Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 19 oktober 2009 tot 20 oktober 2009

Hans Warren, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2007 en ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: Geheim Dagboek (Deel Zes)

 

“2 mei 1956 –

(...) Ik zit met de armen stuurs om de knieën geslagen en maak misbruik van mijn macht over mijn vriend. Ik weet dat ik hem door eenn  paar woorden, een blik, een gebaar ongelukkig kan maken en ik heb zin hem te kwellen. Ik kan hem laten doen wat ik wil. Ik ben de enige die veel voor hem betekent, hij is voor mij een uit velen. Hij mag me bezighouden wanneer ik mij verveel, als anderen me vervelen, als mijn boeken me vervelen, als de natuur me verveelt.

Ik zeg hem dit.Hij maakt een kort, verschrikt geluid, en blijft eerst zwijgen. Dan probeert hij een paar vrolijke dingen te zegggen, maar ik staar aanstellerig voor me uit en zeg bittere woorden van berusting en verzaking. Ik wreek me op hem. Ik brek zijn kleine ijdelheden, wetend dat het hem ontredderd. Vervolgens begin ik mezelf schamper te ontleden, enkel belust op verontwaardigde tegenspraak, gloeiende betuigingen van mijn bijzonderheid en zijn genegenheid voor mij.

Opeens huil ik werkelijk, om de voosheid en de onwaarachtigheid van mijn leven.

Hij probeert me nu te troosten. Ik duw hem weg. Zijn jas is nat van de regen.

“Wat kan ik voor je doen?” Zal ik voor je dansen?”

“Ja, op het strand, in het water dat licht deze nacht, kijk maar, waar de regen valt zie je groene vonken.”

Ondanks de kilte, de regen, trekt hij zijn kleren uit. Hij is niet goed te zien, wat donkere vlekken en holten accentueren het lichaam. Maar hij vraagt kinderlijk:”Vind je me nog mooi?”

“Ik vind dat je te dik wordt. Je moest minder snoepen.”

Een lenige sprong brengt hem over het basalt op de zandhelling. Ik ga ook op het strand zitten om hem van dichtbij gade te slaan, want het is vrij duister al is de regen bijna opgehouden en komt de maan tussen de wolken tevoorschijn.. Ik, stijf, loop over de ongelijke basaltzuilen als een muilezel die hoef voor hoef neerzet op een stevige plaats. Hij danst in het water dat fosforiserend opspat bij iedere beweging. Hij slingert het water over zich heen als een sluier van vuur – zijn rosgrauwe gestalte glanst soms als een verguld beeld. Geuren van zeewier waaien aan, zilten droppels spatten over me. Het is mooi.

Wanneer hij tenslotte, een knie in het zand, voor me neerzinkt, ben ik ontdooid. Met zijn hemd probeer ik hem droog te wrijven, maar de stof neemt geen vocht op, zijn huid blijft nat en kil. Zo stort hij zich op me, zijn hele lichaam rilt. Ik sla mijn armen stevig om die sidderende schouders en rug en wend mijn hoofd af in het zand.”

 

 

 

NATUURLIJK

 

Natuurlijk moest die jongen in het duin

merken dat ik intens naar hem keek.

Natuurlijk kwam hij toen vlak langs me

met veel overbodige bewegingen

hoewel hij me zogezegd niet zag.

Natuurlijk begon hij een lenteballet

met een vriendje en een bal,

natuurlijk streek hij veel te meisjesachtig

telkens door zijn erg lange haar

en keek daarbij eens om,

flitsend gebit in duister gezicht.

Natuurlijk lag hij later

loom kauwend op een helmspriet

in dat aandoenlijke verschoten badbroekje

helemaal alleen in een warme duinpan.

Natuurlijk ging ik zacht en ongemerkt weg

en natuurlijk heb ik daar de hele dag spijt van.

 

 

 

 

HERINNER JE, LICHAAM...

 

Lichaam, herinner je niet alleen hoezeer je werd liefgehad,

niet enkel de bedden waarop je bent gaan liggen,

maar ook die verlangens die om jou

duidelijk blonken in de ogen

en trilden in de stem - en een

toevallige hindernis maakte ze vergeefs.

Nu dat alles al in het verleden ligt,

lijkt het bijna of je die verlangens

ook ingewilligd hebt - herinner je,

hoe ze blonken in de ogen die je aanzagen,

hoe ze trilden in de stem, om jou, herinner je, lichaam.

 

 

 

 

 

WarrenDagboek

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

 

 

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2007 en ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

 

Le Mal

 

Tandis que les crachats rouges de la mitraille

Sifflent tout le jour par l'infini du ciel bleu ;

Qu'écarlates ou verts, près du Roi qui les raille,

Croulent les bataillons en masse dans le feu ;

 

Tandis qu'une folie épouvantable, broie

Et fait de cent milliers d'hommes un tas fumant ;

- Pauvres morts dans l'été, dans l'herbe, dans ta joie,

Nature, ô toi qui fis ces hommes saintement !... -

 

- Il est un Dieu qui rit aux nappes damassées

Des autels, à l'encens, aux grands calices d'or ;

Qui dans le bercement des hosanna s'endort,

 

Et se réveille quand des mères, ramassées

Dans l'angoisse et pleurant sous leur vieux bonnet noir,

Lui donnent un gros sou lié dans leur mouchoir !

 

 

 

 

 

Au Cabaret-Vert, cinq heures du soir

 

Depuis huit jours, j'avais déchiré mes bottines

Aux cailloux des chemins. J'entrais à Charleroi.

- Au Cabaret-Vert : je demandai des tartines

Du beurre et du jambon qui fût à moitié froid.

 

Bienheureux, j'allongeai les jambes sous la table

Verte : je contemplai les sujets très naïfs

De la tapisserie. - Et ce fut adorable,

Quand la fille aux tétons énormes, aux yeux vifs,

 

- Celle-là, ce n'est pas un baiser qui l'épeure ! -

Rieuse, m'apporta des tartines de beurre,

Du jambon tiède, dans un plat colorié,

 

Du jambon rose et blanc parfumé d'une gousse

D'ail, - et m'emplit la chope immense, avec sa mousse

Que dorait un rayon de soleil arriéré.

 

 

 

 

EST-ELLE almée ?...

 

EST-ELLE almée ?... aux premières lueurs bleues

Se détruira-t-elle comme les fleurs feues...

Devant la splendide étendue où l'on sente

Souffler la ville énormément florissante !

 

C'est trop beau ! c'est trop beau ! mais c'est nécessaire

- Pour la Pêcheuse et la chanson du Corsaire,

Et aussi puisque les derniers masques crurent

Encore aux fêtes de nuit sur la mer pure !

 

 

 

 

 

Musée_Arthur_Rimbaud
Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)

Museum 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Marnix Gijsen werd geboren op 20 oktober 1899 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: De vleespotten van Egypte

 

“Toen ik, na veel inspanning, aan de universiteit van K. een doctoraal diploma had bemachtigd, waarin werd kond gedaan aan alle tegenwoordigen en toekomenden, dat ik in de geheimen der historische wetenschap was doorgedrongen, keerde ik des avonds laat en eenzaam naar mijn vaderstad terug. Mijn triomf over de onwetendheid, ten slotte vastgelegd in een ambtelijke oorkonde mij toegekend op grond van de uitgave van een wetenschappelijk werk met veel voetnoten in verscheidene levende en dode talen, kon mij echter niet bevrijden van één grote kommer: die voor den dag van morgen. Hoe zou ik in de eerstkomende jaren in mijn bestaan voorzien? Na de gelukwensen van de faculteit, had een der leden mij met vaderlijke zorg onder den arm genomen en gezegd dat ik niet moest hopen zo maar dadelijk in het onderwijs te worden aangesteld. Het wachten kon wel een paar jaar duren, en dan zou men mij wellicht doen aanvangen in een of ander provinciaal nest waar ik onherroepelijk met de lelijke dochter van mijn hospita zou trouwen.

In den trein naar huis waren mijn gevoelens dan ook ten zeerste gemengd. Nu eens was ik fier eindelijk tot de klas der mandarijnen te behoren, dan weer keek ik met vertwijfeling de komende tijden tegemoet. Eén ding stond vast: ik zou me voortaan moeten weren, mijzelf bevestigen tegenover de wereld, niet meer met mij laten sollen.

Op een ietwat onregelmatige wijze had ik voor de thuisreis een vrijkaartje bemachtigd en ik zat voor het eerst van mijn leven in een eerste-klas-coupé. Met genoegen stelde ik vast dat de beste hôtels van Nice, Monte Carlo en Napels, in uitgelezen termen, om mijn cliëntele wierven, terwijl ik nog zelfs geen geld bezat om te voet op bedevaart te gaan naar Scherpenheuvel om den Heer te danken dat Hij mijn geest had verlicht toen ik de examinatoren te woord stond. De treinconducteur groette toen hij mijn coupé binnentrad en mij geheel alleen vond zitten, diep in gedachten. Ik gaf hem het document op mijn naam dat een vriend die tot het spoorwegpersoneel behoorde mij te ere van mijn nakende doctorale waardigheid had bezorgd. Blijkbaar was de glorie van mijn titel mij naar het hoofd gestegen, want ik zat in de eerste klasse, terwijl ik slechts recht had op tweede. De conducteur deed me dit beleefd opmerken.”

 

 

 

Gijsen

Marnix Gijsen (20 oktober 1899 – 29 september 1984)

 

 

 

De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: "... was in der Mitte zu wachsen anfängt“

 

‘Die Lichterscheinung auf dem Foto ist nicht nur der gemeine Sinn des Fotos, sondern auch seine Stattfindung in speziellem Sinne wie mit jeder Konsequenz, d. h. auch für Köpfe, die keinen rechten Sinn drin sehen, zu verspüren trachten oder gleich im Schilde führen – nein, so wie er sich über verschiedene Köpfe hinwegsetzt, ist er auch kaum einleuchtend: höchstens im Kontrast zu jenen; als er, wie das Foto zeigt, »aus der Tiefe des Raumes« (wie er sich gerne zitiert wissen will) auf den Auslöser zukam, also in der Tat hinterrücks, über Köpfe hinweg, die in eine Linse blicken, die in ihren Augen zu sehen ist, in denen ja ein Teil der Lichterscheinung absorbiert wird, ein anderer, zurückgeworfen, den Auslöser ermächtigt, im Augenblick der Stattfindung zu klicken.

Ganz so einfach ist aber die Mechanik in Verbindung mit dem Foto nun doch nicht. Indem mindestens zwei Köpfe daran teilhaben, wie von hinten kommt, was sie von vorne sehen, und sie von vorne anblickt, was hinter einer Linse allzumal versammelt ist, erscheint die Lichterscheinung als »Kindheit« (Scheitelpunkt) im Sinne dessen, das, indem mindestens zwei Köpfe es auslösen, schon von vorne da war, so daß niemand es kommen sah und niemand mehr da sein wird, wenn es kommt – so wird es sein; und es ist sinnvoll, Tautologien (Kugelblitzen) ins Auge zu sehen, weil man ja nur sehenden Auges behaupten kann, daß es sonst dunkel wäre. Dunkle Definitionen aber kommen zum Vorschein, denn später sind sie vorbei.

So zum Beispiel frage ich mich, ob dem Knaben, der laut Beschreibung des Fotos (Rückseite) 0 bis 1 Jahr alt ist, dieses Foto überhaupt einmal zum ersten Mal gezeigt worden ist. Das kann ich nicht glauben, denn je öfter ich einen Sinn darin sehe, von einer Lichterscheinung überhaupt zu sprechen, umso häufiger blicke ich mir über die Schulter ins Gesicht. Es ist eine Frage der Zeit. Dabei verbraucht die Lichterscheinung eine Menge Einbildung. Die Generosität, mit der sie aus dem dummen Verschlag

neben dem Hühnerstall kommt, ist umgekehrt proportional zur Halbwertzeit von Silbernitrat und dauert nun schon 55 Jahre, rast jedoch noch immer auf das Foto zu – dagegen ist kein Hanomag gewachsen. Die junge Mutter trägt Bubikopf, der alte Knabe posiert Kreuzhohl & Kreuzfidel; ein Kleiner Finger ist unzüchtig (teetrinkerisch) entlehnt; so ein Isenheimer! Die Szene ist nachgestellt: Warten auf E. T.“

 

 

 

Pastior
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek werd geboren op 20 oktober 1946 in Mürzzuschlag, een kleine stad in de deelstaat Stiermarken. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: Das Lebewohl

           

„Dies noch nicht wissen, daß wir endlich heimgekehrt nach langer Fahrt, was immer wir tun, Recht oder Unrecht, wir sinds, die es tun, und nie verborgen ists unterm Schleier. Wir sagen es alle ganz offen, und dies noch nicht wissen: ausgelacht werden sie, im Himmel, besonders dann, wenn sie Hilfe erflehn. Unbedingt. Niemand schöpft Verdacht. Wir sind ja alle, weil stets gemeinsam wir sind! Die anderen: nur viele! Nur mehr viele! Nicht mehr als viele! Wir, geschwisterlich ernährt, ernährn uns jetzt von ihnen. Die Toten erheben sich, wenn die Sonne untergeht. Wir erheben uns, wenn sie aufgeht, um uns zu bewegen! Und rasch packen, am Mittag, den andern, beim Pressefoyer, bei der Pressekonferenz des Landeshauptmanns, da wird abgewaschen, und da rechnen wir ab. Nur mehr die Mehrheit die anderen. Wir aber: alle. Das ist in vieler Hinsicht ein furchtbares Stück, wir können darin kaum atmen oder die Augen aufmachen unter dem Wasser, das wir absonderten.

(...)

Wollen Sie mir erklären, wer ich bin, während ich doch bereits aus diesem Kuß schließen darf, wer Sie sind? Da bin ich Ihnen aber einen Schritt voraus. Heißen Sie nur Prinz oder sind Sie es? Blödsinn. Sie müssen es sein, siehe oben, sonst schliefe ich ja noch. Aber wer sind Sie eigentlich wirklich? Welches Land gedenken Sie zu regieren? Ich wette meins. Und dafür habe ich mich an dem Dorn gestochen oder was das war. Ich kramte noch sinnlos in mir herum nach der Ursache des heftig einsetzenden Schmerzes, obwohl ich den Dorn, also das Spitzige, gelt, ja sehen konnte. Und dann war ich weg. Aus. Filmriß. Sense. Wer bin ich. Wo bin ich. Mir ist jetzt eingefallen, daß Sie Prinz sein müssen, und ich füge mich dieser Wahrheit Ihres Sein.“

 

 

 

 

Jellinek
Elfriede Jelinek (Mürzzuschlag, 20 oktober 1946)

Geschreven door Romenu om 22:12 Reageer op dit bericht

John von Düffel, O. P. Zier, Robert Pinsky, Belle van Zuylen, Theresia Walser, Lewis Grizzard

De Duitse schrijver John von Düffel werd geboren op 20 oktober 1966 in Göttingen. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: Wasser und andere Welten

 

“Die diesjährige Freibadsaison beginnt für mich mit einem Geständnis: Nirgendwo verliebe ich mich so leicht wie im Wasser. Andere Menschen mag es beim Einkaufsbummel, im Straßencafé oder im Kino treffen - mir passiert es beim Schwimmen, und zwar regelmäßig. Gerade dieses Frühjahr beweist es wieder. Beim Schwimmen bin ich besonders sehnsuchtsanfällig.
Dabei tue ich alles, um diese flüchtigen Verliebtheiten zu vermeiden. Schon von Kindesbeinen an. Meine ganze Schwimmerlaufbahn war und ist im Grunde nichts anderes als eine einzige Verliebtheitsvermeidungsstrategie. So habe ich mich zum Beispiel sehr früh schon fürs Kraulschwimmen entschieden. Und warum? Weil es praktisch unmöglich ist, sich beim Kraulschwimmen in jemanden zu verlieben. Von allen Schwimmstilen dieser Welt und ihren wundersamen Abwandlungen ist Kraulschwimmen mit Sicherheit der unkommunikativste. Schon allein deshalb, weil man den Kopf die meiste Zeit unter Wasser hat. Während man beim Brustschwimmen spaßig von Bahn zu Bahn miteinander plauschen und vielleicht auch flirten kann, gestaltet sich dies beim Kraulschwimmen als schwierig. Die Sekundenbruchteile, während derer man beim Kraulen den Kopf zur Seite wendet, eignen sich kaum zur Konversation - nicht einmal für verbales Steno - und sind im übrigen dem Luftholen vorbehalten.
Desgleichen der Blick. Der Brustschwimmer hat in der Regel das gesamte Becken im Visier. Der Rückenschwimmer schaut in den Himmel und orientiert sich vage am Flug der Vögel. Auch er sieht etwas von der Welt. Wohingegen der Kraulschwimmer die meiste Zeit seines Lebens auf die tiefblauen Bahnmarkierungen am Beckengrund starrt. Entgegenkommende Körper nimmt er meist nur schemenhaft wahr. Mal als formlosen Schatten inmitten von Lichtrauten, die über den hellblauen
Kacheln in der Tiefe tanzen. Mal begegnet ihm auf den einsamen, langen Strecken ein Arm oder Bein von der anderen Bahn. Fleischfarbene Extremitäten tauchen unvermittelt vor seiner Chlorbrille auf. Doch all das nur flüchtig und wie aus einer anderen Welt, weil unter Wasser alles ein wenig größer wirkt und die Wahrnehmung des Kraulschwimmers dank seiner Chlorbrille stark ins Kubistische spielt.“

 

 

 

 

von-Dueffel
John von Düffel (Göttingen, 20 oktober 1966)

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver O. P. Zier werd geboren in Schwarzach im Pongau op 20 oktober 1954 en groeide op in Lend. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: Himmelfahrt

 

“Und das war der sogenannte Salzburger Kulturbetrieb: Eine erstklassig gegenüber Leuten wie mich abgeschottete Gemeinschaft, eine Familie, als dessen Oberhaupt sich der tolle Hofrat sah!

Eines stand jedenfalls fest: Er - und niemand sonst! - machte die von Grund auf verlogene Kulturpolitik dieses Landes! Denn der eigentlich dafür Verantwortliche, der sozialdemokratische Landesrat, machte auf seine nichtstuende Art deutlich, daß er am allerwenigsten daran interessiert war, sich von ungehobelten Unterschicht-Rabauken aus Industriedrecksnestern die heilige Kultur verunreinigen zu lassen. Privat interessierte diesen - wie der Hofrat von tiefsitzenden Standesdünkeln beherrschten - Kleinbürger die Blasmusik, beruflich biederte er sich bei Opernsängern an und half erfolgreich mit, deren Millionengagen nach oben zu treiben; und das alles aus panischer Angst, jemand könnte ihn - diesen engstirnigen Spießer vom Zuschnitt ehemaliger DDR-Bonzen! - irrtümlicherweise gar für einen Sozialisten halten, nur weil er dieser Partei sein stattliches Einkommen und eine absolut sorglose Zukunft verdankte!

(..)

Fast zwei Wochen lang nahm ich mir keine Zeit, mich von etwas anderem zu ernähren als von Kaffe, Würsteln, Spiegeleiern und Erdäpfeln mit Salz und Butter. Ich hatte den Scheck noch nicht eingelöst und weder einen neuen Tiefkühlschrank noch eine neue Waschmaschine gekauft. Die Berge an Schmutzwäsche und ungewaschenem Geschirr wuchsen beständig an.

Je intensiver ich arbeitete, desto mehr verfestigte sich in mir der Eindruck, daß diese Autobiographie im Grunde für mich, denjenigen, der sie schrieb, nicht weniger fiktiv war als ein erfundener Roman. Und dieses Gefühl nahm zu, je vertrauter mir das Leben dieses Menschen - als das einer fiktiven Person! - wurde.“

 

 

 

 

Zier
O. P. Zier (Schwarzach im Pongau, 20 oktober 1954)

 

 

 

De Amerikaanse dichter, vertaler en essayist Robert Pinsky werd geboren op 20 oktober 1940 in Long Branch, New Jersey. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

 

At Pleasure Bay

 

In the willows along the river at Pleasure Bay

A catbird singing, never the same phrase twice.

Here under the pines a little off the road

In 1927 the Chief of Police

And Mrs. W. killed themselves together,

Sitting in a roadster. Ancient unshaken pilings

And underwater chunks of still-mortared brick

In shapes like bits of puzzle strew the bottom

Where the landing was for Price's Hotel and Theater.

And here's where boats blew two blasts for the keeper

To shunt the iron swing-bridge. He leaned on the gears

Like a skipper in the hut that housed the works

And the bridge moaned and turned on its middle pier

To let them through. In the middle of the summer

Two or three cars might wait for the iron trusswork

Winching aside, with maybe a child to notice

A name on the stern in black-and-gold on white,

Sandpiper, Patsy Ann, Do Not Disturb,

The Idler. If a boat was running whiskey,

The bridge clanged shut behind it as it passed

And opened up again for the Coast Guard cutter

Slowly as a sundial, and always jammed halfway.

The roadbed whole, but opened like a switch,

The river pulling and coursing between the piers.

Never the same phrase twice, the catbird filling

The humid August evening near the inlet

With borrowed music that he melds and changes.

Dragonflies and sandflies, frogs in the rushes, two bodies

Not moving in the open car among the pines,

A sliver of story. The tenor at Price's Hotel,

In clown costume, unfurls the sorrow gathered

In ruffles at his throat and cuffs, high quavers

That hold like splashes of light on the dark water,

The aria's closing phrases, changed and fading.

And after a gap of quiet, cheers and applause

Audible in the houses across the river,

Some in the audience weeping as if they had melted

Inside the music. Never the same. In Berlin

The daughter of an English lord, in love

With Adolf Hitler, whom she has met. She is taking

Possession of the apartment of a couple,

Elderly well-off Jews. They survive the war

To settle here in the Bay, the old lady

Teaches piano, but the whole world swivels

And gapes at their feet as the girl and a high-up Nazi

Examine the furniture, the glass, the pictures,

The elegant story that was theirs and now

Is part of hers. A few months later the English

Enter the war and she shoots herself in a park,

An addled, upper-class girl, her life that passes

Into the lives of others or into a place.

The taking of lives--the Chief and Mrs. W.

Took theirs to stay together, as local ghosts.

Last flurries of kisses, the revolver's barrel,

Shivers of a story that a child might hear

And half remember, voices in the rushes,

A singing in the willows. From across the river,

Faint quavers of music, the same phrase twice and again,

Ranging and building. Over the high new bridge

The flashing of traffic homeward from the racetrack,

With one boat chugging under the arches, outward

Unnoticed through Pleasure Bay to the open sea.

Here's where the people stood to watch the theater

Burn on the water. All that night the fireboats

Kept playing their spouts of water into the blaze.

In the morning, smoking pilasters and beams.

Black smell of char for weeks, the ruin already

Soaking back into the river. After you die

You hover near the ceiling above your body

And watch the mourners awhile. A few days more

You float above the heads of the ones you knew

And watch them through a twilight. As it grows darker

You wander off and find your way to the river

And wade across. On the other side, night air,

Willows, the smell of the river, and a mass

Of sleeping bodies all along the bank,

A kind of singing from among the rushes

Calling you further forward in the dark.

You lie down and embrace one body, the limbs

Heavy with sleep reach eagerly up around you

And you make love until your soul brims up

And burns free out of you and shifts and spills

Down over into that other body, and you

Forget the life you had and begin again

On the same crossing--maybe as a child who passes

Through the same place. But never the same way twice.

Here in the daylight, the catbird in the willows,

The new café, with a terrace and a landing,

Frogs in the cattails where the swing-bridge was--

Here's where you might have slipped across the water

When you were only a presence, at Pleasure Bay.

 

 

 

 

Pinsky

Robert Pinsky (Long Branch, 20 oktober 1940)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Belle van Zuylen werd op 20 oktober 1740 geboren in slot Zuylen, gemeente Maarssen bij Utrecht. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

Uit: Brieven uit Neuchâtel, Roman (Zesde brief)

 

“Ik voel mij niet erg goed, lieve. Ik zal u niet achter elkaar alles kunnen schrijven wat ik zou willen. Het is een lange en niet zo prettige taak. Ik zal moeten rusten wanneer ik mij vermoeid voel. Het maakt niet uit of ge mijn brief enkele weken eerder of later ontvangt. Na deze wil ik er geen meer schrijven van dezelfde soort. Een kort briefje zal u van tijd tot tijd laten weten dat uw vriendin nog leeft, totdat ze niet meer leeft.
Mijn situatie is treurig, of wel ik ben een schepsel zonder verstand en gaven. - Waar ik nu de onprettige keuze heb het lot te beschuldigen, dat ik niet kan veranderen, of mijzelf de schuld te geven en te minachten - hoe ik mij ook wend of keer, de beelden die mij voor de geest komen, de bijzonderheden die mijn herinnering bezwaren, fnuiken mijn moed en maken mijn bestaan somber en moeilijk. Waartoe dient het, door mijn verhalen nog eens smartelijke indrukken te doen herleven, en me scènes weer voor de geest te halen die niet snel en niet grondig genoeg kunnen worden vergeten? Ik open u mijn hart voor de laatste maal; hierna wil ik niet meer klagen; mijn hart moet veranderen - of zwijgen.
Toen ik zeker was van mijn toestand liet ik het door mijn tante aan mr. Henley berichten. Hij kwam pas een week later uit Londen terug. In die tussentijd had ik mij voortdurend afgevraagd of ik mijn kind wel of niet moest en wilde zogen. - Enerzijds werd ik afgeschrikt door de vermoeienis, de aanhoudende zorg en de opofferingen die men zich moet getroosten. - Zal ik het zeggen? ook door de nadelige invloed die het zogen heeft op het figuur van een vrouw. Anderzijds vreesde ik het als een grote
vernedering, te worden beschouwd als onwaardig en niet in staat om deze plicht te vervullen. Maar kent ge dan alleen maar eigenliefde? zult ge vragen; hebt ge geen voorstelling van die opperste vreugde, alles te zijn voor uw kind, hem aan u en uzelf aan hem te binden met alle bestaanbare banden? Ja, zeker, en dat was zelfs het gevoel dat me voortdurend bleef vervullen; maar als men alleen is en steeds aan hetzelfde denkt, welke gedachten krijgt men dan niet?”

 

 

 

VanZuylen
Belle van Zuylen (20 oktober 1740 – 27 december 1805)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 20 oktober 2008.

 

De Duitse schrijfster Theresia Walser werd geboren op 20 oktober 1967 in Friedrichshafen.

 

De Amerikaanse (humoristische) schrijver en columnist Lewis McDonald Grizzard Jr. werd geboren op 20 oktober 1946 in Columbus, Georgia.

Geschreven door Romenu om 20:20 Reageer op dit bericht

Leigh Hunt, Adam Lindsay Gordon, Miguel Ángel Asturias,

De Engelse dichter, schrijver en essayist James Leigh Hunt werd geboren op 19 oktober 1784 in Southgate, Middlesex. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2006 en ook mijn blog van 19 oktober 2007 en ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

 

An Angel in the House 

 

How sweet it were, if without feeble fright,

Or dying of the dreadful beauteous sight,

An angel came to us, and we could bear

To see him issue from the silent air

At evening in our room, and bend on ours

His divine eyes, and bring us from his bowers

News of dear friends, and children who have never

Been dead indeed,--as we shall know forever.

Alas! we think not what we daily see

About our hearths,--angels that are to be,

Or may be if they will, and we prepare

Their souls and ours to meet in happy air;--

A child, a friend, a wife whose soft heart sings

In unison with ours, breeding its future wings.

 

 

 

 

The Nile 

 

It flows through old hushed Egypt and its sands,

Like some grave mighty thought threading a dream,

And times and things, as in that vision, seem

Keeping along it their eternal stands,--

Caves, pillars, pyramids, the shepherd bands

That roamed through the young world, the glory extreme

Of high Sesostris, and that southern beam,

The laughing queen that caught the world's great hands.

Then comes a mightier silence, stern and strong,

As of a world left empty of its throng,

And the void weighs on us; and then we wake,

And hear the fruitful stream lapsing along

'Twixt villages, and think how we shall take

Our own calm journey on for human sake.

 

 

 

 

 

Hunt
Leigh Hunt (19 oktober 1784 – 28 augustus 1859)

 

 

 

 

 

De Australische dichter Adam Lindsay Gordon werd geboren op 19 oktober 1833 op de Azoren. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

 

The Swimmer

 

With short, sharp violent lights made vivid,

To the southward far as the sight can roam,

Only the swirl of the surges livid,

The seas that climb and the surfs that comb,

Only the crag and the cliff to nor'ward,

And rocks receding, and reefs flung forward,

And waifs wreck'd seaward and wasted shoreward

On shallows sheeted with flaming foam.

 

A grim grey coast and a seaboard ghastly,

And shores trod seldom by feet of men --

Where the batter'd hull and the broken mast lie

They have lain embedded these long years ten.

Love! when we wander'd here together,

Hand in hand through the sparkling weather,

From the heights and hollows of fern and heather,

God surely loved us a little then.

 

Then skies were fairer and shores were firmer --

The blue sea over the bright sand roll'd;

Babble and prattle, and ripple and murmur,

Sheen of silver and glamour of gold --

And the sunset bath'd in the gulf to lend her

A garland of pinks and of purples tender,

A tinge of the sun-god's rosy splendour,

A tithe of his glories manifold.

 

Man's works are craven, cunning, and skillful

On earth where his tabernacles are;

But the sea is wanton, the sea is wilful,

And who shall mend her and who shall mar?

Shall we carve success or record disaster

On her bosom of heaving alabaster?

Will her purple pulse beat fainter or faster

For fallen sparrow or fallen star?

 

I would that with sleepy soft embraces

The sea would fold me -- would find me rest

In luminous shades of her secret places,

In depths where her marvels are manifest,

So the earth beneath her should not discover

My hidden couch -- nor the heaven above her --

As a strong love shielding a weary lover,

I would have her shield me with shining breast.

 

When light in the realms of space lay hidden,

When life was yet in the womb of time,

Ere flesh was fettered to fruits forbidden,

And souls were wedded to care and crime,

Was the course foreshaped for the future spirit --

A burden of folly, a void of merit --

That would fain the wisdom of stars inherit,

And cannot fathom the seas sublime?

 

Under the sea or the soil (what matter?

The sea and the soil are under the sun),

As in the former days in the latter

The sleeping or waking is known of none,

Surely the sleeper shall not awaken

To griefs forgotten or joys forsaken,

For the price of all things given and taken,

The sum of all things done and undone.

 

Shall we count offences or coin excuses,

Or weigh with scales the soul of a man,

Whom a strong hand binds and a sure hand looses,

Whose light is a spark and his life a span?

The seed he sowed or the soil he cumber'd,

The time he served or the space he slumber'd,

Will it profit a man when his days are number'd,

Or his deeds since the days of his life began?

 

One, glad because of the light, saith, "Shall not

The righteous judges of all the earth do right,

For behold the sparrows on the house-tops fall not

Save as seemeth to Him good in His sight?"

And this man's joy shall have no abiding

Through lights departing and lives dividing,

He is soon as one in the darkness hiding,

One loving darkness rather than light.

 

A little season of love and laughter,

Of light and life, and pleasure and pain,

And a horror of outer darkness after,

And dust returneth to dust again;

Then the lesser life shall be as the greater,

And the lover of light shall join the hater,

And the one thing cometh sooner or later,

And no one knoweth the loss or gain.

 

Love of my life! we had lights in season --

Hard to part with, harder to keep --

We had strength to labour and souls to reason,

And seed to scatter and fruits to reap.

Though time estranges and fate disperses,

We have had our loves and loving mercies.

Though the gifts of the light in the end are curses,

Yet bides the gift of darkness -- sleep!

 

See! girt with tempest and wing'd with thunder,

And clad with lightning and shod with sleet,

The strong winds treading the swift waves sunder

The flying rollers with frothy feet.

One gleam like a bloodshot swordblade swims on

The skyline, staining the green gulf crimson

A death stroke fiercely dealt by a dim sun

That strikes through his stormy winding sheet.

 

Oh, brave white horses! you gather and gallop,

The storm sprite loosens the gusty reins;

Now the stoutest ship were the frailest shallop

In your hollow backs, or your high arch'd manes.

I would ride as never a man has ridden

In your sleepy swirling surges hidden,

To gulfs foreshadow'd, through straits forbidden,

Where no light wearies and no love wanes.

 

 

 

 

Adam_Lindsay_Gordon

Adam Lindsay Gordon (19 oktober 1833 – 24 juni 1870)

 

 

 

 

 

De Guatemalteekse schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2006. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

 

Punishment of Profundities (fragment)

Woodlands and abandoned cities burned
on the bank of rivers that roasted
stones and embankments,
bleeding gums
and teeth of buttery ash
like the distance that the golden-smoke azuacan
brings on its wings from southern lands.
Butterflies of turpentine
flew from the trunks of the pines.
Cataracts of orchid sweat
rained from the arms of the ceiba trees.
Fire dust fell from the dry oaks,
boiling balsam from the liquidambars
and to the perfume of tamarinds ablaze
was joined that of the cacao groves, a scent of chocolate,
amid the little bone cracks of the sapodillas ,
the rubber trees twisted in elastic columns,
the chicle trees dripping with milky hairs,
and the crackling conocastes ,
red blood of uprooted foliage,
and the sleeping white oaks ,
almost mineral,
and the fleshy mahoganies,
already butter from the touch of a constellation
that lost a foot in the conflagration of the sky
and now walked its leg of fire
in the conflagration of the land.

Whales gone astray in tropical seas,
phosphorescent, torrid flying seas,
playing vaqueros, they hurled jets of water
to lasso the tiger of the conflagration,
the tiger of squeaking rubies,
who recovered his comet-gone-mad ferocity
as he fell on the crystal hoop straps
of the blue vaqueros,
liquid lariats that held him,
paralyzed with surprise,
long enough to slow his escape,
his flight from the water-made-steam,
while the corsairs, floating islands with tiny eyes,
managed to rope him with new and more powerful
jets of water, slip-knot rings,
whose loops the tiger of squeaking rubies
pulled up among flames and stars,
toward the constellation of the mirage,
the one that lost its foot, the constellation of distance,
and toward the army of blue lakes
parapeted in the mouths of the higher volcanoes,
lakes that before falling into fragments -
conquered, evaporated -
leapt
and, coiled on the tiger of rubies, galloped with him,
transformed into serpents of turquoise flames.

The earth was subjected
to a punishment of profundities.
After the conflagration, the invisible rains,
the soil overturned, the hurricane of mud,
the razors of the sun,
the chichicaste nettle in the living flesh...
a punishment of profundities
for having made room
for the first barbarian, not the last,
for the first human beast,
for the first executioner
in my country forged of honey.

 

 

 

Vertaald door Robert W. Lebling

 

 

 

 

 

asturias
Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)



 

Geschreven door Romenu om 20:43 Reageer op dit bericht

Nardo Aluman, Philip Pullman, Andrew Vachss, Fannie Hurst, John le Carré

De Surinaamse schrijver Nardo Aluman (eig. Ronald Renardo Aloema werd geboren in Christiaankondre op 19 oktober 1946. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

Uit: De hond en de papegaai

 

“Het verhaal van de hond en de papegaai [kulewago] is een voorbeeld van een categorie van verhalen waarvan er talloze zijn. Ze worden vooral verteld vanwege het amusement - voor de luisteraar, maar ook voor de vertelster. In dit geval was dat wijlen La'imo (geboren ca 1893, in Langamankondre), de echtgenote van Yanumesi, die gedurende vele jaren kapitein was van Christiaankondre. La'imo overleed in 1968. Het verhaal vertelde zij, zittend temidden van een groot aantal van haar kleinkinderen.

 

... mohkaron amïkon tïwaiyeman, parï, penaro, isenurupiriyako, pïitono, ohko tïwaiye mandon ...

 

.... er waren eens, kleinkind, lang geleden, in de fabeltijd, twee jonge mannen. Broers, ze waren broers van elkaar. Vervolgens zijn ze misschien wel gaan jagen. Twee, één hond was er, hij was hun huisdier, en één papegaai. De papegaai zat op een balk van het huis. De hond lag op de grond. Ze waren gaan jagen. Eerst wisten ze van niets. Dan gaan ze weg [om te gaan jagen]. Ze gaan ver weg. Eerst gaan ze heel ver weg. Ze komen weer thuis. Hé, er was kasiri gemaakt [een van cassave gemaakte, licht alcoholische drank]. In een grote kom misschien, in een samaku [een pot van 70-80 cm hoog]. Lang geleden hadden de Indianen zulke grote potten. Ze komen weer thuis. Hé, er was kasiri gemaakt, [het stond] onder de dakrand van het huis. Dan praten ze met elkaar. ‘Wie heeft die kasiri gemaakt’; zegt hij tegen zijn oudere broer. ‘Dat vraag ik me ook af’, zegt hij. De papegaai zit nog steeds op de balk. Hij draait z'n kop heen en weer. Hij ziet z'n baas komen. De hond kwispelt met z'n staart, uit blijdschap om z'n baas. Door hen is de kasiri gemaakt.

Ze waren weer weggegaan. Nadat hun baas is weggegaan trekt de hond z'n huid uit. De papegaai legt z'n veren af. Ze gaan snel kasiri maken. De kasiri wordt door hun gemaakt. Hun kasiri is rood, dan drinken zij [de mannen] het als kasiri, het is drank. ‘Welk wezen heeft deze kasiri gemaakt’, zeggen ze. Ze denken na. Zo gebeurde het misschien driemaal. Ze gaan weer ver weg. Daarna wordt het [de drank] door hen [de mannen] opgemaakt. Ze [de huisdieren] maakten misschien maar een beetje. Dan gaan ze [de mannen] weer weg. Dan is er weer kasiri gemaakt. Ze komen thuis. ‘Welk wezen toch heeft het gemaakt, vraag ik me af’, zeggen ze. ‘Wie toch, vrouwen zijn er niet, geen enkele’, zeggen ze. De hond is er, en de papegaai, het zijn hun huisdieren. Ze kijken, de papegaai praat niet en zit op de balk. De hond ligt daar op de grond. Vanaf dat moment doen ze alsof ze weggaan. Ze gaan zich verbergen achter de stam van een grote boom. Ze willen zien of het een Indiaan is [die de kasiri maakt]. Vervolgens gaan ze weer weg.”

 

 

 

 

Aluman
Nardo Aluman (Christiaankondre, 19 oktober 1946)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Andrew Vachss werd geboren op 19 oktober 1942 in New York. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

Uit: Mask Market

 

"I'm not the client," the ferret seated across from me said. He was as thin as a garrote, with a library-paste complexion, the facial skin surrounding his veined-quartz eyes as papery as dried flowers. He was always room temperature. "You know me, Burke. I only work the middle."

"I don't know you," I lied. "You knew—you say you knew—my brother. But if you did—"

"Yeah, I know he's gone," the ferret said, meeting my eyes, the way you do when you've got nothing to hide. With him, it was an invitation to search an empty room. "But you've got the same name, right? He never had any first name that I knew; so what would I call you, I meet you for the first time?"

It's impossible to actually look into my eyes, because you have to do it one at a time. One eye is a lot lighter than the other, and they don't track together anymore.

A few years ago, I was tricked into an ambush. The crossfire cost me my looks, and my partner her life. I mourn her every day—the hollow blue heart tattooed between the last two knuckles of my right hand is Pansy's tombstone—but I don't miss my face. True, it was a lot more anonymous than the one I've got now. Back then, I was a walking John Doe: average height, average weight — generic lineup filler. But a lot of different people had seen that face in a lot of different places. And the State had a lot of photographs of it, too—they don't throw out old mug shots.

I'd come into the ER without a trace of ID, dropped at the door by the Prof and Clarence—they knew I was way past risking the do-it-yourself kit we kept around for gunshot wounds.

Since the government doesn't pay the freight for cosmetic surgery on derelicts, the hospital went into financial triage, no extras. So the neat, round keloid scar on my right cheek is still there, and the top of my left ear is still as flat as if it had been snipped off. And when the student surgeons repaired the cheekbone on the right side of my face, they pulled the skin so tight that it looked like one of the bullets I took had been loaded with Botox. My once-black hair is steel-gray now—it turned that shade while I was in a coma from the slugs, and never went back.”

 

 

 

 

vachss
Andrew Vachss (New York, 19 oktober 1942)

 

 

 

 

De Britse schrijver Philip Pullman werd geboren op 19 oktober 1946 in Norwich als zoon van een luchtmachtofficier. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

Uit: The Golden Compass

 

“Lyra and her daemon moved through the darkening hall, taking care to keep to one side, out of sight of the kitchen. The three great tables that ran the length of the hall were laid already, the silver and the glass catching what little light there was, and the long benches were pulled out ready for the guests. Portraits of former Masters hung high up in the gloom along the walls. Lyra reached the dais and looked back at the open kitchen door, and, seeing no one, stepped up beside the high table. The places here were laid with gold, not silver, and the fourteen seats were not oak benches but mahogany chairs with velvet cushions.

Lyra stopped beside the Master's chair and flicked the biggest glass gently with a fingernail. The sound rang clearly through the hall.

"You're not taking this seriously," whispered her daemon. "Behave yourself."

Her daemon's name was Pantalaimon, and he was currently in the form of a moth, a dark brown one so as not to show up in the darkness of the hall.

"They're making too much noise to hear from the kitchen," Lyra whispered back. "And the Steward doesn't come in till the first bell. Stop fussing."

But she put her palm over the ringing crystal anyway, and Pantalaimon fluttered ahead and through the slightly open door of the Retiring Room at the other end of the dais. After a moment he appeared again.

"There's no one there," he whispered. "But we must be quick."

Crouching behind the high table, Lyra darted along and through the door into the Retiring Room, where she stood up and looked around. The only light in here came from the fireplace, where a bright blaze of logs settled slightly as she looked, sending a fountain of sparks up into the chimney. She had lived most of her life in the College, but had never seen the Retiring Room before: only Scholars and their guests were allowed in here, and never females. Even the maid-servants didn't clean in here. That was the Butler's job alone.”

 

 

 

 

philip pullman
Philip Pullman (Norwich, 19 oktober 1946)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Fannie Hurst werd geboren op 19 oktober 1889 in Hamilton, Ohio. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008.

 

Uit: Fannie: The Talent for Success of Writer Fannie Hurst  (Biografie door Brooke Kroeger)

 

"What I lack is rhythm"
The first known published work of Fannie Hurst appeared in her high school newspaper at Christmastime 1904, the month before she graduated. "An Episode," a nine-paragraph story, sketches a few moments in the life of a wealthy, powerful, but godless man alone with his conscience in a cathedral. Overcome by the haunting majesty of his surroundings, he watched his misdeeds pass before him. Pain and remorse engulfed him. He sat crouched alone on a pew until the last echoes of "Ave Maria" died away.
Then he rose, and went out, and as he went he said, "I have knowledge, I have power--what I lack is rhythm."
Then he threw back his head and laughed, long and loud and bitterly, and went off into the dusk.
Fannie Hurst, the daughter of now quite comfortable, assimilated German Jews with deadening middle-class aspirations, wanted to be a writer. She liked to claim that the Saturday Evening Post mailed back her manuscripts as if by boomerang from the time she was fourteen. This did not deter her. Nor did her mother's dire prediction that she would end up "an old-maid schoolteacher like Tillie Strauss," the sad and lonely spinster daughter of one of her mother's friends. Fannie defied this well-meant but suffocating opposition and compromised only enough to go to college in St. Louis, her hometown. She entered Washington University in the fall of 1905, a month before she turned twenty.
Fannie and her classmates watched much ground break. The handsome new Gothic-style "Quad" had been a site for the most defining seven months of the century for St. Louis, the "Universal Exposition," more commonly known as the 1904 World's Fair. The trees thatlined the campus drives were only saplings in those days, reminding Fannie of "the knees of newborn calves."

 

 

 

 

Fannie_Hurst
Fannie Hurst (19 oktober 1889 – 23 februari 1968)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 19 oktober 2006

 

De Britse schrijver John le Carré werd geboren op 19 oktober 1931 in Poole, Dorset, Engeland.

Geschreven door Romenu om 20:26 Reageer op dit bericht

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2009 voor Claudio Magris

 

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2009 voor Claudio Magris

Aan de Italiaanse schrijver en vertaler Claudio Magris werd gisteren in de Frankfurter Paulskerk de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels uitgereikt. Claudio Magris werd geboren op 10 april 1939 in Triëst. Zie ook alle tags voor Claudio Magris op dit blog.

Uit: Blindlings (Vertaald door Ragni Maria Gschwend)

“Mein lieber Cogoi, ehrlich gesagt, ich bin mir nicht sicher, obwohl ich es selber geschrieben habe, daß niemand das Leben eines Menschen besser erzählen könne als er selbst. Natürlich hat dieser Satz ein Fragezeichen; ja, wenn ich mich recht erinnere – inzwischen sind so viele Jahre vergangen, ein Jahrhundert, die Welt hier herum war jung, ein taufrischer grüner Morgen, aber sie war schon ein Gefängnis –, habe ich als erstes genau dieses Fragezeichen gesetzt, das alles hinter sich herzieht. Als mich Doktor Ross aufforderte, jene Seiten für das Jahrbuch zu schreiben, hätte ich große Lust gehabt – und das wäre ehrlich gewesen –, ihm einen Stapel Blätter mit nichts als einem Fragezeichen drauf zu schicken, aber ich wollte nicht unhöflich sein, ausgerechnet ihm gegenüber, der im Unterschied zu den anderen so freundlich und wohlwollend ist; außerdem wäre es nicht angebracht gewesen, jemanden zu verärgern, der dich aus einem geschützten Winkel, wie die Redaktion des Almanachs der Strafkolonie, herausholen und in die Hölle von Port Arthur expedieren kann, wo du es mit der neunschwänzigen Katze auf den Buckel kriegst, sobald du dich, erschöpft von den Steinblöcken und dem eiskalten Wasser, auch nur für einen Augenblick auf den Boden setzt.
Also habe ich vor dieses Fragezeichen lediglich den ersten Satz geschrieben und nicht mein ganzes Leben, meines, seines oder wessen auch immer. Das Leben – pflegte unser Grammatiklehrer Pistorius zu sagen, wobei er die lateinischen Ausdrücke mit runden, gemessenen Gesten begleitete, in jenem Raum mit der roten Tapete, die sich am Abend verdüsterte und erlosch: Glut der Kindheit, die im Dunklen verglomm –, das Leben ist keine Proposition oder Assertion, sondern eine Interjektion, eine Interpunktion, eine Konjunktion, im Höchstfall ein Adverb. Jedenfalls nie eine der sogenannten Hauptwortarten – »Sind Sie sicher, daß er das so gesagt hat?« – Ach, Herr Doktor, mag sein, daß gar nicht er diese letzte Behauptung aufgestellt hat, sondern die Lehrerin Perich, nachmalig Perini, in Fiume, aber das war später, sehr viel später.
Übrigens kann diese anfängliche Frage nicht ernst genommen werden, enthält sie doch bereits ihre Antwort, genauso wie die Fragen, die den Gläubigen mit erhobener Stimme in einer Predigt gestellt werden. »Wer kann das Leben eines Menschen besser erzählen als er selbst?« Natürlich niemand, scheint man die Gläubigen als Antwort murmeln zu hören. Wenn ich mir etwas angewöhnt habe, dann sind es die rhetorischen Fragen, seit ich im Gefängnis von Newgate die Predigten für Reverend Blunt schrieb, der mir für jede einen halben Shilling zahlte, inzwischen mit der Wache Karten spielte und darauf wartete, daß ich dazukäme, um mitzuspielen, und so holte er sich oft seinen halben Shilling wieder – das war nichts Verwunderliches, schließlich saß ich auch deswegen ein, weil ich alles beim Glücksspiel verloren hatte.“

 

 2083751-ae48a03b812c34bf4ad2390bdcad786d.jpg
Claudio Magris (Triëst, 10 april 1939)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten