Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 1 januari 2010 tot 2 januari 2010

David Shapiro, Christopher Durang, Jimmy Santiago Baca, Anton van Duinkerken, André Aciman, Nyk de Vries

De Amerikaanse dichter, criticus en historicus David Shapiro werd geboren op 2 januari 1947 in Newark, New Jersey. Hij studeerde aan de Columbia University en de University of Cambridge. Hij groeide op met in de buurt vberoemdheden als Warhol en trok op met iedereen van Beatles en Stones tot Ginsburg. Shapiro doceerde aan Columbia, Bard College, Cooper Union, Princeton University, en William Paterson University.

 

 

Song for Hannah Arendt

 

Out of being torn apart

 comes art.

 Out of being split in two

 comes me and you. HA HA!

 Out of being torn in three

 comes a logical poetry. (She laughed but not at poetry.)

 Out of the essential mistranslation

 emerges an illegitimate nation.

 Better she said the enraged

 than the impotent slave sunk in the Bay.

 Out of being split into thirteen parts

 comes the eccentric knowledge of "hearts."

 (Out of being torn at all

 comes the poor-rich rhyme of not knowing, after all.)

 And out of this war, of having fought

 comes thinking, comes thought.

 

 

 

 

Voiceless

 

They were right who inveighed against

 the voice,

 too sexual an organ

 the rabbis whose laryngologists

 those who stopped a doctor

 by their side like a singer

 who refused to listen

 and put a wall where voice had been

 they died the lover of branches

 of fire of the tape recorder used for good or ill your burning hair

 If we were blind

 and if we were known to listen

 we would find one another

 by your voice alone

 (what you loved or Lillith loved was you and yes and permission)

 and we are blind

 

 

 

 

davidshapiro
David Shapiro (Newark, 2 januari 1947)

 

 

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Christopher Durang werd geboren op 2 januari 1949 in Montclair, New Jersey. Zie ook mijn blog van 2 januari 2007 en ook mijn blog van 2 januari 2008 en ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Sister Mary Ignatius Explains It All For You

 

“SISTER. (to Philomena) You, with the little girl. Tell me about yourself.

PHILOMENA. Well, my little girl is three, and her name is Wendy.

SISTER. There is no Saint Wendy.

PHILOMENA. Her middle name is Mary.

SISTER. Wendy Mary. Too many Y's. I'd change it. What does your husband do?

PHILOMENA. I don't have a husband.

(Long pause)

SISTER. Did he die?

PHILOMENA. I don't think so. I didn't know him for very long.

SISTER. Do you sign your letters "Mrs." or "Miss"?

PHILOMENA. I don't write letters.

SISTER. Did this person you lost track of marry you befolre he left?

PHILOMENA. (sad) No.

SISTER. Children, you are making me very sad. (to Philomena) Did you get good grades in my class?

PHILOMENA. No, Sister. You said I was stupid.

SISTER. Are you a prostitute?

PHILOMENA. Sister! Certainly not. I just get lonely.

SISTER. (to Philomena and the audience both) The Mother Superior of my own convent may get lonely, but does she have illegitimate children?

ALOYSIUS. There was that nun who stuffed her baby behind her dresser last year.

(Sister stares at him)

ALOYSIUS. It was in the news.

SISTER. No one was addressing you, Aloysuis. Philomena, my point is that loneliness does not excuse sin.

PHILOMENA. But there are worse sins. And I believe Jesus forgives me. After all, he didn't want them to stone the woman taken in adultery.

SISTER. That was merely a political gesture. In private Christ stoned many women taken in adultery.

DIANE. That's not in the Bible.

SISTER. (suddenly very angry) Not everything has to be in the Bible. (to audience, trying to recoup) There's oral tradition in the Church. One priest tells another priest something, it gets passed down through the years.

PHILOMENA. But don't you believe Jesus forgives people who sin?

SISTER. Yes, of course. He forgives you, but he's tricky. You have to be truly sorry, and you have to truly resolve not to sin again, or else. He'll send you straight to hell just like the thief He was crucified next to.

PHILOMENA. I think Jesus forgives me.

SISTER. Well I think you're going to hell. (to Aloysius) And what about you? Is there anything the matter with you?

ALOYSIUS. Nothing. I'm fine.”

 

 

 

 

Durang
Christopher Durang (Montclair, 2 januari 1949)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Op tweejarige leeftijd werd hij door zijn ouders in de steek gelaten. Hij woonde enkele jaren bij zijn grootmoeder en werd daarna in een weeshuis geplaatst. Toen hij 21 was werd hij veroordeeld wegens drugsbezit en verdween hij voor zes en een half jaar in de gevangenis. In die tijd leerde hij zichzelf lezen en schrijven. Een medegevangene spoorde hem aan de gedichten die hij schreef voor publicatie op te sturen en zijn debuutbundel Immigrants in Our Own Land werd meteen goed ontvangen. In 1987 ontving hij voor zijn half-autobiografische Martin and Meditations on the South Valley de American Book Award for poetry. Andere bundels van hem zijn:  C-Train and Thirteen Mexicans: Dream Boy's Story, Healing Earthquakes (2001), Set This Book on Fire (1999), In the Way of the Sun (1997), Black Mesa Poems (1995), Poems Taken from My Yard (1986), en  What's Happening (1982)

 

 

Count-time 

 

Everybody to sleep the guard symbolizes

on his late night tour of the tombs.

When he leaves, after counting still bodies

wrapped in white sheets, when he goes,

 

the bodies slowly move, in solitary ritual,

counting lost days, mounting memories,

numbering like sand grains

the winds drag over high mountains

to their lonely deaths; like elephants

they go bury themselves

under dreamlike waterfalls,

in the silence.

 

 

 

To My Own Self 

 

My hands the Hook thunder hangs its hat on,

My breast the Arroyo storms fill with water,

My brow the Horizon sunrise fills,

My heart the Dawn weaving blue 

 

 

 

 

Baca
Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, essayist, redenaar en literair-historicus Anton van Duinkerken werd op 2 januari 1903 geboren in Bergen op Zoom. Zie ook mijn blog van 2 januari 2007 en mijn blog van 26 december 2007 en ook mijn blog van 2 januari 2008 en ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Goethe's ‘West-Oestlicher Divan’

“Zijn tweede reis naar Italië, ondernomen in 1790, heeft een ingrijpende beteekenis gehad voor Goethe's ontwikkeling als lyrisch dichter. Zooals hij van den eersten zwerftocht in het klassieke landschap de voltooide ‘Iphigenie auf Tauris’ meebracht, zoo schreef hij op den tweeden zijn ‘Römische Elegien’, die, in tegenstelling tot zijn jeugd-poëzie, niet langer de neerslag zijn van een zwoel en chaotisch gemoedsleven, doch de plastische weergave van een helder, omgrensd en aan maat gebonden genot. Thans bezingt hij niet meer de smart van een onbestembare weemoed, maar de vreugde van het oogenblikkelijk geluk en de liefde tot het ontroerend-nabije:

 

 Oh, wie fühl ich in Rom mich so froh! gedenk' ich der Zeiten

 Da mich ein graulicher Tag hinten im Norden umfing,

 Trübe der Himmel und schwer auf meine Scheitel sich senkte,

 Farb- und gestaltlos die Welt um den Ermatteten lag,

 Und ich über mein Ich, des unbefriedigten Geistes

 Düstre Wege zu spähn, still in Betrachtung versank.

 Nun umleuchtet der Glanz des helleren Aethers die Stirne...

 

Zulk een verheldering van het gevoel maakt den getroebleerden Goethe der achttiende eeuw tot den verlichten Europeeër, die hij in de negentiende eeuw vooral geweest is. Het Europeanisme was reeds een ideaal van Voltaire; het werd een begeerenswaardige droom in de bewogen jaren na de Fransche Omwenteling; sommigen dachten het spoedig verwerkelijkt te zullen zien door den gemengden opmarsch van Napoleons Europeesche legerbenden. Ook Goethe streefde naar dat ideaal, niet zoozeer om algemeen-humanitaire beweegredenen als wel uit gehoorzaamheid aan zijn romantischen expansie-drang. Want bij de beoordeeling van Goethe's ‘classicisme’ vergete men nooit, dat dit zijn oorsprong vond in een dóór-en-dóór romantisch gemoed. Het ontstond uit een behoefte aan innerlijke verruiming. Daarom kon het ‘huwelijk tusschen Faust en Helena’ weliswaar Euphorion, den goedgedragene, voortbrengen, maar naar zijn wezen kon het geen gelukkig huwelijk zijn. De verruiming en verheldering van den Germaanschen droom door den Helleenschen geest schiep nog geen klaarheid en ruimte genoeg. Immers de Germaan had zich niet alleen met den Griek te verzoenen, doch de volledige Europeeër, die een kind uit deze verbintenis was, moest zich daarna vereenigen met de moederlijke wijsheid van het Oosten. Goethe's geestesgroei is een onophoudelijke expansie geweest, die deze romanticus zich enkel veroorloven kon, omdat hij, door zijn maatgevoel beheerscht, bij alle expansie zichzelf wist te blijven.”

 

 

 

 

Anton_van_Duinkerken

Anton van Duinkerken (2 januari 1903 - 27 juli 1968)

Standbeeld in Bergen op Zoom

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, essayist en literatuurwetenschapper André Aciman werd geboren op 2 januari 1951 in Alexandrië in Egypte. Zie ook mijn blog van 2 januari 2008 en ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Shadow Cities

 

„107th, very quiet, very narrow, tucked away around the corner, reminded me of those deceptively humble alleys where one finds stately homes along the canals of Amsterdam.

And 106th, as it descended toward Central Park, looked like the main alley of a small town on the Italian Riviera, where, after much trundling in the blinding light at noon as you take in the stagnant odor of fuel from the train station where you just got off, you finally approach a sort of cove, which you can’t make out yet but which you know is there, hidden behind a thick row of Mediterranean pines,

over which, if you really strain your eyes, you’ll catch sight of the tops of striped beach umbrellas jutting beyond the trees, and beyond these, if you could just take a few steps closer, the sudden, spectacular blue of the sea.

To the west of Straus Park, however, the slice of Riverside and 106th had acquired a character that was strikingly Parisian, and with the fresh breeze which seems to swell and subside all afternoon long, you sensed that behind the trees of Riverside Park, serene and silent flowed an elusive Seine,

and beyond it, past the bridges that were to take you across, though you couldn’t see any of it yet, was not the Hudson, not New Jersey, but the Left Bank— not the end of Manhattan, but the beginning of a whole bustling city waiting beyond the trees—as it waited so many decades ago when, as a boy, dreaming of Paris, I would go to the window, look out to the sea at night, and think that this was not North Africa at all, but the Ile de la Cité. Perhaps what lay beyond the trees was not the end of Manhattan, or even Paris, but the beginnings of another, unknown city, the real city, the one that always beckons, the one we invent each time and may never see and fear we’ve begun to forget.

There were moments when, despite the buses and the trucks and the noise of people with boom boxes, the traffic light would change and everything came to a standstill and people weren’t speaking, and the unrelenting sun beat strong on the pavement, and I would almost swear this was an early summer afternoon in Italy, and that what lay behind Riverside Park was not just my imaginery Seine, but the Tiber as well. What made me think of Rome was that everything here reminded me of the kind of place all tourists know well: that tiny, empty piazza with a little fountain, where, thirsty and tired with too much walking all day, you douse your face, then unbuckle your sandals, sit on the scalding marble edge of a Baroque fountain, and simply let your feet rest a while in what is always exquisitely clear, non-drinkable water.“

 

 

 

 

Aciman
André Aciman (Alexandrië,  2 januari 1951)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Nyk de Vries werd geboren in Noordbergum op 2 januari 1971. Zie ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

 

Motorman

 

Hij reed almaar rond op zijn motorfiets en nooit wist ik wat er in zijn hoofd omging. Op een dag volgde ik hem naar zijn hut in het bos. Ik liep naar het hokje toe en duwde de deur met kracht open. Voor mij lag languit achterover op de houten vloer de motorman. Hij keek op, kwam langzaam overeind en staarde me aan met een vreemd rood gezicht. Ik wilde iets zeggen, maar voor ik daarin slaagde, verdween de motorman zonder ooit terug te keren. Ik nam mijn intrek in het huisje en woonde er uiteindelijk ruim twintig jaar. Het is waar wat ze zeggen: elk nieuw huis moet beter zijn dan het vorige.

 

 

 

 

NykdeVries
Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 20:42 Reageer op dit bericht

Jean-Bernard Pouy, Hans Herbjørnsrud, Peter Redgrove, Isidoor Teirlinck, Gerhard Amanshauser, Luc Decaunes

De Franse schrijver Jean-Bernard Pouy werd geboren op 2 januari 1946 in Parijs. Zie ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Sur le quai

« Peu à peu, il revint près du quartier du Petit-Maroc. Sous la façade vieillotte d'une ancienne usine, sur un étal en plein vent, de jeunes pêcheurs vendaient des huitres très vertes qu'ils servaient avec un petit verre de vin blanc acide. Yorgos les trouva délicieuses. C'était une fracture dans son malheur diffus, cette fraîcheur coulant dans le palais. [...]

 

« Il s'enfonça dans le petit bourg de Penhoet, en bout de port, très près des Chantiers, longeant une cale vide de paquebot, avec ses plots, au fond, comme des bubons de béton. Les grosses et antiques grues étaient maintenant très proches et inaccessibles en même temps. Elles ne paraissaient même pas assez fortes pour soulever le poids qui engourdissait encore sa poitrine. Et des jardins, des sablières, et ce décor industriel et paisible à la fois, comme s'il était en construction et que les maçons étaient partis. Un navire dans l'estuaire, remontant vers Nantes. Des oiseaux, par milliers, constellant le ciel laiteux.

 

« Il fit en tremblant quelques croquis mais ils lui semblèrent tous ratés. Il marcha vite et longtemps, refit une nouvelle fois le tour du port et de la zone navale, reconnaissant le paysage et le découvrant comme au premier jour, c'était ça la poésie de Saint-Nazaire, rien pour attirer l'œil, mais tant d'images que l'on n'oubliera jamais. Il évoqua tous ces marins pour qui c'était le quotidien des ports. Il pensa un moment à Spilliaert, ce peintre qu'il avait découvert, un jour, en passant par Ostende. »

 

 

 

 

jean-bernard-pouy
Jean-Bernard Pouy (Parijs 2 januari 1946)

 

 

 

 

De Noorse schrijver Hans Herbjørnsrud werd geboren op 2 januari 1938 in Heddal, Telemark. Hij werkte een tijd als leraar en bestiert sinds 1976 de boerderij van zijn ouders in de buurt van Notodden. Daamee zet hij een lange traditie van zijn land voort en leidt hij een dubbelleven als boer en schrijver. Op zijn relatief late debuut in 1979 met de prozabundel Vitner volgden zes dunne boekjes met verhalen van verschillende lengte. Gold hij eerst nog als een geheime tip en als een „schrijvers schrijver“, nu krijgt hij voor zijn werk in heel Scandinavië waardering. Ook is zijn werk vertaald in het Duits, Engels, Frans, Russisch, Tsechisch, Sloveens, Hongaars, Hindi en Bangla.

 

Uit: Die Brunnen (Vertaald door Ulrich Sonnenberg)

 

„Ich muss mich beeilen, um diese Geschichte zu schreiben. Ich muss bald hier raus. Heute Abend kommen meine Schwiegertochter Ting Ting und mein Enkel Man Lok zu Besuch. Anna wird sie um 20:45 Uhr am Busbahnhof abholen, sie sollen hier in meinem Arbeitszimmer im Backhaus wohnen.

Bis sie kommen, muss meine Geschichte fertig sein. Es eilt. Ich muss raus. Die Zeit ist knapp. Ich laufe und schreibe und laufe.

6:04:53, die Uhr zeigt 6:04:53, ich biege von der Treckerspur ab, hebe beide Arme vors Gesicht und kämpfe mich durch das dichte Fichtengehölz hinunter zu dem kleinen Fluss. An der Böschung vor dem Biberdamm bleibe ich einen Augenblick stehen, verschnaufe und beiße mir auf die Zungenspitze.

Es eilt. Mir bleibt doch nur der heutige Tag für meine Geschichte. Ich habe am Telefon gehört, dass Man Lok inzwischen ein Zweibeiner geworden ist und in Oslo über den Fußboden wackelt.

Sie müssen den Hörer auf den Boden gelegt haben, denn die taumeligen Schritte unseres Enkelkindes dröhnten mir direkt ins Ohr. Es eilt, ich breite die Arme aus und balanciere vorsichtig über den Biberdamm; mit dem Joggingstein in der geballten Faust über den blanken Wasserspiegel des Weihers, und mit gespreizten Fingern über das Durcheinander aus Zweigen und Ästen an der Unterseite der Böschung. Bei jedem meiner Schritte zeigen sich leichte Wellen auf dem reglosen Wasser des Tümpels.

Dann bin ich auf der anderen Seite und laufe den Pfad durch den Erlenwald bis zur Heddøla. 6:06:13, ich folge dem Weg flussaufwärts und laufe jetzt immer schneller, obwohl der Fluss reißender wird und ich gegen den Strom laufe. Mou, keiwai und gwei, murmele ich. Sie haben mir erzählt, dass Man Lok ein chinesisches Bilderbuch bekommen hätte und er die Wörter seiner Eltern nachzuahmen versucht,

während er sich die Bilder ansieht. Er kann bereits drei Wörter Chinesisch, haben sie gesagt und mir erklärt, mou bedeutet niemand, keiwai heißt merkwürdig und gwei ist ein Gespenst.“

 

 

 

 

Herbjørnsrud
Hans Herbjørnsrud (Heddal, 2 januari 1938)

 

 

 

 

De Britse dichter Peter William Redgrove werd geboren op 2 januari 1932 in Kingston upon Thames, Surrey. Hij werd opgeleid aan Taunton School, and Queens' College, Cambridge, waar hij de dichters Ted Hughes en Harry Guest ontmoette. Hij doceerde aan de University van Buffalo in 1961/2, en was Gregory Fellow aan de University of Leeds.

 

Tapestry Moths

 

I know a curious moth, that haunts old buildings,

A tapestry moth, I saw it at Hardwick Hall,

‘More glass than wall’ full of great tapestries laddering

And bleaching in the white light from long windows.

I saw this month when inspecting one of the cloth pictures

Of a man offering a basket of fresh fruit through a portal

To a ghost with other baskets of lobsters and pheasants nearby

When I was amazed to see some plumage of one of the birds

Suddenly quiver and fly out of the basket

Leaving a bald patch on the tapestry, breaking up as it flew away.

A claw shifted. The ghost’s nose escaped. I realised

 

It was the tapestry mohts that ate the colours like the light

Limping over the hangings, voracious cameras,

And reproduced across their wings the great scenes they consumed

Carrying the conceptions of artists away to hang in the woods

Or carried off never to be joined again or packed into microscopic eggs

Or to flutter like fragments of old arguments through the unused kitchens

Settling on pans and wishing they could eat the glowing copper

 

The lamb-faced moth with shining amber wool dust-dabbing the pane

Flocks of them shirted with tiny fleece and picture wings

The same humble mask flaming in the candle or on the glass bulb

Scorched unwinking, dust-puff, disassembled; a sudden flash among the hangings

Like a window catching the sun, it is a flock of moths golden from eating

The gold braid of the dress uniforms, it is the rank of the family’s admirals

Taking wing, they rise

Out of horny amphorae, pliable maggots, wingless they champ

The meadows of fresh salad, the green glowing pilasters

Set with flowing pipes and lines like circuits in green jelly

Later they set in blind moulds all whelked and horny

While the moth-soup inside makes itself lamb-faced in

The inner theatre with its fringed curtains, the long-dressed

Moth with new blank wings struggling over tapestry, drenched with its own birth juices

 

Tapestry enters the owls, the pipistrelles, winged tapestry

That flies from the Hall in the night to the street lamps,

The great unpicturing wings of the nightfeeders on moths

Mute their white cinders . . . and a man,

Selecting a melon from his mellow garden under a far hill, eats,

Wakes in the night to a dream of one offering fresh fruit,

Lobsters and pheasants through a green fluted portal to a ghost.

 

 

 

 

 

Redgrove1
Peter Redgrove (2 januari 1932 – 16 juni 2003)

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Isidoor Teirlinck werd geboren in Zegelsem op 2 januari 1851. Zie ook mijn blog van 2 januari 2008 en ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Arm Vlaanderen

 

„De zon daalde lager aan de westerkim en wierp eenen valen, treurigen glans over het stille landschap. Overal schudd'en de boomen hunne gele bladeren af en het avondwindje, dat zich zachtjes verhief, ritselde geheimzinnig door loover en twijgen. Hier en daar stapten de paarden langzaam, met gebogen kop - hun slavenleven schier bewust - vóor den ploeg en trokken lange, rechte voren door de naakte velden.

In het Meierboschje kleurden zich, met de bonte najaarstinten, de bladeren van het kreupelhout, en de bramen en hagedoornen hingen er hunne zwartviolette en roode beziën tusschen.

Aan den voet van eenen der populieren hield een boer zich reeds zoolang roerloos, alsof hij er dood stonde. Hij was op zijn zondagsch uitgedost, had eenen zwaren eiken stok in de rechterhand en een pakje in den blauwen neusdoek aan den linkerarm. Hij zag er buitengewoon zuiver en zindelijk uit. Zijn blauwe kiel was versch gewasschen en gestreken; hagelblank keek zijn hemd aan den hals uit; zijne hooge schoenen met lederen snoeren blonken als spiegels; en men mocht vermoeden, dat hij de zwart en geel gestreepte broek zoo kort droeg om ze niet te bevuilen.

Alhoewel zijn gelaat glad geschoren was, toch schuilde er, onder de grove haren pet, een aangezicht, dat zeker aan weinige lieden bevallen kon. Het groote hoofd was als tusschen de sterke schouders gedrukt. De diepliggende oogen zaten vol wantrouwen en ontevredenheid. Dat alles maakte, met het donkerrood, dik gelaat, den buitengewoon breeden stompneus tusschen de bolle wangen, de zware, hangende onderlip iets waarlijk terugstootends.

De man hield den strakken blik onafgewend naar den boomgaard der groote hoeve, die een weinig verder, lager naar het dorpje toe, zich verhief. Kalkoenen, hanen en hennen zworven er kakelend en kraaiend rond; een levenslustig veulen liep hinnikend tusschen de fruitboomen; een pauw liet op eene korenmijt zijnen helderen gorgelkreet hooren. Doch de man had slechts aandacht voor eenen appelaar, die ver boven de andere uitstak.“

 

 

 

 

Teirlinck_Isidoor
Isidoor Teirlinck (2 januari 1851 - 27 juni 1934)

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Gerhard Amanshauser werd geboren op 2 januari 1928 in Salzburg. Zie ook mijn blog van 2 januari 2007 en ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Ein Unbekannter aus Österreich: Gerhard Amanshauser als Lyriker (Door Dante Andrea Franzetti)

 

„In den allermeisten der fünfzig Gedichte schwingt verhaltene Trauer über die Vergänglichkeit der Dinge und des Lebens mit. Die blitzende Ironie, der bissige Humor, die Aggression auch, die manchmal in den essayistischen Schriften auftauchen, scheinen einer sanften Schwermut gewichen zu sein. Man spürt: diese Gedichte sind eng verbunden mit dem eigenen Erleben und Erdulden einer vanitas, mundi, in der sich doch nur die vanitas hommi spiegelt: „Und wieder die Rinne / mit Blättern verstopft; / und wieder glitzernd im Wind / verwildertes Wasser / am Fenster vorbei / und hinab: ein verschleudertes Jahr" („November").

Andere Gedichte handeln von den „Feldgrauen" und „Veteranen", die mit ihren lauthalsen Umzügen „die Toten schänden"; wieder andere sind Stadtimpressionen, in denen sich, heimlich und hinterhältig, der Tod ankündigt im „Staub, darin Bombenschutt aufweht", oder auch nur Verlorensein, Orientierungslosigkeit, wie in „Trambahnfahrt": „Im Wagen weint schon lang ein Kind; / der Betrunkene ist eingeschlafen / und hat vergessen, wo wir sind". Und im Gedicht „Paris" tritt einem die Vergeblichkeit allen menschlichen Bemühens in Gestalt der Bettler entgegen, die sich auf den Gittern über dem Schacht der Untergrundbahn wärmen, während die Stadt altert und vergeht.

Gerhard Amanshauser hat mit diesen Gedichten, von denen einige - welchen anderen Begriff verwenden? - von vollkommener Schönheit sind, erneut bewiesen, wie sehr er sich jeder Kategorisierung entzieht. Philosoph, Essayist, Erzähler, Romanautor - und jetzt auch Lyriker. Wer diese Gedichte gelesen hat (und dazu die anderen Bücher Amanshausers), der mag hinter keine dieser Bezeichnungen mehr ein Fragezeichen setzen.“

 

 

 

 

Amanshauser
Gerhard Amanshauser (2 Januar 1928 - 2 September 2006)

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Luc Decaunes werd geboren op 2 januari 1913 in Marseille. Zie ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

 

Nocturne

 

Toutes les bêtes de la nuit

Qui se viennent brûler aux lampes,

Toutes les bêtes de la nuit

À la nuit la nuit se ressemblent :

Ne savent rien de l'existence,

Ne savent rien du feu qui mord;

Elles n'ont d'autre espérance

Que leur flambante agonie.

On les croirait folles d'oubli.

Du bout de la nuit aspirées

Par cette pompe de lumière,

Du profond de l'ombre accourant

En tourbillonnantes mêlées,

Elles se jettent durement

À la gueule du feu sans larmes;

Et le feu les emplit d'extase,

Les consume, les accomplit,

Dans l'éclat d'une fausse aurore :

Bêtes d'amour, bêtes dupées

Par le clair manchon de la mort.

 

 

 

 

Decaunes
Luc Decaunes (2 januari 1913 - ? 2001)
Geschreven door Romenu om 20:38 Reageer op dit bericht

Ulrich Becher, Ernst Barlach, Blaga Dimitrova, Wilhelm Bölsche, Paul Sédir, Philip Freneau, Look J. Boden

De Duitse schrijver Ulrich Becher werd geboren op 2 januari 1910 in Berlijn. Daar studeerde hij ook rechten. Hij maakte al tijdens zijn schooltijd kennis met de schilder George Grosz die zijn grafische talent ontdekte en hem als zijn enige leerling aannam. In 1932 verscheen zijn eerste novellenbundel Männer machen Fehler. In 1933 echter al werd zijn werk als ontaard op de brandstapel gegooid. Becher verliet Duitsland en leefde vervolgens in steden als Parijs, Wenen, Praag en Londen. In 1941 vluchtte hij naar Brazilië en kwam tenslotte in 1944 in New York terecht. In 1948 keerde hij naar Europa terug en behaalde in Wenen een grandioos succes met het toneelstuk Der Bockerer im Gepäck.

 

Uit: Murmeljagd

 

“Pardon ... Herr Doktor de Colana?”

„Grrunngg-gungg-hä?“ Ein verschleimtes Gurgeln. Sein Glotzblick irrte von der Decke, blieb blöd auf mir haften.

„Entschuldigen Sie höflichst die Störung, Herr Doktor. Ich komm nämlich als – hmja – als Interessent.“

„Uäh ... ääh ... uah ...“ Ein gestöhntes Gähnen. Die entzündeten Lider fielen zu. Jetzt hob und senkte die Brust sich regelmäßig, ich glaubte ihn wieder eingeschlafen. Da blinzelte er mich abermals an, stier-blöd.

„Ich meine, als Käufer. Hm, als eventueller Käufer eines Spaniels.“

Nun wich der Ausdruck völliger Stumpfe einem mählichen Begreifen. Ja, etwas wie feindseliger Hochmut begann mich aus diesen qualligen Augen anzulauern. Unter kolossalischen Ächzern, von neun Schwanzstummeln freudigst bewedelt, hob er seine verdreckten Stiefel vom Bettfuß, taumelte er hoch, kauerte er auf der Bettkante und zog sich mit lahmen Griffen den gelockerten schwarzen Schlips zurecht, knöpfte sein langschößiges schwarzes Jackett. Die Helle blitzte auf einer violett leuchtenden Akne, die die linke Nüster seiner an sich nicht unedel geformten Nase verunstaltete.

„Vacca Madonna“, grunzte er, mich ungnädiger anblinzelnd als der Erzvater. „Wie kommen Sie ... wer hat Sie hergeschickt?“ Er sprach ein fast akzentfreies Hochdeutsch.

„Herr Pizzagalli.“

„Pizzagalli, hä?“ Ächzen. Plötzlich stand er auf den Beinen, spitzte den überfransten Mund zu einem küssenden Geräusch: „Pf-pf, Sirio! Venga qui.“

Ein etwa dreivierteljähriger Wachtelhund mit pechschwarzem jugendglänzendem Fell krabbelte gehorsam übers Bett. De Colana packte ihn schwankend an der lockern Nackenhaut, schob sich näher und hielt ihn mir brüsk dicht vor die Nase, fast daß er ihn mir ins Gesicht geschwenkt hätte.

„Zwölfhundert Franken!“ knarrte er. Gesäuerter Schnapshauch schlug beizend unter den Schnurrbartfransen hervor.

 Ich dachte nicht dran, einen Hund zu kaufen; wie konnten wir, Flüchtlinge ohne Zuhaus, ein Haustier an uns binden? Dennoch verblüffte mich der Preis. Ich betrachtete Sirio. Er hing mir vor der Nase, ohne Zappeln, ganz artig leidende Unschuld, und glotzte mich aus seinen jungen runden Onyx-Augen an.

 

 

 

 

becher
Ulrich Becher (2 januari 1910 – 15 april 1990)

 

 

 

 

De Duitse, expressionistische beeldhouwer en schrijver Ernst Barlach werd geboren in Wedel, Pinneberg op 2 januari 1870. Barlach volgde een opleiding tot kunstschilder en beeldhouwer aan de kunstacademie in Dresden bij Robert Dietz. Hij vervolgde zijn studie aan de Académie Julian in Parijs en kreeg in 1909 een beurs voor een verblijf in Villa Romana, Florence. Vanaf 1897 was Barlach als vrij kunstenaar werkzaam. Hij trok zich in 1901 terug in zijn geboortestad Wedel. In 1906 bezocht hij Rusland om inspiratie op te doen en in 1910 verhuisde hij naar Güstrow in Mecklenburg, waar hij een atelier/woonhuis liet bouwen aan de Inselsee. Hij schiep hier zijn belangrijkste werken. Barlach maakte diverse herdenkings- en oorlogsmonumenten: in 1922 Schmerzensmutter in Kiel; in 1929 Der Schwebende in de kathedraal van Güstrow; in 1928 Der Geistkämpfer in Kiel; in 1929 het Magdeburger Ehrenmal in de kathedraal van Magdeburg en in 1931 het Hamburger Ehrenmal.

In 1934 behoorde Barlach tot de kunstenaars die de zogenaamde Aufruf der Kulturschaffenden van de NSDAP heeft ondertekend. Dit voorkwam niet dat tegen Barlach een lasterkampagne werd gevoerd, hetgeen uiteindelijk leidde tot de vernieling of verwijdering van diverse monumenten (enkele werken zijn in 1945 vervangen of herplaatst). In 1937 kreeg hij een expositieverbod opgelegd door de Reichskammer der Bildenden Künste. Zijn kunstuitingen werden door het naziregime beschouwd als Entartete Kunst. Meer dan 400 werken werden als zodanig uit openbare collecties verwijderd.

 

Uit: Ein selbsterzähltes Leben

„Großvater Barlach hatte Liebeskummer, und seine Söhne wachten mit ihm und halfen seufzen. Dann wurde es sehr spät, bis das erlösende Wort fiel: »So gebt die Bibel«; denn nur, wenn der Bibelabschnitt gelesen war, durfte nach der Ordnung des Pfarrhauses in Bargteheide zu Bett gegangen werden. Und mein Vater zeichnete, selbst in dieselbe Person schmerzlich verliebt, zeichnete Großvater Barlach mit seinen Söhnen von der einen Seite auftretend, Bertha Korneels aber, einen großen Geldbeutel herweisend, von der andern.

Ein bißchen Zeichnen oder Malen oder Schreiben mehr oder weniger fiel in der Familie nicht auf. Tante Friede schöpfte aus dem Vollen der Farbe und schonte auch die Leinwand nicht – und mit der gerahmten Leinwand nicht Wohnungen, Wände, Stuben, Dielen und alles Gelaß derer, die keine Wahl hatten zwischen Nehmen und Ablehnen. Auch ihre Rede quoll aus dem Überfluß; ihre schäumende Suada, hervorbrechend aus unausschöpfbaren Lungen, verglich mein Vater mit der der Königin Margarete in Richard dem Dritten. Tante Erne, zufrieden mit dem von ihrem Gott nur kümmerlich bemessenen Vermögen, strich im Glauben an den Wert alles aus Liebe Gegebenen ihre grundehrlichen Zaghaftigkeiten aufs gutwillige Papier. Und wenn es sich bei den Brüdern einigermaßen verhielt, so geriet es bei den Söhnen um so hemmungsloser; Vetter Friedrich wurde Maler, Vetter Ernst zog das zeichnerische und schreibende Bekennen und Beteuern mit einer seltsamen, draufgängerischen Unbedenklichkeit in den Dienst einer begeisterten Menschenfischerei, aus dem ihn noch als Student der Theologie der unbedenklichere Menschenfischer Tod verjagte – und sein Bruder Karl, obgleich Jurist, gestaltet mit reiner Treue, was Herz und Auge ihm in Lust und Qual zu verwinden geben und bildend aus dem Bereich des Erlebens in den des Betrachtens zu retten auffordern.

Aber mein Großvater starb nicht als Witwer. Als er an seinem ersten Enkel das Werk der Taufe übte, stand er, frisch verlobt, mit seinem Sohn auf dem Balkon des Ratzeburger Hauses, legte reuig die Hände auf das Gitter und seufzte aus tiefster Seele: »Wo ward ick se wedder los?«

 

 

 

 

barlach2
Ernst Barlach (2 januari 1870 - 24 oktober 1938)

Zelfportret

 

 

 

 

De Bulgaarsse dichteres Blaga Nikolova Dimitrova werd geboren op 2 januari 1922 in Byala Slatina. Zie ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Forbidden Sea

 

5.
The silhouette of a love,
 refracted in my memory—
 rootless seaweed
 carried from far away
 on a warm current.

 

How much bargaining with circumstance,
 how many devious moves,
 how much struggle with ourselves
 and risk and recklessness
 for just one meeting.

 

So close—the sea, jumping out of itself,
 and again subsiding to its own element.
 Around us—tourists,
 shrieking cutouts
 on the boiling background.

 

Only the two of us are quiet—
 a small island amid the chaos,
 so stormless, almost a mirage,
 set against reality,
 against your ticket home,
 against tomorrow.

 

 

 

Vertaald door Ludmilla G. Popova-Wightman & Elizabeth A. Socolow

 

 

 

 

dimitrova
Blaga Dimitrova (2 januari 1922 – 2 mei 2003)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Wilhelm Bölsche werd geboren op 2 januari 1861 in Keulen. Hij studeerde filosofie, geschiedenis en archeologie en trok in 1885 naar Berlijn, waar hij een centrale figuur werd in de "Friedrichshagener Dichterkreis“. In 1902 stond hij mede aan de wieg van de “Freie Hochschule Berlin” en hij was een gedreven promotor van de “Lebensreformbewegung”. Ook was hij redacteur van het in die tijd belangrijkste cultureel-politieke tijdschrift "Freie Bühne“.

 

Uit: Die Poesie der Großstadt

 

„Die moderne Großstadt ist baar aller Poesie, – wie oft das schon ausgesprochen worden ist! Man durchblättere die nachgelassenen Briefwechsel von Dichtern, die gezwungen waren, ihren Lebensabend im emporwachsenden Berlin, dem Berlin, das Großstadt vor ihren Augen wurde, zuzubringen. Klagen, nichts als Klagen! Das Ende aller Poesie ist dieses grauenvolle Häusermeer. Wer nicht die Mittel hat, wenigstens ein Drittel des Jahres fern von dieser kalten Welt in irgend einem Waldwinkel oder Seebade sich aufzuhalten, dem versiegt alsbald der heilige Quell, sein Herz wird leer und roh wie diese Steinkolosse, diese ungeheueren, schwirrenden Geschäftsräder, er geht unter an Leib und Seele.

Ich bin aus der Provinz nach Berlin gekommen, und was ich so oft gelesen hatte, habe ich geglaubt. Ich habe mir unter ein paar Jahren berliner Leben etwas vorgestellt wie eine bittere Kur, die man der Not gehorchend, schon einmal als moderner Mensch auf sich nehmen müsse zur Stählung des Geistes; die Poesie, so dachte ich, müsse fein säuberlich im untersten Gefache meines Koffers eingepackt liegen und liegen bleiben, bis diese schlimme Zeit der zwangsweisen Nordpolfahrt überstanden sei, später, bei Waldgrün und Bachesrauschen sollte sie schon wieder eine fröhliche Auferstehung feiern. Jahre sind vergangen und ich habe Berlin lieb gewonnen, nicht, wie so mancher, weil ich hier in hervorragendem Maße mein materielles Glück gemacht hätte, sondern als Poet. Wenn ich jetzt die Stadt durchwandere, vom Zentrum mit seinem wilden Strudel bis hinaus zur stillen Vorstadt, wo Welt und Welt, Dorf und Großstadt, Häusermeer und wogende Saatfläche sich berühren, so habe ich in mir nur ein Gefühl, das Gefühl der Ohnmacht gegenüber dieser Fülle des poetischen Stimmungsgehaltes, dieser Ueberfülle, die fast erdrückt, die in ihrer Größe nur einem gleicht, nämlich der Riesenstadt selbst.“

 

 

 

 

boelsche
Wilhelm Bölsche (2 januari 1861 – 31 augustus 1939)

 

 

 

De Franse schrijver, mysticus, Rozenkruiser en Martinist Paul Sédir (pseudoniem voor Yvon Le Loup) werd geboren op 2 januari 1871 in Dinan. Zie ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

Uit: Le Bienheureux Jacob Boehme

 

„Pour décrire la vie admirable de cet homme miraculeux et comblé de grâces divines, dit Frankenberg, il faudrait un rhéteur plus accompli que moi-même. Mais, comme aucun de ses compatriotes ne s'est encore chargé de ce soin jusqu'à ce jour, je vais essayer de le faire brièvement au moyen de souvenirs que je recueillis de sa propre bouche, pendant les années 1623 et 1624, où je fus son voisin. C'est cette relation que nous allons reproduire, en la complétant par celles d'autres disciples du théodidacte ; le portrait que nous donnons est dessiné d'après un cuivre dont nous devons la communication à l'obligeance de M. L. Bodin, le libraire bien connu.

Le bienheureux Jacob Boehme est né en 1575 après Jésus-Christ dans la bourgade d'Alt-Seidenberg, à environ deux lieues de Görlitz en Ober-Lausitz. Son père Jacob et sa mère Ursule étaient de pauvres paysans honnêtes et vertueux. Dès sa jeunesse, il fut employé avec les autres enfants du village à garder les troupeaux.

Pendant l'une de ces journées solitaires, où le calme de la nature développait puissamment son esprit méditatif, il lui arriva une chose remarquable. S'étant trouvé un jour, vers l'heure de midi, un peu éloigné de ses camarades, il avait gravi les premières rampes d'une colline avoisinante, nommée « Landes-Crone », lorsqu'il aperçut, à un endroit qu'il me fit voir par la suite, une façon de porte formée de grandes pierres rouges ; il y entra et s'engagea dans un souterrain qui le mena devant une grande masse d'argent ; arrivé là, il sentit un vent de terreur pénétrer son être ; il n'osa donc toucher à rien, et redescendit précipitamment la colline.“

 

 

 

sedir
Paul Sédir (2 januari 1871 — 3 februari 1926)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Philip Morin Freneau werd geboren op 2 januari 1752 in New York. Zie ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

 

To A New England Poet 

 

Though skilled in Latin and in Greek,

And earning fifty cents a week,

Such knowledge, and the income, too,

Should teach you better what to do:

The meanest drudges, kept in pay,

Can pocket fifty cents a day.

 

Why stay in such a tasteless land,

Where all must on a level stand,

(Excepting people, at their ease,

Who choose the level where they please:)

See Irving gone to Britain's court

To people of another sort,

He will return, with wealth and fame,

While Yankees hardly know your name.

 

Lo! he has kissed a Monarch's--hand!

Before a prince I see him stand,

And with the glittering nobles mix,

Forgetting times of seventy-six,

While you with terror meet the frown

Of Bank Directors of the town,

The home-made nobles of our times,

Who hate the bard, and spurn his rhymes.

 

Why pause?--like Irving, haste away,

To England your addresses pay;

And England will reward you well,

Of British feats, and British arms,

The maids of honor, and their charms.

 

Dear bard, I pray you, take the hint,

In England what you write and print,

Republished here in shop, or stall,

Will perfectly enchant us all:

It will assume a different face,

And post your name at every place,

From splendid domes of first degree

Where ladies meet, to sip their tea;

From marble halls, where lawyers plead,

Or Congress-men talk loud, indeed,

To huts, where evening clubs appear,

And 'squires resort--to guzzle Beer.

 

 

 

 

Philip_freneau

Philip Freneau (2 januari 1752 – 18 december 1832)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 2 januari 2009.

 

De Nederlandse dichter, tekstschrijver en uitgever Look J. Boden werd geboren in Vlaardingen op 2 januari 1974.

Geschreven door Romenu om 20:36 Reageer op dit bericht

Und wieder hier draußen ein neues Jahr (Theodor Fontane)


Aan alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

 

 

 

 

winter-landscape-rembrandt-harmenszoon-van-rijn

Winterlandschap, Rembrandt, 1646

 

 

 

 

Und wieder hier draußen...

 

Und wieder hier draußen ein neues Jahr -
Was werden die Tage bringen?!
Wird's werden, wie es immer war,
Halb scheitern, halb gelingen?

 

Wird's fördern das, worauf ich gebaut,
Oder vollends es verderben?
Gleichviel, was es im Kessel braut,
Nur wünsch' ich nicht zu sterben.

 

Ich möchte noch wieder im Vaterland
Die Gläser klingen lassen
Und wieder noch des Freundes Hand
Im Einverständnis fassen.

 

Ich möchte noch wirken und schaffen und tun
Und atmen eine Weile,
Denn um im Grabe auszuruhn,
Hat's nimmer Not noch Eile.

 

Ich möchte leben, bis all dies Glühn
Rücklässt einen leuchtenden Funken
Und nicht vergeht wie die Flamm' im Kamin,
Die eben zu Asche gesunken.

 

 

 

 

 

Fontane
Theodor Fontane (30 december 1819 – 20 september 1898)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e januari mijn vorige drie blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:24 Reageer op dit bericht

E. M. Forster, J.D. Salinger, Sven Regener, Rascha Peper

De Engelse romanschrijver en essayist Edward Morgan Forster werd geboren op 1 januari 1879. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2008 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Howards End

 

„ONE MAY as well begin with Helen's letters to her sister.
Howards End,
Tuesday.

Dearest Meg,
It isn't going to be what we expected. It is old and little, and altogether delightful—red brick. We can scarcely pack in as it is, and the dear knows what will happen when Paul (younger son) arrives tomorrow. From hall you go right or left into dining-room or drawing-room. Hall itself is practically a room. You open another door in it, and there are the stairs going up in a sort of tunnel to the first-floor. Three bed-rooms in a row there, and three attics in a row above. That isn't all the house really, but it's all that one notices—nine windows as you look up from the front garden.
Then there's a very big wych-elm—to the left as you look up—leaning a little over the house, and standing on the boundary between the garden and meadow. I quite love that tree already. Also ordinary elms, oaks—no nastier than ordinary oaks—pear-trees, apple-trees, and a vine. No silver birches, though. However, I must get on to my host and hostess. I only wanted to show that it isn't the least what we expected. Why did we settle that their house would be all gables and wiggles, and their garden all gamboge-coloured paths? I believe simply because we associate them with expensive hotels—Mrs. Wilcox trailing in beautiful dresses down long corridors, Mr. Wilcox bullying porters, etc. We females are that unjust.
I shall be back Saturday; will let you know train later. They are as angry as I am that you did not come too; really Tibby is too tiresome, he starts a new mortal disease every month. How could he have got hay fever in London? and even if he could, it seems hard that you should give up a visit to hear a schoolboy sneeze. Tell him that Charles Wilcox (the son who is here) has hay fever too, but he's brave, and gets quite cross when we inquire after it. Men like the Wilcoxes would do Tibby a power of good. But you won't agree, and I'd better change the subject.
This long letter is because I'm writing before breakfast. Oh, the beautiful vine leaves! The house is covered with a vine. I looked out earlier, and Mrs. Wilcox was already in the garden. She evidently loves it. No wonder she sometimes looks tired. She was watching the large red poppies come out. Then she walked off the lawn to the meadow, whose corner to the right I can just see. Trail, trail, went her long dress over the sopping grass, and she came back with her hands full of the hay that was cut yesterday—I suppose for rabbits or something, as she kept on smelling it.“

 

 

 

 

Forster

Edward Morgan Forster (1 januari 1879 - 7 juni 1970)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Jerome David Salinger werd in New York geboren op 1 januari 1919. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2008 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: The Catcher in the Rye

 

'What?' I said to old Phoebe. She said something to me, but I didn't hear her.  
'You can't even think of one thing.'  
'Yes, I can. Yes, I can.'  
'Well, do it, then.'  
'I like Allie,' I said. 'And I like doing what I'm doing right now. Sitting here with you, and talking, and thinking about stuff, and -'  
'Allie's dead. You always say that! If somebody's dead and everything, and in Heaven, then it isn't really -'  
'I know he's dead! Don't you think I know that? I can still like him though, can't I? Just because somebody's dead, you don't just stop liking them, for God's sake - especially if they were about a thousand times nicer than the people you know that're alive and all.'  
Old Phoebe didn't say anything. When she can't think of anything to say, she doesn't say a goddam word.  
'Anyway, I like it now,' I said. 'I mean right now. Sitting here with you and just chewing the fat and horsing -'  
'That isn't anything really!'  
'It is so something really! Certainly it is! Why the hell isn't it? People never think anything is anything really. I'm getting goddam sick of it.'  
'Stop swearing. All right, name something else. Name something you'd like to be. Like a scientist. Or a lawyer or something.'  
'I couldn't be a scientist. I'm no good in Science.'  
'Well, a lawyer - like Daddy and all.'  
 'Lawyers are all right, I guess - but it doesn't appeal to me,' I said. 'I mean they're all right if they go around saving innocent guys' lives all the time, and like that, but you don't do that kind of stuff if you're a lawyer. All you do is make a lot of dough and play golf and play bridge and buy cars and drink martinis and look like a hot-shot. And besides. Even if you did go around saving guys' lives and all, how would you know if you did it because you really wanted to save guys' lives, or you did it because what you really wanted to do was be a terrific lawyer, with everybody slapping you on the back and congratulating you in court when the goddam trial was over, the reporters and everybody, the way it is in the dirty movies? How would you know you weren't being a phoney? The trouble is, you wouldn't.'  
I'm not too sure old Phoebe knew what the hell I was talking about. I mean she's only a little child and all. But she was listening, at least. If somebody at least listens, it's not too bad.  
'Daddy's going to kill you. He's going to kill you,' she said.“

  
 
 

SalingerTime
J.D. Salinger (New York, 1 januari 1919)

Cover Time van 15 september 1963

 

 

 

 

De Duitse schrijver en musicus Sven Regener werd geboren op 1 januari 1961 in Bremen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2008  en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Neue Vahr Süd

 

„1. HARRY Am letzten Tag, bevor er zur Bundeswehr mußte, war Frank Lehmann in keiner guten Stimmung. Es war der 30. Juni, ein Montag, und er hatte nichts zu tun, es gab nicht einmal irgendwelche Scheinaktivitäten, in die er sich hätte stürzen können, um seine Gedanken von der unausweichlichen Tatsache abzulenken, daß er sich am nächsten Tag in der Niedersachsen-Kaserne in Dörverden/Barme einzufinden hatte, um dort seinen Dienst als Soldat zu beginnen. Das schöne Wetter machte die Sache nicht besser, im Gegenteil, hätte es wenigstens geregnet, dann hätte er vielleicht zu Hause in seinem Zimmer bleiben können, wäre mit einem Buch und einer Tasse Tee auf seinem Bett liegengeblieben und hätte den Tag vergammelt, aber das ging bei schönem Wetter nicht.
Genau das impfen sie einem als kleinem Kind schon ein, dachte er, als er am Vormittag in seinem alten Opel Kadett sinnlos durch Bremen fuhr, daß man bei schönem Wetter auf keinen Fall zu Hause bleiben darf, das kriegt man nie wieder raus, dachte er, als er sich ein bißchen am Osterdeich ans Weserufer setzte und darauf wartete, daß ein Bockschiff vorbeikäme, dem er hinterherschauen konnte, dabei ergibt das für jemanden, der zwanzig Jahre alt ist und gerade ausgelernt hat, überhaupt keinen Sinn, bei schönem Wetter draußen herumzuhängen, dachte er, als er wieder im Auto saß und zurück in die Neue Vahr Süd fuhr, einem großen Neubauviertel im Osten von Bremen, wo er noch immer bei seinen Eltern wohnte, und das ist ja auch Quatsch, mit zwanzig noch bei seinen Eltern zu wohnen, dachte er, eigentlich ist das eine Schande, Manni wäre das nie passiert, dachte Frank und merkte wieder einmal, wie sehr ihm sein großer Bruder fehlte, seit der aus Bremen weg nach Berlin gegangen war. Mit Manni hätte er sich jetzt gerne unterhalten, Manni hätte irgendwas gesagt, das einen aufgemuntert hätte, dachte er, als er durch das Einkaufszentrum Berliner Freiheit schlenderte,
Manni weiß immer irgendeinen Ausweg, oder jedenfalls sagt er immer etwas, das die Sache in einem anderen Licht darstellt, dachte er, oder er hat irgendeine Idee, obwohl er, was diese Bundeswehrsache betrifft, auch nur Quatschideen im Kopf hatte, dachte Frank, aber ich habe noch nicht einmal das, dachte er, bei mir reicht's noch nicht einmal für Quatschideen, ich weiß noch nicht einmal, wie alles überhaupt so weit kommen konnte.“

 

 

 

 

Sven_Regener
Sven Regener (Bremen, 1 januari 1961)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Rascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd geboren op 1 januari 1949 in Driebergen. Peper studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Amsterdam. Na haar studie werkte ze enige tijd als lerares. Ze verhuisde in 1983 vanwege het werk van haar partner naar Wenen. Daar begon ze met schrijven. In 1990 debuteerde ze met de verhalenbundel De waterdame. Haar eerste roman, Oesters, verscheen in 1991. De roman Rico's vleugels werd in 1994 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 1996 won ze de Multatuliprijs voor Russisch blauw. In het najaar van 1999 verhuisde Peper naar New York.

 

Uit: Russisch blauw

 

„Wensen? Nee, hoor, nee. Een bloeiende plant vond ze altijd leuk. Maar dat was niets bijzonders. Was er niet iets speciaals dat ze graag wilde hebben, een echt cadeau?
Het bleef even stil aan de andere kant. Dit waren moeilijke vragen voor zijn moeder.
‘Nou,’ zei ze toen, ‘nu je het vraagt: gisteren brak het handdoekenrekje in de keuken opeens af. Waar ik altijd de handdoek en theedoek aan heb hangen, weet je wel? Misschien is een nieuw han…’
‘Mamma!’ riep hij. ‘Als u een nieuw handdoekenrekje wilt hebben, dan breng ik dat met plezier een keer mee. Maar u denkt toch niet dat ik op uw zestigste verjaardag met een handdoekenrekje aan kom zetten.’
‘O, nee, nee…’ zei zijn moeder geschrokken. ‘Dan… dan moet je zelf maar wat bedenken, jongen. Ik vind alles leuk, hoor, gerust wel. Doe maar niet te veel moeite.’

 

 

 

 

raschapeper
Rascha Peper (Driebergen, 1 januari 1949)

Geschreven door Romenu om 12:22 Reageer op dit bericht

Douglas Kennedy, Rüdiger Safranski, Carry van Bruggen, Joe Orton, Mariano Azuela

De Amerikaanse schrijver Douglas Kennedy werd geboren op 1 januari 1955 in New York. Hij studeerde in Dublin en woont in Londen. Hij werkte onder andere als journalist voor The Sunday Times en Esquire en schreef hoorspelen voor de BBC. Zijn eerdere boeken waren thrillers, een ervan werd in vijftien talen vertaald. Met de The Pursuit of Happiness (2001) sloeg hij een nieuwe weg in. Er volgden o.a. A Special Relationship,State of the Union. The Woman in the Fifth en Leaving The World. In 2007 ontving hij de Franse onderscheiding Chevalier de l'Ordre des Arts et des Lettres. Zijn roman The Dead Heart was de basis voor de film Welcome to Woop Woop uit 1997.


Uit: State Of The Union

 

„AFTER HE WAS arrested, my father became famous.
It was 1966 - and Dad (or John Winthrop Latham, as he was known to everyone except his only child) was the first professor at the University of Vermont to speak out against the war in Vietnam. That spring, he headed a campus-wide protest that resulted in a sit-down demonstration outside the Administration Building. My dad led three hundred students as they peacefully blocked the entrance for thirty-six hours, bringing university executive business to a standstill. The police and National Guard were finally called. The protestors refused to move, and Dad was shown on national television being hauled off to jail.
It was big news at the time. Dad had instigated one of the first major exercises in student civil disobedience against the war and the image of this lone, venerable Yankee in a tweed jacket and a button-down Oxford blue shirt, being lifted off the ground by a couple of Vermont state troopers, made it on to newscasts around the country.
'Your dad's so cool!' everybody told me at high school the morning after his arrest. Two years later, when I started my freshman year at the University of Vermont, even mentioning that I was Professor Latham's daughter provoked the same response.
'Your dad's so cool!' And I'd nod and smile tightly, and say, 'Yeah, he's the best.'
Don't get me wrong, I adore my father. Always have, always will. But when you're eighteen - as I was in '69 - and you're desperately trying to establish just the smallest sort of identity for yourself, and your dad has turned into the Tom Paine of both your home town and your college, you can easily find yourself dwarfed by his lanky, virtuous shadow.
I could have escaped his high moral profile by transferring to another school. Instead, in the middle of my sophomore year, I did the next best thing: I fell in love.
Dan Buchan was nothing like my father. Whereas Dad had the heavyduty WASP credentials - Choate,

Princeton, then Harvard for his doctorate - Dan was from a nowhere town in upstate New York called Glens Falls. His father was a maintenance man in the local school system, his late mother had run a little manicure shop in town and Dan was the first member of his family to go to college at all, let alone medical school.“


 

Douglas_Kennedy
Douglas Kennedy (New York, 1 januari 1955)

 

 

 

 

De Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski werd geboren op 1 januari 1945 in Rottweil. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Romantik

 

„Was man um 1800 die ›Romantische Schule‹ genannt hat, was sich um die Gebrüder Schlegel versammelte, was sich in deren kurzlebiger, aber heftiger Zeitschrift »Athenäum« selbstbewußt und

bisweilen doktrinär zu Wort meldete, dieser entfesselte Spekulationsgeist des philosophischen Beginns von Fichte und Schelling, was in den frühen Erzählungen von Tieck und Wackenroder bezauberte als Vergangenheitssehnsucht und als neu erwachter Sinn für das Wunderbare, diese Hinneigung zur Nacht und zur poetischen Mystik bei Novalis, dieses Selbstgefühl des Neuanfangs, dieser beschwingte Geist einer jungen Generation, die zugleich gedankenschwer und verspielt auftrat, um den Impuls der Revolution in die Welt des Geistes und der Poesie zu tragen – diese ganze Bewegung hat selbstverständlich eine Vorgeschichte, einen Anfang vor dem Anfang.

Die jungen Leute, denen es nicht an Selbstbewußtsein mangelte, wollten einen neuen Anfang setzen, aber sie setzten doch auch fort, womit eine Generation früher der ›Sturm und Drang‹ begonnen hatte.

Johann Gottfried Herder, der deutsche Rousseau, hatte den Anstoß dazu gegeben. Und deshalb kann man die Geschichte der Romantik mit dem Augenblick beginnen lassen, da Herder 1769 zu einer

Seereise nach Frankreich aufbrach, überstürzt und fluchtartig, überdrüssig der beengenden Lebensverhältnisse in Riga, wo sich der junge Prediger mit den Orthodoxen herumschlagen mußte und in ärgerliche literarische Fehden verwickelt war. Unterwegs kommen ihm Ideen, die nicht nur ihn beflügeln werden.

Herder sticht also in See. Hier beginnt unsere Reise auf den Spuren der Romantik und des Romantischen in der deutschen Kultur. Sie führt nach Berlin, Jena, Dresden, wo die Romantiker ihre Hauptquartiere aufgeschlagen hatten und wo sie das Feuerwerk ihrer Ideen abbrannten. Wo sie träumten, kritisierten und phantasierten.

Die Epoche der Romantik im engeren Sinne endet bei Eichendorff und E.T.A. Hoffmann, romantische Entfesselungskünstler und doch auch anderweitig gebunden. Der eine ein guter Katholik und Regierungsrat, der andere ein liberaler Kammergerichtsrat. Beides Doppelexistenzen, die nicht auf Romantik festgelegt sind. Eine kluge, eine lebbare Form der Romantik.“

 

 

 

 

safranski
Rüdiger Safranski (Rottweil, 1 januari 1945)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen (eig. Caroline Lea de Haan) werd geboren in Smilde op 1 januari 1881. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Palestina

 

„Nu zal het weldra weer een jaar geleden wezen, dat hij viel, Jacob Israël de Haan, mijn broer. Tot flauwe echo's zijn ze geworden, uit een verleden dat soms al ver lijkt, de vele betuigingen: hoe jammer het was dat hij zoo jong en zoo gewelddadig sterven moest. Het leek ook wel wreed en onnatuurlijk. Maar nu het zoo was.... waar is het onderscheid tusschen veertig en tachtig, tusschen niet meer te zijn en nooit geweest te zijn?

Dan, het gewelddadige van zijn einde. Ik heb dat toch al vrij gauw in harmonie met zijn leven kunnen voelen. Hij paste niet bij de menschen en daarom hebben ze hem uit hun midden, uit hun wereld verwijderd. Om twee dingen was het dat hij niet bij hen paste. Het eerste dat hij veel te veel gaf, het tweede dat hij veel te veel vorderde.

Nooit in mijn leven heb ik iemand gekend, in wien de ‘sense-of-property’ zoo volkomen ontbrak als in hem. De minste vleug, de flauwste schijn van liefde, vriendschap of maar wederzijdsche ingenomenheid was hem kostbaarder dan het kostbaarst bezit. Tot het scheppen, bevestigen, bestendigen van liefde, vriendschap of maar ingenomenheid zou hij zijn mooiste, zijn beste weggegeven hebben. Wilden we dat een geschenk, een boek, ook wezenlijk van hem zou zijn, dan schreven we erin: ‘Dit mag niet weggegeven worden.’ Niet om hem te dwingen het te behouden, maar om anderen te dwingen het af te wijzen! Zoo gaf hij zijn geld, zijn tijd, zijn nachtrust, zijn groote, vele talenten -, altijd meer aan menschen dan aan idealen, aan geïdealiseerde menschen, om met hen in die atmosfeer van liefde, vriendschap, toegenegenheid, die hem onontbeerlijk was, te mogen ademen. Tegen elke evidentie in, tegen beter weten in. Wat kunnen de menschen daarvan begrijpen? De menschen en de wereld van ‘Al te goed is buurmans gek’, van ‘Les bons comptes font les bons amis,’ van ‘Handel scheidt vriendschap’ en ‘Zaken vóór het meisje?’. Wij hoorden die dingen al in onze jeugd en ze deden ons beiden pijn, maar hij bleef ze loochenen metterdaad en leefde ertegen in. Hebben niet zijn felste vijanden zijn belangeloosheid luid geprezen? Dat hij werkte voor anderen en zelfs geen kosten vergoed wilde, toen hij nauwelijks leven kon. De volupteit van het geven werd verhoogd door de ontbering. Maar de wereld weet dat niet en zelfs de bevoordeelden, de begiftigden stoot het vaak af. Want het is immers niet ‘normaal’. Velen heeft hij vervreemd door te snel en te veel te willen geven.“

 

 

 

 

VanBruggen
Carry van Bruggen (1 januari 1881 - 16 november 1932)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Joe Kingsley Orton werd geboren in Leicester op 1 januari 1933. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Uit: Leonie Orton Barnett on her brother Joe Orton (door Aleks Sierz)

 

„Did you always know that Joe was gay?

Oh no. I don’t think he was gay when he left Leicester [in 1951]. He’d only had very mild sexual experiences. There was that guy in the pictures [cinema] who was masturbating and all that. And there were the women that he met through the amateur dramatics. And he was really smitten with them. But women gave him a hard time. They didn’t take him seriously. To them, he was just a little boy. He was 16 and 17, but he looked younger.
Of course, he was looking for love. He was looking for somebody who was on his wavelength, and he found that in London. I think he really respected Kenneth. And I think that John Lahr makes the point that the idea was always that they would read and they would write together. They would get published. Or rather he, Kenneth, would get published. And he would be famous. And he would always have this pretty boyfriend. This pretty thing, Joe.

Joe was your Mum’s favourite?

Oh, absolutely. Her first child. And she was much kinder to her boys than she was to her girls. That’s all standard for the time.

I
n Lahr’s book, it sounds like everybody hated Halliwell. Is that true?

No, it’s not. I just don’t know where he got that from. Because Peggy certainly never gave him that idea. Peggy always said about Kenneth, after Joe’s success, “Poor Kenneth, he fell behind.” And that’s a direct quote. And I suppose that [after Joe’s success] people didn’t want Kenneth. Joe had outgrown that life. That monkish existence that they lived in the early days, in the flat. He clearly left it behind, and then you see Kenneth became, as they say, the fly in the ointment.
Don’t forget that in the beginning Kenneth was Joe’s mainstay; Kenneth was the mentor. He said, “This is what we’re going to read; this is how we’re going to think,” you know. He taught him manners, he taught him mannerisms, he taught him all sorts of fundamental stuff that Joe wouldn’t have known. Joe wouldn’t have known how to socialise with people. But then Joe took to it like a fish to water and satirised it all. He challenged society’s fervently held moral values through satire, exploding myth after myth. So Peggy’s right in many ways. Poor Kenneth did fall behind. And then he was ill. And I think it is significant that Joe’s last play [
What the Butler Saw] was set in a psychiatrist’s clinic. Poor Kenneth was in an absolute mess. He was taking anti-depressants, Mogadon to make him sleep. It’s a bit like Michael Jackson, isn’t it? Uppers and downers all over the place.“

 

 

 

Orton
Joe Orton (1 januari 1933 - 9 augustus 1967)

 

 

 

 

 

De Mexicaanse schrijver en medicus Mariano Azuela González werd geboren in Lagos de Moreno op  1 januari 1873. Azuela studeerde chirurgie aan de Universiteit van Guadalajara. Azuela is vooral bekend wegens zijn romans over de Mexicaanse Revolutie, die hij van dictbij meemaakte. Onder Francisco I. Madero was hij regionaal leider (jefe politico) van zijn geboortestreek en na Madero's dood sloot hij zich aan bij de troepen van Pancho Villa, waar hij werkte als dokter. Na diens nederlaag zag hij zich gedwongen naar Texas te vluchten, waar hij Los de abajo (Engels: The Underdogs) schreef, zijn bekendste werk. In 1917 keerde hij terug naar Mexico en ging in Mexico-stad wonen, waar hij tot zijn dood in 1952 als dokter werkzaam bleef.

 

Uit: The Underdogs (Vertaald door E. Munguia jr.)

 

„That's no animal, I tell you! . . . Listen to Palomo barking! It must be a human being.
The woman stared into the darkness of the sierra.
"What if they're Federals?," said a man who sat squatting and eating, a coarse earthenware plate in his right hand, three folded tortillas in the other.
The woman made no answer; all her senses were directed outside the hut.
The beat of horses' hoofs rang in the quarry nearby. Palomo barked again, louder and more angrily.
"Well, Demetrio, I think you had better hide, all the same."
Stolidly, the man finished eating; he reached for a water jug and gulped down the water in it. Then he stood up.
"Your rifle is under the mat," she whispered.
A tallow candle illumined the small room. In one corner stood a plow, a yoke, a goad, and other agricultural implements. An old adobe mold hung by ropes from the roof and served as a bed; on it a child slept, covered with rags.
Demetrio buckled his cartridge belt about his waist and picked up his rifle. Tall and well built, with a sanguine, beardless face, he wore shirt and trousers of white cloth, a broad-brimmed straw hat, and leather sandals.
With slow, measured step, he left the room, vanishing into the impenetrable darkness of the night.
Palomo, excited to the point of fury, had jumped over the corral fence. Suddenly a shot rang out. The dog moaned, then barked no more.
Men on horseback rode up, shouting and swearing. Two of them dismounted, while the other hung back to watch the horses.
"Hey, there, woman, we want food! Eggs, milk, beans, anything you've got! We're starving!"

"Damned sierra! It would take the Devil himself not to lose his way!"
"Sergeant, even the Devil would go astray if he were as drunk as you are."
One of them wore chevrons on his shoulders, the other red stripes on his sleeves.
"Whose place is this, old woman? . . . What the . . . Isn't anybody home?"
"What about that light and that child there? Look here, woman, we want to eat, and damn quick, too! Are you coming out, or are we going to make you?"

 

 

 

Mariano_Azuela
Mariano Azuela (1 januari 1873 - 1 maart 1952)

Geschreven door Romenu om 12:20 Reageer op dit bericht

René de Ceccatty, Ashfaq Hussain, Kristijonas Donelaitis, Johannes Kinker, Sándor Petőfi, Anne Duden

De Franse schrijver, essayist en vertaler René de Ceccatty werd geboren op 1 januari 1952 in Tunis. Hij vertaalt vooral uirt het Japans en het Italiaans en is en van de beste kenners van het werk van Pier Paolo Pasolini, Violette Leduc en van de Italiaanse literatuur in het algemeen. Zijn romans Aimer (1996), Consolation provisoire (1998), L'Éloignement (2000) en Une fin (2004) vormen een tetralogie en kan men scharen onder de noemer auto-fictie.

 

Uit: Une fin

 

„On pourra appeler ça de la folie. Et c'est probablement le mot qui reviendra le plus souvent pour décrire cette période de ma vie qui suivit non la rupture, mais l'acceptation de la rupture.J'ai d'abord été le seul témoin de la dégradation de ma personnalité : c'est en ces termes que je résumais le spectacle quej'offrais à mon oeil intérieur. Même évidence que celle que me livrait le reflet de mon visage du délabrement des traits, affaissement des muscles, ouverture des plis, ternissement des cristaux, engrisaillement du teint, de la progression de l'inexpressivité ou de l'expression involontaire.“

 

 

 

 

ceccatty
René de Ceccatty (Tunis, 1 januari 1952)

 

 

 

 

De Canadess-Pakistaanse (Urdu) Ashfaq Hussain werd geboren op 1 januari 1951 in Karachi, Pakistan. Hij publiceerde al meer dan tien bundels met gedichten en literaire kritieken. Ook wordt hij beschouwd als een van de grootste experts op het gebied van leven en werk van grote Urdu dichters als Faiz Ahmed Faiz en Ahmad Faraz.

 

 

A Suggestion

 

You think
that by wearing a green spectable
these dry meadows
will turn verdant and fresh
these hapless harvests
will pluck out their autumnal garb
like a dry leaf
at the hands of which merciless winds,
loses its being.

 

You think
that just because of the laughter on your lips
the bitterness of this environment
will self-destruct and die
but this is not possible.

 

Why not snatch the trembling helplessness
from the lips of our environment?
Let us pluck out the moonlight
which hides behind a ruined wall,
let us look for light.
Life is our birthright
Let us save it from death.

 

 

 

 

AshfaqHussain
Ashfaq Hussain (Karachi, 1 januari 1951)

 

 

 

 

 

De Pruisische-Litouwse dichter Kristijonas Donelaitis werd geboren op 1 januari 1714 in Lasdinehlen bij Gumbinnen in het oostelijk deel van Oost-Pruisen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

 

Winter Cares (Fragment)

 

Look yon! What great, fierce fangs the beast of winter bares !
What sullen northern winds roll here to harry us !
On the grim lakes and ponds translucent windows form,
Like shining mirrors fashioned by a glazier's hand.
The pools, where swam the fish and leaped and dived the frogs,
Because of winter's threats, have put on armor plate,
So now in dark retreats drowse all the water folk.
See how the winter's breath enthralls the barren fields,
How lowland, swamp, and marsh all hard-fixed frowns take on,
And how the mire has stubborn grown and ceased to splash.
The dreary autumn roads, struck by the north wind's might,
Under the wagon wheels resound like kettle drums,
And pound the human ear many a league away.
So now the world salutes the winter on the march.

 

Yea, 'tis a proper time; the Yuletide feast is near,
And the Advent in a few days will be no more.
The autumn, like an elephant asplashing mire
And rolling in the mud, had all of us worn out.
While putting on bast shoes or pulling up high boots,
We cursed the autumn rains and never-ending slush.
Even the noble lords, racing by on horse back,
Wrapped tight in rain-proof coats and wearing new high-boots,
Splashed through the squashy mud and roundly cursed the fall.
And so the populace, with eyes upon the north,
Denounced the autumn's mire and longed for winter's haste.

 

 

 

 

Bust_of_Kristijonas_Donelaitis_in_Tolminkiemis
Kristijonas Donelaitis (1 januari 1714 – 18 februari 1780)

Buste, gemaakt door Rimantas Lazdynas, in Tolminkiemis

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, filosoof en advocaat Johannes Kinker werd geboren in Nieuwer-Amstel op 1 januari 1764. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

Nieuwejaarswensch van Thomas en Pieternel, in de Bruiloft van Kloris en Roosje, voor den eersten van louwmaand 1802. Op verzoek van eenige tooneelkunstenaars van den Amsterdamschen schouwburg vervaardigd, doch niet uitgesproken. (Fragment)

 

Tweespraak.

 thomas.

 Wel, pieternel, ik laat me hangen! -

 Ik weet niet hoe ik 't aan zal vangen:

 Want Nieuwjaarsdag komt altijd weêr,

 't Is altijd wenschen keer op keer.

 't Verveelt me om (hoe ik 't aan mag leggen)

 Op nieuwe-jaar iets ouds te zeggen.

pieternel.

 Zeg dan wat nieuws van 't oude jaar:

 Zulks wacht men toch niet thomas-vaâr!

 thomas.

 Laat ik me daar eens op bezinnen! -

 Ei kijk! - Daar schiet het me te binnen.

 't Verloopen jaar was juist 't jaar Één,

 Dat, eer het uit ons oog verdween,

 Het nieuw weêr oud, en de oude zaken

 Behendig weder nieuw kwam maken.

 Dat is (ten minste, 't heugt me niet)

 Nog nooit in zulk een jaar geschied.

 

 (Zich tot de aanschouwers wendende.)

 

 Gij zaagt daarin, ô Amstelaren!

 Het woest gedruisch des krijgs bedaren;

 God Mavors naar Sint-Felten varen;

 Ons Staatsschip dobbren op de baren,

 En naar een andre haven varen,

 Om 't voor het stranden te bewaren.

 Gij zaagt twee dingen zamen paren,

Die eerst elkaâr vijandig waren;

 Het oude naast het nieuwe scharen,

 Om zóó 't verstrooide te vergâren,

 En elk de moeite te besparen

 Van regts en averregts te varen,

 Gelijk men deed sinds vele jaren.

 Gij zaagt 't verwarde kluwen garen,

 Waarmeê men 't langer niet kon klaren,

 Met fijne politieke scharen,

 Door Meesters, in de kunst ervaren,

 Aan endjes knippen en bewaren,

 Om 't oude speeltuig te besnaren.

 ô Ja, dit zaagt gij Amstelaren! -

 

 

 

 

kinker
Johannes Kinker (1 januari 1764 – 16 september 1845)

 

 

 

De Hongaarse dichter Sándor Petőfi werd geboren in Kiskőrös op 1 januari 1823. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009.   

 

 

 

I'll Be a Tree

 

I'll be a tree, if you are its flower,

Or a flower, if you are the dew- 

I'll be the dew, if you are the sunbeam,

Only to be united with you.

 

My lovely girl, if you are the Heaven,

I shall be a star above on high;

My darling, if you are hell-fire,

To unite us, damned I shall die.

 

 

 

Vertaald door Egon F. Kunz

 

 

 

 

 

Der Traum

 

Der Traum,
der uns ins Land erfüllter Sehnsucht lenkt,
ist wohl das Schönste, was Natur uns schenkt,
ein Glück, das uns vergönnt im Wachen kaum.
Der Arme friert im Traum nicht mehr,
die Qual des Hungers ist gestillt,
er geht in schöne Kleider eingehüllt,
im herrlichsten Gemach auf Teppichen umher.
Der König selbst vergißt,
daß es sein Amt zu strafen und zu richten ist,
schläft friedlich, unbeschwert.
Der Jüngling, dessen Herz verzehrt
verschmähte Liebeslust,
schmilzt hin an der begehrten Brust.
Ich aber brech entzwei
im Traum die Ketten aller Sklaverei!

 

 

 

 

Wie der Rosenbusch

 

Wie der Rosenbusch am Hügel dort
lehne dich an mich, geh nicht mehr fort!
Flüstre mir ins Ohr: Ich bin dir gut!
Ach, wie wohl das meinem Herzen tut!

 

Wie der Sonne Bild sich badend schmiegt
in den Fluß, von seiner Flut gewiegt,
schmiege, Liebste, dich an meine Brust!
Wiegen will ich dich nach Herzenslust!

 

Gottesleugner nennt mich manch ein Wicht,
doch, mein Engel, glaub den Schwätzern nicht.
Betend lausch ich deines Herzens Schlag,
fromm, wie es kein andrer wohl vermag.

 

 

 

 

Vertaald door Martin Remané

 

 

 

 

schilderijpetöfibekangepast
Sándor Petőfi (1 januari 1823 - 31 juli 1849)

Schilderij van Mihály Munkácsy

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 januari 2009.     

 

De Duitse dichteres en schrijfster Anne Duden werd geboren op 1 januari 1942 in Oldenburg.

Geschreven door Romenu om 12:17 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten