Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 3 november 2009 tot 4 november 2009

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, René de Clercq

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2007 en ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Leven/sloop

 

Zijn dagen vulde hij met ongedaan maken

meestal in de kou, want meestal was het winter.

Hij kende alle vogels, maar niet meer bij naam.

Toen hij bijna klaar was met ongedaan maken

is hij gaan liggen en dood geworden.

 

Ook bij de stroeve tulpen naast zijn bed

heeft een vrolijke rigor mortis ingezet.

 

 

 

 

Een kinderspiegel

 

'Als ik oud word neem ik blonde krullen

ik neem geen spataders, geen onderkin,

en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben

dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond

alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

 

Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik

en niemand gaat ooit liegen tegen mij.

Ik neem niet van die vieze vette

grijze pieken en ik ga zeker ook niet

stinken uit mijn mond.

 

Ik neem een hond drie poezen en een geit

die binnen mag, dat is gezellig,

de keutels kunnen mij niet schelen.

De poezen mogen in mijn bed

de hond gaat op het kleedje.

 

Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen

niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.

Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is

de hele dag en ook de hele nacht

blijven wij als maar bij elkaar.'

 

 

 

 

Vader en zoon in hevige regen

 

Je zoon op je schouders.

Boven hem je paraplu

een lopend torentje

In regen van nu.

Zelf wees geweest

en wees gebleven

zit je daar zelf

op schouders

van ouders, zelf

in de vorm

van een zoontje,

en boven de hoofden

een ronde en kleine

maar troostende droogte.

 

 

 

 

 

Herzberg

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Foto Valti van Leeuwen

 

 

 

 

 

De  Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

 

Bepaling van de tijd

Ik kwam als kind en overzag
een wereld losgedooid uit
het laatste ijs, millennia lang
bedekt met weiden
met stille bloemen
ik zag de vogels erboven
en de dieren die tot aan het water graasden
in één oogopslag

tijd, het grootste was hier
in dit onvoltooid verleden landschap
het kleinste gebleken

 

 

 

 

Beginnen

 

Zelfs als de vogel in mijn hand valt
uit mijn oog ik de wolk pluk
die ik terug in de zomer pas

 

en de puzzel van een tijd
weer compleet maak

 

maak ik daarmee
zijn vlucht niet ongedaan

 

want ook een gedicht
heeft een geheugen
en binnen in de kamer
tussen twee regels

 

lees ik door
wat niet vergeten is
vogel die ik losliet

 

zal hij zich ooit weer vertonen
zich in de palm van mijn hand
zachtjes vlijen
hij zal dezelfde, maar anders zijn

 

buiten in de zomer is de hemel
leeg en opgeruimd schoon
daar is een ander al begonnen

 

ik zie hem verslinden
een landschap
zo groot als een oog

 

ik kijk en denk
als nieuwsgierigheid kon worden overgedaan
en onze geheugens ons nu maar
in de steek lieten, ja dan

 

zouden we voor altijd
een ander zijn,
we zouden van niets weten

 

en van elkaar de zoetste
droom opnieuw beginnen

 

 

 

 

Brouwer
Peter W.J. Brouwer (Eindhoven,  4 november 1965)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter, politiek activist en componist René Desiderius de Clercq werd geboren in Deerlijk op 4 november 1877. Zie mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Haastige bloemen

 

Haastige bloemen bloeien.

Kan de tijd niet staan?

Ziet uw kindren aan,

Hoe ze groeien.

 

Allen, allen, allen,

IJlen, wijlen, vallen,

Bloeien op en af

Als de bloem op 't graf.

 

Aarde, groen en sneeuwig,

Voer ons, die vergaan,

Waar de sterren staan

Als gedachten eeuwig.

 

 

 

Best geborgen

 

Best geborgen

In de zorgen,

Liefde, leer mij schoon geduld.

Laat mij dragen

Zonder klagen,

Laat mij lijden zonder schuld.

 

 

 

 

Kerstverlangen

 

Hoe zacht der klokken klagen,

Uitzindrend op mijn hert!

Het sneeuwt op donkre smert.

En vromen hoor ik vragen,

Terwijl de dag komt dagen,

Wat groots geboren werd.

 

Gebogen mensen rijzen

En zien elkander aan.

Voorbij de bloedige waan!

De volkren zijn te prijzen

Waar Koningen en Wijzen

Langs witte wegen gaan.

 

O gij, die recht en rede

Begeert, genoeg gedwaald.

De zoen des hemels daalt.

Verheugt u telkerstede:

Geboren is de Vrede

Die godlijk ademhaalt.

 

 

 

 

 

de_clercq

René de Clercq (4 november 1877 - 12 juni 1932)

Geschreven door Romenu om 20:20 Reageer op dit bericht

Klabund, Felix Braun, Marc Awodey, Charles Frazier, C. K. Williams

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 4 november 2006 en ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Mohammed

 

Ihn warf die Mutter winselnd in die Wüste,

Umschritten vom Gefolg gestreifter Panther.

Sie fühlte frei der Löwin sich verwandter,

Die ihres Sohnes Sein mit Blut versüsste.

 

Er wuchs verwunschen. Wild. Und bunter büsste

Er das Gelüst, zu leben. Schön entschwand er

In das Gebirge. Als des Gotts Gesandter

Stand steinern er im Steine, den er grüsste.

 

Es durfte mancher höher sich erheben,

Und mancher stürzte tiefer in den Schacht,

Wo schwarz von Russ die dunklen Engel schweben.

 

Doch keiner hat so licht wie du gelacht,

Und keiner konnte himmlischer verweben

Geist, Güte, Liebe, Macht, ja: Tag und Nacht.

 

 

 

 

Zuweilen

 

Mir sind die Frauen fremd,

Ich hasse ihre Schritte.

Ich wünschte, daß ich ganz

In mich entglitte.

 

Nur ich bin in der Welt,

Nur ich geschlechtlich einsam.

Ein Brunnen, der in sich fällt,

Eine Brücke, zweiufergemeinsam.

 

 

 

 

Der Friedhof

 

In graden Reihen epheudichtbedeckt,

Gleich Betten im Spital, stehen die Gräber.

Ein Kreuz aus Stein vernarrte Neugier weckt,

Wer hier verscharrt. Der Tag, der helle Weber,

Webt Lichterfäden um der Treu Geranien,

Ein leiser Widerschein spielt in den Sarg.

Sie ruhen unter blühenden Kastanien,

Ihr Lebenssaft steigt denen tief ins Mark.

Zwischen zwei Gräbern welken rote Blumen,

Das Erdreich ist zerdrückt, das Laub zerfetzt.

Hier wälzten sich die Nacht auf weichen Krumen

Zwei Wildverliebte, von der Brunst gehetzt.

In ihre Schreie sprangen klirrend Knochen

Und Schädel, die nach reifem Heumond rochen.

 

 

 

 

 

klabupor
Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

Die Berge 
 

Wir waren arm, und so fuhren wir lang
Mit dem Personenzug.
Meine Mutter hatte nur Wien gesehn,
Und ich war jung genug.
Wir fuhren lang über hügliges Land,
Ich zählte jede Station,
Ich trug sie wohl ein in mein Schönschreibheft,
An vierzig waren es schon.

 

Dann wurde ich müd, und ich schlief ein. -
Auf einmal - wie ward ich wach? -
Was donnerte her? Was brach herein?
Was rauschte und sauste nach?
Es war so kühl und so finster das Grün,
Als schatteten Wände nah.
Meine Mutter zog mich zum Fenster hin -
Und ich sah:

 

Da ragten die Berge himmelan,
Grünmoosig und felsigkahl,
Und einzelne Fichten hingen daran,
Und ein Wasser stürzte zu Tal.
Das Wasser, ja, das brauste so laut,
Weiß schleiernd mit gläsernem Bug -
Kalt wars - mir schaudert es über die Haut -
Dumpf fort stampfte der Zug.

 

Und höher und höher stieg das Gewänd.
Woher soviel Wasser quoll?
Es floß vielleicht aus dem Firmament,
Dunkelblau und wolkenvoll.
"Das ist das Gesäuse", sprach jemand.
Meine Mutter nickte bloß.
Heftig griff sie nach meiner Hand
Und ließ sie nicht mehr los.

 

Und die Berge blieben. Zum erstenmal
Im Sommer sah ich Schnee.
"Eine Gemse!", rief meine Mutter. "Da!"
Aber es war nur ein Reh.
Unter hölzerner Brücke die Ache warf
Grünweißen Wellengischt.
Ah, wehte die Luft eisigkühl und scharf,
Mit Nadel- und Harzduft vermischt! -

 

Es war schon Abend, da stiegen wir aus,
Das Dorf lag so fremd, voll Gefahr.
Unser Haus war ein altes Bauernhaus,
Alles war wunderbar.
Mein Bett nur war zu früh gemacht,
Es gab noch so vieles zu schaun. -
Meine Mutter weinte die ganze Nacht -
So laut rauschte die Traun.

 

 

 

 

Braun

Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

September

 

In a curvilinear spell
autumn reconnoitered hillsides
beneath dove clouds.

 

Summer was more than lustrous.
Teal threads fused beguiled moments
into an elaborate delusion
under August's decoupage.

 

Canary birch leaves
and rouged maples must soon turn
beneath hazel limbs
to uphold winter's grim paradise.

 

 

 

 

 

Awodey
Marc Awodey (Ann Arbor,4 november 1960)

 

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

Uit: Thirteen Moons

 

“Thereis no scatheless rapture. love and time put me in this condition. I amleaving soon for the Nightland, where all the ghosts of men and animalsyearn to travel. We?re called to it. I feel it pulling at me, same aseveryone else. It is the last unmapped country, and a dark way gettingthere. A sorrowful path. And maybe not exactly Paradise at the end. Thebelief I?ve acquired over a generous and nevertheless inadequate timeon earth is that we arrive in the afterlife as broken as when wedeparted from the world. But, on the other hand, I?ve always enjoyed ajourney.

Cloudy days, I sit by the fire and talk nothing butCherokee. Or else I sit silent with pen and paper, rendering thelanguage into Sequoyah?s syllabary, the characters forming under myhand like hen- scratch hieroglyphs. On sunny days, I usually rock onthe porch wrapped in a blanket and read and admire the vista. Manydecades ago, when I built my farm out of raw land, I oriented the frontof the house to aim west toward the highest range of mountains. It is agrand long view. The river and valley, and then the coves and blueridges heaved up and ragged to the limits of eyesight.Bear andI once owned all the landscape visible from my porch and a great dealmore. People claimed that in Old Europe our holdings would have beenenough land to make a minor country. Now I have just the one littlecove opening ontothe river . The hideous new railroad, of which I ownquite a few shares, runs through my front yard. The black trains comesmoking along twice a day, and in the summer when the house windows areopen, the help wipes the soot off the horizontal faces of furniture atleast three times a week. On the other side ofthe river is a road thathas been there as some form of passway since the time of elk andbuffalo, both long since extinguished. Now, mules drawing wagons flaresideways in the traces when automobiles pass.”

 

 

 

 

Frazier
Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 4 november 2008.

 

 

First Desires

 

It was like listening to the record of a symphony before you knew

anything at all about the music,
what the instruments might sound like, look like, what portion of the

orchestra each represented:
there were only volumes and velocities, thickenings and thinnings,

the winding cries of change
that seemed to touch within you, through your body,

to be part of you and then apart from you.
And even when you’d learned the grainy timbre of the single violin,

the aching arpeggios of the horn,
when you tried again there were still uneases and confusions left, an

ache, a sense of longing
that held you in chromatic dissonance, droning on beyond the

dominant’s resolve into the tonic,
as though there were a flaw of logic in the structure, or in (you knew

it was more likely) you.

 

 

 

 

ckwilliams
C. K. Williams (Newark, 4 november 1936)

Geschreven door Romenu om 20:18 Reageer op dit bericht

André Malraux, Ann Scott, Joe Queenan, Jan Boerstoel,

De Franse schrijver en kunstfilosoof André Malraux werd geboren op 3 november 1901 in Parijs. Zie ook mijn blog van 3 november 2007 en ook mijn blog van 3 november 2006 en ook mijn blog van 3 november 2008.

 

Uit: Le Musée imaginaire

 

« Le musée imaginaire n’est pas un héritage de ferveurs disparues, c’est une assemblée d’œuvres d’art — mais comment ne voir dans ces œuvres que l’expression de la volonté d’art ? Un crucifix roman n’est pas le frère d’un crucifix peint aujourd’hui par un athée de talent — qui n’exprimerait que son talent. Il est une sculpture, mais il est aussi un crucifix. Nous savons mal de quoi vient l’« aura » qui émane d’une statue sumérienne, mais nous savons bien qu’elle n’émane jamais d’une sculpture moderne. L’Éternel de Moissac ne nous atteint pas seulement par l’ordre de ses volumes, et nous y trouvons la lumière du visage du Père, comme nous trouvons celle du Christ au tympan d’Autun, et dans la plus humble peinture de l’Angelico. Parce qu’elle y est. Titien a perdu son pouvoir démiurgique, mais nul Renoir, et même nul Delacroix, n’a peint la sœur de sa Danaé. Entre toutes les calligraphies de l’Extrême-Orient, le signe qu’ont élu nos peintres et nos critiques, sans en connaître la signification, est le caractère de Hakuin qui exprime l’originel. Dans un monde dont aurait disparu jusqu’au nom du Christ, une statue de Chartres serait encore une statue ; et si, dans cette civilisation, cette statue n’était pas devenue invisible, la signification confuse qu’elle exprimerait ne serait pas celle d’une statue de Rodin. Quel langage parlent des précolombiens encore obscurs, les monnaies gauloises, les bronzes des steppes dont nous ignorons quelles peuplades les fondirent ? Quel langage parlent les bisons des cavernes ?

Les langages de l’art ne sont pas semblables à la parole, mais frères secrets de la musique. (Pour des raisons différentes de celles que l’on pressentit lorsque la peinture rejeta l’imitation ; en tant que langages, non en tant qu’arbitraire liberté). Nous savons ce qui sépara toute œuvre d’art, de l’idéologie qui la suscite ou la justifie. Ce que nous disent la Ronde de nuit, les derniers Titien et la Montagne Sainte-Victoire, le Penseur, le tympan de Moissac, la statue du prince Goudéa et celle du pharaon Djéser, l’Ancêtre africain, ne peut être dit que par des formes, de même que ce que nous disent le Kyrie de Palestrina, Orfeo, Don Juan ou la Neuvième Symphonie ne peut être dit que par des notes. Il n’y a pas de traduction.

Ce que nous disent ces sculptures et ces tableaux, et non ce qu’ils ont dit. Sans doute, ce que nous disent les figures du Portail royal est-il né de ce qu’elles ont dit autrefois au peuple de Chartres, et très différent de ce que nous disent des Civas. Mais les sculpteurs de génie qui ont sculpté ces statues, même si la notion d’art leur était étrangère, ont voulu créer des figures plus dignes de vénération que celles qui les précédaient et auxquelles ils les comparaient, délibérément ou non — comme le faisait d’instinct le peuple fidèle.»

 

 

 

 

Malraux

André Malraux (3 november 1901 – 23 november 1976)

 

 

 

 

De Franse schrijfster Ann Scott (pseudoniem) werd geboren op 3 november 1965 in Boulogne-Billancourt. Zie ook mijn blog van 3 november 2008.

 

Uit: Asphyxie

 

« Elle relève la tête, sait bien qu’elle doit le laisser dormir le plus longtemps possible, maintenant qu’elle comprend à quel rythme infernal ils vivent. Mais elle voudrait le serrer, le pétrir tellement il est trop mignon avec sa bouche entrouverte dont s’échappe un léger ronflement. Elle se rassied et le pousse sans ménagement pour le retourner, ce qu’il fait de lui-même, lentement, et son bras vient instinctivement protéger ses yeux du soleil. Elle le déboutonne et sans attendre le prend dans sa bouche. Envie qu’il ne manque plus jamais de rien. Pas difficile à comprendre qu’avant elle il n’a pas eu grand-chose. Elle remonte pour enfoncer sa langue dans sa bouche. Il sourit de ses yeux mi-clos. Elle sourit aussi, se demandant s’il saisit qu’elle a remarqué la taille de ses pupilles. Elle ne va pas résister longtemps à la tentation, elle le sait et elle s’en fout. »

(…)
« Chad continue de ne pratiquement parler à personne, mais je me suis complètement mépris : il est là plus que n’importe lequel d’entre nous. Tellement là qu’il en souffre. Au début, à voir les gens se précipiter sur Paul et Alan, je pensais qu’une sorte d’ange invisible le protégeait de ce qui ne peut être ressenti que comme une immense agression pour quelqu’un d’aussi renfermé. Mais en fait ce n’est pas ça du tout : il fait peur. Et moi aussi il me fait peur, il a sans arrêt l’air d’être sur le point de craquer. »

 

 

 

 

annscott1
Ann Scott (Boulogne-Billancourt, 3 november 1965)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, humorist en criticus Joe Queenan werd geboren op 3 november 1950 in Philadelphia, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 3 november 2006  en ook mijn blog van 3 november 2008.

 

Uit: Closing Time

 

„When a father dies, it is customary to forage through stored memories to conjure up an image that bathes him in the most heroic light. A single memory from my childhood eclipses all others. One Thursday night when I was thirteen years old, my father was standing alone in the kitchen of our Philadelphia row home, downing one of the ghastly local brews he’d long fancied. He was talking to himself, delivering some variation of his stock “O tempora, O mores” peroration, deploring the latest indignities that vested interests had imposed on the working man.

The engulfing darkness of the civil rights movement, the demise of the Big Bands, and the collapse of Holy Mother Church as a viable institution were his other standard themes. We never knew whether he thought that the rest of us were listening attentively or were merely indulging him. Though the truth is, he never really required much in the way of an audience; often, when he entered the Ciceronian mode, he was content to declaim to an empty room.

That night, something unexpected interrupted his jeremiad. Hearing tiny steps approaching, he looked up and realized that the swinging door connecting the dining room to the kitchen was about to smash my five-year-old sister in the face. The bottom of the door was solid wood—thick but innocuous—but the pane above it was a taut sheet of rippled glass. This was the section that would have struck my sister right around eye level.

Mary Ann, his third daughter and fourth child, was chubby and angelic, the only member of the family everyone liked. She was, the rest of us contended, though she furiously denied it, a beneficiary of the Final Child Syndrome: Even parents who cannot stomach their firstborn children, deeming them conspirators in the massacre of their dreams, are reasonably indulgent toward, or at least oblivious to, the last one. This forbearance may derive from a sense of mutual relief that the procreative ordeal has run its course, or perhaps the capacity for rage has simply exhausted itself. But Mary Ann had another ace up her sleeve: She was fabulously cute. This being the case, the idea of seeing her face scarred forever was unthinkable.

Reaching out to shield my sister from injury, my father grasped the edge of the door just as it was closing. In doing so, he trapped two of his fingers in the space between the jamb and the frame. The door swung shut; we heard him scream. His fingers were horribly mangled; it seemed at first that he might lose one. Suffering greatly, and making no secret of it, he was taken to the emergency room at nearby Germantown Hospital. We did not own a car at the time, as we were going through one of our fallow economic periods, and in any case my mother had never learned to drive.“

 

 

 

 

joe-queean
Joe Queenan (Philadelphia, 3 november 1950)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Boerstoel werd geboren in Den Haag op 3 november 1944. Zie ook mijn blog van 3 november 2008.

 

 

 

Recht op vrije meningsuiting

 

Recht op vrije meningsuiting,
dat betekent, heel normaal,
dat je niet de hele dag hoeft
lopen letten op je taal;
dat je hardop durft te praten
in de tram of in de trein,
over wat je stom of slecht vindt,
zonder bang te hoeven zijn.

Recht op vrije meningsuiting,
dat betekent, heel gewoon,
dat er niet wordt meegeluisterd
naar je eigen telefoon;
dat je in de krant kunt schrijven:
'de regering maakt me kwaad',
zonder dat je daar meteen voor
de gevangenis in gaat.

Recht op vrije meningsuiting,
dat betekent ook het recht
om te demonstreren, dat je
voor je idealen vecht;
door de straat te mogen opgaan
met een spandoek of een bord,
zonder dat je door agenten
in elkaar geslagen wordt.

Recht op vrije meningsuiting,
daar is niks bijzonders aan
in een land waar dat soort dingen
allemaal zijn toegestaan.
En dus sta je raar te kijken,
wanneer iemand je vertelt,
dat in meer dan honderd landen
helemaal dat recht niet geldt.

Recht op vrije meningsuiting
heeft nog lang niet iedereen
en voordat het zó ver zijn zal
daar gaan jaren overheen.
Maar al kun je al die mensen
dan niet helpen aan dat recht,
toch helpt het allicht een beetje,
wanneer je er wat van zégt.

 

 

 

 

 

boerstoel
Jan Boerstoel (Den Haag, 3 november 1944)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Hanns Heinz Ewers, Oodgeroo Noonuccal, William Cullen Bryant, Dieter Wellershoff

De Duitse schrijver, filmmaker en cabaretier Hanns Heinz Ewers werd geboren op 3 november 1871 in Düsseldorf. Zie ook mijn blog van 3 november 2008.

 

Uit: Rausch und Kunst


“Indem ich nun das Ergebnis dieser Versuche auf Grund der Autorität der genannten Gelehrten als durchaus feststehend hinnehme, also die Überzeugung teile, daß Alkoholgenuß eine Herabsetzung der Fähigkeiten des Individuums im Allgemeinen - unter Umständen nach einer kurzen spontanen Steigerung - hervorruft, stelle ich jedoch die Behauptung auf, daß für ein künstlerisches Schaffen kaum einen wichtigeren Faktor geben kann, als der durch ein Narkotikum hervorgerufene Rausch.

Wie ein kluger Richter, der nur durch die Art der Fragestellung aus ungeschickten, juristisch nicht geschulten Zeugen alles das herausholen kann, was er hören will, hat D. van Bleuten seine Fragen gestellt; er hätte sie nur ein wenig modeln können und er würde von manchen Befragten eine ganz genau gegenteilige Antwort erhalten haben. Aber zunächst muß schon die ganze Art der Rundfrage diese für wissenschaftlich-statistische Zwecke als völlig unbrauchbar erscheinen lassen. Einen wieviel größeren Wert haben nicht die Rundfragen, die beispielsweise Dr. M. Hirschfeld zur Feststellung des Sexualgefühls beim Metallarbeiterverband, bzw. bei der Charlottenburger Studentenschaft veranstaltet hat! Jeder Befragte erhielt da eine Karte mit den Fragen, er hatte sie nur auszufüllen und ohne Namensnennung wieder in den Postkasten zu werfen. Es ist anzunehmen, daß kaum 10% der Befragten sich einen Ulk - der ja bei der Anonymität der Antworten völlig zwecklos war - erlaubten, daß der große Rest der Wahrheit gemäß seine Antworten machte. Bei van Bleutens Rundfrage aber war die Veröffentlichung mit vollem Namen von vornherein vorgesehen; es handelte sich nicht um eine wissenschaftlich diskrete Bearbeitung des eingelaufenen Materials, sondern darum, ein breiteres Publikum mit der Stellung einer Reihe von Schriftstellern zur Alkoholfrage bekannt zu machen. Bedenkt man weiter, daß kaum eine andere Berufsklasse so sehr mit dem großen Publikum in Berührung steht, als gerade die der Schriftsteller, daß ein großer Teil dieser Schriftsteller auf dieses Publikum, von dessen Gunst man materiell abhängig ist, eine übertrieben große Rücksicht nehmen zu müssen glaubt, so braucht man kein Prophet zu sein, um vorher zu wissen, daß eine ganze Reihe von Antworten auf den "guten Eindruck" zum mindesten zurechtgeschnitten sein würde.“

 

 

 

 

ewers
Hanns Heinz Ewers (3 november 1871 – 12 juni 1943)

 

 

 

 

 

De Australische dichteres en schrijfster Oodgeroo Noonuccal (eig. Kathleen Jean Mary Ruska) werd geboren op 3 november 1920 in Minjerribah (Stradbroke Island) in Moreton Bay. Zie ook mijn blog van 3 november 2008.

 

 

Municipal Gum

 

Gumtree in the city street,
Hard bitumen around your feet,
Rather you should be
In the cool world of leafy forest halls
And wild bird calls
Here you seems to me
Like that poor cart-horse
Castrated, broken, a thing wronged,
Strapped and buckled, its hell prolonged,
Whose hung head and listless mien express
Its hopelessness.
Municipal gum, it is dolorous
To see you thus
Set in your black grass of bitumen--
O fellow citizen,
What have they done to us?

 

 

 

 

 

Dreamtime

 

Here, at the invaders talk-talk place,

We, who are the strangers now,

Come with sorrow in our hearts.

The Bora Ring, the Corroborees,

The sacred ceremonies,

Have all gone, all gone,

Turned to dust on the land,

That once was ours.

Oh spirits from the unhappy past,

Hear us now.

We come, not to disturb your rest.

We come, to mourn your passing.

You, who paid the price,

When the invaders spilt our blood.

Your present generation comes,

Seeking strength and wisdom in your memory.

The legends tell us,

When our race dies,

So too, dies the land.

May your spirits go with us

From this place.

May the Mother of life,

Wake from her sleeping,

and lead us on to the happy life,

That once was ours.

Oh mother of life,

Oh spirits from the unhappy past,

Hear the cries of your unhappy people,

And let it be so.

Oh spirits- Let it be so.

 

 

 

 

oodgeroo
Oodgeroo Noonuccal (3 November 1920—16 September 1993)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, journalist en jurist William Cullen Bryant werd geboren op 3 november 1794 in Cummington, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 3 november 2008.

 

 

The Arctic Lover

 

 

ONE is the long, long winter night;

Look, my beloved one!

How glorious, through his depths of light,

Rolls the majestic sun!

The willows, waked from winter's death,

Give out a fragrance like thy breath--

The summer is begun!

 

Ay, 'tis the long bright summer day:

Hark to that mighty crash!

The loosened ice-ridge breaks away--

The smitten waters flash;

Seaward the glittering mountain rides,

While, down its green translucent sides,

The foamy torrents dash.

 

See, love, my boat is moored for thee

By ocean's weedy floor--

The petrel does not skim the sea

More swiftly than my oar.

We'll go where, on the rocky isles,

Her eggs the screaming sea-fowl piles

Beside the pebbly shore.

 

Or, bide thou where the poppy blows,

With wind-flowers frail and fair,

While I, upon his isle of snow,

Seek and defy the bear.

Fierce though he be, and huge of frame,

This arm his savage strength shall tame,

And drag him from his lair.

 

When crimson sky and flamy cloud

Bespeak the summer o'er,

And the dead valleys wear a shroud

Of snows that melt no more,

I'll build of ice thy winter home,

With glistening walls and glassy dome,

And spread with skins the floor.

 

The white fox by thy couch shall play;

And, from the frozen skies,

The meteors of a mimic day

Shall flash upon thine eyes.

And I -- for such thy vow -- meanwhile

Shall hear thy voice and see thy smile,

Till that long midnight flies.

 

 

 

 

 

William-Cullen-Bryant

William Cullen Bryant (3 november 1794 – 12 juni 1878)

Portret door Thomas Le Clear

 

 

 

 

De Duitse schrijver en essayist Dieter Wellershoff werd geboren op 3 november 1925 in Neuss. Zie ook mijn blog van 3 november 2007 en ook mijn blog van 3 november 2006 en ook mijn blog van 3 november 2008.

 

Uit: Der Himmel ist kein Ort

 

“Es war das erste Mal in seiner anderthalbjährigen Amtszeit als Pfarrer, dass er nachts zu einer Unfallstelle gerufen wurde, weil jemand seelischen Beistand brauchte. Das entsprach einem kirchlichen Service, der sich eigentlich von selbst verstand, den er aber kurz nach seinem Amtsantritt, in der Absicht, die kirchliche Arbeit lebensnäher zu gestalten, zusammen mit vier Amtskollegen aus benachbarten Pfarreien zu einer Institution gemacht hatte. Sie stand unter dem etwas gewaltsam zusammengesetzten Namen »Notfallseelsorge « im Telefonbuch und war bei Feuerwehr und Polizei und den verschiedenen Rettungsdiensten als eine bei Unfällen abrufbare geistliche Hilfe notiert,

inzwischen aber in Vergessenheit geraten, wenn man das überhaupt sagen konnte von einer Einrichtung, die noch nie jemand in Anspruch genommen hatte.

Zwar gaben die fünf kooperierenden Pfarrämter halbjährlich eine Liste heraus, aus der hervorging, welcher Pfarrer des Bezirks Bereitschaftsdienst hatte, aber als der Anruf kam, hatte er weder die Termine noch überhaupt die Liste im Kopf. Und er zögerte, den Hörer abzuheben.

In letzter Zeit hatte er abends manchmal merkwürdige Anrufe bekommen: Geständnisse einer älteren

verwitweten Frau mit unüberhörbaren sexuellen Untertönen und zweimal anonyme Anrufe einer jüngeren weiblichen Stimme, bei denen er sich nicht sicher war, ob sich da jemand, vielleicht sogar vor heimlichen Mithörern, über ihn lustig machte. Die Stimme hatte Formulierungen benutzt, die er als seine eigenen wiedererkannte und auf einmal als hohl und peinlich empfand. Gewohnt zuzuhören, hatte er die Gespräche zu spät abgebrochen und war in einer nervösen Verstörtheit

zurückgeblieben, die es ihm den restlichen Abend schwer machte, sich noch auf irgendetwas zu

konzentrieren.

Er lebte allein in dem großen Pfarrhaus, das seine Vorgänger während des größten Teils ihrer Amtszeit mit vielköpfigen Familien bewohnt hatten, und war ein Gefühl von Unangemessenheit und Fremdheit nicht losgeworden. Eigentlich hatte er vorgehabt, vor seinem Einzug zu heiraten. Doch Claudia, seine Freundin aus der Zeit seines Vikariats, war vor dem entscheidenden Schritt zurückgescheut und hatte sich von ihm getrennt. Sie war in eine andere Stadt gezogen und hatte ihm weder ihre neue Adresse noch ihre Telefonnummer mitgeteilt. Er hatte sie allerdings auch nicht darum gebeten, weil er annahm, dass sie zu einem anderen Mann gezogen war. Die vielen Gespräche, die sie in den Monaten vor ihrer Trennung geführt hatten, waren für ihn auf ihren Satz geschrumpft:

»Wir passen eben nicht zusammen.«

 

 

 

 

wellershoff
Dieter Wellershoff (Neuss, 3 november 1925)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten