Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 7 oktober 2014 tot 8 oktober 2014

Alexis de Roode, Martin van Amerongen, Benjamin Cheever, Jakob Arjouni, André Theuriet, Nikolaus Becker

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd geboren op 8 oktober 1970 in Hulst. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Alexis de Roode op dit blog.

 

Een zingen

Naaldboomtakken zwiepen
en de hemel krimpt van eenzaamheid.
Dinges is gelukkig. In uw handen, heer.

Hier gebeurt het ware schrijven niet.
Op de huid en diep in het vlees
kerven messen namen.
Naaldjes krassen
in de lucht

en ik ga schaatsen, kilometers maken.
Wachten tot de tijd komt met zijn wisdoek.
Mensen glijden als zwanen over het water.

Als ik stop om te ademen
hoor ik
het wrijvingloos winterhard zingen
van schaatsen op ijs,

een zingen zo groot als een heideveld.

 

 

De wind in de nacht

In de nacht hoor ik de bomen fluisteren.
Het huis is tot over de rivier, tot over
het weiland, tot aan de slapende vogels
gevuld met namen van vroeger.
Lies Blom kwam als klein meisje in de klas,
en werd gepest vanaf de eerste dag,
toen ze aan de rand van het schoolplein
bleek te staan als een standbeeld.
Dertig jaar later verscheen ze op Facebook,
getrouwd, twee kinderen. Gelukkig,
dacht ik, het is goedgekomen.
Ik twijfelde over een berichtje,
om alles wat ik niet gedaan had,
maar klikte voorlopig op Like.
Twee weken later postte ze:
GAME OVER. 42, uitbehandeld.
En in juli 2012, toen ik diep in de nacht
zat te googelen om de wind niet te horen,
vond ik een rouwadvertentie uit mei,
namens inwoners en collega's.
De wind in de bomen in de nacht.
Het bottenmannetje kruipt langs de
takken en ritselt met blaadjes.
Over drie uur moet ik naar het werk.
Alles, o alles. Alles moet anders.

 

 

In de tuin

Er staat iemand voor jou
te huilen in de tuin,
ga er maar even heen,
hij is nog klein, hij kan
het niet begrijpen.

 

 

 1662978-84685142da01121702c2fb7d989e4322.jpg
Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Martin van Amerongen werd geboren op 8 oktober 1941 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin van Amerongen op dit blog.

Uit: Het mirakel van de wibautstraat

“Iedereen was het erover eens: er heeft zich rond de Volkskrant 'een mirakel' voltrokken. 'Ja', zei forumlid 1, 'dat krijg je met die katholieke kranten.' 'Maar waarom heeft zich zo'n mirakel dan niet bij De Tijd en De Maasbode voltrokken, kranten die veel roomser waren?' vroeg forumlid 2.
Juist omdat, denk ik op mijn beurt, die kranten veel roomser waren. Het waren de publicitaire exponenten van een wereldbeschouwing die, althans in Nederland, sterk op zijn retour was. De Volkskrant was behalve katholiek ook vooruitstrevend. De Tijd en De Maasbode schreven voor een publiek van zieltogende paters. De Volkskrant ontwikkelde zich echter tot een instrument in de culturele revolutie van de jaren zestig, met alle bijbehorende ideologische gekkigheid, maar ondertussen met zoveel journalistieke kwaliteit dat het blad al snel ook buiten de magische driehoek Nijmegen-Tilburg-Oss onmisbaar werd.
Inderdaad, de Volkskrant is een mirakel, niet zozeer in economische alswel in emancipatorische zin. Eerst was het de woord- en vleesgeworden katholieke kleinburgerlijkheid - Roma locuta, causa finita. Toen werd het 'een nationale krant, geredigeerd door katholieke journalisten'. De onderkop 'katholiek dagblad voor Nederland' werd geschrapt en de krant vestigde zich in de Wibautstraat. Wibaut? Was dat niet die rooie wethouder, die voor de oorlog...? Wat zou meneer pastoor daarvan zeggen? Was het daarom niet verstandiger om het postadres te lokaliseren op de dwars op de Wibautstraat gelegen Gysbreght van Aemstelstraat? Het is ècht een serieus punt van discussie geweest.
Te laat! De tijdgeest sloeg onverbiddelijk toe. Z.H. de Paus werd vervangen door de Heilige Drieëenheid Marx, Marcuse en Mao Zedong.
Onderwijl werden de nieuwe abonnees met postzakken vol de Wibautstraat binnengedragen. Want of je nu voor of tegen de christen-radicalen, de communisten, het jonge D66, het femsoc of de heethoofden van Nieuw Links was, wat hen allemaal bezielde, stond in de Volkskrant.”

 

 1662978-ef1e88599949ca717ef6f8208ca5307d.jpg
Martin van Amerongen (8 oktober 1941 – 11 mei 2002)

 

 

De Amerikaanse schrijver Benjamin Cheever werd geboren op 8 oktober 1948 in New York. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Benjamin Cheever op dit blog.

Uit: My Father, John

“I suppose that what’s particularly hurtful about the mirror and the digital recorder is the impartiality. This we should expect from mechanical feedback, but it’s shocking to find that your father sees you without prejudice. That was when he saw me at all. Neighbors appeared more frequently in his journals than his children did. When this discovery was set against the extreme statements of affection with which he jollied me along, I felt a dupe of the first order.
To the extent that my father lived in the world, he spent most of his life with his family, but this was a guy who did not live in the world all that much. He spent most of his time in his imagination, and when it came to that hallowed place, we rarely made the cut. Except my mother, of course, but then she was so often a stand-in for all of her gender, that the attention didn’t seem personal at all.
I remember Gottlieb telling me on the phone, that my father must have been one of the least happy men in the world.
I doubt that’s true. I think there’s a great deal more unhappiness out there than we know. I suspect that my father was unusual for his willingness to report on depths, but not for his experience of them.
There’s a theory nowadays that all darkness is pathology, and Lord, but I wish it were true. But I don’t think so.”
(…)

After I’d read the journals and before they were published I had many conversations with imaginary readers in which I asked: “Never lonely. Never in despair? Never critical of those you love? Then please, please don’t buy this book.”
Not a commercial success, the volume was nevertheless treasured by an extraordinary number of serious writers. I know about this, because while they can’t thank the author of the book, they can—and do—thank his son.
When my sister’s memoir about my father,Home Before Dark, came out, I was sour about it in public, but now I can see why so many people treasure that book. This is her vision, as the stories are his, as the prologue to the book of letters is mine. It’s a big damn world, the Cheever family, with many warring nations in it.”

 

 1662978-4f7da0f9b7df2e7eef833b11f3d78a7b.jpg
Benjamin Cheever (New York, 8 oktober 1948)

 

 

De Duitse schrijver Jakob Arjouni (pseudoniem vanJakob Bothe) werd geboren op 8 oktober 1964 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jakob Arjouni op dit blog.

Uit: Bruder Kemal

„Darum beachtete ich an dem Morgen, als ich von Valerie de Chavannes kam, die Frau kaum, die im Hinterhof gegen ein sonnenbeschienenes Stück Mauer lehnte und geschäftig in ein iPhone sprach. Sie trug einen blauen, teuer wirkenden Hosenanzug und einen modernen Kurzhaarschnitt, vor ihr stand eine große Lederhandtasche, aus der Papiere ragten. Eine Maklerin, dachte ich. Immer wieder gab es Gerüchte, dass das Haus verkauft und abgerissen werden sollte, um einem weiteren Hotel oder Parkhaus in Bahnhofsnähe Platz zu machen.
Als ich schon den Schlüssel ins Haustürschloss gesteckt hatte und gerade mein Rad schultern wollte, hörte ich hinter mir: »Entschuldigen Sie …! Herr Kayankaya …?«
Ich ließ das Rad sinken und drehte mich um.
»Ja?«
Auf hohen Absätzen, in einer Hand die offenbar schwer gefüllte Tasche, in der anderen das iPhone, stakste sie lächelnd auf mich zu. Sie hatte ein breites freundliches Gesicht, und je näher sie kam, desto deutlicher wurde, wie groß sie war. Fast einen Kopf größer als ich, ohne Schuhe immer noch einen halben, und ich bin nicht klein. Es gefiel mir, dass eine so große Frau auch noch hohe Absätze trug und den kleinen Menschen dieser Welt offenbar keinen Gefallen tun wollte. Sie ließ die Tasche auf den Boden plumpsen, warf das iPhone hinein und streckte mir die Hand entgegen. Auch ihre Hand war groß.
»Katja Lipschitz, Pressechefin des Maier Verlags.«
»Kemal Kayankaya, aber das wissen Sie ja schon.«
»Ich kenne Sie von einem Foto im Internet, darum habe ich Sie erkannt. Der Mann, der Gregory rettete …«
Wieder lächelte sie, vielleicht ein wenig zu professionell, und hinter dem Lächeln war ein prüfender Blick. Ob mich die Erwähnung des Namens Gregory aus der Ruhe brachte?“

 

 1662978-c4f91b4b104e1c4f5b259e893f0aefc2.jpg
Jakob Arjouni (8 oktober 1964 – 17 januari 2013)

 

 

De Franse schrijver en dichter André Theuriet werd geboren op 8 oktober 1833 in Marly-le-Roi. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2010 en eveneens alle tags voor André Theuriet op dit blog.

 

Le Tisserand (Fragment)

Façonne aussi sa toile et lutte sans merci.
Le lourd métier, par l’âge et la fraîcheur noirci,
Tressaille et se débat sous la main qui le presse ;
Sans cesse l’on entend sa clameur, et sans cesse
La navette de bois que lance l’autre main
Entre les fils tendus fait le même chemin.
Du métier qui gémit le tisserand est l’âme
Et l’esclave à la fois : tout courbé sur la trame,
Les pieds en mouvement, le corps en deux plié,
À sa tâche, toujours la même, il est lié
Comme à la glèbe un serf. Les fuyantes années
Pour lui n’ont pas un cours de saisons alternées ;
Dans son caveau rempli d’ombre et d’humidité,
Il n’est point de printemps, d’automne, ni d’été ;
Il ne sait même plus quand fleurissent les roses,
Car, dans l’air comprimé sous ces voûtes moroses,
Jamais bouton de fleur ne s’est épanoui.
Les semaines n’ont pas de dimanche pour lui ;
Quand il sort, c’est le soir, pour rendre à la fabrique
Sa toile et recevoir un salaire modique ;
Puis il rentre, ployé sous son faix de coton.
Le dur métier l'attend, les lames de laiton
Se partagent les fils dont la chaîne est formée.

 

 1662978-0cee3d48f3d882ad565980a1f9cf5542.jpg
André Theuriet (8 oktober 1833 – 23 april 1907)
Monument bij de abdij van Auberive

 

De Duitse schrijver Nikolaus Becker werd geboren op 8 oktober 1809 in Bonn. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Nikolaus Becker op dit blog.

 

Le Rhin allemand
A Alphonse de Lamartine

Ils n’ont pas à le prendre,
Le Rhin libre, allemand :
Certains voudraient bien tendre
Leurs mains vers ses versants.

Aussi longtemps qu’il roule
Ses eaux et ses courants,
Tant que la rame coule
Dans l’eau en clapotant,
  
Ils n’ont pas à le prendre,
Le Rhin libre, allemand,
Tant qu’au long de ses pentes
On boira son vin blanc,

Tant que les grises roches
Lui formeront un lit,
Tant que les tours des cloches
Se dressent près de lui.

Ils n’ont pas à le prendre,
Le Rhin libre, allemand,
Tant que ses gens engendrent
Enfants, petits-enfants,

Tant qu’il y a des nageoires
Aux flancs de ses poissons,
Que naissent des mémoires
Des airs et des chansons.

Ils n’ont pas à le prendre,
Le Rhin libre, allemand,
Tant qu’à ses longs méandres
 Vivra un habitant.

Vertaald door Yves Kéler

 

 

 1662978-28a1fe717d67c669ff32061d6ee8e815.jpg
Nikolaus Becker (8 oktober 1809 – 28 augustus 1845)
De Rijn bij St. Goarshausen met de burcht Katz

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

John Cowper Powys

De Welshe dichter en schrijver John Cowper Powys werd geboren op 8 oktober 1872 in Shirley, Derbyshire. Hij schreef gedichten, essays, romans en uitgebreide filosofische geschriften. Tussen 1915 en 1957 publiceerde hij bijna elk jaar een van zijn omvangrijke boeken.Powys was een uitgesproken polytheïst en tegelijk overtuigd agnost, op zoek naar poëtische en niet naar geestelijke zin. Powys 'vader was dominee in Derbyshire. Zijn moeder was een afstammeling van de dichter William Cowper, waaraan hij zijn middelste naam dankt. Hij was de oudste zoon van een hele familie van kunstenaars. Zijn twee broers Llewelyn Powys en Theodore Francis Powys waren bekende schrijvers in hun tijd. Zijn zus Gertrude was schilderes en zijn zus Philippa was eveneens schrijfster. Hij bracht zijn jeugd door in het dorpje Montacute in Somerset. Deze zuidelijke Engels platteland vormde later de geografische achtergrond van zijn romans. Powys bezocht het internaat Sherborne School en studeerde aan de Universiteit van Corpus Christi (Cambridge) geschiedenis. Op 24-jarige leeftijd publiceerde hij “Odes and Other Poems”. Voordat hij aanhet begin van de eeuw met literaire lezingen zijn levensonderhoud verdiende werkte hij als leraar in Sussex. In 1896 trouwde hij met Margaret Alice met wie hij een zoon had. Na de scheiding van het paar bleef hij haar echter steunen tot aan haar dood in 1947. Zijn zoon Littleton werd Anglicaans priester. John Cowper Powys ondernam uitgebreide en succesvolle lezingentournees - eerst in Engeland, daarna in continentaal Europa en tot slot in de VS, waar hij woonde van 1904 tot1934. Ook nam Powys deel aan herhaalde publieke debatten - legendarisch zijn zijn gesprekken met GK Chesterton en George Bernard Shaw. In het proces wegens vermeende obsceniteit van de roman Ulysses van James Joyce, trad hij - ondanks zijn afkeer van de Ierse schrijver - als verdediger op. Nadat Powys zich in 1929 had teruggetrokken naar Columbia County ten noorden van New York, schreef hij daar in de kortste tijd en op latere leeftijd zijn meest succesvolle romans “Wolf Solent”, “Glastonbury Romance” en “Weymouth Sands”. Op 1 juni 1929 begon hij op zijn jaarlijkse reis naar Europa met het schrijven van een dagboek, dat van meet af aan bedoeld was voor de publicatie. Het heeft betrekking op de periode tot 1939, en dus de meest productieve periode van zijn leven. De originele Engels titel “Petrushka and the Dancer” verwijst naar het ballet van Stravinsky. In augustus 1933 begon hij met zijn meer dan 700 pagina's tellendeautobiografie, die hij in mei 1934 afrondde. Na het voltooien van zijn autobiografie, keerde hij met Phyllis Playter naar Engeland tewrug. De laatste 9 jaar van zijn leven tot aan zijn dood in 1963 bracht hij met zijn partner in Blaenau Ffestiniog door.. Powys’grote werken “Glastonbury Romance” en “Porius” behoren tot de monumentale werken van hedendaagse literatuur en worden vergeleken met “Ulysses” van James Joyce, Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften” of Prousts “À la recherche du temps perdu”.

Uit: A Glastonbury Romance

“Mr Evans had, as a matter of fact, been caught up into a region of feeling utterly beyond the comprehension of any Latin or any Teutonic mind. This had gone on since he stood before Pilate until the moment when he shouted "Eloi, Eloi!" It was not, as St Paul has put it so well - he the one among them all who would
really have understood Mr Evans - it was not with flesh and blood that he was contending, but with mysterious powers of evil upon levels revealed to few. No equivocal perversity gratified by divining the feelings of Persephone entered for a second into the terrible visions with which, as he hung between heaven and earth, his mind was bruised and broken . . . It was the prolongation of the scene - drawn out so foolishly, by that luckless Dance of Death of the two Marys - that had brought about his collapse, and it was the strain on his arms, bound too tightly by those ropes, and the tension of the muscles of his shoulders, stretched between the cross-bars, that had caused him such anguish. But not since the bloody King put the last Abbot of Glastonbury to death had such physical pain been experienced by anyone upon the slopes of Gwyn-ap-Nud's hill. But it would be a mistake to say that the spirit of Mr Evans yielded, or weakened, or regretted his undertaking. Right up to the end, till by straining his torso to the breaking-point he had lost consciousness, he not only endured this anguish but he exulted in enduring it. His exultation kept mounting and mounting - extreme pain and ecstatic triumph embracing each other in dark mystic copulation.

Mr Evans became indeed Three Persons as he hung on his self-imposed cross. One person was his body, another was his soul. He felt his soul - or rather his soul felt itself - to be entirely outside of his body. This phenomenon was to him, as he hung alone there, looking down on that vast crowd, as much of a definite, concrete experience as the pain itself. The pain became a Third Person, and the soul of Mr Evans kept urging on the pain. He felt as if that crowd beneath him was the whole human race and that by the transaction that was now proceeding between these Three Persons, thus suspended in the air above them, this crowd, an immense animal passivity, was in some way re-created, purged, cleansed, transformed. His body, as the pain increased - as his soul deliberately caused the pain to increase - began to overbrim the confines of its human shape. His body projected itself under the pain in great waves of filmy chemical substance. It flung forth this filmy substance in streams, in torrents, in a mighty, rushing rain!”

 

 1819177-f3fd19b93820219774de70aca6241250.jpg
John Cowper Powys (8 oktober 1872 - 17 juni 1963)
Portret door Gertrude Mary Powys, begin jaren 1930





Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Sergei Efron

De Russische dichter Sergei Yakovlevich Efron werd geboren op 8 oktober 1893 in Moskou. Hij was het zesde van de negen kinderen van Elizaveta Durnovo en Yakov Konstantinovitsj Efron. Beiden waren Russische revolutionairen en de leden van een socialistische partij. Efron leed als een tiener aan tuberculose en zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid werd verder op de proef gesteld na de dood van zijn moeder die in 1910 zelfmoord pleegde. Een van haar kinderen was haar daarin voorgegaan. Nadat hij was gaan studeren aan de Universiteit van Moskou meldde Sergei zich als vrijwillg aan bij het leger als verpleger. Vanwege zijn slechte gezondheid kon hij dat werk niet blijven doen. In plaats daarvan schreef hij zich in voor een officiersopleiding. Als 17-jarige cadet aan de militaire academie ontmoette hij in 1911 bij Koktebel, een bekende toevluchtsoord voor schrijvers, dichters en kunstenaars op de Krim, de 19 jaar oude Marina Tsvetaeva. Zij werden verliefd en trouwden in januari 1912 Terwijl zij al een intense relatie hadden, had Tsvetaeva affaires, o.a. met Osip Mandelstam en de dichter Sofia Parnok. Het echtpaar kreeg twee dochters en een zoon. In oktober 1917 nam Efron deel aan de gevechten met de bolsjewieken in Moskou, daarna kwam hij terecht in het Witte Leger en nam hij deel aan de verdediging van de Krim. Tsvetaeva kon vijf jaar lang niet weg uit Moskou waar een vreselijke hongersnood heerste. In 1919 bracht zij haar beide dochters naar een weeshuis van de staat omdat zij dacht dat men daar betervoor de kinderen kon zorgen. Alya werd echter ziek en Tsvetaeva haalde haar weg, maar Irina stierven er van de honger in 1920. Aan het einde van de revolutie emigreerde Efron naar Berlijn, waar hij uiteindelijk werd herenigd met zijn vrouw en dochter Ariadna die de Sovjet-Unie hadden verlaten. In 1922 verhuisde de familie naar Praag. Efron studeerde er politiek en sociologie aan de Karel Universiteit en Tsvetaeva en Ariadna vonden kamers in een dorp buiten de stad. In 1925 verstigde het gezin zich in Parijs, waar ze de volgende14 jaarzouden blijven wonen. In deze tijd kreeg Tsvetaeva ook tuberculose.
In Parijs ontwikkelde Efron Sovjet-sympathieën en kreeg hij heimwee naar Rusland. Hetzij uit idealisme of om door de communisten geaccepteerd te worden, begon hij voor de NKVD, de voorloper van de KGB, te spioneren. In 1937 keerde hij noodgedwongen terug naar de Sovjet-Unie, omdat de Franse politie hem ervan verdacht betrokken te zijn bij de moord op de voormalige Sovjet-agent en overloper Ignace Reiss. Tsvetaeva werd ondervraagd, maar de politie concludeerde dat zij gestoord was en niets wist van de moord. Efron werd onder huisarrest gehouden in een datsja, totdat hij werd gearresteerd op 10 december 1937. Later werd bekend dat Efron mogelijk ook had deelgenomen aan de moord op Lev Sedov in 1936. In 1939 keerden Tsvetaeva en haar zoon Georgy terug naar Moskou, zonder te weten wat hun daar te wachten stond. In Stalins Sovjet-Unie was iemand die in het buitenland had gewoond verdacht, evenals iedereen die onder de intelligentsia voor de revolutie was geweest. Efron en Alya werden gearresteerd voor spionage. Alya’s verloofde was eigenlijk een NKVD-agent die was aangewezen om de familie te bespioneren. Onder marteling werd geprobeerd om van Efron bewijs los te krijgen tegen Tsvetaeva, maar hij weigerde te getuigen tegen haar of iemand anders. Zijn dochter echter bekende onder dwang dat haar vader een
trotskistische spion was en dat leidde tot zijn executie. Efron werd neergeschoten in 1941; Alya bracht meer dan acht jaar in de gevangenis door. Beiden werden vrijgesproken na de dood van Stalin. In 1941 werden Tsvetaeva en haar zoon geëvacueerd naar Yelabuga. Op 31 augustus 1941 maakte Tsvetaeva een eind aan haar leven door zich op te hangen, wel of niet gedwongen door NKVD-agenten.

 

Uit : The Swan’s Encampment

Little mushroom, white Bolitus,
my own favourite.
The field sways, a chant of Rus’
rises over it.
Help me, I’m unsteady on my feet.
This blood-red is making my eyes foggy.

On either side, mouths lie
open and bleeding, and from
each wound rises a cry:
Mother!

One word is all I hear, as
I stand, dazed. From someone
else’s womb into my own:
– Mother!

They all lie in a row,
no line between them,
I recognise that each one was a soldier,
But which is mine? Which one is another’s?

This man was White now he’s become Red.
Blood has reddened him.
This one was Red now he’s become White.
Death has whitened him.

– What are you? – Can’t understand.
– Lean on your arm.
Have you been with the Reds?
– Ry-azan.

And so from right and left
behind ahead
together. White and Red, one cry of
– Mother!

Without choice. Without anger.
One long moan. Stubbornly.
A cry that reaches up to heaven,
– Mother! 

 

Marina Tsvetaeva (vertaald door Elaine Feinstein)

 

 1663884-89388e08e48be3919d3a5e123b018873.jpg
Sergei Efron (8 oktober 1893 – 16 oktober 1941)
Sergei Efron en Marina Tsvetaeva

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Simon Carmiggelt, Rachel Kushner, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally, Dirkje Kuik

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

Uit: Terug van vakantie

“Om mij goed in te scherpen dat de vakantie definitief voorbij was, moest ik meteen naar een begrafenis.
Zij het van een héél ver familielid, dat ik in geen dertig jaar had gezien, dus mijn waterlanders kwamen er niet aan te pas. Na de schrale plechtigheid, die qua sfeer geleek op de slecht bezochte première van een stuk dat onherroepelijk valt, ging ik in mijn eentje terug naar het hek, want iemand om te condoleren was niet voorhanden. Naarmate ik verder liep werden de graven ouder en pompeuzer. Net als in de bouwkunst wordt de laatste eer tegenwoordig zakelijk en zuinig langs de liniaal getrokken. Maar vroeger dorsten de mensen nog monumentaal en pathetisch uit te komen voor hun gevoelens.
Geïmponeerd bleef ik staan voor een enorme grafkapel die iets weg had van een muziektent. Maar in plaats van een blaascorps hield zich onder de hoge koepel een meer dan levensgrote, uit steen gehouwen engel op, die zich vooroverboog om, zo eeuwig mogelijk, een krans te houden boven een marmeren zerk. De engel had opmerkelijk lange tenen en ontsekste borsten. Haar gelaatsuitdrukking was volstrekt neutraal. Ze zou ook bijpassend hebben gekeken als ze, in plaats van de krans, een koekepan met een gebakken ei had vastgehouden.
Op het pad naderde nu een kleine, vergrijsde man met een uniformpetje op het hoofd en tuingereedschap in de hand.
Hij behoorde tot het personeel van de dodenakker en bleef voor het verblijf van de engel staan. Hij keek als een museumsuppoost bij het énige schilderij in de collectie dat hij zelf ook mooi vindt.
‘Dat was nog een heel werk,’ zei ik tegen hem.
Hij knikte en sprak eerbiedig: ‘Geheid.’
Terwijl ik over het gebruik van deze term in dit verband nadacht, vervolgde hij: ‘D'r mot voor geheid wezen, indertijd. Zolang ik hier werk staat het er al. En nog steeds waterpas. Kijkt u zelf maar. Nee, daar moet voor geheid zijn, anders was 't al verzakt.’
Ik zei het al - vroeger drukten nabestaanden hun gevoelens pompeuzer uit dan nu.”

 

 1662583-08e0c7c30c9e75e0720950e604caae16.jpg
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Rachel Kushner werd geboren op 7 oktober 1968 in Eugene, Oregon en verhuisde naar San Francisco in 1979. Zie ook alle tags voor Rachel Kushner op dit blog.

Uit: The Flamethrowers

“A bluebird landed on the branch of a sumac bush under the high-clearance legs of the billboard. The bird surfed its slack branch, its feathers a perfect even blue like it had been powder-coated at the factory. I thought of Pat Nixon, her dark gleaming eyes and ceremonial outfits stiff with laundry starch and beading. Hair dyed the color of whiskey and whipped into an unmoving wave. The bird tested out a short whistle, a lonely midday sound lost in the infinite stretch of irrigation wheels across the highway. Pat Nixon was from Nevada, like me, and like the prim little state bird, so blue against the day. She was a ratted beauty-parlor tough who became first lady. Now we would likely have Rosalynn Carter with her glassy voice and her big blunt friendly face, glowing with charity. It was Pat who moved me. People who are harder to love pose a challenge, and the challenge makes them easier to love. You’re driven to love them. People who want their love easy don’t really want love.
I paid for my gas to the sound of men in the arcade room playing a video game called Night Driver. They were seated in low-slung cockpits made of sparkling, molded fiberglass, steering jerkily, pale-knuckled, trying to avoid the guardrail reflectors on either side of the road, the fiberglass cockpits jiggling and rocking as the men attempted to steer themselves out of catastrophe, swearing and angrily bopping the steering wheel with the heel of a hand when they burned and crashed. It had been this way at several truck stops now. This was how the men rested from driving. Later I told Ronnie Fontaine. I figured it was something Ronnie would find especially funny but he didn’t laugh. He said, “Yeah, see. That’s the thing about freedom.” I said, “What?”
And he said, “Nobody wants it.”

 

 1662583-b017089d06b53eecdbd87098c55d08b4.jpg
Rachel Kushner (Eugene, 7 oktober 1968)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor James Whitcomb Riley op dit blog.

 

A Full Harvest

Seems like a feller'd ort 'o jes' to-day
Git down and roll and waller, don't you know,
In that-air stubble, and flop up and crow,
Seein' sich craps! I'll undertake to say
There're no wheat's ever turned out thataway
Afore this season!--Folks is keerless tho',
And too fergitful--'caze we'd ort 'o show
More thankfulness!--Jes' looky hyonder, hey?--
And watch that little reaper wadin' thue
That last old yaller hunk o' harvest-ground--
Jes' natchur'ly a-slicin' it in-two
Like honey-comb, and gaumin' it around
The field--like it had nothin' else to do
On'y jes' waste it all on me and you!

 

 

Old October

Old October's purt' nigh gone,
And the frosts is comin' on
Little heavier every day--
Like our hearts is thataway!
Leaves is changin' overhead
Back from green to gray and red,
Brown and yeller, with their stems
Loosenin' on the oaks and e'ms;
And the balance of the trees
Gittin' balder every breeze--
Like the heads we're scratchin' on!
Old October's purt' nigh gone.

I love Old October so,
I can't bear to see her go--
Seems to me like losin' some
Old-home relative er chum--
'Pears like sorto' settin' by
Some old friend 'at sigh by sigh
Was a-passin' out o' sight
Into everlastin' night!
Hickernuts a feller hears
Rattlin' down is more like tears
Drappin' on the leaves below--
I love Old October so!

Can't tell what it is about
Old October knock me out--!
I sleep well enough at night--
And the blamedest appetite
Ever mortal man possessed--,
Last thing et, it tastes the best--!
Warnuts, butternuts, pawpaws,
'Iles and limbers up my jaws
Fer raal service, sich as new
Pork, spareribs, and sausage, too--.
Yit fer all, they's somepin' 'bout
Old October knocks me out!

 

 1662583-6d8d522668f1f040f38022e157ec7527.jpg
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Portret door John Cecil Clay, 1910 

 



De Australische schrijver Thomas Keneally werd geboren op 7 oktober 1935 in Sydney. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Keneally op dit blog.

Uit: The Great Shame

“After Steven Spielberg's film Schindler's List revived interest in the story that I had told in my novel, I was frequently thanked for having documented on a human scale, through jaunty, disreputable Oskar Schindler, the Jewish catastrophe of the Second World War. I had stumbled on the story, written it with passion because it was a great tale, and now with a delighted and slightly guilty bemusement found that people, particularly the Jewish community throughout the world, were talking to me as if I had done something larger--had to an extent validated the past for those who had lived through it, and had restored their history to their children.
What of my own past? I was Australian, and I knew that my name and ancestors were Irish. I knew vaguely that I had some forebears who were convicts, one of them a John Kenealy who served time in Western Australia as a political prisoner. I discovered too that I had married the great-granddaughter of what one historian calls 'a protest criminal,' a so-called Ribbonman--sent from Ireland to Australia for life in the decade before the Irish Famine, which began in 1845. This, if it is a boast, is not such an uncommon one in Australia, even if earlier generations of Australians would have suppressed what they then perceived as genealogical stains. I knew that, throughout the nineteenth century, until the last shipload of Fenian prisoners arrived in Western Australia in 1868, and until the last political prisoner had died in exile well into the twentieth century, Australia was the potential punishment that hung over all protest, political activism and revolt in the British Empire--over the Chartists of Britain, the French habitants of Lower Canada and the republicans of Upper Canada, but in particular over gestures of protest and rebellion in Ireland.“

 

 1662583-681489cdf59d9bb23f0c4ff33f69a761.jpg
Thomas Keneally (Sydney, 7 oktober 1935)

 

 

De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Dirkje Kuik op dit blog.

 

1662583-fecaebbfe24bc990e78553483c907598.jpg
Vrouwenstudie, ets

 

 

Metamorfose

Vandaag ben ik een lekker dier,
eenhoorn, hoewel ten halve, stier, een fabel.
Morgen wellicht Jan zonder land
och arme kruidenier,
de kat met negen staarten.
Het boegbeeld van een schip, gestrand,
een zeemeermin gebleven na de vloed,
Krake, de leden in het vissernet, verlaten,
Kleio, de neus in het zand.

 

 1662583-5ae93a10cbc812db68ce451a5b7f7a8c.jpg
Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e oktober ook mijn blog van 7 oktober 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:36 Reageer op dit bericht

In Memoriam Siegfried Lenz

 

In Memoriam Siegfried Lenz

 

De Duitse schrijver Siegfried Lenz is vandaag op 88-jarige leeftijd in Hamburg overleden. Siefried Lenz werd op 17 maart 1926 in Lyck, in de landstreek Masuren in Oostpruisen geboren. Zie ook alle tags voor Siegfried Lenz op dit blog.

Uit: Deutschstunde

“Sie haben mir eine Strafarbeit gegeben. Joswig selbst hat mich in mein festes Zimmer gebracht, hat die Gitter vor\ dem Fenster beklopft, den Strohsack massiert, hat sodann, unser Lieblingswärter, meinen metallenen Schrank durchforscht und mein altes Versteck hinter dem Spiegel. Schweigend, schweigend und gekränkt hat er weiterhin den Tisch inspiziert und den mit Kerben bedeckten Hocker, hat dem Ausguß sein Interesse gewidmet, hat sogar, mit forderndem Knöchel, dem Fensterbrett ein paar pochende Fragen gestellt, den Ofen auf Neutralität untersucht, und danach ist er zu mir gekommen, um mich gemächlich abzutasten von der Schulter bis zum Knie und sich beweisen zu lassen, daß ich nichts Schädliches in meinen Taschen trug. Dann hat er vorwurfsvoll das Heft auf meinen Tisch gelegt, das Aufsatzheft – auf dem grauen Etikett steht: Deutsche Aufsätze von Siggi Jepsen –, ist grußlos zur Tür gegangen, enttäuscht, gekränkt in seiner Güte; denn unter den Strafen, die man uns gelegentlich zuerkennt, leidet Joswig, unser Lieblingswärter, empfindlicher, auch länger und folgenreicher als wir. Nicht durch Worte, aber durch die Art, wie er abschloß, hat er mir seinen Kummer zu verstehen gegeben: lustlos, mit stochernder Ratlosigkeit fuhr sein Schlüssel ins Schloß, er zauderte vor der ersten Drehung, verharrte wiederum, ließ das Schloß noch einmal aufschnappen und beantwortete sogleich diese Unentschiedenheit, sich selbst verweisend, mit zwei schroffen Umdrehungen. Niemand anders als Karl Joswig, ein zierlicher, scheuer Mann, hat mich zur Strafarbeit eingeschlossen.
Obwohl ich fast einen Tag lang so sitze, kann und kann ich nicht anfangen: schau ich zum Fenster hinaus, fließt da durch mein weiches Spiegelbild die Elbe; mach ich die Augen zu, hört sie nicht auf zu fließen, ganz bedeckt mit bläulich schimmerndem Treibeis. Ich muß die Schlepper verfolgen, die mit krustigem, befendertem Bug graue Schnittmuster entwerfen, muß dem Strom zusehen, wie er von seinem Überfluß Eisschollen an unseren Strand abgibt, sie hinaufdrückt, knirschend höherschiebt bis zu den trockenen Schilfstoppeln, wo er sie vergißt. Widerwillig beobachte ich die Krähen, die, scheint’s, eine Verabredung bei Stade haben: von Wedel her, von Finkenwerder und Hahnöfersand schwingen sie einzeln heran, vereinigen sich über unserer Insel zu einem Schwarm, steigen und wenden in verwinkeltem Flug, bis sie sich auf einmal einem günstigen Wind anbieten, der sie nach Stade wirft.
Das knotige Weidengebüsch lenkt mich ab, das glasiert ist und mit trockenem Reif gepudert; der weiße Maschendraht, die Werkräume, die Warntafeln am Strand, die hartgefrorenen Klumpen des Gemüselandes, das wir im Frühjahr unter Aufsicht der Wärter selbst bebauen: alles und sogar die Sonne lenkt mich ab, die, wie durch Milchglas getrübt, lange, keilförmige Schatten fordert."

 

 1662463-45cfbde9ab3226ed64a21a3d1b3874e9.jpg
Siegfried Lenz (17 maart 1926 – 7 oktober 2014)

Geschreven door Romenu om 12:27 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten