Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 28 juli 2015 tot 29 juli 2015

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee

 

Dolce far niente

 

 1796327-6052d89e5f4bc93b01a06292d4bea97e.jpg
Bloemstraat met de Westertoren, Amsterdam door Jan Korthals (1916 - 1972)

 

Uit: Jongensdagen

““Terwijl de jongens hun dikke boterhammen opsmulden, praatten ze over de uitbreng-klanten.
Hun vader was al eenige jaren dood; moe had nu een kruidenierswinkel met brooddepôt; elken morgen moesten er een vijf-en-twintig brooden worden rondgebracht; dat deden de jongens altijd natuurlijk; de eene week Henk de ‘verre’, de andere week Ko. En 's Woensdagsmiddags, als er geen school was, moest één van beiden een mand kruidenierswaren brengen naar nicht Simons, die wel een klein uur ver woonde.
‘Jij hebt de verre,’ merkte Ko op.
‘Jij moet vanmiddag naar nicht Simons,’ zei Henk terug.
Maar ze waren in een véél te goed humeur om er ruzie over te maken.
‘Voor mijn part moet ik vanochtend alle klanten loopen,’ sprak Ko, ‘tijd zat hé.’
En Henk was even inschikkelijk: ‘Nou; wil ik ze allemaal doen?’ stelde hij voor.
‘Och nee,’ kwam Ko weer, ‘maar weet je wàt? Ga mee vanmiddag sàmen naar nicht Simons. Jà?’
Henk keek wantrouwig. ‘En het geld dan?’ vroeg hij, want nicht Simons had de gewoonte aan den brenger van haar boodschappen een paar centen te geven. Ko aarzelde even; toen antwoordde hij: ‘Oók samen.’ ‘Goed dan,’ beloofde Henk.
Ze hadden hun brood op; Ko liep fluitend naar voren: Henk ging even kijken, of zus Miep nog niet wakker was. Maar ze sliep nog. ‘Lekker dier!’ mompelde Henk; en hij gaf haar een zoen en holde weg, óók naar den winkel. Er was geen ‘volk’.
Moe pakte een mand vol met brood, en deed er een doek over. Ko nam de mand van de toonbank, en liep vroolijk de deur uit. Hij ging de klanten op de gracht en om den hoek ‘doen’. ‘Kruier krijg je nog van gisteren óók!’ riep Moe hem na.
Toen kreeg Henk ook zijn deel; zorgvuldig telde hij de brooden in zijn mand na, en noemde de klanten op: ‘Ouë juffrouw één, dokter drie, 't Hoffie twee....’ En hij stapte ook weg. Moe ging naar achteren.”

 

 1796327-56bbd5dae3027ec46d14455edf125855.jpg
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)
De Frans Halsstraat waar Thijssens moeder korte tijd een brooddepot had

 

 

De Argentijnse schrijver en wiskundige Guillermo Martínez werd geboren in Bahía Blanca op 29 juli 1962. Zie ook alle tags voor Guillermo Martinez op dit blog.

Uit: Gewaltige Hölle (Vertaald door Angelica Ammar)

„Oft, wenn der Laden leer ist und nur das Summen der Fliegen zu hören ist, denke ich an den Jungen, dessen Namen wir nie erfuhren und den niemand im Dorf je wieder erwähnte. Aus irgendeinem unerfindlichen Grund stelle ich ihn mir immer so vor, wie wir ihn das erste Mal gesehen haben, mit staubiger Kleidung, Dreitagebart und vor allem dem langen, zerzausten Haar, das ihm fast bis in die Augen fiel.
Der Frühling hatte gerade begonnen, deshalb hielt ich ihn für einen Rucksacktouristen auf dem Weg in den Süden, als er den Laden betrat. Er kaufte Konserven und Matetee oder Kaffee; während ich alles zusammenrechnete, besah er sein Spiegelbild in der Scheibe, strich sich die Haare aus der Stirn und fragte mich nach einem Friseur. Damals gab es zwei Friseure in Puente Viejo; wäre er zu dem alten Melchor gegangen, denke ich mir heute, wäre er der Französin vielleicht nie begegnet und es hätte kein Gerede gegeben. Aber Melchors Friseurladen befand sich nun mal am anderen Ende des Dorfes, und was geschah, war wohl unvermeidlich.
Jedenfalls schickte ich ihn zu Cervino, und während Cervino ihm die Haare schnitt, tauchte offenbar die Französin auf. Und die Französin schaute den Jungen an, wie sie die  Männer immer anschaute. Damit fing die ganze verflixte Angelegenheit an, denn der Junge blieb im Dorf und wir dachten alle dasselbe: dass er wegen ihr blieb. Es war noch kein Jahr her, dass Cervino und seine Frau sich in Puente Viejo niedergelassen hatten, und wir wussten so gut wie nichts über die beiden. Sie verkehrten mit niemandem, wie man im Dorf spitz bemerkte.“

 

 1796327-5c996c63d7937da8d87535496969aa44.jpg
Guillermo Martínez (Bahía Blanca, 29 juli 1962)

 

 

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Max keek hem even aan. Zij hadden elkaar gevonden-dit was het moment. Wisten zij het allebei? Met die paar woorden was een brug geslagen. Max wist zich door Onno doorzien, zoals nooit eerder, net als Onno zich door Max  begrepen voelde, omdat zijn agressieve ironie niet op weerstand was gestuit, zoals altijd,  maar was opgevangen in een lach die iets onkwetsbaar had, zij hadden elkaar herkend. Een beetje verlegen met de situatie zwegen zij gedurende een paar minuten.’
(…)

‘Niemand had ooit zo’n baby aanschouwd. Pasgeboren en plachten er toch uit te zien als
boksers aan het eind van de laatste ronde: opgezwollen, met dichtgeslagen ogen, dizzy van het
doorstane geweld,-maar wat daar lag in de afgesloten, glazen ruimte, als een kostbaar
museumstuk in de vitrine, leek werkelijk eerder een putto ,zoals te zien op Italiaanse
schilderijen uit de Renaissance: alleen de vleugels ontbraken.’ .........’alles was volmaakt, als een kunstwerk dat die naam verdiende’............’maar het opvallends waren de ogen. Zij stonden wijd open en de ruimte tussen de donkere wimpers was volledig gevuld met lapis lazuli, een kleur blauw die iemand van hen eerder had gezien.’
(…)

“Toch, zei Quinten, zou je best een beeld van God zelf kunnen maken als hij niet bestaat.
Dan moet jij mij maar eens vertellen, hoe dat zou moeten.
Nou, dan neem je een blok marmer en je hakt er net zo lang aan tot er niks van over is.
(...)
Jezus Christus, Quinten! Wie is de duivel eigenlijk? Vraag dat allemaal liever aan de domina.
De duivel is de aartsvijand van God!
Bestaat die ook niet, of dus juist wel?
Niet natuurlijk.
Nou, dan weet ik ook hoe je een beeld van de duivel moet maken.
Hoe dan?
Dan moet je de hele wereld juist volstoppen met marmer.”

 

 1796327-0b1ce5c04535313e6c87cd94f3cfdd05.jpg
Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

 

 

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook alle tags voor Chang-Rae Lee op dit blog.

Uit: The Surrendered

“To keep moving was always safer than lingering in one place, and there was nothing back at the depot to eat, anyway. There were a few scruffy soldiers drinking and playing cards by the depot shack, though their presence could only mean trouble, even for a girl her age. She was tall besides and she was wary of soldiers and any stray men. They were some two hundred kilometers south of Seoul, past Chongju, and June was now thinking that they would make their way down to Pusan, where her uncle's family lived, though she didn't know whether they were still there, or even alive.
The train sped up on a slight decline and June curled her arm around her siblings, spooning them tightly. They lay as low as they could between the ridges of the steel roof of the boxcar. They were on the front end of the car and as such they were fully buffeted by the rushing wind. They were fortunate to have a blanket; many others on top of the cars did not. It was too early to sleep but it was cold and it was better for the twins not to be active, especially given that the two had shared only a few crackers early in the day. June herself had eaten nothing. They had eaten well the day before, as June had found, below a footbridge, a GI's abandoned pack of canned rations, a small bar of chocolate, and a sleeve of crackers. Her brother and sister were so hungry that they'd bolted down the chocolate first as June was smashing the cans open against a rock. She'd cut her finger and gotten some blood on the food but they ate it without hesitation, two tins of stewed beef and one of sardines in tomato sauce, afterward each taking a turn to lick the insides, carefully, with the deftness of cats.She made them save the crackers. They'd been by themselves on the road since their mother and older sister were killed two weeks before, at first traveling with some people from their town but then blending in with the endless stream of other refugees moving southward along the pushed-up roads and embankments of the river valleys. At another time it might have been a pretty journey, the hills just turning the colors of pumpkin and hay and pomegranate and the skies depthless and clear, but now everywhere one looked most of the trees had been felled for fuel and there was only a hazy, oppressive brightness refracted from the shorn hillsides.”

 1796327-a4b88d07d42de7d0107437cdfc72a473.jpg
Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2013 en ook mijn blog van 29 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2. 

Geschreven door Romenu om 17:37 Reageer op dit bericht

Walter van den Berg

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Walter van den Berg werd geboren in Amstelveen in 1970. Hij heeft een jaar Nederlands gestudeerd op de UvA. Ook heeft hij een jaar de Rietveld Academie bezocht. Na verschillende baantjes als onder meer fietskoerier, graveur, vakkenvuller, schoonmaker, automatiseerder en conciërge, publiceerde hij in 2004 zijn debuutroman, getiteld “De hondenkoning”. Zijn tweede roman, “West”, gaat over een broederstrijd in Osdorp. In 2013 kwam zijn derde roman uit, getiteld “Van dode mannen win je niet”.

Uit: Van dode mannen win je niet

“Je moeder knipte mannen voor geld.
Ik weet niet of ze weer is gaan knippen toen jullie verdwenen waren, jij en je moeder, want ze was niet heel erg goed, alleen maar goedkoop. Je hoefde niet veel te verwachten van een knipbeurt van je moeder. Iemand had me dat verteld, dat je voor een tientje bij haar thuis geknipt werd en dat ze nog een lekker wijf was ook, maar dat je van de knipbeurt niet veel hoefde te verwachten.
Ik verwachtte ook niet veel, maar ik kon het wel met haar vinden tijdens het knippen. Ik wist dat dat bij haar werk hoorde, aardig zijn tegen je klanten, maar ik was beter in een praatje maken dan de
gemiddelde klant, dus zij kon het ook met mij vinden.
Ik had tijdens die eerste keer gevraagd of ze van lekker eten hield, en ja, natuurlijk hield ze van lekker eten, maar ze kookte niet zo vaak, zei ze, in de keuken hier werd meer geknipt dan gekookt. Dus ik had een paar dagen later een pan met goeie hachee langsgebracht, en een zak aardappelen, en die had ik in jullie keuken neergezet. Ik zei dat ze vanavond lekker eten zou hebben en dat ze alleen zelf de aardappelen moest schillen, en ik zei dat ik later die week de pan weer op zou halen.
Dus een paar dagen later kwam ik weer, en we dronken wat biertjes in de keuken, en ik nam de pan mee, en je moeder zei dat ze hoopte dat ze me snel weer zou zien.
Een week later zei ze dat ze het wel in me zag zitten. Zo zei ze het: ik zie het wel inje zitten.
Jullie woonden in die flat in Slotervaart en je vader was twee jaar dood.
Toen ik een paar maanden met je moeder was, mocht ik mee naar een feestje om jullie familie te ontmoeten, en ik voelde me er niet helemaal lekker over - op dat soort feestjes liepen altijd wel een of twee slimmeriken rond. Ik had een beetje bij je moeder gevist of jullie slimmeriken in de familie hadden, wie vond je moeder leuk, wie niet, en waarom dan niet, en met wie zou ik het volgens haar goed kunnen vinden, en met wie niet?”

 

 1884762-03bc74388f5c4a93b1fc86b6d110b7e0.jpg
Walter van den Berg (Amstelveen, 1970)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Robert Frost, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins

 

Dolce far niente

 

 1795977-ec501063d211281f02e7ae972a608968.jpg
Evening After a Storm door Frederic Edwin Church, 1849

 

 

A Line-Storm Song

The line-storm clouds fly tattered and swift,
The road is forlorn all day,
Where a myriad snowy quartz stones lift,
And the hoof-prints vanish away.
The roadside flowers, too wet for the bee,
Expend their bloom in vain.
Come over the hills and far with me,
And be my love in the rain.

The birds have less to say for themselves
In the wood-world’s torn despair
Than now these numberless years the elves,
Although they are no less there:
All song of the woods is crushed like some
Wild, easily shattered rose.
Come, be my love in the wet woods; come,
Where the boughs rain when it blows.

There is the gale to urge behind
And bruit our singing down,
And the shallow waters aflutter with wind
From which to gather your gown.
What matter if we go clear to the west,
And come not through dry-shod?
For wilding brooch shall wet your breast
The rain-fresh goldenrod.

Oh, never this whelming east wind swells
But it seems like the sea’s return
To the ancient lands where it left the shells
Before the age of the fern;
And it seems like the time when after doubt
Our love came back amain.
Oh, come forth into the storm and rout
And be my love in the rain.

 

 1795977-fb49adf4d98ada5d49fd3aa8b9bd3b0c.jpg
Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
San Francisco, Market Street door Thomas Kinkade, z.j.
Robert Frost werd geboren in San Francisco.

 

 

De Nederlandse dichter schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Uit: Een liefde in Parijs

“Vergeten was geen kunst, eerder een gebrek. Of een laffe vlucht in het niets. De zucht om niets te bewaren, om steeds onbelast opnieuw te beginnen zou hem op de duur fnuiken. Als hij straks op zijn sterfbed lag en er niets meer was om naar vooruit te kijken, waar moest hij, beroofd van herinneringen, dan aan denken?
(…)

Terwijl hij zijn handen waste keek Richard naar zichzelf in de spiegel. Hij zag een vermoeide oude kop met dunne grijze krulletjes op de schedel geplakt. Dat hij jong was geweest en voor sommigen zelfs aantrekkelijk kon hij niet meer in dat door de tijd verfrommelde gezicht bespeuren.
(…)

Sinds Richard zestig was geworden schatte hij werktuiglijk de leeftijd van iedereen die hij tegenkwam. Steeds meer mensen waren jonger dan hij. Hun aantal zou alleen maar toenemen tot ze hem ten slotte met z’n allen over de rand zouden duwen.
Hij was een toegewijd lezer van rouwadvertenties geworden. Ook onder de overledenen kwamen mensen voor die jonger waren dan hij. Als hij zo’n aankondiging las kon hij een gevoel van tevredenheid niet onderdrukken. Die had hij ten minste overleefd. Maar het merendeel was van een leeftijd die nu ook voor hem in het dichtbije verschiet lag. Lang had het leven eindeloos geleken. Hij had de tijd aan een touwtje dat hij zonder de controle te verliezen onbeperkt kon vieren. Op een onbewaakt moment was hij die controle kwijtgeraakt.
De tijd had zich van hem bevrijd en raasde ongebonden alle kanten uit. Een voorval waarvan Richard dacht dat het een jaar geleden had plaatsgevonden bleek in werkelijkheid al vier of acht jaar achter hem te liggen. De rollen waren omgekeerd: de tijd speelde met hem.”

 

 1795977-0c79b613daaa252a6f00cd18eef279a0.jpg
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)
In 1977

 

 

De Engelse dichter, verhalen- en romanschrijver Malcolm Lowry werd geboren 28 juli 1909 in Birkenhead Merseyside. Zie ook alle tags voor Malcolm Lowry op dit blog.

Uit: Under the Volcano

“He crossed the street, making for the station. Although he would not be travelling by train the sense of departure, of its imminence, came heavily about him again as, childishly avoiding the locked points, he picked his path over the narrow-gauge lines. Light from the setting sun glanced off the oil tanks on the grass embankment beyond. The platform slept. The tracks were vacant, the signals up. There was little to suggest that any train ever arrived at this station, let alone left it:
Yet a little less than a year ago the place had been the scene of a parting he would never forget. He had not liked the Consul's half-brother at their first encounter when he'd come with Yvonne and the Consul himself to M. Laruelle's house in the Calle Nicaragua, any more, he felt now, than Hugh had liked him. Hugh's odd appearance--though such was the overwhelming effect of meeting Yvonne again, he did not obtain even the impression of oddity so strongly that he was able later in Parián immediately to recognize him--had merely seemed to caricature the Consul's amiable half-bitter description of him. So this was the child M. Laruelle vaguely remembered hearing about years before! In half an hour he'd dismissed him as an irresponsible bore, a professional indoor Marxman, vain and self-conscious really, but affecting a romantic extroverted air. While Hugh, who for various reasons had certainly not been "prepared" by the Consul to meet M. Laruelle, doubtless saw him as an even more precious type of bore, the elderly aesthete, a confirmedly promiscuous bachelor, with a rather unctuous possessive manner towards women. But three sleepless nights later an eternity had been lived through: grief and bewilderment at an unassimilable catastrophe had drawn them together. In the hours which followed his response to Hugh's telephone call from Parián M. Laruelle learned much about Hugh: his hopes, his fears, his self-deceptions, his despairs. When Hugh left, it was as if he had lost a son.”

 

 1795977-1ff0822d7e3f551d53167deade17478b.jpg
Malcolm Lowry (28 juli 1909 - 26 juni 1957)
Scene uit de film van John Huston (1984) met Albert Finney als Geoffrey Firmin

 

 

De Engelse dichter en Jezuïet Gerard Manley Hopkins werd geboren op 28 juli 1844 in Stratford, Essex. Zie ook alle tags voor Gerard Manley Hopkins op dit blog.

 

The Alchemist In The City

My window shews the travelling clouds,
Leaves spent, new seasons, alter'd sky,
The making and the melting crowds:
The whole world passes; I stand by.

They do not waste their meted hours,
But men and masters plan and build:
I see the crowning of their towers,
And happy promises fulfill'd.

And I - perhaps if my intent
Could count on prediluvian age,
The labours I should then have spent
Might so attain their heritage,

But now before the pot can glow
With not to be discover'd gold,
At length the bellows shall not blow,
The furnace shall at last be cold.

Yet it is now too late to heal
The incapable and cumbrous shame
Which makes me when with men I deal
More powerless than the blind or lame.

No, I should love the city less
Even than this my thankless lore;
But I desire the wilderness
Or weeded landslips of the shore.

I walk my breezy belvedere
To watch the low or levant sun,
I see the city pigeons veer,
I mark the tower swallows run

Between the tower-top and the ground
Below me in the bearing air;
Then find in the horizon-round
One spot and hunger to be there.

And then I hate the most that lore
That holds no promise of success;
Then sweetest seems the houseless shore,
Then free and kind the wilderness,

Or ancient mounds that cover bones,
Or rocks where rockdoves do repair
And trees of terebinth and stones
And silence and a gulf of air.

There on a long and squared height
After the sunset I would lie,
And pierce the yellow waxen light
With free long looking, ere I die.

 

 1795977-bfadb8b1077994e6c662b93ce7318d49.jpg
Gerard Manley Hopkins (28 juli 1844 – 8 juni 1889)
Beeld van Rowan Gillespie in Denver (detail)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2013 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:09 Reageer op dit bericht

In Memoriam Sybren Polet

 

In Memoriam Sybren Polet

De Nederlandse dichter en schrijver Sybren Polet is op 19 juli op 91-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn uitgeverij vandaag bekend gemaakt. Sybren Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) werd geboren in Kampen op 19 juni 1924. Zie ook alle tags voor Sybren Polet op dit blog.

 

Stopwoord

Ik vond een oorschelp in de grond
om aan te luisteren.
ik luisterde en vond
drie takken taal
een drietakttaal voor één gedicht.
daar is geen zin mee te verrichten.
ik stop dat oor maar met een stopwoord dicht.

 

 

Ruimteroes

De serene lucht, een en al ademlucht.
Je voelt je – opgelucht – ál abstracter worden,
een vrijzwevende doorluchtige geest,
bevrijd
Van beeldgedachten en lichtdromen,
zelfs
zonder het minste besef van afwezigheden.

Ruimte als lichte roes.
Ergens een licht vermoeden?

Ergens, oneindig ver weg,
een even opflikkerend
en snel vervluchtigend ik-vermoeden?

Ruimte als lichte roes,
de roes van een grensloze open ruimte.

 

 

Laatste sneeuw van de eeuw

Waar is de eeuwige sneeuw van weleer?
Gletsjers trekken zich terug als
   grote gevoelens - oude schollen
     komen bovendrijven.

Secondensnelle erosie legt de skeletten bloot
     van minimastodontjes, vroege dromen
en hij van elk fossiel
                      de nieuwe tijdgenoot.

Minuscule catastrofes, karkasjes
       klein als moleculen,
                          kristallijne tranen.

De tijd versteent in druppels,
                             Druppels…

Zoekend naar leven tussen het puin
klopsignalen, mensengeur…
                         er zwerven

schimmen en vitale echo’s
     in holen en rui’nes. Roep dan!
          klop, blafl echo.

En hij: - Dit is de laatste sneeuw van de eeuw.
       Dit wordt de laatste echo.

 

 

 1795895-1b8179433a2cd825f1e1e936a029c4ad.jpg
Sybren Polet (19 juni 1924 – 19 juli 2015)

Geschreven door Romenu om 14:20 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten