Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 27 augustus 2013 tot 28 augustus 2013

Johann Wolfgang von Goethe, A. Moonen, Maria Barnas, Frederick Kesner

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

 

Das Heidenröslein

 

Sah ein Knab ein Röslein stehn,
Röslein auf der Heiden,
War so jung und morgenschön,
Lief er schnell, es nah zu sehn,
Sah’s mit vielen Freuden.
Röslein, Röslein, Röslein rot,
Röslein auf der Heiden.

Knabe sprach: Ich breche dich,
Röslein auf der Heiden!
Röslein sprach: Ich steche dich,
Daß du ewig denkst an mich,
Und ich will’s nicht leiden.
Röslein, Röslein, Röslein rot,
Röslein auf der Heiden.

Und der wilde Knabe brach
’s Röslein auf der Heiden;
Röslein wehrte sich und stach,
Half ihr doch kein Weh und Ach,
Mußt’ es eben leiden.
Röslein, Röslein, Röslein rot,
Röslein auf der Heiden.

 

 

 

Das Sonett

 

Sich in erneutem Kunstgebrauch zu üben,

Ist heil'ge Pflicht, die wir dir auferlegen:

Du kannst dich auch, wie wir, bestimmt bewegen

Nach Tritt und Schritt, wie es dir vorgeschrieben.

 

Denn eben die Beschränkung läßt sich lieben,

Wenn sich die Geister gar gewaltig regen;

Und wie sie sich denn auch gebärden mögen,

Das Werk zuletzt ist doch vollendet blieben.

 

So möcht' ich selbst in künstlichen Sonetten,

In sprachgewandter Maße kühnem Stolze,

Das Beste, was Gefühl mir gäbe, reimen;

 

Nur weiß ich hier mich nicht bequem zu betten:

Ich schneide sonst so gern aus ganzem Holze,

Und müßte nun doch auch mitunter leimen.

 

 

Natur und Kunst, sie scheinen sich zu fliehen
Und haben sich, eh man es denkt, gefunden;
Der Widerwille ist auch mir verschwunden,
Und beide scheinen gleich mich anzuziehen.

Es gilt wohl nur ein redliches Bemühen!
Und wenn wir erst in abgemeßnen Stunden
Mit Geist und Fleiß uns an die Kunst gebunden,
Mag frei Natur im Herzen wieder glühen.

So ists mit aller Bildung auch beschaffen:
Vergebens werden ungebundne Geister
Nach der Vollendung reiner Höhe streben.

Wer Großes will, muß sich zusammenraffen;
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,
Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.

 

 

 

1449623-dc0c5edd38c9f8611ab2d4ab3566ac97.jpg 

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)

Portret door Gerhard von Kügelgen, 1808-1809

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver A. Moonen, (spreek uit: 'a-punt-moonen') werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor A. Moonen op dit blog.

 

Uit: Levensvreugde

 

“Zij belandden binnen een restaurant alwaar een feest heerste met hossend volk. Of er een taxi besteld kon worden. Voor Moonen, want zo heet immers de hoofdpersoon van dit verhaal, was amper het feestgedoe door ogenschijnlijk gelukkige types, waaronder tevens een aantal kleuters, te verdragen of te vatten. Eindelijk verscheen de bestelde taxi. Het doel werd bereikt en de metgezel zou zich naar een metrostation laten rijden. Van een acute halskanker waar de stuurman in april aan zou sterven was nog niks te merken geweest.

Een tweede poging om zijn huissleutels te bemachtigen en een kijkje te nemen binnen z'n benedenwoning mislukte eveneens. Zowel de boven- als overbuurling bleek afwezig. Hij nam één zijner katten via gordijnkier in vensterbank waar. Gelaten keerde hij per metro terug naar de open gevangenis. Aldaar mompelde hij soms in het algemeen: ‘Ik kan me huis niet in.’ Twee patiëntes van middelbare leeftijd bespraken langdurig hun haaruitval.

Maar zie en aanschouw: onverwacht verscheen op een middag de evangelische bovencabo en er werd afgesproken voor een weekse avond om acht uur. Hij zou de overbuurman op de hoogte stellen van zijn komst, want die had immers de huissleutels om dagelijks twee katten te verzorgen. De drie andere verbleven bij de dierenvriend zelf. Eindelijk was het dus zover. Hij belde schuin aan de overkant aan. De bekant geheel naar een dierentuin ruikende vijftiger liet hem binnen en deed het woord in een kleine veel te vol gestouwde huiskamer. Buiten enkele hondjes merkte hij nog een onbekende poes, goudvissen, een bier zuipende bezoeker voor de kleurenbuis gezeten, een eenpersoonsbed en grotendeels niet verder ter zake doende inboedel. Hij bleef uiteraard kort in de onverdraaglijk ruikende woning, toefde nòg korter binnen krappe achterkamer alwaar kater Hector en Saartje plus dochtertje Zusje schuw waren weggekropen achter een groezelige tweezitsbank. Nauwelijks kon hij interesse tonen voor zijn huisdieren die hier opgesloten waren en niet naar buiten (in de tuin) mochten. Ze konden dan zoekraken vond de ontfermer, zodoende. Samen staken zij de straat over. De cipier opende de buitendeur en ontsloot vervolgens de toegang tot de woning, waarbinnen de bewoner dan december 1997 nogal destructief doende was geweest. De behulpzame buurman leidde hem rond in een vooral binnen voorkamer reusachtig stinkend huis dat aan een ander scheen toe te behoren. Tweelingzusje Aapje leek de wezenloze hoofdbewoner nog te herkennen, doch snoof liever aan naar al zijn huisdieren geurende verzorger.”

 

 

 1449623-3223fd6a6240f7d3776ea7502036d776.jpg 

A. Moonen (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maria Barnas op dit blog.

 

 

Terug

 

De ramen konden niet open
en de dag was langer aan het einde
van de gang waar zij ligt in een smalle
kamer. Ze kan niet lopen

maar ze zegt dat er in de glazen
jampotten veel bloemen staan. De stelen
zijn niet schuin afgesneden

want er was geen mes. Wel water
dat niet blauw is zoals ik haar maakte
De zee is blijven liggen waar zij ligt.

 

 

 

 

Kralenzee

 

De stad draaide zich om
toen ik omkeek. Neem me niet kwalijk
ik dacht dat je een ander was.

Ik heb een goed scheldwoord,
een kwalijke kraal op mijn tong.

Ik knip een gestreept hart van papier,
Durf ik niet dat ik je nodig heb?

De wereld is moe en op de blauwe lijnen
in een schrift is het koud.

Eerst sliep hier nog een man.
Nu staat het lichaam op.
Ik ben er stil van.

 

 

 1449623-10a2dac789cf557bf3f349b372c38714.jpg

Maria Barnas (Hoorn, 28 augustus 1973)

 

 

 

 

 

De Australische dichter Frederick Alexander III Kesner werd geboren op 28 augustus 1967 in Manilla op de Filippijnen Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frederick Kesner op dit blog.

 

 

 

Friends Forever Covenant

 

Friends have their humble beginnings
And sometimes friendships have their end.
Let us build a world of meaning;
Together seek each rainbow's end.

We're meant to always be happy
And to be sad for but a while;
We are meant to share God's glory
And to live-out life with a smile.

You'd never need to outgrow me
Or to leave our friendship behind.
I pray there be new beginnings:
A deeper love each day to find.

 

 

 

 

Are You My Butterfly?

 

My butterfly is no longer mine,
I wonder if she ever really was;
When she alights on my shoulder
I know she wants me to hold her -
Flies off and she's mine no longer.

My butterfly so frail and fine,
I wonder if hers I ever was;
When she returns to kiss me again
I know she's more than just a friend -
Flies off and gone forever more.

 

 

 

 

Dream Weaver

 

I will shut my eyes
to the darkness
pull the bedcovers
to my chin

I will whistle invites
to the dreamweaver
press my cheek
to my downy pillow

I will snore, as they say
to ruffle night's silence
prop my fluffy teddy
to my shoulder

 

 

 

1449623-4ef262cf267174ab376572bf448cac04.jpg 

Frederick Kesner (Manilla, 28 augustus 1967)

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 20:27 Reageer op dit bericht

C. J. Kelk

De Nederlandse schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cornelis Jan (Cees) Kelk werd geboren in Amsterdam op 28 augustus 1901. Cees Kelk publiceerde in het interbellum in Het Getij en De Vrije Bladen. Hij was destijds tevens literatuurcriticus voor de Provinciale Overijsselsche en de Zwolsche Courant. Hij schreef onder meer een historische roman over Jan Steen (1932). Verder schreef hij toneelstukken en werkte hij als vertaler. Zijn bekendste roman is “Judaspenningen en pauweveeren” (1945). Kelk publiceerde een omvangrijk overzicht van de Nederlandse poëzie: De Nederlandse poëzie. Van haar oorsprong tot heden (1938). Na de oorlog werkte hij als letterkundig medewerker aan De Groene Amsterdammer.In 1961 kreeg hij de Marianne Philipsprijs voor zijn gehele oeuvre. Hij trouwde in 1955 met Eka Louise Thoden van Velzen (1915), beeldend kunstenaar, lid van de familie Thoden van Velzen met wie hij een zoon kreeg.

Uit: Bacarat

“Door een kier in het fluwelen gordijn had het zonlicht zich moe gespeeld op het gelaat van de slapende jongeman, die op de rode canapé lag uitgestrekt. Nu scheen het plotseling of hij zou gaan niezen, zijn fijne neus trilde enige malen op en neer als een onwillige sleutel in een slot. Dan opende zich moeilijk één oog dat staren bleef en meteen ook kwam er leven in het dromende meisje, dat hem van heel nabij had zitten aanzien, haar grote donkere blik roerloos op hem gericht. Zij was in een lange beige zijden japon gepend. Alleen de neusjes van haar zwart geschoeide voetjes staken glimmend uit onder haar rok. Met een kleine vinger streek ze zich een krul voor de ogen weg. Snel nam ze haar voeten van de canapérand vandaan en deinsde met haar lage zetel achteruit.
‘Goede morgen!’ zei hij glimlachend, haar eindelijk zijn twee heldere kijkers tonend.
‘Langslaper!’ Haar lach ontblootte de lange smalle tandjes. In rust droeg haar gelaat een vastberaden trek, maar wat sprak er nu een goedheid uit die zachte lijnen langs de aardige meisjeswangen, kinderlijk opbollend door de lach.
Hij knikte tevreden en blikte dromerig rond door de kleine salon naar de vergulde pendule en de ranke kandelaars, de kleurige schilderijen, de kleine sierlijke étagère met het kraakfijne Sèvre porcelein, de ovale tafel met het kanten kleed. Al die coquette glinsterende dingen waren hem zeer vertrouwd, zodat hij opnieuw vredig glimlachte en het meiske toeknikte met een heerlijk traag hoofd.
Toen vielen zijn ogen dicht.
‘Neen, dat mag niet. Niet meer slapen! Wij hebben nog niets aan elkaar gehad. Toe, word nu wakker, mijn jongen.’
‘Dat is waar.’
Met een ruk was hij half overeind en nestelde zich behagelijk tegen een der rijkkrullige hoekleuningen van de canapé. Zijn lichte ogen glansden vochtig. Verwilderd stond de kleine baard à la Française vooruit: het gaf hem een komisch-schrikwekkende uitdrukking.”

 1594507-549f3ec18582cbde517b8185d13d758b.jpg
C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts, David Rowbotham

De Belgische dichter en schrijver Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

 

Uit: Het derde huwelijk

 

“Waarschijnlijk heeft zijn bezitter hier lang staan wachten op klandizie, heeft hij de inwendige mens proberen te versterken met een zakje borrelnootjes, en heeft hij een opkomende kriebel bedwongen door met zijn eethand eens flink aan zijn zak te scharten.
Op zich begrijpelijk ? maar stel nu eens dat ik allergisch was geweest voor noten? Dan lag ik nu schuimbekkend achterover op mijn rug te stuiptrekken, vermoord of toch minstens in coma door een scrotum met notensmaak. Je mag van de immer oprukkende civilisatie zeggen wat je wilt, maar de mogelijkheden om volstrekt surrealistisch aan je eind te komen nemen exponentieel toe.’

(…)

 

Het gaat om Tamara. Dit kan ik haar niet aandoen.
En zelfs dat is het niet. Ik wil haar dit niet aandoen.
Nee, het ligt nog anders. Ik wil het ook zelf niet. Ik heb dit niet meer nodig. Als ik na dit avontuur ooit nog zin krijg in scharrels, kan ik altijd nog in een of ander park opnieuw op mijn knieën gaan zitten. Maar ik neem niemand nog in huis. Behalve Tamara. Zij is iets anders. Onze band is, zeg maar, puur. En ik ben gesteld geraakt op haar. Ik wil haar trouwdag niet verknallen. Haar entree. Haar redding.

(…)

 

Ik zou wel kunnen schreien, soms. Maar zo wil ik me niet ook nog eens zien zitten. Het is al gênant genoeg, met al dat schransen, en dat tv kijken, en de rest. Laat het schreien maar over aan wie dáár talent voor heeft. Er zijn er genoeg. Het klagen neem ik wel voor mijn rekening. Klagen zonder janken. Een mens moet zich toeleggen op waar hij goed in is. Klagen en medicijnen slikken. Lijden en aarzelen.”

 

 

 1448877-13488682d7835ef90811cce8e5314a9c.jpg

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Jeanette Winterson werd geboren in Manchester op 27 augustus 1959. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Jeanette Winterson op dit blog.

 

Uit: The Daylight Gate

 

“The pedlar John Law was taking a short cut through that nick of Pendle  Forest they call Boggart’s Hole. The afternoon was too warm for the time  of year and he was hot in his winter clothes. He had to hurry. Already the  light was  thinning. Soon it would be dusk; the liminal hour  – the Daylight  Gate. He did not want to step through the light into whatever lay beyond

the light.

His pack was bulky and his feet were sore. He slipped and put out his  hand to save himself, but he sank wrist to elbow to knees into a brown  bubbling mud, thick under the surface of the spongy moss. He was a heavy  man. As he struggled to get up he saw the witch Alizon Device standing in  front of him.

She was wheedling, smiling, flouncing her skirt. She wanted pins from  his pack:  Kiss me, fat pedlar.  He didn’t want to kiss her. He wouldn’t give her pins. He heard the first owl. He must get away.

He pushed her roughly. She fell. She grabbed his leg to steady herself.  He kicked her away. She hit her head.

He ran.

She cursed him. ‘FAT PEDLAR! CATCH HIM, FANCY, BITE FLESH TO  BONE.’

He heard a dog snarling. He couldn’t see it. Her Familiar . . . it must be.

The Devil had given her a spirit in the shape of a dog she called Fancy.

He ran. Stepping out of the furze another woman blocked his path. She  held a dead lamb in her arms. He knew her: Alizon’s grand-dam. Old Demdike.”

 


1448877-a73460df955c93d03d977c3e3c3223fa.JPG
Jeanette Winterson (Manchester, 27 augustus 1959)

 

 

 


De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

 

Uit: Pradasüchtig (Vertaald door Gaby Wurster)

 

» Ich bin eine Luxusschlampe. Eine von denen, die ihr unerträglich findet, eine von der schlimmsten Sorte...
Ich bin besser gekleidet als die Geliebte eures Chefs. Wenn ihr in einem angesagten Laden bedient oder in einer Edelboutique jobbt, wünscht ihr mir und meinesgleichen die Pest an den Hals. Aber man schlachtet nicht die Gans, die goldene Eier legt. Und außerdem wächst und gedeiht meine arrogante Mischpoke bestens...
Ich bin das schillernde Symbol dafür, wie recht Marx doch hatte, ich bin der Inbegriff aller Privilegien und all der verlockenden Reize des Kapitalismus. Als würdige Nachfahrin aller Damen von Welt verbringe ich mehr Zeit im Nagelstudio oder auf der Sonnenbank, vor den Schaufenstern....,als ihr bei der Arbeit, um für euren popligen Lebensunterhalt aufzukommen.
Ich bin ein hundertprozentiges Produkt der Think Pink Generation. Mein Credo: Sei schön und konsumiere.

(…)

 

"Ich bin viel zu jung, um bereits derart desillusioniert zu sein, die Künstlichkeit der Gefühle finde ich zum Kotzen. Was man Liebe nennt, ist nur ein beruhigendes Alibi für die Verbindung eines Perversen mit einem Flittchen, Liebe ist nur der rosa Schleier, der die häßliche Fratze der unentrinnbaren Einsamkeit bedeckt. [...] Die Liebe. Mehr hat man nicht gefunden, um die postkoitale Depression zu verfremden, um die Hurerei zu rechtfertigen, um den Orgasmus zu sichern."

 

 

 1448877-3373b819b58f91623e3fef8982089ab1.jpg

Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)

Cover 

 

 

 

 


De Nederlandse dichter en schrijver
Lernert Engelberts werd geboren op 27 augustus 1977 in Leerdam. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lernert Engelbert op dit blog.

 

 

Uitgangspunt

 

Je bent jaren van huis geweest

en als je de auto in de straat

waar je woonde stilzet blijkt

alles te zijn zoals bij je vertrek.

 

De tuin rond het huis heeft

niet stilgestaan; hij is in de hoogte

gegroeid, maar de bomen staan

nog steeds op hun plaats.

 

De trage slakken van ontwikkeling

begroeten je bij de deur;

het doet je pijn ze in dezelfde kleren

te zien, het doet je pijn de geur van toen

in de hal te ruiken.

 

Weer aan de ontbijttafel gezeten

luister je naar wat de met rimpels omrande

monden te zeggen hebben:

 

‘De kaas is op.’

‘Er ligt nog wel een stuk in de koelkast’.

 

Verontrust kijk je rond. Gelukkig,

je kunt door het open raam naar buiten

vluchten wanneer je wilt.

 

Wat ben je veranderd, zegt ze als jullie

met thee en taart in de tuin zitten.

Verontrust vraag je je af: waarom jullie niet?

 

 

 

 1448877-d7f4254d722de817f0ee3c3ab0b19397.jpg

Lernert Engelberts (Leerdam, 27 augustus 1977)



 

 

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Kristien Hemmerechts op dit blog.

 

Uit: Bruidsjurk

 

‘Beweeg jij nu,’ zegt hij.

‘Hoe?’ vraag ik om tijd te winnen.

‘Je weet hoe.’

Natuurlijk weet ik hoe. Vraag is of ik hem wil laten zien hoe. Of ik wil dat hij ziet hoe ik mij verlies. Zijn lichaam blijft roerloos boven het mijne, wacht af. Waarop steunt hij, flitst het door mijn hoofd. Knieën natuurlijk, en een elleboog. Hij is niet de man die ligt op een vrouw. Hij is niet het gewicht dat beukt en ramt. Hij zal niets ondernemen tot ik gevolg heb gegeven aan zijn verzoek. Ik beweeg.

 Drie uur later spreek ik af met de man onder wiens lichaam ik jaren een bergplaats vond.

‘Je ziet er moe uit,’ zegt hij. ‘Je zou moeten slapen 's nachts.’ Dit is de concurrentieslag die ons beiden gaande houdt, die ons kleren doet kopen, vrienden uitnodigen, vakanties plannen. We stellen het om ter best, vertellen we elkaar, maar ik weet beter en hij speurt naar tekenen van verval. Bezorgdheid, zo beweert hij, is wat hem drijft - hij zou niet willen dat het met mij bergafwaarts gaat - maar ik geloof hem niet. Leedvermaak is het, verlangen naar gerechtigheid, of gewoon verlangen naar een nobele rol voor zichzelf. ‘Nadat iedereen de gevallen vrouw in de steek had gelaten vond zij troost en bescherming bij de man die ze ooit lichtzinnig had verlaten.’ Hij vertelt me telkens opnieuw over een kennis van ons die me gezien heeft op straat en me eerst niet herkende omdat - zo zei de man - ik zo verouderd was.

‘Larie,’ zeg ik, ‘ik heb die man in geen eeuwigheid gezien.’

‘Jij hebt hem niet gezien maar hij heeft jou gezien en hij vond jou er oud uitzien.’

Maar wanneer ik mijn haar laat knippen bij de duurste kapper van de stad en in een week tijd drie paar nieuwe schoenen koop, wil hij weten waar ik het geld vandaan haal en of ik alleen nog voor uiterlijkheden leef. Verzuim ik een enkele keer me op te maken, dan concludeert hij dat ik me laat gaan. ‘Hoe kom jij plots aan al dat grijze haar?’ vraagt hij. Liever grijs dan kaal, denk ik en tel in de spiegel twee, drie, hooguit vier grijze haren. Wie verft er nu haar haar wegens een handvol grijs? Trouwens, grijs kan gedistingeerd zijn. Ik teken voor een witgrijze kop.”

 

 

 1448877-6315dfcc8413d20e169a1ab2bb2f13c6.jpg

Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

 

 

 

 

De Australische dichter, schrijver en journalist David Rowbotham werd geboren in Toowoomba.in de Darling Downs van Queensland op 27 augustus 1924. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor David Rowbotham op dit blog.

 

Uit: The Man In The Jungle

 

“Early morning rose in the forest, drab grey whispering into dark green.

It rose like a cloud gathering itself from the jungle floor, smokily, the night smouldering out beneath it to give it its emergence in a sunless mist of muggy warmth, and soundlessness. The bush creatures, if awakened, were sleepily lying in.

At first there was only the slow, soft seething of water moving in fern-walled streams, or dropping down from the soaked summits of the trees on to rocks and leaves among roots and undergrowth. Then vines and bushes seemed to breathe and stir and, in stirring, seemed to take on strange forms because of the creeping coils and carpets of mist that they met and moulded.

To Morden, as he opened his eyes in a haziness, this insinuation of the dawnlight came as a sort of hesitating restoration. He was faintly aware of uneasy movements, and of a spot of dull pain in his nose; but all that counted for the moment was the tranquillity, the peace to which he grew out of his unconsciousness. It was as though a misty quality of new light, a new dawn, had grown with him out of a black past that he could not remember.

He did, however, remember and recognise the jungle. He heard its water on the rocks and leaves and he breathed its steaminess; but now his lassitude seemed to protect him from his surroundings, just as it prevented him from remembering what had gone before, what had led to his annihilation. He would have to remember soon. In the meantime: rest, laziness, and the touch of dawn…and voices?”

 

 

1448877-abe06ec00efd9c76dabc17778c13d48b.jpeg 

David Rowbotham (Toowoomba, 27 augustus 1924)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e augustus ook mijn blog van 27 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:34 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten