Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 24 oktober 2013 tot 25 oktober 2013

Willem Wilmink, Anne Tyler, Daniel Mark Epstein, Peter Rühmkorf, Jakob Hein

De Nederlandse dichter, schrijver en zanger Willem Andries Wilmink werd geboren in Enschede op 25 oktober 1936. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Willem Wilmink op dit blog.

 

 

Huilen is gezond

 

Leg nu die krant maar even neer,
echt lezen doe je toch niet meer,
huil nou maar even.
Ja, tegen iemands lichaam aan
zou dat natuurlijk beter gaan,
maar huil nou even.

Dat jij de enige niet bent,
dat is een troost die je al kent,
dus huil maar even.
Een ander troosten voor verdriet
dat kan ook niet, dat kan ook niet,
maar huil toch even.

Altijd maar flink zijn is niet goed:
als je niet weet hoe 't verder moet,
huil dan toch even.
Straks, met nog tranen langs je kin
denk je ineens: ik heb weer zin,
om door te leven.

 

 

 

 

Huizen in de binnenstad

 

Die huizen in de binnenstad,
waarvan je eens de sleutel had.

Elk wonen voel je als voorgoed,
totdat je toch verhuizen moet.

Je naambord bij een andere bel
en na wat weken went het wel.

Je treft je oude huizen aan
en kunt er niet naar binnen gaan.

Ze staan er nog precies als toen
hun huiselijke plicht te doen.

Ondanks de reuma in hun hout
worden ze heel erg langzaam oud

en halen 't jaar 3000 wel
als 't goed blijft gaan met Stadsherstel.

Die huizen in de binnenstad,
waarvan je eens een sleutel had,

waar nu een ander slaapt en eet,
die nog van geen verhuizen weet.

 

 

 

 1482630-9929d6a2c5ede701ccfb777c8c2eeaf8.jpg

Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Anne Tyler werd geboren op 25 oktober 1941 in Minneapolis, Minnesota. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Anne Tyler op dit blog.

 

Uit: The Beginner's Goodbye

 

“It was August. Early August of 2007, oppressively hot and muggy. I happened to have a cold. Summer is the very worst time for a cold, I always think. You can't just pile on the blankets and sweat it out the way you would in winter. You're already sweating, only not in any way that's beneficial.

I went in to work as usual, but the air conditioning made my teeth start chattering as soon as I got settled. I hunched over my desk shivering and shaking, sneezing and coughing and blowing my nose and heaping used tissues in my wastebasket, till Irene ordered me home. That was Irene for you. She claimed I was contaminating the office. The others—Nandina and the rest—had been urging me to leave for my own sake. "You look miserable, poor thing," our secretary said. But Irene took a more self-centered approach. "I refuse to sacrifice my health to your misguided work ethic," she told me.

So I said, "Fine. I'll go." Since she put it that way.

Nandina said, "Shall I drive you?" but I said, "I'm still able to function, thank you very much." Then I gathered my things and stalked out, mad at all of them and madder still at myself, for falling ill in the first place. I hate to look like an invalid.

Alone in the car, though, I allowed myself some moaning and groaning. I sneezed and gave a long drawn-out "Aaah," as if I were a good deal sicker than I was. I glanced in the rearview mirror and saw that my eyes were streaming with tears. My face was flushed and my hair had a damp and matted look.”

 

 

1482630-9152a47727164931aa35f1ea348a75d3.jpg
Anne Tyler (Minneapolis, 25 oktober 1941)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en biograaf Daniel Mark Epstein werd geboren op 25 October 1948 in Washington, D.C. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Daniel Mark Epstein op dit blog.

 

Uit: Lincoln and Whitman

 

“Abraham Lincoln's law partner William "Billy" Herndon, thirty-nine, loved the birds and wildflowers of the prairie, pretty women, and corn liquor. He also had an immoderate passion for new books, and for the transcendental philosophizing of pastor Theodore Parker and poet Ralph Waldo Emerson. By his own accounting he had spent four thousand dollars on his collection of poetry, philosophy, and belles lettres-a fortune in those days, when a good wood-frame house in Springfield, Illinois, cost half as much. Journalist George Alfred Townsend called Herndon's library the finest in the West.
Herndon's narrow, earnest-looking face was fringed with whiskers in the Scots manner, and his eyes were close-set, intense. His favorite philosopher-poet was Emerson. Herndon so admired the Sage of Concord that he purchased Emerson's books by the carton and gave them away to friends and strangers with the zeal of an evangelist. A backwoods philosopher, Herndon even solicited Emerson's endorsement for his tract "Some Hints on the Mind," in which he claimed to have discovered the mind's fundamental principle, "if not its law."
So when Emerson espoused a new book of poetry, calling it "the most extraordinary piece of wit and wisdom that America has yet contributed," Herndon wasted no time in locating a copy, which could be found on the shelves of R. Blanchard's, Booksellers, in Chicago, where he frequently traveled on business.
Having held the olive-green book, its cover blind-stamped with leaves and berries; having regarded with a twinge of envy the salutation "I Greet You at the / Beginning of A / Great Career / R W Emerson," gold-stamped on the spine, the bibliophile-lawyer plunked down his golden dollar for the second edition of Whitman's Leaves of Grass.”

 

 

 1482630-f661394333a490a59ee1d08bbc442275.jpg

Daniel Mark Epstein (Washington, 25 oktober 1948)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Rühmkorf  werd geboren op 25 oktober 1929 in Dortmund. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Peter Rühmkorf op dit blog.

 

 

Sybillinisch

 

Ab mit Bruch, sic transit gloria mundi:
Fortschritt wälzt sich nicht wie Lava fort;
atmet lautlos wie ein Pflanzendarm…
Weimar, sicher, war erlebnisarm;
aber nehmen wir Botswanaland, Burundi,
was ist dort?

 

Abends, wenn die Sternemänner starten,
und die Glotze sprüht von Himmelsgischt,
hebt sich deiner Augen Doppellauf −
Komm, klapp zu, steck auf!
Aus sehr winzigen verstreuten Eigenarten
ist ein Individuum gemischt.

 

Wer das mitkriegt, wie du übertourig
ewig haltlos durch die Räume gurkst,
sieht nur gerade die Gestalt zerfließen −−−
Richtig Stil braucht Zeit, sich zu entschließen:
r o t f i g u r i g  -  s c h w a r z f i g u r i g:
welche Ruh! und kaum ein Strich vermurkst.

 

Wer du wirklich bist, ist gar noch nicht entdeckt:
etwas zwischen Einzelstern und Rude,
bißchen Kunstgeschmack und bißchen Hundsgeruch;
nicht mal klassisch-klarer Widerspruch.
A b e r   m a n c h m a l
i n   d e s   R e g e n s   W a h r g e s p r u d e l
strafft sich – unnachahmlich – dein Subjekt.

 

 

 

1482630-4d1f5128f6a037b951776965a1ca209a.jpg 

Peter Rühmkorf (25 oktober 1929 – 8 juni 2008)

 

 

 

 

De Duitse schrijver en arts Jakob Hein werd geboren op 25 oktober 1971 in Leipzig. Zie ook alle tags voor Jakob Hein op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2010

 

Uit: Mein erstes T-Shirt

 

"Es begann bei mir wie bei den meisten, es begann mit einer Gitarre. Christian aus meiner Klasse hatte im Keller eine E-Gitarre gefunden und mußte uns allen davon erzählen. Er war der Typ, der immer jedem etwas echt Wertvolles borgen oder etwas weniger Wertvolles schenken wollte. Seit dem Kindergarten hatte er nicht gelernt, daß man so keine Freunde gewinnen konnte.Jetzt glaubte er wieder einen Grund gefunden zu haben, uns in der Raucherecke zu belästigen. Eigentlich rauchte er auch und hatte immer Zigaretten dabei, aber ob man in der Raucherecke stehen durfte oder nicht, hatte ja nichts mit Rauchen zu tun. Sogar manche Mädchen durften dabeisein, wenn sie zum Beispiel schwarz gefärbte Haare hatten, total auf diesen ganzen Schönheitskult schissen und außerdem nicht gerade stockhäßlich waren. Jedenfalls kam Christian in die Raucherecke und tönte groß herum, er habe eine Stromgitarre von seinem Vater gefunden. Wir sagten, daß er sich verpissen so ll.Nach der Schule ging ich immer ein Stück gemeinsamen Weg mit ihm. Wenn niemand anders mit war, vor allem keins von den Mädchen, die sich total nicht für Jungs und den ganzen Scheiß interessierten, unterhielt ich mich dann auch mit Christian. Ich fragte ihn, was das mit der Gitarre heute denn eigentlich gesollt habe. Sofort fing er an, die Gitarre zu beschreiben und wie er die seinem "Alten" klauen könnte und daß er so was schon öfter gemacht hat usw. Er war wirklich nicht besonders cool. Dann sagte ich ein paar Sätze, die ganz klarmachten, daß ich mich total gut mit E-Gitarren auskannte. Ich flocht Worte wie "Stratocaster" und "Plektron" in meine Sätze und sagte zum Beispiel: "Hat das Gerät zwei oder drei Tonabnehmer?" "Du kennst dich ja gut mit den Dingern aus, fast so wie Florian", sagte Christian.“

 

 

 1482630-970f5d2fa3c8db8b69d2d824727dae3b.jpg

Jakob Hein (Leipzig, 25 oktober 1971)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e oktober ook mijn blog van 25 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:10 Reageer op dit bericht

Elif Shafak

De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971 en bleef na de scheiding van haar ouders bij haar moeder. Ze bracht haar tienerjaren door in Madrid en Amman (Jordanië), en keerde vervolgens terug naar Turkije. Ze studeerde Internationale Relaties aan de Technische Universiteit Midden-Oosten in Ankara. Ze heeft een diploma in Gender- en Vrouwenstudies en schreef een thesis getiteld The Deconstruction of Femininity Along the Cyclical Understanding of Heterodox Dervishes in Islam. Ze behaalde een doctoraat aan het departement Politieke Wetenschappen van dezelfde universiteit, met een thesis getiteld An Analysis of Turkish Modernity Through Discourses of Masculinities. Shafak werkte een jaar als onderzoeker aan Mount Holyoke Women's College in South Hadley, Massachusetts in de Verenigde Staten. Daar schreef ze haar eerste roman in het Engels. De Nederlandse vertaling van het boek, “De heilige van de beginnende waanzin” (The Saint of Incipient Insanities), werd uitgegeven door De Geus.
Şafak was gastprofessor aan de University of Michigan in Ann Arbor, Michigan en aan het Near Eastern Studies Department van de University of Arizona in Tucson, Arizona. Daarna keerde ze terug naar Istanbul, een stad die ze een bron van liefde en inspiratie noemt. Ze verdeelt haar tijd tussen de Verenigde Staten en Istanbul. Şafak maakte haar literair debuut met het verhaal Kem Gözlere Anadolu, gepubliceerd in 1994. Haar eerste roman, Pinhan ("De Soefi") kreeg de "Mevlana Prize" in 1998, die wordt toegekend aan het beste mystiek-literair werk in Turkije. Haar tweede roman, “Şehrin Aynaları” ("Spiegels van de stad"), verenigt joodse en islamitische mystiek tegen de achtergrond van de mediterrane 17de eeuw. Haar derde roman”Mahrem” ("De blik") leverde haar de "Union of Turkish Writers' Prize" op in 2000. “Bit Palas” (Het luizenpaleis) was een bestseller in Turkije. Shafak gebruikt de narratieve structuur van een verhaal van Duizend-en-één-nacht om een verhaal in het verhaal te vertellen. Op dit boek volgde “Med-Cezir”, een non-fictiewerk over gender, seksualiteit, mentale getto's en literatuur. Ze schreef het voorwoord van “Türkçe Sevmek”, de vertaling van de bloemlezing van emigrantenliteratuur “Tales from the Expat Harem: Foreign Women in Modern Turkey”, over vrouw-zijn, nationale identiteit en het gevoel nergens bij te horen.
Şafaks boek “De Bastaard van Istanbul” leidde tot haar vervolging in Turkije op grond van "belediging van de Turksheid" onder Artikel 31 van de Turkse Strafwet.De vervolging was het gevolg van een uitspraak van één van de personages, die de moorden op Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog als genocide bestempelde. Shafak werd vrijgesproken.

Uit: The Bastard of Istanbul

„Whatever falls from the sky above, thou shall not curse it. That includes the rain.
No matter what might pour down, no matter how heavy the cloudburst or how icy the sleet, you should never ever utter profanities against whatever the heavens might have in store for us. Everybody knows this. And that includes Zeliha.
Yet, there she was on this first Friday of July, walking on a sidewalk that flowed next to hopelessly clogged traffic; rushing to an appointment she was now late for, swearing like a trooper, hissing one profanity after another at the broken pavement stones, at her high heels, at the man stalking her, at each and every driver who honked frantically when it was an urban fact that clamor had no effect on unclogging traffic, at the whole Ottoman dynasty for once upon a time conquering the city of Constantinople, and then sticking by its mistake, and yes, at the rain . . . this damn summer rain.
Rain is an agony here. In other parts of the world, a downpour will in all likelihood come as a boon for nearly everyone and everything—good for the crops, good for the fauna and the flora, and with an extra splash of romanticism, good for lovers. Not so in Istanbul though. Rain, for us, isn’t necessarily about getting wet. It’s not about getting dirty even. If anything, it’s about getting angry. It’s mud and chaos and rage, as if we didn’t have enough of each already. And struggle. It’s always about struggle. Like kittens thrown into a bucketful of water, all ten million of us put up a futile fight against the drops. It can’t be said that we are completely alone in this scuffle, for the streets too are in on it, with their antediluvian names stenciled on tin placards, and the tombstones of so many saints scattered in all directions, the piles of garbage that wait on almost every corner, the hideously huge construction pits soon to be turned into glitzy, modern buildings, and the seagulls. . . . It angers us all when the sky opens and spits on our heads.
But then, as the final drops reach the ground and many more perch unsteadily on the now dustless leaves, at that unprotected moment, when you are not quite sure that it has finally ceased raining, and neither is the rain itself, in that very interstice, everything becomes serene. For one long minute, the sky seems to apologize for the mess she has left us in. And we, with driblets still in our hair, slush in our cuffs, and dreariness in our gaze, stare back at the sky, now a lighter shade of cerulean and clearer than ever. We look up and can’t help smiling back. We forgive her; we always do.”

 

 1638410-8d16f6de8b68b3de44640bf45fe4274d.jpg
Elif Shafak (Straatsburg, 25 oktober 1971)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Onno Kosters, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

 

Gedicht tot de zee

 

Zee als bodemloze bodem, aanvankelijke
ondergang die schatten opbrengt; inzicht
dat wie opdiept eerst moest zinken,

 

dat wie zonk niet wist dat hij niet zocht naar
wat hij vond, maar vond wat er, Marco-gelijk,
gevonden worden moest: Dasajevs hand voorbij.

 

Zee als uitzicht voor wie vast zit, Ruby, Silvio,
verte zonder land in zicht, cel
waar je in ronddoolt, waar dan Windows

 

soms een deur naar buiten biedt,
mits ontgrendeld, mits met mate,
dat wil zeggen, meestal niet.

 

Zee als polder, voedingsbodem
voor gewassen die niet aarden in een
niet-brood-, wel welvaartsziek systeem.

 

Zee die wijzelf ten diepste zijn, zog
zonder schip dat wij nog maar zo zelden volgen.
Zee neem mij mee, zee wijs en wees mijn weg.

 

 

 

De man in de muur (Fragment)

 

Het nieuws wordt verpakt in de vis van morgen.

Lezen wij de ingewanden van het wezen dat hapt

naar lucht, dat spartelt. In het water op het droge.

Hoofdpersonen rennen aan de inktzwarte plas voor-

 

bij. De man in de muur, only in it for the money,

metselt zich in, wordt dan wat ik al van hem maakte.

Schepsel van mijn kop en been van mijn merg,

kloppend orgaan van deze ontzette inwendige mens.

 

Als voorbereid op mijlen onder zee verdwijnt

een laatste rechthoek luchtblauw licht. Zuinig

met zuurstof! Luidt nu het devies, de noodklok

in de verte. Hij zet zich op het onontslapen bed

 

in die totaal zwarte kamer, die huivering wekt. Men

hoort nog het tikken in het witsel, lijkenwindsel,

maar men zoekt er niets achter, ja pa ging een pakje

sigaretten halen, plakte een geeltje op zijn monitor,

 

‘Ben even weg, tot later’, was getekend, ‘Godot’.

Humor, dus wordt de tafel gedekt, de pasta gekookt,

worden glazen gevuld en ligt op zijn plek keurig een

placemat. Zijn stoel staat comfortabel klaar, Eliah! Eliah!

 

Ze hebben geen idee wat ze doen, zijn geliefdste gezin,

ze missen alleen de vaas, zien nog niet de bloemen

in de tuin, nat nog, slap al, oogverblindend, het zwart

in de bloeiwijze besloten, als een bedoelde barst.

 

Hij hoort het getik van het bestek, maakt zijn eigen op.

Hij ruikt de pasta, de kruiden, het wijnrode zoet.

Hij schikt zich voorbeeldig, legt zijn oor te luisteren, daar

aan de andere kant van de muur, waar het koud wordt.

 

 

 

 1481918-499612577484bb3fb9876b53de745fe6.jpg

Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

 

 

 

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen-Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

 

Noch im wollustvollen Mai des Lebens

 

Noch im wollustvollen Mai des Lebens,

Wo die Seele sonst Entschlüsse sprüht,

Fühl ich in der Wärme meines Strebens,

Wie mein Lebenselement verglüht.

 

Nicht ein Windstoß, ein belebend warmer,

Meine Haare kräuselnd, weht mich an,

Leer und träge schifft ein Tatenarmer

Übern stillen Vater Ozean.

 

Was ich soll? Wer löst mir je die Frage?

Was ich kann? Wer gönnt mir den Versuch?

Was ich muß? Vermag ich's ohne Klage?

So viel Arbeit um ein Leichentuch?

 

Kommt und lispelt Mut ins Herz mir, zarte

Liederstimmen, die ihr lange schlieft,

Daß ich, wie ein Träumer, nicht entarte,

In verlorne Neigungen vertieft.

 

 

 

Nie hat ein spätres Bild dein Bild vernichtet

 

Nie hat ein spätres Bild dein Bild vernichtet,

Das fühlt ich stets vielleicht und fühl es heute,

Da sich's nach langen Jahren mir erneute,

Nachdem ich manchen Wahn der Welt gesichtet.

 

O Zeit, in der ich noch für dich gedichtet,

Was, außer mir, sich keiner Leser freute!

Noch war mein Name nicht der Welt zur Beute,

Die selten fühlt und oft so lieblos richtet!

 

Noch unbekannt mit meinen eignen Trieben,

Zu ernst, zu schüchtern, allzusehr verschlossen,

Bin ich dir fremd durch eigne Schuld geblieben.

 

Da wieder nun ich deines Blicks genossen,

Empfind ich wieder jenen Drang, zu lieben;

Doch meine schönste Jugend ist verflossen.

 

 

 

Winterseufzer

 

Der Himmel ist so hell und blau,
O wäre die Erde grün!
Der Wind ist scharf, o wär er lau!
Es schimmert der Schnee, o wär es Tau!
O wäre die Erde grün!

 

 

 

1481918-fefe906cca37de3054a6986a2e683b31.jpg 

August Graf von Platen (24 oktober 1796 - 5 december 1835)

Borstbeeld in Ansbach

 

 

 

 

De Vlaamse auteur Ernest Claes werd geboren op 24 oktober 1885 te Zichem. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010en eveneens alle tags voor Ernest Claes op dit blog.

 

Uit: De Witte

 

“Hij troostte zich dan maar met Nis zijn hemdslip 's nachts stevig in zijn vuist geklemd te houden, voor hij insliep; als de duivels dan voor hem kwamen zou Nis 't wel gewaar worden en hem terugtrekken.

Moeder vertelde hem integendeel altijd van 't kindeke Jezus, van Ons-Lieve-Vrouwke, van engelen en wijze kinderen, en vooral van den hemel. Als 't daarover ging kon de Witte - (in dien tijd zei moeder nog: Lewieke) - met mond en oogen wijd open zitten luisteren. Elken keer moest hij, op moeders schoot gezeten, weer eens hooren over: alle dagen rijstpap met zilveren lepeltjes, peperkoek, zute-melk met beschuiten, en dan rijden op een chocolatten ezel. Dien hemelezel mocht ge zoo maar een stuk chocolat uit zijn oor bijten, het deed hem geen zeer, en 't groeide er dadelijk weer aan. 't Was in dien tijd dat ze op een nacht allemaal waren wakker geschrokken door een vreeselijk geschreeuw van Nis, gevolgd door een nog luider geblèer van de Witte. Toen moeder de lamp had aangestoken en vader zijn jongste op den arm had gepakt, begrepen ze. De Witte had Nis duchtig in zijn vinger gebeten, en hij schreeuwde nog harder dan Nis: ‘Ik mènde... ik mènde da 'k in de oêre van diê sokkolatten ezel beet.’ Moeder en Heinke waren met de Witte zondags daarop beêweg geweest naar Sinte-Kernelis op den Blauwberg, ze hadden hem doen overlezen, en van dan af waren die gevaarlijke droomen verminderd.

Hij herinnerde zich ook nog uit die dagen hoe vader op een zekeren keer naast den haard zat hout te kappen om den koeiketel af te stoken, en er hem plotseling een splinter in 't oog sprong, waarbij hij een geweldigen ‘de-dju!’ liet vliegen.”

 

 

 1481918-1caa17d2d61f0a87d834d68be5ef6bc8.jpg

Ernest Claes (24 oktober 1885 - 2 september 1968)

Eric Clerckx in de film ‘De Witte van Sichem’ van Robbe de Hert uit 1980

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk werd geboren op 24 oktober 1965 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Zsuzsa Bánk op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010.

 

Uit: Der Schwimmer

 

“Ich hatte wenige Erinnerungen an meine Mutter. Im Grunde kannte ich sie nur von Fotos, die mein Vater in einem kleinen Kasten aufbewahrte. Schwarzweißbilder waren es, mit dickem weißen Rand. Meine Mutter beim Tanz. Meine Mutter mit geflochtenen Zöpfen. Meine Mutter barfüßig. Meine Mutter, die ein Kissen auf dem Kopf balancierte. Ich schaute mir die Bilder häufig an. Es gab Zeiten, in denen ich nichts anderes tat.
Mit meinem Vater war es ähnlich. Er verbrachte ganze Tage damit, die Bilder auf dem Tischtuch auszubreiten und sie immer wieder neu zu mischen – wie bei einem Kartenspiel, vielleicht zehn Mal, vielleicht hundert Mal. Daß es Tage waren, wußte ich, obwohl ich damals sicher keinen Begriff von Zeit hatte. Für mich gab es nur Zeiten, die ich ertragen, und Zeiten, die ich kaum ertragen konnte.
Mein Vater hinterließ seine Fingerabdrücke, und ich wischte sie weg, wenn ich die Fotos aus der Kiste nahm. Ein Bild mochte er besonders. Es zeigte meine Mutter auf dem Feld. Sie hatte Essen in einer Blechkanne dabei. Ihr Kopftuch hatte sie unter dem Kinn zusammengeknotet, und ihre freie Hand hielt sie wie einen Schirm über die Augen Sie trug Sandalen, deren Bänder sie um die Knöchel gebunden hatte. Niemand trug damals Sandalen, schon gar nicht auf dem Feld.
Mein Vater gab dieses Bild nicht aus seinen Händen. Er lag damit auf der Küchenbank, starrte zur Decke und rauchte. Nicht einmal den Hund hörte er dann, der laut vor ihm bellte. Meinen Bruder Isti und mich schaute er an, als seien wir Fremde. Wir nannten es tauchen. Vater taucht. Vater ist zum Tauchen gegangen. Ist Vater zurück vom Tauchen?, fragten wir einander.”

 

 

 1481918-2a4c8c0fac234c584c76086d8118bd4c.jpg

Zsuzsa Bánk (Frankfurt am Main, 24 oktober 1965)

 

 

 

 

 

De Engels - Amerikaanse dichteres Denise Levertov werd geboren op 24 oktober 1923 in Ilford, Essex. Zie ook alle tags voor Denise Levertov op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010.

 

 

Seeing For A Moment

 

I thought I was growing wings—
it was a cocoon.

I thought, now is the time to step
into the fire—
it was deep water.

Eschatology is a word I learned
as a child: the study of Last Things;

facing my mirror—no longer young,
the news—always of death,
the dogs—rising from sleep and clamoring
and howling, howling,

nevertheless
I see for a moment
that's not it: it is
the First Things.

Word after word
floats through the glass.
Towards me.

 

 

 

1481918-adf91ec4573861298a78cd0b77d14e28.jpg 

Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997)

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:57 Reageer op dit bericht

Kester Freriks

De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Freriks werd geboren in Djakarta, Indonesië,  op 24 oktober 1954. Toen hij drie jaar oud was verhuisde het gezin Freriks naar Nederland. Vervolgens woonde Kester Freriks in Zandvoort, Groningen en Almelo waar hij twee middelbare scholen bezocht; eerst het Pius X College en vervolgens het Christelijk Lyceum. Deze omzwervingen in zijn jeugd verklaren mogelijk zijn latere zelfgekozen thematiek van nergens thuis te zijn Freriks studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, Duits, filosofie en theaterwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.Tussen 1975 en 1979 was Freriks verbonden aan het toneelgezelschap Handke/Weiss. Hij trad op als acteur, vertaler en dramaturg. Sinds 1981 is hij verbonden aan de kunstredactie van het NRC Handelsblad en schrijft hij over theater, literatuur, vogels en natuur. In het academische jaar 1985-1986 was hij writer-in-residence aan de University of Minnesota in Minneapolis, USA. Hij debuteerde in 1978 in het tijdschrift Hollands Maandblad; een jaar later verscheen bij Uitgeverij Meulenhoff zijn verhalencyclus “Grand Hotel Lembang”. Behalve in het Hollands Maandblad publiceerde Kester Freriks in tijdschriften als Tirade, De Gids, De Revisor, Maatstaf, De Held, Fodor Maandblad, De Zingende Zaag, Bzzlletin en De Tweede Ronde. Voor de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers vertaalde hij de brieven van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1790-1843). Zijn novelle De Metropool werd in 1990 verfilmd als Sundog. Zijn roman Hölderlins toren werd in 1982 bekroond met de Van der Hoogt-prijs.

 

Uit: De wil der wegen

“Vroeger had ik twee soorten vrienden: zij die, ondanks talloze verhuizingen, heel hun jeugdige leven aan de spoorlijn hadden doorgebracht en zij die telkens weer langs een uitvalsweg of andere roetsjbaan terechtkwamen.

Sommige schoolkameraadjes verhuisden nooit. Hun wereld bestond uit de straat waaraan zij woonden, hun kleine universum eindigde waar de straat doodliep op huizen of met een scherpe bocht uit het gezichtsveld verdween. Het plaveisel bestond uit klinkers, zorgvuldig in de vorm van een visgraat gelegd op rul zand waarin de stratemakers met hun vingers graaiden als ze in de weer waren een nieuwe bestrating aan te leggen. Met tussen stokjes gespannen vliegertouw zetten ze de banen af waarbinnen de klinkerstenen moesten vallen. Ze werkten vanuit het midden naar de zijkanten. Paste een steen niet, dan werd hij met een trefzekere slag van de stratemakershamer - een werktuig met een lange, spits uitlopende klauw als de bek van een reiger - in brokstukken gekliefd. Als je hun verrichtingen gadesloeg dan leek het net of ze een reusachtige wervelkolom in het zand aanlegden: eerst een rechte lijn in het midden, over de as van de weg, en vervolgens naar weerszijden uitwaaierende rijen van klinkerstenen.

Na de regen glommen de keitjes in het zonlicht. In de winter gingen ze vaak schuil onder een laag aanvankelijk witte maar snel vervuilde sneeuw of glinsterend ijs. Net vernis. De natuur beschermde de straat als een kostbaar schilderij.

Van verhuizen konden mijn ouders nooit genoeg krijgen. Nauwelijks was een huis ingericht of ze lichtten alweer het anker, lieten verhuiswagens met dreigend draaiende motoren voorrijden en keken toe, mijn moeder koffie schenkend, vader hier en daar een helpende hand biedend, hoe het in kisten verpakte huisraad door de laaddeur verdween in de duisternis van de vrachtwagens. Meubels, gevangen in smoezelige hoezen, werden op de rug van de verhuizers uit het huis getild. Een schemerlamp kwam rechtop in de wagen te staan, omwikkeld met lappen. De kisten met glaswerk en het servies kregen nauwelijks een voorzichtiger behandeling: de sjouwers gingen er even ruw en tegelijk trefzeker mee om als met de dozen vol boeken.”

 

 

 1485023-663f71f66eb88f98d720201cb3c54f3e.png

Kester Freriks (Djakarta, 24 oktober 1954)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten