten drei davon, Liebe im Nebel , ein Programm der Operette Rose Marie und, das riskanteste, eine Biographie des Ketzers und Freimaurers G. B. Shaw . Byttebier besaß Erzählungen aus der Südsee und ein Foto von Deanna Durbin im Unterrock, unan ständig genug, um als Buch durchzugehen. Louis hätte mit seinem Buch wahrscheinlich keinen Ärger bekommen, wenn die Nonnen es gefunden hätten, er hätte es auch offen zwischen die abgegriffenen, angenehm duftenden Davidsfonds -Bücher stellen können, die er sich nach den Osterferien mitgebracht hatte, aber reichte es nicht schon aus, ein Buch heimlich, ins Nachthemd gewickelt, hinter die hohen Mauern der Klosterschule zu schmuggeln ? Der Titel lautete: Die Flämische Flagge. Papa hatte es selbst in den rotbraunen Pappumschlag eingebunden, das war sofort zu erkennen, denn wenn er Bücher band, hackte er die Ränder unter der Schneidemaschine wie unter einer Guillotine schonungslos dicht beim Text ab. In Die Flämische Flagge ging es um rebellische Seminaristen gegen Ende des letzten Jahrhunderts, die, aufgestachelt von langhaarigen Priestern mit Pincenez, einen Geheimbund namens Der stille Schwur gegründet und bei Nacht und Nebel ein Komplott gegen die belgischen, also antifl ämischen Minister und Bischöfe geschmiedet hatten. Louis hatte das Werk zu Hause aus dem Bücherschrank gestohlen, weil Papa einmal behauptet hatte, Pfarrer, die solche Bücher bei ihren Gemeindemitgliedern fänden, würden sogleich mit Exkommunikation drohen. Der Anblick des schäbigen Buchs mit den dünnen, grau gedruckten Buchstaben, das keine einzige Illustration enthielt, hatte die anderen drei Apostel nicht gerade beeindruckt. Nur weil Louis mit übertriebenem Eifer Ursprung und Inhalt geschildert und die Gefahr ausgemalt hatte, hatten sie das mißgestaltete Ding an jenem Abend als Verbotenes Buch akzeptiert und es auf Byttebiers Kopfkissen zu den anderen gelegt, sich dreimal bekreuzigt und gefl üstert : »Im schwarzen Buche – gehn wir auf die Suche – geheim und im stillen – Maria zu Willen.« Keiner von ihnen durfte die Verbotenen Bücher lesen, wenn nicht mindestens einer der anderen Apostel mitlas .”

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver en dichter Algernon Charles Swinburne werd geboren op 5 april 1837 in Londen. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

The Year of Love

THERE were four loves that one by one,
Following the seasons and the sun,
Passed over without tears, and fell
Away without farewell.


The first was made of gold and tears,
The next of aspen-leaves and fears,
The third of rose-boughs and rose-roots,
The last love of strange fruits.


These were the four loves faded. Hold
Some minutes fast the time of gold
When our lips each way clung and clove
To a face full of love.


The tears inside our eyelids met,
Wrung forth with kissing, and wept wet
The faces cleaving each to each
Where the blood served for speech.


The second, with low patient brows
Bound under aspen-coloured boughs
And eyes made strong and grave with sleep
And yet too weak to weep--


The third, with eager mouth at ease
Fed from late autumn honey, lees
Of scarce gold left in latter cells
With scattered flower-smells--


Hair sprinkled over with spoilt sweet
Of ruined roses, wrists and feet
Slight-swathed, as grassy-girdled sheaves
Hold in stray poppy-leaves--


The fourth, with lips whereon has bled
Some great pale fruit's slow colour, shed
From the rank bitten husk whence drips
Faint blood between her lips--


Made of the heat of whole great Junes
Burning the blue dark round their moons
(Each like a mown red marigold)
So hard the flame keeps hold--


These are burnt thoroughly away.
Only the first holds out a day
Beyond these latter loves that were
Made of mere heat and air.


And now the time is winterly
The first love fades too: none will see,
When April warms the world anew,
The place wherein love grew.

 

 

 

 

 

 

De Servische dichter en schrijver Bora Ćosić werd geboren op 5 april 1932 in Zagreb. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

Die Geschichte Europas

Junge Menschen in Belgrad
gehen auf der Straße stoßen einander an
sprechen in die Kamera
verkleidet als meine Freunde
von vor fünfzig Jahren
ich weiß nicht warum ich sie nicht erkenne

 

vielleicht eine allzu frühe Übersetzung
einer früheren Generation
verlorene Reime der nackte Sinn
deshalb sieht es ähnlich aus
ist es aber nicht

 

die ganzen Völker in der gleichen Geschichte
Litauer Tschechen Kroaten
verstreut in verschiedenen Städten
haben die Straßen aus dem Gedächtnis gebaut
dann die Plätze wie eine Gewohnheit
dort wo es zu einer Verbreiterung kommt

 

alle Dichter des zwanzigsten Jahrhunderts
schreiben dasselbe Gedicht
nur lang
dann schneiden sie es in viele Teile
verteilen es auf mehrere Namen

 

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Werner J. Egli werd geboren in Luzern op 5 april 1943. Hij studeerde kunstgeschiedenis en maakte daarna uitgebreide reizen door Amerika en Europa. Behalve reisverslagen schreef hij eerst avonturenromans. Tegenwoordig schrijft hij voornamelijk romans voor jongeren en historische romans voor volwassenen. Egli woont afwisselend in verschillende Amerikaanse en Europese plaatsen.

 

Uit: Aus den Augen, voll im Sinn

 

„Ich war fast sechzehn, als alles anders wurde

Mit allen möglichen Tricks hatten sie schon versucht, Philipp und mich auseinander zu bringen. Lange hatte das nicht geklappt, obwohl sie es wirklich mit allen Mitteln versuchten. Zum Beispiel im letzten Urlaub, in Rimini. Da hatte der Trick einen Namen. Nando. Heute weiß ich gar nicht mehr, wer den entdeckt hatte. Wahrscheinlich meine Mutter. Die hat ein Auge für exotische Typen. Glutaugen und Schlabberlippen. Dunkle Haut und Härchen auf der Brust. Und mein Vater hatte natürlich mitgemacht. Keine Ahnung, was sie sich dabei dachten, als sie ihn für mich aufgabelten. Dass ich weich werden würde.

Und dann? Mit geschmolzenem Herz aus dem Urlaub zurückkehren und womöglich nicht mehr als Jungfrau? Dass sie das in Kauf nahmen, will ich ihnen nicht nachsagen. Aber es hätte leicht ins Auge gehen können, weil Nando natürlich vom ersten Moment an nichts anderes mehr in seiner Birne hatte, als mit mir zu schlafen. Amore machen. So ein Schmachtfetzen.

Wenn ich mal Amore machen würde – das stand für mich seit langem fest –, dann mit Philipp, und zwar in der Hochzeitsnacht. Der wichtigste Tag meines Lebens, so dachte ich damals, wird der Tag meiner Hochzeit sein. Dann sollte für mich das Leben erst anfangen. Was vorher war, betrachtete ich nur als

eine Art Vorspiel. Mir war egal, ob das als altmodisch galt oder sogar als lächerlich, ich glaubte, eine Hochzeit ohne echte Hochzeitsnacht sei nur eine halbe Sache. Und ich war nie für halbe Sachen. Entweder alles, und zwar richtig, oder eben gar nichts.

Das sagte ich auch Nando, als er mich mit seinen Schlabber- lippen hingebungsvoll küsste und anschließend von mir ver- langte, ich solle ihm mein Herz schenken. Was er wollte, war natürlich was ganz anderes, sonst hätte er mit seiner linken Hand nicht versucht, von unten her an mein Herz heranzukommen, während er mir mit der rechten am Verschluss meines BHs herumfummelte.“

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 5 april 2007.

 

De Duitse schrijver Michael Georg Conrad werd geboren op 5 april 1846 in Gnodstadt.

 

Geschreven door Romenu om 18:01 Reageer op dit bericht

Michiel van Kempen, Marguerite Duras, Robert Schindel, Bettina von Arnim, Wolfgang Windhausen, de Lautréamont, Michael Schneider

Michiel van Kempen (Oirschot, 4 april 1957)








De Nederlandse schrijver, letterkundige en Surinamist Michiel van Kempen werd geboren in Oirschot op 4 april 1957. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

Uit: Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur

 

“Kari'na is het woord waarmee de karaïben zelf de inheemsen aanduiden ter onderscheiding van niet-inheemsen, maar het is tegelijkertijd het algemene woord voor ‘mens’. Het Kari'na auran (lett.: taal van de karaïb) is de karaïbse taal die wordt gesproken in twee varianten: het tyre'wuju auran, het oostelijk dialect, en aretyryponon auran, het westelijk dialect. De karaïbse dorpen concentreren zich aan de Marowijnerivier in het Oosten (sommige ook op het grondgebied van Frans-Guyana) en voorts zijn er verspreide dorpen in het district Para en in het Wayambo-Coppenamegebied.

Vroege studies als die van de Penards (1907-1908) en Assid (1946) spraken van de kari'na als de Zonaanbidders die mensenoffers brachten en wie kannibalisme niet vreemd was. In hoeverre dit laatste vooral deel uitmaakt van een in de vroege 19de eeuw ontstane beeldvorming van buitenaf die de kari'na als agressief wilde voorstellen, is niet helemaal duidelijk. Onderzoekers sinds de jaren '70 wijzen het idee dat de karaïben menseneters waren in ieder geval af. De figuur die als verpersoonlijking van de temperamentvolle kari'na-aard gezien kan worden, is Kenaima. Kenaima is zowel de aanduiding voor het Oordeel, als voor de bloedwraak bij familieveten. In de inheemse mythologie is Kenaima de zoon van een door blanken doodgemartelde hoofdman die zwoor zijn vader te zullen wreken. In de letterkunde verkreeg de Kenaima-wraakgeest ook buiten de inheemse vertelschat verspreiding door het jeugdboek van Thea Doelwijt Kainema de Wreker en de menseneters (1977). De beeldvorming is dus haar eigen weg gevolgd; bloedwraak komt sinds mensenheugenis bij de kari'na niet meer voor.”

 

 

 


De Franse schrijfster Marguerite Duras (pseudoniem van Marguerite Donnadieu) werd geboren op 4 april 1914 in Gia Dinh, Indochina (nu Vietnam).
Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

 

Uit : Moderato Cantabile

« La leçon de piano

Veux-tu lire ce qu'il d'écrit au-dessus de ta partition ? demanda la dame.
-Moderato cantabile, dit l'enfant.
La dame ponctua cette réponse d'un coup de crayon sur le clavier. L'enfant
resta immobile, la tête tournée vers sa partition.
-Et qu'est-ce que ça veut dire, moderato cantabile ?
-Je ne sais pas.
Une femme, assise à trois mètres de là, soupira.
Tu es sûr de ne pas savoir ce que ça veut dire, moderato cantabile ? reprit la dame.
L'enfant ne répondit pas. La dame poussa un cri d'impuissance étouffé, tout
en frappant de nouveau le clavier de son crayon. Pas un cil de l'enfant ne
bougea. La dame se retourna.
-Madame Desbaresdes, quelle tête vous avez là, dit-elle.
Anne Desbaresdes soupira une nouvelle fois.
-A qui le dites-vous, dit-elle.
L'enfant, immobile, les yeux baissés, fut seul à se souvenir que le soir venait
d'éclater. Il en frémit.
-Je te l'ai dit la dernière fois, je te l'ai dit l'avant-dernière fois, je te l'ai dit cent fois, tu es sûr de ne pas le savoir ? »

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Robert Schindel werd geboren op 4 april 1944 in Bad Hall. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

 

Requiem auf eine Freundschaft


Mein Gast ist gestorben, hinunter, hinunter der Hohlweg
Ich seh ihn noch gehn mit der Weite im Haar.
Und nachts, wenns der Stern tut, serpentiert, serpentiert
Sich sein Echo im Herzen, mein Gast ist gestorben.

Ein Lachen, ein Schuh, eine Geige aus Hiersein
Wir saßen beim Wein oder schliefen in neueren Worten
Und hatten Sekunden, welche wir sprengten
Heraus aus dem Zeitschlamm; so konnten wirs doch begreifen.

Nun ist er fort, sein Name rastet, rastet die Zeit
Ich heb meine Beine vom Hohlweg und gehe
Rücklings den Trampelpfad, Weite und Enge
Im Echo, ich und nie, Gastfreund aus dort.

Sind andere Gegenden hier, fragen manchmal die Kinder.
Ich brech ihnen stückweis den Hohlweg und schenke
Serpentin, Serpentine, sie nehmens als Apfel und Mohn.
Denn wir schliefen dereinst in den Worten, wir sprengten dereinst.

 



Trinkrondo

 

Liebste Hurenhunde
Trinkt mit mir den Wein
Denn im Nordburgunde
Muss man rauschig sein

Liebste Peitscherlkater
Trinkt mit mir die Grappa
Denn der Himmelsvater
Ist mein Nimmersatter

Freunderln ringsumher
Trinkt mit mir von Bieren
Die mich dumm und leer
Zum Abgesang verführen

Liebste Seicherln feige
Trinkt mit mir Likör
Dass die Eier beide
Mir nicht allzuschwer

Menschenkinder dumme
Trinkt mit mir Bordeaux
Damit ich verstumme

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Bettina von Arnim werd op 4 april 1785 geboren in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

Das Abendrot am Strand hinzieht

 

Das Abendrot am Strand hinzieht,
Ergibt den Wellen sich mit Lust,
Da schwellet die beklemmte Brust
Der unbewußten Sehnsucht Lied,
So kühn gewaltig zwingt das Lied
Die Trauer der beklemmten Brust,
In Lebensmut erstrebt sie Lust,
In Liebesflut sie Wolken zieht,
Und weckt in der beklemmten Brust
Der hohen Freiheit kühnes Lied.
Sein voller Klang
Das Herz durchdrang,
Das Lied sich schwang
In Liebesdrang.
Zu ihm, zu dem ich hin verlang,
Dort über die Berge mit der Lerche,
Ihm nach der Hymne zu singen dem Volk,
Dem von seinen Lippen sie sollte erklingen.

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, dichter en graficus Wolfgang Windhausen werd geboren op 4 april 1949 in Duderstadt. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

Einen Beitrag

Einen Beitrag
zu der Welt
und der Erfurcht vor ihr
werden
wenige leisten
weil sie
die Welt
die Natur
nicht so sehen
wie DU
es bleibt
ein
in Stein geätztes Wort

 

HOFFNUNG


Dès que as papillonné autour de moi
(seit dem Augenblick, da du um mich herum geflattert bist)

Begegnung am Fenster
der Nacht

Duft
feuchtes Holz des Nussbaums
unter Nebeltränen
faltenreich

Sonne
und
Nachtschatten

 

 

 


Zie voor onderstaande schrijvers
ook mijn blog van 4 april 2007.

 

De Franse schrijver Isidore Lucien Ducasse, Comte de Lautréamont, werd geboren op 4 april 1846 in Montevideo.

 

De Duitse schrijver Michael Schneider werd geboren op 4 april 1943 in Königsberg.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Charles Ducal, Frederik van Eeden, Peter Huchel, George Herbert, Washington Irving, Friedrich Rittershaus, Josef Mühlberger

Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952)










De Vlaamse dichter en schrijver
Charles Ducal (pseudoniem van
Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 


Uitgesteld

 

Wees gerust, als ik sterf zal wel blijken

of ik je lief heb gehad.

Jij, de laatste naar wie ik zal kijken,

de laatste die mij ontsnapt.


Dan dwing ik je oor naar mijn mond
voor iets dat ik had moeten schrijven,

een zekerheid in gereutel vermomd.

Wees gerust, jij zal de slotzin krijgen.

 

Het zal ontroerend zijn, een echt einde,

een poging die alles herstelt.

Je bent mijn vrouw. Het zal wel blijken,

al wordt het een leven lang uitgesteld.

 

 

 

Uitdrijving

 

Het woont, klein en gekromd, in zichzelf,

een dwerg in de haverkist

of de schelf van het hooi.

Het hoort door de wand van de avond

machines brommen, goedaardig.

Het slaapt als een muis in het meel

of kijkt, urenlang, naar het trage gewicht

van de ham aan de balken,

 

en groeit uit zichzelf.

Tot het voetstappen hoort, gekletter

van emmers, ongeduldig en boos,

een ruwe hoest uit ploffende zakken,

het slijpen van messen, een riek

in het hooi. Het schrikt,

het wordt wakker.

 

En woont in de moeder,

woont in de vader,

eet van hun liefde,

hun arbeid, hun taal, -

zuinig, dankbaar

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Frederik van Eeden werd geboren in Haarlem op 3 april 1860. Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 

De Lente

 

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

 

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed veerjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.

 

Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
wat scheen uw toeven lang! -- is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt?

 

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.

 

 

 

De waterlelie

 

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

 

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

 

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Peter Huchel werd geboren in Lichterfelde bij Berlijn op 3 april 1903. Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 

 

Winterpsalm

Da ging ich bei träger Kälte des Himmels
Und ging hinab die Straße zum Fluss,
Sah ich die Mulde im Schnee,
Wo nachts der Wind
Mit flacher Schulter gelegen.
Seine gebrechliche Stimme,
In den erstarrten Ästen oben,
Stieß sich am Trugbild weißer Luft.
„Alles Verscharrte blickt mich an.
Soll ich es heben aus dem Staub
Und zeigen dem Richter? Ich schweige.
Ich will nicht Zeuge sein.“
Sein Flüstern erlosch,
Von keiner Flamme genährt.

Wohin du stürzt, o Seele,
Nicht weiß es die Nacht. Denn da ist nichts
Als vieler Wesen stumme Angst.
Der Zeuge tritt hervor. Es ist das Licht.
Ich stand auf der Brücke,
Allein vor der trägen Kälte des Himmels.
Atmet noch schwach,
Durch die Kehle des Schilfrohrs,
Der vereiste Fluss?

 

Sommerabend

Wenn sein reiten zur Schwemme
Aus dem steinernen Tor
Abends über die Dämme,
brennt noch die Sonne im Rohr.

Frei von des Tages Bürde
Reiten sie Seit an Seit.
Horch, wie der Hengst in der Hürde
Zornig nach Liebe schreit.

Uferwärts Roßeschnauben,
Zuruf, Lachen und Trab.
Vögel mit seltsamen Hauben
Tauchen erschrocken hinab.

In die schäumenden Fluten
Hinter der sandigen Furt
Drängen Fohlen und Stuten
Ohne Sattel und Gurt.

Reiter mit jungen Stimmen
Werden den Tieren nicht schwer,
packen die Mähnen und schwimmen
neben den Pferden her.

Knaben schön ist das Leben,
wenn es noch stark ist und gut.
Seht, wie die Lerchen schweben
Spät in der Abendglut.

Unter erlöschendem Himmel
Zittert des Hengstes Schrei.
Reiter, Rappen und Schimmel,
bald ist der Sommer vorbei.

 

 

 

 

 

De Engelse priester en dichter George Herbert werd op 3 april 1593 geboren, waarschijnlijk te Black Hall, niet ver van het aan de familie toebehorende kasteel van Montgomery (Wales). Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 

Sonnet II

 

Sure Lord, there is enough in thee to dry
Oceans of Ink ; for, as the Deluge did
Cover the Earth, so doth thy Majesty :
Each Cloud distills thy praise, and doth forbid
Poets to turn it to another use.
Roses and Lillies speak thee ; and to make
A pair of Cheeks of them, is thy abuse.
Why should I Womens eyes for Chrystal take?
Such poor invention burns in their low mind,
Whose fire is wild, and doth not upward go
To praise, and on thee Lord, some Ink bestow.
Open the bones, and you shall nothing find
In the best face but filth, when Lord, in thee
The beauty lies, in the discovery

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 3 april 2007.

 

De Amerikaanse schrijver Washington Irving werd geboren op 3 april 1783 in Manhattan, New York.

 

De Duitse koopman en schrijver Friedrich Emil Rittershaus werd geboren op 3 april 1834 in Barmen.

 

De Duitse schrijver Josef Mühlberger werd geboren op 3 april 1903 in Trautenau in Böhmen.

 

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

György Konrád, Émile Zola, Brigitte Struzyk, Edgar Hilsenrath, Thomas Glavinic, Hoffmann von Fallersleben, Giacomo Casanova, Hans Christian Andersen, Johann Gleim, Onno Zwier van Haren

György Konrád (Berettyóújfalu, 2 april 1933)







De joods-Hongaarse schrijver György Konrád werd geboren op 2 april 1933 in Berettyóújfalu (bij Debrecen). Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Der Besucher (Vertaald door Mario Szenessy)

 

“Eigentlich möchte ich nicht für längere Zeit von hier weggehen. Manchmal würde ich meine Familie gern besuchen, es ist mir aber fast unmöglich, zu ihnen zu gehen, trotz ihrer ungeheuren Geduld, mein Kommen bedarf genauso einer Erklärung wie mein Gehen. Meine einstigen Kollegen und Freunde würden mir früher oder später Fragen stellen, die ich nicht zufriedenstellend beantworten würde. Ich könnte es zumindest nicht in Kürze tun, und lange Erklärungen will ich nicht abgeben.
Ich könnte mich vielleichtauf das Beispiel eines Gaunerrabbiners berufen, der - obwohl ihn seine Gemeinde sehr verehrte - immer kläglicher vor der Bundeslade zu singen anfing. Er wollte nicht mehr die Sündigen mit der Strenge des Allmächtigen bedrohen und auch nicht die Frommen mit seiner Güte trösten. Er floh aus seiner Synagoge, verkleidete sich, ging auf Wanderschaft. Unterwegs kehrte er bei einer alten Frau ein, die, von allen verlassen, in ihrer trostlosen Kate im Sterben lag. "Weshalb habe ich gelebt, wenn mi r, soweit ich mich zurückerinnern kann, immer nur Leid zugefügt wurde?" fragte die alte Frau. "Damit du es erträgst", antwortete der Rabbiner und versöhnte die Sterbende mit ihrem Schicksal. Als er ihr Gesicht mit einem Tuch zudeckte, beschloß er, sich fortanstumm zu stellen. Drei Tage darauf traf er eine junge Bettlerin, die ihren toten Säugling auf dem Rücken schleppte. Der Rabbiner half ihr, ein Grab auszuheben; sie legten den winzigen Leichnam in Leinwand gewickelt in die Grube, schütteten sie zu, aßen Brot und der Rabbiner antwortete auf die Frage der Bettlerin nur mit einem Zeichen. "Meiner kleinen Armen wurde nichts zuteil, weder Freude noch Leid. Sag, hatte es einen Zweck, daß sie auf die Welt kam?" Der verkleidete Rabbiner drehte seine Hand vor der Stirn im Kreis herum, doch da die Frau auf ihrer Frage beharrte, nickte er: Ja. Und im selben Moment beschloß er, sich nicht nur stumm, sondern auch taub zu stellen. Er verbarg sich vor den Menschen in einer Felshöhle, da fand ih n niemand,nur ein Wiesel kam auf seine Spur. Es war am Bein verwundet, der Rabbiner verband die Stelle mit Heilkräuter; das Wiesel sammelte für ihn fortan wohlschmeckende Kerne.”

 

 

 

 

De Franse schrijver Émile Zola werd geboren op 2 april 1840 te Parijs. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Printemps : journal d'un convalescent

 

“3 AVRIL

Le mauvais temps est venu. Vents et nuages. Temps gris. Je songe aux cauchemars de ma fièvre. Il me semblais que j'étais dans la terre froide, plein de sourds murmures de la germination. Ressemblance de l'hiver avec une maladie humaine. La santé, le printemps. Désespoir de la graine qui ignore si elle reverra la lumière. Lutte de la vie contre la mort. Joie délirante du germe, lorsqu'il perce la terre et qu'il revoit le soleil.

(...)

15 MAI

Aujourd'hui, j'ai passé la journée sur la terrasse. J'ai pu soutenir l'immensité de l'horizon. Le printemps dans son rayonnement. Je me sens plus fort, je prête l'oreille pour saisir les mille bruits de la campagne. Et dans la vallée, dans la nature, je cherche l'homme, je suis de l'œil les souliers, je regarde au loin les lavandières. La santé revient, je ne me sens plus le frère de l'arbre.

(...)

1 JUIN

Je me porte tout à fait bien. Hier je suis allé à la ville, et aujourd'hui, dans mon jardin, j'ai pu rester au grand soleil. La verdure s'est noircie du sang épais de la sève, et la santé m'aveugle. Je ne sens plus en moi le printemps doux et faible ; j'ai rapporté de la ville tous les soucis humains. Hélas ! je me porte bien, il faut vivre. »

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Brigitte Struzyk (eig. Brigitte Kraft) werd op 2 april 1946 geboren in Steinbach-Hallenberg/Thüringen. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Beginn

 

Wieder und wieder

am Anfang am Ende

Dichter beflecken sich

selten mit Ruhm

Sucht sucht

die andere Form

von Gewinn

Power Flower

Dauer Trauer

Kommentiert der Bauer

Wenn er kompostiert

 

 

 

Valse triste von Zielbahnhof

 

Für Reinhart Lettau

 

Nichts ist so einsam als das

 

Dass die S-Bahn heranjagt

dass dieser Sog da ist

dass du stolpernd ihm folgst

dass der Schuh grün ist

dass der Mann keine Socken hat

dass du selbst im Fenster dich siehst

dass du frierst an der Heizung

dass sich Lippen bewegen

dass ein Wort dich erschreckt

dass du fremden schlaf siehst

dass du doch noch ankommst

dass der Falsche wartet

 

 

 

 

 

De Joods-Duitse schrijver Edgar Hilsenrath werd geboren in Leipzig op 2 april 1926. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Die Abenteuer des Ruben Jablonski

 

„"Während ich mit der Zeitung durch die Straßen Bukarests schlenderte, dachte ich an die 6 Millionen. Die Deutschen hätten nicht so viele umbringen können, wenn es einen Widerstand gegeben hätte. Ganz anders wird es sein, wenn wir unseren eigenen Staat haben. In Palästina gibt es eine jüdische Untergrundarmee und Juden, die sich nichts mehr gefallen lassen wollen. Bald werde ich in Palästina sein und mich mit eigenen Augen überzeugen. Daran dachte ich, als ich plötzlich wieder Lust verspürte, mit einer Frau zu schlafen. Ich war vor einem Modegeschäft stehengeblieben und betrachtete die nackten Schaufensterpuppen, und ich spürte wie ich einen Ständer kriegte.
'Verdammt, Jablonski', sagte ich zu mir. 'Wenn du schon beim Anblick einer Schaufensterpuppe einen Ständer kriegst, dann ist es schlimm um dich bestellt. Vielleicht gehst du doch mal ins Bordell'."

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Thomas Glavinic werd geboren op 2 april 1972 in Graz. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Das bin doch ich

 

„Eins

Ich gehe ins Bad. Bevor ich die Unterhose ausziehe, wende ich mich vom Spiegel ab. Den Kopf starr geradehaltend, damit mein Blick nicht doch noch auf mein Geschlechtsteil fällt, steige ich in die Duschkabine. Unter den üblichen Verrenkungen dusche ich. Beim Rausgehen, als ich den Blick in den Spiegel nicht vermeiden kann, kneife ich die Augen zusammen. Ich recke den Hals und trockne mich ab. Die Verkrampfung löst sich erst, als ich wieder angezogen

bin.

So geht das schon lange. Ich bin Hypochonder, und seit ich vor eineinhalb Jahren gelesen habe, eines der Anzeichen für Hodenkrebs sei ein leicht geschwollener Hodensack, vermeide ich es, meine Hoden anzusehen, beim Duschen, beim Umziehen, beim Schlafengehen sowie bei bestimmten Gelegenheiten, bei denen man eigentlich nicht anders kann, als hinzusehen. Ich kenne mich. Wenn ich meine Hoden ansehe, bilde ich mir bestimmt ein, etwas habe sich verändert. Manchmal träume ich sogar davon, ich träume von wahren Ballonhoden. Ich will das nicht, ich will nichts von Hodenkrebs hören, ich will an überhaupt keine schweren Krankheiten denken, ich ertrage das nicht, generell nicht und derzeit schon gar nicht.

Ich setze mich an den Computer, keine Emails. Nicht überraschend, wenn man bedenkt, daß ich erst vor einer Viertelstunde nachgeschaut habe. Enttäuscht bin ich trotzdem. Ich warte auf nichts Bestimmtes, aber ich hätte nichts dagegen, wenn mir jemand schreibt. Vor einer Woche habe ich meinen fünften Roman beendet. Die Arbeit der Nacht ist die Geschichte von Jonas, der eines Tages erwacht und feststellt, daß alle anderen Menschen verschwunden sind. Meine

Agentin hat das Manuskript an verschiedene Verlage geschickt, und nun heißt es warten. Ich bin schlecht im Warten, deswegen mache ich schon am Nachmittag eine Flasche Wein auf.

Mir fehlt die tägliche Beschäftigung am Schreibtisch. Ich schleiche durch die Wohnung, rufe fünfmal in der Stunde Mails ab, suche nach Ablenkung. Else sagt, ich habe einen Dachschaden, ich soll mit Stanislaus spazierengehen. Sie sagt es oft, sie sagt es auch jetzt. Eigentlich hat sie recht. Sie zieht ihn an, ich ziehe mich an, und wir gehen.“

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver August Heinrich Hoffmann von Fallersleben werd geboren in Fallersleben op 2 april 1798. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

 

Das Lied der Deutschen

 

Helgoland 26. August 1841

 

Deutschland, Deutschland über alles,
Über alles in der Welt,
Wenn es stets zum Schutz und Trutze
Brüderlich zusammenhält,
Von der Maas bis an die Memel,
Von der Etsch bis an den Belt -
Deutschland, Deutschland über alles,
Über alles in der Welt!

Deutsche Frauen, deutsche Treue,
Deutscher Wein und deutscher Sang
Sollen in der Welt behalten
Ihren alten schönen Klang,
Uns zu edler Tat begeistern
Unser ganzes Leben lang -
Deutsche Frauen, deutsche Treue,
Deutscher Wein und deutscher Sang!

Einigkeit und Recht und Freiheit
Für das deutsche Vaterland!
Danach laßt uns alle streben
Brüderlich mit Herz und Hand!
Einigkeit und Recht und Freiheit
Sind des Glückes Unterpfand -
Blüh im Glanze dieses Glückes,
Blühe, deutsches Vaterland.

 

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver en avonturier Giacomo Girolamo Casanova werd geboren in Venetië op 2 april 1725. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Back Again to Paris (Vertaald door Arthur Machen)

 

“"St. Germain--he would never dare to return to Paris."

"I am certain that he is here in disguise. The state messenger who ordered him to leave London has convinced him the English minister was not duped by the demand for his person to be given up, made by the Comte d'Afri in the name of the king to the States-General."

All this was mere guess-work, and it will be seen that I guessed rightly.

Madame d'Urfe then congratulated me on the charming girl whom I had sent from Grenoble to Paris. Valenglard had told her the whole story.

"The king adores her," said she, "and before long she will make him a father. I have been to see her at Passi with the Duchesse de l'Oraguais."

"She will give birth to a son who will make France happy, and in thirty years time you will see wondrous things, of which, unfortunately, I can tell you nothing until your transformation. Did you mention my name to her?"

"No, I did not; but I am sure you will be able to see her, if only at Madame Varnier's."

 

 

 

 

 

 

De Deense schrijver en dichter Hans Christian Andersen werd geboren op 2 april 1805 in Odense. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: De kleine zeemeermin

 

“Ver in zee is het water zo blauw als de blaadjes van de mooiste korenbloem en zo helder als het zuiverste glas, maar het is heel diep, dieper als een ankerketting ooit kan komen. Je zou een heleboel kerktorens boven op elkaar moeten zetten om van de bodem van de zee tot aan de oppervlakte te komen. En daar in de diepte wonen de zeemensen.

Maar je moet niet denken dat de bodem van kaal, wit zand is. Nee hoor, er groeien de prachtigste bomen en planten en hun stengels en bladeren zijn zo soepel dat ze bij de minste beweging van het water heen en weer gaan, net of ze levend zijn. Grote en kleine vissen, allemaal glippen ze tussen de takken door, net als bij ons de vogels in de lucht. Op het allerdiepste plekje ligt het paleis van de zeekoning. De muren zijn van koraal en de lange, spits toelopende ramen van het zuiverste barnsteen. Het dak is van schelpen die met de bewegingen van het water open en dicht gaan. Het ziet er beeldig uit, want in iedere schelp zit een schitterende parel en als je er maar eentje van in de kroon van de koningin zou doen, zou dat al heel bijzonder zijn.”

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 2 april 2007.

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wilhelm Ludwig Gleim werd geboren op 2 april 1719 in Ermsleben.

 

De Nederlandse schrijver Onno Zwier van Haren werd geboren in Leeuwarden op 2 april 1713.

 

Geschreven door Romenu om 23:22 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten