Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 15 maart 2015 tot 16 maart 2015

P.C. Hooft, Bredero, Zoë Jenny, Alice Hoffman, Hooshang Golshiri

De geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Cornelisz. Hooft werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1581. Zie ook alle tags voor P. C. Hooft op dit blog.

 

Sonnet

Wanneer door 's werelds Licht de blindgeboren jongen
Gezicht verkreeg, hij stond verwonderd en bedeesd.

Beweging, verwe, stal van plant, van mens, van beest,
Verbluften zijn gedacht' en liefelijk besprongen.

Voorts sloten, torens, schier ten hemel hoog gesprongen,
Het tijd-verdrijf van 's mensen onderwind-al-geest;
Maar de zienlijke god, de schone zonne, meest.
Zijn tonge zweeg, 't gemoed dat riep om duizend tongen.

Even aleens, mijn licht, wanneer gij mij verschijnt
En dat mijn ziel ontdekt uw ziels sieraden vijndt,
Die 't oge mijns gemoeds, dat t' haarwaarts strekt, ontmoeten

Zo zwelt mijn hart van vreugd en van verwondring diep
En danke jegens u en jegens die u schiep,
Totdat het berst en valt gebroken voor uw voeten.

 

 

Zang

Amaril, had ik haar uit uw tuitje,
‘k Wed, ik vleugelde het goodje, het guitje,
Dat met zijn brand, met zijn boog, met zijn flitsen,
Land tegen land overeinde kan hitsen
En beroofde de listige stoker
Van zijn trots, zijn geschut en zijn koker.

Of en had ik maar een van die vonken
Die daar laatst in uw kijkertjes blonken,
‘k Plantte ze boven de Minne zijn kaken,
om deze blinde eens ziende te maken:
dat, als immer hij oorlogen wilde,
hij zijn pijlen met kennisse spilde.

Maar gij weet, had ik een van die wensjes,
Dat ik alle mijn lusten allensjes,
Waar gij mij nu om verlegen laat blijven,
Makkelijk weten zou dore te drijven;
En en wilt gij mij geen wapenen gunnen
Die u zelve veroveren kunnen.

 

 

Mosterd

Zo scherp van smaak, zo zoet van name!
Spraak-vormers, eij, hoe gaat dat samen?
'K weet niet hoe 't anderen verstaan,
Ik proef er niets Most-aardigs aan.

 

 

 1737549-113da4f9d558fe80a6e107a8c328886b.jpg
Pieter Cornelisz. Hooft (16 maart 1581 – 21 mei 1647)
Hoofts werkkamer in het Muiderslot

 

 

De Nederlandse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaensz. Bredero werd geboren op 16 maart 1585 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Bredero op dit blog.

 

Aandachtig gebed

O Levendige God! eeuwig, goed en almachtig,
Aanschouw meelijdelijk mij droeve en neerslachtig
Een uitgekweelde man van sobere gestalt;
Gedoog niet dat hem nu de wanhoop overvalt,
Die toch een vijand is van Hemelse genade,
Want zij mijn arme ziel zou eeuwelijke schaden.
Ontvang, O Heere! toch het zuiverst’ van mijn hert,
Geef dat mij mijne zond’ niet toegerekend werd.
Neem mij, die hier op aard’ als vreemdeling moest zwerven,
In ’s Hemels borgerij na een godzalig sterven.
Ach! dat uw lieve Zoon, met zijn onschuldig bloed,
Voor mij, kenschuldige, de borgtocht voldoet.
Och! ik ben uitgeteerd en ga met smart betreden
De algemene weg van d’ouwde lang verleden.
O Heer! ik kijve niet, noch hadder niet met u.
Het sterven is mij lief, is ‘t U behagelijk nu,
Want gij hebt mij gemaakt en moogt mij weer ontmaken,
Wanneer ’t u wel gevalt. O God! vóór alle zaken
Beveel ik u mijn Ziel, o Zaligmaker goed!
Ick geer geen ander vreugd, ik zoek geen ander zoet,
Geen ander blijdschap, ach! noch ook geen liever lusten,
Als bij de Bruidegom van mijne ziel te rusten.

 

 

Ik jaag en werd verjaagd

Jonkvrouwen, ’t is gedaan, ik kan niet meer verdragen
Uw weigeringen dreuts*, zo grillig als verkeerd.
Een ieder wil de haas in zijne strikken jagen
Maar ik werd overal verjaagd en niet begeerd.

 

 

Twee honden over een been komen zelden over een.

De Vorst mag geen gezel in zijn gebied gedogen,
Hij wil zijn rijk en troon beheersen ongemeen:
De Minnaar is jaloers schier van zijn eigen ogen,
Ja van zijn schaduw, die hij voor hem uit ziet treen.

 

 1737549-887ebf34a54d4b5706fc7e44f4c77f4a.jpg
Gerbrand Bredero (16 maart 1585 - 23 augustus 1618)
Bredero's geboortehuis aan De Nes in Amsterdam, ca. 1620:
uiterst links op de tekening (prent: Cl. J. Visscher)

 

 

De Zwitserse schrijfster Zoë Jenny werd geboren op 16 maart 1974 in Basel. Zie ook alle tags voor Zoë Jenny op dit blog.

Uit:Das Blütenstaubzimmer

„Manchmal blieb die Nacht draußen. Im Fensterrechteck spiegelten sich dann die Köpfe, die zur Stimme von Mick Jagger hin und her wackelten. Ich saß auf den Knien einer Frau und half ihr, die Flasche mit den vier Rosen auf dem Etikett an den Mund zu setzen.
Wenn sie den Kopf lachend nach hinten warf, lief der Alkohol aus den Mundwinkeln und rann in feinen Linien über die gepuderten Wangen. Am meisten lachte sie, wenn Vater in seinem wilden Tanz, bei der er sich mit fliegenden Armen um sich selbst drehte, über einen Stapel Papier oder Bücher stolperte; dann prustete sie den Alkohol aus ihren aufgeblasenen Backen angenehm kühl über mein Gesicht. "Willst du ein Geheimnis wissen?" fragte ich sie und nahm ihr die Flasche aus dem Mund.
"Ein Geheimnis?" Sie gluckste. Schob das Wort wie eine Süßigkeit im Mund herum.
"Geheimnisse mag ich", sagte sie und drückte dem jungen Mann neben ihr einen Kuß auf die Wange.
"Komm, ich zeig dir eines", sagte ich. Ihre Hand lag warm und willenlos in der meinen, als ich sie durch das von Büchern und Flaschen verbaute Arbeitszimmer meines Vaters führte. In meinem Zimmer ließ sie sich auf Bett plumpsen und setzte die Flasche wieder an den Mund, während ich die Zeichnungen unter dem Kleiderschrank hervorholte.
"Was ist das?" Sie schaute mit großen wäßrigen Augen auf die schwarzen Kleckse.
"Das Insekt. Es kommt immer nachts, wenn ich alleine bin, und frißt meinen Schlaf".
"Ahh ja?" Sie blickte mich mit gerunzelter Stirn an; ich nahm ihr die Zeichnungen aus den Händen und versteckte sie wieder unter den Schrank.
"Glaubst du an Gott?" fragte ich.”

 

 1737549-46fb6f55629518f45dc86d4c7bd14930.jpg
Zoë Jenny (Basel, 16 maart 1974)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Alice Hoffman werd geboren op 16 maart 1952 in New York. Zie ook alle tags voor Alice Hoffman op dit blog.

Uit: De duivenhoudsters (Vertaald door Josephine Ruitenberg en Emmy van Beest)

“We waren als duiven door de woestijn gekomen. In een tijd waarin de dood overal rondwaarde, waren we dankbaar voor alles en vooral voor elke nieuwe dag die aanbrak.
We zwierven al zo lang rond dat ik was vergeten hoe het was om tussen vier muren te wonen of een hele nacht door te slapen. In die tijd verloor ik alles wat ik had kunnen hebben als Jeruzalem niet was gevallen: een man, een gezin, een toekomst. Mijn jeugd vervloog in de woestijn. Het meisje dat ik eens was geweest verdween als ik me in witte doeken wikkelde tegen de stofwolken. We waren nomaden geworden die onze bedden, bezittingen, kleden en koperen potten hadden achtergelaten. Nu was de woestijn ons huis, ’s nachts zwart en rond het middaguur meedogenloos wit.
Er wordt wel gezegd dat de grootste schoonheid te vinden is in het meest onherbergzame land en dat God daar aanwezig is voor wie zijn ogen openhoudt, maar ik kneep mijn ogen dicht tegen de veranderlijke wind die je op slag kan verblinden. Ademen was al bijna onmogelijk als de wervelwinden door de woestijn raasden. Er stijgt een stem op uit de stilte die je gehoord moet hebben om te weten hoe die klinkt. Het is een bulderende stem die je voorliegt en overtuigt, die je besteelt en zonder een woord van troost achterlaat. Troost bestaat hier niet. Alleen wreedheid houdt stand en sluwheid volhardt.
Mijn huid was gelooid door de zon, mijn handen waren ruw. Ik gaf me over aan de woestijn en onderwierp me aan zijn krachtige stem. Mijn lot vergezelde me waar ik ook ging, alsof het met rood garen aan mijn voeten was genaaid. Alles staat allang geschreven voor het is gebeurd. We kunnen niets doen om het te verhinderen. Ik kon nergens anders heen. Vanuit Jeruzalem waren er maar drie wegen: naar Rome, naar zee of naar de woestijn. Mijn volk was weer gaan zwerven, verdreven zoals aan het begin der tijden.
Ik was met mijn vader de stad ontvlucht omdat ik geen keuze had.
Eigenlijk gold dat voor ons allemaal.”

 

 1737549-9582edf8f0b881ac661f4c7314f9f77b.jpg
Alice Hoffman (New York, 16 maart 1952)

 

 

De Iraanse schrijver Hooshang Golshiri werd geboren op 16 maart 1938 in Isfahan. Zie ook alle tags voor Hooshang Golshiri op dit blog.

Uit: Der Urknall (Vertaald door Anneliese Ghahraman-Beck)„Das stimmt doch sicher nicht. Schliesslich ist noch nicht die Eiszeit ausgebrochen. Sag die Wahrheit, Alte! Was ist da draussen los, vor dem Fenster, auf der anderen Seite der Mauer? Wie ist es moeglich, dass Agha Mahmud jede Nacht, die Gott gibt, meiner Tochter den Ruecken zukehrt und bis zum Morgen schnarcht, und die arme Safijeh eine Zigarette nach der andern raucht und zum Fenster schaut, bis es endlich hell wird und sie wieder aufstehen muss. Zuerst bringt sie die Kinder zur Schule, dann geht sie ins Buero. Sie muss ihre Haare bedecken, ihr Kopftuch unterm Kinn zustecken und bis drei oder halb vier immer aufpassen, dass ihre Haare ja nicht rausgucken. Das hat sie mir selber gesagt. Mir hat das Herz geblutet. Hoerst du, Frau? Ich hab sie gefragt, welche Mauern denn da draussen zusammenstuerzen, wo das Himmelsgewoelbe ein Loch bekommen wuerde, wenn die Haare meiner huebschen Tochter ein ganz kleines bisschen, nur so viel, wie dieses Rautenmuster da auf dem gelben Taschentuch Platz braucht, unter ihrem Kopftuch hervorgucken. „Wer hat bloss Angst vor meiner Tochter?“ hab ich gefragt. Wirklich, gerade gestern hab ich in der Zeitung gelesen, dass 15 Milliarden Jahre vergangen sind seit Bestehen dieses Himmels und dieser Erde. Sie haben sogar ein Bild von der Entstehung der Welt gemacht. Abgesehen davon - hoerst du mir auch zu? - Milliarden und Abermilliarden von Jahren muessen vergehen, bis jedes Atom sich immer wieder spaltet und sich die Atmosphaere immer weiter abkuehlt. Es ist doch noch nicht kalt geworden? Draussen herrscht doch noch keine eisige Kaelte? „

 

 1737549-c9086e6edcd4f5b9a7687a25306d92b5.jpg
Hooshang Golshiri (16 maart 1938 – 5 juni 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e maart ook mijn blog van 16 maart 2014 deel 1 en eveneens mijn blog van 16 maart 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:20 Reageer op dit bericht

Louis Paul Boon, Ben Okri, David Albahari, Gerhard Seyfried, Kurt Drawert, Andreas Okopenko

De Vlaamse dichter, schrijver en kunstschilder Louis Paul Boon werd geboren in Aalst op 15 maart 1912. Zie ook alle tags voor Louis Paul Boon op dit blog.

Uit: Pieter Daens

“Veel meer hield ik ervan door de straatjes te dwalen, langs de kromming van de rivier de Dender te slenteren en de buitenwijken te verkennen. Ik zag de wijk Schaarbeek met haar weiden en velden, ik waagde me in de wijk Osbroeck met op haar moerasgrond dichte begroeiing van warrelhout, en aan de overkant van de Dender drong ik door tot de wijk Mijlbeek, wier bewoners men buitenlieden noemde, of zelfs minachtend ‘deze van over de Rijn’.
Maar wat me meest boeide was het leven en lawaai langs de Dender, waar steeds meer fabrieken oprezen. Aalst matigde zich de naam van Keizerlijke Stede aan, maar bleek voorbestemd om gewoon een fabriekstadje te worden. Naast de kerken en kloosters schoten als giftige paddestoelen deze fabrieken uit de grond op. In het begin waren zij maar een schuur of bergplaats, maar als knaap kon ik reeds vaststellen, dat het niet meer de kerktorens waren die het stadje domineerden, doch hún rokende schoorstenen. Ik kon horen hoe niet meer het geklingel van de beiaard en het kleppen der Sintmaartenskerk de dagtijd bepaalde, maar het loeien der fabrieksirenen. Vanaf vijf en zes uur in de kille en nog duistere ochtend hoorde ik dit haast dierlijke huilen. Ik werd erdoor gewekt, en over de hobbelige stenen in de smalle straatjes hoorde ik het klepperen der klompen van mannen, vrouwen en kinderen, die zich naar de fabrieken repten.
Zelf heb ik het niet meegemaakt, maar uit kleurrijke verhalen van vader vernam ik, hoe deze fabrieken waren ontstaan en hoe de eigenaars, weldra ‘de heren’, zich tot almachtige heersers ontpopten. Ik hoorde allerlei fantastisch over Eliaert-Cools, over Jan Baptist Jelie, over kapitein Van der Smissen, die allen uit armoede het naburige stadje Ninove verlieten en naar Aalst kwamen afzakken.
Zij hadden te Ninove gewerkt in primitieve huisbedrijfjes zonder toekomst, en snoven hier de geur van iets dat niet nader te bepalen was: een nieuwe economie, een nieuw politiek leven, een nieuwe tijd.
Vader vertelde ons over Eliaert-Cools, die als 20-jarige met zijn even jonge vrouwtje de stad kwam bewonen en op een verloren plekje grond, aan de kromming van de Dender, garen begon te spinnen, te bleken en te verven. Nog geen drie jaar later had hij reeds honderd arbeiders in zijn fabriek en haast evenveel thuisarbeiders die voor hem werkten. In 1850 – ik was toen acht jaar geworden – liet hij een stoommachine plaatsen, de allereerste in de stad, en werd alles mechanisch ingericht. Zijn fabriek besloeg toen reeds het hele blok tussen de Oude Dender, de Stoofstraat en de Voldersstraat, en een groot deel der Pontstraat.”

 

 1736938-754a1764d2869792e27bb4f44501b60b.jpg
Louis Paul Boon (15 maart 1912 - 10 mei 1979)

 

 

De Nigeriaanse dichter en romanschrijver Ben Okri werd geboren op 15 maart 1959 in Minna, Nigeria. Zie ook alle tags voor Ben Okri op dit blog.

Uit:The Famished Road

“Our king was a wonderful personage who sometimes appeared in the form of a great cat. He had a red beard and eyes of greenish sapphire. He had been born uncountable times and was a legend in all worlds, known by a hundred different names. It never mattered into what circumstances he was born. He always lived the most extraordinary of lives. One could pore over the great invisible books of lifetimes and recognise his genius through the recorded and unrecorded ages. Sometimes a man, sometimes a woman, he wrought incomparable achievements from every life. If there is anything common to all of his lives, the essence of his genius, it might well be the love of transformation, and the transformation of love into higher realities.
The happier we were, the closer was our birth. As we approached another incarnation we made pacts that we would return to the spirit world at the first opportunity. We made these vows in fields of intense flowers and in the sweet-tasting moonlight of that world. Those of us who made such vows were known among the Living as abiku, spirit-children. Not all people recognised us. We were the ones who kept coming and going, unwilling to come to terms with life. We had the ability to will our deaths. Our pacts were binding.
Those who broke their pacts were assailed by hallucinations and haunted by their companions.
They would only find consolation when they returned to the world of the Unborn, the place of fountains, where their loved ones would be waiting for them silently.”

 

 1736938-631ef8433ccced236d775dc33c8faed4.jpg
Ben Okri (Minna, 15 maart 1959)

 

 

De Servische schrijver David Albahari werd op 15 maart 1948 geboren in Pec in Sevie.Zie ook alle tags voor David Albahari op dit blog.

Uit: Words are something else (Vertaald door Ellen Elias-Bursac)

“Infectious jaundice had left tangible traces on him-I don't know what-but when he'd turn or look, mid-stride, twisted, over his shoulder, you could say: this man has been to the end and he's on his way back. Then we lived in C., a prominent doctor's family, in regular attendance at the movie theaters, residents of a prewar villa with a massive oak door above which someone had scribbled, among the many swallows' nests, a large red five-pointed star. Afterward, when he got better, my mother was left with the legacy of making fresh cheese, as prescribed by his diet, and he began to work, at first on a shorter schedule, then a full week, never quite making it to head of his department (if you don't count his position as director in Pec, in Kosovo immediately after the war-the sole physician in the only gynecological clinic in the entire region) in C., or in Zemun.
There were days when I didn't feel like going, but I started getting dressed as soon as he took off his slippers in the kitchen. By then he had stopped using the switch as an educational method, he no longer summoned me into the bathroom except in the most remarkable circumstances, but even when I was outside in the yard I would come in, change shoes, wash my hands and face, leaving black smudges on the towel when I dried off. He was ready, pristine in his one summer suit (he had only a single pair of trousers in Pec, and an adjusted suit jacket; Mother would get up before he did to dry them a bit more with the iron) and a carefully knotted tie. Sometimes he tidied the hastily and clumsily arranged part in my hair, and then mute, unaccustomed to talk, he'd be ready to retreat abruptly. We set out together-he and Mother exchanging kisses, she and I grins-right into the bright light of day, through the oval park, through the old lumberyard, to the shore of the river. Now there is no park.
"Civilization devoured it," Mother says, leaning on the windowsill. And the trolley bus stop has been moved. In general: we have lost that important, central position, but we haven't budged; it's the town that's been moving around us.”

 

 1736938-ac9e2e100289c980f97cc9b471c35a9b.jpg
David Albahari (Pec, 15 maart 1948)

 

 

De Duitse schrijver, tekenaar en karikaturist Gerhard Seyfried werd geboren op 15 maart 1948 in München. Zie ook alle tags voor Gerhard Seyfried op dit blog.

Uit: Verdammte Deutsche!

„Berlin, Hallesches Ufer, 29. Juni 1911, Donnerstag
Seit Wochen herrscht in Berlin drückende Hitze. Über dem Asphalt flimmert die Luft. Zur Mittagszeit sind nur wenige Fußgänger unterwegs, aber auf der Straße am Halleschen Ufer braust der Verkehr: Automobile, Omnibusse mit offenem Oberdeck, erschöpfte Pferde vor Droschken und Brauereiwagen.
Im Schatten der Kastanien am Landwehrkanal stehen zwei Männer und schauen einem qualmenden Schlepper nach, der mit Ziegelsteinen beladene Finowkähne zieht. Einer der beiden trägt die dunkelblaue Uniform eines Marineoffiziers im Kapitänsrang, goldene Knöpfe und Ärmelstreifen blitzen im Sonnenlicht, das durch das Laub spielt. Sein Begleiter ist ein Zivilist, ein stämmiger Mann mit Kaiser-Wilhelm-Schnurrbart, in einem etwas zerknitterten blaugrauen Sommeranzug, auf dem Kopf eine Kreissäge, wie die leichten Strohhüte genannt werden. Eben taucht der letzte Ziegelkahn in den Schatten der Großbeerenbrücke ein, und der Zivilist schnippt den Rest seiner Zigarre ins braungrüne Wasser des Kanals.
Der bärtige Offizier räuspert sich: »Sehen Sie, Steinhauer, das Problem ist, die Abteilung kann so gut wie keine Erfolge vorweisen. Existiert jetzt knapp zehn Jahre, mit nur drei Mann, von Ihnen mal abgesehen, und einem lächerlich geringen Budget. Wenn sich das nicht ändert, wird man uns früher oder später als überflüssig auflösen.«
Steinhauer nimmt den Strohhut ab und tupft sich mit einem Taschentuch den Schweiß von der Stirn.
»Das alte Lied«, seufzt er, »kein Geld. Ohne Geld keine Agenten. Jedenfalls keine guten.«

 

 1736938-cc4e99001b4516df1305081d0b3680ec.jpg
Gerhard Seyfried (München, 15 maart 1948)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Kurt Drawert werd geboren op 15 maart 1956 in Henningsdorf. Zie ook alle tags voor Kurt Drawert op dit blog.

Uit: Ich hielt meinen Schatten für einen andern und grüßte

„Nun sehe ich in der Toilettenverpachtung sehr wohl eine Zukunftsaufgabe gemäß meiner Hochverschuldung bei der HypoVereinsbank. Sie wissen, sagte ich Feuerbach, der berufsbedingt schwieg, daß ich eine schreibende Persönlichkeit wurde und zu viele Tage und Nächte mit Lyrikstrapazen hingab für finanziell reinweg gar nichts. Doch haben vor allem die Damen der höheren Stände mich so stark bewundert, daß mir ganz blind vor Augen nie so recht klar werden konnte, wie wenig gut eßbar die Ehre ist. O ich hörte wohl ihre zarten, empfindsamen Herzen brechen, aber leider nie das Geräusch klimpernder Münzen. Also auf! auf!, zum Amtsbürgermeister von Okkerwalde und dann ganz persönlich gesprochen. Binder, sehr feiner Mann mit literarischer Bildung und einer Nase, wie ich sie schon einmal bei Diderot gesehen hatte, an einem Montag mit neutralem Wetter außerhalb der eigenen (?) vier Wände. Kein Regen oder Schnee, keine Sonne, aber sehr freier, weiter, tiefblauer Himmel, durchaus geeignet, keinen Anlaß für ein Gedicht herzugeben, komisch, komisch. Binders erste weil schönste Sekretärin Grete von Hering wollte gerade zur Mittagszeit die Abteilungstür schließen und war schon eben dabei, die Gardinen, roter Samt mit gelben sowjetischen (?) Sternen, im Beschwerdezimmer zuzuziehen, da stemmte ich noch schnell meinen Klumpfuß in die Angel und sagte, – bitte! Also, – bitte! sagte ich, mindestens zweimal, vielleicht auch dreimal hintereinander. O was für ein Mitleid sie hatte! Wie blaß sie wurde! Binder kam, sah mich und kotzte in eine eigens dafür auf seinem Schreibtisch stehenden Schale aus Kokosrinde mit Elfenbeinverzierung. – Entschuldigung, sagte er, aber. – Schon klar, sagte ich, ich kotze auch oft, wenn ich mich unverhofft sehe, und mit eben diesen Worten trug ich mich sofort ins Gästebuch ein.“

 

 1736938-0add9aa9b80138f35f54e597302cdbeb.JPG
Kurt Drawert (Henningsdorf, 15 maart 1956)
 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Andreas Okopenko werd in Košice (Slowakije) geboren op 15 maart 1930. Zie ook alle tags voor Andreas Okopenko op dit blog.

 

Nachruf auf einen Künstler

1
Er unterhielt uns, weil sein Leben sinnvoll war.
Sein Leben war sinnvoll, weil er uns unterhielt.
2
Sein Leben war sinnvoll, weil er uns unterhielt?
Er unterhielt uns, weil sein Leben sinnvoll war.
3
(Die Reihung der Abschnitte ist umzukehren.)
4
(Die Zulässigkeit der Umkehr ist in Frage zu stellen.)

 

 

Uit: Lockergedichte

 

Altersweisheiten
1
Leichen säumen meinen Weg:
alten Mannes Privileg.
2
Man ist so jung, wie man sich fühlt,
wenn man mit seinem Schwänzchen spielt.

 

Angelika, Angelika,
ich weiß ein altes Lied:
Wer fremden Scheißdreck knetet
und dabei griechisch betet,
ist meistens schizoid.

 

 1736938-c68313ab0b1b362bc4c709fd95809152.jpg
Andreas Okopenko (15 maart 1930 – 27 juni 2010)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:08 Reageer op dit bericht

An Rutgers van der Loeff, Franz Schuh, Lionel Johnson, Paul Heyse, Ángelos Sikeliános, Wolfgang Müller von Königswinter

De Nederlandse schrijfster An Rutgers van der Loeff werd geboren in Amsterdam op 15 maart 1910. Zie ook alle tags voor An Rutgers van der Loeff op dit blog.

Uit: De Elfstedentocht

“Met grote ogen staart hij naar de mannen die diep voorovergebogen komen aansuizen. Ze remmen af, steken groetend de handen op, slieren langs de controletafels, waar ze in grote haast hun kaart ter stempeling aan bieden. "Gauw, gauw!" Iedereen roept hun iets toe. "Hou vol! Goed zo! We zijn trots op jullie!" Anderen vragen hoe het ijs was.
En Tabe? Waar is Tabe? Ja - daar is hij! De achterste. Maar toch maar in de kopgroep. Tabe wordt extra toegejuicht. Tabe is hun man. "Zet 'm op, Tabe!" dat is Tjeerds hoge stem, bijna hees van opwinding. Maar hij wordt overschreeuwd door anderen. Het hele dorp leeft mee. Stel je voor dat uit hún midden de overwinnaar zou komen. Kijk die Tabe eens! Is hij niet geweldig? Daar spurt hij alweer weg, nadat hij haastig een kop warme melk met ei naar binnen geslurpt heeft. Hij is niet de achterste nu. Hij rijdt gelijk op met nummers zeven en acht, hij komt vóór. De juichende stemmen aan de kant geven hem reuzekracht. - Nu zijn ze weg - de hele groep.
Jelle heeft het hart in de schoenen voelen zinken. Hij is de enige die heeft uitgekeken naar die ander, die bij Tabe moest zijn. Maar die ander was er niet.
"Hee zeg." Iemand slaat hem op de schouder. "Waar is Auke toch? 'k Heb hem overal gezocht."
" 'k Weet niet," stamelt Jelle en hij maakt dat hij wegkomt. Verderop, waar niet zoveel mensen staan, dáár gaat hij heen.
"De volgenden! Daar heb je ze - de tweede groep!" hoort hij roepen. Opeens voelt hij zich koud worden. Daar rijdt midden in de tweede groep, onopvallend, een tamelijk tengere figuur. De ijsmuts diep over het hoofd getrokken. Beheerst rijdt hij tussen de anderen, die opeens extra spurten om vóór te zijn bij de controletafels.
Plotseling klinkt er een kreet: "Maar dat is Auke!"

 

 1736934-67a40b2b1de4d54656225fa5c0d26e60.jpg
An Rutgers van der Loeff (15 maart 1910 – 19 augustus 1990)
Amsterdam in de winter, Prinsengracht

 

 

De Oostenrijkse schrijver en essayist Franz Schuh werd geboren op 15 maart 1947 in Wenen. Zie ook alle tags voor Franz Schuh op dit blog.

Uit: Sämtliche Leidenschaften

„Ich glaube (sagte ich, auf dem Floß unruhig auf und ab gehend. Der Fluss dagegen war ruhig, nicht eine Welle war zu sehen. Es war ein heißer Sommertag, und auf der anderen Seite des Ufers war die Wiese von der Sonne grell beleuchtet. Auf das Floß fiel um diese Tageszeit noch der Schatten des Waldes) –, ich glaube, wer etwas von der Individualität hält, von der Individualität der Menschen (davon, dass Menschen dadurch wichtig sind, dass sie als Einzelne vorkommen), muss notgedrungenermaßen auch etwas vom Tod halten. Es gibt ja die Möglichkeit – diese Chance ist jedem Einzelnen eingeräumt –, den Tod zu hassen und zu sagen: Der Tod nimmt all diesen Versuchen, am Leben gewesen zu sein, die Kraft und am Ende auch den Sinn. Es ist... irgendwie... (ich setzte mich an den Rand des Floßes, die Füße baumelten im Wasser, das Wasser war eiskalt), durch den Tod, durch den Tod erfolgt eine Nichtigkeitserklärung an alle menschlichen, einzelnen Unternehmungen. Ja, die Gattung lebt weiter und ist anscheinend auf viele Individuen angewiesen, aber des Einzelnen bedarf die Gattung um ihrer selbst nicht (unbedingt). Vielleicht manche Einzelne, die der Gattung außerbiologisch einen historischen Sinn gegeben haben; sie existieren dann weiter im Gedächtnis, sie konstituieren zusammen mit einigen Lebenden einen menschlichen Zusammenhang ganz unsicherer Natur: die Menschheit, die Kultur.
Angesichts des Todes verschwindet der Einzelne auch aus dem Leben der Gattung – und die Gattung tut weiter wie bisher, als ob ich nicht gewesen wär. Die Frage nach dem Tod, vor allem die nach dem eigenen Tod, ist eine Variante der Eitelkeit oder, vielleicht besser, sie ist ein Endpunkt der Eitelkeit: Man ist unversöhnlich mit dem eigenen Nicht-Sein, das man gar nicht denken kann.“

 

 1736934-c5fff9d0b0ba64e84eb03081f915857d.jpg
Franz Schuh (Wenen, 15 maart 1947)

 

 

De Engelse dichter, essayist en criticus Lionel Pigot Johnson werd geboren op 15 maart 1867 in Broadstairs. Zie ook alle tags voor Lionel Johnson op dit blog.

 

Mystic and Cavalier

GO from me: I am one of those who fall.
What! hath no cold wind swept your heart at all,
In my sad company? Before the end,
Go from me, dear my friend!

Yours are the victories of light: your feet
Rest from good toil, where rest is brave and sweet:
But after warfare in a mourning gloom,
I rest in clouds of doom.

Have you not read so, looking in these eyes?
Is it the common light of the pure skies,
Lights up their shadowy depths? The end is set:
Though the end be not yet.

When gracious music stirs, and all is bright,
And beauty triumphs through a courtly night;
When I too joy, a man like other men:
Yet, am I like them, then?

And in the battle, when the horsemen sweep
Against a thousand deaths, and fall on sleep:
Who ever sought that sudden calm, if I
Sought not? yet could not die!

Seek with thine eyes to pierce this crystal sphere:
Canst read a fate there, prosperous and clear?
Only the mists, only the weeping clouds,
Dimness and airy shrouds.

Beneath, what angels are at work? What powers
Prepare the secret of the fatal hours?
See! the mists tremble, and the clouds are stirred:
When comes the calling word?

The clouds are breaking from the crystal ball,
Breaking and clearing: and I look to fall.
When the cold winds and airs of portent sweep,
My spirit may have sleep.

O rich and sounding voices of the air!
Interpreters and prophets of despair:
Priests of a fearful sacrament! I come,
To make with you mine home.

 

 1736934-39a8a7cacf7ebda445ab82d2f75e0e9b.jpg
Lionel Johnson (15 maart 1867 – 4 oktober 1902)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Paul Heyse werd geboren in Berlijn op 15 maart 1830. Zie ook alle tags voor Paul Heyse op dit blog.

 

San Guiseppe

Warum so festliches Geläut?
Wem gilt der frohe Lärm? Ja so!
Sie feiern San Guiseppe heut
In allen Kirchen von Salò.

Man dankt es ihm, daß er nicht fern
Und schmollend bei der Krippe stand,
Als überm dürft'gen Stall der Stern
Den Kön'gen winkt aus Morgenland.

Nährvater sein dem Gottessohn -
Die Ehr' und Mühe war nicht klein,
Und er empfing als Himmelslohn
Den wohlverdienten Heil'genschein.

Drum macht er auch an seinem Fest
Zumal bei jungen Frauen Glück,
Und selbst im allerkleinsten Nest
Bleibt keine von der Kirch' zurück.

Zudem, in Welschland Sitte war's
Von je: geht einer ein und aus
Als Hausfreund eines Ehepaars,
Beschenkt er heut die Frau vom Haus.

Naive Theologen sind
Des Südens Kinder allzumal.
Auf der Mysterien Deutung sinnt
Ihr kecker Geist gar sehr real.

Und scheint, was sich hier unten schickt,
Uns Nordischen manchmal Blasphemie,
Die gute Mutter Kirche drückt
Eine Auge zu und duldet sie.

 

 1736934-29fee55f1e09c6f3635339bc55299b21.jpg
Paul Heyse (15 maart 1830 - 2 april 1914)
Rond 1885

 

 

De Griekse dichter Ángelos Sikeliános werd geboren op 15 maart 1884 op het eiland Lefkas. Zie ook alle tags voor Ángelos Sikeliános op dit blog.

 

Yannis Keats (Fragment)

And to spend all day in the talk that comes and goes,
Or silence, when no one spoke,
While we drove the horses who were always leaning one way
Or another against the yoke,

But most of all I wanted to see your eyes,
Your deer-like eyes, behold
The palace of Menelaus, and forget themselves
In bronze and the gleam of gold,

Unwavering gaze, sinking the sight so deep,
You’d never remember
The figured silver, the ivory, gilded or white,
The heavy amber,

And I thought that I would say in a hushed voice
Leaning close to your ear,
Watch out, my friend, because in a moment, soon,
Helen will appear

Before our very eyes, the one and only
Daughter of the Swan,
And then we will sink our eyelids in the river
Of Oblivion.

*

So brightly I saw you; but what grassy roads
Have led me to your tomb!
And the blazing roses with which I strew your grave
And make all Rome abloom,

Light the way unto your golden songs
As though they were the brave,
Armed bodies that turn to dust before one’s eyes
In an ancient, new-breached grave,

And all the worthy treasure of Mycenae,
The golden plunder
I thought to lay before you—goblet, sword,
And diadem—past wonder,

A mask on your dead beauty like the mask
That covered the face
Of the king of the Achaeans—all gold, all artifice,
Hammered upon Death’s trace.

 

 1736934-ef963edae48bc8c7bd1b614d72e21141.jpg
Ángelos Sikeliános (15 maart 1884 – 9 juni 1951)
Cover

 

 

De Duitse dichter, arts en politicus Wolfgang Müller von Königswinter (eig. Peter Wilhelm Karl Müller) werd geboren op 15 maart 1816 in Königswinter. Zie ook alle tags voor Wolfgang Müller von Königswinter op dit blog.

 

Geschieden

Im fernen Westen weilest du,
Und ich im Osten fern,
Ich finde weder Rast noch Ruh',
Bei dir fänd' ich sie gern.
Wir haben einst gelacht, gescherzt,
In stiller Seligkeit,
Wir haben uns geküßt, geherzt,
Wohl war es schöne Zeit!

Viel Berge stehn, viel Flüsse gehn,
Viel Monde sind bis hin;
Doch über Zeiten, Länder, Seen
Steht nur nach dir mein Sinn.
Ach über Tag, ach über Nacht
Ist schwer um dich die Brust,
Von dir geträumt, an dich gedacht
Hab' ich in Leid und Lust.

Und alles mahnet mich an dich,
Der Wald, der Strom, die Au:
Du schaust mich an so wonniglich
Aus Blumen und aus Thau,
Du singst mich an im Vogelsang,
Du hauchst mich an in Duft;
Wir schwärmten ja viel Tage lang
In milder Frühlingsluft.

Zur Wolke und zum Vogel blick'
Ich in die Lüfte hin,
Und tausend Liebesgrüße schick'
Ich dir aus treuem Sinn.
Ach, immer denk' ich nur zurück
An ferne Seligkeit:
Mein Stern, mein Himmel und mein Glück!
Wohl war es schöne Zeit!

 

 1736934-2995f6ef6e249ec50aaa48cec753a34f.jpg
Wolfgang Müller von Königswinter (15 maart 1816 – 29 juni 1873)
Königswinter, Drachenburg

Geschreven door Romenu om 12:58 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten