Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 8 september 2014 tot 9 september 2014

C. O. Jellema, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Cesare Pavese

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

't Huis Tijdverblijf

Honden van buxus die de stoep bewaken.
Het is geen kunst. Want niemand wordt er bang
van. Wat zou moeten. 't Duurt immers niet lang
- hoe lang hangt van mijn zorg af - of zij raken

vanuit de wortel uit hun vorm: kunstzaken
waarvan de groei, geleid door draad en tang,
gedacht is tot gedaante. Ik ontvang
tussen hen door. Gasten. Die zij vermaken.

En zij zijn twee: natuur en onnatuur.
of drie: plant, dier en geest. Zij weten
niet wat zij doen. Zij zien mij niet als derde.

Dat moet ik doen. Mijn hand. En hoe zij werden
bewaar ik. ik moet zijn wat zij vergeten.
Toch herder. Wat het ook bang maakt op den duur.

 

 

Landschap met dode muis

Zo'n dood gebeurt - neem onvergetelijke
zonsondergangen in het dunste blauw
van winter, voor een ogenblik aanschouw
hun roden, violetten, die bezwijken

als uit geboomte duisternis, een uil
zichtbaar onhoorbaar neerglijdt en zich spreiden
vleugels tot vrees waaraan een prooi zal lijden:
noem onverzettelijk mooi klauw en kuil.

Een dood geschiedt, geschiedenis wil sterven;
geeft dat ons zijn afzienbaar is een zin? -
onvoorzien derven van de lust te leven,

zonder besef van schoonheid, weet van scherven,
zonder geluk gerust: een dier gaat in
vertrouwen heen, het sterft, hier ergens, even.

 

 

Bladval

De boom heeft uitgestrooid waarmee hij groende
toen 't jaar aan een verwachting ging voldoen
en voorjaar werd, verzadigder dan toen
men, jong, zonder verleden, zelf nog doende

gedachten te ontvouwen, zo'n seizoen
in zich als iets oneindigs opens voelde
en, onbewust nog, wist wat het bedoelde
te zijn: meer dan alleen ontluikend groen.

Bladval, sermoen van herfst. En in verzet
tegen het sneller draaien van de jaren
wier kringloop al in aanvang was voltooid,

harkt men gehaast, van hoger doel berooid,
tuinpaden schoon – want tussen al die blaren
ziet men zijn hand, de rest ervan, 't skelet.

 

 1650133-ed1aac374584a23b4679e445f8514ac6.jpg
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

 

 

De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Tolstoj op dit blog.

Uit: Anna Karenina (Vertaald door Constance Garnett)

“There was a great deal more that was delightful, only there’s no putting it into words, or even expressing it in one’s thoughts awake." And noticing a gleam of light peeping in beside one of the serge curtains, he cheerfully dropped his feet over the edge of the sofa, and felt about with them for his slippers, a present on his last birthday, worked for him by his wife on gold-colored morocco. And, as he had done every day for the last nine years, he stretched out his hand, without getting up, towards the place where his dressing-gown always hung in his bedroom. And thereupon he suddenly remembered that he was not sleeping in his wife’s room, but in his study, and why: the smile vanished from his face, he knitted his brows.
"Ah, ah, ah! Oo!..." he muttered, recalling everything that had happened. And again every detail of his quarrel with his wife was present to his imagination, all the hopelessness of his position, and worst of all, his own fault.
"Yes, she won’t forgive me, and she can’t forgive me. And the most awful thing about it is that it’s all my fault—all my fault, though I’m not to blame. That’s the point of the whole situation," he reflected. "Oh, oh, oh!" he kept repeating in despair, as he remembered the acutely painful sensations caused him by this quarrel.
Most unpleasant of all was the first minute when, on coming, happy and good-humored, from the theater, with a huge pear in his hand for his wife, he had not found his wife in the drawing-room, to his surprise had not found her in the study either, and saw her at last in her bedroom with the unlucky letter that revealed everything in her hand.
She, his Dolly, forever fussing and worrying over household details, and limited in her ideas, as he considered, was sitting perfectly still with the letter in her hand, looking at him with an expression of horror, despair, and indignation.
"What’s this? this?" she asked, pointing to the letter.
And at this recollection, Stepan Arkadyevitch, as is so often the case, was not so much annoyed at the fact itself as at the way in which he had met his wife’s words.
There happened to him at that instant what does happen to people when they are unexpectedly caught in something very disgraceful. He did not succeed in adapting his face to the position in which he was placed towards his wife by the discovery of his fault.”

 

 1650133-349a9db889fe73b13cec446e9bbe84ef.jpg
Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)
Tolstoj en zijn vrouw in Yasnaya Polyana door Ilya Repin, 1907

 

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Gentil Th. Antheunis op dit blog.

 

Vergeefs
Lied.
 
De nachtegaal de roos bemint;
En 's avonds in den lentewind
Zingt hij verscholen in het loof.
De roos blijft voor den zanger doof;
De vogel kwijnt in stilte.
 
De roos bemint den adelaar;
Maar hij ontvouwt zijn vleuglenpaar
En stijgt en klimt... Waarheen? Waarheen?
En laat de lieve roos alleen.
De bloem verkwijnt in stilte.
 
Het zoetste lied klinkt vruchteloos;
Vergeefs ontplooit haar schoon de roos,
Als liefde 't oor niet open houdt
Of door het oog niet henenschouwt;
Dan kwijnt het hart in stilte.

 

 1650133-0b8ada6820e84de225a616935568dac9.jpg
Gentil Th. Antheunis (9 september 1840 – 5 augustus 1907)

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik op 9 september 1928. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Gaston Durnez op dit blog.

 

De hond

De hond ligt in zijn hok en staart
hij weet zelf niet waarheen.
Hij voelt zich triestig en bezwaard
en moederhonds alleen.

De boer gaat naar zijn veld en Lis,
het paard, mag met hem mee.
Maar dat de hond ook daar nog is,
daaraan denkt geen der twee.

Het kindje op het neerhof speelt
en roept en zingt een lied.
Maar dat de hond zich dood verveelt,
nee, daaraan denkt het niet.

Ik ben te oud, te anemiek.
Mijn dood, is dat hun wens?
Elkeen vergeet mij hier, en toch,
een hond is ook een mens.
’

 

 1650133-f3f8413b39bd5b3f8ece718da22e4cc3.jpg
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)

 

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Cesare Pavese werd geboren in Santo Stefano Belbo op 9 september 1908. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Cesare Pavese op dit blog.

 

De ochtendster

De man, alleen, staat op wanneer de zee nog donker is
en de sterren flikkeren. Een lauwe bries
stijgt op van het strand, het bed van de zee,
en brengt adem. Dit is het uur waarop niets
kan gebeuren. Zelfs de pijp hangt uitgedoofd
tussen de tanden. Nachtelijk is het gedempte geklots.
De man, alleen, heeft een groot takkenvuur ontstoken
en kijkt hoe het de aarde rood kleurt. Ook de zee
zal weldra zijn als het oplaaiend vuur.
 
Niets is zo bitter als het eerste licht van een dag
waarin niets zal gebeuren. Niets is zo bitter
als nutteloosheid. Moe hangt in de hemel
een vuilgroene ster, door de dageraad verrast.
Ze ziet de nog donkere zee en de vlek van vuur
waaraan de man zich uit verveling warmt; ze ziet
en van de slaap valt ze tussen de mistige bergen
waar een bed is van sneeuw. De traagheid van het uur
is onmeedogend voor wie niets meer verwacht.
 
Loont het de moeite dat de zon opkomt uit de zee
en dat de lange dag begint? Morgen
keert de lauwe dageraad met het bleke licht terug
en het zal zijn als gisteren en niets zal ooit gebeuren.
De man, alleen, zou enkel willen slapen.
Wanneer de laatste ster aan de hemel verbleekt
stopt hij kalm een pijp en steekt die aan.

Vertaald door Frans Denissen

 

 

 1650133-c492262390b646d8903016da2f085e97.JPG
Cesare Pavese (9 september 1908 – 27 augustus 1950)
Borstbeeld in  Santo Stefano Belbo

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e september ook mijn blog van 9 september 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:42 Reageer op dit bericht

Wim Huijser

De Nederlandse publicist, schrijver en biograaf Wim Huijser werd geboren op 9 september 1960 in Ridderkerk. Hij volgde een HBO opleiding in Rotterdam en werkte vervolgens als docent aan de Scholengemeenschap Rijnmond, Katwijk, waarna hij projectmanager werd bij VNU Tijdschriftengroep. Er volgden diverse functies in het bladenvak. In 1995 publiceerde hij over dat vak: 'Bladenmakers en makers van bladen'. Sinds 2003 is hij actief als de biograaf van de Dordtse schrijver, dichter, vertaler, essayist C. Buddingh’ (1918-1985). Naast publicaties over Buddingh’ stelde hij in 2003 voor De Bezige Bij de bundel “Alle gorgelrijmen” samen. In 2010 bezorgde hij Buddingh’s verzamelde gedichten onder de titel “Buddingh’ Gebundeld” voor uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Voor het Dordrechts Museum stelde hij in 2012 de tentoonstelling “Kastjes Kijken” samen, over het beeldend werk van Buddingh’. Daarvan verscheen ook het gelijknamige boek.

Uit: Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh'

“Voor iedereen die aanwezig is wordt Poëzie in Carré een legendarische avond. Bijna tweeduizend poëzieliefhebbers komen maandag 28 februari 1966 op het dichtersfeest af. Men is totaal niet gewend aan dichters die een podium beklimmen. Als het doek opengaat, zitten daar vijfentwintig dichters aan een rijkgevulde tafel, met Adriaan Roland Holst als oudste dichter van het gezelschap in het midden. Na de jonge dichter K. Schippers is hij als tweede aan de beurt. Begroet met een roff elend donderend applaus draagt hij zijn gedicht voor: ‘Eens zullen allen/ die tussen ons kwamen / zijn weggevallen...’ Het vers oogst een storm van bijval en een staande ovatie, die door de dichters aan de tafel wordt overgenomen. De ‘Prins der dichters’ mag dan hees zijn, hij is beslist nog niet ouderwets. Na hem volgen onder anderen Hans Verhagen, Louis Th. Lehmann en Jules Deelder. Elk van hen krijgt precies zeven minuten toegewezen. Als tiende in de rij treedt de Dordtse dichter C. Buddingh’ aan. Ietwat schuchter zet hij zijn eerste vers in. Ofschoon zijn stem aanvankelijk nog iel en voorzichtig klinkt, zullen zijn woorden nog lang nagalmen in de Nederlandse poëzie. Na slechts enkele regels heeft de 48-jarige Buddingh’ de zaal in zijn ban. Dan begint hij aan zijn gedicht ‘Pluk de dag’:

vanochtend na het ontbijt
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz net formaat)
precies past op een klein potje heinz sandwich-spread

Het publiek barst los in gelach en applaus. De ietwat verlegen dichter lacht nerveus en maant met vlakke hand het publiek tot stilte; hij is nog niet klaar.”

 

 1788801-a996cd47717d0e460db620b4fe6f8b1d.jpg
Wim Huijser (Ridderkerk, 9 september 1960)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Siegfried Sassoon, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike, Perikles Monioudis

De Engelse dichter Siegfried Sassoon werd geboren op 8 september 1886 in Brenchley, Kent. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Siegfried Sassoon op dit blog.

 

Battalion-Relief

‘FALL in! Now get a move on.’ (Curse the rain.)
We splash away along the straggling village,
Out to the flat rich country, green with June...
And sunset flares across wet crops and tillage,
Blazing with splendour-patches. (Harvest soon,
Up in the Line.) ‘Perhaps the War’ll be done
‘By Christmas-Day. Keep smiling then, old son.’

Here’s the Canal: it’s dusk; we cross the bridge.
‘Lead on there, by platoons.’ (The Line’s a-glare
With shell-fire through the poplars; distant rattle
Of rifles and machine-guns.) ‘Fritz is there!
‘Christ, ain’t it lively, Sergeant? Is’t a battle?’
More rain: the lightning blinks, and thunder rumbles.
‘There’s over-head artillery!’ some chap grumbles.

What’s all this mob at the cross-roads? Where are the guides?...
‘Lead on with number One.’ And off they go.
‘Three minute intervals.’ (Poor blundering files,
Sweating and blindly burdened; who’s to know
If death will catch them in those two dark miles?)
More rain. ‘Lead on, Head-quarters.’ (That’s the lot.)
‘Who’s that?... Oh, Sergeant-Major, don’t get shot!
‘And tell me, have we won this war or not?’

 

 

Before the Battle

Music of whispering trees
Hushed by a broad-winged breeze
Where shaken water gleams;
And evening radiance falling
With reedy bird-notes calling.
O bear me safe through dark, you low-voiced streams.

I have no need to pray
That fear may pass away;
I scorn the growl and rumble of the fight
That summons me from cool
Silence of marsh and pool
And yellow lilies is landed in light
O river of stars and shadows, lead me through the night.

 

 

How to Die

Dark clouds are smouldering into red
While down the craters morning burns.
The dying soldier shifts his head
To watch the glory that returns;
He lifts his fingers toward the skies
Where holy brightness breaks in flame;
Radiance reflected in his eyes,
And on his lips a whispered name.

You’d think, to hear some people talk,
That lads go West with sobs and curses,
And sullen faces white as chalk,
Hankering for wreaths and tombs and hearses.
But they’ve been taught the way to do it
Like Christian soldiers; not with haste
And shuddering groans; but passing through it
With due regard for decent taste.

 

 1649698-ebfc54dfbf9af0003b311fe50006aa67.jpg
Siegfried Sassoon (8 september 1886 – 1 september 1967)
 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Clemens Brentano werd geboren op 8 september 1778 in Ehrenbreitstein. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Clemens Brentano op dit blog.

Uit: Aus der Chronika eines fahrenden Schülers

„Im Jahr, da man zählte nach Christi, unsers lieben Herrn, Geburt 1358, am zwanzigsten Tage des Maimonats, hörte ich, Johannes, der Schreiber, die Schwalbe in der Frühe an meinem Kammerfenster singen und ward innigst von dem Morgenlied des frommen Vögeleins erbauet, bedachte auch auf meinem Bettlein, wie die Schwalbe in daurender Freude lebet, gegen den Winter in ferne wärmere Länder ziehet und, der Heimat getreu, gegen den Frühling wiederkehrt; also nicht der Mensch, der arme fahrende Schüler, der wohl viel gegen Sturm und Wetter ziehen muß, ja der oft kein Feuer findet, die erstarrten Hände zu erwärmen, daß er sie falte zum Gebet; aber so er es ernstlich meinet, haucht er hinein.
Da ich in solchen Betrachtungen versunken war und das Schwälblein auch auf seine Weise fortphantasierte, wäre ich schier wieder eingeschlummert, aber der Wächter auf dem Münster blies: »In süßen Freuden geht die Zeit«, welches ich hier noch nie gehöret; denn ich war zum ersten Male in Straßburg erwacht.
Nun richtete ich mich in meinem Bettlein auf, und schaute in meinem Gemache umher; das hatte aber Fenster rings herum und war in einem Sommerhäuslein des Gartens. Links stand der Mond noch blaß am Himmel, und rechts war der Himmel wie das lauterste Gold. Da fand ich mich zwischen Nacht und Tag und faltete die Hände, und es fiel mir freudig aufs Herz, daß heute mein zwanzigster Geburtstag sei, und wie mir es viel besser geworden als in dem letzten Jahre, da ich meinen lieben Geburtstag auf freiem Felde in einem zerrissenen Mäntelein empfangen und mit einem Bissen Almosenbrot bewirten mußte. O Freude und Ehre! dachte ich bei mir selbst und schaute zum Morgenlichte hin und sprach: »Du bist mein Licht, du wirst mein Tag!«, glaubte auch schier in meiner Einfalt, der Himmel sei golden um meines Besten willen, die Schwalbe habe nur gesungen, mir Glück zu wünschen, und der Türmer habe allein so lieblich geblasen mir zur Feier; da der Himmel sich doch nur gerötet vor der Sonne, die der Herr gerufen, da die Schwalbe doch nur gesungen in Gottes Frühlingslust, und der Wächter nur geblasen zu Gottes Ehren, ja wohl gern noch ein Stündlein geschlafen hätte, so es ihm von den Münsterherren verstattet wäre. Also wird der Mensch leicht übermütig in der Freude, und glaubet, er sei recht der Mittelpunkt aller Dinge, und sei er mit allem gemeint. Da ließ ich die Augen fröhlich in der Kammer umherschweifen, und sah auf dem Schemel ein neues Gewand liegen, das mir mein gütiger Herr und Ritter Veltlin von Türlingen am Abend im Dunkeln hatte herauftragen lassen, und konnte ich meine Begierde nun nicht länger zurückhalten, sprang auf von meinem Lager, und legte diese Kleider nicht ohne Tränen des Dankes an.“

 

 1649698-ef635db7b63dde29fb2b50c89106bb4d.jpg
Clemens Brentano (8 september 1778 – 28 juli 1842)
Portret door Emilie Linder, rond 1835

 

 

De Duitse schrijver Wilhelm Raabe werd op 8 september 1831 in Eschershausen geboren. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Wilhelm Raabe op dit blog.

 

Die Fahrt nach dem Glück

In sonniger Jugend fuhr ich hinaus,
Wie blitzte das Meer, wie flammte der Mut!
Viel gute Gesellen führt ich hinaus,
Die hielten das Schiff in wackerer Hut.

Jetzt breiten die Nebel sich über dem Meer.
Herab sausten Flagge und Segel zerfetzt;
Zerbrochen das Steuer! so treib ich einher
Und sinke im lustigen Tanze zuletzt.

Viel besser, zu sinken im luftigen Wehn,
Als fliegen und faulen und modern am Strand;
Viel besser, im Sturme zugrunde gehn,
Als langsam verkommen, versinken im Sand.

 

 

Das Ewige ist stille

Wenn über stiller Heide
des Mondes Sichel schwebt,
mag lösen sich vom Leide
Herz, das im Leiden bebt.

Tritt vor aus deiner Kammer
und trage deinen Schmerz,
trage des Weltlaufs Jammer
der Ewigkeit ans Herz.

Das Ewige ist stille,
laut die Vergänglichkeit;
schweigend geht Gottes Wille
über den Erdenstreit.

In deinen Schmerzen schweige,
tritt in die stille Nacht;
das Haupt in Demut neige,
bald ist der Kampf vollbracht.

 

 

Des Menschen Hand

Des Menschen Hand ist eine Kinderhand,
sie greift nur zu, um achtlos zu zerstören;
mit Trümmern überstreut sie das Land,
und was sie hält, wird ihr doch nie gehören.

 

 1649698-4c83c628d42005dc0131ad8660a39591.jpg
Wilhelm Raabe (8 september 1831 - 15 november 1910)
Portret door Hanns Fechner, 1893

 

 

De Duitse dichter en schrijver Eduard Mörike werd geboren op 8 september 1804 in Ludwigsberg. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduard Mörike op dit blog.

 

Zitronenfalter im April

Grausame Frühlingssonne,
Du weckst mich vor der Zeit,
Dem nur in Maienwonne
Die zarte Kost gedeiht!
Ist nicht ein liebes Mädchen hier,
Das auf der Rosenlippe mir
Ein Tröpfchen Honig beut,
So muss ich jämmerlich vergehn
Und wird der Mai mich nimmer sehn
In meinem gelben Kleid.

 

 

Die Schwestern

Wir Schwestern zwei, wir schoenen,
So gleich von Angesicht,
So gleicht kein Ei dem andern,
Kein Stern dem andern nicht.

Wir Schwestern zwei, wir schoenen,
Wir haben lichtbraune Haar,
Und flichtst du sie in _einen_ Zopf,
Man kennt sie nicht fuerwahr.

Wir Schwestern zwei, wir schoenen,
Wir tragen gleich Gewand,
Spazieren auf dem Wiesenplan
Und singen Hand in Hand.

Wir Schwestern zwei, wir schoenen,
Wir spinnen in die Wett,
Wir sitzen an _einer_ Kunkel,
Und schlafen in _einem_ Bett.

O Schwestern zwei, ihr schoenen,
Wie hat sich das Blaettchen gewendt!
Ihr liebet einerlei Liebchen -
Und jetzt hat das Liedel ein End.

 

 

Elfenlied

Bei Nacht im Dorf der Wächter rief:
Elfe!
Ein ganz kleines Elfchen im Walde schlief -
wohl um die Elfe! -
und meint, es rief ihm aus dem Tal
bei seinem Namen die Nachtigall,
oder Silpelit hätt’ ihm gerufen.
Reibt sich der Elf’ die Augen aus,
begibt sich vor sein Schneckenhaus
und ist als wie ein trunken Mann,
sein Schläflein war nicht voll getan,
und humpelt also tippe tapp
durchs Haselholz ins Tal hinab,
schlupft an der Mauer hin so dicht,
da sitzt der Glühwurm, Licht an Licht.
»Was sind das helle Fensterlein?
Da drin wird eine Hochzeit sein:
die Kleinen sitzen beim Mahle
und treiben’s in dem Saale.
Da guck’ ich wohl ein wenig ’nein!«
- Pfui, stößt den Kopf an harten Stein!
Elfe, gelt, du hast genug?
Gukuk! Gukuk!

 

 1649698-383572c2ad3424820d59a5404f1068bd.jpg
Eduard Mörike (8 september 1804 – 4 juni 1875)
Cover

 

 

De Zwitserse schrijver Perikles Monioudis werd geboren op 8 september 1966 in Glarus. Zie ook alle tags voor Peikles Monoudis op dit blog en ook mijn blog van 8 september 2010.

Uit: Die früheren Bemalungen

„Was für eine wundervolle Stadt, dachte ich von Athen, als ich im Restaurant saß und versuchte, mein Griechisch zusammenzuklauben, die Zeitung zwischen den Fäusten aufgespannt, das Wörterbuch griffbreit im Jackett. Seit ich dort, am großen Fenster, auf den Gehsteig sah, hatten sich mir mehrere Fußgänger gezeigt, die einen größeren Blumenstrauß mit sich führten. Nach dem Nachtisch war ich sicher, daß die Athener überaus nobel gesinnte, zumindest zuvorkommende Zeitgenossen seien. Ich bezahlte und trat ins Freie. Dabei bemerkte ich, nur Schritte entfernt, den Blumenladen.
Ähnlich unkundig wie in der griechischen Sprache war ich also auch in dieser Stadt, irreführend wollten mir die Handlungen der Griechen erscheinen. Allerdings hatte ich bereits als Kind ihre Sprache gesprochen, und ich war fest entschlossen, mir Griechisch nun, als Erwachsener, an Ort und Stelle anzueignen, wenn nötig mit Lehrbuch und Übungsheft.
Meine Eltern, Griechen aus Alexandria, hatten sich nach der nationalen Revolution in Ägypten für die überaus sichere Schweiz entschieden, Hab und Gut zurücklassend. Ich bin in der Schweiz geboren, im deutschsprachigen Teil, in den Alpen. Für meine Eltern stand es außer Frage, daß sie mir und meiner Schwester zumindest die Essenz ihrer Kultur und Religion vermitteln wollten, und das haben sie auch getan. Genauso fraglos wollten sie sich selbst und uns so schnell wie möglich in der neuen Heimat naturalisieren. Meine Schwester und ich sollten Schweizer werden, uns sollte überdies möglichst wenig von den Menschen unterscheiden, die seit Generationen Schweizer waren. Diese Ambition, die von einem starken Verlangen nach Zugehörigkeit hervorgebracht worden sein mußte, und folglich auch ihre Erfüllung zu beurteilen, halte ich für müßig. Tatsache ist, daß ich kein anderes Land so gut kenne wie die Schweiz. Ihre Menschen sind meine Menschen, ihre Sitten, Gebräuche, Rituale die meinen, ihre Landschaft meine Landschaft, die Gerüche und Farben in der Natur die mir vertrauten, Deutsch meine Sprache.“

 

 1649698-2c04089e45a2ca4b1b63d2b8287f5c2b.jpg
Perikles Monioudis (Glarus, 8 september 1966)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e september ook mijn blog van 8 september 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:15 Reageer op dit bericht

Anthonie Donker

De Nederlandse dichter, letterkundige, schrijver, essayist en literair vertaler Anthonie Donker (Nicolaas Anthonie Donkersloot ) werd geboren in Rotterdam op 8 september 1902. Donker debuteerde als dichter in De Vrije Bladen in de jaren twintig. In 1929 won hij voor zijn dichtbundel “Kruistochten” de Domprijs voor poëzie van de jury die bestond uit J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Marnix Gijsen. In datzelfde jaar won hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn dichtbundel “Grenzen”. Hij studeerde Nederlands aan zowel de Universiteit van Amsterdam als aan de Rijksuniversiteit Leiden en werd tijdens zijn studie ziek waardoor hij meermalen voor tbc moest kuren in Zwitserland. Hier schreef hij later de roman “Schaduw der Bergen” over uit 1935. Na zijn studie zou hij ook zes jaar werken als leraar Nederlands in Zwitserland. In 1929 promoveerde Donkersloot en in 1936 werd hij benoemd tot hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor een plaquette ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte. Eind 1945 kwam hij namens de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in de eerste naoorlogse zitting van de Eerste Kamer terecht. Na zijn overstap begin 1946 naar de nieuw opgerichte Partij van de Arbeid zat hij voor deze partij in de Kamer. In 1949 verliet hij de Kamer omdat hij zich niet kon vinden in de Tweede Politionele Actie in het toenmalige Nederlands-Indië (het latere Indonesië); ook zegde hij zijn partijlidmaatschap op.In 1957 werd Donkersloot lid van de Pacifistisch Socialistische Partij. Voor de oorlog was Donkersloot oprichter van het literaire tijdschrift “Critisch Bulletin” waar hij tot het verschijningsverbod tijdens de Duitse bezetting in 1941 voor zou schrijven en redigeren. Ook was hij van 1937 tot 1940 redacteur van De Stem. In 1946 kon “Critisch Bulletin” weer verschijnen en was hij nog twee jaar redacteur ervan alsmede van De Nieuwe Stem. Hij nam tevens deel aan vele andere georganiseerde literaire organisaties. Als vertaler werd Donkersloot bekend door zijn vertaalde werk van onder meer Coleridge, Goethe en Feuchtwanger. Ook vertaalde hij een sprookjesbewerking van Robert Browning van het verhaal De rattenvanger van Hamelen, die werd uitgegeven in 1930 met kleurplaten van Rie Cramer.

 

Achterbalcon

Het menselijk gelaat - hoe droef mistekend,
Des morgens in de tram grauw van de nacht,
Des avonds in de tram grauw afgejacht
Van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
Tobt elk van wat er kan tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
Onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
Het hemellicht hoog neerstraalt over allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
En vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
Tegen elkander schuddend in de bocht.

 

 

Het duinpad

Achter   onherstelbre puinhoopen
van een dichtgestort bestaan
moet een weg naar het duin nog  open
liggen niet ver hiervandaan.

Maar alzijds met getrokken wapen
staan mij vijanden in den weg.
Laat  mij  gaan,  ik weet  heg noch steg,
in het duiniand wil ik gaan slapen.

Ik boek met mijn vage lantaren
hetduinpad, laat mij met vrêe,
een stil pad waar het hart bedaren,,
en de ruimte, de verte, de zee .-

 

 

Kinderspel
 
Een ijle schemering omringt mijn stoel,
Een stilte waarin klokgetik verzandt.
Alles wordt loodgrijs, en onzeker voel
Ik aan het voorhoofd nog mijn verre hand.
 
- Spelende in het warme, diepe bed
Heb ik de dekens over mij gespannen:
Een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -
 
Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
Werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
 
De droomen houden zelden overhand.
En hiervan is alleen overgebleven
Een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.

 

 

 1773099-2b26feb25d50357fb10e767c915b941c.jpg
Anthonie Donker (8 september 1902 – 26 december 1965)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten