Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 23 juli 2015 tot 24 juli 2015

Dolce far niente, Nescio, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

 1794347-6586a8e0ddef7edd9ed7c78b7d4bc758.jpg
Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam

                              

 

Uit: Titaantjes

“Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z’n baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat Bavink met z’n hoofd in z’n handen, over de zon te praten, bij ’t sentimenteele af. En we vonden dat ’t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van ’t water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z’n vuist tegen z’n voorhoofd en vloekte: „God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.” Nu zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.”

 

 1794347-412de09e477867589b441cbf974f1f7a.jpg
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
 Nescio op het terras van het (nu verdwenen) Noord- en Zuidhollands koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

“I, Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus This-that-and-the-other (for I shall not trouble you yet with all my titles) who was once, and not so long ago either, known to my friends and relatives and associates as "Claudius the Idiot", or "That Claudius", or "Claudius the Stammerer", or "Clau-Clau-Claudius" or at best as "Poor Uncle Claudius", am now about to write this strange history of my life; starting from my earliest childhood and continuing year by year until I reach the fateful point of change where, some eight years ago, at the age of fifty-one, I suddenly found myself caught in what I may call the "golden predicament" from which I have never since become disentangled.”
(…)

“And what thoughts or memories, would you guess, were passing through my mind on this extraordinary occasion? Was I thinking of the Sibyl's prophecy, of the omen of the wolf-cub, of Pollio's advice, or of Briseis's dream? Of my grandfather and liberty? Of my grandfather and liberty? Of my three Imperial predecessors, Augustus, Tiberius, Caligula, their lives and deaths? Of the great danger I was still in from the conspirators, and from the Senate, and from the Gaurds battalions at the Camp? Of Messalina and our unborn child? Of my grandmother Livia and my promise to deify her if I ever became Emperor? Of Postumus and Germanicus? Of Agrippina and Nero? Of Camilla? No, you would never guess what was passing through my mind. But I shall be frank and tell you what it was, though the confession is a shameful one. I was thinking, 'So, I'm Emperor, am I? What nonsense! But at least I'll be able to make people read my books now. Public recitals to large audiences. And good books too, thirty-five years' hard work in them. It wont be unfair. Pollio used to get attentive audiences by giving expensive dinners. He was a very sound historian, and the last of the Romans. My history of Carthage is full of amusing anecdotes. I'm sure that they'll enjoy it.”

 

 1794347-731bb517253fb2cfb94e9cd594944c08.jpg
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)
Cover 

 

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook mijn blog van 24 juli 2010 en eveneens alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

 

Zomer

3.
Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos,
En hangt smaakvol in evenwijd'ge bogen
Zijn dweilen uit, om onderwijl te drogen,
Rood, geel, groen, blauw van verf en bloed en roos;

Op 't tekenvuil in 't oosten gooit hij boos
De kop'ren kam, nu helemaal verbogen. -
Pet-blauw, knoop-geel, stuiptrekkend vastgezogen
Veel buit aan kam: hij voelt zich virtuoos.

Daar krauw'len uit de schurft luizen en maaien:
Ze zien verbleken de onschaadlijke dweil,
En machtloos-verre tanden groenig laaien:

Lovend hun luizengod in luizenstijl
Gaan dankbaar ze naar bed, en vroom en geil
Kruipen ze zwetend op elkaar en n.....

 

 

'k Hoor, hoe met gouden lijst de schilderij

'k Hoor, hoe met gouden lijst de schilderij
onhoorbaar zegt, terwijl ik sta te kijken:
'Ik hang in 't niets, zelf niets dan schijn van eiken,
van weiden en van wolken, zee en hei;

Brahmans gedachte heeft bereikt in mij,
wat in uw werklijkheid hij wou bereiken.
Met kosmisch Zelfgevoel zal 'k u verrijken;
zink door mijn schijn in 't Wezen en word vrij.'

Maar 't panorama - ergernis voor wijding
geeft mij zijn sluwe en spokige misleiding:
't liegt mij de straat op, wrev'lig en beklemd,

waar, diep genot om eerlijkheid verscherpend,
rumoerig klikkend, knallend, klinglend, snerpend,
het leven rent en motort, fietst en tramt.

 

 

't Is lang geleden (3)

Maar - één ding was er, dat 'k niet prettig vond:
Ik kende een plaat, waarop een neger vloog
Met de armen om een blanke, in 't donker. Hoog
Zag je veel licht; beneden was de grond.

Werd hij nu ook een engel? Met zo'n mond?
En met dat griez'lig witte van zijn oog?
Ik hoopte, dat grootmoeder zich bedroog,
En hij niet was bij God, als ik er stond.

Grootmoeder zei - 'k hoor nog haar lieve stem -
De kleur was niets; God zag alleen de harten;

En was dàt goed, dan kwam je vast bij Hem;
Hij hield niet meer van blanken dan van zwarten.

En ik begreep 't: gelijk zijn al de doden,
De mensen en de negers en de Joden.

 

 1794347-d2791f4c1fb28ab5bc4cd3794e83dd1a.gif
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Hier met pleegdochter Hetty

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2012 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 17:15 Reageer op dit bericht

Tim Reus

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en schrijver Tim Reus werd geboren in 1990 in Enkhuizen. Hij studeerde Engels aan de VU en vertaalwetenschappen aan de Universiteit van Leiden. In m'n vrije tijd speelt hij gitaar en ocarina. Daarnaast schrijft hij muziek. In 2015 verscheen zijn gedichtenroman “Hier in het nest”. Eerder publiceerde hij al Engelstalige romans onder het pseudoniem T. R. Gwirion. Zo verscheen in 2013 “Where Frogs Whistle and Tadpoles Sing“ (Via Publicatie platform CreateSpace)

Uit: Where Frogs Whistle and Tadpoles Sing

“A large, yellow-red leaf left the safety of a branch and gently floated down. Untouched by the wind, it passed windows and bricks, leaves and wood, until it finally landed in one of the many puddles. With her forehead pressed against the window, Lily realised how that leaf managed to represent the entirety of her life. She turned to keep seeing it as the car drove on.
Medan was obviously still angry. His knuckles were white on the wheel and his gaze was fixed on the road, and the needle of the speedometer steadily moved clockwise. The speed limit was nothing but a small figure far behind them, disappearing in the distance. Medan would sometimes grumble something unintelligible, but most of the time he was mercifully silent.
They shot past buildings Lily had not seen in a long time. Her youth flashed by, hidden behind boarded-up windows and old, filthy wooden doors. Usually Medan was very careful at avoiding the street, but today he didn’t seem to care. Unable to watch the withering houses any longer, Lily sank back in her seat.
Medan finally released the gas pedal, cutting the engine’s roar.
“You know you're being stupid," he said with feigned calmness.
Just shut up,” Lily responded coldly. She sniffed, and wiped the almost-dry salt off her cheeks.
You know you are,” Medan barked.
Despite her anger, Lily was amazed at Medan's ability to restart the fight they’ d just had.
You know you are," repeated the hulking figure behind the wheel, ”and you know you should've kept quiet."
Lily tried her best to stay calm, but he knew exactly how to get under her skin. He had had almost two years of practice, after all, and seemed to relish the conflict.
The angry looks he shot her whenever he thought the road could miss his attention - which was dangerously often unnerved Lily immensely. The small eyes, almost hidden in the shadow of a pronounced brow ridge, glinted in the early light of the lampposts. Lily first ignored his stare, but her fear of his ill temper finally made her turn towards him.”

 

 1901532-6c9117f0788b82914f5ef1ca4e18f5aa.jpg
Tim Reus (Enkhuizen, 1990)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Nelson Mandela, Frans Erens, Kai Meyer

 

Dolce far niente

 

 1794030-3565f144c2211a7508d2110c3e33e26e.jpg
Het onlangs geopende Mandelahuisje in Amsterdam

 

 

Letting Go

To let go doesn’t mean to stop caring: it means I can’t do it for someone else.

To let go is not to cut myself off;
it is the realization that I can’t control another.

To let go is not to enable,
but to allow learning from natural consequences. To let go is to admit powerlessness,
which means the outcome is not in my hands.

To let go is not to try to change or blame another;

I can only change myself.

To let go is not to care for, but to care about.
To let go is not to fix, but to be supportive.

To let go is not to judge,
but to allow another to be a human being.

To let go is not to be in the middle arranging outcomes, but to allow others to effect their own outcomes.
To let go is not to be protective;
it is to permit another to face reality.

To let go is not to deny, but to accept.

To let go is not to nag, scold, or argue,
but to search out my own shortcomings and to correct them

To let go is not to adjust everything to my desires,
but to take each day as it comes and to cherish the moment.

To let go is not to criticize and regulate anyone, but to try to become what I dream I can be. To let go is not to regret the past,
but to grow and live for the future.

To let go is to fear less and love more.

 

 1794030-7119ef528d2a2d82e0eb9919e6fc88a7.jpg
Nelson Mandela (18 juli 1918 – 5 december 2013)
Portret door Kim Novak

 

 

De Nederlandse schrijver Frans Erens werd geboren op 23 juli 1857 in Schaesberg. Zie ook alle tags voor Frans Erens op dit blog.

Uit: Amsterdamse herinneringen

“Een paar maanden na de oprichting van De Nieuwe Gids werd een stuk ingezonden, dat de beschrijving bevatte van een kelderwoning op de Zeedijk. Slecht was het niet, doch men wist niet goed, wat men eraan had. Was het echt of was het soms een grap van de een of andere vijandelijk gezinde, bij voorbeeld van Van Maurik, om De Nieuwe Gids erin te laten lopen? Het stuk was ondertekend ‘Querido’, een toen geheel onbekende naam. Niemand van ons had hem ooit horen noemen. Kloos vroeg aan Witsen en mij of wij samen eens aan het opgegeven adres wilden onderzoeken of de schrijver daar woonde. Wij gingen erheen. Het was driehoog in een dwarsstraat van de Sarphatistraat. Wij schelden er aan, doch kregen ten antwoord, dat daar geen mijnheer Querido woonde. Het aangeboden stuk werd door de redactie geweigerd. Jaren daarna heb ik mij dat geval herinnerd; misschien was dat stuk wel de eerste poging tot publikatie van de later algemeen bekende auteur.
Een van Witsen's eerste schilderijen was een herder, levensgroot met schapen. De invloed van Mauve was duidelijk merkbaar, maar toch zag Veth er kwaliteiten in, die Witsen voorbestemden een der beste schilders onder de toenmalige jongeren te zijn. In 1891 of 1892 heeft hij mijn portret geschilderd,503. een werk dat op de kort daarop volgende tentoonstelling in Arti veel succes had. Het heeft dan ook grote kwaliteiten. De gelaatsuitdrukking is zeer levendig, vooral de kin heeft een meesterlijke toets; ook de hand is met grote zorg geschilderd.
Bij menigeen viel het echter niet in de smaak, omdat het zeer donker is gehouden en alleen na aandachtig beschouwen zijn mooie kwaliteiten toont.
Ik kwam in die tijd veel bij hem op het atelier en kort daarna tekende hij nog een portret van mij in zwartkrijt. Hij woonde toen op de eerste verdieping van het huis in het Oosterpark, waar Verlaine gelogeerd heeft.”

 

 1794030-2f0398c60b553902d4655557e9cb1e55.jpg
Frans Erens (23 juli 1857– 5 december 1936)
Oudezijds Kapel aan de Zeedijk te Amsterdam door Cornelis Springer, 1880

 

 

De Duitse schrijver Kai Meyer werd geboren op 23 juli 1969 in Lübeck. . Zie ook alle tags voor Kai Meyer op dit blog en ook mijn blog van 23 juli 2010.

Uit: Die Seiten der Welt

“Während sie die Stufen zur Bibliothek hinablief, konnte Furia die Geschichten schon riechen: den besten Geruch der Welt.
Neue Bücher rochen nach Druckerschwärze, nach Leim, nach Erwartungen. Alte Bücher dufteten nach Abenteuern, ihren eigenen und jenen, von denen sie erzählten. Und gute Bücher verströmten ein Aroma, in dem das alles steckte, und dazu noch ein Hauch von Magie.
Es gab eine Menge guter Bücher in der Bibliothek des Hauses Faerfax und noch mehr alte. Manche waren so mürbe, dass die Ränder ihrer Seiten wie totes Laub zersplitterten, sobald man sie berührte. Die meisten waren von irgendwem gelesen worden, aber es gab auch solche, in die niemand je einen Blick geworfen hatte, weil sie verborgen in den Seitengängen standen und es verboten war, den Hauptweg zu verlassen. »Niemals vom Pfad abweichen« lautete das ungeschriebene Gesetz dieses Ortes.
Die Bibliothek befand sich in den uralten Katakomben des Hauses. Die Gewölbe und Tunnel stammten noch aus der Zeit, als die Römer Britannien erobert hatten. In den grünen Tälern der Cotswolds hatten sie Dutzende von prächtigen Villen errichtet. Auf den Ruinen eines dieser Anwesen stand heute der Landsitz, den die Faerfax nur die Residenz nannten.
Der Hausmeister Wackford polierte gerade die Eisentür der Bibliothek, als Furia von der Treppe in den Vorraum stürmte. Das Metall schimmerte silbern wie ein Spiegel, ihr Ebenbild darin war verzerrt. Das lag an der leichten Wölbung des Eisens – als hätte ein Bulldozer versucht, aus dem Inneren durch die Tür zu brechen. Nur dass ein Bulldozer nicht zwischen die Regale auf der anderen Seite passte.“

 

 1794030-bea3972b28af337281bc7ccc2d2f0b1c.jpg
Kai Meyer (Lübeck, 23 juli 1969)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2012 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten