Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 31 oktober 2011 tot 1 november 2011

Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek, Hermann Broch, Aras Ören

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

 

 

Seegasse

 

Die Arche Noah ist auf dem Kanal vorbeigefahren. Der Neger, der vor dem Stacheldraht den Wagen

seines Kommandanten bewachte, hat sie gesehen. Er erkannte sie an der weißen Gans, die obenauf saß und mit den Flügeln schlug, aber er hat nichts gesagt.

 

Die kleinen Bälle springen noch auf dem flachen Dach, aber die alte Frau, die in dem Bett am Fenster

lag, ist nicht mehr da. Wem sollen wir erzählen, daß wir in einem neuen Orden sind? Die Straße, die

zum Wasser führt, ist leer.

 

Am Ufer unten sammeln sich die Bienen und suchen ihre letzte Königin.

 

 

 

Chinesischer Abschied

 

Wir legen uns heute nieder,
doppelt nieder,
wer uns wecken will,
möge es sanft tun,
er möge seine Stimme schonen
und auch sein Herz,
denn beide sind kostbar.

 

 

 

Bobingers Klage

 

Meine Freunde sind ausgegeben,
zwischen den Blättern und Ästen
verlor ich sie.
Wer löst mir das Bild,
wer holt ihre leichten Gestalten
neu aus dem Regen hervor,
wer fängt ihnen Wolkenhauben,
wer dreht mir die Sonnenuhr?

 

 

 

1023310-61e95e3fc52010a2004974b5968cf4f4.jpg
Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

 

 

 

 

De Belgische dichter en schrijver Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

 

Legendes

 

Stil. Luister. Geniet.

Carlos Cardel. Weet je wel?

De eeuwigheid trotserend.

Nostalgia. Nooit belerend.

Stil. Kijk. Bezwijk.

Rudolf Valentino. Eén brok latino.

De vleesgeworden gaucho.

Huiswerk: zoek op het doek een ocho.

Zing. Dans. Charmeur.

Zet je gleufhoed op.

Enthousiasmeer. Alweer.

De legende komt tot leven.

 

 

 

 

Halfgoden

 

Mag ik je even, onbescheiden, een niet vrijblijvend complimentje geven?

Je danst waarlijk als een halfgodin, boven ons nietige mannetjes verheven.

We komen nog niet tot aan je enkels. Hoe die trouwens zwieren!

Dat heb je niet geleerd, maak ik mezelf wijs. Zo word je geboren.

Ik zal wel blijven klunzen. Les na les strompel ik verder.

Ik oefen thuis stiekem in de badkamer, met mijn bezem.

Die heeft tenminste geduld, kijkt niet naar mijn jankende voeten.

Hoe zat dat ook weer met die laatste pas? Mijn lijf lijkt wel van was.

In de salons durf ik me amper wagen. Ik zie hoe de vrouwen me wegen.

En meteen te licht bevinden. Zuurpruimen, kijk hoe ze me verslinden.

Maar met jou wil ik het best proberen. Ik beloof, ik zal me weren.

Wie weet stijg ik met je mee naar boven, naar jouw eenzame hoogte.

 

 

 

1023310-0d23155dcba02e5ca7faa0282481ca41.jpg
Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)

 

 

 

 

De  Nederlandse dichter, schrijver en essayist Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar in Indonesië geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Rudy Kousbroek op dit blog.

 

 

Op die leeftijd

 

Op die leeftijd waren dingen in het water
niet gezien maar beseft
als uitslag van een soort waarnemen
dat veel scherper en nauwkeuriger werkt

het belang daarvan werd niet onderschat
wel gevreesd en vermeden
totdat, na een nacht van klam bewegen
het vergaan van ochtendnevels werd geconstateerd

toch is het leven van zulke verschijnselen
eindeloos.

 

 

 

Errata*)

 

Voor 'kussen' lees: 'kussens',
Voor 'vliegen' lees: 'liegen',
Voor 'van jou' lees: 'van niemand',
Voor 'nood' lees: 'wet'.

Voor 'nu' lees: 'later',
Voor 'later' lees: 'nooit',
Voor 'weten' lees: 'vergeten',
Voor 'waarom' lees: 'daarom'.

Voor 'stenen' lees: 'brood',
Voor 'trouwen' lees: 'branden',
Voor 'jong' lees: 'oud',
Voor 'zwijgen' lees: 'goud'.

'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.

*) In de geest van Paul Muldoon

 

 

 

Raaf

 

Oh zeg ons toch, eerwaarde raaf
Waart gij uw hele leven braaf?
Het antwoord luidde, kort en bondig :
Ik was mijn hele leven zondig.

 

 

 

 

 1023310-e73f284dfadeb55b8f31246955db2a14.jpg

 Rudy Kousbroek (1 november 1929 - 4 april 2010)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hermann Broch werd op 1 november 1886 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit: Hermann Broch. Eine Biographie (door Paul Michael Lützeler)

 

»Vielleicht wäre es richtiger, mit meiner Kindheit zu beginnen, ja, vielleicht würde es genügen, ein kurzes Stück dieser Kindheit wahrhaft festzuhalten und niederzuschreiben« (...), überlegt der Erzähler in Brochs Roman Die Verzauberung. Dieser Gedanke gibt Aufschluß über das Verhältnis des Autors zu seiner eigenen Kindheit: Einerseits weiß er, wie stark ihn die frühesten Erlebnisse im Elternhaus geprägt haben und wie wichtig die Kindheitseindrücke für seine schriftstellerische Arbeit sind: »Jene irrationale Struktur, die dem Dichtergewerbe zugrundeliegt«, schreibt er rückblikkend,

»wird in der ersten Jugend geformt [... ] . Sooft mir dichterisch etwas glückt, bemerke ich, daß es aus der ersten Kinderzeit herstammt« (...). Andererseits aber konnte Broch sich so wenig wie der Erzähler der Verzauberung dazu entschließen, über seine Kindheit zu berichten.

Die »Autobiographie als Arbeitsprogramm« (....) setzt erst mit der Studienzeit ein. So wissen wir über die ersten Jahre des Autors nur wenig und müssen versuchen, ein ungefähres Bild aus vereinzelten brieflichen Äußerungen des Dichters und den spärlichen Hinweisen seiner Verwandten und Freunde zuammenzusetzen. Brochs Scheu, sich über die frühen Jahre zu äußern, hatte ihre Gründe. Nur ungern rührte er an die traumatisch-schmerzlichen Erlebnisse.

Was war das für eine Familie, in die Broch hineingeboren wurde? Brochs Vater, Josef Broch, ist in der Sekundärliteratur dämonisiert worden zu einem »Ungetüm aus der Endphase des kapitalistischen Heroen-Zeitalters« (...). Das klingt nach Krupp und Thyssen, nach märchenhafter Karriere

und sagenhaftem Reichtum. Doch die Erfolgsdimensionen fielen bescheidener aus. Josef Broch wurde am 12. Januar 1852 im - damals zur österreichisch-ungarischen Monarchie gehörenden - mährischen Proßnitz als jüngster Sohn einer kinderreichen jüdischen Familie geboren. Proßnitz (Prostejov), in der fruchtbaren Hanna-Ebene, war seit dem 15. Jahrhundert die größte tschechische Stadt Mährens und ein verläßlicher Zufluchtsort für Angehörige unterschiedlicher Religionen.“

 

 

 

1023310-8d9e51e8014852ae34ea734c4a85afbf.jpg
Hermann Broch (1 november 1886 - 30 mei 1951)

 

 

 

 

De Turkse schrijver Aras Ören werd geboren in Bebek bij Istanbul op 1 november 1939. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit: Please, No Police (Vertaald door Teoman Sipahigil)

 

“The police van slowly rolled out of Adalbert Street, leaving behind the trailing, metallic sound of its loudspeaker.

For a moment, a very brief moment, everything around Brigitte whirled. As they whirled, their shapes dissolved and they were transformed into shapes without any meaning. She gasped frantically and gulped again and again.

Achim, a little ahead, noticed Brigitte suddenly appear next to him, saying, ‘It was that man, the man whose picture they had on the police van,’ he stared at her face with a vacant and somewhat pitying look and shook his head.

‘Achim,’ said Brigitte, her voice diffident and childlike.

Achim raised his head. ‘What is it?’ he asked. They gazed at each other silently. Suddenly Achim asked again, ‘Are you coming with me now?’

Brigitte looked down, and without a word she climbed on the back seat. In the pale light of noon, Brigitte and Achim, both, how splendid they were.”

 

 

1023310-42dbe353db4465c1b219821689447ff9.jpg
Aras Ören (Bebek, 1 november 1939)





Zie voor nog meer schrijvers van de 1e november ook
mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 18:56 Reageer op dit bericht

Günter de Bruyn, Huub Oosterhuis, Jean-Simon DesRochers, Henri Troyat, Jean Tardieu, Stephen Crane

De Duitse schrijver Günter de Bruyn werd op 1 november 1926 geboren in een katholiek arbeidersgezin in Berlijn. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit: Deutsche Zustände. Über Erinnerungen und Tatsachen, Heimat und Literatur.

 

“In einer Unterhaltungssendung des Fernsehens, die den Absatz von Büchern fördert und Nicht-Leser unter den Zuschauern zum Mitreden in literarischen Fragen befähigt, war kürzlich von einem Buch die Rede, das man, vor allem fehlender Indiskretionen wegen, für eine gänzlich verunglückte Hervorbringung hielt. Vierstimmig, mit Variationen und verhaltenen Gegentönen, fand man das Buch überflüssig und langweilig.

(…)

 

Lesen gelernt im buchstäblichen Sinne habe ich als Kind an Karl Mays Romanen; an Böll aber habe ich als junger Mann erst so richtig begriffen, wie die Bücher mit den Erlebnissen und Erfahrungen, mit politischen Ansichten und historischen Situationen zusammenhängen; und bei beiden Autoren, denen ich noch einige weitere hinzufügen könnte, haben die Kunstfehler, die beide (natürlich in kaum vergleichbarer Weise und Stärke) aufweisen, den Genuß an ihnen, ohne welchen weder der Lernprozeß noch die Lebenshilfe möglich gewesen wären, in keiner Weise gestört, ja, ich habe sie kaum bemerkt.”

 

 

1023309-1f3ee0cbabe37c148bf4b3be5ac33c7e.jpg
Günter de Bruyn (Berlijn, 1 november 1926)

 

 

 

 

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

 

Dan zal ik leven

 

Het zal in alle vroegte zijn als toen.
De steen is weggerold. Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet. Wij zijn in bekenden veranderd.

De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen, aren, waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in, bergopwaarts, en worden wolken.

Daarachter, kristal geworden, verblindend,
de zee, die haar doden teruggaf.

Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam heeft geroepen.

 

 

 1023309-d5640f3d4b5461e7f62b36ebd384627d.jpg

Huub Oosterhuis (Amsterdam 1 november 1933)

 

 

 

 

De Canadese schrijver Jean-Simon DesRochers werd geboren op 1 november 1976 in Montréal, Québec, Canada. Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit: La canicule des pauvres

 

„Ses pieds touchent le tapis de la chambre-salon. Elle sent des miettes sur sa peau. T'en fais pas, regarde tout ça du bon côté... En cherchant un aspect positif à la situation, Monique fronce les sourcils et sent un bref élancement. Elle voudrait bâiller, ouvrir la bouche, laisser entrer une forte dose d'air lourd et crasseux. Mais si froncer les sourcils l'élance, bâiller serait une torture. Par dépit, Monique inspire trois grandes bouffées par le nez, retient son souffle. Les poumons gonflés, elle se dirige vers la salle de bains, passe devant le miroir, expire par la bouche, soulève délicatement sa robe de nuit, s'assied sur la cuvette en prenant garde de ne pas accrocher les cicatrices sous ses fesses. Au moins, pisser fait pas mal cette fois...

Dans le lit, Christian doit se rendre à l'évidence. Sa nuit a pris fin. Ses besoins commencent. Se gratter la barbe d'abord, le fond de la tête ensuite. Décoller quelques plaques de psoriasis avec ses ongles, se demander s'il commencera par un café, une cigarette ; ça ou allumer la radio du bout des doigts, sans quitter le lit. Tout est petit dans cet appartement. À l'exception du lit queen, arrivé avec Monique. Deux doigts malhabiles atteignent un bouton. La radio. Une chanson d'amour dans la dernière mesure. Elle est suivie d'une pub de meubles « à prix imbattables / imbattables ? / oui, imbattables ». Christian ne prête pas attention au flux de paroles et d'effets sonores. Il se racle la gorge, crache dans un kleenex, regarde son paquet de cigarettes avec un air hébété. Une publicité chantée s'enchaîne. La chanson est aussi stupide qu'accrocheuse : « A u Gros Dépôt, c'est ce que vous voulez / Au Gros Dépôt, économisez / Au Gros Dépôt, on a ce que vous voulez / Au Gros Dépôt, éco-nomi-sez ! » Sans le savoir, Christian enregistre la chansonnette dans un coin obscur de sa mémoire.“

 

 

 1023309-bba149803adec43cef49a7d8c9a555e1.jpg

Jean-Simon DesRochers (Montréal, 1 november 1976)

 

 

 

 

De Franse schrijver Henri Troyat werd geboren in Moskou op 1 november 1911. Zie ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit: L'Araigne

 

“Peut-être eût-il suffi de quelques phrases menaçantes pour lui faire tout avouer. Mais cette méthode brutale avait échoué auprès de ses autres sceurs. Il était plus sage de ruser, d'agir en sous-main, d'envenimer une à une les sources de ce jeune amour. Il fallait la retenir non par la force, mais par la pitié. Ah ! oui, il consentait à être pitoyable pourvu qu'elle demeurât près de lui ! Au fond de chaque femme sommeille l'envie d'être mortifiée et de se dévouer. C'était ce prurit fiévreux des sacrifices, cet amour des bûchers sacrés, cette ferveur déviée et un peu sale de l'infirmière qu'il importait d'exploiter chez Marie-Claude.

(…)

 

Il aurait tôt fait de lui tourner la tête dans l'atmosphère de renoncement glorieux où il la conviait à le suivre. Il jouerait de toutes ses plaies avec l'impudence délibérée d'un mendiant. Il obtiendrait, il accepterait sans honte l'aumône de sa compassion. Il triompherait d'elle, parce qu'il serait sa victime. Mais quelle souffrance ne lui faudrait-il pas endurer avant de la reprendre ? N'était-il pas cruel de la voir assise à cette table, parfumée, pomponnée, pour un autre ?”

 

 

1023309-3bdd919f715ad93cdb9f8f2fbae33930.jpg
Henri Troyat (1 november 1911 – 4 maart 2007)

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean Tardieu werd geboren op 1 november 1903 in Saint German de Joux. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010.
 

 

Les difficultés essentielles

 

Monsieur mes ses chaussettes

Monsieur les lui retire.

 

Monsieur met sa culotte

Monsieur la lui déchire.

 

Monsieur met sa chemise

Monsieur met ses bretelles

Monsieur met son veston

Monsieur met ses chaussures :

au fur et à mesures

Monsieur les fait valser.

 

Quand Monsieur se promène

Monsieur reste au logis

 

quand Monsieur est ici

Monsieur n'est jamais là

 

quand Monsieur fait l'amour

Monsieur fait pénitence

 

s'il prononce un discours

il garde le silence,

 

s'il part pour la forêt

c'est qu'il s'installe en ville,

 

lorsqu'il reste tranquille

c'est qu'il est inquiet

 

il dort quand il s'éveille

il pleure quand il rit

 

au lever du soleil

voici venir la nuit ;

 

Vrai ! c'est vertigineux

de le voir coup sur coup

tantôt seul tantôt deux

levé couché levé

debout assis debout !

 

Il ôte son chapeau

il remet son chapeau

chapeau pas de chapeau

pas de chapeau chapeau

et jamais de repos.

 

 

 1023309-78b3a31fb7f3f43bb11f3fbbf5290733.jpg

Jean Tardieu (1 november 1903 – 27 januari 1995)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Stephen Crane werd geboren op 1 november 1871 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010.
 

Uit: The Open Boat

 

„There was a considerable silence as the boat bumped over the furrowed sea to deeper water. Then somebody in gloom spoke. "Well, anyhow, they must have seen us from the shore by now."

     The gulls went in slanting flight up the wind toward the gray desolate east. A squall, marked by dingy clouds, and clouds brick-red, like smoke from a burning building, appeared from the southeast.

     "What do you think of those life-saving people? Ain't they peaches?"

     "Funny they haven't seen us."

     "Maybe they think we're out here for sport! Maybe they think we're fishin'. Maybe they think we're damned fools."

     It was a long afternoon. A changed tide tried to force them southward, but wind and wave said northward. Far ahead, where coast-line, sea, and sky formed their mighty angle, there were little dots which seemed to indicate a city on the shore.

     "St. Augustine?"

     The captain shook his head. "Too near Mosquito Inlet."

     And the oiler rowed, and then the correspondent rowed. Then the oiler rowed. It was a weary business. The human back can become the seat of more aches and pains than are registered in books for the composite anatomy of a regiment. It is a limited area, but it can become the theatre of innumerable muscular conflicts, tangles, wrenches, knots, and other comforts.

     "Did you ever like to row, Billie?" asked the correspondent.

     "No," said the oiler. "Hang it."

When one exchanged the rowing-seat for a place in the bottom of the boat, he suffered a bodily depression that caused him to be careless of everything save an obligation to wiggle one finger. There was cold sea-water swashing to and fro in the boat, and he lay in it. His head, pillowed on a thwart, was within an inch of the swirl of a wave crest, and sometimes a particularly obstreperous sea came in-board and drenched him once more. But these matters did not annoy him. It is almost certain that if the boat had capsized he would have tumbled comfortably out upon the ocean as if he felt sure it was a great soft mattress.“

 

 

 

 1023309-4f91633a617f7223ad6187cfdaa0c55a.jpg

Stephen Crane (1 november 1871  - 5 juni 1900)
 Foto van Corwin Knapp Linson uit 1894
Geschreven door Romenu om 18:43 Reageer op dit bericht

AKO Literatuurprijs 2011 voor Marente de Moor


AKO Literatuurprijs 2011 voor Marente de Moor

De Nederlandse schrijfster
Marente de Moor heeft de AKO Literatuurprijs 2011 gekregen voor haar roman De Nederlandse maagd'. Marente de Moor werd geboren in Den Haag in 1972. Vlak na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie woonde ze acht jaar in Rusland. In Sint-Petersburg studeerde ze aan de theaterschool, werkte ze als verslaggever voor een dagelijks realityprogramma over misdaad en schreef ze artikelen en columns voor De Groene Amsterdammer. In 1999 werden de columns gebundeld onder de titel Petersburgse vertellingen. Na haar terugkeer in Amsterdam werkte ze een aantal jaren als redacteur voor weekblad HP/De Tijd. In 2007 verscheen het veelgeprezen romandebuut De overtreder, dat in 2010 door Suhrkamp Verlag in het Duits werd uitgebracht als Amsterdam und zurück. Sinds 2009 is ze vaste columniste voor Vrij Nederland. In 2010 werd haar tweede roman, De Nederlandse maagd, wederom lovend ontvangen. Marente de Moor woont tegenwoordig in het Geuldal, Zuid-Limburg.

 

Uit: De Nederlandse maagd

 

"Je zou kunnen zeggen dat Von Bötticher verminkt was, maar na een week merkte ik zijn litteken al niet meer op. Zo snel went een mens aan uiterlijke afwijkingen. Zelfs gruwelijk mismaakten kunnen gelukkig zijn in de liefde, als ze iemand vinden die op het eerste gezicht niets om symmetrie geeft. De meeste mensen hebben echter de hebbelijkheid om, in weerwil van de natuur, de dingen te delen in twee helften die elkaars spiegelbeeld moeten zijn.
Egon von Bötticher was mooi, zijn litteken was lelijk. Een slordige wond, toegebracht met een bot wapen in een onvaste hand. Omdat mij niets was verteld, leerde hij mij kennen als een geschrokken meisje. Ik was achttien en veel te warm aangekleed toen ik uit de trein stapte na mijn eerste buiten landse reis. Maastricht-Aken, een ritje van niks. Mijn vader had me uitgezwaaid. Ik zie hem nog staan voor het wagonraam, verrassend klein en mager, terwijl achter zijn rug de stoomzuilen oprijzen. Hij maakte een gek sprongetje toen de wagenmeester met twee hamerslagen vroeg de remmen te lossen. Naast ons trokken de rode wagens uit de mijnen voorbij, daarachter een rij loeiende veewagons, en in dat kabaal werd mijn vader steeds kleiner, tot hij in de bocht verdween. Geen vragen stellen, gewoon vertrekken. In zijn monoloog, een avond na het eten, was niet eens ruimte geweest om te ademen. Het ging om een oude vriend, eens een goede vriend, nog steeds een goede maître.
Bon
, verder, we moesten eerlijk zijn, we wisten dat ik deze kans moest aangrijpen om iets te bereiken in de sport, of wilde ik soms in de huishouding gaan werken, nou dan, zie het als een vakantie, een paar weekjes schermen in het mooie Rijnland.
Tussen die twee stations lag veertig kilometer, tussen de twee oude vrienden twintig jaar. Op het perron van Aken stond Von Bötticher de andere kant op te kijken. Hij wist dat ik wel naar hem toe zou komen, zo’n man was het. En ik begreep inderdaad dat hij die zongebruinde reus met de roomwitte Homburg moest zijn. Bij de hoed droeg hij geen pak, alleen een kamgaren poloshirt en een soort zeemansbroek, zo eentje met een brede band in de taille. Heel modieus. En daar kwam ik, de dochter, in een opgelapte overgooier. Toen hij zijn gescheurde wang naar mij toe draaide, stapte ik terug. Het wilde vlees was met de jaren verbleekt, maar nog steeds roze. Ik denk dat mijn schrik hem verveelde, hij zag die blik natuurlijk wel vaker. Zijn ogen weken uit naar mijn borst. Ik pakte mijn medaillon om te verbergen wat in zo’n jurk toch nauwelijks te zien is.
‘Dat is het?’
Hij bedoelde de bagage. Hij kneedde mijn schermtas, voelde hoeveel wapens erin zaten. Mijn koffer moest ik zelf dragen. Heel snel vervaagde het zoete beeld dat ik van mijn maître had voordat ik hem ontmoette.“
 

 

 1022860-9fe5c0b6a53886e3ba4b3138adda1689.jpg

Marente de Moor (Den Haag, 1972)
Geschreven door Romenu om 08:05 Reageer op dit bericht

Job Degenaar

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952 en bracht zijn jeugd door op het Eiland van Dordrecht. Degenaar deed doctoraal Nederlands (hoofdvak Moderne Letterkunde, bijvakken Filosofie en Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde) in 1983 bij de Universiteit van Amsterdam. Naast zijn schrijverschap werkt hij als docent Nederlands, met name voor hoogopgeleide anderstaligen, in het volwassenenonderwijs in Flevoland. Sinds 1983 schreef hij geregeld gedichten in het literaire vertaaltijdschrift De Tweede Ronde en publiceerde voorts o.m. in Het Liegend Konijn, Poëziekrant, Parool, Standaard der Letteren, Tzum, De Contrabas en in vele bloemlezingen. Ook vertaalde hij met Rob van Essen en Jan Donkers Blackbird singing, een keuze uit de gedichten en liedteksten van Paul McCartney in de periode 1965 – 1999.

 

 

 

Klein Heelal

 

Ik zocht me een plek in het Turkse bad
waar warme mist je huid bewasemt
en fibersterren van kleur verschieten

en steeg op met m'n gedachten
tot ik dacht dat ik niet meer dacht
en de aarde bleef hangen in haar baan

ver van m'n aangekleed bestaan zag ik
mensen verdwijnen waar ze kwamen
stof tussen de hemellichamen

De stoom trok weg in slierten
een vrouw kwam binnen en iets
onstond, ik wist dat ik dat was

 

 

 

Huisbroei

 

Broeipotten en zaailingen
op de Creiler Flora:
zo rood en geel getulpt is het
deze winter niet geweest
Waar was ik al die tijd?

Om precies te zijn niet ik
liet ze broeien dat ze barstten
keerde ze tijdig om hun steel
te rechten, trok bij min vier
alle registers van de lente open

En ik? Ik broeide in het winterlicht
maar glazig op hun verbeelding
noemde ze zonnedochters
met een missie en meer
van dat gestamel

Maar zie, ook zonder mij
staan ze schuchter van
schoonheid in hun kraag
gedoken, niet van kunst
te onderscheiden echt.

 

  

 

 1062628-fb4f2215e455c8e720f5cc8108d9eadf.jpg

Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)
Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Joseph Boyden, Bruce Bawer, John Keats, Nick Stone

De Canadese schrijver Joseph Boyden werd geboren op 31 oktober 1966 in Willowdale, Ontario. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Boyden op dit blog.

 

Uit: Through Black Spruce

 

„Or my second option was to make up my mind that the cold, that nature, was just an unfortunate clash of weather systems. If I made my mind up this second way, that the physical world no longer held vengeance and evil just beyond the black shadow of spruce, then I’d try and make do with what I had.And when I realized what an idiot I was for ending up here all alone without the proper gear—just a jean jacket with a sweater under it and running shoes on my feet—I’d get angry, desperate for some sense of fairness in the world, and begin to panic.

Me, I preferred the first option, that Mother Nature was one angry slut. She’d try and kill you first chance she got.You’d screwed with her for so long that she was happy to eliminate you. But more than that, the first option allowed me to get angry right away, to blame some other force for all my troubles.The panic came much quicker this way, but it was going to come anyways, right?

And so me, I climbed out of my cockpit and onto the wing on that frigid afternoon in my jean jacket and running shoes, walked along the wing, fearful of the bush and the cold and a shitty death all around me.

I decided to make my way to the bank to collect some firewood and jumped onto the frozen creek. I sank to my chest in that snow, and immediately realized I was a drunken fool. The shock of fast-flowing ice water made my breath seize, tugging at my legs, pulling at my unlaced running shoes so that the last thing my feet felt was those shoes tumbling away with the current.

By the time I flopped back onto the wing, my stomach to my feet had so little feeling that I had to pull my way back to the cockpit with wet fingers, tearing the skin from them when they froze to the aluminum. My breath came in hitches.When I tried my radio, and my wife finally picked it up, she couldn’t understand me. She thought I was a kid fooling around on his father’s CB and hung up on me.

Like I said, panic came quick. I could waste more time and the last of my energy calling back, hoping to get Helen to understand it was me and that I needed help now, but how to tell her exactly where I was? They might be able to find me tomorrow in daylight, but not now with the night closing in. And so I did what I knew I had to do. I crawled out of the cockpit again, onto my other wing, and threw myself off it, hoping not to find more water under the snow.“

 

 

 1022560-5bea0abd4ef6b1cb710675a0ad241d07.jpg

Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en literatuurcriticus Bruce Bawer werd geboren op 31 oktober 1956 in New York. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008 en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

 

Amsterdam Days

for Tor André

 

Now, when I remember Amsterdam,

The images bring joy.  The homebound tram

Appearing, its number – 17 – alight,

At the Dam’s far end, on a drizzly winter night

When, across the surface, streetlamps shone

And made a seascape of the cobblestone.

And there we stood, the two of us, alone

Together, tired, huddling in the rain,

Yearning for that flat on Bellamyplein.

Mornings, we’d cuddle in bed together, snug,

Or gulp down coffee on that dark brown rug

While Sarah Brightman and John Gielgud (“that

Nice old man”) sang “Gus: The Theater Cat.”

Then we’d head out into the damp Dutch day,

Ever conscious that we couldn’t stay,

That Holland wasn’t home to you or me,

And that these days would soon be memory.

And that was good: we longed to settle down

Together, in a home that was our own,

To sink roots in a land, not live like strays.

Yet how sweet the memory of those rootless days! –

Hovering between one life and another,

Unsettled in everything but in each other.

 

 

 

As to the ultimate meaning of it all

 

As to the ultimate meaning of it all,

We know just what we know.  We can't know more.

 

Somewhere far away there stands a door.

Somewhere there hangs a solitary key.

 

The end is near.  The end is always near.

The end is all around us, every day,

In every cell of your body, in the rosy

Cheeks of your children playing in the yard,

In the strong bronze arm of your lover, safe in bed,

And in the house on fire, where the body

Of someone you love burns like a Christmas log.

 

And yet love happens, blooming as if from air.

 

 

 

 1022560-5ea61057245c41a8dc93185c07ca526c.jpg

Bruce Bawer (New York, 31 oktober 1956)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in London. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor John Keats op dit blog.

 

 

On the Sea

 

It keeps eternal whisperings around

Desolate shores, and with its mighty swell

Gluts twice ten thousand Caverns, till the spell

Of Hecate leaves them their old shadowy sound.

Often 'tis in such gentle temper found,

That scarcely will the very smallest shell

Be moved for days from where it sometime fell.

When last the winds of Heaven were unbound.

Oh, ye! who have your eyeballs vexed and tired,

Feast them upon the wideness of the Sea;

Oh ye! whose ears are dinned with uproar rude,

Or fed too much with cloying melody---

Sit ye near some old Cavern's Mouth and brood,

Until ye start, as if the sea nymphs quired!

 

 

 

Ode To Autumn

 

Season of mists and mellow fruitfulness,

Close bosom-friend of the maturing sun;

Conspiring with him how to load and bless

With fruit the vines that round the thatch-eaves run;

To bend with apples the mossed cottage-trees,

And fill all fruit with ripeness to the core;

To swell the gourd, and plump the hazel shells

With a sweet kernel; to set budding more,

And still more, later flowers for the bees,

Until they think warm days will never cease,

For Summer has o'er-brimmed their clammy cell.

 

Who hath not seen thee oft amid thy store?

Sometimes whoever seeks abroad may find

Thee sitting careless on a granary floor,

Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;

Or on a half-reaped furrow sound asleep,

Drowsed with the fume of poppies, while thy hook

Spares the next swath and all its twined flowers;

And sometimes like a gleaner thou dost keep

Steady thy laden head across a brook;

Or by a cider-press, with patient look,

Thou watchest the last oozings, hours by hours.

 

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?

Think not of them, thou hast thy music too,---

While barred clouds bloom the soft-dying day,

And touch the stubble-plains with rosy hue;

Then in a wailful choir, the small gnats mourn

Among the river sallows, borne aloft

Or sinking as the light wind lives or dies;

And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;

Hedge-crickets sing; and now with treble soft

The redbreast whistles from a garden-croft,

And gathering swallows twitter in the skies.

 

 

 1022560-1d7f37514660c8102cde87c15300bc1c.jpg

John Keats (31 oktober 1795 – 23 februari 1821) 

Ben Whishaw als John Keats in de film Bright Star uit 2009


 

 


De Engelse schrijver
Nick Stone werd geboren op 31 oktober 1966 in Cambridge. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

Uit: King of Swords

 

“Jenny had been the head veterinarian at the zoo ever since it had opened, nine years before. Primate Park had been the brainchild of Harold and Henry Yik, two brothers from Hong Kong, who'd opened the place in direct competition to Miami's other primate-only zoo, Monkey Jungle. They'd reasoned that while Monkey jungle was a very popular tourist attraction, its location—South Dade, inland and well away from the beach and hotels—meant it was only doing about z 5 per cent of the business it could have done, had it been closer to the tourist dollars. So they'd built Primate Park from scratch in North Miami Beach—right next to a strip of hotels—making it bigger and, so they thought, better than the competition. At its peak they'd had twenty-eight species of monkey, ranging from the expected—chimps, dressed up in blue shorts, yellow check shirts and red sun visors, doing cute, quasi-human tricks like playing mini-golf, baseball and soccer; gorillas, who beat their chests and growled; baboons, who showed off their bright pink bald asses and bared their fangs—along with more exotic species, like dusky titi monkeys, rodent-like lemurs, and the lithe, intelligent brown-headed spider monkeys. Yet Primate Park hadn't really caught on as an alternative to Monkey Jungle. The latter had been around for close to forty years and was considered a local treasure, one of those slightly eccentric Miami landmarks, like the Ancient Spanish Monastery, South Beach's Art Deco district, Vizcaya, the Biltmore, and the giant Coppertone sign. The new zoo was seen as too cold, too clinical, too calculating. It was all wrong for the town. Miami was the kind of place where things only worked by accident, not because they were supposed to. The general public stayed away from the new zoo. The Yik brothers started talking about bulldozing Primate Park and converting it into real estate.”

 

 

1022560-5ee2402dbc968206568e6a213ab6174b.jpg
Nick Stone (Cambridge, 31 oktober 1966)

 

 


Zie voor nog meer schrijvers van de 31e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 19:02 Reageer op dit bericht

Carlos Drummond de Andrade, Irina Denezhkina, Ernst Augustin, Jean Améry

De Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade werd geboren op 31 oktober 1902 in Itabira, een klein dorpje in de staat Minas Gerais. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008 en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

 

Het kontje, ach hoe aardig

 

Het kontje, ach hoe aardig.

Lacht altijd, nooit tragisch

Kan niet schelen wat

van voren zit. Het kontje is zichzelf genoeg.

Is er nog meer? Misschien de borsten.

Nou-moppert het kontje-die jongens

hebben nog heel wat voor de boeg

 

Het kontje is twee tweelingmanen

in een bolrond wiegen. Loopt vanzelf

in zijn lieftallige cadans, zijn wonder

twee in een te zijn, volledig.

 

Het kontje, vermaakt zich

in zijn eentje. En bemint.

In bed beweegt het. Bergen

rijzen, dalen. Golven slaan

op grenzeloze kust.

 

Daar gaat het kontje, lachend. Blij.

Met de streling er te zijn, te schommelen.

Harmonieuze sferen hoog boven de chaos.

 

Het kontje is het kontje,

 

 

 

De dingen die in bed gebeuren zijn geheim van wie bemint

 

Het geheim van wie bemint

is: niet slechts vluchtig het genot

te kennen dat ons diep doordringt,

tot stand gebracht op deze aarde

en zo verre van de wereld

dat het lichaam, dat het lichaam vindt

en daarin voortgaat op zijn vaart,

de vrede vindt van groter gaarde,

vrede als in de dood, onaards,

als een nirwana, penisslaap

 

O bed, o zoet, zoet wiegelied,

slaap kindje, slaap kindje, slaap,

nu slaapt de boze jaguar,

nu slaapt de argeloze vagina,

en de sirene slaapt, de laatste

of voorlaatste...En de penis

slaapt, de poema, 't uitgeputte

wilde dier. Slaap nu, o fulpen

sluier op en om je vulva.

En laten zij die minnen zwijgen,

tussen laken en gordijnen

nat van zaad, van de geheimen

van de dingen die in bed gebeuren 

 

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

 1022556-1c7821a8375386851192af520707eb25.jpg

Carlos Drummond de Andrade (31 oktober 1902 – 17 augustus 1987) 

 

 

 

 

De Russische schrijfster Irina Denezhkina werd geboren op 31 oktober 1981 in Yekaterinburg. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008 en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

Uit: Vodka-Cola (Vertaald door Bernard Kreise)

 

“- Tu prends quoi ? Du café ?

Liapa se tenait au milieu de la pièce, torse nu, en sueur, l'air égaré. Son caleçon dépassait de son pantalon. Je voulais lui dire : 'Toi.' Maisj'ai supposé qu'il serait encore plus perdu et resterait bêtement sur place. Pétrifié. Que faire dans ces conditions ?

- Du café ? Ou du thé ?

- Du café, du café...

Liapa s'est traîné jusqu'au petit placard d'un air soulagé, il a branché la bouilloire, fouillé dans le réfrigérateur, trouvé du lait. Il l'a ouvert, en a bu nerveusement, puis il a reposé le carton. Il s'est de nouveau traîné jusqu'au frigo et a sorti une bouteille de bière. Puis une seconde. Il l'a ouverte et l'a bu au goulot avidement.”

(…)

 

" Le bassiste commença à se déshabiller, puis il lui demanda :

- Qu'est-ce que t'as à rester là?

- Mais pourquoi ? fit Ioulka paniquée.

- Déshabille-toi!

- Pourquoi faire ?

Le bassiste interloqué demeura ahuri, puis il s'accroupit devant elle.

- Pourquoi tu es venue ici ?

- Pour te suivre.

- Alors, déshabille-toi !

- Qu'est-ce qu'on va faire, on va baiser ? s'enquit de nouveau Ioulka, effrayée.

- Je t'ai proposé de venir chez moi. Tu étais d'accord, dit le bassiste en détachant chaque mot.

- Je serais allée n'importe où avec toi, mais je ne baiserai pas avec toi, précisa sincèrement Ioulka.

Le bassiste se gratta la nuque. Apparemment, il ne s'était jamais trouvé dans une situation aussi absurde. Il remit son T-shirt et s'assit à côté d'elle. "

 

 

 1022556-3dade609bfb6267ee2055fbf3edc6ceb.jpg

Irina Denezhkina (Yekaterinburg, 31 oktober 1981)

Boekcover 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Ernst Augustin werd geboren op 31 oktober 1927 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008 en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

Uit: Raumlicht: Der Fall Evelyne B.

 

“Heute sitze ich hinter meinem Fenster und warte auf die Dame, die sich für halb vier angesagt hat. Sie kommt drüben auf der anderen Straßenseite, so daß ich sie sofort bemerke, als sie von der Ruffinistraße her einbiegt. Erstaunlich pünktlich. Sie trägt einen kurzen Mantel aus dünnem schwarzem Stoff, darunter, am Saum sichtbar, der über die Knie reicht, ein schwarzes, kleingemustertes Kleid, dazu dunkle Strümpfe und einen Hut, dessen Krempe vorn etwas herabhängt, so daß ihr Gesicht im Schatten liegt.

Zweifellos eine Dame, eine, die bis Ecke Waisenhausstraße mit der Straßenbahn fährt, was für sie vor halb fünf noch möglich ist, später wird sie dann ein Taxi nehmen. Und was ihre Figur betrifft: Sie ist schlank, das sieht man, und der Gang verrät sie, so wie sie leicht beim Gehen die Schenkel vorschiebt oder leicht vorwölbt, das sieht man auch. Sie hat – wenn ich einmal taxieren sollte – eine sehr gute Figur. Ja. Vielleicht wäre es mir lieber, sie nicht so pünktlich zu sehen, da hierin ein Akt des Respekts zu erkennen ist, den ich gar nicht will.

Als sie sich fast auf der Höhe meines Hauses befindet, blickt sie auf, kommt dann herüber, bestimmt

und doch sanft blickt sie geradewegs auf die Gardine, ohne mich aber sehen zu können, wie alt? Vierzig. Vielleicht. Sanfte süße vierzig vielleicht, mit einem weichen Gesicht, man errät, daß ich entsprechend erregt bin.

Ihre Stimme ist eher klein, so als ob sie aus einem sehr kleinen Mund käme, nachgiebig, und als ich sie hereinführe, zögert sie. Ich sage: Sie zögern? Wissen Sie denn, was Sie erwartet? Und ich füge noch hinzu: Liebe gnädige Frau, denn das ist ganz sicherlich angebracht. Sie lächelt infolgedessen auch ungeheuer hübsch, mit dieser knappen Perlenkette um den Hals.

Nein, sagt sie, indem sie meinen Korridor ganz schnell mustert, ich weiß zunächst nicht, was mich

erwartet.”

 

 

 1022556-57df233e267cccc3c246dfa475f483dd.jpg

Ernst Augustin (Hirschberg, 31 oktober 1927)

 

 

 


De Oostenrijkse schrijver
Jean Améry werd geboren op 31 oktober 1912 in Wenen.  Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jean Améry op dit blog.

Uit: Der ehrbare Antisemitismus

“De Gaulle fiel. Manch einem war trüb zumut wie einem Heineschen Grenadier; mir auch, mir auch. Nur leider, dass in New York dem franzoesischen UNO-Delegierten Armand Bérard nichts besseres einfiel, als verzweifelt auszurufen (laut "Nouvel Observateur" vom 5.Mai): "C'est l'or juif!" Und kein Dementi. Rechter Hand, linker Handalles vertauscht. Der Antisemitismus schafft's und, wie es einst bei Stefan George hieß: "... er reißt in den Ring."
Das klassische Phänomen des Antisemitismuus nimmt aktuelle Gestalt an. Der alte besteht weiter, das nenn ich mir Koexistenz. Was war, das blieb und wird bleiben: der krummnasige, krummbeinige Jude, der vor irgendwas - was sag ich? - der vor allem davonläuft. So ist er auch zu sehen auf den Affichen und in den Pamphleten der arabischen Propaganda, an der angeblich braune Herren deutscher Muttersprache von einst, wohlkaschiert hinter arabischen Namen, mitkassieren sollen. Die neuen Vorstellungen aber taten auf die Szene gleich nach dem Sechs-Tage-Krieg und setzen langsamerhand sich durch: der israelische Unterdrücker, die mit dem ehernen Tritt römischer Legionen friedliches palästinensisches Land zerstampft. Anti-Israelismus, Anti-Zionismus in reinstem Vernehmen mit dem Antisemitismus von dazumal. Der ehern tretende Unterdrücker- Legionäer und der krummbeinige Davonläufer stören einander nicht. Wie sich endlich die Bilder gleichen!
Doch neu ist in der Tat die Ansiedlung des als Anti-Israelismus sich gerierenden Antisemitismus auf der Linken. Einst war das der Sozialismus der dummen Kerle. Heute steht er im Begriff, ein integrierender Bestandteil des Sozialismus schlechthin zu werden, und so macht jeder Sozialist sich selber freien Willens zum dummen Kerl.
Den Prozeß kann man nutzbrigend nachlesen in dem schon vor mehr als einem Jahr in Frankreich bei Pauvert erschienenen Buch "La Gauche contre Israel" von Givet. Es genügt aber auch, gewisse Wegmarken zu erkennen, beispielsweise eine in der Zeitschrift "konkret" erschienene Reportage zu lesen: "Die dritte Front". "Ist Israel ein Polizeistaat?" heisst da ein Zwischentitel. Die Frage ist nur rhetorisch. Natürlich ist Israel das. Und Napalm und gesprengte Häuser friedlicher arabischer Bauern und Araber-Pogrome in den Straßen von Jerusalem. Man kennt sich aus. Es ist wie in Vietnam oder wie es einstens in Algerien war. Der krummbeinige Davonläufer nimmt sich ganz natürlich aus als Schrecken verbreitender Goliath.“
 

 
1022556-662f8c2175450a8af8a619eb2aa23e11.jpg
Jean Améry (31 oktober 1912– 17 oktober 1978)

Geschreven door Romenu om 18:57 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten