Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 27 januari 2010 tot 28 januari 2010

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Ismail Kadare, Miguel Barnet, José Martí

Deze gedichtendag is tevens de verjaardag van de nederlandse Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr. De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

da capo

treed binnen allerzwartste
met je gezandstraalde ziel
gerangschikte tranen
treed binnen en brul als een dame

schreeuw onder een houten doek
opnieuw cadenza na cadenza
sterf in een lijf dat niet van jou is
zing tot bloedens toe
                                      ik wacht

beuk open de rode zaal
ik heb haar schoon en stil gemaakt
en smeek je wees mijn opera
da capo
                                      kus dit lege hart

 

 

 

 

 

In het land der koningen

 

ik leef in een land

waar de dierenvriend besluit

uit goedheid een andere mens neer te knallen

 

ik leef in een land

waar de vrome gelovige besluit

uit eerbied het mes in de ketter te planten

 

ik leef in een land

waar onze jongens uit gekkigheid soms

de conducteur in elkaar stampen

 

ik leef in een land

waar een keurige man, achtendertig, blond

de vrijheid neemt om door anderen heen te rammen

 

en in dit rood, rood schemerland

waar de grenzen totaal werden opgeheven

waar de mondigheid totterdood wordt beleden

en waar zestien miljoen koningen leven

 

daar ontstaat vanzelf een nieuwe orde

daar zal langs feestelijk afgezette lanen

een laatste koningin haar laatste onderdanen

als beesten overreden zien worden

 

 

 

 

nieuw nederland

 

o bron van humanisme, blakend lichtpunt

o bakermat van zeldzaam burgerschap

wie luistert nog naar ons? dat zijn dan leiders

ze schallen hier hun christennormen rond

 

hangen fraai de morele misthoorn uit

maar in amerika (en nooit prime time)

doen ze het glimmend in hun broek van trots

stelen we tijd in het koelwitte huis

 

wat is een gidsland nog in zo’n positie?

wij varen braaf achter de grote baas

’t is imposant: een vloot van vijftig staten

 

plus nog een luchtbed om hen op te jagen

GEZOCHT: grote malloten met een visie

die dromen kunnen en de zee doen kraken

 

 

 

 

 

ramsey-nasr
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

Luna

 

Alsof het was bedekt met hevig licht
bleef haar lichaam mij weerkaatsen,
even zinloos dreigend
zoals de glans aan messen hangt.

Ik bedroog haar met geweld:
mijn lichaam liet haar voor de liefde leven,
haren werden touw toen ik ze opbond,
een verwonding opsmuk, een gevlamde tatoeage.

Voor mijn schoonheid moest zij dood.
Uit haar schreeuwden tegenstrijdige bevelen.
Vuistgroot trilde ik boven haar uit.
Vallen was genade.

 

 

 

 

Sol invictus

 

Daar zit de vrouw juist, in een preutse jurk

die brandbaar is. (Ik ben haar man[p. 38] maar heeft ze iets?) Niet dat ik niet weet

dat er hoge liedjes spelen in haar hoofd,

maar ik lig nu in een gouden blouse van organza,

paarse lippen met een rode tong ertussen, dan

breng ik witte vingers halverwege naar mijn kapsel.

Het geklik van de viewmaster:

te veel licht en chemicaliën; rare pluisjes en krassen

voor mijn ogen, als zit daar een stekelige hand tussen

mij en mijn plaatjes. Staat Hij me naar het leven

met Zijn kleine foto's die opengaan, in mij verschieten?

Ik,

de diamanten man vierstralig, omcirkeld door stemmen,

vliegjes en constellaties

tolererend omdat elke maan mijn schittering weerkaatst.

 

 

 

 

Life On Mars

Was zo graag samen
gevallen
maar iedereen viel
apart

was zo graag samen gevallen
maar iedereen viel apart
alleen
wij

was zo graag samengevallen
maar iedereen viel apart
alleen wij
sprongen naar de sterren.

 

 

 

 

Verhelst
Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

mein vater


sah gern chaplin
der große organisator
trug stets perlonbeutel und stichsäge bei sich
wenn er ins möbelkombinat ging
arbeiten fürs restholz
nannte er das
baute barhocker mit rotem knautschlackbezug
sommers in kurzen hosen schmatzten
die schenkel darauf
noch heute
finde ich in schubläden unberührte
großpackungen
rasierklingen und interhotelseife
nur im eckschrank in der küche
wo der korn deponiert war
für blaue stunden
steht die flasche
nicht mehr

 

 

 

Lippert

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

 

 

 

De Albanese dichter en schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

Poetry

 

Poetry,
How did you find your way to me?
My mother does not know Albanian well,
She writes letters like Aragon, without commas and periods,
My father roamed the seas in his youth,
But you have come,
Walking down the pavement of my quiet city of stone,
And knocked timidly at the door of my three-storey house,
At Number 16.

 

There are many things I have loved and hated in life,
For many a problem I have been an 'open city',
But anyway...
Like a young man returning home late at night,
Exhausted and broken by his nocturnal wanderings,
Here too am I, returning to you,
Worn out after another escapade.

 

And you,
Not holding my infidelity against me,
Stroke my hair tenderly,
My last stop,
Poetry.

 

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

 

 

Kadare
Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)

 

 

 

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

Death’s Like That

 

Fatso has died who could inflate

bicycle tires with his lungs

he used to get drunk in front of the Castillo de la Punte

hiding from daylight

 

Patricio has died his small dry hands

clasping a final lottery ticket to his breast

 

Tente, from Palmira, has died in his filthy bed of straw

poor old santero

 

He died at midnight while pouring aguardiente

for Oggún Arere his protector

I don’t know why I’m so sad about Tente

 

Israel has died who sold cloth wholesale

and filled with nostalgia would announce

‘I’d like to eat figs in Poland’

 

Susanita has died, the old hotel keeper, worn out from weeping

in the courtyard armchair

her keys at her waist and her thick nose...ah, Susanita!

 

The hustler died — I can’t recall his eyes —

who used to lounge for hours

against the post with the streamers

on the Paseo del Prado

 

Oscar the bookie has died, but more slowly,

soaked to the ears in violet water

weighing at the end no more than a husk

 

The gypsy organ grinder is dead

whose monkey danced its tender dance

at the end of its leash all over town

 

Lucía, or was it Lucrecia, is also dead

my mother’s seamstress

who sweated over her sewing machine day and night

to support Humberto, her eternal husband

Those eyes of hers pierce his body now

Jesús is dead — I wish this was over —

the mulatto from the library

They told me to read a lot. I don’t know anything.

 

Picasso is dead, hung

from a bar of chocolate

                                                                  That Picasso

                                                                  did amazing things

                                                                  at the circus!

 

Dead. This is awful

                                           God

 

Once again I don’t know why I say the name

 

I wish I could flow like a river

 

 

 

 

Vertaald door Mark Weiss

 

 

 

 

miguel_barnet

Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

Geschreven door Romenu om 20:29 Reageer op dit bericht

Hermann Kesten, David Lodge, Wies Moens, Manfred Jendryschik, Mo Rocca, Hermann Peter Piwitt, Colette, Christian Felix Weiße

De Duitse dichter en schrijver Hermann Kesten werd geboren op 28 januari 1900 in Podwoloczyska (tegenwoordig Oekraïne). Zie ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

Polen

Grüne, rote Felder.
Birken, weite Wälder.
eine Kuh steht melancholisch.
Ob sie denkt? Ob sie verdaut?
Die Welt erscheint ihr hyperbolisch.
Kennt sie den Marktpreis ihrer Haut?
man wird sie häuten, walken, gerben, färben.
Lang vor dem Alter muß sie sterben.
Erst wird sie säugen, Kälber, Kinder nähre.
Dann frißt man sie, die Kuh kann sich nicht wehren.
Sie kennt ihr Schicksal nicht. Da steht sie unbeweglich.
Das Gras wird ihr zur Milch. Sie muht, und es klingt kläglich.
Der Abend grünt und rötet sich und blaut.
Die Kuh steht still. Sie trägt noch ihre Haut.

 

 

 

 

kesten
Hermann Kesten (28 januari 1900 – 3 mei 1996)

 

 

 

 

De Engelse schrijver en literatuurwetenschapper David Lodge werd geboren op 28 januari 1935 in Londen. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

Uit Deaf Sentence

 

„My own awareness of having a hearing problem was more gradual. I was in my late forties, teaching full-time in the English department at Birmingham University and finding it more and more difficult to hear what students were saying in tutorials and seminars. At first I blamed the students for mumbling and murmuring – which many do, of course, out of diffidence or fear of seeming overassertive to their peers – but I had coped well enough in the past.

I was conscious also that I was talking too much myself in class because it was less of a strain than trying to make out what they were saying. So I went to my GP hoping that the problem was a build-up of wax in the ears, but it wasn’t. He referred me to an ear, nose and throat consultant who, after I had an audiogram, diagnosed high-frequency deafness – possibly caused by ear infections I had suffered in infancy.

My impairment was relatively mild, but the specialist warned me that it would gradually get worse and there was no cure.

It is estimated that about 9m people in the UK – one in seven of the population – are deaf or suffer from hearing loss. High-frequency deafness is by far the most common form of hearing impairment and is caused by loss of – or damage to – the thousands of tiny hair cells in the inner ear that amplify and convert sounds so that they can be transmitted to the brain. Consonants are pitched at a higher frequency than vowels and it is on consonants that we crucially depend to recognise words and distinguish between them.“

 

 

 

 

david_lodge
David Lodge (Londen, 28 januari 1935)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898. Zie ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

Uit: Celbrieven

 

„Mijn hart is wel een vaste klomp van harde verbittering. Maar als daarbuiten, op een tak die ik niet zien kan, een wintervogel (sneeuwwit, op een stekeldorentje - het oude lied!) zijn din-don-deine slaat, och als daar maar één druppeltje klare vogelzang op mijn hart valt, smelt de klomp, als was dat brandt op Mei-altaren!

Dragen alle eerlike lui uniformen met blinkende knopen en kepi's met zilverband? Ik weet niet of de bozen een ander gelaat hebben als de goeden. Kwaaddoeners dragen een kap over hun hoofd. Ik zag nooit het gelaat van een booswicht. Ook mijn eigen gelaat kan ik niet zien. Misschien is dat goed. Ik kon anders razend worden.

Komt het nu weer? Als ik aanhoudend staar, op de witte wand staar, komt het altijd. De verschijning. Zij komt uit de witte wand: het is als een licht dat plots in een nis wordt gesteld. De hele gestalte is licht, alleen het gelaat is donker; daar hangt rouw over de oogleden. Het is een zeer fijn gelaat, zacht als het aanschijn Christi.

Zo was mijn laatste droom. Een jonge Romein, in knapedracht. Hij stond: dat wil zeggen, staan was het enige wat hij deed. Onder zijn arm hield hij een speer. De schacht van de speer was zwart, en de punt naar de grond gekeerd. Het was of de jonge Romein eeuwig zô staan zou. Aan zijn voeten lag een meisje. Zij lag er als Magdalena aan de voet van het Kruis en hield zijn knieën omklemd. Toen zij haar gelaat ophief, zag ik dat het nat was van tranen. Maar niet zodra hadden haar ogen die van de jongeling gevonden, of daar lichtte over haar aangezicht al de glans van de eerste morgen die straalde van Gods gelaat! Ik geloof dat het jongelingsbeeld toen plots levend geworden is.“

 

 

 

Moens
Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver en uitgever Manfred Jendryschik werd geboren op 28 januari 1943 in Dessau. Zie ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

Uit: Der feurige Gaukler auf dem Eis

 

„Ach diese Stimme, thüringisch eingefärbt, jetzt wohnt sie in Leipzig, das gibt eine Mischung, jedenfalls zart, ein Mädchen, dass du die Worte beschützen möchtest, auch ihr Gesicht hat diese Röte, die kindliche, manchmal erzählt sie eifrig, die Lippen vollführen Sprünge, und sitzt dann auf fliegendem Teppich, sie gleitet uns weg aus dem Haus, aus den Straßen, der Stadt, ist schon unter südlicher Sonne zum Beispiel, das könnte die Camargue sein, um Aix en Provence usw., wo noch die wildesten Pferde traben, und zum Marienfest treffen sich Europas Zigeuner, da fällt sie gar nicht mehr auf, nie war sie anders, und es ist deutlich zu sehen, wie sie in buntschillerndem Röckchen tanzt, das Tamburin in der Hand, der Atem in Stößen, schneller die Schritte, verrückter, verrückter, jetzt sollte, erst mal, ein Semikolon her; einer hat doch gesagt, sie wäre einst Staatsanwalt gewesen, das muss ein Irrtum sein, auf alle Fälle geht die Legende, es hätten die Angeklagten viel Mitleid mit ihr gehabt; oder ich sag: ein Kind, das ist, zu plötzlich, unter diese Erwachsnen gefallen, das hört mit dem Staunen nun nicht mehr auf; oder sie erzählt nichts, sie steht nur so da, im Garten, im Mai oder Juli, und lächelt gegen den Regen, wandelt mit dieser Stimme Tropfen zu Schmetterlingen auf ihrer Nase, in dieser Luft, es könnten auch Blaumeisen sein, und wird gegen Abend ein Baum, so ist sie im Grün, ein Fliederbusch, der wächst über alle Zäune“.

 

 

 

Jendryschik

Manfred Jendryschik (Dessau, 28 januari 1943)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, satiricus en komiek Mo Rocca werd geboren op 28 januari 1969 in Washington, DC. Zie ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

Uit: All the Presidents' Pets

 

„And in between cars, leggy conservative pundette Laura Ingraham canoodled in the shadows with pint-sized Clinton cabinet secretary Robert Reich-strange bedfellows indeed but on the Acela they shared one important trait: these powerbrokers were all arriving in Washington a full fifteen minutes faster than the lowly schmucks stuck on the Metroliner.
The Acela was especially busy the last time I took it. I wasn't en route to an assignment, though. My trip was the assignment, part of my current gig on MSNBC, also known as the Michelle Kwan of the twenty-four-hour cable news channels. (No matter how hard it tried, it always seemed to land on its ass.)
I wore a fake mustache and took my position behind the counter of the cafe car. It was the latest in my series of undercover reports focusing on different service jobs, appropriately called "Pressure"-and appropriately accompanied by the Billy Joel song "Pressure," or, as the singer pronounced it, "Preshah!" Each segment featured me thrown into a different job, wearing a different disguise each time. As a furniture mover I got to wear a soul patch. As a mohel I wore payos.“

 

 

 

 

Rocca_Mo
Mo Rocca (Washington, 28 januari 1969)

 

 

 

Zie voor de drie onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

De Duitse schrijver Hermann Peter Piwitt werd geboren op 28 januari 1935 in Wohldorf bij Hamburg.

 

Uit: Die Gärten im März

 

"Tauwind, sagt Ponto, wenn ich mir überlege, wie lange ich dies Wort nicht mehr benutzt habe. Nicht, daß er ausgeblieben wäre wie Störche ausbleiben, aber der Wind, der uns als Kinder nachts weckte und uns um das Eis auf dem Teich und den Gräben bangen ließ -- was ist damit passiert? Eine Turbulenz. Ein Allerwelts-Tief, eine Sendeminute nach der Tagesschau. Eine neue Krawatte unterm Kinn des Meteorologen. Das Bier, mit dem ich mir über seinen Anblick hinweg helfe ..." Die Wagen, wenn sie abends in den Langenfelder Damm hineinstürzen. Die von den Pneus wegspritzenden Matschfontänen. Der Sog. Die in die gerissenen Luftlöcher nachstürzende Luft; Tauwind? Wie man mit den Worten die Welt aufgibt. Du hörst einfach auf, das Wort "Tauwind" zu benutzen und schon hört für dich zu existieren auf, was es meint ..."

 

 

 

 

Piwitt
Hermann Peter Piwitt (Wohldorf, 29 januari 1935)

 

 

 

 

 

De Franse schrijfster Colette werd geboren op 28 januari 1873 in Saint-Sauveur-en-Puisaye.

 

Uit: La maison de claudine

 

„Où sont les enfants ?

La maison était grande, coiffée d'un grenier haut. La pente raide de la rue obligeait les écuries et les remises, les poulaillers, la buanderie, la laiterie, à se blottir en contrebas tout autour d'une cour fermée.

Accoudée au mur du jardin, je pouvais gratter du doigt le toit du poulailler. Le Jardin-du-Haut commandait un Jardin-du-Bas, potager resserré et chaud, consacré à l'aubergine et au piment, où l'odeur du feuillage de la tomate se mêlait, en juillet au parfum de l'abricot mûri sur espaliers. Dans le Jardin-du-Haut deux sapins jumeaux, un noyer dont l'ombre intolérante tuait les fleurs, des roses, des gazons négligés une tonnelle disloquée... Une forte grille de clôture, au fond, en bordure de la rue des Vignes, eût dû défendre les deux jardins ; mais je n'ai jamais connu cette grille que tordue, arrachée au ciment de son mur, emportée et brandie en l'air par les bras invincibles d'une glycine centenaire...

La façade principale, sur la rue de l'Hospice, était une façade à perron double, noircie, à grandes fenêtres et sans grâces, une maison bourgeoise de vieux village, mais la raide pente de la rue bousculait un peu sa gravité, et son perron boitait, quatre marches d'un côté, six de l'autre.

Grande maison grave, revêche avec sa porte à clochette d'orphelinat, son entrée cochère à gros verrou de geôle ancienne, maison qui ne souriait que d'un côté. Son revers, invisible au passant, doré par le soleil, portait manteau de glycine et de bignonier mêlés, lourds à l'armature de fer fatiguée creusée en son milieu comme un hamac, qui ombrageait une petite terrasse dallée et le seuil du salon... Le reste vaut-il que je le peigne, à l'aide de pauvres mots ? Je n'aiderai personne à contempler ce qui s'attache de splendeur, dans mon souvenir, aux cordons rouges d'une vigne d'automne que ruinait son propre poids, cramponnée, au cours de sa chute, à quelque bras de pin. Ces lilas massifs dont la fleur compacte, bleue dans l'ombre, pourpre au soleil, pourrissait tôt, étouffée par sa propre exubérance, ces lilas morts depuis longtemps ne remonteront pas grâce à moi vers la lumière, ni le terrifiant clair de lune - argent, plomb gris, mercure, facettes d'améthystes coupantes, blessants saphirs aigus, - qui dépendait de certaine vitre bleue, dans le kiosque au fond du jardin.“

 

 

 

 

Colette
Colette (28 januari 1873 – 3 augustus 1954)

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Christian Felix Weiße werd geboren op 28 januari 1726 in Annaberg, in het Erzgebergte.

 

 

An einen Bach im Winter

 

Du rauschest, sanfter Bach, auch nicht für Freuden mehr?

Kein Blümchen spiegelt sich in dir:

Vom Schnee bedeckt, vom Eise schwer,

Gleichst du, ja gleichst du mir.

 

Du gleichest mir, so lang mir Chloe grausam ist:

Da glänzt mir keine Freude mehr,

Mein Herz, das alles Glück vergißt,

Klopft kaum von Seufzern schwer.

 

Doch dich lös't einst der Lenz zu neuen Freuden auf:

Da singt um dich der Vögel Chor,

Dein murmelnder verliebter Lauf

Lockt Blum und Laub hervor.

 

O daß mir doch, wie dir, auch einst ein Lenz erschien,

Ergäb sich einstens Chloe mir!

Da würden mir auch Freuden blühn,

Ein ewger Lenz in ihr!

 

 

 

 

Weisse

Christian Felix Weiße (28 januari 1726 – 16 december 1804)

Geschreven door Romenu om 20:22 Reageer op dit bericht

Gedichtendag 2010, Nationale Gedichten Wedstrijd


Gedichtendag 2010

 

 

De eerste prijs in de Turing Nationale Gedichten Wedstrijd ging gisteren naar het gedicht Misbruik van Gerwin van der Werf. Dat werd in Amsterdam bekendgemaakt.

 

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter, componist en arrangeur Gerwin van der Werf werd geboren in Elburg op 30 juni 1969.  Van der Werf studeerde van 1989 tot 1994 muziekwetenschap in Utrecht en kreeg een aanstelling als muziekdocent aan de internationale school in Oegstgeest. Hij schreef liedteksten, verhalen en een roman die begin 2010 uitgegeven wordt bij Uitgeverij Contact. Met vijf korte verhalen won hij prijzen bij Trouw, Volkskrant, 1000 woorden en Schrijven Magazine. Van der Werf woont in Leiden.

 

 

Misbruik

 

Met de pen roer ik mijn koffie

met de schaar krab ik mijn kop

met een mouw veeg ik mijn snot weg

dweil met mijn sok een melkvlek op

 

Mijn nagel drukt in ’t tafelblad

een diepe kloof groeit daar gestaag

woorden weeg ik met het vreten

dat retour komt uit mijn maag

 

Met mijn tanden bijt ik splinters

uit de poten van mijn stoel

uit mijn tenen vloek ik psalmen

tot ik er niets meer bij voel

 

Zelfhaat weeg ik bij het opstaan

in jouw levenloze blik

woede meet ik met mijn knokkels

en mijn schaamte met mijn pik

 

Licht verpulver ik met vuurwerk

herrie met een spijkerboor

waanzin smoor ik in mijn verzen

waar zijn die dingen anders voor?

 

 

 

 

Hieronder een fragment uit een van Van der Werfs verhalen.

 

Uit: De verdwijning van Jonathan Prins

 

Motregen danst op de wind, ragfijne druppels die niet vallen maar zweven, ze strelen het mos, dringen in de poriën van het gesteente. Er is geen hemel, alleen aarde, zij heeft zich gehuld in grijze sluiers waar de wind mee speelt.

De eenzame loper draagt zwartleren motorkleding en legerkisten, zijn bagage bestaat uit een kleine rugzak en een slaapzak in een hoes ter grootte van een rol beschuit. Hij heeft zelfs een opvouwbare damesparaplu van oranje nylon opgestoken, er schuilen plukjes muggen onder. De paar hikers die hij tegenkomt op het wandelspoor dragen balen van groteske omvang op hun rug, gore-tex jassen, bergschoenen en hoedjes met gaas tegen de muggen. Hij leest verbazing in hun ogen, verontwaardiging zelfs, omdat hij met zijn verschijning lijkt te zeggen: kijk, zo kan het ook, jullie zijn enorme aanstellers met je dure uitrusting. Misschien houden ze hem voor krankzinnig. Want niets wijst er op dat de voetganger in het zwart alles tot in de puntjes heeft voorbereid. Alles is volgens plan verlopen, op een paar kleine rimpelingen na. Hij heeft ze eenvoudig kunnen gladstrijken. Ze zijn hem niet komen zoeken. Ze hebben het begrepen. Hij moet niet teveel aan ze denken, hij heeft zijn twee vrienden achtergelaten, net als zijn motor en zijn twijfel.

Voordat hij aan de laatste klim begint raadpleegt hij zijn horloge. Half acht. Het is zondagmorgen, de derde dag sinds hij alleen is. Een bewolkte zomerdag boven de poolcirkel is een dag zonder begin of einde, een dag, even contourloos als de zompige bodem in het dal. Een reiziger zonder uurwerk is in deze wildernis een drenkeling in een zee van tijd.

 

 

 

 

VanDerWerf
Gerwin van der Werf (Elburg, 30 juni 1969) 

 

 

 

 

 

De dichters Arjen Duinker, Hester Knibbe en Nachoem M. Wijnberg zijn de winnaars van de Gedichtendagprijzen 2010, de prijs die jaarlijks op Gedichtendag wordt uitgereikt aan de beste drie gedichten van het voorgaande jaar. Arjen Duinker krijgt de prijs voor zijn gedicht ‘Leve de camouflage!’ uit de bundel Buurtkinderen, Hester Knibbe voor het gedicht ‘Oogsteen’ uit haar gelijknamige bundel en Nachoem M. Wijnberg voor ‘En wat gaan we dan doen? Zou ik dat op de muur kunnen schrijven?’ uit de bundel Divan van Ghalib. Hier het gedicht van Nachoem M. Wijnberg

 

 

 

En wat gaan we dan doen? Zou ik dat op de muur kunnen
schrijven?

 

Ik leer schrijven door met mijn vinger de vorm van de letters na te
voelen,
      ik ken die letters al, maar wil zo nog wel een keer leren
schrijven.

 

Ik sta op een bed en schrijf op de muur,
      spring op het bed op en neer om de woorden waarmee ik wil
beginnen zo hoog mogelijk op de muur te schrijven.

 

De maan in de lucht als een letter uit een doos letters, 
      als ik misschien geen tijd meer heb om te leren schrijven.

 

Als het te donker is om het papier te zien en ik geen licht wil maken
      schrijf ik steeds grotere letters, ver uit elkaar

 

 

 

 

 

Print_Nachoen_Wijnberg
Nachoem M. Wijnberg  (Amsterdam, 13 april 1961)

Geschreven door Romenu om 16:28 Reageer op dit bericht

Gerwin van der Werf wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

 

Gerwin van der Werf wint de eerste editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd (2010)

De Nederlandse dichter Gerwin Friso van der Werf heeft de eerste editie van de Turing NationaleGedichtenwedstrijd gewonnen. De Turing Gedichtenwedstrijd is een jaarlijkse wedstrijd voor dichters uit België en Nederland. Zowel professionele als amateurdichters vanaf de leeftijd van 16 jaar kunnen deelnemen. Gedurende het jureringsproces blijven de dichters anoniem om zo elke vorm van beïnvloeding door een bekende naam te kunnen voorkomen. De hoofdprijs is € 10.000, de tweede en de derde prijs bedragen respectievelijk € 5.000 en € 2.000. De bekendmaking van de winnaars en de prijsuitreiking geschiedt op de vooravond van Gedichtendag. De dichters die tot de top 10 behoren, worden uitgenodigd een manuscript in te leveren, dat wordt gepubliceerd wanneer het geschikt wordt bevonden. De wedstrijd wordt georganiseerd door de Poëzieclub, de Turing Foundation stelt het prijzengeld ter beschikking.

 

Misbruik

Met de pen roer ik mijn koffie
met de schaar krab ik mijn kop
met een mouw veeg ik mijn snot weg
dweil met mijn sok een melkvlek op

Mijn nagel drukt in ’t tafelblad
een diepe kloof groeit daar gestaag
woorden weeg ik met het vreten
dat retour komt uit mijn maag

Met mijn tanden bijt ik splinters
uit de poten van mijn stoel
uit mijn tenen vloek ik psalmen
tot ik er niets meer bij voel

Zelfhaat weeg ik bij het opstaan
in jouw levenloze blik
woede meet ik met mijn knokkels
en mijn schaamte met mijn pik

Licht verpulver ik met vuurwerk
herrie met een spijkerboor
waanzin smoor ik in mijn verzen
waar zijn die dingen anders voor?

 

 2214024-3211cc60fadcbad43f602dfd585b9f11.jpg
Gerwin van der Werf (De Meern, 13 juni 1969)
De winnaar hier in het midden



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Lewis Carroll, Benjamin von Stuckrad-Barre, Eliette Abécassis, James Grippando, Alexander Stuart

De Engelse dichter en schrijver Lewis Carroll werd op 27 januari 1832 in Daresbury. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Alice in Wonderland

 

„The rabbit-hole went straight on like a tunnel for some way, and then dipped suddenly down, so suddenly that Alice had not a moment to think about stopping herself before she found herself falling down what seemed to be a very deep well.
Either the well was very deep, or she fell very slowly, for she had plenty of time as she went down to look about her, and to wonder what was going to happen next. First, she tried to look down and make out what she was coming to, but it was too dark to see anything; then she looked at the sides of the well, and noticed that they were filled with cupboards and book-shelves: here and there she saw maps and pictures hung upon pegs. She took down a jar from one of the shelves as she passed; it was labelled "ORANGE MARMALADE," but to her great disappointment it was empty: she did not like to drop the jar for fear of killing somebody underneath, so managed to put it into one of the cupboards as she fell past it.
"Well!" thought Alice to herself. "After such a fall as this, I shall think nothing of tumbling down stairs! How brave they'll all think me at home! Why, I wouldn't say anything about it, even if I fell off the top of the house!" (Which was very likely true.)
Down, down, down. Would the fall never come to an end? "I wonder how many miles I've fallen by this time?" she said aloud. "I must be getting somewhere near the centre of the earth. Let me see: that would be four thousand miles down. I think-" (for, you see, Alice had learnt several things of this sort in her lessons in the schoolroom, and though this was not a very good opportunity for showing off her knowledge, as there was no one to listen to her, still it was good practice to say it over) "-yes, that's about the right distance-but then I wonder what Latitude or Longitude I've got to?" (Alice had no idea what Latitude was, or Longitude either, but thought they were nice grand words to say.)“

 

 

 

 

Lewis_carroll
Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Benjamin von Stuckrad-Barre werd op 27 januari 1975 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Soloalbum

 

“Auf Fotos sehe ich immer scheiße aus. Dies zu erklären ist nicht allzu vertrackt: Das kommt daher, weil ich ja nun mal scheiße aussehe, ganz einfach. Denn Fotos sind Fotos, die bilden den Ist-Zustand ab, da gibt es nichts dran zu rütteln, Pech gehabt, Arschloch. Natürlich gibt’s es „nicht fotogen, nicht mein Tag, ach guck – noch mit der doofen Frisur“ und solche Ausreden. Aber die braucht man ja nicht mehr sich selbst, schon lange nicht mehr, bloß für die allgegenwärtigen Fotosammler, die dauernd alles abziehen und verdoppeln wollen, weil sie ihr jämmerliches Dasein gar nicht fassen können, so toll finden sie diese Einfalt, und das wollen sie minuziös festgehalten wissen, damit sie dann eine Woche später schon da sitzen können wie der Opa mit seinen Kriegstagebuchnotizen. Vorzeigen zu können, wie aufregend und pulsierend die Soße aus Pauschalurlaub, Wohngemeinschaft, Elterngeld und neuer Hose (neuer Freundin, neuer Wohnung, alter Scheiße) ist, das ist diesen Pennern alles. Ich hebe überhaupt keine Fotos auf. Die wenigen schönen, die mit den Frauen, musste ich ja dann immer verbrennen, weil man sich ja nun mal so kindisch verhält, wie es gerade geht, wenn mal wieder alles den Bach runter gegangen ist.“

 

 

 

 

stuckradbarre
Benjamin von Stuckrad-Barre (Bremen, 27 januari 1975)

 

 

 

 

 

De Franse schrijfster Eliette Abécassis werd geboren op 27 januarri 1969 in Straatsburg. Zie ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: La répudiée

 

"Tous les mois, c'est la même chose. Je pleure. Je soupire. J'attends. Que le linge au-dessous de moi ne soit point taché de rouge. Et tous les mois, mon ventre me fait mal. Le sang s'échappe, je saigne, je prie, je pleure. Mes larmes mouillent le mur occidental. Telle une brebis abandonnée, ainsi j'erre dans les rues. Mes paupières tremblent, mes jambes vacillent, mes yeux brillent de douleur. Je regarde autour de moi, je ne vois personne pour m'aider.

Ma mère, qui est la gardienne du mikvé, le bain rituel, a honte de ma stérilité. Chaque mois, je viens me tremper dans l'eau de pluie car, à la fin des sept jours sans tache, la femme doit s'immerger dans le mikvé à la nuit tombée, après que trois étoiles ont été visibles.

Il me semble que j'expie quelque chose. Je souffre, je vomis, je me traîne par terre, je cogne ma tête contre les murs. Toute la journée, je reste couchée. Nathan a trouvé un nom pour les jours impurs. Il me demande quand sera finie "ma maladie". Il n'a pas pas tort. L'impureté mensuelle, c'est la maladie de la femme stérile.

Mais on ne peut devenir pure que parce que l'on est impure. C'est pourquoi la femme, chaque mois, s'élève en se purifiant. Quand tout est fini, je me rends au bain rituel, je me déshabille, et, aidée par ma mère Hanna, je plonge dans le bassin d'eau froide, tête comprise : c'est une naissance.

- Toujours rien ? demande ma mère.

- Toujours rien.

- Cela va bientôt faire dix ans.

- Je sais. S'il le veut, Nathan peut me répudier."

 

 

 

Eliette-Abecassis
Eliette Abécassis (Straatsburg, 27 januarri 1969)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver James Grippando werd geboren op 27 januari 1958 in Waukegan, Illinois. Zie ook mijn blog van 27 januari 2008 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Leapholes

 

„Ryan Coolidge did not want to go to prison.
He'd been going to prison every Saturday for the past eleven months. Without fail, his mother would wake him, she'd put him in the car, and off they'd go. He didn't like the smell of prison, didn't like the feel of prison. He didn't like the drab beige walls, the cold concrete floors, the countless pairs of dark, soulless eyes that stared out from between iron prison bars. He didn't like anything about prison.
The thing he liked least of all was visiting his father there.
"Do we have to go, Mom?" Ryan was holding up his head with his hands, elbows on the kitchen table, a soggy raft of cornflakes floating in the bowl of milk before him.
"You should want to go."
"I don't." He dropped a piece of toast on the floor. His Golden Retriever pounced on it like a half-starved wolf. It was gone in one bite, and then Sam laid his huge head in Ryan's lap, begging for more. Sam was a smart and beautiful purebred, but his table manners had gone right out the door with Ryan's dad.
"A boy should want to see his father," said Dr. Coolidge.
"I don't."
"Your father loves you."
"Well, I don't love him."
"Never say that about your father. Never. Do you hear me?"
The dog sighed, as if wondering if that next piece of toast would ever drop. Ryan stroked the back of Sam's neck.“

 

 

 

grippando-james
James Grippando (Waukegan, 27 januari 1958)

 

 

 

 

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Alexander Stuart werd geboren op 27 januari 1955 in Brighton. In de jaren negentig verhuisde hij naar Miami Beach waar hij screenwriting doceerde aan de University of Miami. In 2006 werd hij Amerikaans staatsburger. Zijn meest opzienbarende roman was The War Zone uit 1989, waarin hij de dood van zijn zoon verwerkte, maar dat ook het verhaal was van een familie die verscheurd wordt door incest. Het boek werd in 1999 verfilmd door Tim Roth. Ander werk van hem: Tribes, Life On Mars en Five And A Half Times Three.

 

Uit: Life on Mars

 

"Jesus," I say, stunned by the anger and passion I recognize from my own flailing emotions during my son's, Joe's, struggle with cancer. I look at Brian, sitting there by the highway in front of this nowhere motel. "Maybe there is life in Tampa, after all?"

Brian, who has read the whole thing with a high degree of passion himself, stares at it again and says, "It's incredible! 'Those people, those poor people....Them and us, us means you.'" He slams the newspaper down in his lap, turns to me and grins with a terrifying, twisted intensity. "Happy trails, you fuckers."

I take the paper from him and read the poem again, the morning sun scorching my neck, a strange buzz of birdsong and rocket-powered traffic assaulting my brain . "John Imboden," I say , "can write!"

"And he's right about the red ribbon bullshit,"declares Brian. "They've tried to make AIDS just another fucking charity bonanza."' His eyes burn with the ferocity of John Imboden's words; among his friends on South Beach, Brian has seen plenty of the reality of AIDS. He grabs the paper back and reads: "'We are living in hell and there are plenty of seats on the meat wagon...'"

I could not speak to John Imboden that day, wherever we were outside Tarpon Springs, but I tracked him down later by phone, and with all the invisibility and anonymity and static and false silence afforded by AT&T's long distance lines between Miami and Tampa, we talked about his poetry and his life, about AIDS and the prospect of death.

I feel guilty--it was his body and soul we were discussing, but I had been there, as much as anyone can who does not have AIDS themselves. I had lived through two years, with Joe Buffalo and his mother, of spending months in hospital and out: two years of living with the possibility of death every day and every night; of lying next to Joe in bed and smelling the fevered salt sweat in his hair and begging some greater force--whatever was out there--that we might not lose the child we loved above anyone or anything in the world; two years of making the most painful and horrifying choices for his body, not our own.“

 

 

 

 

Stuart
Alexander Stuart (Brighton, 27 januari 1955)

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 20:24 Reageer op dit bericht

Mordecai Richler, Ethan Mordden, Guy Vaes, Leopold von Sacher-Masoch, Bernd Jentzsch

De Canadese Schrijver Mordecai Richler werd geboren op 27 januari 1931 in Montreal. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Dispatches from the Sporting Life

 

„In 1972, my father brought his family back to Canada after nearly twenty years in England. I learned in no time that his preferred place on Saturday nights from September to May was on the living room couch, watching Hockey Night in Canada.
We returned to Canada in the country’s prime time, you might say. The Canadian dollar was on par with the American (a detail that matters, when it comes to international leagues), and though Pierre Trudeau and René Lévesque were sparring from their federal and provincial prime ministers’ offices, the Péquistes had not yet driven a stake through Montreal’s cosmopolitan heart. Montreal was a city on top of the world, rich with memories and history, but an avenir too. There was no question, in my father’s mind, that it was the only city in Canada where he could possibly live: the most sophisticated -- which meant, for him, the best restaurants, the most critical and interesting politics and, at the Forum, the chance to watch the Montreal Canadiens -- the Habs -- playing before the most knowledgeable and demanding hockey crowd in North America.
Twelve years old, I received swift instruction in matters Canadian. My father’s love of sports, I quickly saw, was entirely wrapped up in the urban landscape of his childhood: the cold-water flats of Montreal’s Jewish ghetto, east of Park and north of Pine, bounded to one side by the well-to-do French Canadians of Outremont and on the other by the francophone working class of the Plateau. Baseball at Delorimier Downs and hockey at the Forum were what Montreal Jews and French Canadians had incommon. During the summer, Pa showed me what the bleachers were at Jarry Park, and introduced me to baseball’s ritual of the seventh-inning stretch. Then, that September, we watched an overweight Team Canada, fresh off the links, face off against Russia, an opponent the NHL’s professionals famously failed to take seriously.“

 

 

 

Richler
Mordecai Richler (27 januari 1931 – 3 juli 2001)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: All That Glittered

 

“Bacon ended up in one of the last stockcompanies, in San Jose, for seventeen years, during which he is alleged to have assumed over six hundred roles. One sort of character in particular seems to have caught his interest—the uneducated rustic, innocent of fancy fashion, who somehow gets the better of popinjays and rogues. It was a national stereotype, just then reaching its apex in the career of the third Joseph Jefferson (acting was a family trade), especially in Rip Van Winkle (1866). During his galley years in San Jose, Bacon envisioned a vehicle for his own version of the trope, a small-time hotelier named Bill Jones and ironically nicknamed “Lightnin’” for his life tempo, as slow as paste and a kind of objective correlative for his low-key yet fierce sense of independence. No one crowds Bill Jones. “Lightnin’” has wife troubles, money troubles, and to every question a set of deadpan retorts that exasperate all those in the vicinity yet—Bacon hoped—amuse the public. “Lightnin’”’s hotel straddles the California-Nevada border, the state line running through the middle of the lobby: so women can shield their reputations by claiming to be on holiday in California while more truly seeking one of those quickie Nevada divorces. Bacon called his play The Divided House,* and found no takers. Were managers—the contemporary term for “producers”—leery of a character that had held the stage for over a century, or did Bacon fail to set him off properly? By 1912, Bacon had made it to New York, then as now the goal of virtually any working actor; but Bacon’s New York was vaudeville or plays of no professional importance. Now forty-eight, he had been acting for twenty-two years and had every reason to assume that he would never be anything more than one of the many who got a modest living out of it but made no mark. And then Bacon happened to tell the extremely successful playwright Winchell Smith about The Divided House, and how nobody wanted it, and how Bacon had sold it to the movies. “Buy it back,” said Smith. He then rewrote Bacon’s script, and with manager John Golden opened it at the Gaiety Theatre (at the southwest corner of Broadway and Forty-sixth Street, now demolished) on August 26, 1918.”

 

 

 

 

Mordden
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)

Boekomslag

 

 

 

 

De Belgische, Franstalige, schrijver Guy Vaes werd geboren op 27 januari 1927 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Le disciple de Shéhérazade

 

“Disciple de Shéhérazade habile à nouer, dans le Bagdad occidental du dixneuvième siècle — ce Londres opulent et fangeux — les fils d’une intrigue plus ou moins hitchkockienne ; précurseur d’un Joseph Conrad qu’inspira la déchéance du Blanc en des édens pour trafiquants ; continuateur d’un William Godwin, auteur du Caleb Williams qui transforme en suspense le récit picaresque du dix-huitième siècle, Robert-Louis Stevenson demeura longtemps un romancier pour romanciers (si l’on excepte une audience de jeunes), comme Hölderlin un poète destiné aux poètes. La gloire, elle lui fut d’abord concédée en cercle restreint ; au-delà, on se heurtait à un cordon de réticences, sinon à des rejets dédaigneux ; il aura fallu ces trois dernières décennies — en France assurément —

pour assister à un bouleversement radical du jugement.

Parce que l’aventure océanique ou urbaine est son fief, son laboratoire psychologique à ciel ouvert, on avait relégué ses écrits dans le secteur de l’adolescence. Cette discrimination, à laquelle se sont opposés Marcel Schwob, Edmond Jaloux, Jorge Luis Borges et, plus récemment, Michel Le Bris, était

d’autant plus désolante que presque chacun s’accordait sur le fait que seul importe le traitement du sujet. Alors, pourquoi cet aveuglement, cette obstination ? Un esprit critique aussi épris de distinctions que Henry James, avec qui Stevenson discuta composition, nécessité de « tuer le nerf optique », choix d’un point de vue de son ampleur, le tenait pour un maître, un interlocuteur irremplaçable.

Si l’on se dit qu’une « mesure » aussi désinvolte que cette longue relégation se fonde sur une lecture épidermique, fragmentaire, à laquelle d’aucuns continuent d’ajouter foi, on en retiendra cependant un aspect non négligeable, rarement abordé. Stevenson n’aurait point su (ou voulu) renouveler la forme des genres où il s’était illustré. Il se serait contenté, dans la majorité des cas, de monnayer les

reliquats de l’héritage picaresque. Il aurait coulé, dans ses tribulations de pirates scandées par leurs dates de publication en magazines, un besoin d’action plus qu’une volonté de remettre en cause l’approche des caractères. Or, si l’on étudie Henry James, Herman Melville, Virginia Woolf, James Joyce ou William Gaddis, on s’apercevra que le renouvellement de la forme s’est toujours accompli sous l’emprise d’une vue originale du personnage, voire de son assimilation au milieu qui l’enveloppe.“

 

 

 

Vaes
Guy Vaes (Antwerpen, 27 januari 1927)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Leopold Ritter von Sacher-Masoch werd geboren op 27 januari 1836 in Lemberg. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Die Liebe des Plato

 

„Ich besuche so gern das Tarnowische Haus, weil in demselben eine eigenthümliche Gemüthlichkeit um die kleinsten Dinge webt, diese Gemüthlichkeit scheint dort in der Luft zu liegen, denn sie durchdringt Alles, die grauen Mauern des Edelhofes, die alten, verschossenen Möbel, die Menschen, die Thiere und man wird von ihr ergriffen und selbst friedlich und heiter, sobald man sie einige Zeit eingeathmet hat. Es ist dies auch eine Art Wärme und eine Art Licht, und dieses Licht und diese Wärme wird, wie ich glaube vor Allem von der alten Gräfin Karoline Tarnow ausgestrahlt. Ich habe dort unter den großen Schränken mit dem altväterischen Holzmosaik, den Dienstleuten, welche alle wie Halbverstorbene aussehen, die schwarze Katze auf dem Schooße, die Gräfin mir gegenüber an dem flackernden Kamin, unter dem milden warmen Lichte ihrer Augen mehr als einmal meinen Kummer, meine Sorgen, mehr als einen quälenden Zweifel, mehr als einen tiefen Schmerz vergessen, ja überwunden.
Auch heute ist mir wohl bei ihr. Ich war lange von der Heimath fort und mein erster Gang war zu der Gräfin Tarnow, und nun sitzt sie mir wieder gegenüber und hält meine Hände und blickt mit ihren blauen Augen in meine Seele, denn was bliebe diesen Augen verborgen?
Es ist ein frostiger Winterabend, hell aber kalt, sehr kalt sogar, von draußen flimmern ein paar Sterne herein, das Feuer im Kamin wirft seine rothen Zungen über den Teppich und wir plaudern. Ich habe viel zu erzählen und sie hat mir manche Frage zu beantworten.
Die Gräfin ist die einzige Frau, die mir je außer meiner Mutter und meiner Frau Achtung eingeflößt hat; diese Frau aber, welche Jedem so sehr imponirt, ist in keiner Weise gebieterisch, sie ist nicht einmal groß, es ist eine ganz kleine, zarte Frau, mit einem kleinen Gesicht, das noch im Alter von grauem Haare ehrwürdig eingerahmt die größte Feinheit und Schönheit zeigt, aber diese Schönheit ist eine geistige und geistig ist auch die Macht, welche die Frau übt, und diese Macht liegt vor Allem in ihren großen blauen Augen, welche gleichsam aus einer andern Welt in die unsere herüber blicken. Dieses geistige Wesen hat sie auf ihren Sohn, den Grafen Henryk, übertragen und wie sie mich ansieht, ist es mir auch einen Augenblick, als ruhe das Auge meines Freundes auf mir.“

 

 

 

Masoch
Leopold von Sacher-Masoch (27 januari 1836 – 9 maart 1895)

Standbeeld in Lviv, Oekraïne

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Bernd Jentzsch werd geboren op 27 januari 1940 in Plauen. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2008 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

 

Sommer

 

Hier in den Mulden, in den schäumenden Wiesen,

Im Regen, der uns segnet und sonderbar singt,

Auf dem offenen Feld, im Hafer, der uns jetzt sticht,

Im Tollkraut, im Tollkraut, dunkel und licht,

Liebste, hier wolln wir machen, was den Tod

Zu Tode erschrickt, hier, im singenden Regen,

Damit es aufgehe in deinem Leib wie ein Brot,

Auf dem roten Acker, mein ein und mein alles,

Im Regen, Liebste, und nicht unterm Dach,

Hier, wo wir singen, in den schäumenden Wiesen.

 

 

 

 

Jentzsch
Bernd Jentzsch (Plauen, 27 januari 1940)

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

Ilja Ehrenburg, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Neel Doff, Rudolf Geel, Balduin Möllhausen

De Russische dichter en schrijver Ilja Ehrenburg werd geboren op 27 januari 1891 in Kiev. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Tangled Loyalties, The Life and Times of Ilya Ehrenburg (Biografie door Joshua Rubenstein)

 

„When Ehrenburg arrived on Christmas Eve, Literaturnaya Gazeta announced he would be returning to Spain in two weeks. But he soon learned this would not be possible. "Everything takes time now," he was told. "The big shots are very busy. I would have to wait a month or two." Ehrenburg in fact had to stay more than five months.

Friends explained their fear. Mikhail Koltsov had wrned Ehrenburg not to return to Moscow and was shocked to see him in Russia. "He took me into the large bathroom adjoining the office and there let himself go. 'Here's the latest anecdote for you. Two Muscovites meet. One says, 'Have you heard the news? They've taken Teruel.' The other asks, 'Oh, and what about his wife.'" Vsevolod Meyerhold lost his theater in January; it was closed for being an "alien" element in Soviet cultural life. People Ehrenburg knew kept a suitcase with two changes of underwear on hand at all times. He hardly tried to write, but famous for his articles from Spain, he gave as many as fifty talks during his five months in the country.

Ehrenburg was especially eager to see Isaac Babel. He "found 'the wise rabbi' sorrowful, but his courage, his sense of humor, his story-teller's gift never left him." Babel described a factory where prohibited books were pulped to make paper and homes for orphans whose parents were still alive. "Today a man talks frankly only with his wife, at night with the blanket pulled over his head," was how Babel described the terror.

No one knew what to believe. "We thought (probably because we wanted to think that way) that Stalin did not knew about the senseless violence against Communists and the Soviet intelligentsia," Ehrenburg admitted in his memoirs. A long-time Communist such as Vsevolod Meyerhold told Ehrenburg that the repression was concealed from Stalin. Boris Pasternak too shared this common illusion. Ehrenburg came across him one night while they were both walking their dogs. "[Pasternak] waved his arms as he stood among the snowdrifts: 'If only someone would tell Stalin everything.'" Of course Stalin knew, but the terror was so profound and the sense of uncertainty so intense that few could bear the truth that Stalin had initiated the terror for his own purposes; there was no one to appeal to.“

 

 

 

 

Ehrenburg
Ilja Ehrenburg (27 januari 1891 – 31 augustus 1967)

 

 

 

 

De Russische schrijver Mikhail Saltykov-Shchedrin werd geboren op 27 januari 1826 in Spas-Ugol, Tver. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: How a Muzhik Fed Two Officials

 

„Before them stretched the ocean, and behind them was a little spot of earth, beyond which the ocean stretched again. They began to cry—the first time since their Department had been shut down.

They looked at each other, and each noticed that the other was clad in nothing but his night shirt with his order hanging about his neck.

"We really should be having our coffee now," observed the one Official. Then he bethought himself again of the strange situation he was in and a second time fell to weeping.

"What are we going to do now?" he sobbed. "Even supposing we were to draw up a report, what good would that do?"

"You know what, your Excellency," replied the other Official, "you go to the east and I will go to the west. Toward evening we will come back here again and, perhaps, we shall have found something."

They started to ascertain which was the east and which was the west. They recalled that the head of their Department had once said to them, "If you want to know where the east is, then turn your face to the north, and the east will be on your right." But when they tried to find out which was the north, they turned to the right and to the left and looked around on all sides. Having spent their whole life in the Department of Records, their efforts were all in vain.

"To my mind, your Excellency, the best thing to do would be for you to go to the right and me to go to the left," said one Official, who had served not only in the Department of Records, but had also been teacher of handwriting in the School for Reserves, and so was a little bit cleverer.

So said, so done. The one Official went to the right. He came upon trees, bearing all sorts of fruits. Gladly would he have plucked an apple, but they all hung so high that he would have been obliged to climb up. He tried to climb up in vain. All he succeeded in doing was tearing his night shirt. Then he struck upon a brook. It was swarming with fish.

"Wouldn't it be wonderful if we had all this fish in Podyacheskaya Street!" he thought, and his mouth watered. Then he entered woods and found partridges, grouse and hares.

"Good Lord, what an abundance of food!" he cried. His hunger was going up tremendously.

But he had to return to the appointed spot with empty hands. He found the other Official waiting for him.“

 

 

 

Mikhail Saltykov
Mikhail Saltykov-Shchedrin (27 januari 1826 – 10 mei 1889)

Portret door Nikolay Gay

 

 

 

 

De Franstalige, maar oorspronkelijk Nederlandse schrijfster Neel Doff werd geboren in Buggenum op 27 januari 1858. Zie ook mijn blog van 27 januari 2007 en ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Keetje Tippel

 

„Ik speelde alleen op straat toen Tom, de hond van de buren, op mij toe kwam en links en rechts langs mij heenstreek. Hij sprong overeind, sloeg de voorpoten om mijn lichaam en met de tong uit de bek omhelsde hij me, onderwijl schokbewegingen makend.

‘Tom, houd je zoveel van me?’ zei ik, ‘je neemt me compleet in je armen! En ik ben ook gek op jou hoor, Tommie, je bent altijd lief voor me.’ Ik drukte mijn gezicht tegen zijn snuit. Hij likte me en drong steeds dichter op mij aan. Een vrouw gaf Tom een trap en hij liet mij los...

Waarom doet zo'n vrouw dat? Tom houdt van me, elke keer als hij me ziet is hij blij, en ik ook.

Ik ging in onze stoep liggen. Tom kwam weer op mij af en knuffelde zich tegen mij aan; ik nam zijn grote kop in mijn armen en drukte hem tegen mijn borst. Maar plotseling sprong hij brullend weg - mijn vader had hem met de zweep geslagen. Tegen de vrouw die Tom had weggejaagd, zei hij: ‘Het kind zit de hele dag met onze teef te spelen, die loops is; het beest ruikt dat natuurlijk.’

Ze begonnen te lachen en ik moest van vader naar boven komen. Wat gemeen! Vader wil ook al niet dat Tom mij in zijn poten neemt en likt! Van hem mogen wij elkaar ook al niet aanhalen! En waaróm niet? Moeder en hij hebben geen tijd om 's lief voor mij te zijn, nooit en te nimmer zullen ze mij eens in hun armen nemen. Mag dan niemand van mij houden, mag dan niemand een beetje met me vrijen? Ik zou zo graag eens een hele dag lang bij vader of moeder op schoot zitten, maar moeder loopt altijd met de baby en vader gaat meteen slapen als hij thuiskomt, dus niemand knuffelt me ooit...

Ik kroop weg in een hoekje, met mijn gezicht tegen de muur, mijn armen in de hoogte en de handen samengebald tegen 't steen aan, en begon onbedaarlijk te huilen.

‘Waarom zit ze nu weer te grienen?’ vroeg vader.

‘Weet ik veel,’ antwoordde moeder, ‘weet ze zélf veel? Ze grient om te grienen.’

En ze lieten me grienen.“

 

 

 

Neel_Doff
Neel Doff (27 januari 1858 – 14 juli 1942)

Boekomslag

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Rudolf Geel werd geboren in Amsterdam op 27 januari 1941. Zie ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: De blinde zieners van het beeldverhaal

 

„De liefde tot de strip is lang niet ieder aangeboren, maar wie zich om welke reden dan ook tot het medium voelt aangetrokken, wordt het de laatste jaren niet moeilijk gemaakt zich - desnoods in de erkende boekhandel zelf - als hij wil te overeten aan het geliefde voer. Stripantiquariaten schieten in rap tempo uit de grond. Het Stripschap, waaruit voortkwam het vakblad voor stripliefhebbers Stripschrift, bloeit sinds zijn oprichting in 1968, en naast alle nieuwe strips schittert ons een hele collectie heruitgaven van oude, deels klassieke strips tegemoet.

Maar het meest interessante fenomeen in de nationale stripcultuur is het hierboven al genoemde Stripschap, dat werd opgericht door enkele fanaten onder aanvoering van de filmproducent Hans P. Frankfurther, die de geschiedenis zal ingaan als de oervader van de georganiseerde stripliefde.

Wat drijft de mensen eigenlijk tot het georganiseerd uitleven van hun belangstelling voor iets? In de eerste plaats natuurlijk de behoefte te praten over het geliefde object met medestanders. In de tweede plaats, als het verzamelaars betreft, de hoop het eigen bezit gemakkelijker uit te kunnen breiden via de nieuwe relaties. Wat dat betreft onderscheiden verzamelaars van strips (en welk lid van Het Stripschap probeert niet de een of andere strip volledig te krijgen?) zich niet van mensen die postzegels en sigarebandjes sparen. Toch is er een in het oog lopend verschil: de postzegelverzamelaars hebben al een hele traditie achter zich, onze grootvaders spaarden ze al zogezegd. Daarnaast zijn postzegels nooit minderwaardig genoemd, of slecht voor de gezondheid van de geest. Strips daarentegen zijn in vele toonaarden verdoemd, en deze depreciatie is zeker een van de oorzaken geweest die ten slotte leidden tot het to stand komen van het georganiseerde, gereglementeerde en van ruzieachtige jaarvergaderingen annex ruilbeurzen vergezeld gaande gezamenlijke genieten.“

 

 

 

geel-rudolf
Rudolf Geel (Amsterdam, 27 januari 1941)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Balduin Möllhausen werd geboren op 27 januari 1825 in Bonn. Zie ook mijn blog van 27 januari 2009.

 

Uit: Susanna und die Entenjagd

 

„Ehe ich den Herzog Paul von Württemberg, auf seiner kühnen Forschungsreise nach den Rocky mountains begleitete, und ehe ich dann das gefährliche Handwerk eines Pelzjägers ergriff, lebte ich als Wildschütz in Illinois, in dem paradiesischen Landstrich, der sich östlich von St. Louis, über Belleville, Massacoutah und weit über den Kaskaskia-Fluß hinaus erstreckt. Es waren nur Monate, die ich auf diese Weise verbrachte, doch knüpfen sich so reiche Erinnerungen an diese Zeit, daß ich mich oft gern in dieselben versenke, über einzelne Erlebnisse lächele, in anderen dagegen eine ernste und weise Fügung erkenne. Wenn ich jetzt hier, wo wir von undurchdringlichen Wüsten umgeben sind, mir in Gedanken die lieblichen Prairien ausmale, die mit hohen Baumgruppen anmuthig geschmückt, und von klaren Flüßchen und Bächen vielfach durchschnitten, dem Menschen Alles bieten, was in den Grenzen eines zufriedenen Gemüthes liegt, dann erscheinen mir dieselben doppelt schön, und es regt sich auch wohl der Wunsch: diese Wildniß noch einmal mit solchen Gegenden vertauschen zu können. In der Nähe des Kaskaskia-Flusses, dessen Name des Letzte ist, was von einem einst mächtigen Indianerstamm übrig blieb, dehnte ich also meine Jagdzüge nach allen Richtungen hin aus. Wild war reichlich vorhanden. Es wurde mir daher nicht schwer, selbst bei geringer Mühe mehr zu erwerben, als zu meinem Unterhalte nothwendig war, und da ich allein und unabhängig dastand, also auch Niemandem über mein Thun und Lassen Rechenschaft abzulegen brauchte, so entsprach diese Lebensweise vollkommen meinen Neigungen und meiner Lage. Auch wenn ich auf der Jagd nicht glücklich war, fand ich doch stets reichen Genuß auf meinen Streifereien, einen Genuß, den mir die, gleichsam im Festkleide prangende Natur gewährte, und der mich nie fühlen ließ, daß sich Niemand um mich gekümmert haben würde, wenn ich irgendwo mein Ende gefunden hätte; denn ich nannte ja außer meiner Büchse nur sehr wenig mein.
           Es war in Spätsommer, und ein Tag so schön und sonnig, wie sie nur in jenen Breiten während dieser Jahreszeit vorkommen. Meine Jagd hatte ich beendigt, einige Prairiehühner beschwerten meine Tasche, und mein Stückchen Brod und geröstetes Fleisch wähernd des Gehens verzehrend, schritt ich langsam am Kaskaskia hinauf. Oft wurde mein Pfad durch umgefallene, morsche Baumstämme unterbrochen, doch kleine Umwege beschreibend, gelangte ich immer wieder an den Fluß, dessen glatter Spiegel mich erfreute, dessen malerische Einfassung und zahlreiche Holzklippen ich immer mit neuem Wohlgefallen betrachtete, und zuweilen auch in meinem Taschenbuch, meinem beständigen Gefährten, skizzirte.

 

 

 

moellhausen

Balduin Möllhausen (27 januari 1825 – 28 mei 1905)

 

Geschreven door Romenu om 20:19 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten