Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

VSB Poëzieprijs voor Leonard Nolens

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)





De Vlaamse dichter en schrijver  Leonard Nolens heeft gisteravond in De Rode Hoed in Amsterdam de vijftiende VSB Poëzieprijs gekregen voor zijn vorig jaar verschenen bundel Bres. De VSB Poëzieprijs is de belangrijkste dichtersprijs in het Nederlandse taalgebied. De prijs omvat 25.000 euro en een beeldje van Linda Verkaaik. Zie ook mijn blog van gisteren, 11 april 2008.

 

 

Zonder mij

 

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.

Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven

Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,

Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

 

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven.

Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,

Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.

Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

 

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.

Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.

Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,

Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

 

 

 

 

Schatplichtig

 

Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers
Van het huis waarin ik slaap met mijn vriendin.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen,
Een groot en lastig beeld waaraan ik mij moet stoten,
Een scherp gewicht dat ik moet dragen alle dagen,
Alle nachten dat haar slaap me uit de slaap houdt.

 

Ik ben met haar alleen. Alleen met haar kom ik
De jaren afgewandeld want haar naam wijst me de weg
En in haar blik zie ik mijn blinde tijd weerspiegeld.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen
Waaraan ik heel mijn bot bestaan geslepen heb
En slijp, ook als ik slaap en roepend van haar droom.

 

 

 

 

Uit de tijd

 

Ik rijd naar huis in de bellende leegte
Van de laatste tram. Het wordt mijn tijd.

 

Verlaten straten komen samen, gaan uiteen
Op steeds dezelfde, stroevende punten.

 

Ik zit in mijn ijzer, lees de haltes, steeds
Dezelfde, door het raam dat wie weerkaatst.

 

Ik zoen de koude naam op de achterkant
Van mijn adres, verscheur de enige brief.

 

Het maanwit heeft weer niets verklaard.
De nacht bezit geen grond om op te rusten.

 

Het is vroeg in de slapende stad.
Het is laat in mijn slapeloos leven.

 

Geschreven door Romenu om 18:16 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Leonard Nolens, Mark Strand, Attila József, Rolf Schilling, Hartmut Barth-Engelbart, Barbara Köhler, Walid Soliman, Luise Gottsched, Sándor Márai

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

Foto van Diana Ozon




De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Hij wordt beschouwd als één van de belangrijkste levende dichters uit België. Hij debuteerde met de dichtbundel Orpheushanden. Nolens woont in Antwerpen, waar hij werkzaam is als free lance vertaler. Hij was redacteur van het tijdschrift ‘Labris’ van 1969 tot 1973. Zijn voorlaatste boek is de verzamelbundel Laat alle deuren op een kier. Zijn laatste boek is de dichtbundel "Een dichter in Antwerpen". Nolens werd bekroond met de prijs van het beste literaire debuut in 1974 voor ‘De muzeale minnaar’, de Arkprijs van het Vrije Woord en de Poëzieprijs van de provincie Antwerpen in 1976 voor ‘Twee vormen van zwijgen’, de driejaarlijkse Hugues C. Pernathprijs en de Poëzieprijs van de provincie Limburg in 1980 voor ‘Alle tijd van de wereld’ en de tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse Gids in 1984 voor ‘Vertigo’.

 

Nostalgie

 

O nee, ik wil niet weer, wil nooit meer wakker worden
Van die vleugel, zacht, die traag de trap op wandelt, hoog

Tot in de nok - wolken blauwe vlinders strijken

Op me neer, mijn bed hangt er te schommelen

Van die muziek, o nee, o nee, ik wil niet weer,

 

Niet op de bovengang het dunne lachen horen

Uit de meisjeskamer dat daar nooit is uitgestorven, geen

Raad en slaag meer krijgen van zijn machteloze handen

Die dit schrijven, niet meer eten uit vier monden tegelijk

Van al mijn moeders, liefsten! Nee, ik wil niet meer.

 

Maar geef mij af en toe de duisternissen weer

Van toen ik veertien was, een onuitsprekelijkheid

Waarvoor ik 's avonds op mijn knieën val, een vrouw

Die zich verstopt in de brandende wolken van mijn gedachten,

En nachten waarin ik mijn licht nog niet heb opgestoken.

 

Alles wordt zo simpel in de lastige herhaling van de dagen,

In het koelbloedig ritme van een zon die ons beschijnt

Met haar wiskundige warmte, alles schijnt verklaard -

Wij zijn er, en wij moeten ons verspillen aan elkaar

Gespiegeld, bloot en broos, verkleind van mens tot men.

 

 

 

 

Ons huis

 

Altijd ligt, in die langzame zomer van ooit en misschien,

Ons huis te wachten, het witte gedachte, hemelhoog

De heuvels in geslingerd door een uitbundige bosgod.

Het staat in ons nog steeds naar alle kanten open

Te dromen van gastvrije paden waar de zielen lopen

Van onze doden, zij die uit hun hel naar boven komen

Om moegestorven hier in onze kussens neer te zinken.

Ook vreemden zullen er hun toekomst komen drinken

Uit de diepe kelen van onze verwisselde namen.

 

 

Vader en zoon

 

Als ik je sloeg was het mijn vlees dat vroeg om slaag.

Als ik je zoen zoek ik verzoening met mezelf.

Nu jij me hier ziet zitten, vindende verlorenheid

Die ons nog niet begrijpt, heb jij jezelf gehoord.

 

Kijk ik in mijn ogen als jij bang mijn blik ontwijkt?

En hoor ik iedereen als jij weer zwijgt: ‘Ik ben alleen’?

Alleenzijn is voor mij een raar substantief, voor jou

Een onbepaalde wijs. Maar je 18 is mijn 41 waard.

 

Onze leeftijd zonder beroep, onze naam zonder adres -

Wat kun je dan nog leren van een kind, een man als ik?

Dat je mijn vlees moet slaan en zoenen, vechtend

Tegen dit hevige doodgaan dat ik op vader bevocht.

 

 

 

 

 


De Amerikaanse dichter en schrijver Mark  Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

Uit: Poetry in the World

 

“I usually have no idea what I will say before I begin to write. This is especially true with poems, and only slightly less so with lectures or essays. I write to find out what I have to say—not what I have to say about a given subject, but simply what I have to say. Not that I find a prescribed subject too limiting, it's just that to address a particular subject might cast me in the role of an expert, which is preposterous. And yet, as it happens, I am sometimes given not just a subject for the lecture I must deliver, but a title as well. I was for this evening's, and I welcomed it—it seemed grand, even uplifting. "Humanities and the Public Sphere." "Ah yes!" I thought, "a fitting topic." But after struggling around for a few days, trying to think of what I might say, and how I might say it, I decided to change the title. I wanted one that would fall in line—almost magically—with what I might say. After all, I no longer knew what the humanities were, even though the changes that have taken place in that area of study over the past half-century have been well documented and tirelessly speculated on; and I didn't really grasp the notion of "public sphere," which, though a phrase commonly used, struck me as excessively abstract. So I came up with the less weighty "Poetry in the World." Although using "world" in the title did make me think—to be poetic for a moment—that I had bitten off more than I could possibly chew.”

 

***

 

Gedichten eten

Inkt druipt langs mijn mondhoeken.
Niemand is zo gelukkig als ik.
Ik heb gedichten gegeten.

De bibliothecaresse gelooft niet wat ze ziet.
Haar ogen staan bedroefd
en ze loopt met de handen in haar jurk.

De gedichten zijn op.
Het licht is zwak.
De honden op de keldertrap komen naar boven.

Hun oogballen rollen.
Hun blonde poten branden als braam.
De arme bibliothecaresse begint stampvoetend te huilen.

Ze begrijpt het niet.
Wanneer ik op mijn knieën val en haar hand lik,
schreeuwt ze.

Ik ben een nieuw mens.
Ik grom naar haar en blaf.
Ik dartel van genot in de boekige nacht.

 

 

Vertaald door Wiljan van den Akker

 

 

 

 

 

 

De Hongaarse dichter Attila József werd geboren op 11 april 1905 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

What Will Become of Him...

What will become of him, whoever
has got no handle to his hoe,
upon whose whiskers crumbs don't quiver,
who dawdles, gloomy, thrawn, and slow;
who would from half a furlong's hoeing
keep one potato out of three,
whose hair falls out in patches, growing
bald unnoticed - who'd care to see?

 

What will become of him, whoever
has but five acres under crops,
whose draggled hen clucks at the stover,
whose thoughts nest in a mudhole's slops;
when no yoke clinks, no oxen bellow;
when mother serves the family soup
and steam from a liquid weak and yellow
drifts from the bottom of the scoop?

 

What will become of him, whoever
must live alone and work alone;
whose stew has neither salt nor savour,
the grocer gives no tick nor loan;
who has one broken chair for kindling,
cat sitting on the cracked stove's shelf;
who sets his keychain swinging, jingling,
who stares, stares; lies down by himself?

 

What will become of him, whoever
works to support his family;
the cabbage-heart they quarrel over,
the film the big girl gets to see;
always the laundry - dirt's slow strangling -
the wife's mouth tastes of vegetables,
and when the light's off, silent wrangling,
gropings, eavesdroppings, darkness, rules?

 

What will become of him, whoever
idles outside the factory,
a woman meanwhile hauls the lever,
a pale-skulled child sets the fusee;
when through the gates he gazes vainly,
vainly humps bags and market-creels -
he dozes, they rouse him inhumanely,
and always catch him when he steals?

 

What will become of him, whoever
weighs out potatoes, salt, and bread,
wraps them in newsprint's inky flavour,
and doesn't brush the scales he's read;
and in the gloom he dusts, complaining,
the rent is high, the tax is keen,
the price - but what's the use explaining
the extra charge for kerosene?

 

And what will come of him, whoever
knows he's a poet, sings his fears,
whose wife mops up the floor forever,
who chases copy-work for years;
whose name's a brand-name, if he has one,
just like a soap or cooking-fat,
whose life is given, if he has one,
all to the proletariat?

 

 

 

 

The Scream

Love me wildly, to distraction,
scare away my huge affliction,
in the cage of an abstraction,
   I, an ape, jump up and down,
bare my teeth in malediction,
for I have no faith or fiction,
   in the terror of His frown.

 

Mortal, do you hear my singing,
or mere nature's echoes ringing?
Hug me, don't just stare unseeing
   as the sharpened knife comes down -
there's no guardian that's undying
who will hear my song and sighing:
   in the terror of His frown.

 

As a raft upon a river,
Slovak raftman, whosoever,
so the human race forever
   dumb with pain, goes drifting down -
but I scream in vain endeavour:
love me: I'll be good, I shiver
   in the terror of His frown.

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Rolf Schilling werd geboren in Nordhausen in de Harz op 11 april 1950. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

 

BABYLON

Sag, hast du Babylon gekannt,
Das Löwentor, die Wappenwand,
Den Himmel, hell und morgenweit?
Dort leg den Stab aus deiner Hand,
Dort kehrst du ein, vom Traum gebannt,
Am Ausgang jeder Ewigkeit.

Dort bist du Schweifender zuhaus
Im Wortgewirr, im Labyrinth.
Die Schwalben fliegen ein und aus,
Geheime Kunde weiß der Wind.

Ein Sperber, Spender dunklen Lichts,
Erbarmt sich deiner Ungeduld,
Versinkst du, starren Angesichts,
In seines Fittichs grauer Huld.

Du hast kein neues Reich entfacht,
Hast nur, geneigt ins Niezurück,
Uraltes endlich heimgebracht:
Den Abgesang, das Ernteglück,
Die letzten Flüge vor der Nacht.

Nun holt dich keine Zeit mehr ein,
Was jemals werden kann, verging,
Was morgen war, wird gestern sein,
Beginn und Ende schließt der Ring.

Fern aller Bitte, allem Ruf,
Tritt vor, nimm dein verheißnes Los.
Blind war der Gott, der dich erschuf,
Blind kehrst du heim in seinen Schoß.

Sag, hast du Babylon gekannt,
Den Regenbogen, weit gespannt,
Verschwistert allem Einst und Je?
Die Morgenhimmel sind verbrannt,
Von morschen Schwingen stäubt der Sand,
Und Schnee wird sein, viel Schnee.

 

 

 

YPSILON-SONETT

Wenn Hyazinth im Schimmerer der Berylle
Krystallen sich erblickt, wächst der Polyp
Zur Hyder, daß die Pythische Sibylle
In Hieroglyphen sich und Hymnen üb.

Hyperborea grünt, es fügt der Skythe
Den Zweig zur Zwille: Hütet Yggdrasil
Walkyren androgyn, blüht aus der Mythe
Der Thyrsos wie aus Krypten das Reptil.

Syrinx ertönt im Rauschen der Charybden,
Der Python paart im innersten Ägypten
Des Goldes Glanz der Schwärze des Onyx.

Zypresse hüllt die Myrte, doch dem Mysten
Entbietet Sphinx im Spiegel amethysten
Asyl, bis der Olymp sinkt im Styx.

 

 

 

 

 


De Duitse schrijver, dichter, musicus, liedjesmaker, zanger en graficus
Hartmut Barth-Engelbart werd geboren op 11 april 1947 in Michelstadt.
Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

Heidelberg

 

Heidelberg 
auf deinen Brücken 
stand ich 
den schalen Nachgeschmack 
glänzender Feste 
im Gaumen 
den beklemmenden Rauch 
deiner engen Altstadt 
atmend 
und deiner Schönheit 
nicht gedenkend 
Heidelberg 
du grausame Schöne 
zerschneidest mir mein Ich 
läßt mich den Mittelpunkt 
das Gleichgewicht 
verlieren 
und meine Gedanken 
den Neckarwellen gleich 
in ein Meer 
von Heimweh fließen - 
Wohin? 
Ich kannte mein Ziel 
doch du bringst mich ab 
vom Wege 
und fesselst mich 
wie eine Frau 
für vierundzwanzig Stunden 
Und mittags 
Heidelberg und abends 
und nachts 
auf deinen Brücken 
stehe ich 
den schalen Nachgeschmack 
glänzender Feste 
den Rückblick 
deiner Augen 
im Nacken 
den beklemmenden Rauch 
deiner engen Altstadt 
zitternd fiebernd 
röchelnd atmend 
und deine Schönheit 
nimmt mich in ihre 
feuchten kalten Arme 
deckt über mich 
ihr Nebelschleierhaar 
das mir im Fallen noch 
den Blick 
zum Sternenhimmel 
nimmt 

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Barbara Köhler werd geboren op 11 april 1959 in Burgstädt. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

 

 

Gedicht

 

ich nenne mich du weil der Abstand

so vergeht zwischen uns wie Haut

an Haut wir sind nicht

zu unterscheiden zu trennen eins

und das Andere die Grenze ist

die Verletzung der Übergang

eine offene Wunde du nennst mich

ich wer von uns beiden sagt

hier hast du ein Messer

mach meinen Schnitt.

 

 

 

guten tag

immer hinterher im regen stehen
gelassen bleiben als ob gehen
die frage sei: dahingestellt
& was aus allen wolken fällt

mir zu betrifft mich offenherzig
verheult verlacht den rest verschmerz ich
vergeh verkomme auf dich zu
entferne mich was bleibt bist du

bei trost bei dir beizeiten
JUST TRAVELLIN‘ es kommt nicht an
auf sprüche soviel ist versprochen

und haltlos was ich sagen kann
verstummt verspielt zwischen uns beiden
der regen naß bis auf die knochen

 

 

 

Rondeau Allemagne

 

Ich harre aus im Land und geh, ihm fremd,

Mit einer Liebe, die mich über Grenzen treibt,

Zwischen den Himmeln. Sehe jeder, wo er bleibt;

Ich harre aus im Land und geh ihm fremd.

 

Mit einer Liebe, die mich über Grenzen treibt,

Will ich die Übereinkünfte verletzen

Und lachen, reiß ich mir das Herz in Fetzen

Mit jener Liebe, die mich über Grenzen treibt.

 

Zwischen den Himmeln sehe jeder, wo er bleibt:

Ein blutig Lappen wird gehißt, das Luftschiff fällt.

Kein Land in Sicht; vielleicht ein Seil, das hält

Zwischen den Himmeln. Sehe jeder, wo er bleibt.

 

 

 

 

 

De Tunesische dichter, schrijver, essayist en vertaler Walid Soliman werd geboren op 11 april 1975 in Tunis. Zie ook mijn blog van 11 april 2007.

 

Lameness

 

The girl I thougt lame

Had her heel broken

In the stairs

 

 

 

My life without you

 

Like a tree without a shadow

Like a pearl without glitter

Like a moon without rays

Thus was my life without you

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 11 april 2007.

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Luise Adelgunde Victorie Gottsched<

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Leo Vroman, Paul Theroux, Stefan Heym, Richard Wagner, William Hazlitt

Leo Vroman (Gouda, 10 april 1915)







De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Voor wie dit leest

 

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen ? Ik kan U niet bereiken.

 

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.

Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord, of spreek het uit.

 

Menige verzen heb ik al geschreven,

ben menigen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven:

liefde is het enige.

 

Liefde is het meestal ook geweest

die mij het potlood in de hand bewoog

tot ik mij slapende voorover boog

over de woorden die Gij wakker leest.

 

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn

en door de letters heen van dit gedicht

kijken in Uw lezende gezicht

en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

 

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

 

Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

ik heb je zo lief.

 

 

 

 

 

De Verstandige Dolfijnen

 

Dolfijnen woonden lang geleden
in Kiev, Kleef en andere steden.

Ze hadden talk, thee en handen,

en consuls in de meeste landen.

 

Maar één dolfijn vond eerst het kruit

en toen zelfs de atoombom uit.

 

Zij riep: 'Wij zijn te ver gegaan !

Terug ! Terug naar de oceaan !'

 

Zij wierp zich jurk en al in zee.

Alle anderen doken mee,

 

en zij verloren in het schuim

weer bril en opponeerbare duim.

 

Moraal

 

Dolfijnen ! Schatjes ! Maak ruim baan,

wij komen achter jullie aan.

 

 

 

 

Bloemen

 

Als alle mensen eensklaps bloemen waren

zouden zij grote bloemen zijn met lange snorren.

Vermagerde vliegen, dode torren

zouden blijven haken in hun haren.

Tandestokers, steelsgewijs-ontsproten,

zouden zwellen tot gedraaide tafelpoten,

katoenen knoppen zouden openscheuren

tot pluche harten die naar franje geuren,

 

en op de bergen zouden gipsen zuilen staan

die gipsen druiven huilen.

 

Op het water dreven bordkartonnen blaren,

de vlinders vielen uit elkaar tot losse vlerken

en van geur verdorden alle perken

als alle mensen eensklaps bloemen waren.

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Edward Theroux werd geboren op 10 april 1941 in Medford, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: The Elephanta Suite

 

 

„Tough question," Audie said. "This time of year we're usually in our house in Florida. We've got an apartment in New York. We mostly spend our summers in Maine. We've got a condo in Vermont, ski country. Take your pick."

But the woman wasn't listening to him. She was talking about her daughter, who lived in New York City and was now twenty-seven and a little overdue to be married. They — mother and father — were in India to meet the parents of a boy they hoped would be a suitable husband. The boy happened to be living in Rochester, New York, where he taught engineering.

"Arranged marriage," she said. "Best way."

She seemed to be twinkling with defiance, challenging Audie to question her adherence to the custom of arranged marriage. He enjoyed hearing her overselling it.

"Rupesh and I were arranged by our parents. Americans find it so funny." She shrieked a little and wobbled her head. "I didn't know his name. Only his horoscope. He was almost stranger to me. Almost thirty years together now!"

While insisting on her approval of the custom of arranged marriage, she was also presenting herself as an antique, if not an oddity, and wished to be celebrated that way. She lived in the USA; she had shocked her American friends with this sort of talk and was defying Audie to be shocked. But Audie decided to defy her in return by smiling at her.

"Beth was a stranger to me when we met, too," he said. "Picked her up in a bar."

He overheard the Indian man — Bill? Rupesh? — say, "vas vesting away" and "his own urine" — and he turned away from the man's disappointed wife.

"My father," the man said, glad for another listener. "He was in intensive care at Georgetown Medical Center. They said they couldn't do any more for his condition, which was inoperable cancer of pancreas. 'He will be more comfortable at home.' They were abandoning him, no question. He was wasting. As last resort we saw a yogi. He prescribed the urine cure. My father was instructed to drink a beaker of his own urine first thing in morning. He did so. After a week he grew stronger. Appetite came back. Hunger was there. Thirst was there. Second week, my God, he began to put on weight. Skin better, head clear. Third week he was walking a bit. Balance was there. Two months of this, drinking urine, and body was clear. Doctor said, 'Miracle.'"

 

 

 

 

De Duitse schrijver Stefan Heym (eig. Hellmuth Flieg) werd geboren op 10 april 1913 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: Immer sind die Männer schuld

 

“Ich erinner mich noch. Da war eine Zeit, wo ich ein heiterer Mensch war und herumgelaufen bin mit leichtem Herzen oder zumindest ausgeglichen in meinem Geist; aber jetzt denk ich immer sofort, was hab ich schon wieder gemacht, der Fleck auf dem Hemd, wo kommt der Fleck her, es hängen doch genug saubere Hemden im Schrank, und  die alte zerbeulte Hose, immer läufst du herum  wie ein Schlump, besonders wenn wir wollen ausgehen, kannst du nicht selber auf dich achten;  und in mir fängt etwas an zu wuchern, ich weiß nicht was, aber wenn ich erzähl davon meinem Freund, dem Professor Mendel, dem bekannten

Seelenauseinandernehmer, sagt der, Das ist dein Schuldbewußtsein; wenn alles immer schiefgeht und sich verhakelt, muß einer doch daran schuld haben, und wer kann das sein nach Lage der Dinge? – nur du. Und sowieso sind immer die  Männer schuld.

Und ich spür wie mein Schuldbewußtsein  immer mehr wuchert in meinem Innern, und ich

sag mir, ich muss nachdenken wie ich’s nur fertigbringen möcht daß mir nicht immer alles danebengeht und die Menschheit mich liebt und respektiert, und besonders mein Weib. Und ich frag sie, was soll ich nur machen, Liebste, daß ich nicht völlig verkomm, ich bin doch früher ein richtig was man nennt ein patenter Mensch gewesen und hab dir ein Glück gegeben schon am frühen Morgen.“

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Richard Wagner werd geboren op 10 april 1952 in Lowrin, in Roemenië. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: Miss Bukarest

 

„Als Wasserleiche liegt sie nun vor ihm - Erika. Seine Landsfrau, wie Schelski mit einem Seitenblick auf Dino Schullerus sagt. Ob er sie kenne? Ob Schelski glaube, alle Rumaenen wuerden sich automatisch kennen? Ausserdem, aber das erwähnt Schullerus nicht, ist die tote Frau da vor ihnen keine Rumänin sondern genaugenommen eine Banater Schwäbin. Aber damit hätte er schon wieder verraten, dass er sie kennt.

Ja, er kennt diese Erika schon sehr lange. Sie waren eng befreundet, alle drei - Erika, Lotte und Dino. Voller Idealismus. Und als dann der Prager Fruehling ploetzlich die Gefahr birgt, dass die Russen auch Rumänien besetzen, beschliesst Dino, der Securitate beizutreten. Mit den lautersten Absichten - sein Land vor der Okkupation zu bewahren. Das zumindest zu Beginn. Denn schon rasch wird er fuer ganz andere Dienste eingesetzt. Spitzel spielen. Menschen unter Druck setzen. Auf die intellektuelle Schicht hat man es ganz besonders abgesehen. Und Erika hat besonders engen Kontakt zu ihnen. Ausserdem ist sie mit einem Deutschen liiert und will mit ihm in den Westen. Eine Information, die Dino eigentlich weitergeben muesste. Aber trotz der Gefahr, dass auch diese Information irgendwo abgehoert worden war, meldet er nichts.

Sie war also in den Westen gegangen. Nicht lange danach hatte sich auch Dino mit seiner Familie nach Deutschland abgesetzt. Heimlich. Das Versprechen seiner Frau Lotte gegenueber eingeloest - ihr Preis dafür, dass sie ihn trotz des Verhältnis zu Erika nicht verlassen hatte. Aber was kann ein Securitate-Mann in Deutschland machen? Das, was er immer schon am besten konnte - Leute bespitzeln. Und so war er in der Detektei gelandet, die eines Tages den Auftrag erhielt, eine Ehefrau zu beschatten. Die sich als die lange verschollene Erika entpuppt.“

 

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver en essayist William Hazlitt werd geboren op 10 april 1778 in Maidstone. Zie ook mijn blog van 10 april 2007.

 

Uit: On poetry

 

„The remarks which have been here made, would, in some measure, lead to a solution of the question of the comparative merits of painting and poetry. I do not mean to give any preference, but it should seem that the argument which has been sometimes set up, that painting must affect the imagination more strongly, because it represents the image more distinctly, is not well founded. We may assume without much temerity, that poetry is more poetical than painting. When artists or connoisseurs talk on stilts about the poetry of painting, they show that they know little about poetry, and have little love for the art. Painting gives the object itself; poetry what it implies, Painting embodies what a thing contains in itself: poetry suggests what exists out of it, in any manner connected with it. But this last is the proper province of the imagination. Again, as it relates to passion, painting gives the event poetry the progress of events: but it is during the progress, in the interval of expectation and suspense, while our hopes and fears am strained to the highest pitch of breathless agony, that the pinch of the interest lies.

 

Between the acting of a dreadful thing
And the first motion, all the interim is
Like a phantasma or a hideous dream.
The mortal instruments are then in council;
And the state of man, like to a little kingdom,
Suffers then the nature of an insurrection.

 

But by the time that the picture is painted, all is over. Faces are the best part of a picture; but even faces are not what we chiefly remember in what interests us most, -- But it may be asked then, Is there anything better than Claude Lorraine's landscapes, than Titian's portraits, Raphael's cartoons, or the Greek statues? Of the two first I shall say nothing, as they are evidently picturesque, rather than imaginative. Raphael's cartoons are certainly the finest comments that ever were made on the Scriptures. Would their effect be the same if we were acquainted with the text? But the New Testament existed before the cartoons. There is one subject of which there is no cartoon, Christ washing the feet of the disciples the night before his death. But that chapter does not need a commentary! It is for want of some such resting place for the imagination that the Greek statues are little else than specious forms. They are marble to the touch and to the heart. They have not an informing principle within them. In their faultless excellence they appear sufficient to themselves. By their beauty they are raised above the frailties of passion or suffering. By their beauty they are deified. But they are not objects of religious faith to us, and their forms are a reproach to common humanity. They seem to have no sympathy with us, and not to want our admiration.

 

 

 

Geschreven door Romenu om 20:30 Reageer op dit bericht

Charles Baudelaire, Joolz Denby, Johannes Bobrowski, Arnold Stadler, Lev Kopelev, Bernard-Marie Koltès

Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)








De Franse dichter
Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

 

La Beauté

 

Je suis belle, ô mortels! comme un rêve de pierre,
Et mon sein, où chacun s'est meurtri tour à tour,
Est fait pour inspirer au poète un amour
Eternel et muet ainsi que la matière.

 

Je trône dans l'azur comme un sphinx incompris;
J'unis un coeur de neige à la blancheur des cygnes;
Je hais le mouvement qui déplace les lignes,
Et jamais je ne pleure et jamais je ne ris.

 

Les poètes, devant mes grandes attitudes,
Que j'ai l'air d'emprunter aux plus fiers monuments,
Consumeront leurs jours en d'austères études;

 

Car j'ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belles:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!

 

 

 

 

De profundis clamavi

 

J'implore ta pitié, Toi, l'unique que j'aime,
Du fond du gouffre obscur où mon coeur est tombé.
C'est un univers morne à l'horizon plombé,
Où nagent dans la nuit l'horreur et le blasphème;

 

Un soleil sans chaleur plane au-dessus six mois,
Et les six autres mois la nuit couvre la terre;
C'est un pays plus nu que la terre polaire
— Ni bêtes, ni ruisseaux, ni verdure, ni bois!

 

Or il n'est pas d'horreur au monde qui surpasse
La froide cruauté de ce soleil de glace
Et cette immense nuit semblable au vieux Chaos;

 

Je jalouse le sort des plus vils animaux
Qui peuvent se plonger dans un sommeil stupide,
Tant l'écheveau du temps lentement se dévide!

 

 

 

 

Je te donne ces vers afin que si mon nom

 

Je te donne ces vers afin que si mon nom
Aborde heureusement aux époques lointaines,
Et fait rêver un soir les cervelles humaines,
Vaisseau favorisé par un grand aquilon,

 

Ta mémoire, pareille aux fables incertaines,
Fatigue le lecteur ainsi qu'un tympanon,
Et par un fraternel et mystique chaînon
Reste comme pendue à mes rimes hautaines;

 

Être maudit à qui, de l'abîme profond
Jusqu'au plus haut du ciel, rien, hors moi, ne répond!
— Ô toi qui, comme une ombre à la trace éphémère,

 

Foules d'un pied léger et d'un regard serein
Les stupides mortels qui t'ont jugée amère,
Statue aux yeux de jais, grand ange au front d'airain!

 

 

 

 

 

 

De Engelse dichteres, schrijfster en “spoken-word artist” Joolz Denby werd geboren op 9 april 1955 in Colchester. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

Uit: Wild Thing

 

“All of it. I had all of it, and more. Jesus, the tales I could tell - not that anyone would believe me because they wouldn't be about how great it all was and what fascinating and worthwhile people boy-bands, pop-whores and rock musicians are. Or MP's, newscasters, actors and celebrity chefs either, for that matter. Those stories wouldn't tow the party line, boost the media profile, you see. Ha! Christ, far from it - like, remember that MP, the one who was on the box all the time saying how Britain should return to a state of decency and Christian principles? Him with the blond hair and fat red face? Yeah - you know. I once saw him at a party stark naked on all fours on a dining table, coked off his tits, eating - well, yeah, not the entrées anyway. People were cheering him on while they shook bottles of Moet up and sprayed him and his - dinner - with them. Cool, eh? Right.

But I won't name the names. Why should I? Call it a point of honour. I didn't tell then and I won't now. The likes of that tosser get theirs one way or another without my help. I'm no kiss-and-tell-whore, whatever else I may be.

Jesus, it's so cold here, freezing, I'm freezing. I've run out of oil for the heaters and it's coming winter in earnest out here. The van's dead, too, battery or something - what do I know about cars? Shag all, as it goes. I should have got Evan out to fix it but it didn't seem urgent two days ago. Two days, is it only two days? I ought to phone him, I should phone Evan, he'd help me, he likes me even though I'm English but I - I can't seem to - I don't know. I think this is it. Last night was - I can't think about it, I can't. What have I done? God in heaven, what have I done? I thought I was right, you know? I was so convinced I was right, I thought I was doing the decent thing, being stand-up, a real heroine. But it's such a mess, such a fucking mess.”

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

Sprache

 

Der Baum

größer als die Nacht

mit dem Atem der Talseen

mit dem Geflüster über

der Stille

 

Die Steine

unter dem Fuß

die leuchtenden Adern

lange im Staub

für ewig

 

Sprache

abgehetzt

mit dem müden Mund

auf dem endlosen Weg

zum Hause des Nachbarn.

 

De Duitse schrijver Arnold Stadler werd geboren op 9 april 1954 in Meßkirch. Zie ook mijn blog van 9 april 2007.

 

Uit: Komm, gehen wir

 

1. Komm, gehen wir. Und sie gingen

Eigentlich waren sie nur zum Braunwerden hierher gekommen.
Deswegen waren sie hier. Und das Meer sehen wollten sie. Und nichts tun. Und sonst gar nichts.

Gerade hatte Jim sie um einen Schluck Wasser gebeten und sich neben sie auf sein kleines Handtuch gesetzt. So begann ihre Geschichte. Und wie jede Liebe begann auch diese mit
einem Blick.

Das wusste er aus den Liebesfilmen. Es war eine alte Sehnsucht, mit der ihn Tante Paula infiziert
hatte. Sie liebte Capri, muss es geliebt haben, denn anders ließ es sich nicht erklären, dass sie wie ein Kind sprach, wenn sie davon erzählte. Das Schönste auf der ganzen Welt!, sagte sie, wie Kinder sagen. Roland sah sie noch mit diesem Satz dastehen und hörte noch das Ausrufungszeichen hinter auf der ganzen Welt.
Vielleicht war es auch wegen der Liebe, von der Roland damals noch nicht viel wusste, dass es immer Capri sein musste. Und die Liebe einer alten Frau gab es für ein Kind von einst ohnehin nicht – solche Sätze waren Roland in den Sinn gekommen, als ihm diese Frau in den Sinn kam. Die Erinnerung war Schnee von gestern und das Kapital von Schriftstellern und
Verliebten, die ihre große Zeit hinter sich hatten.
Tante Paula hat ihnen jedes Jahr eine Karte von diesem Meer und den Felsen geschickt. So sah er auch nebenbei zum ersten Mal das Meer. Als Kind saß er auf ihrem Schoß, wenig
später hat sie seinen Händen Manieren beibringen wollen, dann die ersten Worte Französisch. Sie sah, wie er wuchs, und jedes Mal, wenn sie zu ihnen nach Hause kam, das war
einmal im Jahr, sah Paula, wie er Fortschritte gemacht hatte im Leben. Später, als sie wieder in die Nähe gezogen war, an den See, in der Illusion, zu Hause stürbe es sich leichter, hat sie immer wieder nach ihm gefragt, er solle sie doch einmal besuchen.“

 

 

 


 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 april 2007.

 

De Russische schrijver Lev Zinovevitsj Kopolev werd op 9 april 1912 in Kiev geboren.

 

De Franse toneelschrijver Bernard-Marie Koltès werd geboren in Metz op 9 april 1948.

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Gerard Reve, Barbara Kingsolver, Christoph Hein, Hanz Mirck, Hégésippe Moreau, Glendon Swarthout, Johann Christian Günther, John Fante

Gerard Reve (14 december 1923 -  8 april 2006)








Vandaag is het precies 2 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie over Reve ook mijn blog van 8 april 2007, mijn blog van 14 december 2007,   mijn blog van 14 december 2006. en mijn blog van 9 april 2006.

 

 

Wiegelied

Ik ging nuchter naar bed, en kon niet slapen.
Toen ik tenslotte sliep, dreunde het huis
en worstelde ik met iemand.
Niet tot de ochtend: toen ik weer wakker werd, was het
          
nog nacht.
Ook wist ik niets meer van een zegen.

 

 

 

Reisgebed

 

O God.
Ik sta op het punt, op reis te gaan.
Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is.
Ik wil U liefhebben.
Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of
ander kwaad zal berokkenen.
Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken.
Ik sta voor U.
Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen,
dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden,
altijd U toebehoor.
Want in leven en sterven zijt Gij in mij en ben ik in U.
Ik ga nu weg.
Vaarwel, o God

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Barbara Kingsolver werd geboren op 8 april 1955 in Annapolis, Maryland. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

Uit: Prodigal Summer

 

“Her body moved with the frankness that comes from solitary habits. But solitude is only a human presumption. Every quiet step is thunder to beetle life underfoot; every choice is a world made new for the chosen. All secrets are witnessed.

If someone in this forest had been watching her - a man with a gun, for instance, hiding inside a copse of leafy beech trees - he would have noticed how quickly she moved up the path and how direly she scowled at the ground ahead of her feet. He would have judged her an angry woman on the trail of something hateful.

He would have been wrong. She was frustrated, it's true, to be following tracks in the mud she couldn't identify. She was used to being sure. But if she'd troubled to inspect her own mind on this humid, sunlit morning, she would have declared herself happy.

She loved the air after a hard rain, and the way a forest of dripping leaves fills itself with a sibilant percussion that empties your head of words. Her body was free to follow its own rules: a long-legged gait too fast for companionship, unself-conscious squats in the path where she needed to touch broken foliage, a braid of hair nearly as thick as her forearm falling over her shoulder to sweep the ground whenever she bent down. Her limbs rejoiced to be outdoors again, out of her tiny cabin whose log walls had grown furry and overbearing during the long spring rains. The frown was pure concentration, nothing more. Two years alone had given her a blind person's indifference to the look on her own face.

All morning the animal trail had led her uphill, ascending the mountain, skirting a rhododendron slick, and now climbing into an old-growth forest whose steepness had spared it from ever being logged. But even here, where a good oak-hickory canopy sheltered the ridge top, last night's rain had pounded through hard enough to obscure the tracks. She knew the animal's size from the path it had left through the glossy undergrowth of mayapples, and that was enough to speed up her heart. It could be what she'd been looking for these two years and more. This lifetime. But to know for sure she needed details, especially the faint claw mark beyond the toe pad that distinguishes canid from feline. That would be the first thing to vanish in a hard rain, so it wasn't going to appear to her now, however hard she looked. Now it would take more than tracks, and on this sweet, damp morning at the beginning of the world, that was fine with her. She could be a patient tracker. Eventually the animal would give itself away with a mound of scat (which might have dissolved in the rain, too) or something else, some sign particular to its species. A bear will leave claw marks on trees and even bite the bark sometimes, though this was no bear. It was the size of a German shepherd, but no house pet, either. The dog
that had laid this trail, if dog it was, would have to be a wild and hungry one to be out in such a rain.”

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, essayist en vertaler Christoph Hein werd geboren op 8 april 1944 in Heinzendorf in Silezié. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

Uit: Das Wildpferd unterm Kachelofen

Als ich zurückkam, stand ein Junge an meinem Wagen, öffnete die Tür und schlug sie krachend wieder zu. Es schien ihm Spaß zu machen. Ich stellte mich neben ihn.
„Das kracht ganz schön“, bemerkte er beiläufig, während er erneut die Tür ins Schloss fallen ließ. „Na ja“, murmelte ich nicht sehr erfreut. „Ist das dein Auto?“, fragte er mich.
Ich nickte. „Dann bist du wohl jetzt ganz schön sauer, wie?“, erkundigte er sich interessiert.
„Sehr gut finde ich’s nicht“, bestätigte ich seine Frage. Er ließ die Autotür ein letztes Mal krachend ins Schloss fallen und schlenderte um die Ecke. Als ich an ihm vorbeifuhr, saß er auf dem Bürgersteig und beobachtete eine Meise, die einen Wurm aus der Erde zu ziehen versuchte.
Ein paar Tage später traf ich ihn wieder.Es regnete.Es regnete sehr stark.Jakob Borg stand vor einer Haustür. Er trug ein grünes Regencape und starrte trübsinnig in eine Pfütze.
„Wie geht’s“, erkundigte ich mich, „langweilst du dich?“
„Ich langweile mich nie“, sagte er, ohne mich anzusehen.Mit einem Stock stocherte er in der Pfütze herum und versuchte, die kleinen Wasserblasen aufzuspießen.„Hast du denn keine Freunde, mit denen du spielen kannst?“
„Natürlich“, sagte er.
„Deine Schulfreunde, nicht wahr?“, fragte ich weiter. Doch er schüttelte den Kopf: „Nein, in die Schule gehen sie nicht.“ Dann überlegte er eine Weile und fügte hinzu: „Jedenfalls gehen sie nicht sehr oft dorthin. Sie finden Schule nicht sehr interessant, verstehst du.“
„Ja, ja“, sagte ich, „das verstehe ich schon. Und wo sind deine Freunde jetzt?“
„Oben“, sagte er.
„Oben?“
„Ja, in meinem Zimmer. Katinka und Kleine Adlerfeder, der Falsche Prinz und Panadel der Clochard und Schnauz der Esel.“ Er setzte einen schwarzen Käfer auf ein Holzstück, das in der Pfütze schwamm.
„Du hast aber viele Freunde“, sagte ich beeindruckt.
„Ja“, sagte er und starrte aufmerksam in die Pfütze, in der ein
schwarzer Käfer Boot fuhr.
”

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

 

HEMELRIJK

                  Voor Thé Lau,
voor Iris

In het midden van mijn leven kwam ik
op een open plek. Er stond een bord: McDonald's
in de verte klonk muziek

Alleen was ik daar niet: zij was bij me
we namen een kamer in het hotel -
thuis hebben we immers geen bad

Het woord 'altijd' is net als het woord 'nooit'
bedacht door een dichter, de ziel is groter
dan het hart, het hart groter dan de wereld
Nog altijd rekenen filosofen zich erop stuk

Ineens zag ik waarom de dingen zijn zoals het is
Niet schrijven om zo voor altijd te willen blijven,
niet de weg vinden in het bos,
niet om de muziek alleen

Water is zoet. Het woord 'eeuwig'
is een kamer in het hotel. De hemel
is een open plek. Ik ben hier om haar haren te wassen,
haar mooie zachte haar

 

 

 

 

Onder een blauwe vlag met heel veel sterren

Kon niet slapen meer vannacht. Op mijn tafel een onbegrijpelijk gedicht:
Grondwet van Europa. Een parlement als los zand - fijn stof in ons
gezicht, dat met de munt die me armer maakte, tegen mijn zin campagne
voert om een grondwet waar ik voor moet zijn.

Wat moet dat met mijn mening? Ik deed geen oog meer dicht.
Ineens twee mannen in mijn kamer, Lenin bij mijn bed:
Gaat u de Sovietunie nu echt opnieuw uitvinden? Kameraad
geef me een wodka. En Trotsky bij de deur: Wat een natie!

Die surroundsoundhomecinema's klinken levensechter
dan op het veld. Wie zwaait er nog met vlaggen bij voetbal,
pinkpopopconcert, demonstratie? In een woonkamer

vlagt men niet maar heeft uit de magnetron liever
een voorgebakken mislukking dan een echte
Geef mij ook een wodka! Ik kon niet slapen meer vannacht.

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 april 2007.

 

De Franse dichter en schrijver Hégésippe Moreau (eig. Pierre-Jacques Roulliot) werd geboren op 8 april 1810 in Parijs.

 

De Amerikaanse schrijver Glendon Fred Swarthout werd geboren op 8 april 1818 in Pinckney, Michigan.

 

De Duitse dichter Johann Christian Günther werd geboren op 8 april 1695 in Stiergau. Zie ook mijn blog van 8 april 2007.

 

De Amerikaanse schrijver John Fante werd geboren in Colorado op 8 april 1909.

 

Geschreven door Romenu om 20:27 Reageer op dit bericht

William Wordsworth, Donald Barthelme, Gabriela Mistral, Johannes Mario Simmel, Roger Lemelin, Hervé Bazin, Jens Peter Jacobsen, Flora Tristan

William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850)








De Engelse dichter
William Wordsworth werd geboren op 7 april 1770 in Cumberland. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 


I Wandered Lonely As A Cloud


I Wandered Lonely As A Cloud

That floats on high o'er vales and hills,
When all at once I saw a crowd,
A host, of golden daffodils;
Beside the lake, beneath the trees,
Fluttering and dancing in the breeze.

 

Continuous as the stars that shine
And twinkle on the milky way,
They stretched in never-ending line
Along the margin of a bay:
Ten thousand saw I at a glance,
Tossing their heads in sprightly dance.

 

The waves beside them danced; but they
Out-did the sparkling waves in glee:
A poet could not but be gay,
In such a jocund company:
I gazed--and gazed--but little thought
What wealth the show to me had brought:

 

For oft, when on my couch I lie
In vacant or in pensive mood,
They flash upon that inward eye
Which is the bliss of solitude;
And then my heart with pleasure fills,
And dances with the daffodils.

 

 

 

Composed Upon Westminster Bridge

 

Earth has not anything to show more fair:
Dull would he be of soul who could pass by
A sight so touching in its majesty:
This City now doth, like a garment, wear
The beauty of the morning; silent, bare,
Ships, towers, domes, theatres, and temples lie
Open unto the fields, and to the sky;
All bright and glittering in the smokeless air.
Never did sun more beautifully steep
In his first splendour, valley, rock, or hill;
Ne'er saw I, never felt, a calm so deep!
The river glideth at his own sweet will:
Dear God! the very houses seem asleep;
And all that mighty heart is lying still!

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Donald Barthelme werd geboren op 7 april 1931 in Philadelphia. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 

"Will You Tell  Me?" 

Hubert gave Charles and Irene a nice baby for Christmas.   The baby was a boy and its name was Paul.  Charles and Irene who had not had a baby in many years were delighted.  They stood around the crib and looked at Paul; they could not get enough of him.  He was a handsome child with dark hair, dark eyes.   Where did you get him Hubert? Charles and Irene asked.  From the bank, Hubert said.  It was a puzzling answer, Charles and Irene puzzled over it.  Everyone drank mulled wine.  Paul regarded them from the crib.  Hubert was pleased to have been able to please Charles and Irene.  They drank more wine.

    

Eric was born.

    

Hubert and Irene had a clandestine affair.  It was important they felt that Charles not know.  To this end they bought a bed which they installed in another house, a house some distance from the house in which Charles, Irene and Paul lived.  The new bed was small but comfortable enough.  Paul regarded Hubert and Irene thoughtfully.  The affair lasted for twelve years and was considered very successful.

    

Hilda.

    

Charles watched Hilda growing from his window.  To begin with, she was just a baby, then a four-year-old, then twelve years passed and she was Paul’s age, sixteen.  What a pretty young girl! Charles thought to himself.  Paul agreed with Charles; he had already bitten the tips of Hilda’s pretty breast with his teeth.”

 

 

 

 

 

De Chileense dichteres en diplomate Gabriela Mistral werd geboren in Vicuña, Chili op  7 april 1889. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 

 

The Sad Mother

 

Sleep, sleep, my beloved,
without worry, without fear,
although my soul does not sleep,
although I do not rest.

Sleep, sleep, and in the night
may your whispers be softer
than a leaf of grass,
or the silken fleece of lambs.

May my flesh slumber in you,
my worry, my trembling.
In you, may my eyes close
and my heart sleep.

 

 

 

 

To See Him Again

 

Never, never again?
Not on nights filled with quivering stars,
or during dawn's maiden brightness
or afternoons of sacrifice?

Or at the edge of a pale path
that encircles the farmlands,
or upon the rim of a trembling fountain,
whitened by a shimmering moon?

Or beneath the forest's
luxuriant, raveled tresses
where, calling his name,
I was overtaken by the night?
Not in the grotto that returns
the echo of my cry?

Oh no. To see him again --
it would not matter where --
in heaven's deadwater
or inside the boiling vortex,
under serene moons or in bloodless fright!

To be with him...
every springtime and winter,
united in one anguished knot
around his bloody neck!

 

 

 

 

Pine Forest

 

Let us go now into the forest.
Trees will pass by your face,
and I will stop and offer you to them,
but they cannot bend down.
The night watches over its creatures,
except for the pine trees that never change:
the old wounded springs that spring
blessed gum, eternal afternoons.
If they could, the trees would lift you
and carry you from valley to valley,
and you would pass from arm to arm,
a child running
from father to father.

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Johannes Mario Simmel werd op 7 april 1924 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 7 april 2007.

 

Uit: Liebe ist die letzte Brücke

 

„Die weiße Villa war von Sorels Frau Irene eingerichtet worden, alles entsprach ihrem Geschmack, durchaus nicht seinem, doch darüber sprach er nie, so sehr belasteten ihn Arbeit und Sorgen. Oft glaubte Sorel, in all dem Prunk kaum atmen zu können, und wann immer es möglich war, zog er sich in sein Arbeitszimmer mit dem vollgeräumten Schreibtisch zu Computer, elektronischen Geräten und den Regalen voll Fachliteratur zurück. Hier fühlte er sich, wennschon nicht glücklich, so doch freier.
Aus dem Musikzimmer erklang durch die geöffnete zweiflügelige Tür nun sehr laut Scarlattis Musik. Sorel sah, daß seine Frau auf dem Cembalo spielte, einem besonders schönen Stück aus jener Zeit, in der auch Scarlatti auf solchen Instrumenten gespielt hatte. Mit schnellen Schritten trat er zu Irene und küßte flüchtig ihr blondes Haar. Sie trug es in der Mitte gescheitelt und nach hinten zu einem Knoten gebunden, den eine Schleife aus schwarzem Samt hielt.
Irene sah zu ihm auf und lächelte, ohne ihr Spiel zu unterbrechen. Gleich darauf sah sie wieder weg. Sie trug einen Hausmantel aus schwarzem Samt, ein zarter Duft umgab sie. Fleurs de Rocaille ist das, dachte Sorel. Irene benützt dieses Parfüm, seit ich sie kenne.“

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 7 april 2007.

 

De Canadese schrijver en essayist Roger Lemelin werd geboren op 7 april 1919 in Quebec.

 

De Franse schrijver Hervé Bazin werd geboren in Angers op 7 april 1911.

 

De Deense dichter en schrijver Jens Peter Jacobsen werd geboren op 7 april 1847 in Thisted.

 

De Franse schrijfster en strijdster voor vrouwenrechten Flora Tristan werd geboren op 7 april 1803 in Parijs.

 

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

John Pepper Clark, Günter Herburger, Erich Mühsam, Uljana Wolf, Jean-Baptiste Rousseau, Brigitte Schwaiger, Alexander Herzen, Aasmund Vinje, Nicolas Chamfort

John Pepper Clark (Kiagbodo, 6 april 1935)









De Nigeriaanse dichter en schrijver
John Pepper Clark werd geboren op 6 april 1935 in Kiagbodo, Nigeria. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 


Night Rain

 

What time of night it is

I do not know

Except that like some fish

Doped out of the deep

I have bobbed up bellywise

From stream of sleep

And no cocks crow.

It is drumming hard here

And I suppose everywhere

Droning with insistent ardour upon

Our roof thatch and shed

And thro' sheaves slit open

To lightning and rafters

I cannot quite make out overhead

Great water drops are dribbling

Falling like orange or mango

Fruits showered forth in the wind

Or perhaps I should say so

Much like beads I could in prayer tell

Them on string as they break

In wooden bowls and earthenware

Mother is busy now deploying

About our roomlet and floor.

Although it is so dark

I know her practiced step as

She moves her bins, bags and vats

Out of the run of water

That like ants gain possession

Of the floor. Do not tremble then

But turns, brothers, turn upon your side

Of the loosening mats

To where the others lie.

We have drunk tonight of a spell

Deeper than the owl's or hat's

That wet of wings may not fly

Bedraggled up on the iroko, they stand

Emptied of hearts, and

Therefore will not stir, no, not

Even at dawn for then

They must scurry in to hide.

So let us roll over on our back

And again roll to the beat

Of drumming all over the land

And under its ample soothing hand

Joined to that of the sea

We will settle to sleep of the innocent and free.

 

 

 



De Duitse schrijver en dichter
Günter Herburger werd geboren op 6 april 1932 in Isny im Allgäu. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

 

Schöner Fall

Ist Millionär,
besitzt ein quadratisches Haus
aus alten Steinen in der Levante,
seine Fabriken stellen Schrauben her;
die kleinste wirbelt durch Kapillaren,
die größte, zentnerschwer,
benötigen Tanker.

Manchmal segelt er
durch die Sargassosee, sucht eine Frau,
eher, lässt sie erforschen.
Vermag stehend im Sattel zu reiten,
verzeiht Banken und beherrscht
das Taubstummenalphabet.

Die Frau, die er schließlich
nach einem Verkehrsunfall traf,
war nicht groß, blond oder gelehrt,
auch älter als er, eine Diebin
mit vier Kindern, außerdem hinkend.

Er lebte mit ihnen,
strich sich Zahnpasta aufs Brot,
liebkoste die fremden Kleinen,
hatte kein Bett, schlief,
bestes Möbel in der Baracke,
auf dem Küchentisch.
Wüst war nur, dass er eines Morgens,
als er auf ein weißes Pferd sprang,
sofort abgeworfen wurde.
Er hinterließ für seine Familie
ein Reich aus Himmelblau und Löwenzahn

 

 

 

  

 

De Duitse schrijver, anarchist en activist Erich Mühsam werd geboren in Berlijn op 6 april 1878. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

Der Revoluzzer

Der deutschen Sozialdemokratie gewidmet

 

War einmal ein Revoluzzer,
im Zivilstand Lampenputzer;
ging im Revoluzzerschritt
mit den Revoluzzern mit.

Und er schrie: "Ich revolüzze!"
Und die Revoluzzermütze
schob er auf das linke Ohr,
kam sich höchst gefährlich vor.

 

Doch die Revoluzzer schritten
mitten in der Straßen Mitten,
wo er sonsten unverdrutzt
alle Gaslaternen putzt.

 

Sie vom Boden zu entfernen,
rupfte man die Gaslaternen
aus dem Straßenpflaster aus,
zwecks des Barrikadenbaus.

 

Aber unser Revoluzzer
schrie: "Ich bin der Lampenputzer
dieses guten Leuchtelichts.
Bitte, bitte, tut ihm nichts!

 

Wenn wir ihn' das Licht ausdrehen,
kann kein Bürger nichts mehr sehen.
Laßt die Lampen stehn, ich bitt! -
Denn sonst spiel ich nicht mehr mit!"

 

Doch die Revoluzzer lachten,
und die Gaslaternen krachten,
und der Lampenputzer schlich
fort und weinte bitterlich.

 

Dann ist er zu Haus geblieben
und hat dort ein Buch geschrieben:
nämlich, wie man revoluzzt
und dabei doch Lampen putzt.

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres Uljana Wolf werd geboren op 6 april 1979 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

 

kreisau, nebelvoliere

 

streng genommen hast november du
mich an deine weiße nebeldichte brust

 

was sag ich brust ein klappriger kasten
ein käfig mit garten und diesigem tand

 

darin ein alter vogel auf der stange sitzt
halb winter halb spitzengewirkter volant

 

wie nahmst du mich wie kam ich ins tal
wie scheuchst du mich zwischen eichen

 

dein fiepender atem in der allee flicht
feuchte netze ums geäst zum labyrinth

 

halbblind bin ich in deinem rippenlicht
und schwindlig geliebter als hättest du

 

für immer das schimmlige gitter gewebt
um den vogel dein schwebeteilchen herz

 

 

 

 

an die kreisauer hunde

 

o der dorfhunde kleingescheckte schar: schummel
schwänze stummelbeine zähe schnauzen am zaun

 

euch gehört die straße der staub am asphaltsaum
euch die widerhallende nacht im schlafenden tal

 

jedes echo gehört euch: der zuckende rückstoß
von klang an den hügeln hierarchisches knurren

 

und bellen in wellen: heraklisch erst dann hünen
haft im abklang fast nur ein hühnchen das weiß:

 

wer hier nicht laut und geifer gibt den greift sich
die meute in lauffeuer kehlen verliert sich der ort

 

so mordio etc. vermesst ihr die welt in der senke
beherrscht jeden weg jeden fremden und mich –

 

euch gehört meine fährte mein tapferes stapfen
euch meine waden             dorfauswärts zuletzt

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Jean-Baptiste Rousseau werd geboren op 6 april 1671 in Parijs. Zie ook mijn blog van 6 april 2007.

 

Stances

 

Que l'homme est bien, durant sa vie,
Un parfait miroir de douleurs,
Dès qu'il respire, il pleure, il crie
Et semble prévoir ses malheurs.

Dans l'enfance toujours des pleurs,
Un pédant porteur de tristesse,
Des livres de toutes couleurs,
Des châtiments de toute espèce.

L'ardente et fougueuse jeunesse
Le met encore en pire état.
Des créanciers, une maîtresse
Le tourmentent comme un forçat.

Dans l'âge mûr, autre combat,
L'ambition le sollicite.
Richesses, dignités, éclat,
Soins de famille, tout l'agite.

Vieux, on le méprise, on l'évite.
Mauvaise humeur, infirmité.
Toux, gravelle, goutte, pituite,
Assiègent sa caducité.

Pour comble de calamité,
Un directeur s'en rend le maître.
Il meurt enfin, peu regretté.
C'était bien la peine de naître !

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 april 2007.

 

De Oostenrijkse schrijfster Brigitte Schwaiger werd geboren op 6 april 1949 in Freistadt.

 

De Russische schrijver, filosoof en publicist Alexander Herzen werd geboren op 6 april 1812 in Moskou.

 

De Noorse dichter en journalist Aasmund Olavsson Vinje werd geboren op 6 april 1818 in Vinje, Telemark.

 

De Franse schrijver en aforist Nicolas Chamfort, pseudoniem van Sébastien Roch Nicolas, werd geboren op 6 april 1740 in Clermont.

 

Geschreven door Romenu om 20:48 Reageer op dit bericht

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Conrad

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)







De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en mijn blog van 19 maart 2008. Van zijn Het Verdriet van België verscheen recent een nieuwe Duitse vertaling.

 

Uit: Der Kummer von Belgien (Vertaald door Waltraut Hüsmert)

 

“Dondeyne hatte eines der sieben Verbotenen Bücher unter seinem Kittelhemd versteckt und Louis mit sich gelockt. Die beiden Jungen hockten unter den Schlingpfl anzen in der Grotte der Bernadette Soubirous .

Dondeynes Verbotenes Buch war eine Ausgabe des illustrierten Wochenblatts ABC , einer Zeitschrift der Sozialisten, die zweifellos auf dem Index des Vatikans stand. Sein Bruder hatte sie ihm mitgebracht, als er im Krankenhaus lag. Von dort war er mit einem scharlachroten Ohr zurückgekommen, an dem er oft herumzupfte . Tagsüber lag die Zeitschrift unter seinem Spind, hinter den Schnürstiefeln.

Die vier Seiten, die nun darin fehlten, lagen glänzend und glatt, nur an den Rändern etwas eingerissen, unter dem blauen Packpapier, mit dem die Schublade von Dondeynes Schulbank ausgelegt war. Zur Sicherheit hatte Dondeyne das Papier mit punaises , Reißzwecken, festgeheftet . (»Sag nicht immer punaises , wir haben doch ein fl ämisches Wort dafür«, pfl egte Louis' Pate zu sagen, doch das fl ämische Wort benutzte Louis nie, er wurde schon wegen seiner Aussprache oft genug ausgelacht.)

Die aufgeschlagenen Seiten schimmerten in der Sonne; in der Mitte war wegen der ausgezackten Rißkante und des Schattens ein häßlicher Spalt. Louis hätte seine Verbotenen Bücher niemals auseinandergerissen, mochte die Gefahr, entdeckt zu werden, noch so groß sein. Aber Dondeyne war ja auch ein Hottentotte .

Die vier Apostel besaßen zusammen sieben Verbotene Bücher. Vlieghe gehörten drei davon, Liebe im Nebel , ein Programm der Operette Rose Marie und, das riskanteste, eine Biographie des Ketzers und Freimaurers G. B. Shaw . Byttebier besaß Erzählungen aus der Südsee und ein Foto von Deanna Durbin im Unterrock, unan ständig genug, um als Buch durchzugehen. Louis hätte mit seinem Buch wahrscheinlich keinen Ärger bekommen, wenn die Nonnen es gefunden hätten, er hätte es auch offen zwischen die abgegriffenen, angenehm duftenden Davidsfonds -Bücher stellen können, die er sich nach den Osterferien mitgebracht hatte, aber reichte es nicht schon aus, ein Buch heimlich, ins Nachthemd gewickelt, hinter die hohen Mauern der Klosterschule zu schmuggeln ? Der Titel lautete: Die Flämische Flagge. Papa hatte es selbst in den rotbraunen Pappumschlag eingebunden, das war sofort zu erkennen, denn wenn er Bücher band, hackte er die Ränder unter der Schneidemaschine wie unter einer Guillotine schonungslos dicht beim Text ab. In Die Flämische Flagge ging es um rebellische Seminaristen gegen Ende des letzten Jahrhunderts, die, aufgestachelt von langhaarigen Priestern mit Pincenez, einen Geheimbund namens Der stille Schwur gegründet und bei Nacht und Nebel ein Komplott gegen die belgischen, also antifl ämischen Minister und Bischöfe geschmiedet hatten. Louis hatte das Werk zu Hause aus dem Bücherschrank gestohlen, weil Papa einmal behauptet hatte, Pfarrer, die solche Bücher bei ihren Gemeindemitgliedern fänden, würden sogleich mit Exkommunikation drohen. Der Anblick des schäbigen Buchs mit den dünnen, grau gedruckten Buchstaben, das keine einzige Illustration enthielt, hatte die anderen drei Apostel nicht gerade beeindruckt. Nur weil Louis mit übertriebenem Eifer Ursprung und Inhalt geschildert und die Gefahr ausgemalt hatte, hatten sie das mißgestaltete Ding an jenem Abend als Verbotenes Buch akzeptiert und es auf Byttebiers Kopfkissen zu den anderen gelegt, sich dreimal bekreuzigt und gefl üstert : »Im schwarzen Buche – gehn wir auf die Suche – geheim und im stillen – Maria zu Willen.« Keiner von ihnen durfte die Verbotenen Bücher lesen, wenn nicht mindestens einer der anderen Apostel mitlas .”

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver en dichter Algernon Charles Swinburne werd geboren op 5 april 1837 in Londen. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

The Year of Love

THERE were four loves that one by one,
Following the seasons and the sun,
Passed over without tears, and fell
Away without farewell.


The first was made of gold and tears,
The next of aspen-leaves and fears,
The third of rose-boughs and rose-roots,
The last love of strange fruits.


These were the four loves faded. Hold
Some minutes fast the time of gold
When our lips each way clung and clove
To a face full of love.


The tears inside our eyelids met,
Wrung forth with kissing, and wept wet
The faces cleaving each to each
Where the blood served for speech.


The second, with low patient brows
Bound under aspen-coloured boughs
And eyes made strong and grave with sleep
And yet too weak to weep--


The third, with eager mouth at ease
Fed from late autumn honey, lees
Of scarce gold left in latter cells
With scattered flower-smells--


Hair sprinkled over with spoilt sweet
Of ruined roses, wrists and feet
Slight-swathed, as grassy-girdled sheaves
Hold in stray poppy-leaves--


The fourth, with lips whereon has bled
Some great pale fruit's slow colour, shed
From the rank bitten husk whence drips
Faint blood between her lips--


Made of the heat of whole great Junes
Burning the blue dark round their moons
(Each like a mown red marigold)
So hard the flame keeps hold--


These are burnt thoroughly away.
Only the first holds out a day
Beyond these latter loves that were
Made of mere heat and air.


And now the time is winterly
The first love fades too: none will see,
When April warms the world anew,
The place wherein love grew.

 

 

 

 

 

 

De Servische dichter en schrijver Bora Ćosić werd geboren op 5 april 1932 in Zagreb. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

Die Geschichte Europas

Junge Menschen in Belgrad
gehen auf der Straße stoßen einander an
sprechen in die Kamera
verkleidet als meine Freunde
von vor fünfzig Jahren
ich weiß nicht warum ich sie nicht erkenne

 

vielleicht eine allzu frühe Übersetzung
einer früheren Generation
verlorene Reime der nackte Sinn
deshalb sieht es ähnlich aus
ist es aber nicht

 

die ganzen Völker in der gleichen Geschichte
Litauer Tschechen Kroaten
verstreut in verschiedenen Städten
haben die Straßen aus dem Gedächtnis gebaut
dann die Plätze wie eine Gewohnheit
dort wo es zu einer Verbreiterung kommt

 

alle Dichter des zwanzigsten Jahrhunderts
schreiben dasselbe Gedicht
nur lang
dann schneiden sie es in viele Teile
verteilen es auf mehrere Namen

 

 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Werner J. Egli werd geboren in Luzern op 5 april 1943. Hij studeerde kunstgeschiedenis en maakte daarna uitgebreide reizen door Amerika en Europa. Behalve reisverslagen schreef hij eerst avonturenromans. Tegenwoordig schrijft hij voornamelijk romans voor jongeren en historische romans voor volwassenen. Egli woont afwisselend in verschillende Amerikaanse en Europese plaatsen.

 

Uit: Aus den Augen, voll im Sinn

 

„Ich war fast sechzehn, als alles anders wurde

Mit allen möglichen Tricks hatten sie schon versucht, Philipp und mich auseinander zu bringen. Lange hatte das nicht geklappt, obwohl sie es wirklich mit allen Mitteln versuchten. Zum Beispiel im letzten Urlaub, in Rimini. Da hatte der Trick einen Namen. Nando. Heute weiß ich gar nicht mehr, wer den entdeckt hatte. Wahrscheinlich meine Mutter. Die hat ein Auge für exotische Typen. Glutaugen und Schlabberlippen. Dunkle Haut und Härchen auf der Brust. Und mein Vater hatte natürlich mitgemacht. Keine Ahnung, was sie sich dabei dachten, als sie ihn für mich aufgabelten. Dass ich weich werden würde.

Und dann? Mit geschmolzenem Herz aus dem Urlaub zurückkehren und womöglich nicht mehr als Jungfrau? Dass sie das in Kauf nahmen, will ich ihnen nicht nachsagen. Aber es hätte leicht ins Auge gehen können, weil Nando natürlich vom ersten Moment an nichts anderes mehr in seiner Birne hatte, als mit mir zu schlafen. Amore machen. So ein Schmachtfetzen.

Wenn ich mal Amore machen würde – das stand für mich seit langem fest –, dann mit Philipp, und zwar in der Hochzeitsnacht. Der wichtigste Tag meines Lebens, so dachte ich damals, wird der Tag meiner Hochzeit sein. Dann sollte für mich das Leben erst anfangen. Was vorher war, betrachtete ich nur als

eine Art Vorspiel. Mir war egal, ob das als altmodisch galt oder sogar als lächerlich, ich glaubte, eine Hochzeit ohne echte Hochzeitsnacht sei nur eine halbe Sache. Und ich war nie für halbe Sachen. Entweder alles, und zwar richtig, oder eben gar nichts.

Das sagte ich auch Nando, als er mich mit seinen Schlabber- lippen hingebungsvoll küsste und anschließend von mir ver- langte, ich solle ihm mein Herz schenken. Was er wollte, war natürlich was ganz anderes, sonst hätte er mit seiner linken Hand nicht versucht, von unten her an mein Herz heranzukommen, während er mir mit der rechten am Verschluss meines BHs herumfummelte.“

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 5 april 2007.

 

De Duitse schrijver Michael Georg Conrad werd geboren op 5 april 1846 in Gnodstadt.

 

Geschreven door Romenu om 18:01 Reageer op dit bericht

Michiel van Kempen, Marguerite Duras, Robert Schindel, Bettina von Arnim, Wolfgang Windhausen, de Lautréamont, Michael Schneider

Michiel van Kempen (Oirschot, 4 april 1957)








De Nederlandse schrijver, letterkundige en Surinamist Michiel van Kempen werd geboren in Oirschot op 4 april 1957. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

Uit: Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur

 

“Kari'na is het woord waarmee de karaïben zelf de inheemsen aanduiden ter onderscheiding van niet-inheemsen, maar het is tegelijkertijd het algemene woord voor ‘mens’. Het Kari'na auran (lett.: taal van de karaïb) is de karaïbse taal die wordt gesproken in twee varianten: het tyre'wuju auran, het oostelijk dialect, en aretyryponon auran, het westelijk dialect. De karaïbse dorpen concentreren zich aan de Marowijnerivier in het Oosten (sommige ook op het grondgebied van Frans-Guyana) en voorts zijn er verspreide dorpen in het district Para en in het Wayambo-Coppenamegebied.

Vroege studies als die van de Penards (1907-1908) en Assid (1946) spraken van de kari'na als de Zonaanbidders die mensenoffers brachten en wie kannibalisme niet vreemd was. In hoeverre dit laatste vooral deel uitmaakt van een in de vroege 19de eeuw ontstane beeldvorming van buitenaf die de kari'na als agressief wilde voorstellen, is niet helemaal duidelijk. Onderzoekers sinds de jaren '70 wijzen het idee dat de karaïben menseneters waren in ieder geval af. De figuur die als verpersoonlijking van de temperamentvolle kari'na-aard gezien kan worden, is Kenaima. Kenaima is zowel de aanduiding voor het Oordeel, als voor de bloedwraak bij familieveten. In de inheemse mythologie is Kenaima de zoon van een door blanken doodgemartelde hoofdman die zwoor zijn vader te zullen wreken. In de letterkunde verkreeg de Kenaima-wraakgeest ook buiten de inheemse vertelschat verspreiding door het jeugdboek van Thea Doelwijt Kainema de Wreker en de menseneters (1977). De beeldvorming is dus haar eigen weg gevolgd; bloedwraak komt sinds mensenheugenis bij de kari'na niet meer voor.”

 

 

 


De Franse schrijfster Marguerite Duras (pseudoniem van Marguerite Donnadieu) werd geboren op 4 april 1914 in Gia Dinh, Indochina (nu Vietnam).
Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

 

Uit : Moderato Cantabile

« La leçon de piano

Veux-tu lire ce qu'il d'écrit au-dessus de ta partition ? demanda la dame.
-Moderato cantabile, dit l'enfant.
La dame ponctua cette réponse d'un coup de crayon sur le clavier. L'enfant
resta immobile, la tête tournée vers sa partition.
-Et qu'est-ce que ça veut dire, moderato cantabile ?
-Je ne sais pas.
Une femme, assise à trois mètres de là, soupira.
Tu es sûr de ne pas savoir ce que ça veut dire, moderato cantabile ? reprit la dame.
L'enfant ne répondit pas. La dame poussa un cri d'impuissance étouffé, tout
en frappant de nouveau le clavier de son crayon. Pas un cil de l'enfant ne
bougea. La dame se retourna.
-Madame Desbaresdes, quelle tête vous avez là, dit-elle.
Anne Desbaresdes soupira une nouvelle fois.
-A qui le dites-vous, dit-elle.
L'enfant, immobile, les yeux baissés, fut seul à se souvenir que le soir venait
d'éclater. Il en frémit.
-Je te l'ai dit la dernière fois, je te l'ai dit l'avant-dernière fois, je te l'ai dit cent fois, tu es sûr de ne pas le savoir ? »

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Robert Schindel werd geboren op 4 april 1944 in Bad Hall. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

 

Requiem auf eine Freundschaft


Mein Gast ist gestorben, hinunter, hinunter der Hohlweg
Ich seh ihn noch gehn mit der Weite im Haar.
Und nachts, wenns der Stern tut, serpentiert, serpentiert
Sich sein Echo im Herzen, mein Gast ist gestorben.

Ein Lachen, ein Schuh, eine Geige aus Hiersein
Wir saßen beim Wein oder schliefen in neueren Worten
Und hatten Sekunden, welche wir sprengten
Heraus aus dem Zeitschlamm; so konnten wirs doch begreifen.

Nun ist er fort, sein Name rastet, rastet die Zeit
Ich heb meine Beine vom Hohlweg und gehe
Rücklings den Trampelpfad, Weite und Enge
Im Echo, ich und nie, Gastfreund aus dort.

Sind andere Gegenden hier, fragen manchmal die Kinder.
Ich brech ihnen stückweis den Hohlweg und schenke
Serpentin, Serpentine, sie nehmens als Apfel und Mohn.
Denn wir schliefen dereinst in den Worten, wir sprengten dereinst.

 



Trinkrondo

 

Liebste Hurenhunde
Trinkt mit mir den Wein
Denn im Nordburgunde
Muss man rauschig sein

Liebste Peitscherlkater
Trinkt mit mir die Grappa
Denn der Himmelsvater
Ist mein Nimmersatter

Freunderln ringsumher
Trinkt mit mir von Bieren
Die mich dumm und leer
Zum Abgesang verführen

Liebste Seicherln feige
Trinkt mit mir Likör
Dass die Eier beide
Mir nicht allzuschwer

Menschenkinder dumme
Trinkt mit mir Bordeaux
Damit ich verstumme

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Bettina von Arnim werd op 4 april 1785 geboren in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

Das Abendrot am Strand hinzieht

 

Das Abendrot am Strand hinzieht,
Ergibt den Wellen sich mit Lust,
Da schwellet die beklemmte Brust
Der unbewußten Sehnsucht Lied,
So kühn gewaltig zwingt das Lied
Die Trauer der beklemmten Brust,
In Lebensmut erstrebt sie Lust,
In Liebesflut sie Wolken zieht,
Und weckt in der beklemmten Brust
Der hohen Freiheit kühnes Lied.
Sein voller Klang
Das Herz durchdrang,
Das Lied sich schwang
In Liebesdrang.
Zu ihm, zu dem ich hin verlang,
Dort über die Berge mit der Lerche,
Ihm nach der Hymne zu singen dem Volk,
Dem von seinen Lippen sie sollte erklingen.

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, dichter en graficus Wolfgang Windhausen werd geboren op 4 april 1949 in Duderstadt. Zie ook mijn blog van 4 april 2007.

 

Einen Beitrag

Einen Beitrag
zu der Welt
und der Erfurcht vor ihr
werden
wenige leisten
weil sie
die Welt
die Natur
nicht so sehen
wie DU
es bleibt
ein
in Stein geätztes Wort

 

HOFFNUNG


Dès que as papillonné autour de moi
(seit dem Augenblick, da du um mich herum geflattert bist)

Begegnung am Fenster
der Nacht

Duft
feuchtes Holz des Nussbaums
unter Nebeltränen
faltenreich

Sonne
und
Nachtschatten

 

 

 


Zie voor onderstaande schrijvers
ook mijn blog van 4 april 2007.

 

De Franse schrijver Isidore Lucien Ducasse, Comte de Lautréamont, werd geboren op 4 april 1846 in Montevideo.

 

De Duitse schrijver Michael Schneider werd geboren op 4 april 1943 in Königsberg.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Charles Ducal, Frederik van Eeden, Peter Huchel, George Herbert, Washington Irving, Friedrich Rittershaus, Josef Mühlberger

Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952)










De Vlaamse dichter en schrijver
Charles Ducal (pseudoniem van
Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 


Uitgesteld

 

Wees gerust, als ik sterf zal wel blijken

of ik je lief heb gehad.

Jij, de laatste naar wie ik zal kijken,

de laatste die mij ontsnapt.


Dan dwing ik je oor naar mijn mond
voor iets dat ik had moeten schrijven,

een zekerheid in gereutel vermomd.

Wees gerust, jij zal de slotzin krijgen.

 

Het zal ontroerend zijn, een echt einde,

een poging die alles herstelt.

Je bent mijn vrouw. Het zal wel blijken,

al wordt het een leven lang uitgesteld.

 

 

 

Uitdrijving

 

Het woont, klein en gekromd, in zichzelf,

een dwerg in de haverkist

of de schelf van het hooi.

Het hoort door de wand van de avond

machines brommen, goedaardig.

Het slaapt als een muis in het meel

of kijkt, urenlang, naar het trage gewicht

van de ham aan de balken,

 

en groeit uit zichzelf.

Tot het voetstappen hoort, gekletter

van emmers, ongeduldig en boos,

een ruwe hoest uit ploffende zakken,

het slijpen van messen, een riek

in het hooi. Het schrikt,

het wordt wakker.

 

En woont in de moeder,

woont in de vader,

eet van hun liefde,

hun arbeid, hun taal, -

zuinig, dankbaar

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Frederik van Eeden werd geboren in Haarlem op 3 april 1860. Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 

De Lente

 

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

 

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed veerjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.

 

Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
wat scheen uw toeven lang! -- is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt?

 

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.

 

 

 

De waterlelie

 

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

 

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

 

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Peter Huchel werd geboren in Lichterfelde bij Berlijn op 3 april 1903. Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 

 

Winterpsalm

Da ging ich bei träger Kälte des Himmels
Und ging hinab die Straße zum Fluss,
Sah ich die Mulde im Schnee,
Wo nachts der Wind
Mit flacher Schulter gelegen.
Seine gebrechliche Stimme,
In den erstarrten Ästen oben,
Stieß sich am Trugbild weißer Luft.
„Alles Verscharrte blickt mich an.
Soll ich es heben aus dem Staub
Und zeigen dem Richter? Ich schweige.
Ich will nicht Zeuge sein.“
Sein Flüstern erlosch,
Von keiner Flamme genährt.

Wohin du stürzt, o Seele,
Nicht weiß es die Nacht. Denn da ist nichts
Als vieler Wesen stumme Angst.
Der Zeuge tritt hervor. Es ist das Licht.
Ich stand auf der Brücke,
Allein vor der trägen Kälte des Himmels.
Atmet noch schwach,
Durch die Kehle des Schilfrohrs,
Der vereiste Fluss?

 

Sommerabend

Wenn sein reiten zur Schwemme
Aus dem steinernen Tor
Abends über die Dämme,
brennt noch die Sonne im Rohr.

Frei von des Tages Bürde
Reiten sie Seit an Seit.
Horch, wie der Hengst in der Hürde
Zornig nach Liebe schreit.

Uferwärts Roßeschnauben,
Zuruf, Lachen und Trab.
Vögel mit seltsamen Hauben
Tauchen erschrocken hinab.

In die schäumenden Fluten
Hinter der sandigen Furt
Drängen Fohlen und Stuten
Ohne Sattel und Gurt.

Reiter mit jungen Stimmen
Werden den Tieren nicht schwer,
packen die Mähnen und schwimmen
neben den Pferden her.

Knaben schön ist das Leben,
wenn es noch stark ist und gut.
Seht, wie die Lerchen schweben
Spät in der Abendglut.

Unter erlöschendem Himmel
Zittert des Hengstes Schrei.
Reiter, Rappen und Schimmel,
bald ist der Sommer vorbei.

 

 

 

 

 

De Engelse priester en dichter George Herbert werd op 3 april 1593 geboren, waarschijnlijk te Black Hall, niet ver van het aan de familie toebehorende kasteel van Montgomery (Wales). Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

 

Sonnet II

 

Sure Lord, there is enough in thee to dry
Oceans of Ink ; for, as the Deluge did
Cover the Earth, so doth thy Majesty :
Each Cloud distills thy praise, and doth forbid
Poets to turn it to another use.
Roses and Lillies speak thee ; and to make
A pair of Cheeks of them, is thy abuse.
Why should I Womens eyes for Chrystal take?
Such poor invention burns in their low mind,
Whose fire is wild, and doth not upward go
To praise, and on thee Lord, some Ink bestow.
Open the bones, and you shall nothing find
In the best face but filth, when Lord, in thee
The beauty lies, in the discovery

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 3 april 2007.

 

De Amerikaanse schrijver Washington Irving werd geboren op 3 april 1783 in Manhattan, New York.

 

De Duitse koopman en schrijver Friedrich Emil Rittershaus werd geboren op 3 april 1834 in Barmen.

 

De Duitse schrijver Josef Mühlberger werd geboren op 3 april 1903 in Trautenau in Böhmen.

 

Geschreven door Romenu om 20:31 Reageer op dit bericht

György Konrád, Émile Zola, Brigitte Struzyk, Edgar Hilsenrath, Thomas Glavinic, Hoffmann von Fallersleben, Giacomo Casanova, Hans Christian Andersen, Johann Gleim, Onno Zwier van Haren

György Konrád (Berettyóújfalu, 2 april 1933)







De joods-Hongaarse schrijver György Konrád werd geboren op 2 april 1933 in Berettyóújfalu (bij Debrecen). Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Der Besucher (Vertaald door Mario Szenessy)

 

“Eigentlich möchte ich nicht für längere Zeit von hier weggehen. Manchmal würde ich meine Familie gern besuchen, es ist mir aber fast unmöglich, zu ihnen zu gehen, trotz ihrer ungeheuren Geduld, mein Kommen bedarf genauso einer Erklärung wie mein Gehen. Meine einstigen Kollegen und Freunde würden mir früher oder später Fragen stellen, die ich nicht zufriedenstellend beantworten würde. Ich könnte es zumindest nicht in Kürze tun, und lange Erklärungen will ich nicht abgeben.
Ich könnte mich vielleichtauf das Beispiel eines Gaunerrabbiners berufen, der - obwohl ihn seine Gemeinde sehr verehrte - immer kläglicher vor der Bundeslade zu singen anfing. Er wollte nicht mehr die Sündigen mit der Strenge des Allmächtigen bedrohen und auch nicht die Frommen mit seiner Güte trösten. Er floh aus seiner Synagoge, verkleidete sich, ging auf Wanderschaft. Unterwegs kehrte er bei einer alten Frau ein, die, von allen verlassen, in ihrer trostlosen Kate im Sterben lag. "Weshalb habe ich gelebt, wenn mi r, soweit ich mich zurückerinnern kann, immer nur Leid zugefügt wurde?" fragte die alte Frau. "Damit du es erträgst", antwortete der Rabbiner und versöhnte die Sterbende mit ihrem Schicksal. Als er ihr Gesicht mit einem Tuch zudeckte, beschloß er, sich fortanstumm zu stellen. Drei Tage darauf traf er eine junge Bettlerin, die ihren toten Säugling auf dem Rücken schleppte. Der Rabbiner half ihr, ein Grab auszuheben; sie legten den winzigen Leichnam in Leinwand gewickelt in die Grube, schütteten sie zu, aßen Brot und der Rabbiner antwortete auf die Frage der Bettlerin nur mit einem Zeichen. "Meiner kleinen Armen wurde nichts zuteil, weder Freude noch Leid. Sag, hatte es einen Zweck, daß sie auf die Welt kam?" Der verkleidete Rabbiner drehte seine Hand vor der Stirn im Kreis herum, doch da die Frau auf ihrer Frage beharrte, nickte er: Ja. Und im selben Moment beschloß er, sich nicht nur stumm, sondern auch taub zu stellen. Er verbarg sich vor den Menschen in einer Felshöhle, da fand ih n niemand,nur ein Wiesel kam auf seine Spur. Es war am Bein verwundet, der Rabbiner verband die Stelle mit Heilkräuter; das Wiesel sammelte für ihn fortan wohlschmeckende Kerne.”

 

 

 

 

De Franse schrijver Émile Zola werd geboren op 2 april 1840 te Parijs. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Printemps : journal d'un convalescent

 

“3 AVRIL

Le mauvais temps est venu. Vents et nuages. Temps gris. Je songe aux cauchemars de ma fièvre. Il me semblais que j'étais dans la terre froide, plein de sourds murmures de la germination. Ressemblance de l'hiver avec une maladie humaine. La santé, le printemps. Désespoir de la graine qui ignore si elle reverra la lumière. Lutte de la vie contre la mort. Joie délirante du germe, lorsqu'il perce la terre et qu'il revoit le soleil.

(...)

15 MAI

Aujourd'hui, j'ai passé la journée sur la terrasse. J'ai pu soutenir l'immensité de l'horizon. Le printemps dans son rayonnement. Je me sens plus fort, je prête l'oreille pour saisir les mille bruits de la campagne. Et dans la vallée, dans la nature, je cherche l'homme, je suis de l'œil les souliers, je regarde au loin les lavandières. La santé revient, je ne me sens plus le frère de l'arbre.

(...)

1 JUIN

Je me porte tout à fait bien. Hier je suis allé à la ville, et aujourd'hui, dans mon jardin, j'ai pu rester au grand soleil. La verdure s'est noircie du sang épais de la sève, et la santé m'aveugle. Je ne sens plus en moi le printemps doux et faible ; j'ai rapporté de la ville tous les soucis humains. Hélas ! je me porte bien, il faut vivre. »

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Brigitte Struzyk (eig. Brigitte Kraft) werd op 2 april 1946 geboren in Steinbach-Hallenberg/Thüringen. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Beginn

 

Wieder und wieder

am Anfang am Ende

Dichter beflecken sich

selten mit Ruhm

Sucht sucht

die andere Form

von Gewinn

Power Flower

Dauer Trauer

Kommentiert der Bauer

Wenn er kompostiert

 

 

 

Valse triste von Zielbahnhof

 

Für Reinhart Lettau

 

Nichts ist so einsam als das

 

Dass die S-Bahn heranjagt

dass dieser Sog da ist

dass du stolpernd ihm folgst

dass der Schuh grün ist

dass der Mann keine Socken hat

dass du selbst im Fenster dich siehst

dass du frierst an der Heizung

dass sich Lippen bewegen

dass ein Wort dich erschreckt

dass du fremden schlaf siehst

dass du doch noch ankommst

dass der Falsche wartet

 

 

 

 

 

De Joods-Duitse schrijver Edgar Hilsenrath werd geboren in Leipzig op 2 april 1926. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Die Abenteuer des Ruben Jablonski

 

„"Während ich mit der Zeitung durch die Straßen Bukarests schlenderte, dachte ich an die 6 Millionen. Die Deutschen hätten nicht so viele umbringen können, wenn es einen Widerstand gegeben hätte. Ganz anders wird es sein, wenn wir unseren eigenen Staat haben. In Palästina gibt es eine jüdische Untergrundarmee und Juden, die sich nichts mehr gefallen lassen wollen. Bald werde ich in Palästina sein und mich mit eigenen Augen überzeugen. Daran dachte ich, als ich plötzlich wieder Lust verspürte, mit einer Frau zu schlafen. Ich war vor einem Modegeschäft stehengeblieben und betrachtete die nackten Schaufensterpuppen, und ich spürte wie ich einen Ständer kriegte.
'Verdammt, Jablonski', sagte ich zu mir. 'Wenn du schon beim Anblick einer Schaufensterpuppe einen Ständer kriegst, dann ist es schlimm um dich bestellt. Vielleicht gehst du doch mal ins Bordell'."

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Thomas Glavinic werd geboren op 2 april 1972 in Graz. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Das bin doch ich

 

„Eins

Ich gehe ins Bad. Bevor ich die Unterhose ausziehe, wende ich mich vom Spiegel ab. Den Kopf starr geradehaltend, damit mein Blick nicht doch noch auf mein Geschlechtsteil fällt, steige ich in die Duschkabine. Unter den üblichen Verrenkungen dusche ich. Beim Rausgehen, als ich den Blick in den Spiegel nicht vermeiden kann, kneife ich die Augen zusammen. Ich recke den Hals und trockne mich ab. Die Verkrampfung löst sich erst, als ich wieder angezogen

bin.

So geht das schon lange. Ich bin Hypochonder, und seit ich vor eineinhalb Jahren gelesen habe, eines der Anzeichen für Hodenkrebs sei ein leicht geschwollener Hodensack, vermeide ich es, meine Hoden anzusehen, beim Duschen, beim Umziehen, beim Schlafengehen sowie bei bestimmten Gelegenheiten, bei denen man eigentlich nicht anders kann, als hinzusehen. Ich kenne mich. Wenn ich meine Hoden ansehe, bilde ich mir bestimmt ein, etwas habe sich verändert. Manchmal träume ich sogar davon, ich träume von wahren Ballonhoden. Ich will das nicht, ich will nichts von Hodenkrebs hören, ich will an überhaupt keine schweren Krankheiten denken, ich ertrage das nicht, generell nicht und derzeit schon gar nicht.

Ich setze mich an den Computer, keine Emails. Nicht überraschend, wenn man bedenkt, daß ich erst vor einer Viertelstunde nachgeschaut habe. Enttäuscht bin ich trotzdem. Ich warte auf nichts Bestimmtes, aber ich hätte nichts dagegen, wenn mir jemand schreibt. Vor einer Woche habe ich meinen fünften Roman beendet. Die Arbeit der Nacht ist die Geschichte von Jonas, der eines Tages erwacht und feststellt, daß alle anderen Menschen verschwunden sind. Meine

Agentin hat das Manuskript an verschiedene Verlage geschickt, und nun heißt es warten. Ich bin schlecht im Warten, deswegen mache ich schon am Nachmittag eine Flasche Wein auf.

Mir fehlt die tägliche Beschäftigung am Schreibtisch. Ich schleiche durch die Wohnung, rufe fünfmal in der Stunde Mails ab, suche nach Ablenkung. Else sagt, ich habe einen Dachschaden, ich soll mit Stanislaus spazierengehen. Sie sagt es oft, sie sagt es auch jetzt. Eigentlich hat sie recht. Sie zieht ihn an, ich ziehe mich an, und wir gehen.“

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver August Heinrich Hoffmann von Fallersleben werd geboren in Fallersleben op 2 april 1798. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

 

Das Lied der Deutschen

 

Helgoland 26. August 1841

 

Deutschland, Deutschland über alles,
Über alles in der Welt,
Wenn es stets zum Schutz und Trutze
Brüderlich zusammenhält,
Von der Maas bis an die Memel,
Von der Etsch bis an den Belt -
Deutschland, Deutschland über alles,
Über alles in der Welt!

Deutsche Frauen, deutsche Treue,
Deutscher Wein und deutscher Sang
Sollen in der Welt behalten
Ihren alten schönen Klang,
Uns zu edler Tat begeistern
Unser ganzes Leben lang -
Deutsche Frauen, deutsche Treue,
Deutscher Wein und deutscher Sang!

Einigkeit und Recht und Freiheit
Für das deutsche Vaterland!
Danach laßt uns alle streben
Brüderlich mit Herz und Hand!
Einigkeit und Recht und Freiheit
Sind des Glückes Unterpfand -
Blüh im Glanze dieses Glückes,
Blühe, deutsches Vaterland.

 

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver en avonturier Giacomo Girolamo Casanova werd geboren in Venetië op 2 april 1725. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: Back Again to Paris (Vertaald door Arthur Machen)

 

“"St. Germain--he would never dare to return to Paris."

"I am certain that he is here in disguise. The state messenger who ordered him to leave London has convinced him the English minister was not duped by the demand for his person to be given up, made by the Comte d'Afri in the name of the king to the States-General."

All this was mere guess-work, and it will be seen that I guessed rightly.

Madame d'Urfe then congratulated me on the charming girl whom I had sent from Grenoble to Paris. Valenglard had told her the whole story.

"The king adores her," said she, "and before long she will make him a father. I have been to see her at Passi with the Duchesse de l'Oraguais."

"She will give birth to a son who will make France happy, and in thirty years time you will see wondrous things, of which, unfortunately, I can tell you nothing until your transformation. Did you mention my name to her?"

"No, I did not; but I am sure you will be able to see her, if only at Madame Varnier's."

 

 

 

 

 

 

De Deense schrijver en dichter Hans Christian Andersen werd geboren op 2 april 1805 in Odense. Zie ook mijn blog van 2 april 2007.

 

Uit: De kleine zeemeermin

 

“Ver in zee is het water zo blauw als de blaadjes van de mooiste korenbloem en zo helder als het zuiverste glas, maar het is heel diep, dieper als een ankerketting ooit kan komen. Je zou een heleboel kerktorens boven op elkaar moeten zetten om van de bodem van de zee tot aan de oppervlakte te komen. En daar in de diepte wonen de zeemensen.

Maar je moet niet denken dat de bodem van kaal, wit zand is. Nee hoor, er groeien de prachtigste bomen en planten en hun stengels en bladeren zijn zo soepel dat ze bij de minste beweging van het water heen en weer gaan, net of ze levend zijn. Grote en kleine vissen, allemaal glippen ze tussen de takken door, net als bij ons de vogels in de lucht. Op het allerdiepste plekje ligt het paleis van de zeekoning. De muren zijn van koraal en de lange, spits toelopende ramen van het zuiverste barnsteen. Het dak is van schelpen die met de bewegingen van het water open en dicht gaan. Het ziet er beeldig uit, want in iedere schelp zit een schitterende parel en als je er maar eentje van in de kroon van de koningin zou doen, zou dat al heel bijzonder zijn.”

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 2 april 2007.

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wilhelm Ludwig Gleim werd geboren op 2 april 1719 in Ermsleben.

 

De Nederlandse schrijver Onno Zwier van Haren werd geboren in Leeuwarden op 2 april 1713.

 

Geschreven door Romenu om 23:22 Reageer op dit bericht

Gouden Uil, Marc Reugebrink, Nikolaj Gogol, Milan Kundera, Urs Allemann, Maria Polydouri, Edmond Rostand, Rolf Hochhuth, Joseph de Maistre

Marc Reugebrink (Goor, 12 augustus 1960)




De Nederlandse dichter en schrijver Marc Reugebrink won vorige week de Gouden Uil voor zijn roman Het grote uitstel. Reugebrink werd geboren in Goor op 12 augustus 1960. Hij studeerde in Groningen zowel aan de lerarenopleiding (Nederlands en Engels) als aan de universiteit (Nederlandse taal- en letterkunde). In 1988 debuteerde hij als dichter met Komgrond, waarvoor hij de Van der Hoogtprijs 1989 kreeg; in 1987 kreeg hij voor zijn poëzie het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen. In 1991 volgde Wade. Onderwijl maakte hij samen met Joost Niemöller en Xandra Schutte deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De XXIe Eeuw (Bert Bakker, 1990-1993), en trad hij in 1994 toe tot de redactie van het algemeen-culturele tijdschrift De Gids. Hij verliet de redactie in 1999. Tegelijkertijd schreef hij een korte tijd poëziekritieken voor de Volkskrant, en werkte hij van eind jaren tachtig tot medio jaren negentig als recensent voor het Nieuwsblad van het noorden (thans Dagblad van het noorden) en bijna tien jaar voor De groene Amsterdammer. In 1998 verscheen Wild vlees, zijn eerste roman. Datzelfde jaar trok hij naar Gent, waar hij thans nog woont en werkt. In 2002 verscheen de essaybundel De inwijkeling, en in 2004 Touchdown, zijn tweede roman (longlist Gouden Uil en Librisprijs). In 2007 verscheen de roman Het grote uitstel . Vanaf 2001 is Reugebrink redacteur en redactiesecretaris van het onafhankelijke literaire tijdschrift Yang. Ook schrijft hij regelmatig voor o.a. De Morgen en houdt hij op internet een literair journaal bij (Inwijkeling).

 

 

Uit: Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1989, Dankwoord

 

“Wat die nestgeur betreft: die zal ik niet ontkennen, hoezeer de traditie waaruit ik voortkom momenteel ook in een kwade reuk mag staan. Ik stem wat dat aangaat volmondig in met een bekende uitspraak van de Engelse dichter T.S. Eliot, die de ware originaliteit slechts een vorm van ontwikkeling noemde. Het absoluut originele gedicht is een absoluut slecht gedicht, zo stelde hij; het heeft zich losgemaakt van al het bekende en kan niet meer begrepen worden. Ik heb het dan ook altijd nogal merkwaardig gevonden dat een aantal critici in mijn bundel zowel de verwantschap met de autonomistische traditie heeft aangewezen - en dus de poëzie in die zin begreep -, als tegelijkertijd van mening was dat mijn gedichten verregaand onverstaanbaar waren. Als ik dat goed begrijp, kan ik daaruit alleen maar concluderen dat de autonomistische traditie voor deze critici in haar geheel onverstaanbaar is, en dat is een onthullende constatering. Het betekent immers dat deze critici het werk van Leopold, van Van Ostaijen, zelfs van Nijhoff, van Kouwenaar of Faverey, van Mallarmé, Valéry, van Benn en Célan nooit hebben begrepen. Het is alsof de hele twintigste eeuw nooit heeft bestaan!

Voor dergelijke critici houdt met het vaststellen van verwantschap het eigenlijke lezen dan ook op. Het eigen onvermogen om door te dringen in teksten die qua taalgebruik afwijken van het middenstandsproza of het journalistieke proza (de verschillen tussen beide zijn soms akelig klein), wordt hier tot maatstaf voor goede poëzie verheven. Nu ben ik, misschien ondanks de schijn van het tegendeel, de laatste om de eis dat poëzie verstaanbaar moet zijn, tegen te spreken. Maar voor deze critici betekent verstaanbaarheid blijkbaar dat het taalgebruik in gedichten niet mag afwijken van het taalgebruik bij de bakker. Het lijkt mij nu juist een van de wezenstrekken van poëzie dat zij zich niet conformeert aan die vorm van taalgebruik, althans niet als regel. Zelfs de grootste brooddichter maakt weinig kans een halfje wit mee te krijgen als hij zijn verzen bij de bakker voorleest. ‘If we were in the habit of reading poets their obscurity would not matter; and, once we are out of the habit, their clarity does not help’, schreef de Amerikaanse dichter Randall Jarrell ooit. Zo bezien is de onverstaanbaarheid ‘in the eye of the beholder’ en niet iets wat men dichters aan kan wrijven.”

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Nikolaj Vasiljevitsj Gogol werd geboren in Poltawa, Oekraïne, op 1 april 1809. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

 

Uit: St. John's Eve (Vertaald door Larissa Volokhonsky)

 

“Weddings in the old days were no comparison with ours. My grandfather's aunt used to tell us--oh, ho, ho! How girls in festive headdresses of yellow, blue, and pink stripes trimmed with gold braid, in fine shirts stitched with red silk and embroidered with little silver flowers, in Morocco boots with high, iron-shod heels, capered about the room as smoothly as peahens and swishing like the wind; how young women in tall headdresses, the upper part made all of gold brocade, with a small cutout behind and a golden kerchief peeking from it, with two little peaks of the finest black astrakhan, one pointing backward and the other forward, in blue jackets of the best silk with red flaps, stepped out imposingly one by one, arms akimbo, and rhythmically stamped away at the gopak. How young lads in tall Cossack hats and fine flannel blouses with silver-embroidered belts, pipes in their teeth, bobbed and pranced before them, cutting all sorts of capers. Korzh himself couldn't hold back, looking at the young ones and remembering bygone times. With a bandore in his hands, puffing on his pipe and humming at the same time, the old fellow put a glass on his head and, to the loud shouts of the revelers, broke into a squatting dance. What people won't think up when they're tipsy! They used to dress in disguises--my God, they no longer looked like human beings! No comparison with the costumes at our weddings nowadays. How is it now? They just copy the Gypsies or the Muscovites. No, it used to be one would dress up as a Jew and another as a devil, and first they'd kiss each other and then grab each other's topknots . . . God help us! you had to hold your sides from laughter. They'd get dressed up inTurkish or Tartar costumes: everything on them blazes like fire . . . And when they start fooling and pulling tricks . . . well, saints alive! A funny thing happened with my grandfather's aunt, who was at this wedding: she was dressed then in a loose Tartar dress and went around offering glasses to the guests. The devil put one of them up to splashing some vodka on her from behind. Another--no flies on him either--struck a fire straight away . . . the flame blazed up, the poor aunt got frightened and started pulling her dress off in front of everybody . . . Noise, laughter, turmoil arose, like at a street fair. In short, the old people remember no merrier wedding ever.”

 

 

 

 

 

De Tsjechische schrijver Milan Kundera werd geboren in Brno op 1 april 1929. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

 

Uit: The Curtain

 

“Let us imagine a contemporary composer writing a sonata that in its form, its harmonies, its melodies resembles Beethoven's. Let's even imagine that this sonata is so masterfully made that, if it had actually been by Beethoven, it would count among his greatest works. And yet no matter how magnificent, signed by a contemporary composer it would be laughable. At best its author would be applauded as a virtuoso of pastiche.

What? We feel aesthetic pleasure at a sonata by Beethoven and not at one with the same style and charm if it comes from one of our own contemporaries? Isn't that the height of hypocrisy? So then the sensation of beauty is not spontaneous, spurred by our sensibility, but instead is cerebral, conditioned by our knowing a date?

No way around it: historical consciousness is so thoroughly inherent in our perception of art that this anachronism (a Beethoven piece written today) would be spontaneously (that is, without the least hypocrisy) felt to be ridiculous, false, incongruous, even monstrous. Our feeling for continuity is so strong that it enters into the perception of any work of art.

Jan Mukarovsky, the founder of structural aesthetics, wrote in Prague in 1932: "Only the presumption of objective aesthetic value gives meaning to the historical evolution of art." In other words: in the absence of aesthetic value, the history of art is just an enormous storehouse of works whose chronologic sequence carries no meaning. And conversely: it is only within the context of an art's historical evolution that aesthetic value can be seen.”

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver en dichter Urs Allemann werd geboren op 1 april 1948 in Schlieren. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

 

 

Elegisch die dritte

 

Als den Gebirgssturz passierend er sah wie das Flugzeug aus Fleisch am

Felsen zerplatzte und schrie unter der Blutwolke o

dass Myriaden von Fliegen den Hirnpunkt den Herzspalt und schwärmten

auf ach und brannte so süss dies dass der Rauch Gesang

zwar doch die Zunge zerfiel und floss aus dem Mund an den Knochen

ab in die Schluchten das Wort aber es hielt ihn nicht

Haut sondern spie ihn hinaus und hinauf dass die Arme er wieder

weit und der Schnabel die Brust auf bis im Frein der Motor

stampfte und sah es nicht und lauschte und war der Propeller

der ihn noch einmal emporschraubend sich aufhob und war

nichts als die Glühlaus am schwarzen am Schädel am Himmel und pickte

selber sich weg und verschlang das Helikopter-Ioo

als an der Leber des Adlers der hohle der Zahn des Prometheus

nagte und schenkte ein Licht ihm im Schenkel der Stern

der aus dem Fleisch schon heraus sich zu drehen und nannte es Auge

was als winziger Mond lidlos ihm um den Kopf

schwirrte doch kaum es ihn sah wie die Bombe dem Krater entgegen

flog über Kopf der Vulkan ziellos Raketenmusik

 

 

 

 

Hinkfüssig

 

Auf Schlittschuhn wenn und stolz im Puff der Greis ausrutscht

dass scharf von unten es Gelächter durchs Eis bricht

Sweet Mermaids Fuss den Hut vom Kopf, Pa, Shorts runter

ob Schurz hoch Sturm von Loch zu Loch dich am Bart zerrt

der weiss zu flattern wär die Blume Schnee Klopstock

im Winterfreudenhaus beraubt der Stahlflügel

verrostet hing an hellbeblüteten Ulmen

zu schlafen schwindelnd als ihn Showgirls fair hüllten

zu tausend ein in Nacht nach Holders Flugvorsatz

Wolken um nach Welten um ei das stirbt stammelnd

die Polder nun vorüber sind es warn schöne

Gelichtre keiner Bläue Trauridämm seyn will

des Wintersdau mit Unterthrän als dann glänzet

im Beindorf leer den Todtenstille du friss dein

Gefriergeflügel Chickenshit wenn das auftaut

da die Mänaden du Monade träumst Zahlen!

Miss Mermaid! lang Errettung, Pa, nix Mund Nixmäär

 

 

 

 

 

 

De Griekse dichteres Maria Polydouri werd geboren op 1 april 1902 in Kalamata. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

 

 

To A Friend

I shall come upon the night, on the way that drags me along,
I shall come and find you there alone.
With indolent movements, eventide will spin her delicate shades,
drifting past your desolate window.

In the stillness of your  room you shall have me in-
books scattered around, consigned to silence deep.
And we shall sit side by side, musing over moments past,
yet long before we lose them, still are dying and last.

For the bitterness of ungrateful life, the dreariness,
for having no yearning, no craving,
for decay and silence abiding
plunged in brooding stillness
our speech and ultimate thought shall fade away.

But the night will come to rest
right at your window’s nest.
Scents and glittering stars and fair breezes shall mingle
with the grand call that Nature delivers,
with your heart that even silence itself will not shelter.

 

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Edmond Eugène Alexis Rostand werd geboren in Marseille op 1 april 1868. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

 

Uit: La Samaritaine

 

„SCÈNE IV

JÉSUS, LES DISCIPLES

PIERRE, descendant.

Maudit soit ce pays ! Que la peste s'y vautre !

Et que la sauterelle y tombe, avec son bruit !

JACQUES, de même.

Que la nielle1 sur l'arbre abolisse le fruit,

Ou que le ver l'attaque au fond de la réserve !

ANDRÉ, de même.

Et que la femme avorte et que l'homme s'énerve !

Qu'ils connaissent toutes les soifs, toutes les faims !

Que tous leurs ennemis viennent sur leurs confins2,

Et qu'il ne reste rien de leurs villes rasées !

PIERRE

Que jamais, jamais plus, sous les bonnes rosées,

Vous ne vous incliniez et vous ne murmuriez,

Citronniers, amandiers, grenadiers et mûriers

Que jamais plus sous les fruits lourds l'arbre ne crie !…

JÉSUS

Les bénédictions de Dieu sur Samarie !

 (I1 descend..)

PIERRE

Quoi, Rabbi1 ? Mais ces mots de toi, que je retins :

« Évitez les Gentils2 et les Samaritains.

Ne prêchez qu'aux brebis d'Israël !... »

ANDRÉ

Oui, toi-même

Tu paraissais haïr ces païens !

JÉSUS

Je les aime.

PIERRE

Je te les entendis cependant prononcer,

Ces paroles. Pourquoi ?

JÉSUS

C'était pour commencer.

Vous n'aviez pas encore assez large poitrine

Et je ne pouvais toute y loger ma doctrine.

Si je vous avais dit d'aimer jusqu'aux Gentils,

Vous vous seriez scandalisés, mes chers petits.

 

Scène 4

Pouvais-je sans danger, dans votre ombre première,

Faire entrer brusquement tout mon flot de lumière ?

À vous, faibles, verser d'un coup tout mon vin fort ?

Non, certe, et c'est pourquoi j'étais prudent d'abord :

Je filtrais le rayon, je mesurais la dose,

Je n'osais tout livrer. Mais voici l'heure. J'ose.

ANDRÉ

Quoi ! de n'être pas Juif, cela n'empêche rien ?

JÉSUS

Élisée a guéri Nahaman le Syrien1.

PIERRE

Quoi ! nous devons aimer ces gens de Samarie ?

JÉSUS

Et vous les aimerez, puisque je vous en prie.

PIERRE

Que nous demandes-tu, Rabbi ?

JÉSUS

D'être parfaits.

On se sent allégé quand on porte mon faix. »

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 1 april 2007.

 

De Duitse schrijver Rolf Hochhuth werd geboren op 1 april 1931 in Eschwege. Zie bovendien mijn blog van 2 april 2006.

 

De Franse politicus, schrijver en filosoof Joseph, comte de Maistre werd geboren in Chambéry op 1 april 1753.

 

Geschreven door Romenu om 20:27 Reageer op dit bericht

Octavio Paz, Marga Minco, John Fowles, Nichita Stănescu, Marge Piercy, Peter Motte, Andrew Marvell

Octavio Paz (31 maart 1914 – 19 april 1998)









De Mexicaanse schrijver, dichter, en diplomaat Octavio Paz werd geboren op 31 maart 1914 in Mixcoac, tegenwoordig een deel van Mexico-stad. Zie ook mijn blog van 31 maart 2007.

 

 

Motion

 

If you are the amber mare
              I am the road of blood
If you are the first snow
              I am he who lights the hearth of dawn
If you are the tower of night
              I am the spike burning in your mind
If you are the morning tide
              I am the first bird's cry
If you are the basket of oranges
              I am the knife of the sun
If you are the stone altar
              I am the sacrilegious hand
If you are the sleeping land
              I am the green cane
If you are the wind's leap
              I am the buried fire
If you are the water's mouth
              I am the mouth of moss
If you are the forest of the clouds
              I am the axe that parts it
If you are the profaned city
              I am the rain of consecration
If you are the yellow mountain
              I am the red arms of lichen
If you are the rising sun
              I am the road of blood

 

 

 

Vertaald door Eliot Weinberger

 

 

 

 

No More Clichés

 

Beautiful face
That like a daisy opens its petals to the sun
So do you
Open your face to me as I turn the page.

Enchanting smile
Any man would be under your spell,
Oh, beauty of a magazine.

How many poems have been written to you?
How many Dantes have written to you, Beatrice?
To your obsessive illusion
To you manufacture fantasy.

But today I won't make one more Cliché
And write this poem to you.
No, no more clichés.

This poem is dedicated to those women
Whose beauty is in their charm,
In their intelligence,
In their character,
Not on their fabricated looks.

This poem is to you women,
That like a Shahrazade wake up
Everyday with a new story to tell,
A story that sings for change
That hopes for battles:
Battles for the love of the united flesh
Battles for passions aroused by a new day
Battle for the neglected rights
Or just battles to survive one more night.

Yes, to you women in a world of pain
To you, bright star in this ever-spending universe
To you, fighter of a thousand-and-one fights
To you, friend of my heart.

From now on, my head won't look down to a magazine
Rather, it will contemplate the night
And its bright stars,
And so, no more clichés.

 

 

 

 

 

De Joods-Nederlands journaliste en schrijfster Marga Minco, pseudoniem van Sara Minco, werd geboren in Ginneken op 31 maart 1920. Zie ook mijn blog van 31 maart 2007.

 

 

Uit: Vlinders vangen op Skyros

 

“Hij had niet gedacht dat het zo'n uitwerking zou hebben. Het was ook allerminst zijn bedoeling geweest. Als hij het van tevoren geweten had, zou dat zinnetje hem niet ontsnapt zijn. Hij had het zomaar laten vallen, om ook eens een keer wat te zeggen. En nou zat hij daar.

Op de bewuste avond was hij zijn stamcafé binnengelopen en had, net als altijd, een plaats achterin gezocht, aan zo'n bijschuiftafeltje voor één persoon. Van daaruit kon hij hun gedoe gadeslaan en hun gesprekken beluisteren zonder er aan te hoeven deelnemen. God, wat hadden ze 't weer druk. Wat hadden ze weer gezwijnd en gebietst en gelift. In één ruk naar Parijs. Binnen anderhalve dag in Rome. Meteen door naar Vence. Het existentialisme kenden ze van achteren naar voren. Het leek of ze allemaal persoonlijk bevriend waren met Sartre en Simone de Beauvoir. Of ze van Saint-Germain-des-Prés iedere straatsteen kenden en hun vaste tafel hadden in Les Deux Magots. Twee geheel in het zwart geklede meisjes met Gréco-kapsels deden uitvoerig verslag van hun avonturen in het Quartier Latin. Het was kelder in kelder uit geweest. Een jonge dichter vertelde dat hij in Rome in een duur hotel had gelogeerd op kosten van zijn mecenas. Een paar schilders hadden een maand aan de Rivièra gezeten, waar ze niet alleen prima hadden kunnen werken, maar ook nog bevriend waren geraakt met een amerikaanse kunstverzamelaar, op wiens jacht ze geregeld tochten maakten over de Middellandse Zee.

Hij snapte niet hoe ze het allemaal voor elkaar kregen. Hij ging nooit op reis en ontmoette nooit iemand die tegen hem zei: ‘Ga jij nou eens een tijdje naar het zuiden. Ik zie dat je het nodig hebt. Over geld hoef je niet in te zitten. Dat maak ik wel in orde.’

 

 

 

 

 

De Engelse romanschrijver en essayist John Fowles werd geboren in Leigh-on-Sea (Essex) op 31 maart 1926. Zie ook mijn blog van 31 maart 2007.

 

Uit: The Magus

 

“I went to Oxford in 1948. In my second year at Magdalen, soon after a long vacation during which I hardly saw them, my father had to fly out to India. He took my mother with him. Their plane crashed, a high-octane pyre, in a thunderstorm some forty miles east of Karachi. After the first shock I felt an almost immediate sense of relief, of freedom. My only other close relation, my mother's brother, farmed in Rhodesia, so I now had no family to trammel what I regarded as my real self. I may have been weak on filial charity, but I was strong on the discipline in vogue.

At least, along with a group of fellow odd men out at Magdalen, I thought I was strong in the discipline. We formed a small club called Les Hommes Révoltés, drank very dry sherry, and (as a protest against those shabby dufflecoated last years of the forties) wore dark gray suits and black ties for our meetings; we argued about essence and existence and called a certain kind of inconsequential behavior existentialist. Less enlightened people would have called it capricious or just plain selfish; but we didn't realize that the heroes, or anti-heroes, of the French existentialist novels we read were not supposed to be realistic. We tried to imitate them, mistaking metaphorical descriptions of complex modes of feeling for straightforward prescriptions of behavior. We duly felt the right anguishes. Most of us, true to the eternal dandyism of Oxford, simply wanted to look different. In our club, we did.

I acquired expensive habits and affected manners. I got a third-class degree and a first-class illusion that I was a poet. But nothing could have been less poetic than my pseudo-aristocratic, seeingthrough-all boredom with life in general and with making a living in particular. I was too green to know that all cynicism masks a failure to cope — an impotence, in short; and that to despise all effort is the greatest effort of all. But I did absorb a small dose of one permanently useful thing, Oxford's greatest gift to civilized life: Socratic honesty. It showed me, very intermittently, that it is not enough to revolt against one's past.”

 

 

 

 

 

De Roemeense dichter en essayist Nichita Stănescu werd geboren op 31 maart 1933 in Ploieşti. Zie ook mijn blog van 31 maart 2007.

 

 

Burned forest

Black snow was falling. The tree line
shone when I turned to see -
I had wondered long and silent,
alone, trailing memory behind me.

And it seemed the stars, fixed as they were,
ground their teeth, a stiffened nexus,
an infernal machine, tolling
the halted hours of conciousness.

Then, a thick silence descends,
and my every gesture
leaves a comet tail in the heavens.

And I hear evey glance I cast
as it echoes against
some tree.

Child, what were you seeking there,
with your gangly arms and pointed shoulders
on which the wings were barely dry -
black snow drifting in the evening sky.

A horizon howling, far from view,
darting its tongues and anthracite,
dragged me forever down the mute row,
my body, half naked, sliding from sight.

In distances of smoke the town afire,
blazing beneath the planes, a frigid pyre.
We two, forest, what did we do?
Why did they burn you, forest, in a toga of ash -
and the moon no longer passes over you?

 

 

 

Field in Spring

Green rings around the eyes, this grass in vibrant motion
arcs tenderly about you, at a distance-
you summon it, then fling it round, broken
by your laugh of youth and innocence.

Stretched under you, this curling dome of grass
would sound its voices in the gravel-
but you are unaware - and now you pass
through foreign stars, a fool.

 

 

 

Vertaald door Thomas Carlson en Vasile Poenaru

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en feministe Marge Piercy werd geboren op 31 maart 1936 in Detroit.  Zie ook mijn blog van 31 maart 2007.

 

 

Barbie Doll

 

This girlchild was born as usual
and presented dolls that did pee-pee
and miniature GE stoves and irons
and wee lipsticks the color of cherry candy.
Then in the magic of puberty, a classmate said:
You have a great big nose and fat legs.

She was healthy, tested intelligent,
possessed strong arms and back,
abundant sexual drive and manual dexterity.
She went to and fro apologizing.
Everyone saw a fat nose on thick legs.

She was advised to play coy,
exhorted to come on hearty,
exercise, diet, smile and wheedle.
Her good nature wore out
like a fan belt.
So she cut off her nose and her legs
and offered them up.

In the casket displayed on satin she lay
with the undertaker's cosmetics painted on,
a turned-up putty nose,
dressed in a pink and white nightie.
Doesn't she look pretty? everyone said.
Consummation at last.
To every woman a happy ending.

 

 

 

The Woman in the Ordinary

 

The woman in the ordinary pudgy downcast girl
is crouching with eyes and muscles clenched.
Round and pebble smooth she effaces herself
under ripples of conversation and debate.
The woman in the block of ivory soap
has massive thighs that neigh,
great breasts that blare and strong arms that trumpet.
The woman of the golden fleece
laughs uproariously from the belly
inside the girl who imitates
a Christmas card virgin with glued hands,
who fishes for herself in other's eyes,
who stoops and creeps to make herself smaller.
In her bottled up is a woman peppery as curry,
a yam of a woman of butter and brass,
compounded of acid and sweet like a pineapple,
like a handgrenade set to explode,
like goldenrod ready to bloom.

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 31 maart 2007.

 

De Vlaamse schrijver, vertaler en publicist Peter Motte werd geboren in Geraardsbergen op 31 maart 1966.

 

De Engelse dichter Andrew Marvell werd geboren in Winestead, Yorkshire op 31 maart 1621 in Londen.

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Gerrit Komrij, Paul Verlaine, Milton Acorn, Uwe Timm, Erika Mitterer, Gert Heidenreich, Anna Sewell, Theo Breuer, Jean Giono, Tom Sharpe

Gerrit Komrij (Winterswijk, 30 maart 1944)









De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook mijn blog van 30 maart 2007.

 

STILLE LIEFDE

 

Als ik jou van mijn liefde zou vertellen
Zou ik je, vrees ik, helemaal verliezen.
Ik moet mij met haast niets tevreden stellen
Of je ontberen – er valt niet te kiezen.

 

Ik voel – als ik een blik op je mag werpen –
Geen vlinders in mijn buik maar haaientanden
En tor en wesp en kever doen een scherpe,
Massieve aanval op mijn ingewanden.

 

Ik voel de darmen in mijn lijf wegbranden.
Ik voel mijn lichaam duizelen en draaien.
Ik tol – en sta compleet in lichterlaaie.

 

Toch kan ik je niets zeggen, want één woord
En al jouw achting voor me is vermoord.
Ik gluur maar naar je hals en naar je handen.

 

 

 

Begin

 

De tijd is op. Wat onder was werd boven
En het glazuur sprong van de eeuwigheid.
De bodem trilt. We leven in een oven.
Nog even en we zijn het vuur ook kwijt.

Platvissen zwemmen nog door stilstaand water.
Ze drinken alles leeg en vallen om.
De wereld droogt en krimpt. Een laatste krater
Haalt adem en lanceert haar als een bom.

Een heel eind verder zal, in een heelal
Waar vlinders dansen en waar bijen gonzen,
De aarde die van ons was als een bal
Geruisloos op een verend grasveld plonzen.

 

 

 

Angst

 

Heel argeloos begin je een gedicht.
Een aantal letters, aangenaam van vorm.
Het gaat vanzelf. Er slibben regels dicht.
Ze zwijgen nog. Ze wachten op de storm.

 

Uit dode krullen, schreven, lijnen, halen
Ontstaan - geen mens die weet waaraan het ligt -
Schermutselingen tussen de vocalen.
De consonanten brommen mee, ontsticht.

 

Pas dan ontpopt zich iets als een bericht.
Een S.O.S uit een ver paradijs.
De voorhang scheurt. Je schrikt van het gezicht.

 

Doe dicht je ogen. Raak niet van de wijs.
Tart niet de woordeloze bliksemschicht.
Bepaal je tot je e’s en o’s en ij’s.

 

 

 

 

  


De Franse dichter
Paul Marie Verlaine werd geboren in Metz op 30 maart 1844. Zie ook mijn blog van 30 maart 2007.

 

A Charles Baudelaire

 

Je ne t'ai pas connu, je ne t'ai pas aimé,
Je ne te connais point et je t'aime encor moins :
Je me chargerais mal de ton nom diffamé,
Et si j'ai quelque droit d'être entre tes témoins,

C'est que, d'abord, et c'est qu'ailleurs, vers les Pieds joints
D'abord par les clous froids, puis par l'élan pâmé
Des femmes de péché - desquelles ô tant oints,
Tant baisés, chrême fol et baiser affamé ! -

Tu tombas, tu prias, comme moi, comme toutes
Les âmes que la faim et la soif sur les routes
Poussaient belles d'espoir au Calvaire touché !

- Calvaire juste et vrai, Calvaire où, donc, ces doutes,
Ci, çà, grimaces, art, pleurent de leurs déroutes.
Hein ? mourir simplement, nous, hommes de péché.

 

 

 

 

Dernier espoir

 

Il est un arbre au cimetière
Poussant en pleine liberté,
Non planté par un deuil dicté, -
Qui flotte au long d'une humble pierre.

Sur cet arbre, été comme hiver,
Un oiseau vient qui chante clair
Sa chanson tristement fidèle.
Cet arbre et cet oiseau c'est nous :

Toi le souvenir, moi l'absence
Que le temps - qui passe - recense...
Ah, vivre encore à tes genoux !

Ah, vivre encor ! Mais quoi, ma belle,
Le néant est mon froid vainqueur...
Du moins, dis, je vis dans ton coeur ?

 

 

 

 

Il pleure dans mon coeur

 

Il pleure dans mon coeur
Comme il pleut sur la ville ;
Quelle est cette langueur
Qui pénètre mon coeur ?

Ô bruit doux de la pluie
Par terre et sur les toits !
Pour un coeur qui s'ennuie,
Ô le chant de la pluie !

Il pleure sans raison
Dans ce coeur qui s'écoeure.
Quoi ! nulle trahison ?...
Ce deuil est sans raison.

C'est bien la pire peine
De ne savoir pourquoi
Sans amour et sans haine
Mon coeur a tant de peine !

 

 

 

 

 

 

De Canadese dichter Milton James Rhode Acorn werd geboren op 30 maart 1923 in Charlottetown, Prince Edward Island. Zie ook mijn blog van 30 maart 2007.

 

 

What I know of God is this

 

What I know of God is this:
That He has hands, for He touches me.
I can testify to nothing else;
Living among many unseen beings
Like the whippoorwill I'm constantly hearing
But was pointed out to me just once.

 

Last of our hopes when all hope's past
God, never let me call on Thee
Distracting myself from a last chance
Which goes just as quick as it comes;
And I have doubts of Your omnipotence.
All I ask is... Keep on existing
Keeping Your hands. Continue to touch me.

 

 

 

 


De Duitse schrijver
Uwe Timm werd geboren op 30 maart 1940 in Hamburg.
Zie ook mijn blog van 30 maart 2007.

 

Uit: Am Beispiel meines Bruders

 

„Abwesend und doch anwesend hat er mich durch meine Kindheit begleitet, in der Trauer der Mutter, den Zweifeln des Vaters, den Andeutungen zwischen den Eltern. Von ihm wurde erzählt, das waren kleine, immer ähnliche Situationen, die ihn als mutig und anständig auswiesen. Auch wenn nicht von ihm die Rede war, war er doch gegenwärtig, gegenwärtiger als andere Tote, durch Erzählungen, Fotos und in den Vergleichen des Vaters, die mich, den Nachkömmling, einbezogen. 

Mehrmals habe ich den Versuch gemacht, über den Bruder zu schreiben. Aber es blieb jedes Mal bei dem Versuch. Ich las in seinen Feldpostbriefen und in dem Tagebuch, das er während seines Einsatzes in Rußland geführt hat. Ein kleines Heft in einem hellbraunen Einband mit der Aufschrift
Notizen
.
     Ich wollte die Eintragungen des Bruders mit dem Kriegstagebuch seiner Division, der SS-Totenkopfdivision, vergleichen, um so Genaueres und über seine Stichworte Hinausgehendes zu erfahren. Aber jedesmal, wenn ich in das Tagebuch oder in die Briefe hineinlas, brach ich die Lektüre schon bald wieder ab.
     Ein ängstliches Zurückweichen, wie ich es als Kind von einem Märchen her kannte, der Geschichte von Ritter Blaubart. Die Mutter las mir abends die Märchen der Gebrüder Grimm vor, viele mehrmals, auch das Märchen von Blaubart, doch nur bei diesem mochte ich den Schluß nie hören. So unheimlich war es, wenn Blaubarts Frau nach dessen Abreise, trotz des Verbots, in das verschlossene Zimmer eindringen will. An der Stelle bat ich die Mutter, nicht weiterzulesen. Erst Jahre später, ich war schon erwachsen, habe ich das Märchen zu Ende gelesen.” 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijfster en dichteres Erika Mitterer werd geboren op 30 maart 1906 in Wenen. Zie ook mijn blog van 30 maart 2007.

 

 

Erster Brief
 

"Einzig das Lied überm Land
heiligt und feiert"



Siehe, das Buch schlägt sich auf! O Du großer Erlöster,
durchs Leben Erlöster, Dir kann nichts geschehn!
Hinter Dir schlossen sich dunkelnde Klöster,
stießen hinaus Dich in blühnde Alleen.

Haben wir Maße für unsere Freude?
- Alles was froh ist, ist ganz. Doch es wird,
wie ein in sich schon bewegtes Getreide,
weht es im Winde, herrlich beirrt

durch immer wachsender Lüfte Bewegung.
Dankbar giebt es den Winden sich hin.
Dank Dir, danke, für jegliche Regung
meines Gemütes, das ahnet: Ich bin.

Du warst in mir. Da nahm Dich einer her
im Alltagslicht, und war mit Dir vertraut.
Und vieles war nun nie erträumbar mehr,
das ich in stillen Stunden auferbaut.

Da ging ich aus, um die Brücke zu finden,
die wieder mit Dir mich vereint.
Ich kann nicht fassen, daß die Blinden
die Sonne besitzen, die mir nicht scheint.

Ich fasse nicht, daß irgendwo
gestern ein Fremder Dir sprach,
während ich ahne: Du lächelst so -
und wann Dir ein Lächeln gebrach.

Versteh: bis heut warst Du nicht in der Zeit,
und nie und durch nichts zu erkunden.
Ich wünschte, Du wärest Vergangenheit,
durch nichts und niemand verbunden....

Doch da Du bist, jetzt im Leben verfußt,
gönn mir ein Lächeln, ein kleines,
lenzhaft sich freuendes, wenn Du ruhst
im herbstlichen Schatten des Haines...

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 30 maart 2007.

 

De Duitse schrijver en (radio)journalist Gert Heidenreich werd geboren op 30 maart 1944 in Eberswald.

 

De Engelse schrijfster Anna Sewell werd geboren op 30 maart 1820 in Great Yarmouth, Norfolk.

 

De Duitse schrijver en dichter Theo Breuer werd geboren op 30 maart 1956 in Zülpich.

 

De Franse schrijver Jean Giono werd geboren op 30 maart 1895 Manosque in het Département Alpes-de-Haute-Provence.

 

De Engelse schrijver Tom Sharpe werd geboren op 30 maart 1928 in Londen.

 

Geschreven door Romenu om 21:07 Reageer op dit bericht

Geert van Istendael, Ernst Jünger, Yvan Goll, Jacques Brault, Georg Klein, Marcel Aymé, Maurice Welch, R. Dobru, Jenő Rejtő, Johann Musäus

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)











De Vlaamse prozaschrijver, dichter en essayist
Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook mijn blog van 29 maart 2007.

 


Vermeer en Delft

 

Buiten

 

Het licht strijkt stadig over rechte grachtjes,

hij is hier niet, hier is alleen zijn licht.

Hij condenseert het tot een schuit, tot wallen,

waterrimpels. Hij gaat schuil in wolken.

Zijn stad heeft hij voorgoed tot Delft verdicht.

 

Buiten en binnen

 

Ze dragen parels, wegen goud. Ze pinnen

de stilte sierlijk vast op het spinet.

De meid schenkt melk. Ze heeft elf kleine kinderen,

in stegen stinkt het en de kroegbaas vecht.

Door hoge ramen dringt geen stoornis binnen.

 

Binnen

 

Een glas, het gele jak, de stoel, gewoon.

Maar niets is toeval in die klare kamers,

hij zag objecten in obscure camera's,

niets glansde zo, geen ding stond daar ooit zo.

De dingen worden licht, de dingen zijn zijn daden.

 

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Ernst Jünger werd geboren in Heidelberg op 29 maart 1895. Zie ook mijn blog van 29 maart 2007.

 

Uit: Das Sanduhrbuch

 

“Im Leben junger Menschen gibt es Jahre, in denen sie von einer dieser Zellen,Klausen, geistigen Warten zur andern wechseln wie zwischen Stützpunkten, deren jeder von einem mehr oder weniger sonderlichen Insassen besiedelt ist.
Ob man im Süden aus dem Garten die Zikaden schnarren hört, ob man im Norden auf verschneite Giebel blickt, ob man ein Mietzimmer oder eine Wohnung im väterlichen Hause aufsucht: überall herrscht Hieronymitischer Geist.

Man wird der Armut und selbst der bitteren Not weit öfter als der Opulenz begegnen, und doch haben fast alle Reichen und Mächtigen der Erde Jahre, und meist ihre schönsten Jahre in solchen Denkhütten verbracht, in denen Arbeit und Muße zwielichtig ineinander übergehen.
Schwer ist es, diese Stimmung in spätere Stände des Lebens zu übernehmen, vor allem, wenn der Erfolg sich andeutet. Doch ist es nicht unmöglich, da es sich weder um den Unterschied von Alter und Jugend handelt, noch der von Armut und Reichtum das Klima schafft.

Wer möchte nicht teilhaben an dieser Stille, inmitten der warmen hölzernen Täfelung, während in der Ecke der Sand durch das Stundenglas rieselt und vor dem Pult ein Löwe träumt, den man in unseren Zeiten durch eine Katze ersetzen kann.”

 

 

 

 

 

 

De Duits-Franse dichter en schrijver Yvan Goll (eig. Isaac Lang) werd geboren in Saint-Dié-des-Vosges op 29 maart 1891. Zie ook mijn blog van 29 maart 2007.

 

Reise ins Elend

 

Wie aber schmerzt die Menscheneinsamkeit,
wenn Landschaften mit gleichem Leid wie du sich von dir wenden
und in sich selbst versinken, dir so fremd!
Wenn klein ein Bahnhof dich in kalten Regen stößt,
ein Güterwagen leer und ohne Zukunft dich anbettelt.
Da kriecht ein fahler Gaul auf dunklem Acker,
oh, wenn der wüßte, daß du existierst
und du ihn liebst, ihm würden Flügel blau zum Himmel wachsen.
Manchmal schaut Wasser auf zu dir mit großen Augen,
und weil es nicht dein Lächeln sah,
fällt freudlos es und schal in sich zurück.
So läßt du alles dort allein. Es reißt dein Schicksal dich dahin.
Die alte Bucklige am Damm wird ewig nach dir blicken,
untröstlich steht das schreiende Plakat am schiefen Giebel.
So läßt du alles dort allein in unerfüllter Liebesdemut
und weißt es doch, daß, Einsamer, dich eine Stadt erwartet,
in der du weinen wirst die lange Nacht im billigen Hotel.

 

 

 

Trauermarsch

 

Was bin ich immer in den Leichenzügen,
vom Regen hingepeitscht, von Rabenflügen
umweht, und schaue alte irre Witwen tanzen,
und Nonnen beten still, und Knaben halten lachend die Monstranzen.
Was bin ich immer bei den Zweifelhaften,
bei Toten und Verwünschten, die am Krame haften,
im kalten Regenwind der Einsamkeiten!
Was hör ich immer dumpfe Särge in die Erde gleiten,
Kirchtürme rasen wie gegeißelt um den Himmel immer,
in jeder Gasse hockt ein bettelndes Gewimmer:
Mein Leben ist ein Regnen und ein Klagen,
ein langes Sterben von Novembertagen.

 

 

 

 

 

De Canadese dichter, schrijver en vertaler Jacques Brault werd geboren op 29 maart 1933 in Montreal. Zie ook mijn blog van 29 maart 2007.

 

TWO PROSE POEMS (Vertaald door David Sobelman)

 

Night falls. No sweat to him, when the sun buggers off behind the fucking horizon. At night, it’s all grey; like lint, like they used to say. Possibly. Hear the night, that one, not the one be-fore, strewn with neon and hollering. Night is for yapping and howling. Here, the whole night is for disappearing. Tennuated. Ghosted. Night touches me. Often I recall the loves fled from all my roads. I meet myself. At night our footloose shadows go on the prowl and they bother no one. Come here, Nobody, and quit trembling; you too, anguish and solitude. We’re going to find a warm and silent place. Night’s falling exactly where there’s no noise, and it’s so blue, all so taut, you’d think there’s no blood under its skin. You feel sheltered from the worst. You forget yourself.

 

 

When, still only a child, in the twilight of morning I’d go to work down Saint-Zotique street, I wasn’t brave. The brown paper bag where I kept my lunch swung to the sound of dry leaves. It wasn’t fall, but like now the air was cold. A bedraggled old alley cat fell in step with me. Smelling sorrow, he fled under a porch. This damn street was one lousy road. You could argue, Nobody, it was at least a road. That’s true. Anguish and solitude limped alongside my fear. I had company, why complain? The parings of a life, there’s always plenty of those in the past. I choke them down. You have to chew on bits of yourself to keep going. OK, enough said about the unspeakable. Tomorrow doesn’t exist. It’s a tiny bell tinkling around the neck of the condemned. You try to touch your throat but your hand goes right through

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Georg Klein werd geboren op 29 maart 1953 in Augsburg. Zie ook mijn blog van 29 maart 2007.

 

Uit: Ein Gespräch zu SÜNDE GÜTE BLITZ

„N.N.: Ich frage jetzt lieber Sie nach SÜNDE GÜTE BLITZ. Der Klappentext behauptet keck, es handle sich um einen Arztroman. Können Sie sich Ärzte als Leser dieses Buches vorstellen?

G.K.: Als mich dann der Orthopäde wegen meiner Nackenstarre nach meiner Berufstätigkeit fragte, mußte ich verraten, daß ich Autor bin. Daraufhin meinte er, leider käme er nie dazu, Romane zu lesen. Abends schliefe er schon regelmäßig über den Fachzeitschriften ein, mit denen er versuche, sich auf dem neusten Wissensstand zu halten. Das glaube ich ihm bis heute gern. Ärzte wissen bestimmt besonders gut, welche Demütigungen die Fülle des potentiell Wißbaren uns heutzutage zufügen kann. Aus den Halbgöttern in Weiß ist längst der Halbwissende in Weiß geworden. Andererseits haben sich bei meinen Lesungen immer wieder Zuhörer als Ärzte geoutet. Dieses Bedürfnis, sich unmittelbar nach dem Genuß von Literatur zu seiner Profession zu bekennen, ist mir ansonsten bei keiner anderen Berufsgruppe begegnet. Es muß einen innigen Zusammenhang zwischen Literatur und Heilkunst geben. Dafür spricht auch, daß es so viele schriftstellernde Mediziner gab und weiterhin gibt.

N.N.: Wie haben Sie als medizinischer Laie für die Darstellung der Fälle, die in der Praxis ihrer Romanärzte auflaufen, recherchiert?

G.K.: Ich habe erneut der Versuchung der Recherche widerstanden, obwohl mir das Internet diese Abstinenz von Tag zu Tag ein wenig schwerer macht. Aber aus der Anfangszeit meines Schreibens weiß ich noch, daß all das, was man vordergründig für den eigenen Schreibzweck an Wissen zusammenhamstert, umgehend seine eigenen Zweckhaftigkeiten entfaltet. Das kodifizierte, das in Text, Zahl und Bild gebrachte Material ist nicht so günstig halbtot, wie wir es für unsere jeweiligen Absichten gerne hätten. Wer glaubt, seinen Roman mit einer Armee aus dienstbaren Datensklaven schreiben zu können, wird entweder von ungut abgestorbenem Wissen, von einer Art Leichengift, vergällt, oder virulent gebliebenes Wissen beginnt im Gehirn des Herrn Schriftstellers seinen eigenen Text zu generieren.”

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 29 maart 2007.

 

De Franse schrijver en toneelauteur Marcel Aymé werd geboren op 29 maart 1902 in Joigny.

 

De Engelse schrijver Maurice Denton Welch werd geboren op 29 maart 1915 in Sjanghai.

 

De Surinaamse dichter, schrijver en politicus R. Dobru (pseudoniem van Robin Ewald Raveles) werd geboren in  Paramaribo op 29 maart 1935.

 

De Hongaarse schrijver Jenő Rejtő (eig. Reich Lajos) werd geboren op 29 maart 1905 in Boedapest.

 

De Duitse schrijver Johann Karl August Musäus werd geboren op 29 maart 1735 in Jena.

 

Geschreven door Romenu om 16:34 Reageer op dit bericht

Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Maksim Gorki, Russell Banks, Marianne Fredriksson, Bohumil Hrabal, Éric-Emmanuel Schmitt, Martien Beversluis

Walter van den Broeck (Olen, op 28 maart 1941)









De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007.

 

Uit: Meester Streuvels en de minieme ontregeling

 

Neem nu ‘De oogst’ van Stijn Streuvels. Het is een verhaal van nog geen honderd bladzijden, maar ik doe er graag mijn petje voor af. Het dient zich aan als een naïeve love-story, maar middels een gewaagde maar geslaagde ingreep op de traditionele verhaalcurve, verandert het in een stukje sociaal geëngageerde epiek. Ik kom daar straks op terug. Eerst een anekdote.

Vorig jaar zit ik naar een of andere boerenfilm te kijken. Hij begint met een panoramisch shot van een immens graanveld. In de rechter onderhoek van het beeld maakt een handvol boeren ritmische maaibewegingen. Het is een aandoenlijk tafereel dat de strijd toont tussen de kleine mens en de geweldige natuur. Met natuur bedoel ik hier niet het schier oneindige graanveld, want dat is eigenlijk cultuur, maar wel de brandende zon die dat maaien tot een marteling maakt. Het vogelperspectief veroorzaakt een grote deernis bij de kijker. Hij ziet wat die boeren niet zien: de onvoorstelbare hoeveelheid werk die nog verricht moet worden. Mijn allereerste reactie is er een van herkenning. Ik ben ervan overtuigd dat ik die film al eens eerder heb gezien. Maar naarmate de intrige zich ontwikkelt blijkt dat toch niet het geval te zijn. Vanwaar dan die indruk die maar niet wil wijken? Opeens weet ik het! Ik heb hem jaren geleden opgedaan uit ‘De oogst’ van Stijn Streuvels, en hij heeft mij sindsdien, zoals nu blijkt, niet meer verlaten. Van ‘De oogst’ kan ik na al die jaren nog moeiteloos de intrige navertellen en vooral navoelen; van de film die ik dus pas vorig jaar zag, kan ik mij daarentegen, op het openingsbeeld na, niets meer voor de geest halen. Maar ook daar wil ik het eigenlijk niet over hebben.”

 

 

 

De Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa in Arequipa werd geboren op 28 maart 1936. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007.

Uit: The Chilean Girls (Vertaald door Edith Grossman)


“
That was a fabulous summer. Pérez Prado and his twelve-professor orchestra came to liven up the Carnival dances at the Club Terrazas of Miraflores and the Lawn Tennis of Lima; a national mambo championship was organized in Plaza de Acho, which was a great success in spite of the threat by Cardinal Juan Gualberto Guevara, Archbishop of Lima, to excommunicate all the couples who took part; and my neighborhood, the Barrio Alegre of the Miraflores streets Diego Ferré, Juan Fanning, and Colón, competed in some Olympic games of mini-soccer, cycling, athletics, and swimming with the neighborhood of Calle San Martín, which, of course, we won.

Extraordinary things happened during that summer of 1950. For the first time Cojinoba Lañas fell for a girl—the redhead Seminauel—and she, to the surprise of all of Miraflores, said yes. Cojinoba forgot about his limp and from then on walked around the streets thrusting out his chest like Charles Atlas. Tico Tiravante broke up with Ilse and fell for Laurita, Víctor Ojeda fell for Ilse and broke up with Inge, Juan Barreto fell for Inge and broke up with Ilse. There was so much sentimental restructuring in the neighborhood that we were in a daze, people kept falling in and out of love, and when they left the Saturday night parties the couples weren’t always the same as when they came in. “How indecent!” said my scandalized aunt Alberta, with whom I had lived since the death of my parents.

The waves at the Miraflores beaches broke twice, the first time in the distance, two hundred meters from shore, and that’s where those of us who were brave went to ride them in without a board, and they carried us a hundred meters to the spot where they died only to reform into huge, elegant waves and break again in a second explosion that carried body-surfers smoothly to the pebbles on the beach.

During that extraordinary summer, at the parties in Miraflores, everybody stopped dancing waltzes, corridos, blues, boleros, and huarachas because the mambo had demolished them. The mambo, an earthquake that had all the couples—children, adolescents, and grown-ups—at the neighborhood parties moving, jumping, leaping, and cutting a figure. And certainly the same thing was happening outside Miraflores, beyond our world and our life, in Lince, Breña, Chorrillos, or the even more exotic neighborhoods of La Victoria, downtown Lima, Rímac, and El Porvenir, where we, the Miraflorans, had never set foot and didn’t ever plan to set foot.”

 

 

 

 

De Russische schrijver Maksim Gorki (pseudoniem van Aleksej Maksimovitsj Pesjkov) werd geboren in Nizjni Novgorod op 28 maart 1868. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007.


Uit:
THE BIRTH OF A MAN (Vertaald door CJ Hogarth)

“The year was the year '92-- the year of leanness--the scene a spot between Sukhum and Otchenchiri, on the river Kodor, a spot so near to the sea that amid the joyous babble of a sparkling rivulet the ocean's deep-voiced thunder was plainly distinguishable.

Also, the season being autumn, leaves of wild laurel were glistening and gyrating on the white foam of the Kodor like a quantity of mercurial salmon fry. And as I sat on some rocks

overlooking the river there occurred to me the thought that, as likely as not, the cause of the gulls' and cormorants' fretful cries where the surf lay moaning behind a belt of trees to the right was that, like myself, they kept mistaking the leaves for fish, and as often finding themselves disappointed.

 

Over my head hung chestnut trees decked with gold; at my feet lay a mass of chestnut leaves which resembled the amputated palms of human hands; on the opposite bank, where there waved, tanglewise, the stripped branches of a hornbeam, an orange-tinted woodpecker was darting to and fro, as though caught in the mesh of foliage, and, in company with a troupe of

nimble titmice and blue tree-creepers (visitors from the far-distant North), tapping the bark of the stem with a black beak, and hunting for insects.

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Russell Banks werd geboren op 28 maart 1940 in Newton, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007.

 

Uit: The Darling

 

„After many years of believing that I never dream of anything, I dreamed of Africa. It happened on a late-August night here at the farm in Keene Valley, about as far from Africa as I have been able to situate myself. I couldn't recall the dream's story, although I knew that it was in Africa, the country of Liberia, and my home in Monrovia, and that somehow the chimps had played a role, for there were round, brown, masklike faces still afloat in my mind when I awoke, safe in my bed in this old house in the middle of the Adirondack Mountains, and found myself overflowing with the knowledge that I would soon return there.

It wasn't a conscious decision to return. More a presentiment is all it was, a foreboding perhaps, advancing from the blackest part of my mind at the same rate as the images of Liberia drifted there and broke and dissolved in those dark waters where I've stored most of my memories of Africa. Memories of Africa and of the terrible years before. When you have kept as many secrets as I have for as long as I have, you end up keeping them from yourself as well. So, yes, into my cache of forgotten memories of Liberia and the years that led me there -- that's where the dream went. As if it were someone else's secret and were meant to be kept from me, especially.

And in its place was this knowledge that I would soon be going back -- foreknowledge, really, because I didn't make the decision until later that day, when Anthea and I had finished killing the chickens and were wrapping them in paper and plastic bags for delivery and pickup.”

 

 

 

 

 

De Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson werd geboren in Göteborg op 28 maart 1927. Zij overleed op 11 februari van dit jaar. Zie ook mijn blog van 12 februari 2007 en ook mijn blog van 28 maart 2007.

 

Uit: Hanna's Daughters

 

„Her mind was as clear as a winter's day, a day as quiet and shadowless as if snow had just fallen. Harsh sounds penetrated, the clatter of dropped enamel bowls and cries. It frightened her. Like the weeping from the next bed slicing into the whiteness.

There were many who cried where she was.

She had lost her memory four years ago, then only a few months later her words had disappeared. She could see and hear, but could name neither objects nor people, so they lost all meaning.

That was when she came to this white country where time was nonexistent. She didn't know where her bed was or how old she was, but she had found a new way of being and appealed for compassion with humble smiles. Like a child. And like a child, she was wide open to emotions, everything vibrating between people without words.

She was aware she was going to die. That was knowledge, not an idea.
Her family were those who kept her going.

Her husband came every day. He also was wordless but for different reasons: He was over ninety, so he, too, was near the borderline, but he had no wish either to die or to know about it. Just as he had always controlled his life and hers, he put up a fierce struggle against the inevitable. He massaged her back, bent and stretched her knees, and read aloud to her from the daily paper. She had no means of opposing him. They had had a long and complicated relationship.

Most difficult of all was when their daughter, who lived in another town, came to visit. The old woman knew nothing of time or distance, and was always uneasy before she came, as if the moment she woke at dawn, she had already sensed the car making its way through the country, at the wheel the woman with all her unreasonable hopes.

Anna realized she was being as demanding as a child. That was no help, and as soon as she gave in, her thoughts slid away: just for once, perhaps, an answer to one of the questions I never had time to ask. After almost five hours of driving, as she turned into the nursing home parking lot, she had accepted that her mother would not recognize her this time, either.
Yet she would ask the questions.”

 

 

 

 

 

De Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal werd geboren in Brno-Židenice op 28 maart 1914. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007.

 

Uit: Allzu laute Einsamkeit und andere Texte

 

„Fünfunddreißig Jahre lang habe ich Altpapier an der mechanischen Presse gepreßt, fünfunddreißig Jahre lang hab ich mir gedacht, daß ich so, wie ich bisher gearbeitet hätte, ewig weiterarbeiten würde, daß diese Presse mit mir in Pension gehen würde, aber schon drei Tage nachdem ich die gigantische Presse in Bubny gesehen hatte, wurde genau das Gegenteil meiner Träume wahr. Ich kam zur Arbeit, und dort standen zwei junge Männer, ich erkannte sie sofort, es waren Mitglieder jener Brigade der sozialistischen Arbeit, sie waren gekleidet, als wollten sie Baseball spielen, orange Handschuhe und orange amerikanische Schirmmützen und blaue Overalls bis an die Brustwarzen, und unter den Hosenträgern hatten sie grüne Pullis an. Der siegreiche Boß hatte sie in meinen Keller geführt, zeigte auf meine Presse, und die jungen Männer richteten sich hier gleich häuslich ein, sie legten ein sauberes Papier auf den Tisch, und darauf stellten sie ihre Milchflaschen, und ich stand gedemütigt und betroffen daneben, stand völlig zermürbt daneben, und plötzlich, da fühlte ich mit Leib und Seele, daß ich mich nie würde anpassen können, daß ich in der gleichen Lage war wie die Mönche einiger Klöster, die sich, als sie erfahren hatten, daß der Kopernikus ganz andere kosmische Gesetze gefunden hatte als jene, die bis dahin Gültigkeit hatten, daß nämlich nicht die Erde der Mittelpunkt der Welt sei, sondern im Gegenteil, da nahmen sich diese Mönche also massenhaft das Leben, weil sie sich eine andere Welt als die, in der sie und durch die sie bis dahin gelebt hatten, einfach nicht vorstellen konnten. Der Boß sagte mir dann, ich solle den Hof kehren oder helfen oder gar nichts tun, denn ab nächste Woche würde ich im Keller der Verlagsdruckerei Melantrich weißes Papier zu verpacken haben, nichts anderes würde ich mehr verpacken als unbedrucktes weißes Papier. Und da wurde mir ganz schwarz vor den Augen, ich also, der fünfunddreißig Jahre lang nur Papierbrei und Makulatur verpackt hatte, ich, der nicht leben konnte ohne die Überraschung, immer wieder mal ein schönes Buch als Prämie aus dem häßlichen Papier herauszufischen, ich also sollte nun makelloses, unmenschlich reines Papier verpacken.”

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 maart 2007.

 

De Franse schrijver en dramaturg Éric-Emmanuel Schmitt werd geboren op 28 maart 1960 in Lyon.

 

De Nederlandse dichter en romanschrijver Martien Beversluis werd geboren in Barendrecht op 28 maart 1894

 

Geschreven door Romenu om 21:23 Reageer op dit bericht

Heinrich Mann, Alfred de Vigny, Patrick McCabe, Hansjörg Schneider, Žarko Petan, Shusaku Endo, Dubravka Ugrešić

Heinrich Mann (27 maart 1871 – 12 maart 1950)

Thomas (l) en Heinrich Mann







De Duitse schrijver Heinrich Mann werd geboren op 27 maart 1871 in Lübeck. Zie ook mijn blog van 27 maart 2007.


Uit :
Professor Unrat


 „Da er Raat hieß, nannte ihn die ganze Stadt Unrat. Nichts konnte einfacher und natürlicher sein. Der und jener Professor wechselten zuweilen ihr Pseudonym. Ein neuer Schüler gelangte in die Klasse, legte mordgierig eine vom vorigen Jahrgang noch nicht genug gewürdigte Komik an dem Lehrer bloß und nannte sie schonungslos beim Namen. Unrat aber trug den seinigen seit vielen Generationen, der ganzen Stadt war er geläufig, seine Kollegen benutzten ihn außerhalb des Gymnasiums und auch drinnen, sobald er den Rücken drehte. Die Herren, die in ihrem Hause Schüler verpflegten und sie zur Arbeit anhielten, sprachen vor ihren Pensionären vom Professor Unrat. Der aufgeweckte Kopf, der den Ordinarius der Untersekunda hätte neu beobachten und nochmals abstempeln wollen, wäre nie durchgedrungen; schon darum nicht, weil der gewohnte Ruf auf den alten Lehrer noch so gut seine Wirkung übte wie vor sechsundzwanzig Jahren. Man brauchte nur auf dem Schulhof, sobald er vorbeikam, einander zuzuschreiben:

‚Riecht es hier nicht nach Unrat?’

Oder:

‚Oho! Ich wittere Unrat!’

Und sofort zuckte der Alte heftig mit der Schulter, immer mit der rechten, zu hohen, und sandte schief aus seinen Brillengläsern einen grünen Blick, den die Schüler falsch nannten, und der scheu und rachsüchtig war: der Blick eines Tyrannen mit schlechtem Gewissen, der in den Falten der Mäntel nach Dolchen späht. Sein hölzernes Kinn mit dem dünnen graugelben Bärtchen daran klappte herunter und hinaus. Er konnte dem Schüler, der geschrien hatte, „nichts beweisen“ und mußte weiterschleichen auf seinen magern, eingeknickten Beinen und unter seinem fettigen Maurerhut.“

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Alfred de Vigny werd geboren op 27 maart 1797 te Loches (departement Indre-et-Loire). Zie ook mijn blog van 27 maart 2007.

 

L'esprit parisien

 

Esprit parisien ! démon du Bas-Empire !
Vieux sophiste épuisé qui bois, toutes les nuits,
Comme un vin dont l'ivresse engourdit tes ennuis,
Les gloires du matin, la meilleure et la pire;

Froid niveleur, moulant, aussitôt qu'il expire,
Le plâtre d'un grand homme ou bien d'un assassin,
Leur mesurant le crâne, et, dans leur vaste sein,
Poussant jusques au coeur ta lèvre de vampire ;

Tu ris ! - Ce mois joyeux t'a jeté trois par trois
Les fronts guillotinés sur la place publique.
- Ce soir, fais le chrétien, dis bien haut que tu crois.

A genoux ! roi du mal, comme les autres rois !
Pour que la Charité, de son doigt angélique,
Sur ton front de damné fasse un signe de croix.

 

 

 

L'âge d'or de l'avenir

 

Le rideau s'est levé devant mes yeux débiles,
La lumière s'est faite et j'ai vu ses splendeurs ;
J'ai compris nos destins par ces ombres mobiles
Qui se peignaient en noir sur de vives couleurs.
Ces feux, de ta pensée étaient les lueurs pures,
Ces ombres, du passé les magiques figures,
J'ai tressailli de joie en voyant nos grandeurs.

Il est donc vrai que l'homme est monté par lui-même
Jusqu'aux sommets glacés de sa vaste raison,
Qu'il y peut vivre en paix sans plainte et sans blasphème,
Et mesurer le monde et sonder l'horizon.
Il sait que l'univers l'écrase et le dévore ;
Plus grand que l'univers qu'il juge et qui l'ignore,
Le Berger a lui-même éclairé sa maison.

 

 

 

 

 

 

De Ierse schrijver Patrick Joseph McCabe werd geboren op 27 maart 1955 in Clones, Monaghan. Zie ook mijn blog van 27 maart 2007.


Uit:
The Butcher Boy

 

“When I was a young lad twenty or thirty or forty years ago I lived in a small town where they were all after me on account of what I done on Mrs. Nugent. I was hiding out by the river in a hole under a tangle of briars. It was a hide me and Joe made. Death to all dogs who enter here, we said. Except us of course.
You could see plenty from the inside but no one could see you. Weeds and driftwood and everything floating downstream under the dark archway of the bridge. Sailing away to Timbuctoo. Good luck now weeds, I said.
Then I stuck my nose out to see what was going on. Plink--rain if you don't mind!
But I wasn't complaining. I liked rain. The hiss of the water and the earth so soft bright green plants would nearly sprout beside you. This is the life I said. I sat there staring at a waterdrop on the end of a leaf. It couldn't make up its mind whether it wanted to fall or not. It didn't matter--I was in no hurry. Take your time drop, I said--we've got all the time we want now.
We've got all the time in the world.
I could hear a plane droning far away. One time we were standing in the lane behind the houses shading our eyes from the sun and Joe says: Did you see that plane Francie? I said I did. It was a tiny silver bird in the distance. What I want to know is, he said, how do they manage to get a man small enough to fit in it? I said I didn't know. I didn't know much about planes in them days.”

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Hansjörg Schneider werd geboren op 27 maart 1938 in Aarau. Zie ook mijn blog van 27 maart 2007.

 

 

Uit: Hunkeler und der Fall Livius

 

„Peter Hunkeler, Kommissär des Kriminalkommissariats Basel, früherer Familienvater, jetzt geschieden, lag in seinem Haus im Elsaß und schlief. Er merkte, daß er angenehm lag und es schön warm hatte. Er hörte etwas schnurren, das war die schwarze Katze, er spürte sie an seinen Kniekehlen. Er hörte ein Krähen, das war der Hahn Fritz im Hühnerstall. Er vernahm ein leises Schnarchen. Das war seine Freundin Hedwig, ihr Rücken hatte sich an seinen Bauch geschmiegt. Er öffnete die Augen und sah durchs Fenster draußen den Kirschbaum stehen, ein knorriges Geäst, kaum erkennbar im Nebel.
Gestern, fiel ihm ein, war Silvester gewesen. Sie hatten bis drei Uhr in der Wirtschaft in Zaessingue getanzt. Dann waren sie heimgetuckert auf Nebenwegen, weil sie reichlich Rotwein getrunken hatten zum Schweinebraten und um Mitternacht noch einen Crémant d’Alsace hatten knallen lassen. Die Gendarmerie verstand keinen Spaß, auch in den frühen Morgenstunden von Neujahr nicht.”

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 27 maart 2007.

 

De Sloveense schrijver, regisseur en journalist Žarko Petan werd geboren op 27 maart 1929 in Ljubljana.

 

De Japanse schrijver Shusaku Endo werd geboren in Tokio op 27 maart 1923.

 

De Kroatische schrijfster Dubravka Ugrešić werd geboren op 27 maart 1949 in Kutina in Joegoslavië.

 

Geschreven door Romenu om 20:26 Reageer op dit bericht

Patrick Süskind, Erica Jong, Gregory Corso, Robert Frost, A. E. Housman,Tennessee Williams

Patrick Süskind (Ambach, 26 maart 1949)









De Duitser schrijver Patrick Süskind werd geboren in Ambach op 26 maart 1949. Zie ook mijn blog van 26 maart 2007.

 

Uit: Die Geschichte von Herrn Sommer

 

“Ein Jahr später lernte ich Rad fahren. Das war nicht eben früh, denn ich maß schon einen Meter fünfunddreißig, wog zweiunddreißig Kilo und hatte Schuhgröße zweiunddreißigeinhalb. Aber das Radfahren hat mich nie besonders interessiert. Diese schwankende Fortbewegungsweise auf nichts als zwei dünnen Rädern kam mir zutiefst unsolide, ja unheimlich vor, denn es konnte mir niemand erklären, weshalb ein Fahrrad im Ruhezustand sofort umfiel, wofern es nicht gestützt, angelehnt oder von jemandem festgehalten wurde - NICHT aber umfallen sollte, wenn sich ein zweiunddreißig Kilogramm schwerer Mensch darauf setzte und ohne jede Stütze oder Anlehnung damit herumfuhr. Die diesem wundersamen Phänomen zugrunde liegenden Naturgesetze, nämlich die Kreiselgesetze und insbesondere der sogenannte mechanische Drehimpulserhaltungssatz, waren mir damals völlig unbekannt, und selbst heute begreife ich sie noch nicht ganz, und allein das Wort „mechanischer Drehimpulserhaltungssatz“ ist mir nicht geheuer und verwirrt mich derart, dass die bewusste Stelle an meinem Hinterkopf zu kribbeln und zu klopfen anfängt.“

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Erica Jong werd geboren in New York op 26 maart 1942. Zie ook mijn blog van 26 maart 2007.

 

Another Language

The whole world is flat
& I am round.
Even women avert their eyes,
& men, embarrassed
by the messy way
that life turns into life,
look away,
forgetting they themselves
were once this roundness
underneath the heart,
this helpless fish
swimming in eternity.

The sound of O,
not the sound of I
embarrasses the world.
My friends, who voluntarily have made
their bodies flat,
their writings flat as grief,
look at me in disbelief.
What is this large unseemly thing--
a pregnant poet?
an enormous walking O?
Oh take all the letters of the alphabet but that!
We speak the Esperanto of the flat!

Condemned to sign
language & silence, pregnant poems
for men to snicker at,
for women to denounce,
I live alone.
My world is round
& bounded by the mountain of my fear;
while all the great geographers agree
the world is flat
& roundness cannot be.

 

 

 

His Silence

He still wears the glass skin of childhood.
Under his hands, the stones turn mirrors.
His eyes are knives.

Who froze the ground to his feet?
Who locked his mouth into an horizon?
Why does the sun set when we touch?

I look for the lines between the silences.
He looks only for the silences.

Cram this page under his tongue.
Open him as if for surgery.
Let the red knife love slide in.

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Gregory Corso werd geboren in New York op 26 maart 1930. Zie ook mijn blog van 26 maart 2007.

 

Destiny

 

They deliver the edicts of God
without delay
And are exempt from apprehension
from detention
And with their God-given
Petasus, Caduceus, and Talaria
ferry like bolts of lightning
unhindered between the tribunals
of Space & Time

The Messenger-Spirit
in human flesh
is assigned a dependable,
self-reliant, versatile,
thoroughly poet existence
upon its sojourn in life

It does not knock
or ring the bell
or telephone
When the Messenger-Spirit
comes to your door
though locked
It'll enter like an electric midwife
and deliver the message

There is no tell
throughout the ages

that a Messenger-Spirit
ever stumbled into darkness.

 

 

 

 

I am 25

 

With a love a madness for Shelley
Chatterton Rimbaud
and the needy-yap of my youth
has gone from ear to ear:
I HATE OLD POETMEN!
Especially old poetmen who retract
who consult other old poetmen
who speak their youth in whispers,
saying:--I did those then
but that was then
that was then--
O I would quiet old men
say to them:--I am your friend
what you once were, thru me
you'll be again--
Then at night in the confidence of their homes
rip out their apology-tongues
and steal their poems.

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Robert Lee Frost werd geboren op 26 maart 1874 in San Francisco. Zie ook mijn blog van 26 maart 2007.

 

 

A Patch of Old Snow

 

There's a patch of old snow in a corner
That I should have guessed
Was a blow-away paper the rain
Had brought to rest.

It is speckled with grime as if
Small print overspread it,
The news of a day I've forgotten--
If I ever read it.

 

 

 

 

Tree at my Window

 

Tree at my window, window tree,
My sash is lowered when night comes on;
But let there never be curtain drawn
Between you and me.

Vague dream-head lifted out of the ground,
And thing next most diffuse to cloud,
Not all your light tongues talking aloud
Could be profound.

But tree, I have seen you taken and tossed,
And if you have seen me when I slept,
You have seen me when I was taken and swept
And all but lost.

That day she put our heads together,
Fate had her imagination about her,
Your head so much concerned with outer,
Mine with inner, weather.

 

 

 

 

 

De Engelse dichter Alfred Edward Housman werd geboren op 26 maart 1859 in  Fockbury, Worcestershire. Zie ook mijn blog van 26 maart 2007.

 

 

Loveliest of trees, the cherry now

 

Loveliest of trees, the cherry now

Is hung with bloom along the bough,

And stands about the woodland ride

Wearing white for Eastertide.

 

Now, of my three score years and ten,

Twenty will not come again,

And take from seventy springs a score,

It only leaves me fifty more.

 

And since to look at things in bloom

Fifty springs are little room,

About the woodlands I will go

To see the cherry hung with snow.

 

 

 

 

You smile upon your friend to-day

 

You smile upon your friend to-day,

  To-day his ills are over;

You hearken to the lover's say,

  And happy is the lover.

 

'Tis late to hearken, late to smile,

  But better late than never;

I shall have lived a little while

  Before I die for ever.

 

 

 

Eater hymn

If in that Syrian garden, ages slain,

You sleep, and know not you are dead in vain,

Nor even in dreams behold how dark and bright

Ascends in smoke and fire by day and night

The hate you died to quench and could but fan,

Sleep well and see no morning, son of man.

 

But if, the grave rent and the stone rolled by,

At the right hand of majesty on high

You sit, and sitting so remember yet

Your tears, your agony and bloody sweat,

Your cross and passion and the life you gave,

Bow hither out of heaven and see and sa

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Tennessee Williams (eigenlijk Thomas Lanier Williams) werd geboren in Columbus (Mississippi op 26 maart 1911. Zie ook mijn blog van 26 maart 2007.

 

 

Blue Song

 

I am tired

I am tired of speech and of action

If you should meet me upon a

street do not question me for

I can tell you only my name

and the name of the town I was

born in — But that is enough

It does not matter whether tomorrow

arrives anymore. If there is

only this night and after it is

morning it will not matter now.

I am tired. I am tired of speech

and of action. In the heart of me

you will find a tiny handful of

dust. Take it and blow it out

upon the wind. Let the wind have

it and it will find its way home.

 

 

 

 

My litle one

My little one whose tongue is dumb,
whose fingers cannot hold to things,
who is so mercilessly young,
he leaps upon the instant things,

I hold him not. Indeed, who could?
He runs into the burning wood.
Follow, follow if you can!
He will come out grown to a man

and not remember whom he kissed,
who caught him by the slender wrist
and bound him by a tender yoke
which, understanding not, he broke.

 

 

 



Geschreven door Romenu om 20:24 Reageer op dit bericht

Pol Hoste, Jacques Bens, Flannery O'Connor, Peter Van Straaten, Jaime Sabines, Jacques Audiberti, Erica Pedretti, Filip De Pillecyn

367-5f2165b5f189c3691ecfefa24e947024.jpg

Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)



De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

Uit: Thee

 

“- Toen ik naar hier kwam, mevrouw, vond ik niet gauw een huis.

- Maar u versierde een vrouw.

- Versieren, mevrouw?

- Vertel maar. Anders blijft u bij alle woorden stilstaan.

- Dat was het eerste, dat heb ik nu begrepen. Ik sta stil bij de woorden. De mensen hier, spreken. Ze gebruiken de taal. Eerbied is geen gebruik. De taal wel. Hoe kan ik de mensen begrijpen als ik de gebruiken niet ken?

Toen ik vertrok gaf mijn broer mij een kameel. Mijn familie is zeer rijk geweest. Bij ons kon iedereen komen, men werd te eten gegeven. Ik zei tegen mijn broer dat ik de kameel niet kon aannemen.

‘Voor deze verre reis,’ zei hij. ‘Je bent mijn broer, we hebben drie kamelen.’ Mijn vader had twee zonen, ik nam afscheid van mijn broer met deze weigering.

Hij zei: ‘De kameel kan op de boot. Hier is geld voor de reis. Zorg voor hem, geef hem behoorlijk te eten en praat met hem als hij zich ongelukkig voelt opdat hij in zichzelf opnieuw bij ons terugkeert. Zo zal je ook bij ons zijn, als heimwee je in een ver land overvalt. Vertel de schipper dat je gehecht bent aan je broer en je familie. Zeg je gebeden in zijn bijzijn en als hij een christen is, verzoen je met hem opdat de reis voorspoedig zou zijn.’

Ik kon de kameel niet aannemen en mijn broer was bedroefd. Bij ons wil het gebruik dat men eerbied heeft voor woorden.

- Maar hier kon u studeren? Onze taal heeft u kennis laten maken met invloedrijke mensen omdat u ijverig bent, nooit stilzit en overal uw handelsgeest aanwendt. Het bestaan van de westerse kunstgeschiedenis en het vrij verkeer van mensen en goederen hebben van u gemaakt wie u bent. In deze woestijn, als u wil.

- Ik woon in een huis en de mensen spreken tegen mij. Ik kocht een klein fototoestel en maakt foto's van hun kinderen. Zo kon ik met hen beginnen praten. Hier houdt men van zijn portret. Dus heb ik een paar foto's gemaakt in de achtertuin of bij de voordeur. Nu noemen ze mij zoals ik hen noem: mijn buren. Zegt u dit niet zo? We gebruiken dezelfde woorden voor elkaar. Zo bewaart men de vrede.”

 

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Jacques Bens werd geboren op 25 maart 1931 in Cadolive (Bouches-du-Rhône). Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

 

PATIENT


C'est dans le Beaujolais que j'attends ta venue.
Mon âme emplie de toi, pâle, circonvenue,
Pour passhâter le temps compte de blancs moutons.

Mais le ciel reste bleu et l'horloge, muette.

Je connais ton portrait signé Photopaton,
Mais je voudrais te voir décoiffée, longue et nue,
Cachant de tes deux mains ta poitrine menue,
Trois larmes dans tes yeux pour sourire. Mais ton,

Mais ton oeil reste bleu et ta gorge, muette.

Ca me fait des frémissements dans la luette.
Lors, pour meubler l'attente, et lors, pour patienter,
J'essaie de me rappeler que je suis poète,
Car le vers claudicant (le cri de la mouette)
A, pour qui sait l'entendre, un goût d'éternité.

 

 

 

Poème de métro

 

Qu’est-ce qu’un poème de métro ?

 

J’écris, de temps à autre, des poèmes de métro. Ce poème en est un.

 

Voulez-vous savoir ce qu’est un poème de métro ? Admettons que la réponse soit oui. Voici donc ce qu’est un poème de métro.

 

Un poème de métro est un poème composé dans le métro, pendant le temps d’un parcours.

 

Un poème de métro compte autant de vers que votre voyage compte de stations moins un.

 

Le premier vers est composé dans votre tête entre les deux premières stations de votre voyage (en comptant la station de départ).

 

Il est transcrit sur le papier quand la rame s’arrête à la station deux.

 

Le deuxième vers est composé dans votre tête entre les stations deux et trois de votre voyage.

 

Il est transcrit sur le papier quand la rame s’arrête à la station trois. Et ainsi de suite.

 

Il ne faut pas transcrire quand la rame est en marche.

 

Il ne faut pas composer quand la rame est arrêtée.

 

Le dernier vers du poème est transcrit sur le quai de votre dernière station.

 

Si votre voyage impose un ou plusieurs changements de ligne, le poème comporte deux strophes ou davantage.

 

Si par malchance la rame s’arrête entre deux stations, c’est toujours un moment délicat de l’écriture d’un poème de métro

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Flannery O'Connor werd geboren op 25 maart 1925 in Savannah, Georgia. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

Uit: The Habit of Being

 

“Compared to what you have experienced in the way of radical misery, I have never had anything to bear in my life but minor irritations — but there are times when the worst suffering is not to suffer, and the worst affliction, not to be afflicted. Job’s comforters were worse off than he was, though they did not know it. If in any sense my knowing your burden can make your burden lighter, then I am doubly glad I know it. You were right to tell me, but I’m glad you didn’t tell me until I knew you well. Where you are wrong is in saying that you are the history of horror. The meaning of the redemption is precisely that we do not have to be our history, and nothing is plainer to me than that you are not your history.”

 

 

 

 

De Nederlandse cartoonist en striptekenaar Peter van Straaten werd geboren in Arnhem op 25 maart 1935. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

367-2c319be5a627001ae804bbe0406c4f80.jpg
Mooi einde, he?



De Mexicaanse dichter en schrijver
Jaime Sabines Gutiérrez werd geboren op 25 maart 1926 in Tuxtla Gutiérrez, Chiapas. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

The Moon

You can take the moon by the spoonful
or in capsules every two hours.
It's useful as a hypnotic and sedative
and besides it relieves
those who have had too much philosophy.
A piece of moon in your purse
works better than a rabbit's foot.
Helps you find a lover
or get rich without anyone knowing,
and it staves off doctors and clinics.
You can give it to children like candy
when they've not gone to sleep,
and a few drops of moon in the eyes of the old
helps them to die in peace.


Put a new leaf of moon
under your pillow
and you'll see what you want to.
Always carry a little bottle of air of the moon
to keep you from drowning.
Give the key to the moon
to prisoners and the disappointed.
For those who are sentenced to death
and for those who are sentenced to life
there is no better tonic than the moon
in precise and regular doses.

 

 

 

 

The Lovers

The lovers say nothing.
Love is the finest of the silences,
the one that trembles most and is hardest to bear.
The lovers are looking for something.
The lovers are the ones who abandon,
the ones who change, who forget.
Their hearts tell them that they will never find.
They don't find, they're looking.

The lovers wander around like crazy people
because they're alone, alone,
surrendering, giving themselves to each moment,
crying because they don't save love.
They worry about love. The lovers
live for the day, it's the best they can do, it's all they know.
They're going away all the time,
all the time, going somewhere else.
They hope,
not for anything in particular, they just hope.
They know that whatever it is they will not find it.
Love is the perpetual deferment,
always the next step, the other, the other.
The lovers are the insatiable ones,
the ones who must always, fortunately, be alone.

The lovers are the serpent in the story.
They have snakes instead of arms.
The veins in their necks swell
like snakes too, suffocating them.
The lovers can't sleep
because if they do the worms ear them.

They open their eyes in the dark
and terror falls into them.

They find scorpions under the sheet
and their bed floats as though on a lake.

The lovers are crazy, only crazy
with no God and no devil.

The lovers come out of their caves
trembling, starving,
chasing phantoms.
They laugh at those who know all about it,
who love forever, truly,
at those who believe in love as an inexhaustible lamp.

The lovers play at picking up water,
tattooing smoke, at staying where they are.
They play the long sad game of love.
None of them will give up.
The lovers are ashamed to reach any agreement.

Empty, but empty from one rib to another,
death ferments them behind the eyes,
and on they go, they weep toward morning
in the trains, and the roosters wake into sorrow.

Sometimes a scent of newborn earth reaches them,
of women sleeping with a hand on their sex, contented,
of gentle streams, and kitchens.

The lovers start singing between their lips
a song that is not learned.
And they go on crying, crying
for beautiful life.

 

 

 

Vertaald door W. S. Merwin

 

 

 

 

 

De Franse schrijver en dichter Jacques Audiberti werd geboren op 25 maart 1899 in Antibes. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

Uit: Bâton et Ruban

 

„VAUBAN, dictant. – en liaison avec la cochonnerie, par l’entremise des glands, nous examinerons les avantages des forêts. Il se trouve assez de gens qui possèdent de mauvaises terres de mince rapport, qu’ils pourraient avec profit couvrir de forêts, attendu que, la première dépense faite, le surplus de la mise ne consisterait qu’en des entretiens… Vous

suivez, monsieur Ragot?

RAGOT. – Qu’en des entretiens… Vous voulez dire des soins?

VAUBAN, péremptoire. – … Des entretiens, ce qui procurerait par la suite un bien inestimable, le fonds conservé sans aucune perte portant un intérêt continu qui ne serai exposé qu’à la négligence du propriétaire. Il faudrait lui laisser la jouissance de ce fonds et ne point… et ne point…… sous prétexte que la marine en a besoin, ou la sculpture, priver une

famille du bois de la forêt, pourvu que les affaires du roi n’en souffre pas… Une entreprise ne fût’elle que de cent arpents ne manquerait pas d’être fort honorable, qui, dès les quinze premiers mois, rembourse la dépense si l’on fait le coup en bois de moule…

RAGOT. – En bois de moule? Vous maintenez?

VAUBAN. – En bois de moule… parfaitement… Quoi? Non?… Tel qu’on en voit sur les ponts de Paris, qui se vend d’ordinaire quarante’cinq cinq à cinquante francs l’arpent, pris et débité sur les lieux aux frais du marchand. Vous rechignez. Contesteriez’vous ces prix?

RAGOT. – Monsieur de Vauban, comment songerai’je, moi cafard, moi hanneton, comment songerai’je à vous quereller à propos de quelque industrie humaine que ce soit! Je me permets, sans plus, de vous souligner le contradictoire entre l’extrême nouveauté de vos vues et la vieillerie souvent barbare et rebutante de votre langage. Votre bois de moule, on l’appelle bois de chauffage en rendant mieux l’idée. Quant à nommer cochonnerie la manière la plus experte et la plus rentable d’élever les pourceaux et les truies, il me surprendrait que nul n’en sourie. »

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

De Zwitserse schrijfster en beeldhouwster Erica Pedretti werd geboren op 25 maart 1930 in Šternberk (Tsjechië).

 

De Vlaamse schrijver Filip De Pillecyn werd te Hamme aan de Durme geboren op 25 maart 1891.




Geschreven door Romenu om 21:41 Reageer op dit bericht

Dario Fo, Lawrence Ferlinghetti, Martin Walser, Peter Bichsel, Jacob van Lennep, Alexis de Roode, Top Naeff, William Morris, Robert Hamerling, Fanny Lewald

Dario Fo (Leggiuno-Sangiamo, 24 maart 1926)











De Italiaanse regisseur, acteur en toneelschrijver Dario Fo werd geboren in Leggiuno-Sangiamo op 24 maart 1926. Zie ook mijn blog van 24 maart 2007.

 

Uit: Peace Mom (Vertaald door Tom Behan)

 

“A close-up image of a marine is projected on a screen at the back of the stage, beside him is a column of smoke – the classic image of an oil well on fire. This image slowly fades: a light change illuminates a woman who slowly takes form from the darkness. Beside her is a white plastic garden chair, upon which she will later sit down.

 

I’ve found something my son once said often echoing around my head: ‘I want to go to university, and the only chance I’ve got is to join the United States Army. They’ll pay my fees. There’s no other way I can do it.’

A month after he left for his zone of operations an army cheque came through payable to Casey Sheehan: this money would pay his first round of fees. Three days later three US army officers knocked on my door and told me Casey had been killed in Iraq.

I fainted.

It was as if everything had flown away: the house, his room, his civilian clothes,

his games, his bike...

All dead.

The cheque was of no use now.

His friends called round to ask for news, they stammered and mumbled their condolences. His girlfriend was as white as a ghost but couldn’t bring herself to cry. I prodded her a bit but still no tears would come.

About a month after his death I said to myself: ‘I’ve had enough of crying for my own son, now I’m going to cry for all mothers’…

I saw an article in a local paper that listed all the dead in my area. I traced down some of the families and spoke with other mothers. Two of them kept on asking me the same question: ‘Why did they send my son over there? Why did he die in a country that I didn’t even know existed?’

I start going on demonstrations… marches against the war in Iraq – but I realize that they’re not making any difference.

I left home on 4 August, taking with me everything I needed to sleep in the open, as if I was going camping. Two days later I was in Texas, getting off a bus near the entrance to George W. Bush’s ranch.”

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Lawrence Ferlinghetti werd geboren op 24 maart 1919 in Yonkers, New York. Zie ook mijn blog van 24 maart 2007

 

Seascape With Sun and Eagle

 

Freer
than most birds
an eagle flies up
over San Francisco
freer than most places
soars high up
floats and glides high up
in the still
open spaces

flown from the mountains
floated down
far over ocean
where the sunset has begun
a mirror of itself

He sails high over
turning and turning
where seaplanes might turn
where warplanes might burn

He wheels about burning
in the red sun
climbs and glides
and doubles back upon himself
now over ocean
now over land
high over pinwheels suck in sand
where a rollercoaster used to stand

soaring eagle setting sun
All that is left of our wilderness.

 

 

 

 

The Plough of Time

 

Night closed my windows and
The sky became a crystal house
The crystal windows glowed
The moon
shown through them
through the whole house of crystal
A single star beamed down
its crystal cable
and drew a plough through the earth
unearthing bodies clasped together
couples embracing
around the earth
They clung together everywhere
emitting small cries
that did not reach the stars
The crystal earth turned
and the bodies with it
And the sky did not turn
nor the stars with it
The stars remained fixed
each with its crystal cable
beamed to earth
each attached to the immense plough
furrowing our lives

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Martin Walser werd op 24 maart 1927 geboren in Wasserburg aan de Bodensee. Zie ook mijn blog van 24 maart 2007

 

Uit: Ein liebender Mann

 

“Bis er sie sah, hatte sie ihn schon gesehen. Als sein Blick sie erreichte, war ihr Blick schon auf ihn gerichtet. Das fand statt am Kreuzbrunnen, nachmittags um fünf, am 11. Juli 1823 in Marienbad. Hundert feine Gäste promenierten, das Glas mit dem jedes Jahr noch mehr gerühmten Wasser in der Hand, und wollten gesehen werden. Goethe hatte nichts dagegen, gesehen zu werden. Aber er wollte gesehen werden als jemand, der mehr im Gespräch war als auf der Promenade. In diesen Julitagen war er immer mit dem Grafen Sternberg im Gespräch. Gut zehn Jahre jünger als Goethe und Naturforscher. Goethe war es gewohnt, obwohl er es nicht gewohnt werden konnte, dass so gut wie alle Naturwissenschaftler für seine Farbenlehre im besten Fall ein spöttisches Bedauern erübrigten. Begegnete er einem, der die Farbenlehre gelten ließ, konnte er sich vor Freundlichkeit, Dankbarkeit, Rührung jeder Art oft fast nicht mehr beherrschen. Kaspar Graf Sternberg war so ein Naturwissenschaftler, hatte ein Buch über die Flora der Vorzeit geschrieben, das heißt, er konnte lesen, was die Steine bewahrt hatten. Und Steine waren inzwischen Goethes liebstes Forschungsfeld. Aber jetzt, in diesen Julitagen, war es noch ein anderer Umstand, der den Grafen über alle Naturwissenschaft hinaus für Goethe anziehend machte. Im vergangenen Jahr hatten beide in dem als Kurhotel betriebenen Palais des Grafen Klebelsberg gewohnt. Und die Levetzows wohnten da auch. In Amalie von Levetzows Salon hatten sie sich kennengelernt. Wir kennen uns doch, hatte Goethe gerufen, wir kennen uns schon aus Vorzeiten. So hatte er auf Sternbergs Buchtitel angespielt und war auf den Grafen fast eilig zugegangen und hatte ihn umarmt. Das fiel auf, weil er sonst, wenn eine Bekanntschaft zu machen war, stehenblieb und dem anderen oder der anderen Gelegenheit gab, sich ihm zu nähern. Wir haben beide den Donnersberg bestiegen, bei Teplitz droben, Baronin, und ein jeder von einer anderen Seite, und sind, das haben wir einander geschrieben, beide auf der Zinne angekommen. Sie seien überhaupt zwei Reisende, hatte der Graf gesagt, die, aus zwei verschiedenen Welt- und Geschichtsgegenden kommend, einander begegnet seien und, als sie ihre Erfahrungen verglichen, gesehen hätten, dass es ein Vorteil sei, auf verschiedenen Wegen zu ein und demselben Ziel zu gelangen.
Jetzt, auf der Promenade, ließ Goethe sich vom Grafen Sternberg berichten, dass der schwedische Chemiker Berzelius gerade festgestellt habe, das vulkanische Gestein in der Auvergne sei erstaunlich eng verwandt mit dem hier auf dem Kammerbühl.
So ein Gespräch schützt die Sprechenden, wo auch immer es stattfindet. Es war Goethe, der heute mehr als einmal über das Gespräch hinausschaute. Goethe war kurzsichtig, aber Brillen fand er entsetzlich, das wusste in seinen Kreisen jeder Brillenträger und nahm seine Brille ab, wenn er von Goethe empfangen werden wollte. Brillen verstimmen mich, hatte er gesagt, und was der berühmte Dichter sagte, wurde weitergesagt. Er hätte die, die er suchte, von weitem nicht erkannt, aber Amalie von Levetzow mit ihren Töchtern Ulrike, Amalie und Bertha, die in diesem Jahr neunzehn, sechzehn und fünfzehn Jahre alt waren, diese Gruppe würde er auf jede Entfernung und in jeder noch so bunt bevölkerten Promenade ausmachen. Das geschah. Obwohl das Verhältnis der Gestalten zueinander sich geändert hatte. Ulrike war jetzt die größte, deutlich größer als ihre Mutter.“
 

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Peter Bichsel werd geboren op 24 maart 1935 in Luzern. Zie ook mijn blog van 24 maart 2007

 

Uit: Des Schweizers Schweiz


“
Ich bin Schweizer.
Wenn ich meiner Mutter sage: »Ich gehe nach Deutschland« oder »Ich gehe nach Frankreich« oder »Ich gehe nach Schweden«, dann sagt sie: »Du gehst also ins Ausland.«

Für die Schweizer gibt es zwei Welten: das Inland und das Ausland. Wenn ich ins Ausland gehe, sagt meine Mutter: »Paß auf, daß dir nichts gestohlen wird, gib deinen Koffer nicht aus der Hand.« Schweizer tragen im Ausland ihr Geld in Beuteln unter dem Hemd oder eingenäht in die Unterwäsche. Für uns hat das Wort Ausland immer noch den Klang von Elend.

Wenn ich dort sage: »Ich bin Schweizer«, erwarte ich etwas, einen Ausruf des Erstaunens, Überraschung, Hochachtung oder wenigstens Freundlichkeit.

Während meines Berlinaufenthaltes passierte ich oft den Grenzübergang zwischen West- und Ost-Berlin. Man hat dort das Gefühl, das man sich an andern Grenzen immer wieder abringen möchte: das Gefühl, in eine andere Welt zu kommen, man empfindet Angst, man geht ins Unbekannte.”

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jacob van Lennep is geboren te Amsterdam op 24 maart 1802. Zie ook mijn blog van 24 maart 2007

 

Uit: DAGBOEK van mijne reis (1823)

 

“Te vijf ure eindelijk kwamen wij aan 't kanaal en traden over den heerlijken nieuwen brug de stad Purmerend binnen, waar wij in de herberg de Roskam onzen intrek namen. Uit de boven-voorkamer hadden wij een vermakelijk gezicht over de vaart en weg naar Hoorn, en op de bijgelegen poort. Nu plaatste ik mij in eene stoel en geraakte aan 't sluimeren, waarop het volgende geval mij gebeurde.

'k Zat sluimrend bij de tafel neer
Terwijl 't gebogen hoofd in de open handpalm leunde
En de aangeschoven stoel de voeten, broos en teer,
Door 't wand'len opgescheurd, welwillend ondersteunde.
Mijn geest herdacht den vroeger tijd,
Wen zich Westfrieslands roem aan Hollands glorie paarde,
Wen 's landmans nijvre zorg en 's handlaars noeste vlijt
Aan 't bloeiend vaderland een oogst van schatten baarde;
Toen, door een lieflijk maatgeluid,
Dat, dicht aan ons vertrek zich op een stond liet hooren,
Ik in mijn mijmring werd op 't onvoorzienst gestuit.
En in 't verslagen hart den weedom voelde smooren.
Zoo 't scheen, een fiks bedreven hand
Bedwong op een klavier de welgestemde snaren,
En speelde 't volksgezang voor vorst en vaderland,
Dat sneller 't Hollandsch bloed deed bruisschen door mijne aêren.
Reeds schilderde verbeelding mij
Een' minnelijke maagd, vol zachte aanvalligheden,
Die aan 't gewijd gevoel voor hemelmelodij
De reinheid paarde van des landzaats oude zeden.
'k Mocht langer niet den drang weerstaan,
Der vlam die voor haar schoon mijn boezem aan kwam vuren.
'k Rees op, vloog naar de deur...
het droombeeld had gedaan...
Het klokkespel hield op... de klok sloeg zeven uren.”

 

 

 

 

 

 

Eergisteren op televisie gezien en me in zijn werk verdiept. Weliswaar niet op 24 maart geboren, maar omdat volgens zijn eigen website eind deze maand een tweede bundel van hem verschijnt, geef ik hem hier toch maar al vast een plaats:

 

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd in de herfst van 1970 geboren in Hulst, maar groeide op in Heilig Landstichting bij Nijmegen. In de derde klas van de middelbare school schreef hij zijn eerste gedicht. Na zijn studie vond hij werk in de automatisering. In 1998 leerde hij dichten van Sipko Melissen. In datzelfde jaar werd zijn eerste gedicht ("Toen hij jong was") gepubliceerd in het literair tijdschrift Alalos, won hij zijn eerste poetry slam en verwierf hij een publicatie in een landelijk literair tijdschrift, De Tweede Ronde. Op 11 november 2005 kwam zijn debuut Geef mij een wonder uit. In maart 2008 verschijnt de tweede bundel, Stad en Land.

 

Dichtbij

Je vindt je gezicht gekeerd
naar een gat in de grond
en elders kijken kun je niet.

Tussen de graven loopt een hond.

Het is je vader die daar ligt
te vermolmen, schimmels
in wilde kleuren op zijn grijze huid.

Twee meter aarde wordt doorzichtig.

De regen stroomt langs je lichaam,
sijpelt de donkere aarde in,
maakt zijn kale voorhoofd nat.

Er snuffelt een hond aan de zerk.

Je kunt hem opgraven als je wilt.
Zo dichtbij is de dood:
misschien vier, vijf uur werken.

 

File

 

Lager dan dit kan de hemel niet komen:
vlak boven onze hoofden hangt asfalt en
traag als regen stroomt het onder onze wielen
weg. Zo boven, zo beneden.

 

Zes triljard auto’s van horizon tot horizon.
We staan stil en kijken elkaar niet aan,
we leiden een volmaakt ordelijk leven.
Kuisheid van asfalt, rust van beton.

 

There’s life here, Jim, but not as we know it.
In onze duikerspakken van blik zijn we
in elk geval veilig. We volgen de lijn
en luisteren naar muziek uit Amerika.

 

Lazing on a sunday afternoon. Dromen,
drijven op de eindeloze rivier van teer naar
wat ook alweer? Werk? Een stad?

 

We hebben veel tijd om te doden. Sommigen
hebben een scheermes bij zich, anderen
een panty, voor noodgevallen is er gas.

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 24 maart 2007

 

De Nederlandse schrijfster Top Naeff (eig. Anthonetta van Rhijn-Naeff) werd geboren op 24 maart 1878 in Dordrecht.

 

De Engelse schrijver, ontwerper en utopisch denker William Morris werd geboren op 24 maart 1834 in Walthamstow, Essex.

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Robert Hamerling werd geboren op 24 maart 1830 in Kilchberg am Walde.

 

De Duitse schrijfster Fanny Lewald werd op 24 maart 1811 in het toenmalige Königsberg geboren.

 

Geschreven door Romenu om 18:39 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten