Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 24 juli 2014 tot 25 juli 2014

Dolce far niente, Kees Fens, Lieke Marsman, Max Dauthendey

 

Dolce far niente

 

 1630098-e264954d7576647fd726d626cdb8a97f.jpg
Het Spui in 1895, geschilderd door Eduard Karsen

 

 

Uit: Het stadsgevoel (Het geluk van de brug)

“Soms sta ik in de avond wel eens een klein kwartier voor het raam.
Ik kijk naar de overzijde; lang niet overal brandt licht, maar elk verlicht raam doet mij beseffen dat ik niet alleen ben. Het licht geeft ook een gevoel van veiligheid. De mooiste passages in oude jongensboeken vond ik altijd de beschrijvingen van het sluiten van der stadspoorten. Niemand er meer in, niemand er meer uit, we zitten veilig achter de muren, onder elkaar. Ik geloof dat nog altijd de poort van het Begijnhof op een vast uur wordt gesloten. Ik vind dat een prachtig symbolisch gebaar en ik benijd de poortwachter die het ritueel uitvoert.
Als ik niets meer zie, luister ik. Ik kan de Westertoren horen, de hele nacht door. Ik ben niet alleen. Die sensatie is alleen in een stad mogelijk. (Ik heb nu en dan ook een vertrouwensrelatie met die schildwachten van de nacht: de lantarenpalen.)
Deze week zag ik in het derde deel van de Geschiedenis van Amsterdam een schilderij van Breitner. De Kalverstraat met vlaggen op een regenachtige avond. Ik moet het ooit hebben gezien, ik ben het vergeten en ik voel mij schuldig. Een schitterende streep van geel licht loopt over het bijna abstracte schilderij heen. Licht van etalages kan men nog ter linker- en rechterzijde zien. De besloten straat is voor mij de volmaakte uitdrukking van mijn stadsgevoel. Ik zou daar graag hebben gelopen opgenomen in de lichtstreep. We hebben de ‘echte’ straat niet eens nodig. Al jaren draag ik het schilderij van het Spui van Eduard Karsen in gedachten mee. Het is van een zeldzame stadsintimiteit, zoals ook sommige schilderijen van de grote Witsen.
Ik denk dat mijn stadsgevoelens lopen tot de vroegere afscheiding van stad en land: de lijn Orteliuskade, Postjeskade, Stadionkade. Daarachter ligt een stad van veelal brede straten. De intimiteit is weg, verlichte ramen aan de overzijde zijn verre lichtpunten. Men is er niet meer onder elkaar en misschien pas echt verlaten.”

 

 1630098-df9aa4d0b9af8f0e9eab37e55a2edec8.jpg
Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)

 

 

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Hemel

Kijk ik kan je niet de hele tijd
met rubber handschoenen aan
naar een nestje gaan dragen
met een mes zo bot als schapenwol
tegen je ei aan blijven tikken
in de hoop dat je naar buiten komt
Er moeten ook meters gemaakt worden
Er moet ook in het 50-meterbad gezwommen worden
Ik bedoel ik bewonder ook het koolmeesje onder de tuintafel
en mensen die ontzettend goed kunnen skateboarden
maar ik kijk niet tegen hen op
dus je moet beter je best doen
Ik bedoel dat het charmant is als ik dronken ben
en Ja wat sta je nou hysterisch
iedere kaars in het haardvuur te doven
wil ik zeggen, niet
iedere rivier is de Styx
en je bent zo ontzettend vergeten
als je denkt dat je gelegen komt
maar je was zo verschrikkelijk sexy
dat ik de hemel
uit de hemel wilde tillen

 

 1630098-1391decd42c0cb3389a2bf59a24fcdac.jpg
Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

 

De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli 1867 in Würzburg. Zie ook alle tags voor Max Dathendey op dit blog.

 

Sommerelegie

Jeder kommt einmal zu der Erde Rand,
Wo das Land aufhört, Wirklichkeit und Zahl,
Zur Versenkung, drinnen Jahr um Jahr verschwand;
Wo kein Wegmal und auch keine Wahl
Zwischen Nacht und Sonnenstrahl,
Zwischen Berg und Tal.

Sieh, das Sommergrün steht schon grob und groß,
Manche Ranke, derb und kühn, in den Himmel schoß,
Zuchtlos brüsten sich Unkraut und Gedanke.
Berge Laub sind aufgebaut, Wachstum ohne Schranke,
Als bringt nichts sie um, die sich aufgerafft vom Staube;
Strotzend gafft der Baum aus der Blätterhaube.

Gib mir Deine Hand, dran die Adern blauen,
Deine Hand,
Die ich nicht am Wege blindlings fand;
Deine Augen,
Die auf Augenblicke wie goldsuchend schauen
Und zum Sand. -
Gleich sind aller Dinge Endgeschicke,
Aller, welche sich zu leben trauen.

 

 

Der Mond im Nußbaum

Im Nußbaum blieb der Mond im Astwerk hangen,
Liegt wie ein weißes Tier im Astkäfig gefangen
Und preßt sein silbernes Fell an die Käfigstangen.
Der Mond hat Dir über Brücke und Fluß hell folgen müssen,
Ging aus der Stadt uns nach bis zum Nußbaum auf lautlosen Füßen.
Schnell, eh' der Mond sich wieder rührt, muß ich Dich küssen.

 

 

Unsere Toten

Nebel filtert um die Felderrunden, um die brachen,
Und von Nebeln wird das Fenster grau umwunden.
Die sonst nur in unsern Träumen nachts am Bett erwachen,
Unsere Toten, die des Hauses Ausweg leis gefunden,
Kommen herbsttags mit den Nebeln in die Türen, in die Stunden.
Unsere Toten, die nur lächeln, nicht mehr lachen,
Wollen jetzt im Grauen abgebrochene Gespräche weiterführen.
Wollen mit den Nebeln Wangen und Dein Kinn anrühren.
Ihre Arme sind Gedanken, und Du kannst die Toten näher spüren,
Näher jetzt als damals, wo sie noch vom gleichen Glase mit Dir tranken.
Alle Toten können, ohne Ende, liebend die Geschlechter führen,
Und sie gehen aus und ein, wie die Nebel durch geschlossene Türen.

 

 1630098-ab346454ae8e3af07e55073be08d9c94.jpg
Max Dauthendey (25 juli 1867 – 29 augustus 1918)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

 1629677-63611fb68274f21f6083c9d533a7e764.jpg
Hartjesdag op de Zeedijk door Johan Braakensiek, 1926

 

Uit: Zeedijk

“Zij was een teêre, slanke meid.
Op den Zéédijk ging ze wandelend voort.
In het vierkantig gerok der breede meiden liep ze buigend zacht; in het stevig getrap der voortschommelende matrozen, ging ze, buigend zacht als waaiend riet.
Onder de helmen diep, glommen heimelijk de oogen der stappende agenten, als waterpoelen in het ruig gestruik op de avond-hei.
Als glimwormen hel, glommen de helmen der loerende agenten.
Vijandig recht, de gezichten strak, liepen vrouwen blootshoofd en in wit gejak, langs het kalm gestap der loerende agenten.
Van rechts en links glansde kroeg aan kroeg met de rijen van flesschen der vonkelende likeuren. Van rechts en links kwam zang en spel en getrappel van dans en gespring.
Binnen ging de lieve meid, stil en met ernst.
Zij danste, danste de lieve meid, de slanke witte hand gespreid op den schouder van den dronken matroos.
Haar gezichtje zacht, geresigneerd, draaide weg tusschen de gezichten vol, wellustig-vol, slaperig-dik, lachend-dik der op- en neêr springende vrouwen.
Tusschen de vierkante meiden met de donkere rokken, die waaiden breed, als krinolinen wijd.
Vloog licht en rank, in vollen zwaai en leliewit de slanke meid.
Gloeiend heet en rood in zweet trapte ferm de sterke matroos, meênemend licht, het lichte wicht.
In den nevelenden stof, in den wirbelenden dans, in het voeten gebons, in het plompende gestomp, in het vioolgesnerp verdween, kwam op de vliegende meid.
Op de borsten en ruggen de halssnoeren klikten en tikten. De zwaar-vleezige, zwart-nagelige handen op de ruggen gespreid, kwamen op? verdwenen snel in het gezwaai en gedraai. Er tusschen door de witte hand, verdwijnend hier, verdwijnend daar.”

 

 1629677-2f0398c60b553902d4655557e9cb1e55.jpg
Frans Erens (23 juli 1857– 5 december 1936)
Plaquette in Landgraaf

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

A Song For Two Children

'Make a song, father, a new little song,
All for Jenny and Nancy.'
Balow lalow or Hey derry down,
Or else what might you fancy?

Is there any song sweet enough
For Nancy and for Jenny?
Said Simple Simon to the pieman,
'Indeed I know not any.'

'I've counted the miles to Babylon,
I've flown the earth like a bird,
I've ridden cock-horse to Banbury Cross,
But no such song have I heard.'

'Some speak of Alexander,
And some of Hercules,
But where are there any like Nancy and Jenny,
Where are there any like these?'

 

 

Marigolds

With a fork drive Nature out,
She will ever yet return;
Hedge the flowerbed all about,
Pull or stab or cut or burn,
She will ever yet return.

Look: the constant marigold
Springs again from hidden roots.
Baffled gardener, you behold
New beginnings and new shoots
Spring again from hidden roots.
Pull or stab or cut or burn,
They will ever yet return.

Gardener, cursing at the weed,
Ere you curse it further, say:
Who but you planted the seed
In my fertile heart, one day?
Ere you curse me further, say!
New beginnings and new shoots
Spring again from hidden roots.
Pull or stab or cut or burn,
Love must ever yet return.

 

 

Not Dead

Walking through trees to cool my heat and pain,
I know that David’s with me here again.
All that is simple, happy, strong, he is.
Caressingly I stroke
Rough bark of the friendly oak.
A brook goes bubbling by: the voice is his.
Turf burns with pleasant smoke;
I laugh at chaffinch and at primroses.
All that is simple, happy, strong, he is.
Over the whole wood in a little while
Breaks his slow smile.

 

 1629677-731bb517253fb2cfb94e9cd594944c08.jpg
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)

 

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2010 en eveneens alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

 

Langs 't meer schitterde 't vuurwerk, knal na knal

Langs 't meer schitterde 't vuurwerk, knal na knal:
De plots'ling blauwverlichte bergen schrokken,
Toen om hun scherpe toppen donderblokken
Versplinterden tot klankbonken naar 't dal;

En gouden-regens klommen naar 't heelal,
Naar de aarde wierp clematis paarse klokken;
'T leek of apotheozen samentrokken
Om ons, brandpunt van dubbel hol kristal:

Want weer droeg ons het luchtschip; en we speelden,
Twee zaligen, vangbal met sterrebeelden,
Dat Cassiopeia op je scheiding viel;

En toen ekstatisch vuur en donder rolde,
Keek ik naar jou, mijn Brünhild, mijn Isolde,
En 'k dacht: Neen, 't is geen vuurwerk; 't is haar ziel.

 

 

't Is lang geleden

I

'T is lang geleden; 'k was nog maar een kind.
Toen dacht ik: Als ik maak, dat ik nooit meer
Ondeugend ben, en dat 'k op school goed leer,
Dan word ik vast 'een kind, van God bemind'.

En - dacht ik - als ik dood ga, nou, dan vind
Ik in de lucht bij onze Lieve Heer
De mensen, waar 'k van hou, allemaal weer,
Mijn vader en mijn moeder en mijn vrind.

In ons salon, boven 't antiek buffet,
Hing aan de muur een prachtig-mooi portret,
Van hoe een moeder slaapt; ze is zeker moe;

En naast haar ligt een kindje dood in 't bed;
Een engel hangt erbij; 'k begreep niet, hoe;
En draagt het kindje naar de hemel toe.

 

 

Het hele landschap heeft de zon vertaald

Het hele landschap heeft de zon vertaald:
'T aardappelveld in niet hoog artistiek,
Maar deg'lijk proza; kleurige lyriek
Geef 't koornland in een stijl, die vlamt en straalt;

Episch in vorm, in kleur, in klank, verhaalt
De eik van zijn zonneheros in epiek;
De populieren zoeken 't in tragiek,
Hoe op 't geen hoogstreeft, 't noodlot bliksemstraalt;

Paarse ernst van groene rooie-kool herhaalt
De humor van wat klein schijnt en komiek;

Wetend wat recht is, en dat hij nooit faalt,
Knikt wijs de den welwillende kritiek -

Uit de onvertaalbare ontzag'lijke daalt
Eén lof op 't literaire mozaiek.

 

 1629677-328414b424d7c9dbd736b535af9d341b.jpg
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2012 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:48 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten