Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 6 november 2010 tot 7 november 2010

Albert Camus, Albert Helman, Pierre Bourgeade, Antonio Skármeta, W. S. Rendra

De Franse schrijver en filosoof Albert Camus werd geboren op 7 november 1913 in Mondovi, Algerije. Zie ook mijn blog van 7 november 2006 en ook mijn blog van 7 november 2007 en ook mijn blog van 7 november 2008 en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Caligula

 

“[Acte I, Scène IV (dialogue Hélicon, Caligula)]

---
CALIGULA
... Mais je ne suis pas fou et même je n'ai jamais été aussi raisonnable.
Simplement, je me suis senti tout à coup un besoin d'impossible.
Les choses, telles qu'elles sont, ne me semblent pas
satisfaisantes.
HÉLICON
C'est une opinion assez répandue.
CALIGULA
Il est vrai. Mais je ne le savais pas auparavant.
Maintenant, je sais. Ce monde,
tel qu'il est fait, n'est pas supportable. J'ai donc
besoin de la lune, ou du bonheur, ou de l'immortalité,
de quelque chose qui soit dément peut-être,
mais qui ne soit pas de ce monde.
HÉLICON
C'est un raisonnement qui se tient. Mais, en
général, on ne peut pas le tenir jusqu'au bout.
CALIGULA,
se levant, mais avec la même simplicité.
Tu n'en sais rien. C'est parce qu'on ne le tient
jamais jusqu'au bout que rien n'est obtenu. Mais
il suffit peut-être de rester logique jusqu'à la fin,
Il regarde Hélicon.
Je sais aussi ce que tu penses. Que d'histoires
pour la mort d'une femme! Non, ce n'est pas cela.
Je crois me souvenir, il est vrai, qu'il y a quelque
jours, une femme que j'aimais est morte. Mais
qu'est-ce que l'amour? Peu de chose. Cette mort
n'est rien, je te le jure; elle est seulement le signe
d'une vérité qui me rend la lune nécessaire. C'est
une vérité toute simple et toute claire, un peu
bête, mais difficile à découvrir et lourde à porter.
HÉLICON

Et qu'est-ce donc que cette vérité, Caius ?
CALIGULA, détourné, sur un ton neutre.
Les hommes meurent et ils ne sont pas heureux.

HÉLICON, après un temps.
Allons, Caius, c'est une vérité dont on s'arrange
très bien. Regarde autour de toi. Ce n'est pas cela
qui les empêche de déjeuner.
CALIGULA
, avec un éclat soudain.
Alors, c'est que tout, autour de moi, est mensonge,
et moi, je veux qu'on vive dans la vérités
Et justement, j'ai les moyens de les faire vivre
dans la vérité. Car je sais ce qui leur manque,
Hélicon. Ils sont privés de la connaissance et
il leur manque un professeur qui sache ce dont il parle.”

 

 

 

777731-cf857c12287b43e96edeed62427fe4c4.jpg
Albert Camus (7 november 1913 – 4 januari 1960)

 





De Nederlandse dichter en schrijver
Albert Helman werd geboren op 7 november 1903 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 7 november 2006 en ook mijn blog van 7 november 2008  en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Orkaan bij nacht

 

“Heb ik ooit liefgehad?

Ben ik zelf ooit bemind?

Ik weet het niet. Ik weet het niet meer. Sinds jaren leef ik in raadsels die dag aan dag ondoorgrondelijker worden. Twijfels die zelfs de geringste gebeurtenissen vertroebelen, en de laatste kans op geluk teniet doen.

Het is zelfs de vraag of geluk iets bestaanbaars is. Mijzelf schijnt het toe dat ik nooit werkelijk gelukkig ben geweest, en de schaarsche keeren dat ik dit meende, berustten op een schandelijk bedrog van mijzelf en anderen. Een dwaze komedie waarbij geglimlacht werd en gelukzalig gekeken, maar waarbij ieder in zijn hart voelde dat hij te hoog speelde, dat hij straks onherroepelijk de verliezer zijn zou, en dupe van een kinderachtige overgevoeligheid.

De anderen? Het is mogelijk dat er gelukkigen zijn. Maar ik ken ze niet, ik heb ze nooit ontmoet. Die de schijn aannamen alsof, of zich erop beroemden dat zij gelukkig konden zijn, heb ik met gretige nieuwsgierigheid geobserveerd, op het ziekelijke af; maar ik heb altijd weer de vooze plek in hun geluk, de valschheid van hun zelfbegoocheling ontdekt. Daarvoor was niet eens bizondere scherpzinnigheid noodig; ze verrieden zichzelf maar al te graag, want van hun soort geluk raakten ze gauw genoeg vermoeid, verveeld en overstuur. Juist zooals ik, de enkele keeren dat ik een hallucinatie voor geluk heb aangezien.

Er is geen mensch die niet een tijdlang zich aan zulk zelfbedrog bezondigt, en zijn eigen ziel poogt op te lichten. Maar wat heb ik nog te maken met de menschen.... met de mensch die ik zelf eertijds was? Onherroepelijk zijn de jaren, maar het is ook dwaasheid ze ooit terug te willen roepen. Dood is dood, voorbij voorbij, begraven blijft voorgoed begraven. Beter is het ieder jaar en elke dag de eindrekening op te maken en een streep te zetten onder wat voorbij is: het verloren leven, het bedrog, en zelfs het laatste beetje dat je nog uit de algemeene ondergang dacht te redden.

Dat wil zeggen....

Neen, ik wil niet. Geen restricties. Koel en zakelijk wil ik doorgaan met de heele boel te likwideeren. Jeugd en studiejaren met hun kinderlijke illusies, hun geloof dat op deze aarde ooit iets groots zou te bereiken zijn. Die kindersprookjes.... Dan mijn huwelijk. Blijspel aller treurspelen of treurspel aller blijspelen, dat is om het even. Een vergissing, zeker, dat beken ik mij reeds jaren. Maar een van die fijne, wreede, ingewikkelde vergissingen, zooals een Planck en Einstein ze ontdekten in het onaantastbare instituut van onze wiskunde. Mijn huwelijk had ook beter moeten zijn dan alle andere, volgens de oude leer. Maar daar kwam de ontdekking: de berekeningen klopten niet.”

 

 

 

777731-dd0aa6e343339b00ff7aef17ada0a79b.jpg
Albert Helman (7 november 1903 - 7 oktober 1996)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver, scenarioschrijver, essayist, dichter, journalist en fotograaf Pierre Bourgeade werd geboren in Morlanne op 7 november 1927. Zie ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Warum

 

“Le surlendemain, nous retrouvâmes Eva à la pâtisserie du Trocadéro. Après avoir pris le thé, nous nous rendîmes dans un petit hôtel de la rue Saint-Didier, la Résidence des Fleurs, qui louait des chambres à l’heure. Les chambres n’étaient pas numérotées, elles portaient des noms de fleurs inscrits sur de petites plaques émaillées. Il y avait les lilas, les bleuets, les myosotis, les violettes, etc.,… et elles étaient entièrement tapissées, plafond compris, d’un tissu représentant ces fleurs. On nous donna la chambre des hortensias bleus, nous eûmes l’impression de pénétrer dans une boîte géante remplie d’hortensias. Je commandai une bouteille de champagne. Eva enleva son trench-coat, s’allongea sur le lit et attendit. Elle portait sa longue robe de coton rêche, sans ceinture, dans les tons grèges. Elle avait le visage très blanc, les paupières noirs de fard, les yeux allongés d’un trait de crayon jusqu’aux oreilles. Lucienne s’assit à côté d’elle, déboutonna la robe, sous laquelle Eva était nue. Lucienne se pencha, embrassa les seins, descendit, embrassa le ventre. Eva écarta les cuisses. Je m’assis à hauteur de son visage, essayant de lui faire mettre le nez dans ma braguette, mais elle détourna la tête. Je ne bandai pas. Je glissai la main dans les cheveux de Lucienne, lui grattai le crâne. Lucienne suçait avec fougue, ahanant. Je regardai les cloisons d’hortensias bleus, le plafond d’hortensias bleus, les rideaux d’hortensias bleus, puis je pensai que nous étions des nains déguisés en hortensias bleus occupés à donner un spectacle hard dans un bocal plein d’hortensias bleus pour un Dieu solitaire dont l’œil nous voyait, caché dans l’un des hortensias bleus du plafond. Eva poussa un petit cri. «Tu me mords!»

 

 

 

777731-2a5ce0f116be2607e7168c149348b985.jpg
Pierre Bourgeade (7 november 1927 – 12 maart 2009)

 

 

 

 

 

De Chileense schrijver Antonio Skármeta werd geboren op 7 november 1940 in Antofagasta. Zie ook mijn blog van 7 november 2008 en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Das Mädchen mit der Posaune (Vertaald door Willi Zurbrüggen)

 

“Im Dezember 1944 saß ich mit dem malizianischen Einwanderer Stefano Coppeta einträchtig schweigend auf den Treppenstufen des Ladens Ecke Prat und Esmeralda, als ein blendender Lichtblitz von weiter unten uns gleichzeitig aufspringen ließ. Überrascht und neugierig legten wir die Hände schirmend über die Augen und spähten in das unendliche Licht, das von einem goldenen Skateboard oder einer diamantenen Antenne zu kommen schien.

Das überwältigende Leuchten blendete so, daß es unmöglich war, die Personen in seinem Umkreis auszumachen. Erst als sie bis auf einen halben Häuserblock herangekommen waren, sah ich, daß es sich um einen dicken jungen Mann handelte, begleitet von einem etwa zweijährigen Geschöpf in einem roten Trägerkleidchen, das der unerträglichen Hitze sehr angemessen war. Das Mädchen hielt einen zerbissenen Schnuller in den Händen und der Junge eine Posaune von gewaltigem Ausmaß. Eine einzige Lichtkanonade.

Vor uns beiden blieb das Paar stehen. Der junge Mann griff in die Tasche seiner Manchesterhose, die hier und da Flecken deutlich älteren Datums aufwies, zog einen abgegriffenen Zettel hervor, wischte sich damit den Schweiß von der Stirn, las ihn durch, starrte Stefano Coppeta in die Augen, als sähe er dessen Fingerabdrücke darin, steckte den Zettel zurück in die Hosentasche und sagte auf malizianisch: "Glenn Miller ist tot."

"Wer ist das?" fragte ich und spürte, wie das Mädchen an meinem Hemd zupfte.

"Glenn Miller? Der größte Musiker des Jahrhunderts. In the Mood, Little Brown Jug, Pennsylvania 6-5000, Moonlight Serenade... Kennen Sie den nicht?"

Der Mann streichelte seine Posaune, als müsse er sie trösten, und schaute dann betrübt auf das Mädchen.

"Von zeitgenössischer Musik verstehe ich nichts", sagte ich einlenkend. "Ich bin bei Mozart und Beethoven stehengeblieben." Stefano zündete sich eine Zigarette an.

"In der Silvesternacht tanzen die Landsleute manchmal Turumbas. Kennen Sie die Turumba der Früchte?"

Der Posaunist brachte das Mundstück an die Lippen, setzte es, ohne einen Ton zu blasen, wieder ab und befeuchtete die Lippen mit der Zunge.

"Die Turumba des Todes", sagte er mit bitterem Lächeln. "Die Nazis sind bis in unser Allerheiligstes vorgedrungen."

 

 

 

 777731-ee7e8c4e7e3b4e264376e6b56c02f7d6.jpg

Antonio Skármeta (Antofagasta, 7 november 1940)

 

 

 


De Indonesische dichter en toneelregisseur
Wahyu Sulaeman Rendra (eig. Willibrordus Surendra Broto Rendra) werd geboren in Surakarta op 7 november 1935. Rendra behoorde als dichter tot de groep "Angkatan '50". Als een van de weinige Indonesische dichters stond Rendra dikwijls op de kandidatenlijst voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij verleende het Indonesisch een nieuwe dimensie door zijn lucide, schijnbaar simpel, maar zeer doeltreffend woordgebruik. Na enkele jaren in de Verenigde Staten te hebben doorgebracht, keerde hij in 1966 terug naar Djokjakarta. Daar werd hij echter vooral bekend met het door hem opgerichte theatercollectief "Bengkel". Rendra was ook een vooraanstaand opponent van het regime van president Soeharto (1967-1998) en zat in 1978 enkele maanden in de gevangenis.

 

 

Poem

 

The wet twilight calms the burning forest.

Vampire bats descend

from the dark grey sky.

Smell of munitions in the air.

Smell of corpses. And horseshit.

A pack of wild dogs

eat hundreds and thousands of human bodies

the dead and the half dead.

And among the scorched trees of the forest

puddles of blood form into a pool.

Wide and calm. Ginger in colour.

Twenty angels come down from heaven

to purify those in their death throes

but on earth

are ambushed by the giant vampires

and raped.

A vital breeze which travels gently on

moves away the ringlet curls of the corpses

makes circles on the lake of blood

and impassions the lust of angels and bats.

 

Yes, my brothers,

I know this is a view which satisfies you

for you have worked so intently

to create it.

 

 

 

 777731-9f7f729d612a5054a4f0dc8953aebd3e.jpg

W. S. Rendra (7 november 1935 - 6 augustus 2009)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 19:41 Reageer op dit bericht

Vladimir Volkoff, Auguste Villiers de L'Isle-Adam, Friedrich zu Stolberg-Stolberg, Johann Gottfried Schnabel, Gédéon Tallemant des Réaux

De Franse schrijver Vladimir Volkoff werd geboren in Parijs op 7 november 1932.  Zie ook mijn blog van 7 november 2008 en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Le retournement

 

„- Avez-vous jamais réfléchi au mot bolchévik ? commença Popov. Pour l’anecdote, il signifie « majoritaire au congrès  social-démocrate de 1903 », mais  sans compter que la majorité semble avoir été, par bonheur, truquée, faut voir plus profond. Staline - vous pouvez me dénoncer à l’ambassadeur pour avoir cité le vieux père - a dit : « Bolchevisme et léninisme sont une seule et nième chose. »  Ostrovsky attire notre attention sur le mot, qui est musclé, dense : on y mord bien. Pour moi, c’est un mot de couleur rouge foncé, tirant sur le brun ; un mot pesant, qui évoque l’artillerie de gros calibre et l’industrie lourde. Un mot comme bombardier, comme marteau-pilon. Un mot qui fait peur et chaud on même temps. Petit garçon, je ne rêvais qu’à ça avoir le droit de dire « Je suis bolchevik ». J’y rêvais plus et mieux qu’un cadet à l’épaulette, qu’un petit télégraphiste américain aux milliards de Carnegie. J’ai suivi la filière : pionniers, konisa, candidature au Parti, l’examen où l’an étale son âme sur la table d’opération... J’ai reçu mon billet. Ça y était. Vous n’êtes qu’une petite Occidentale pourrie si vous vous imaginez un instant que j’ai été déçu. Au contraire : l’initiation a dépassé mues espoirs. Quand je me suis regardé dans la glace, que j’ai tendu le doigt et que j’ai dit « Voilà un bolchevik! », j’ai senti que je m’étais majoré moi-même. Seulement, dans l’entre­temps, j’avais appris, progressivement, le vrai sens du mot. Un bolchevik, ce n’est pas un protecteur de la veuve et de l’orphelin, comme vous le croyez, ni un lutteur contre les forces d’ombre, comme je l’avais cru moi-même, ni un prolétaire plus conscient. ni un économiste plus averti, ni un prophète plus éclairé, ni un dialecticien plus logique. Ces représentations qui sortent les unes des autres sont comme nos poupées russes : toutes â limage de la vérité, la serrant de plus en plus étroitement, donc toutes vraies. Et pourtant, toutes fausses, jusqu’au moment où on atteint la dernière, celle qui ne s’ouvre plus, le noyau sous la chair, la particule infis­sible, la vérité vraie. J’avais voulu devenir bolchevik, je l’étais, mais ce n’était pas ce que je pensais, c’était mieux, infiniment mieux.“

 

 

 777720-db35a475f7d65d45ce33346762641095.jpg

Vladimir Volkoff (7 november 1932 - 14 september 2005)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Auguste Villiers de L'Isle-Adam werd geboren op 7 november 1838 in Saint-Brieuc. Zie ook mijn blog van 7 november 2008 en ook mijn blog van 7 november 2006 en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: L'Eve Future

 

„A vingt-cinq lieues de New York, au centre d'un réseau de fils électriques, apparaît une habitation qu'entourent de profonds jardins solitaires. La façade regarde une riche pelouse traversée d'allées

sablées qui conduit à une sorte de grand pavillon isolé. Au sud et à l'ouest, deux longues avenues de très vieux arbres projettent leurs ombrages supérieurs vers ce pavillon. C'est le n° 1 de la cité de Menlo Park.--Là demeure Thomas Alva Edison, l'homme qui a fait prisonnier l'écho.

Edison est un homme de quarante-deux ans. Sa physionomie rappelait, il y a quelques années, d'une manière frappante, celle d'un illustre Français, Gustave Doré. C'était presque le visage de l'artiste _traduit_ en un visage de savant. Aptitudes congénères, applications différentes.

Mystérieux jumeaux. A quel âge se ressemblèrent-ils tout à fait? jamais, peut-être. Leurs deux photographies d'alors, fondues au stéréoscope, éveillent cette impression intellectuelle que certaines effigies de races supérieures ne se réalisent pleinement que sous une monnaie de figures, éparses dans l'Humanité.

Quant au visage d'Edison, il offre, confronté avec d'anciennes estampes, une vivante reproduction de la médaille syracusaine d'Archimède.

Or, un soir de ces derniers automnes, vers cinq heures, le merveilleux inventeur de tant de prestiges, le magicien de l'oreille (qui, presque sourd lui-même, comme un Beethoven de la Science, a su se créer cet imperceptible instrument--grâce auquel, ajusté à l'orifice du tympan, les surdités, non seulement disparaissent, mais dévoilent, plus affiné encore, le sens de l'ouïe--), Edison, enfin, s'était retiré au plus profond de son laboratoire personnel, c'est-à-dire en ce pavillon séparé de son château.“

 

 

 

777720-7f9e6ee40621313c9e4a273d0e397eca.jpg
Auguste Villiers de L'Isle-Adam (7 november 1838 - 18 april 1889)

Buste van Élie Le Goff in Saint-Brieuc

 

 

 

 

De Duitse dichter, vertaler en jurist Graaf Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg werd geboren op 7 november 1750 in Bramstedt. Zie ook mijn blog van 7 november 2008 en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

 

An den Abendstern

6. Januar 1773.

 

Ehmals winktest du mir, Führer des schweigenden

Abends, Freuden herab, kurz, wie sie Sterblichen

Lächeln, farbigen Blasen

Ähnlich, hauchender Weste Spiel!

 

Zwar mir waren sie wert, wert, wie dem dürstenden

Weizenhalme der Tau! aber sie schwanden bald!

Selten blicket dein Auge

Nun, und trüber auf mich herab!

 

Hüllen Schleier dich ein? Oder entfließen dir

Thränen? Bist du, gleich mir, nagender Traurigkeit

Raub, ein Erbe des Jammers?

Deine strahlenden Brüder auch?

 

Ist das blaue Gewand leuchtender Sonnen voll,

Und mit Monden besä't, nur ein Gewebe von

Elend? Tönen die Sphären

Einen ewigen Klageton?

 

Oder bin ich allein elend? Du schweigest mir,

Unerbittlich auch du! dennoch ein Retter einst,

Wann den Abend du bringest,

Welchem folget kein Morgenrot!

 

 

 

 

777720-d1e9ae529068b0d4653a9941f401e3dd.jpg
Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg (7 november 1750 - 5 december 1819)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Johann Gottfried Schnabel werd geboren op 7 november 1692 in Sandersdorf bij Bitterfeld. Zie ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Der im Irrgarten der Liebe herumtaumelnde Kavalier

„Es hat ein geborener von Adel zwei Hauptwege vor sich, durch welche er zu besonderen hohen Ehren gelangen und sich vor anderen seines Standes ungemein distinguieren kann, nämlich den Weg in den Krieg oder den Weg, zur Gelehrsamkeit zu gelangen. Ob man nun schon nicht in Abrede ist, daß sich viele von Adel auf andere Arten, nämlich durch Erlernung der Jägerei, Reitkunst und dergleichen, in hohe Posten geschwungen, so ist doch sonnenklar, daß die Zahl derjenigen, welche einen von den erstgemeldeten Wegen erwählt und dadurch sehr hohe Chargen erreicht, der anderen Zahl bei weitem übertrifft.

Ein gewisser deutscher Kavalier, den wir Gratianus von Elbenstein nennen wollen, war zwar keine feige Memme, hatte aber mehr Lust zu den Büchern und zur Feder als zum Degen und anderem Gewehr, erwählte deswegen den Weg, sich durch Gelehrsamkeit emporzuschwingen. Weil er nun von seiner zarten Jugend an beständig fleißig studiert, hatte er es so weit gebracht, daß er sehr frühzeitig auf Universitäten ziehen konnte. Als er nach einigen Jahren von dannen zurück kam, zeigten sich seine vornehmen Eltern ungemein vergnügt, zumal sie von vielen Staats- und gelehrten Leuten die Versicherung erhielten, daß sie ihr Geld nicht übel angelegt, indem der junge Herr Gratianus von Elbenstein sich nicht allein in der Jurisprudenz, Philosophie, Mathematik und dergleichen, sondern auch in den Nebendingen, Tanzen, Reiten, Fechten, Voultoisieren, vor anderen, die gleich so viel Zeit und wohl mehr Geld als er verschwendet, ungemein hervorgetan hätte.

Demnach war sein Herr Vater gesonnen, ihn fürs erste an einem gewissen fürstlichen Hofe als Kammerjunker zu engagieren; da aber der junge Herr von Elbenstein seinem Herrn Vater vorstellte, was es für eine vortreffliche und höchstnötige Sache sei, daß ein junger Kavalier, ehe er Bedienung bei Hofe annähme, sich vorher auf Reisen begäbe, um die Welt sowohl als die Gemüts- und Lebensarten der Menschen von verschiedenen Nationen kennenzulernen, er auch außerdem noch viel mehr andere Beweggründe hinzusetzte, resolvierte sich der Herr Vater bald, seinen beiden Söhnen eine standesmäßige Equipage verfertigen zu lassen und jedwedem einen wohlgespickten Beutel mitzugeben.“

 

 

 

 777720-a6bec4a06363d931abc63eca5f2d8051.jpg

Johann Gottfried Schnabel (7 november 1692  - tussen 1751 en 1758)

Gedenkplaat aan zijn woonhuis in Stolberg in de Harz

 

 

 

 

De Franse schrijver Gédéon Tallemant des Réaux werd geboren op 7 november 1619 in La Rochelle. Zie ook mijn blog van 7 november 2008 en ook mijn blog van 7 november 2009.

 

Uit: Historiettes. Henri IV

 

„Si ce prince fût né roi de France, et roi paisible, probablement ce n'eût pas été un grand personnage : il se fût noyé dans les voluptés, puisque, malgré toutes ses traverses, il ne laissoit pas, pour suivre ses plaisirs, d'abandonner les plus importantes affaires. Après la bataille de Coutras, au lieu de poursuivre ses avantages, il s'en va badiner avec la comtesse de Guiche, et lui porte les drapeaux qu'il avoit gagnés. Durant le siège d'Amiens, il court après madame de Beaufort, sans se tourmenter du cardinal d'Autriche, depuis l'archiduc Albert, qui s'approchoit pour tenter le secours de la place.
[Sigogne fit cette épigramme :
Ce grand Henri, qui souloit estre
L'effroi de l'Espagnol hautain
Fuyt aujourd'huy devant un prestre
Et suit le c-l d'une p...n. (T.)]
Il n'étoit ni trop libéral, ni trop reconnoissant. Il ne louoit jamais les autres, et se vantoit comme un Gascon. En récompense, on n'a jamais vu un prince plus humain, ni qui aimât plus son peuple ; d'ailleurs, il ne refusoit point de veiller pour le bien de son Etat. Il a fait voir en plusieurs rencontres qu'il avoit l'esprit vif et qu'il entendoit raillerie.
Pour reprendre donc ses amours, si Sébastien Zamet, comme quelques-uns l'ont prétendu, donna du poison à madame de Beaufort, on peut dire qu'il rendit un grand service à Henri IV, car ce bon prince alloit faire la plus grande folie qu'on pouvoit faire : cependant il y étoit résolu.

On devoit déclarer feu M. le Prince bâtard. M. 1e comte de Soissons se faisoit cardinal, et on lui donnoit trois cent mille écus de rentes en bénéfices. M. le prince de Conti étoit marié alors avec une vieille qui ne pouvoit avoir d'enfants. M. le maréchal de Biron devoit épouser la fille de madame d'Estrées, qui depuis a été madame de Sanzay. M. d'Estrées la devoit avouer ; elle étoit née durant le mariage, mais il y avoit cinq ou six ans que M. d'Estrées n'avoit couché avec sa femme, qui s'en étoit allée avec le marquis d'Allègre, et qui fut tuée avec lui à Issoire, par les habitants, qui se soulevèrent et prirent le parti de la Ligue. Le marquis et sa galante tenoient pour le Roi : ils furent tous deux poignardés et jetés par la fenêtre.“

 

 

 

777720-5bb6f754a456913983766d8c7c23bb65.jpg
Gédéon Tallemant des Réaux (7 november 1619 – 10 november 1692)

Geschreven door Romenu om 19:33 Reageer op dit bericht

Robert Musil, Michael Cunningham, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2007 en ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften (Hoofdstuk 40)

 

„Ebensowenig konnte er Abenteurer werden, obgleich da das Leben etwas von einer immerwährenden Brautzeit haben mochte und seine Glieder wie sein Mut diese Lust spürten. Er hatte weder Dichter werden können noch einer von den Enttäuschten, die nur an Geld und Gewalt glaubten, obgleich er zu all dem eine Anlage hatte. Er vergass sein Alter, er stellte sich vor, er wäre zwanzig: trotzdem war es innerlich so entschieden, dass er davon nichts werden konnte; zu allem, was es gab, zog ihn etwas hin, und etwas Stärkeres liess ihn nicht dazu kommen. Warum lebte er also unklar und unentschieden? Ohne Zweifel, - sagte er sich - was ihn in eine abgeschiedene und unbenannte Daseinsform bannte, war nicht der Zwang zu jenem Lösen und Binden der Welt, das man mit einem Wort, dem man nicht gerne allein begegnet, Geist nennt.

Und Ulrich wusste selbst nicht warum, aber er wurde mit einemmal traurig und dachte: "Ich liebe mich einfach selbst nicht." In dem erfrorenen, versteinerten Körper der Stadt fühlte er ganz zu innerst sein Herz schlagen. Da war etwas in ihm, das hatte niergends bleiben wollen, hatte sich die Wände der Welt entlang gefühlt und gedacht, es gibt ja noch Millionen anderer Wände; dieser langsam erkaltende, lächerliche Tropfen Ich, der sein Feuer, den winzigen Glutkern nicht abgeben wollte.

Der Geist hat erfahren, das Schönheit gut, schlecht, dumm oder bezaubernd macht. Er zerlegt ein Schaf und einen Büsser und findet in beiden Demut und Geduld. Er untersucht einen Stoff und erkennt, dass er in grossen Mengen ein Gift, in kleineren ein Genussmittel sei. Er weiss, dass die Schleimhaut der Lippen mit der Schleimhaut des Darms verwandt ist, weiss aber auch, dass die Demut der Lippen mit der Demut alles Heiligen verwandt ist. Er bringt durcheinander, löst auf und hängt neu zusammen. Gut und bös, oben und unten sind für ihn nicht skeptisch-relative Vorstellungen, wohl aber Glieder einer Funktion, Werte, die von dem Zusammenhang abhängen, in dem sie sich befinden. Er hat es den Jahrhunderten abgelernt, dass Laster zu Tugenden und Tugenden zu Lastern werden können, und hält es im Grunde bloss für eine Ungeschicklichkeit, wenn

man es noch nicht fertig bringt, in der Zeit eines Lebens aus einem Verbrecher einen nützlichen Menschen zu machen. Er anerkennt nichts Unerlaubtes und nichts Erlaubtes, den alles kann eine Eigenschaft haben, durch die er eines Tages teil hat an einem grossen, neuen Zusammenhang. Er hasst heimlich wie den Tod alles, was so tut, als stünde es ein für allemal fest, die grossen Ideale und Gesetze und ihren kleinen versteinten Abdruck, den gefriedeten Charakter. Er hält kein Ding für fest, kein Ich, keine Ordnung weil unsre Kenntnisse sich mit jedem Tag ändern können, glaubt er an keine

Bindung, und alles besitzt den Wert, den es hat, nur bis zum nächsten Akt der Schöpfung, wie ein Gesicht, zu dem man spricht, während es sich mit den Worten verändert.“

 

 

 

776944-9a4aa01c3af5bbd9c1aa140e026986ce.jpg
Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2006  en ook mijn blog van 6 november 2007 en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

Uit: Flesh And Blood

 

“1935 / Constantine, eight years old, was working in his father‘s garden and thinking about his own garden, a square of powdered granite he had staked out and combed into rows at the top of his family‘s land. First he weeded his father‘s bean rows and then he crawled among the gnarls and snags of his father‘s vineyard, tying errant tendrils back to the stakes with rough brown cord that was to his mind the exact color and texture of righteous, doomed effort. When his father talked about "working ourselves to death to keep ourselves alive," Constantine imagined this cord, coarse and strong and drab, electric with stray hairs of its own, wrapping the world up into an awkward parcel that would not submit or stay tied, just as the grapevines kept working themselves loose and shooting out at ecstatic, skyward angles. It was one of his jobs to train the vines, and he had come to despise and respect them for their wild insistence. The vines had a secret, tangled life, a slumbering will, but it was he, Constantine, who would suffer if they weren‘t kept staked and orderly. His father had a merciless eye that could find one bad straw in ten bales of good intentions.

As he worked he thought of his garden, hidden away in the blare of the hilltop sun, three square feet so useless to his father‘s tightly bound future that they were given over as a toy to Constantine, the youngest. The earth in his garden was little more than a quarter inch of dust caught in a declivity of rock, but he would draw fruit from it by determination and work, the push of his own will. From his mother‘s kitchen he had spirited dozens of seeds, the odd ones that stuck to the knife or fell on the floor no matter how carefully she checked herself for the sin of waste. His garden lay high on a crown of scorched rock where no one bothered to go; if it produced he could tend the crop without telling anyone.”

 

 

 

776944-0834783700832566e2edc26bb81e3649.jpg
Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2008.en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

Uit: Zonder noorden komt niemand thuis

 

„De taxichauffeur zette me af bij een handel in tweedehands auto’s, niet ver van Vancouver International Airport. De wagens stonden in het gelid als hoeren in een goedkoop bordeel, hun

prijs op de voorruit. Mijn moeder noemde een auto altijd ‘wagen’ en markeerde daarmee haar nederige afkomst. ‘Hij heeft een mooie wagen onder zijn kont,’ was haar hoogste lof. Dan had een

man wat bereikt. Mijn ‘wagen’ was voor haar nooit mooi genoeg.

De zon vonkte van de chromen bumpers. Ik stond met een koffer en een reistas op de immense parkeerplaats, moe van de lange vlucht, en knipperde met mijn ogen. Mijn lichaam was er, maar mijn geest haperde nog. Het felle, heldere licht verried de nabijheid van de zee. Het middaguur maakte korte schaduwen.

Onder de weidse koepel van de Canadese lucht was ik nietig. Ik kreeg ruimte. Nederland is overal benauwend, een land van centimeters, zelfs als de lucht strakblauw boven het Ijsselmeer spant, of als je vanaf de Moerdijkbrug het Hollands Diep breeduit over de aarde ziet liggen. Nederland zat me te krap.

De taxi was weggereden en ik stond daar en was vergeten wat ik kwam doen. Ik wist zelfs mijn naam niet meer. Wie was deze man? Ik was van gemiddelde lengte, gemiddeld gewicht, middelbare leeftijd, goed en sportief gekleed, ik was een man om mee voor de dag te komen, een man als een favoriete zoon, een man als een eeuwige verloofde, een man als een beste vriend, een man als een oplichter. Niemand. Iedereen. Alleman. Ik keek naar de zonwerende ramen van een kantoor. Er kwam iemand

naar buiten. Hij liep op me toe. Hij droeg een poloshirt met het logo van de dealer. Toen de man vroeg hoe hij me kon helpen, wist ik het weer: mijn naam was Robert. Robert Andersen. Ik was rechtstreeks van het vliegveld gekomen om de auto te kopen die ik op het internet had gezien en die precies aan mijn eisen leek te voldoen.

‘Daar kun je nog jaren plezier van hebben,’ zei de verkoper na de proefrit. Hij sloeg de vijf jaar oude Dodge Dakota 4 x 4 automaat liefderijk op de zilvergrijze flank. ‘Ze is een werkpaard en de hele familie kan erin. Zelfs je schoonmoeder.’ Hij zei het niet voor het eerst. Zijn mobiele telefoon ging over met de rit van de Walkuren. De man verwijderde zich drie passen en keerde me de rug toe. Waarschijnlijk vond hij dat beleefd. Het poloshirt liet ook op de rug geen misverstand bestaan over de naam van het

bedrijf.“



 

 

 776944-7d4a649ceee2ac7479677ac258751916.jpg

Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

 

 


De Surinaamse schrijfster
Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

 

berm '56

 

Rook van brandhout in mijn neus

Een koppige woudreus

Wij voor het eerst zo bij elkaar

Stond ik niet met wilde haar

dicht tegen je aan? Onze mond

zocht... en vond, ik stond niet nee

Geknield, koppig als de woudreus

Rook van verlangen in mijn neus

Willoos wild en wild haar

Liggend, hijgend, zo bij elkaar

En gras zoveel gras

Tot ik weer verten in de ogen las.

 

 

virgo '57

 

Waar ging hij naar toe?

Nu ik het zwerven moe

tot jou ben teruggekeerd

bezeert mij zijn gezicht

die ik kuste in het licht

van lichte onbezonnenheid.

Wat, voor vergankelijkheid

van een kus, een streling

Yo te quiero aan de railing

Deinende tussen lucht en oceaan

Aan boord van dromen naar de maan.

 

 

 

 776944-0206f33214f28f1af734ecbbdf83ab13.jpg

Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

 

 

 

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

Uit: ‘Want uw vijand wie is dat?’. Mijn kleine oorlog: Louis Paul Boon als ongelovige dromer

 

“In Verscheurd jeugdportret heeft Boon zelf een impressie gegeven van zijn kinder- en jeugdjaren. In de eerste alinea van deze herinneringen gaf hij aan dat ze slechts een verbrokkeld en fragmentarisch beeld kunnen oproepen: ‘Het is een vreemd spelletje, aan vroeger terug te denken. Niet zo-maar kriskras genoegen nemend met wat komt opdagen, maar het draadje van vroeger trachtend te volgen van dag tot dag. Het is bijna niet te geloven hoe weinig is overgebleven, hoeveel hiaten er zijn, en stukken van flarden waar men geen raad mee weet.’ Dat zijn geheugen niet betrouwbaar is, blijkt meteen daarna: ‘Het leek me een eindeloze root werkmanshuizen - ik was er nog onlangs en heb ze geteld, het waren er slechts negen.’ (Verscheurd jeugdportret, voortaan: vj, p.7). De niet uitgewiste opnamen heeft Boon gemonteerd tot een verhaal. Weliswaar geen roman, maar toch een samenhangend, chronologisch geordend geheel. Bovendien bestaat dit zelfportret voor een aanzienlijk gedeelte uit door de auteur zelf als autobiografisch opgevatte fragmenten uit zijn romans (onder meer uit Mijn kleine oorlog!). Wie kan dan nog de grens trekken tussen verbeelding en werkelijkheid? Uit onderzoek is gebleken dat Boon zelf in niet weinig gevallen door hemzelf ingekleurde of verzonnen gebeurtenissen voor echt gebeurd ging houden. Dat zal zijn toekomstige biograaf voor grote problemen plaatsen. De doelstelling van deze studie is evenwel bescheidener van aard: niet wát heeft de auteur tijdens bij voorbeeld de eerste wereldoorlog meegemaakt, maar hoe heeft de eerste wereldoorlog, zoals Boon die zelf ervaren heeft, een rol gespeeld bij de totstandkoming van Mijn kleine oorlog? Vanzelfsprekend zullen de ervaringen van de schrijver waar mogelijk gesitueerd worden in de historische feitelijkheid.”

 

 

 776944-6a94cfdaa796d52910d725174944428c.jpg

Bert Vanheste (6 november 1937 - 23 februari 2007)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn vorige blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 19:32 Reageer op dit bericht

Bodenski, James Jones, Galaktion Tabidze, Jonas Lie, Johannes Jørgensen

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

 

 

Duell im Morgengrauen

Gewählte Waffe: Alphabet

Eine Salve heller Vokale
Jage ich dir in dein Bein
Du strauchelst
Antwortest pfeilschnell
Katapultierst Konsonanten
Es folgen Worte
Ganze Sätze
Reime Verse
Für Stanzen oder Nonarime wird
Die Zeit nicht reichen
Geschweige denn für Episches
Schon fühle ich mich ausgelaugt
Trocken schmerzt die Kehle
Wenn ich Genugtuung erhalten will
Muss ich dir standhaft zusetzen
So versuche ich
Ruhig Blut zu sein
Probiere es
Mit einer Drehung der Perspektive
Mit einer härteren Grammatik
Einem kälteren Ton
Schneller parierend
Mit jedem weiteren Wort

Als du eine meiner Phrasen
Mit einem Stoßseufzer durchbohrst
Begehst du eine klare Verletzung
Der Regeln
Ich bedauere die Disqualifikation

Wenigstens sind wir
Im Gegensatz zu Puschkin
Mit dem Leben davon gekommen



776938-b3ee6e95de2ecafec10c8564158547a5.jpg

Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver James Jones werd geboren op 6 november 1921 in Robinson, Illinois. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

Uit: The Thin Red Line

 

“The two transports had sneaked up from the south in the first graying flush of dawn, their cumbersome mass cutting smoothly through the water whose still greater mass bore them silently, themselves as gray as the dawn which camouflaged them. Now, in the fresh early morning of a lovely tropic day they lay quietly at anchor in the channel, nearer to the one island than to the other which was only a cloud on the horizon. To their crews, this was a routine mission and one they knew well: that of delivering fresh reinforcement troops. But to the men who comprised the cargo of infantry this trip was neither routine nor known and was composed of a mixture of dense anxiety and tense excitement.
Before they had arrived, during the long sea voyage, the cargo of men had been cynical--honestly cynical, not a pose, because they were part of an old regular division and knew that they were cargo. All their lives they had been cargo; never supercargo. And they were not only inured to that; they anticipated it. But now that they were here, were actually confronted with the physical fact of this island that they had all read so much about in the papers, their aplomb deserted them momentarily. Because though they were from a pre-war regular division, this was nevertheless to be their baptism of fire.
As they prepared themselves to go ashore no one doubted in theory that at least a certain percentage of them would remain on this island dead, once they set foot on it. But no one expected to be one of these. Still it was an awesome thought and as the first contingents came struggling up on deck in full gear to form up, all eyes instinctively sought out immediately this island where they were to be put, and left, and which might possibly turn out to be a friend's grave.
The view which presented itself to them from the deck was a beautiful one. In the bright, early morning tropic sunshine which sparkled off the quiet water of the channel, a fresh sea breeze stirred the fronds of minute coconut palms ashore behind the dun beach of the nearer island. It was too early yet to be oppressively hot. There was a feeling of long, open distances and limitless sea vistas. The same sea-flavored breeze sifted gently among the superstructures of the transports to touch the ears and faces of the men. After the olfactory numbness caused by the saturation of breath, feet, armpits and crotches below in the hold, the breeze seemed doubly fresh in their noses. Behind the tiny cocopalms on the island masses of green jungle rose to yellow foothills, which in turn gave place in the bright air to hulking, blue-hazed mountains.“

 

 

 

776938-8a982f0702a629c58913e9b86775564c.jpg
James Jones (6 november 1921 – 9 mei 1977)

 

 

 

 

 

De Georgische diichter en schrijver Galaktion Tabidze werd geboren op 6 november 1891 in Chqvishi, in de buurt van Vani. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

 

 

The Moon Over Mtatsmtnda

My eyes have never seen the moon so lovely as to-night;
In silence wrapt she is the breathless music of the night.
Moonbeams embroider shadows with fine thread of silver light.
O, eyes have never seen the sky so lovely as to-night!
The moon adorned in beams of pearls seems like a queen divine,
The stars like fire-flies tangled in a web about her shine.
The Mtkvari flows a silver stream of lambent beauty bright.
O, eyes have never seen the moon so lovely as to-night!
Here in immortal calm and peace the great and noble sleep
Beneath the soft and dewy turf in many a mouldering heap,
Here Baratashvili came with wild desires to madness wrought,
Oppressed by raging fires of passion and perplexing thought.
O could I like the swan pour forth my soul in melody
That melts the mortal heart and breathes of immortality!
Let my free song fly far beyond this world to regions high
Where on the wings of poesy 'twill glorify the sky.
If death approaching makes the fragrance of the roses sweeter.
Attunes the soul to melodies that make all sadness dearer.
And if the swan's song thus becomes a denizen of heaven,
If in that, song she feels that death will be but ecstasy, then —
Let me like her sing one last song and in death find delight.
So breathless still and lovely I have never seen the night!
O mighty dead, let me die here beside you as I sing.
I am a poet, and to eternity my song I fling,
And let it be the fire that warms and lights the spirit's flight.
O, eyes have never seen the moon so lovely as to-night!

 

 

 

Vertaald door Venera Urushadze

 

 

 

 776938-7098d987e18630299034cfbe4656dcb0.jpg

Galaktion Tabidze (6 november 1891 – 17 maart 1959)

 

 

 

 

De Noorse schrijver Jonas Laurits Idemil Lie werd geboren op 6 november 1833 in Eiker bij Drammen. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: The Pilot and his Wife (Vertaald door Ole Bull)

 

„On the stern, pine-clad southern coast of Norway, off the  picturesquely-situated town of Arendal, stand planted far out into the  sea the white walls of the Great and Little Torungen Lighthouses, each
on its bare rock-island of corresponding name, the lesser of which  seems, as you sail past, to have only just room for the lighthouse and  the attendant's residence by the side. It is a wild and lonely  situation,--the spray, in stormy weather, driving in sheets against the  walls, and eagles and sea-birds not unfrequently dashing themselves to  death against the thick glass panes at night; while in winter all
communication with the land is very often cut off, either by drift or  patchy ice, which is impassable either on foot or by boat.
These, however, and others of the now numerous lights along that  dangerous coast, are of comparatively recent erection. Many persons now  living can remember the time when for long reaches the only lighting was  the gleam of the white breakers themselves. And the captain who had
passed the Oxö light off Christiansand might think himself lucky if he  sighted the distant Jomfruland up by Kragerö.
About a score of years before the lighthouse was placed on Little Torungen there was, however, already a house there, if it could be dignified by that name, with its back and one side almost up to the eave of the roof stuck into a heap of stones, so that it had the appearance of bending forward to let the storm sweep over it. The low entrance-door opened to the land, and two small windows looked out upon the sea, and upon the boat, which was usually drawn up in a cleft above the sea-weed outside.

When you entered, or, more properly speaking, descended into it, there was more room than might have been expected; and it contained sundry articles of furniture, such as a handsome press and sideboard, which no one would have dreamt of finding under such a roof. In one corner there stood an old spinning-wheel covered with dust, and with a smoke-blackened tuft of wool still hanging from its reel; from which, and from other small indications, it might be surmised that there had once been a woman in the house, and that tuft of wool had probably been her last spin.“



776938-6a05d905419451cf32b92be8954d88ec.jpg
Jonas Lie (6 november 1833 – 5 juli 1908)

 

 

 

 

 

De Deense schrijver Johannes Jörgensen werd geboren in Svendborg op 6 november 1866 geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: St. Francis and His Brethren (Vertaald door T. O'Conor Sloane)

 

„The Franciscan Order (Friars Minor) was founded by the Poverello of Assisi (1182-l226) in the little church of Portiuncula in 1209. It was given oral approval by Pope Innocent III in 1210, and the Rule was formally approved by Pope Honorius III in 1221.

Francis found himself one day in Bishop Guido's private room. As was customary with him, he had gone to the man he regarded as "the father of souls" to get advice-perhaps also to pray for alms. It was a period of hard times for the Brotherhood. After the return from the mission journeys, four new Brothers had joined the ranks-Philipp Lungo, John of San Costanzo, Barbarus, and Bernard of Vigilanzio. Francis himself had brought a fifth new Brother with him from Rieti-Angelo Tancredi, a young knight whom Francis had met in the streets of Rieti, and whom he had won by suddenly calling out to him: "Long enough hast thou borne the belt, the sword and the spurs! The time has now come for you to change the belt for a rope, the sword for the Cross of Jesus Christ, the spurs for the dust and dirt of the road! Follow me and I will make you a knight in the army of Christ!"

Thus it was that there were no longer so few men to have food daily. In the beginning the people of Assisi had been seized with a kind of wonder, and the Brothers had got considerable alms as they went from door to door. Now people began to grow weary of them; now the relatives of the Brothers were ready to persecute them. "You have given away what you had, and now you come and want to eat up other people's things!"

 

 

 

 776938-9ed31759183a746457100e4c4513b726.jpg

Johannes Jørgensen (6 november 1866 -  29 mei 1956)

Geschreven door Romenu om 19:14 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten