Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 16 juni 2014 tot 17 juni 2014

Peter Rosei, Gail Jones, Ward Ruyslinck, Hanna Johansen, Max Dendermonde, James Weldon Johnson

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 juni 2009 en eveneens alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Madame Stern

„Sie haben also auch Kinder?“
„Eins. Unsere kleine Sophie.“ Die Frau Doktor sagte es in liebevollem Ton und mit fürsorglichem Nachdruck.
„Wir haben auch ein Mäderl, meine Frau und ich!“ Niki Schestak brachte es herzig heraus.
„Wie alt ist sie denn?“
Man saß im Café Mozart, Schestak hatte den Treffpunkt vorgeschlagen: „Dann können wir zum Essen gleich ins Sacher hinübergehen.“
„Ob ich so lang Zeit haben werde?“, hatte die Frau Doktor Stern darauf gesagt.
Sie saßen in einer der komfortablen Nischen, in einer etwas entlegeneren Ecke, und hatten den Saal vor sich. Mäßig besetzt. Wie üblich ein paar Japaner, eine Reisegruppe, mit ihren unvermeidlichen Sonnenhüten auf den Köpfen, leise miteinander schnatternd. Einige Zeitung lesende ältere Herrschaften, bequem in die Polster zurückgelehnt, ihre Morgenmelange vor sich.
„Ein schöner Tag heute.“
„Ein wunderbarer Tag!“
„Um diese Jahreszeit ist Wien doch am schönsten.“
Schestak hatte Frau Doktor Stern zu dieser Aussprache gebeten. Nach einigem Hin und Her mit dem Terminkalender hatte sie doch eingewilligt.
Die leichteste, die am besten abgesicherte Route führt über die Familie: Haben Sie Kinder? Wie viele? Wie reizend! Und die Masern? Was macht denn Ihr Mann? Dazu Anmerkungen übers Wetter, über die Jahreszeit, übers Essen eingestreut. Vielleicht speist sie gern fein? Oder was Kulturelles? Ins Kunsthistorische vielleicht? Sport war für Frauen für gewöhnlich wenig zielführend.
„Und was macht Ihr Mann, wenn ich fragen darf?“, fragte Schestak, sich dabei ein wenig vorbeugend.
Frau Doktor Stern zog die Augenbrauen in die Höhe, gerade so, als hätte ihr der Magister mit dieser Frage einen Antrag gemacht. Mein Gott! Was die sich ziert! Trampel. Sie antwortete knapp: „Er arbeitet bei der Sachwalterschaft.“

 

 1613272-426b1dc26becd54b8a37754b6f6b8e07.jpg
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

 

De Australische schrijfster Gail Jones werd geboren op 17 juni 1950 in Harvey. Zie ook alle tags voor Gail Joenes op dit blog.

Uit: Sorry

“How to gather, quietly and honourably, all that is now scattered? How to reanimate the dead as if they were human after all, not symbols, or functions that I must somehow deal with, not flimsy puppet cut-outs trimmed to my purpose?
When I was born, two years after my parents’ marriage, my mother was thirty-eight, my father thirty-six. Neither had expected children; indeed, both were accustomed to self-enclosure and habituated to types of loneliness their partnership did not quite alleviate. I was a mistake, a slightly embarrassing intervention, and knew this melancholy status from earliest childhood. Predictably, both treated me as a smallish adult, arranging a regimen of behaviour, insisting on rules and repression, talking in stern, pedagogical tones. Neither thought it necessary to express affection, nor to offer any physical affirmations of our bond. I was, in consequence, a beseeching child, grumpy, insecure, anxious for their approval, but also wilfully emphatic in ways that I knew would test and annoy them. In the battle between us, there were only losses. If it had not been for the Aboriginal women who raised me, I would never have known what it is like to lie against a breast, to sense skin as a gift, to feel the throb of a low pulse at the base of the neck, to listen, in intimate and sweet propinquity, to air entering and leaving a resting body.
I was born in 1930; part of my childhood was in war-time. My father, who had served as a young captain in the First World War, carried fragments of shrapnel deep in his back and therefore walked with an awkward, halting tilt. He had hated being invalided out of the army – a vague shame attached to his incapacitation – and when war came again he was doubly shamed to be refused a commission. He had become stubborn and mean-spirited, but also intent on proving his manhood. By 1928 he already had the weary eyes of someone disappointed by life, and married my mother, I think, as some obscure, even unnameable, compensation. It was certainly not love; love makes itself manifest, love is a tangible tenderness. It was an assertion against loss, a form of acquisition.”

 

 1613272-40c0c938088caf57250f5c75b902a464.jpg
Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)

 

 

De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: De ontaarde slapers

“Silvester luisterde naar de wind die als een vlam tegen de deur sprong. Boven op het dak lag een pan los, die ratelde zoals in de nazomer de klappermolen in de boomgaard van Jom Pekke, de Zwarte Loeder. Al vier dagen waaide de wind uit het westen aan, als een donker loeiend vloedwater rollend over de vlakte achter de stad. Als een wild dier huilde hij in het nabije akkermaalsbos, waarboven de kraaien met zware trage slagen rusteloos rondroeiden, en op het voetbalveld zweepte hij met donderend geweld onder de golfplaten van de tribunes. Het was een ruige, vochtige wind die de omgeploegde aarde roestig kleurde en de rook die uit de vele scheve schouwen van de stad opsteeg met een klap in de lucht wegsloeg. Maar de storm kon Silvester niet deren. Hij wachtte niet op de lente, die rond deze tijd van het jaar, met het gisten van het mos en het zachte ruisen van de lichte lauwe wind, placht te komen. Hij wachtte op niets. Zijn hart hing niet aan deze wereld, aan de wisselende schoonheid der seizoenen en de altijd andere gezichten van de mensen. Hij wachtte op niets en hij verlangde ook niets.”
(…)

“Op dat moment verliet Silvester de dreef die het akkermaalsbos verbond met de steenweg en geruime tijd nadien nog, op zijn weg naar het steunlokaal, hoorde hij de wind in de toppen van de naakte bomen gieren. In de lucht, bij tussenpozen van luwte, ruiste de regen met een hoog en wijd ruimtelijk geluid, als de klapperwiekende overtocht van vele vluchten trekvogels. De steenweg strekte zich in een indeloze rechte voortgang uit tussen een open veld en enkele alleenstaande werkmanswoningen.”

 

 1613272-d4e17cbb359587194eabdc30ceb703ce.jpg
Ward Ruyslinck (Berchem, 17 juni 1929)
Portret door Jan Vanriet, 1979

 

 

De Zwitserse schrijfster Hanna Johansen (eig. Hanna Margarete Meyer) werd geboren op 17 juni 1939 in Bremen. Zie ook alle tags voor Hanna Johansen op dit blog.

 Uit: Der schwarze Schirm

„Kleine Tropfen setzten sich ans Fenster. Wenn sich ein paar gesammelt hatten, fingen sie an, nach unten zu laufen, und hielten wieder inne, bis mehr Tropfen kamen, um dann weiterzulaufen. Der Wagen war um die Tageszeit so gut wie leer, die Türen schlugen zu, der Zug fuhr an, und eine Frau mit Plastiktüten kam herein.
Diese Reise habe ich umsonst gemacht, dachte ich. Nicht daß ich viel erhofft hatte, das liegt mir nicht, aber tatsächlich war überhaupt nichts dabei herausgekommen. Sobald wir fuhren, wanderten die Tropfen nach rechts. Dann hörten sie damit auf, weil keine neuen mehr kamen.
Die Frau stand noch an der Tür und schaute in den Wagen. Ihr Mantel war alt und entschieden zu groß. Sie selber war jung, strahlte aber nichts Jugendliches aus und atmete schwer. Sie hatte auch einen Koffer. Hoffentlich setzt sie sich nicht zu mir, dachte ich, als sie zu gehen begann. Sie richtete ihre Blicke auf die vielen leeren Sitze, an denen sie vorbeikam, und setzte sich zu mir.
»Wie heißt du?« sagte sie, keuchend, wie man keucht, wenn man lange gerannt ist, um den Zug nicht zu verpassen. Wie man mit solchen Absätzen rennen kann, werde ich nie begreifen. Dann schien sie ihre Frage zu vergessen und atmete nur noch, schnell und laut und lange. Sie saß gerade gegenüber, nicht auf dem Platz daneben, wie man es sonst tut, wenn die Züge so leer sind. Ihren Koffer hatte sie neben sich auf den Sitz geworfen, die Plastiktüten hielt sie noch fest, ihr Schirm tropfte, und sie keuchte. In diesem Alter, habe ich immer gedacht, erholt man sich schneller. Und sie sah auch gar nicht so aus, als wäre sie das Rennen nicht gewohnt. Zwischendurch atmete sie auf die übliche Weise, als hätte sie das Keuchen vergessen, und dann schien es ihr wieder ein zufallen.“

 

 1613272-3efeb2d70cebb80f2456f9a6753b43fc.jpg
Hanna Johansen (Bremen, 17 juni 1939)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max dendermonde op dit blog.

 

Glurend in Amsterdam West

Ik moet je - zwijgend - iets biechten, kleine Yolande:
ik zag, verstolen door mijn venster, 's avonds laat
jou langzaam lopen met lachebek Agaath,
en hoorde jullie fluisteren, zag jullie handen

tederheid doen, je streek het haar weg van haar wangen,
ze weerde zich, zoals dat in de aanvang gaat
- een schuchter Lesbos in onze arbeiderstraat –
en bood daarop haar lippen, al voluit verlangend.

Verraad? Ach nee. Er heerst bij ons een sterke wet:
had Agaath 's nachts zo graag thuis gehouden bij mij,
maar dat brengt bittere heibel in onze buurt.

Ik stond daar. Door je zachte vrijen daagde het
dat jij haar meer verdient dan ik. Want besef jij
dat ik een les kreeg in jullie meisjesnatuur?

 

 

Wittaal en kader

Een vel wit papier. Leg er een rode streep over,
willekeurig, met wat franje, een veeg, een spat.
Het is niets, zonder bezwering, teken of tover.

Neem nu een kader, schuif, wik, weeg en sjoemel wat,
en uit een witgat is een nieuwe taal geboren.

Op een ritmische zekerheid, boog in, boog uit,
dansen flarden van zinnige grootheid zich naar voren,
de hele wereld wordt al in die veeg geduid.

Gezeten ‘s ochtends bij mijn halve omelet
ben ik al een grote nul voor elke buitenstaander,
maar in mezelf sjoemel ik al hard aan mijn kader,
ik bouw een dag, vol ongeschreven, eigen wet.

Ik of jij, wie ook, elk kind, wijf, jongeling, kerel
schept grootheid uit wittaal en kaders in de wereld.

 

 

 1613272-8b224f09e082b9d8ea1935ba3b833322.jpg
Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)
Hier met echtgenote, 1955

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en diplomaat James Weldon Johnson werd geboren op 17 juni 1871 in Jacksonville, Florida. Zie ook alle tags voor James Weldon Johnson op dit blog.

 

Mother Night

Eternities before the first-born day,
Or ere the first sun fledged his wings of flame,
Calm Night, the everlasting and the same,
A brooding mother over chaos lay.
And whirling suns shall blaze and then decay,
Shall run their fiery courses and then claim
The haven of the darkness whence they came;
Back to Nirvanic peace shall grope their way.

So when my feeble sun of life burns out,
And sounded is the hour for my long sleep,
I shall, full weary of the feverish light,
Welcome the darkness without fear or doubt,
And heavy-lidded, I shall softly creep
Into the quiet bosom of the Night.

 

 

Sleep

O Sleep, thou kindest minister to man,
Silent distiller of the balm of rest,
How wonderful thy power, when naught else can,
To soothe the torn and sorrow-laden breast!
When bleeding hearts no comforter can find,
When burdened souls droop under weight of woe,
When thought is torture to the troubled mind,
When grief-relieving tears refuse to flow;
'Tis then thou comest on soft-beating wings,
And sweet oblivion's peace from them is shed;
But ah, the old pain that the waking brings!
That lives again so soon as thou art fled!
Man, why should thought of death cause thee to weep;
Since death be but an endless, dreamless sleep?

 

 1613272-ac27531967edbed8819c8fc77416c06b.jpg
James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juli 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:23 Reageer op dit bericht

Joël Dicker, August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, -minu, , Frans Roumen

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Die Wahrheit über den Fall Harry Quebert

„Das Buch war in aller Munde. Ich konnte in New York nicht mehr in Ruhe durch die Straßen schlendern oder durch den Central Park joggen, ohne dass Spaziergänger mich erkannten und ausriefen: »He, das ist Goldman! Der Schriftsteller!« Manche hefteten sich mir sogar im Laufschritt an die Fersen, um mir die Fragen zu stellen, die sie so beschäftigten: »Was Sie da in Ihrem Buch schreiben, ist das wahr? Hat Harry Quebert das wirklich getan?« In meinem Stammcafé im West Village schreckten manche Gäste nicht einmal davor zurück, sich an meinen Tisch zu setzen und mir ein Gespräch aufzudrängen: »Ich lese gerade Ihr Buch, Mr Goldman. Ich kann es einfach nicht aus der Hand legen! Das erste war ja schon gut, aber das hier …! Hat man wirklich eine Million Dollar abgedrückt, damit Sie es schreiben? Wie alt sind Sie denn? Knapp dreißig? Dreißig Jahre und haben schon so viel Kohle gescheffelt!« Sogar meinen Doorman hatte ich dabei ertappt, wie er immer dann, wenn er nicht gerade die Tür aufhalten musste, die Nase in das Buch steckte, und kaum hatte er es ausgelesen, nagelte er mich vor dem Fahrstuhl fest, um mir sein Herz auszuschütten: »Das ist also mit Nola Kellergan passiert! Wie grauenhaft! Wie kann man nur so etwas tun? Sagen Sie, Mr Goldman, wie ist so etwas möglich?«
Die New Yorker Society schwärmte von meinem Buch. Es war kaum zwei Wochen zuvor erschienen und versprach bereits der größte Verkaufserfolg des Jahres auf dem gesamten amerikanischen Kontinent zu werden. Alle wollten wissen, was sich im Jahr 1975 in Aurora zugetragen hatte. Überall wurde darüber berichtet: im Fernsehen, im Radio, in den Zeitungen. Ich war noch nicht einmal dreißig und durch dieses Buch, erst das zweite meines Lebens, zum gefragtesten Autor des Landes avanciert.
Dieser Fall, der Amerika so in Aufregung versetzte und der den Kern meiner Erzählung bildet, war einige Monate zuvor im Frühsommer wiederaufgerollt worden, nachdem man die Überreste eines seit dreiunddreißig Jahren verschollenen Mädchens entdeckt hatte. Damit begannen die Ereignisse in New Hampshire, von denen hier die Rede sein wird und ohne die das Städtchen Aurora im restlichen Amerika mit Sicherheit unbekannt geblieben wäre.“

 

 1612810-146375b519b86b182165af0124517cb1.jpg
Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

 

 

De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook alle tags voor August Willemsen op dit blog.

Uit: Braziliaanse brieven

“Net zou ik voor deze mensen wat pils uit de koelkast halen, toen Roos de gang in kwam lopen. Het gekke was dat ik tot dan toe, omdat die operaklanten erg opdringerig en aandachteisend waren, niet aan haar gedacht had. Ze begon als een idioot in het rond te springen, net zoals ze altijd doet wanneer ze ons een dag niet heeft gezien. Toen werd ik wakker, in dat vreselijke hotel, en ik geloof niet dat ik me ooit in mijn leven zo ellendig heb gevoeld. Ik besloot zo iets als dit nooit meer in mijn eentje te doen. Ik wil wel nog eens naar Brazilië, zal trouwens wel moeten, maar dan met z'n drieën. Tjaja, wie had dat gedacht. Maar intussen gaat het alweer veel beter. Ik ging er zondagochtend natuurlijk al vroeg op uit om iets beters te vinden, en dat lukte. Ik herinnerde me namelijk vaag, dicht bij het straatje van '73, een groot hotel, dat toen voor ons te duur was. Duur is het wel (f 47,50), maar voor Rio is dat heel redelijk. Het is rustig, het is fatsoenlijk, en hier zit ik dus nu te tikken, voor een open raam, tegenover me een voetbalwedstrijd op de TV (met het geluid uit, het is alleen voor het luxeidee), en die TV staat weer op een koelkast waaruit ik zojuist een pilsje heb gepakt.
Deze hele week is het prachtig weer geweest, zon, vijfentwintig graden, 's nachts maar weinig koeler dan overdag. Wat een verschil met São Paulo en Curitiba. Vooral in Curitiba was het moordend koud. Overdag ging het nog wel, maar na zonsondergang ‘daalde het kwik’ tot bij nul. En zelfs daar blijven de Brazilianen doen alsof het overal een tropisch land is, d.w.z.: geen cafés met deuren, nee, alleen die betegelde, onverwarmde hallen. Ik at in een ‘rincón gaucho’ (op z'n Spaans), een soort RAI-hal waar enorme brokken vlees werden geroosterd en, aan een zwaard geregen, werden opgediend door een folkloristisch uit-gedoste debiel.”

 

 1612810-2ce5dec0525254c209cfd1a8e3cea76f.jpg
August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)
Portret door Marian Plug, 1966

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joyce Carol Oates werd geboren in Lockport, New York, op 16 juni 1939. Zie ook alle tags voor Joyce Carol Oates op dit blog.

Uit: My Father, My Fiction

“A november day, 1988, and I am sitting in my study in our house in Princeton, N.J., as dusk comes on, listening to my father playing the piano in another wing of the house. Flawlessly, he's moving through the presto agitato of Schubert's ''Erl King,'' striking the nightmarish sequence of notes firmly but rapidly. There's a shimmering quality to the sound, and I'm thinking how the mystery of music is a paradigm of the mystery of personality: most of us ''know'' family members exclusive of statistical information, sometimes in defiance of it, in the way that we ''know'' familiar pieces of music without having the slightest comprehension of their thematic or structural composition. We recognize them after a few notes, that's all. The powerful appeal of music is inexplicable, forever mysterious, like the subterranean urgings of the soul, and so too the powerful appeal of certain personalities in our lives. We are rarely aware of the gravitational forces we embody for others, but we are keenly aware of the gravitational forces certain others embody for us. To say my father, my mother is for me to name but in no way to approach one of the central mysteries of my life.
How did the malnourished circumstances of my parents' early lives allow them to grow, to blossom, into the exemplary people they have become? - is there no true relationship between personal history and personality? - is character, bred in the bone, absolute fate? And what are facts, that we should imagine they have the power to explain the world to us? On the contrary, it is facts that must be explained. HERE ARE FACTS:
My father's father, Joseph Carlton Oates, left his wife and son when my father, an only child, was 2 or 3 years old. Abandoned them, to be specific: they were very poor. Twenty-eight years later, Joseph Carlton reappeared to seek out his son, Frederic . . . arrived at a country tavern in Millersport, N.Y., one night about 1944, not to ask forgiveness of his son for his selfishness as a father, not even to be reconciled with him, or to explain himself. He had come, he announced, to beat up his son.”

 

 1612810-6ff942246d25965287baffd69c76ed82.jpg
Joyce Carol Oates (Lockport, 16 juni 1939)

 

 


De Canadese dichter, artiest en musicus Derek Raymond Joseph Audette werd geboren op 16 juni 1971 in Hull, Quebec. Zie ook alle tags voor Derek R. Audette op dit blog.

 

Bukowski Ate My Liver

Bukowski ate my liver!
I would never have believed it,
if I were not right there
when it happened.
I couldn’t believe my eyes.
His hand leapt at me
from out of the page.
He reached right in
to my abdomen,
clutched the
rancid organ in
his despair soaked fist,
dripping tiny droplets
of sickly-sweet despondency,
and shoved the
odious thing straight into
his mouth!

He chewed for a bit,
then stopped,
paused for a moment,
and then,
wiping some of the
blood and bile
from off his chin,
he sneered
and glared at me
with portentous eyes
that resembled
mine
more than his,
and said:

“Do you know why I did that? ”

“No! ” I replied, “Why? ”

“For no damned good reason whatsoever! Get it? ”

“Yeah, Buk.” I said, “I think I do...”

“...Now, get the hell out of here
so I can finish your book,
and tend to this wound.”

 

 1612810-fb25f31d93ad7604bad96d2763592eef.jpg
Derek R. Audette (Hull, 16 juni 1971)
Hull, Quebec.

 

 

De Zwitserse schrijver en columnsit -minu (eig. Hans-Peter Hammel) werd geboren op 16 juni 1947 in Basel. Zie ook alle tags voor -minu op dit blog.

Uit: Von Fussballfrust und Rassismus…

„Bereits als Kind habe ich meinem Vater fussballtechnisch nicht folgen können. Er schleppte den bildschönen Buben an jeden Match. Schon damals waren alle Schiedsrichter, die gegen seine Mannschaft gepfiffen haben «RIESENARMLEUCHTER!» (auch hier griffen die durchrüttelten Nerven zu einem stärkeren Wortschatz, dessen Ausdrücke wir nicht wiedergeben möchten).
Wenn «UNSERE» dann mit einem Goal in ­Führung gingen und der Vater ergriffen sein Kind umarmte – «Was sagst du jetzt, mein Junge?» –, da konnte der Kleine nur sonnig strahlen: «Bekomme ich jetzt zwei Zuckererdbeeren mit Glasring am Stiel?» Da war der Jubel über das Goal schnell verstummt.
Später begann ich Fussball richtig zu hassen. Immer wenn unser Lehrer Maag die Klasse aufforderte, zwei Mannschaften zu bilden, war Hugo Abächerli der Führer von den Blauen. Und Hansi Rot der von den Roten.
Hugo und Hansi waren das Dümmste, was die alten Schulbänke je haben auf sich sitzen lassen müssen – aber sie kletterten wie Wiesel die Eisenstangen hoch. Und sie übersprangen das Lederböckli mit Überschlag. Also waren sie prädestiniert, eine Fussballmannschaft auf die Beine zu stellen. Und sich ihre Spieler zu wählen.”

 

 1612810-497dc1820a0edc36de2ecaa845a713be.jpg
-minu (Basel, 16 juni 1947)

 

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Kinderdroom

Viooltjesdronken, loom van gouden regen,
herbloei ik in een tovertuin als kind.
dat knielend naar een kever in het grind,
een droom vertolkte, - welke geest ontstegen?

Het tuinpad werd de breedste aller wegen.
De kever werd een kat en bloemen, blind
van holle ogen, bogen in de wind.
Er klonk een schreeuw en alle vogels zwegen.

Toen dook het onder in een bed van sneeuw en
vervloeide in zijn warme tranen, wilde
versmelten, om niet eenzaam om te komen.

Een kinderdroom. Sindsdien verstreken eeuwen.
Waar is de geur die al mijn angsten stilde?
Hij had me, lachend, op zijn arm genomen.

 

 1612810-50ea64eddc7fe9de6ccd552b1aa0d392.jpg
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
“Kinderdroom” door Marjan Kwaaitaal

 

Zie ook alle tags voor Frans Roumen op dit blog.

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 18:39 Reageer op dit bericht

Theo Thijssen, Frank Norbert Rieter, Casper Fioole, Ferdinand Laholli, Elfriede Gerstl, Giovanni Boccaccio

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

Uit: Jongensdagen

‘Mogen we nog een uurtje naar 't zand, Moe?’ vroeg hij.
‘Och,’ zei Moe, ‘blijf nou liever eens met je zus spelen. Ze is den heelen middag al zoo alleen geweest.’ En Moe haalde Miep naar zich toe, en streek haar over 't blonde haar.
‘Zoo vervelend,’ zei Miep zachtjes, en keek smeekend de jongens aan.
Henk was al verteederd. Maar Ko dacht aan 't zand en aan Ay.
‘O, Miep, we zijn dadelijk terug, hoor. Toe Moe, laat u ons nog maar éven gaan. We hebben den héélen middag boodschappen geloopen. Ja moe, één uurtje nou?’
‘Vooruit dan maar!’ zei Moe, en Ko holde weg.
Henk beloofde Miep nog gauw wat van dadelijk terugkomen, en wipte toen ook de deur uit. Hij hoorde nog net hoe zus begon te huilen en hoe Moe haar troostte.
‘Riet-pe-tioe!’ gilde Ko buiten.
‘Riet-pe-tioe!’ antwoordde Henk.
En ze renden de gracht af, de brug over, en verder. Naar 't zand.
‘Het zand’ was een groot stuk bouwterrein; het was opgehoogd met een dikke laag mooi zuiver zand. Er speelden altijd een paar honderd kinderen. Ze groeven diepe kuilen met zitplaatsen, of maakten hooge bergen. Henk en Ko keken rond, of ze onder al die spelende groepjes Ay niet zagen zitten. Maar 't was lastig zoeken.
‘Riet-pe-tioe!’ gilde Ko; maar hij moest hàrd gillen om boven het gejoel van zóóveel kinderen uit te komen. Er kwam geen antwoord.
Naar alle kanten uitkijkend stapten de twee broers verder, sukkelend over het mulle zand.”

 

 1612808-abd0301aa347d13e4a920f957b7a272c.jpg
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)

 

 

De Nederlandse schrijver Frank Norbert Rieter werd geboren op 16 juni 1973 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Frank Norbert Rieter op dit blog.

Uit: Het lichte hart van de mastodont

“Optrekkend verkeer maakte de woorden grotendeels onverstaanbaar.
‘... ik zou graag bovenkomen,’ zei een onbekende stem die alle lettergrepen met nadruk uitsprak.
Met een druk op de rode knop opende Gordon de deur beneden. Snel schoot hij een boxershort aan, wierp zijn bebloede slaapshirt terzijde en wachtte in de deuropening. Vanuit het trappenhuis verscheen een oudere man in een tweed jasje.
Gordon zag hem onderzoekend turen, alsof hij hem herkende maar lang niet gezien had. Door de zoekende blik in de oude ogen werd Gordon zich bewust van zijn laveloze voorkomen. De man had een norse trek om zijn mond. Hij droeg een donkere vlinderstrik met witte noppen boven een okergeel overhemd. In zijn linkerhand hield hij een klein pakje in wit papier. Zijn rechterhand stak hij uit en hij noemde zijn naam. Gordon pakte de hand werktuigelijk vast en schudde hem, maar onthield de naam niet. De man stapte langs hem heen naar binnen, de hal door, de woonkamer in.
‘Jij moet Gordon zijn. Woon je hier bij je grootmoeder?’
Terwijl hij sprak keek hij op zijn gemak rond alsof hij naging of er veel veranderd was.
‘Nee,’ zei Gordon. ‘Ze zit in een zorgcentrum. Het gaat niet zo goed met haar.’
De man in het tweed jasje liet zijn ogen dwalen door het interieur. Jaren ‘50 design was vermengd met Brabantse erfstukken – de staartklok, de messing vijzel, de eiken servieskast en het Afghaanse vloerkleed. Een bronzen beeld dat oma zelf gemaakt had viel uit de toon.
‘Wat heb je hier toch een prachtig uitzicht,’ zei de man."

 

 1612808-ef3a041d18f830ce30d2f1955dc8f5db.jpg
Frank Norbert Rieter (Nijmegen, 16 juni 1973)

 

 

 

De Nederlandse dichter Casper Fioole werd geboren op 16 juni 1975. Zie ook alle tags voor Casper Fioole op dit blog.

 

Smakelaardij

waar het liedjes pruttelt
waar het zingen wordt
je vingers baton-dun
zodat je prik prik amber
voert uit geurpalet
je lange tong zich pirouet
om elke hap

waar elke gang een vestibule
het bord een blikveld danslokaal
het glas een kerk
enkel wijn weer druiven zijn
maar dan wat mooier
ja zelfs het water
heiliger dan thuis

en oog en neus en mond
worden nu ook geest
zodat je niet slechts
lichaam bent geweest
op het eiland
waar het dromen kookt

 

 1612808-d006671af613dd42ce6f20eca5817518.jpg
Casper Fioole (16 juni 1975)

 

 

De Albanese dichter en vertaler Ferdinand Laholli werd geboren op 16 juni 1960 in Gradishta. Zie ook alle tags voor Ferdinand Laholli op dit blog.

 

DIE SUCHE NACH DEM SELBST

Ich suche
nach meinem in Schweigen gehüllten Selbst,
ohne es
finden zu können,
um es überzeugen zu wollen,
dass dort nur gestorben wird.

 

 

ICH BIN NICHT GEGEN...

Ich bin nicht gegen die Regierung,
doch ich bin für jene Regierung,
die dem Menschen hilft, sich zu lieben,
und nicht damit er Selbstmord begeht.

Ich bin nicht gegen mich selbst,
doch ich bin für jenen Teil meines Selbst,
der auch im Angesicht des Hasses,
nicht zu hassen vermag.

 

 1612808-fb5cf7d85fba47eafb05504946c0a94a.gif
Ferdinand Laholli (Gradishta, 16 juni 1960)

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Elfriede Gerstl werd geboren op 16 juni 1932 in Wenen. Zie ook alle tags voor Elfriede Gerstl op dit blog.

 

mein himmel

mein himmel ist hier und jetzt
mein himmel ist meine vorstellung
von himmel
er ist die freundlichkeit
verlässlichkeit
anteilnahme
bei glücks- und unglücksfällen
mein himmel ist nicht voller geigen
sondern voll solidarität
mein himmel ist auch eine utopie
von einer gerechteren welt
in der einsicht und nachsicht
tägliche realität sein sollte
himmel ist das festgeknüpfte netz
ähnlich denkender und fühlender
und das glück
ihm anzugehören
wenn es noch einen anderen himmel
geben sollte
lasse ich mich überraschen

 

 1612808-11497271c6d676488d67ab41e1ffa538.jpg
Elfriede Gerstl (16 juni 1932 – 9 april 2009)

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Giovanni Boccaccio werd geboren in Florence of Certaldoi in juni of juli 1313. Zie ook alle tags voor Boccacio op dit blog.

Uit:Das Dekameron (Vertaald door Karl Witte)

„Er fraß und soff in solchem Übermaß, daß er mehrmals knapp mit dem Leben davonkam. Spielen und im Spiel betrügen betrieb er wie ein Handwerk. Doch wozu so viele Worte! Genug, er war der schändlichste Mensch, der vielleicht je geboren ward, und schon seit langer Zeit konnten nur die Macht und das Ansehen des Herrn Musciatto ihm bei seinen Verbrechen durchhelfen, so daß weder Einzelpersonen, die er häufig, noch die Gerichte, die er fortwährend beleidigte, Hand an ihn legten.
Dieser Ciapperello war es, den Herr Musciatto, welcher seinen Lebenswandel sehr genau kannte, jetzt als den rechten Mann auserkor, um der burgundischen Bosheit die Spitze zu bieten. So ließ er ihn denn rufen und sprach zu ihm: »Chapelet, ich stehe, wie du weißt, im Begriff, ganz von hier wegzuziehen, und da ich unter anderm noch mit einer Anzahl von Burgundern zu tun habe, so kenne ich niemand, dem ich mich besser als dir anvertrauen könnte, um von so betrügerischem Volk mein Geld einzutreiben. Du hast jetzt nichts zu tun, und wenn du diese Angelegenheit übernehmen willst, so verspreche ich dir, dich mit den Gerichten auszusöhnen und dir an dem, was du für mich eintreibst, einen Anteil zu lassen, daß du zufrieden sein kannst.« Herr Chapelet, der müßig ging, auch an irdischen Gütern keinen Überfluß hatte und nun den verlieren sollte, der lange Zeit sein Stecken und Stab gewesen war, sagte ohne langes Besinnen und gewissermaßen notgedrungen, ja, er sei gern bereit.“

 

 1612808-da1bcc90c5f4d96efb3e321620744105.jpg
Giovanni Boccaccio ( juni of juli 1313 - 21 december 1375)
Franco Citti in de film“Il Decameron” van Pier Paolo Pasolini uit 1971

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e jubi ook mijn blog van 16 juni 2013 deel 2

Geschreven door Romenu om 18:04 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten