Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 14 oktober 2010 tot 15 oktober 2010

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2007 en ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 

Uit: Het hof van barmhartigheid (De tandeloze tijd, 3)

 

“Zaterdag 17 februari 19**, middaguur. Het bleef even stil in het café na de laatste uitzending over ‘de zaak-Gea L.’ Geen extra land- en tuinbouwberichten.

‘Mooie muziek ook,’ zei iemand.

‘Het is me wat. Eerst dat achthonderdjarig bestaan. Nu die heks weer. Lummel wordt nog 's wereldberoemd.’

‘Benieuwd of er vanmiddag weer dagjesmensen komen.’

‘Als het weer het toelaat.’

‘Hee, Cor, kom hier zitten.’

‘Als je maar niet weer begint te zeiken.’

‘Twee pilsjes hier, Siem. Vond je ervan, Cor? Heeft ze het nou gedaan, volgens jou, of toch niet?’

‘Zij of een ander, wat maakt het uit?’

‘Het mens houdt voet bij stuk.’

‘Hardnekkige tante, ja. Maar veroordeeld is veroordeeld.’

‘Zeg nou 's eerlijk, Cor...’

‘Beginnen we weer?’

‘Nee, nou 's effetjes serieus. Heb jij er ooit eentje koud gemaakt, ja ofte nee?’

‘Jij?’

‘Nee, ik vraag 't jou. Eerst jij.’

‘Als je beter had opgelet, niet had zitten slapen, zou je die vraag niet hoeven stellen.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Precies wat ik zeg.’

‘Ik vat je niet.’

‘Laat maar.’

‘Ik vroeg je iets.’

‘Voor de zoveelste keer, Cas: ik heb het altijd handiger aangepakt. Niet dat geknoei van een oud baasje een kopje kleiner maken voor honderd gulden of minder. 't Sop is de kool niet waard. Veel te link. Ik speculeer met de hormonen van weeuwtjes, ouwe vrijsters, gescheiden vrouwen. Ik geef ze wat terug voor hun geld.’

‘Slaag...’

‘Als 't moet.’

‘Nooit te hard geslagen?’

‘Wat bedoel je? Een blauw oog?’

‘Nee, echt, het betere werk. Dat ze niet meer opstonden en zo.’

‘Och... meteen opstaan deden ze soms niet. Later weer wel. Je kunt niet aldoor blijven liggen.’

‘Zo kunnen we doorgaan. Ik bedoel natuurlijk: dat 'r geen leven meer in zat en zo.’

‘O, op die manier. Nooit. Tenminste...’

‘Ik luister.’

‘Wie ben jij nou helemaal dat ik zin heb om 't te vertellen. Dat snap ik niet.’

 

 

 

760215-17d3e727fbc2b4041b8b9c0e332b22fe.jpg
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

 

 

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 

 

Allen Schaffenden geweiht

 
Welt-Unabtrennliche

Laßt uns sein!

Das Ewig-Männliche

Zieht uns hinein.

 

 

 

Am Gletscher

 

Um Mittag, wenn zuerst

Der Sommer in's Gebrige steigt,

Der Knabe mit den müden, heißen Augen:

Da spricht er auch,

Doch sehen wir sein Sprechen nur.

Sein Athem quillt wie eines Kranken Athem quillt

In Fieber-Nacht.

Es geben Eisgebirg und Tann' und Quell

Ihm Antwort auch,

Doch sehen wir die Antwort nur.

Denn schneller springt vom Fels herab

Der Sturzbach wie zum Gruß

Und steht, als weiße Säule zitternd,

Sehnsüchtig da.

Und dunkler noch und treuer blickt die Tanne,

Als sonst sie blickt

Und zwischen Eis todtem Graugestein

Bricht plötzlich Leuchten aus -- --

Solch Leuchten sah ich schon: das deutet mir's. --

 

Auch todten Mannes Auge

Wird wohl noch Ein Mal licht,

Wenn harmvoll ihn sein Kind

Umschlingt und hält und küßt:

Noch Ein Mal quillt da wohl zurück

Des Lichtes Flamme, glühend spricht

Das todte Auge: 'Kind!

Ach Kind, du weißt, ich liebe dich!' --

Und glühend redet Alles--Eisgebirg

Und Bach und Tann --

Mit Blicken hier das selbe Wort:

'Wir lieben dich!

Ach Kind, du weißt, wir lieben, lieben dich!'

 

Und er,

Der Knabe mit den müden heißen Augen,

Er küßt sie harmvoll,

Inbrünst'ger stets,

Und will nicht gehn;

Er bläst sein Wor wie Schleier nur

Von seinem Mund,

Sein schlimmes Wort

'mein Gruß ist Abschied,

mein Kommen Gehen,

ich sterbe jung.'

 

Da horcht es rings

Und athmet kaum:

Kein Vogel singt.

Da überläuft

Es schaudernd, wie

Ein Glitzern, das Gebirg.

Da denkt es rings --

Und schweigt -- --

 

Um Mittag war's,

Um Mittag, wenn zuerst

Der Sommer ins Gebirge steigt,

Der knabe mit den müden heißen Augen.

 

 

 

 760215-e70ce39e964e2f274382563678274e31.jpg

Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)

 

 

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 


Den Freunden

Geborn bin ich mit heißem Herzen,

Bei Freunden liebe ich's zu sein,

Und, wenn die Flasche kreist, mit Scherzen

Die Zeit zuweilen zu zerstreun.

 

Bin nicht dem lauten Ruhm gewogen,

Die Liebe wärmt mein Herz allein;

Der volle Leierklang, sein Wogen,

Kann gleichsam mir das Herz erfreun.

 

Doch oft im hemmungslosen Schwärmen

Quält sich mein Geist in Schmerz und Leid

Und noch im wilden Rausch, im Lärmen,

Zerdrückt mein Herz des Denkens Stein.

 

 

 

Mein Stoßgebet

 

Gott soll vor Fliegen mich bewahren,
Vorm Mädchen, das nicht lieben kann,
Vor Freunden, die sich offenbaren,
Vorm alten Weib, das liebeskrank.

 

 

 

Vertaald door Eric Boerner

 

 

 

Verlangen

 

O, waaróm geen vogel zijn, raaf, die daar hoog

In de lucht pas nog boven me vloog,

Is hemelwaarts zweven niet doenlijk voor mij,

Er de vrijheid beminnen niet bij?

 

Dan was ik naar 't westen, het westen gesneld,

Naar het bloeiend voorvaderlijk veld,

Naar nevelig bergland, een ledig kasteel,

Waar hun stof rust, vergeten geheel.

 

Hun erfelijk schild hangt geblutst aan de muur,

Met hun roestige slagzwaard als buur,

Op schild en op zwaard vloog ik dadelijk af,

Met mijn vlerk veegde ik stof ervanaf.

 

Een harpsnaar, een Schotse, sloeg ik dan aan,

En de klank zou het weefsel langs gaan,

Door maar één gehoord, en gewekt maar door één,

Klonk hij óp, en zo ging hij ook heen.

 

Maar dromen: vergeefs, en onnut het gebed

Tegen noodlots draconische wet.

Tussen mij en mijn vaderlands heuvelen strekt

Zich een zee uit, met golven bedekt.

 

Van dappere strijders de laatste verwant,

Kwijn ik weg in de sneeuw van vreemd land;

Hiér werd ik geboren, van ziél woon ik daar...

O, was ik zo'n stepperaaf maar!..

 

 

 

Vertaald door Kees Jiskoot

 

 

 

 760215-42007319990a11a43cf24fff831b793c.jpg

Michail Lermontov (15 oktober 1814 -  27 juli 1841)

Standbeeld in Pjatigorsk

 

 

 

 


De Brits-Amerikaanse schrijver
Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 

Uit: Uneasy Money

 

“In trying interviews, as in sprint races, the start is everything. It was the fact that she recovered more quickly from her astonishment that enabled Claire to dominate her scene with Bill. She had the advantage of having a less complicated astonishment to recover from, for, though it was a shock to see him there when she had imagined that he was in New York, it was not nearly such a shock as it was to him to see her here when he had imagined that she was in England. She had adjusted her brain to the situation while he was still gaping.

'Well, Bill?'

This speech in itself should have been enough to warn Lord Dawlish of impending doom. As far as love, affection, and tenderness are concerned, a girl might just as well hit a man with an axe as say

'Well, Bill?' to him when they have met unexpectedly in the moonlight after long separation. But Lord Dawlish was too shattered by surprise to be capable of observing nuances. If his love had ever waned or faltered, as conscience had suggested earlier in the day, it was at full blast now.

'Claire!' he cried.

He was moving to take her in his arms, but she drew back.

'No, really, Bill!' she said; and this time it did filter through into his disordered mind that all was not well. A man who is a good deal dazed at the moment may fail to appreciate a remark like

'Well, Bill?' but for a girl to draw back and say, 'No, really, Bill!' in a tone not exactly of loathing, but certainly of pained aversion, is a deliberately unfriendly act. The three short words, taken in conjunction with the movement, brought him up with as sharp a turn as if she had punched him in the eye.

'Claire! What's the matter?'

She looked at him steadily. She looked at him with a sort of queenly woodenness, as if he were behind a camera with a velvet bag over his head and had just told her to moisten the lips with the tip of the tongue. Her aspect staggered Lord Dawlish. A cursory inspection of his conscience showed nothing but purity and whiteness, but he must have done something, or she would not be staring at him like this.

'I don't understand!' was the only remark that occurred to him.

'Are you sure?'

'What do you mean?'

'I was at Reigelheimer's Restaurant--Ah!'

 

 

 

 760215-60c2a60a848f38f9a2bf3676f166e69b.jpg

P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)



Zie voor nog meer schrijvers van de 15e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.


Geschreven door Romenu om 19:40 Reageer op dit bericht

Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 

Uit: Die unsichtbaren Städte (Vertaald door Burkhart Kroeber)

 

“Die Städte und der Wunsch

Despina erreicht man auf zweierlei Weise: per Schiff oder per Kamel.

Die Stadt präsentiert sich unterschiedlich, je nachdem, ob man vom Land oder vom Meer zu ihr kommt. Der Kamelreiter, der am Horizont der Hochebene die Spitzen der Wolkenkratzer, die Radarantennen, die flat ternden weißroten Windsäcke und die rauchenden Schlote auftauchen sieht, denkt an ein Schiff, er weiß, daß es eine Stadt ist, aber er denkt sie sich wie ein großes Wasserfahrzeug, das ihn aus der Wüste fortbringt, ein Segelschiff, das gleich ablegen wird, während der Wind bereits die noch nicht losgebundenen Segel bläht, oder ein Dampfschiff mit vibrierendem Kessel im eisernen Rumpf, und er denkt an all die Häfen, an die Waren aus Übersee, die von den

Kränen auf den Docks entladen werden, an die Tavernen, in denen Crews aus verschiedenen Ländern einander Flaschen auf den Schädeln zerbrechen, an die erleuchteten Fenster im Erdgeschoß, jedes mit einer Frau darin, die sich kämmt.

Im Dunst der Küste unterscheidet der Seemann die Form eines Kamelhöckers, eines mit glitzernden Fransen verzierten Sattels zwischen zwei gefleckten Buckeln, die schwankend näher kommen, er weiß, daß es eine Stadt ist, aber er denkt sie sich wie ein Kamel, von dessen Tragsattel Schläuche und Doppelsäcke mit kandierten Früchten, Dattelwein, Tabakblättern hängen, und er sieht sich schon an der Spitze einer langen Karawane, die ihn aus der Meereswüste fortbringt zu Süßwasseroasen im gestreiften Schatten der Palmen, zu Palästen mit dicken Kalkmauern und gekachelten Höfen, in denen Tänzerinnen barfuß tanzen und die Arme mal unter, mal über dem Schleier bewegen.

Die unsichtbaren Städte | Italo Calvino Jede Stadt empfängt ihre Form von der Wüste, der sie sich

entgegenstellt; und so sehen der Kamelreiter und der Seemann Despina, die Stadt auf der Grenze zwischen zwei Wüsten.”



 

 

 760201-68a262f8ce67716690c8f7aab78879cd.jpg

Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Tessa de Loo (pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit) werd op 15 oktober 1946 in Bussum geboren. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 

Uit:  Isabelle

 

“Jij denkt dat ‘t heerlijk is om mooi te zijn…’Isabelle had haar benen opgetrokken en haar armen om haar enkels geslagen.
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je eronder gebukt gaat,’zei Jeanne vinnig.
‘Ze houden van me…’ Isabelle haalde diep adem,’om mijn buitenkant , mijn omhulsel, niet om mezelf. Of ze haten me erom zoals jij, zonder me te kennen. Voor veel regisseurs ben ik niet meer dan een domme, blonde pop. Als ik met een eigen visie kom, luisteren ze niet. Ik moet enorme stennis maken om gehoord te worden. Dan wordt er geschreven dat ik een kreng ben, dat de roem me naar het hoofd gestegen is.’
Jeanne stond op. Er gebeurde iets wat ze niet kon bevatten: ineens kwamen er woorden terug. Klachten, over een wereld die zijn niet kende en haar niet interesseerde.”

 

 


 760201-06f1eea8f6530dc74407ca7ab26a465f.jpg

Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Mario Puzo werd geboren in New York op 15 oktober 1920. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.


Uit:
Der letzte Pate (Vertaald door Gisela Stege, Veronika Dünninger, Bernhard Schmidt)

 

“Am Palmsonntag, ein Jahr nach dem Großen Krieg gegen die Santadios, feierte Don Domenico Clericuzio die Taufe zweier Neugeborener aus dem Kreis seiner Blutsverwandten und traf die wichtigste Entscheidung seines Lebens. Er lud die größten Familienchefs von Amerika zu sich ein, dazu Alfred Gronevelt, den Eigentümer des Hotels Xanadu in Vegas, und David Redfellow, der sich in den Vereinigten Staaten ein riesiges Drogenimperium aufgebaut hatte. Sie alle waren mehr oder

weniger seine Partner.

Nun wollte das mächtigste Familienoberhaupt Amerikas, Don Clericuzio, seine Macht abtreten – nach außen hin. Es wurde Zeit, mit anderen Karten zu spielen; demonstrative Macht war zu gefährlich. Der Machtwechsel an sich barg jedoch einige Gefahren. Deswegen musste er äußerst behutsam und mit großem Wohlwollen vorgehen. Und zwar auf eigenem Grund und Boden, im Zentrum seiner Macht.

Das Anwesen der Clericuzios in Quogue war zwanzig Morgen groß und von einer drei Meter hohen roten, mit Stacheldraht und elektronischen Sensoren bewehrten Mauer umgeben. Auf diesem Areal lagen außer dem Herrenhaus die Villen seiner drei Söhne sowie zwanzig kleinere Häuser für zuverlässige Gefolgsleute der Familie.

Bevor die geladenen Gäste eintrafen, setzte sich der Don im Spaliergarten hinter dem Herrenhaus mit seinen Söhnen an einem weißen gusseisernen Tisch zusammen. Giorgio, der älteste, war hochgewachsen, trug einen kleinen, flotten Schnurrbart und besaß die schlaksige Figur eines britischen Gentlemans, die er mit maßgeschneiderten Anzügen noch betonte. Er war siebenundzwanzig, verschlossen, hatte einen scharfen Verstand und harte Gesichtszüge. Der Don teilte Giorgio mit, dass er sich um die Aufnahme in die Wharton School of Business bewerben solle, um alle Tricks zu erlernen, mit deren Hilfe man Geld stehlen könne, ohne das Gesetz zu übertreten.

Giorgio erhob keine Einwände; dieser Befehl seines Vaters kam einem königlichen Edikt gleich und stand nicht zur Diskussion. Also nickte er gehorsam.”

 

 

 

760201-5b1640885c2ff7aaf75de153c3f15e61.jpg
Mario Puzo (15 oktober 1920 – 2 juli 1999)

 

 

 

 

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

 

Uit: Aeneis I  (Vertaald door P. W. de Koning)

 

Oudtijds was er een stad, een kolonie van Tyrische mannen,
Over Italië lag zij, Karthago, ver over de monding
Van den Tiber, welvarende en stout in de kunsten van d'oorlog:
Welke Juno gezegd wordt het meeste te hebben bevoorrecht,
Meer dan Samos zelfs, dat dáár haar wapenen waren,
Dáár haar strijdkar stond, terwijl zij háár, van den aanvang
Af, tot gebiedster van d'aard had bestemd: - zoo het lot het gedoogde.
Maar ook was haar voorspeld, dat een stam, uit Troje gesproten,
Eens die Tyrische stad zou verwoesten en sedert uit dezen
't Volk zou komen, dat Koning zou zijn, door de zege verheerlijkt,
Tot verderf van het Libysche Rijk: dat de Parcen dit dreven.
Dit dus vreesde Saturnus' kind en herdacht zich den oorlog
Dien zij, bij Troje, gevoerd had, vóór allen, uit gunst tot d'Argivers;
Ook waren nog niet die reednen van toorn, die haar hart eens zoo griefden,
Uit haar zinnen gegaan; want diep in haar binnenste wrokten
't Rechterlijk oordeel van Paris, de hoon der geminachte schoonheid
En het gehate geslacht en het eereambt van Ganymedes.
Zoo dus, te meer nog vergramd, heeft zij 't overschot van de Trojanen,
Wat de Danäers niet hadden gedood noch de grimmige Achilles,
Rondgeslingerd op zee en van Latium verre gehouden.
Heel veel jaren dus zwierven zij om, door het Noodlot gedreven;
Zóó veel werks had het in, het volk van Rome te gronden.

 

 

 

760201-fd4628efe2a5a02b258251bee5be519e.jpg
Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. - 21 september 19 voor Chr.)

Buste in Rome

Geschreven door Romenu om 19:30 Reageer op dit bericht

Onafhankelijk van geboortedata: Kees Beekmans

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Nederlandse schrijver Kees Beekmans (1961) studeerde Nederlandse Taal en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam voordat hij als journalist bij de Volkskrant aan de slag ging. Ruim tien jaar geleden wilde hij wat anders; hij besloot les te gaan geven op een ‘zwarte school’ in Amsterdam. Over zijn ervaringen schreef hij verhalen, die werden gepubliceerd in Margriet, Trouw en NRC Handelsblad. Met zijn artikelen in laatstgenoemde won hij in 1995 zijn eerste Zilveren Zebra. De bundeling van zijn verhalen ‘Eén hand kan niet klapt’ (2004) sleepte in 2004 de E. du Perronprijs in de wacht. Momenteel schrijft hij onder meer columns voor De Groene Amsterdammer en de Volkskrant over zijn verblijf in Marokko.

 

Uit: Sirocco

 

„Wat míj vooral aan hem opviel, was wat ikzelf miste: zijn daadkracht, zijn brutaliteit ook, zijn lef. Van die rondreis keerde hij ’s avonds laat terug, doodmoe, nam zijn intrek in hotel Terminus, en viel onmiddellijk in slaap — niet gehinderd door de smoezeligheid van de kamer of de kakkerlakken die voor hem wegvluchtten. Integendeel, geheel verkwikt door een goede nachtrust liet hij zich de volgende morgen – dus nog geen dag in Rabat — door een taxi naar de letterenfaculteit van Universiteit Mohammed v rijden, om bij het secretariaat te informeren of hij op dinsdag- en donderdagochtend een lokaal kon krijgen voor een cursus creative writing. Het was in eerste instantie maar voor een trimester, zei hij erbij, een workshop van twaalf bijeenkomsten.
‘Zo’n verzoek,’ zou Alain me later vertellen, ‘krijgen ze toch niet iedere dag, leek me, maar de vrouw die daar zat, tegen de veertig, niet onknap, liet niets van verbazing blijken. Ze knikte ten teken dat ze me begrepen had — alsof er dagelijks Fransen komen binnenlopen die een leslokaal nodig hebben.’
Als dat Marokkko was, dan mocht hij dit land wel. Alain meende zelfs te zien dat de secretaresse hem met een zekere belangstelling bekeek. Ze zei vriendelijk dat hij een dergelijk verzoek schriftelijk moest richten aan de decaan van de faculteit. Als hij haar die brief gaf, wilde zij er wel voor zorgen dat die bij haar baas terechtkwam.
‘Kan ik ’m hier schrijven?’ vroeg Alain, en hij wees op de computer op het andere bureau, waar niemand zat.
De secretaresse glimlachte en maakte een uitnodigend gebaar.
‘Wat moet er precies in staan?’
Nog diezelfde middag belde ze Alain om te zeggen dat hij toestemming had van de decaan. Zo schopte hij het binnen een dag — zijn rondreis niet meegerekend — tot onbezoldigd docent van Marokko’s meest prestigieuze universiteit.
En in de loop der maanden kwamen er steeds meer studenten, en studentes, op zijn workshop af — wat me, Alain inmiddels wat beter kennende, absoluut niet verbaasde. ‘De eerste keer waren het er vier, twee weken later al acht, en nu, alweer het derde trimester dat ik de cursus geef, zitten we daar iedere week met z’n dertigen, soms nog wel meer. Hoop lekkere wijven ook.’
‘Dat je ooit hebt gedacht dat je zo’n cursus kón geven…’ zei ik met bewondering in mijn stem. ‘Je zei dat je twéé verhalen in een literair tijdschrift had gepubliceerd?’
‘Hoeveel zou ik er dan gepubliceerd moeten hebben, volgens jou?“

 

 

 

768389-aeb83139c356aaea16828041a5554e7e.jpg
Kees Beekmans (1961)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

E. E. Cummings, Péter Nádas, Katha Pollitt

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2008 en ook mijn blog van 14 oktober 2009.

 

 

the boys i mean are not refined

 

the boys i mean are not refined

they go with girls who buck and bite

they do not give a fuck for luck

they hump them thirteen times a night

 

one hangs a hat upon her tit

one carves a cross on her behind

they do not give a shit for wit

the boys i mean are not refined

 

they come with girls who bite and buck

who cannot read and cannot write

who laugh like they would fall apart

and masturbate with dynamite

 

the boys i mean are not refined

they cannot chat of that and this

they do not give a fart for art

they kill like you would take a piss

 

they speak whatever's on their mind

they do whatever's in their pants

the boys i mean are not refined

they shake the mountains when they dance

 

 

 

 

why must itself up every of a park    

 

 why must itself up every of a park

anus stick some quote statue unquote to

prove that a hero equals any jerk

who was afraid to dare to answer "no"?

quote citizens unquote might otherwise

forget(to err is human;to forgive

divine)that if the quote state unquote says

"kill" killing is an act of christian love.

"Nothing" in 1944 AD

"can stand against the argument of mil

itary necessity"(generalissimo e)

and echo answers "there is no appeal

from reason"(freud)--you pays your money and

you doesn't take your choice.  Ain't freedom grand

 

 

 

 

Als

 

Als sproetjes lieftallig zijn, en dag nacht is,

En mazelen mooi zijn en een leugen geen leugen is,

Dan zou 't leven heerlijk zijn,--

Maar de dingen zouden niet kloppen

Want in zo'n droeve staat

Zou ik geen ik zijn.

 

Als de aarde hemel is, en nu toen is,

En verleden heden is, en vals waar is,

Dan klopt dit in zekere zin,

Al zou ik in twijfel zijn,

Want met zo'n voorwendsels

Zou jij niet jij zijn.

 

Als angst moedig is, en globes vierkant zijn,

En vuil proper is, en tranen vrolijk zijn

Dan zou alles fraai lijken,--

Toch zou iedereen vertwijfeld zijn,

Want als hier daar zou zijn

Dan zouden wij geen wij zijn.



Vertaald door Lepus

 

 

 


759410-5fde0dcc038a646adfb9af64f12ab973.jpg
E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver Péter Nádas werd geboren op 14 oktober 1942 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2008 en ook mijn blog van 14 oktober 2009.

 

Uit: A Lovely Tale Of Photography (Vertaald door Imre Goldstein)

 

“SILENCE   On the black-lacquered short column the flowers are displayed in a new bowl. They may be the same kinds of flowers, though they are arranged differently.

And there is a voice.

"The rebellious soul afflicts itself with thirst, hunger, and silence, but the rational world can be neither punished nor driven off its course. People shamelessly eat and drink, say the proper words, belch and fart — because they are digesting — and under the cover of night they beget children; minute follows minute, the hours pass, filling up with themselves, and who would brood over time that is out of joint?"

Kornélia is standing in the open door of the terrace; an anxious Henriette is behind her.

"Kornélia, my sweet, I beg you, hold on to your senses."

And there is also a voice.

"A daydreaming Kornélia was standing in the open door of the terrace, loyal Henriette behind her. Two lovely human statues. One is rebellious silence itself, the other the guardian angel of bounden duty."

And then, on the steps leading to the terrace, appears the elderly lady, accompanied by the young man who had so much reminded Kornélia of Károly.

"Please, let us go and welcome them."

While they proceed, the voice is heard.

"Of course we must immediately note that neither the girl nor the young man had desired this meeting; it was a scheme — to break Kornélia's morbid silence — devised by Henriette and abetted by the wily Chief Surgeon."

Henriette and the elderly lady exchange amiable smiles and, by way of greeting, as befits the situation, bow their heads. The girl and the youth remain aloof; as their partners halt, so do they, to avoid a collision, yet they appear not to see each other.

"We've been out for a whole hour, man ist aber nicht zu erfüllen, von diesem dahinschleichenden, wunderbaren Wetter. How do you like this wonderful weather we're having?"

"In den Bergen gibt es ja immer das leichte Lüftchen, nicht mehr als einen leisen Hauch, just enough to cool off this late heat wave. Kornélia is absolutely overjoyed."

 

 

759410-f975842de157a1ec5cac759c22c9d855.jpg
Péter Nádas (Boedapest,14 oktober 1942)

 





De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe
Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2008 en ook mijn blog van 14 oktober 2009.

 

 

 

Lot's Wife

 

Trudging behind the broad backside of God

she hums her useless tune

Oh little black dress at the back of the closet,

who will crush you now against his chest?

 

Green Italian boots in a midnight window,

a scrabble of rats, a hand

lit from within like a tulip—

Who dashes down that street to meet her lover?

Who sits in the movie theatre

coiled, silent, a black cat?

 

The dark-eyed daughters idly stroke their breasts.

A jackal crouches in shadow, hungry for salt.

At the base of a dune that heaves to the blank horizon

a palm tree shrugs its shoulders

as if to say: Well, what did you expect?

 

 

 

What I Understood

 

When I was a child I understood everything

about, for example, futility. Standing for hours

on the hot asphalt outfield, trudging for balls

I'd ask myself, how many times will I have to perform

this pointless task, and all the others? I knew

about snobbery, too, and cruelty—for children

are snobbish and cruel—and loneliness: in restaurants

the dignity and shame of solitary diners

disabled me, and when my grandmother

screamed at me, "Someday you'll know what it's like!"

I knew she was right, the way I knew

about the single rooms my teachers went home to,

the pictures on the dresser, the hoard of chocolates,

and that there was no God, and that I would die.

All this I understood, no one needed to tell me.

the only thing I didn't understand

was how in a world whose predominant characteristics

are futility, cruelty, loneliness, disappointment

people are saved every day

by a sparrow, a foghorn, a grassblade, a tablecloth.

This year I'll be

thirty-nine, and I still don't understand it.

 

 

 

 759410-0d1ae9169299b7537835e155ba6f4a74.jpg

Katha Pollitt (New York,14 oktober 1949)



Zie voor nog meer schrijvers van de 14e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 18:08 Reageer op dit bericht

Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski

De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2006 en ook mijn blog van 14 oktober 2007 en ook mijn blog van 14 oktober 2008 en ook mijn blog van 14 oktober 2009.

 

Uit: The Young Girl

 

In her blue dress, with her cheeks lightly flushed, her blue, blue eyes, and her gold curls pinned up as though for the first time--pinned up to be out of the way for her flight--Mrs. Raddick's daughter might have just dropped from this radiant heaven. Mrs. Raddick's timid, faintly astonished, but deeply admiring glance looked as if she believed it, too; but the daughter didn't appear any too pleased--why should she?--to have alighted on the steps of the Casino. Indeed, she was bored--bored as though Heaven had been full of casinos with snuffy old saints for croupiers and crowns to play with.

"You don't mind taking Hennie?" said Mrs. Raddick. "Sure you don't?
There's the car, and you'll have tea and we'll be back here on this step-- right here--in an hour. You see, I want her to go in. She's not been before, and it's worth seeing. I feel it wouldn't be fair to her."

"Oh, shut up, mother," said she wearily. "Come along. Don't talk so much.  And your bag's open; you'll be losing all your money again."

"I'm sorry, darling," said Mrs. Raddick.

"Oh, do come in! I want to make money," said the impatient voice. "It's all jolly well for you--but I'm broke!"

"Here--take fifty francs, darling, take a hundred!" I saw Mrs. Raddick pressing notes into her hand as they passed through the swing doors. Hennie and I stood on the steps a minute, watching the people. He had a very broad, delighted smile.

"I say," he cried, "there's an English bulldog. Are they allowed to take dogs in there?"

"No, they're not."

"He's a ripping chap, isn't he? I wish I had one. They're such fun. They frighten people so, and they're never fierce with their--the people they belong to." Suddenly he squeezed my arm. "I say, do look at that old woman. Who is she? Why does she look like that? Is she a gambler?"

 

 

 

 759409-63ab1d64b6bd1a17717d458bdc096970.jpg

Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)

 

 

 

 

 

De Duitse dichteres, schrijfster en filosofe Margarete Susman werd geboren op  14 oktober 1872 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2009.

 

Uit: Davids Tod

 

(Ein großes dunkles Gewölbe; links schwach erhellt auf prunkvollen Bett der sterbende König mit geschlossenen Augen.

Sonst ist nichts im Zimmer zu erkennen. Im Hintergrund recht zusammengekauert Abisag von Sunem)

 

David:

Schatten des Todes riesengroß

Umschwirren mein Haupt.

Was sind wir?  Rinnender Sand,

Verwehen, Verstieben,

Hinsinkendes Nichts –

Und die uns binden, die uralten Engel des Lichts

Und sammeln die Häufchen rinnenden Sandes

Zum Anschaun des ewigen Landes –

Wer begriff ihr heiliges Band

In solcher Stunde? –

Wer – wer vermag aus des Abgrunds Grunde

Zu lieben?

 

Wo ist sie, die leichte blühende Flamme

In tausend Gestalten,

In der ich mich fand?

Hier ist düsteres Land.

Irrend und schwirrend, gestaltlos wogend,

Flackernd gleitet es um mich her.

Will es sich bilden? will es mich bilden?

Ich weiß seinen Namen nicht mehr.

Es hat mich zu tief in sich selbst gezogen,

Es hat mir zu viele Gestalten von mir gelogen.

Wer bin ich?  Was hält mich die diesem Gefilden?

Wo ist sie, die stumme verhüllte Gestalt

In mir, die mich trüge?

Des Meinen klare Gewalt?

Wo bist Du mein Bruder?  Ich sehe Dich nicht.

Du verrinnst mir in Dunkel und Licht –

Wo sind sie – wo sind Deine heilig geliebten Züge?

Weh mir – ich finde nur Schatten,

Ich finde nur Geister,

Wo ist, der sie schafft?

Wo ist er, ihr einig weisender Führer,

Der Schatten lebenspendender Berührer,

Daß ich zu seinen Füßen sinke,

Seine Klarheit trinke

In lebendigem reinem Ermatten?

Wehe – dichter und dichter

Umdrängt mich der Schatten

Atembeklemmende Todesgewalt –

(Er erblicht Abisag, die in den Lichtkreis tritt)

Gestalt!  Gestalt!

Welch ewiger Strahl

Von göttlicher Reine zerreißt die Nacht!

Ein Strom lebendiger Tränen

Entstürzt dem geblendeten Aug

Und ich sehe.

Ich sehe Dich, o Schwester –

Aus ewiger Wogen Nacht

Rannst Du zusammen

Vor meiner lebendigen Seele.

Und um Dich ordnet sich sanft die Welt,

Die Welt mit unendlicher Bilder

Ruhiger Wonne.

Ich sehe die Sonne,

Der Sterne klare Gestalten

In reinem Kreise Dein Haupt umwalten

Ich seh Deinen Fuß die Erde treten,

Ich sehe Dein Auge glänzen und beten,

Und es blickt mich an:

Mich – und ich bin,

Ich lebe.

 

 

 

759409-6c0031b75d7fc48b84a87d87552f2439.jpg
Margarete Susman (14 oktober 1872  - 16 januari 1966)

 

 

 

 

De Poolse schrijver Stefan Żeromski werd geboren op 14 oktober 1864 in Strawczyn in de buurt van Kielce. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2006.

 

Uit: Foreboding: Two Sketches (Vertaald door Else Benecke en Marie Busch)

 

‘In the darkest corner of the ward, in the bed marked number twenty-four, a farm labourer of about thirty years of age had been lying for several months.  A black wooden tablet, bearing the words ‘Caries tuberculosa’ hung at the head of the bed, and shook at each movement of the patient.  The poor fellow’s leg had had to be amputated above the knee, the result of a tubercular decay of the bone.  He was a peasant, a potato-grower, and his forefathers had grown potatoes before him.  He was now on his own, after having been in two situations; had been married for three years and had a baby son with a tuft of flaxen hair.  Then suddenly, from no cause that he could tell, his knee had pained him, and small ulcers had formed. He had afforded himself a carriage to the town, and there he had been handed over to the hospital at the expense of the parish.

He remembered distinctly how on that autumn afternoon he had driven in the splendid, cushioned carriage with his young wife, how they had both wept with fright and grief, and when they had finished crying had eaten hard-boiled eggs: but what had happened after that had all become blurred—indescribably misty.  Yet only partially so.

Of the days in the hospital with their routine and monotony, creating an incomprehensible break in his life, his memory retained nothing; but the unchanging grief, weighing like a slab of stone on a grave, was ever present in his soul with inexorable and brutal force during these many months.  He only half recalled the strange wonders that had been worked on him: bathing, feeding, probing into the wound, and later the operation.  He had been carried into a room full of gentlemen wearing aprons spotted with blood; he was conscious also of the mysterious, intrepid courage which, like a merciful hand, had supported him from that hour.”

 

 

 

759409-ac4634c315e3c365cbf17cb931a483e8.jpg
Stefan Żeromski (14 oktober 1864 - 20 november 1925)

Portret door Eligiusz Niewiadomski, 1900

Geschreven door Romenu om 18:03 Reageer op dit bericht

Daniël Rovers

De Nederlandse schrijver Daniël Rovers werd geboren in Zelhem op 14 oktober 1975. Rovers groeide op in het gehucht Velswijk, in de Gelderse Achterhoek. Hij studeerde Nederlands en wijsbegeerte in Nijmegen en woonde tot 2008 in Brussel, sindsdien in Amsterdam. In 2005 verscheen de essaybundel Bunzing. De roman Elf (2010) - volledige titel: Elf levens - beschrijft de levens van elf mensen die in Brussel wonen, levens die onderling verbonden blijken. In 2011 ook verscheen de roman Walter, die het leven beschrijft van een Noord-Brabantse seminarist die volwassen wordt in de jaren vijftig en zestig.

 

Uit: Walter

 

“In de zomer, als het eerste ochtendlicht onder de gordijnen de kamer in kierde, hoefde Walter niet gewekt te worden. Als je goed je best deed, dan kon je de zon horen schijnen, had Jos gezegd, maar als Walter luisterde, mond en ogen dicht, hoorde hij in de beuken voor het huis alleen het gekwetter van de koolmezen en een paar lijsters daartussen, en ja, een botvink met het begin van een melodie. En onder het fluiten van de vogels, gedempt door de dakpannen en de muren van de stal, het geloei van het vee. Onzalig doch niet ongelukkig, gemeenschap op vier poten, herkauwers.

’s Winters was het anders, dan hield de slaap je vast in de nacht: het donker bewoond door de vuurvliegjes die je ziet als je op een zomermiddag je ogen voor een moment ferm sluit. Op-stáán, op-stáán, op-stáán. Om zes uur klopte moeder driemaal op de houten achterwand van het bed, zodat het dreunde in het duister waarin hij verscholen lag. Een specht boorde in zijn schedel.

Twee ledikanten stonden in de kamer. Walter sliep naast zijn broer Jos, Johan en kleine Jan deelden het andere bed. In de vakanties moesten zij opschikken als grote Jan thuiskwam van de kostschool in Huijbergen, want zijn blozende, brede lijf had ruimte nodig. Jos reutelde van onder de opgebolde lakens; de open monden van kleine Jan en Johan verzamelden klompsokkenlucht. Walter richtte zich op. Wie wilde er nog in bed liggen nu het licht met putsen tegelijk over het erf werd uitgegoten?

Op de rieten stoel naast het bed lagen zijn broek, hemd, overhemd, vest en sokken; als het nodig was kon hij ze aantrekken op de tast. Zijn vingers herkenden de zachte kriebel van de wol, de koelte van het katoen. Met het vest in zijn rechterhand verliet hij de kamer en liep de brede, met tapijt overtrokken trap af, over de tegels van de hal, door de voorkamer tot aan de drempel van het washok. Daar sliepen nog zijn schoenen, nodig tegen de koelte die van beneden kwam. De Surinamerivier, het olifantengeweer, de glibberige vloer van de koeienstal. Droom heette het avontuur dat ’s nachts in slaap plaatsvond. Hij kletste een weinig water in zijn gezicht.”

 

 

993236-e2d1f2d8589455e81272fac99e1bbc3e.jpg
Daniël Rovers (Zelhem, 14 oktober 1975)
Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten