Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 juli 2015 tot 30 juli 2015

Dolce far niente, Israël Querido, Patrick Modiano, Emily Brontë, Cherie Priest, Martijn Simons

 

Dolce far niente

 

 1796615-d46a9b8c5018d23c17db88b11b3847ab.JPG
Brouwersgracht, Jordaan, tegenwoordig

 

Uit: De Jordaan: Amsterdamsch epos

“- Ze bescholden en teisterden elkaar en konden toch noóit zonder elkaar. Het jonge volk had de meest zorgelooze pret. Schuine pet, roode of geruite stropdas en spuuglok, ontmoetten blooten kop, fluweelen jak en baaien rok, en niet één zou hebben willen ruilen voor meheertjes met branieboorden of medammetjes met platheupen. Ze bevochtigden hun woeste of zinlijk-tartende gesprekken met zuursap van augurken, of bezogen ijswafels, en in geen stad ter wereld knauwden de kerels en jongens hun wijven en meisjes zóó wreed en beulig als in den Jordaan, in opzichtige luidruchtigheid en schaamteloos kabaal. Zelfs het liefde-gestoei der jongens was één lomp-neerploffend, zinnelijk-hardhandig gebof op borsten en dijen, hoofden en armen der meiden. En over al het geminnekoos en het wreed gebeuk werd nágebabbeld. - Ook Neeltjes nerinkje was beruchte verzamelplaats voor buurpraat en voor overden-hekel-halerij. -
- Juyst!.... schoot met opgewonden stem een garnalen-pelster uit, nauw merkende dat Neel haar een pond rijst in de handen had geduwd.... d'r mèn hep 'n tèk fèn 't lireum,.... Kris Hàrdebol is 'r 'n draugie bei.... sau'n nèthèls....
Er gloeide weer kwaadsprekende hittigheid in haar zinnen. Haar dikke, doorsproetelde huid verplooide bij de neerzinkende mondhoeken viezige trekjes; trekjes van weerzin en wantrouwelijkheid.
- Nou maàde.... ik set de spèt.... as maàn keirel komp en hèi fint me nie, kraàg ik de duufel op 'n printje.... aju!
Een wit-jak sprong haastig den winkel uit. Allen hadden wat ze wilden, maar plakken deden ze toch.”

 

 1796615-3231999fa26b0015cd742c9ca24f16b1.jpg
Israël Querido (1 oktober 1872 - 5 augustus 1932)
Brouwersgracht, vroeger

 

 

De Franse schrijver Patrick Modiano werd geboren in Boulogne-Billancourt op 30 juli 1945. Zie ook alle tags voor Patrick Mondiano op dit blog.

Uit: Der Horizont

„Seit einiger Zeit dachte Bosmans an gewisse Episoden seiner Jugend, folgenlose, jäh abgebrochene Episoden, namenlose Gesichter, flüchtige Begegnungen. Das alles gehörte zu einer fernen Vergangenheit, doch weil diese kurzen Sequenzen nicht verbunden waren mit dem Rest seines Lebens, blieben sie in der Schwebe, in einer ewigen Gegenwart. Er würde nicht aufhören, sich Fragen zu stellen, und er würde nie eine Antwort erhalten. Diese Bruchstücke würden für ihn immer rätselhaft sein. Er hatte angefangen, eine Liste anzulegen, und trotz allem versucht, Bezugspunkte wiederzufinden: ein Datum, einen genauen Ort, einen Namen, dessen Schreibweise er nicht mehr wusste. Er hatte sich ein Notizbuch aus schwarzem Moleskin gekauft, das er in der Innentasche seines Jacketts trug, was ihm erlaubte, zu jeder beliebigen Tageszeit Aufzeichnungen zu machen, jedesmal, wenn ihm eine seiner lückenhaften Erinnerungen durch den Kopf ging. Er hatte den Eindruck, sich in einem Geduldspiel zu üben. Doch während er den Lauf der Zeit zurückverfolgte, spürte er zuweilen ein Bedauern: Warum hatte er diesen Weg eingeschlagen und nicht einen anderen? Warum hatte er zugelassen, dass sich dieses Gesicht oder jene Silhouette, die eine lustige Pelzkappe trug und ein Hündchen an der Leine führte, im Unbekannten verlor? Schwindel erfasste ihn bei dem Gedanken an das, was hätte sein können und nicht gewesen war.
     Diese Erinnerungsfetzen bezogen sich auf die Jahre, in denen das Leben voller Kreuzungspunkte ist und so viele Alleen sich vor einem auftun, dass man die Qual der Wahl hat. Die Wörter, mit denen er sein Notizbuch füllte, gemahnten an den Artikel über "dunkle Materie", den er an eine Zeitschrift für Astronomie geschickt hatte.“

 

 1796615-9e9e9b3dc2e29a8c56f7f0ecfe05c683.jpg
Patrick Modiano (Boulogne-Billancourt, 30 juli 1945)

 

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Emily Brontë werd geboren in Thornton in Yorkshire op 30 juli 1818. Zie ook alle tags voor Emily Brontë op dit blog.

 

I Am The Only Being Whose Doom

I am the only being whose doom
No tongue would ask no eye would mourn
I never caused a thought of gloom
A smile of joy since I was born

In secret pleasure - secret tears
This changeful life has slipped away
As friendless after eighteen years
As lone as on my natal day

There have been times I cannot hide
There have been times when this was drear
When my sad soul forgot its pride
And longed for one to love me here

But those were in the early glow
Of feelings since subdued by care
And they have died so long ago
I hardly now believe they were

First melted off the hope of youth
Then Fancy's rainbow fast withdrew
And then experience told me truth
In mortal bosoms never grew

'Twas grief enough to think mankind
All hollow servile insincere -
But worse to trust to my own mind
And find the same corruption there.

 

 1796615-5d350f79692871652a7e965a616074b0.jpg
Emily Brontë (30 juli 1818 - 19 december 1848)
Beeld van Charlotte, Emily and Ann Brontë in Haworth, West Yorkshire

 

 

De Amerikaanse schrijfster Cherie Priest werd geboren in Tampa op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Cherie Priest op dit blog.

Uit: Dreadnought

“One Down in the laundry room with the bloody- wet floors and the ceiling- high stacks of sheets, wraps, and blankets, Vinita Lynch was elbows- deep in a vat full of dirty pillowcases because she'd promised— she'd sworn on her mother's life— that she'd find a certain windup pocket watch belonging to Private Hugh Morton before the device was plunged into a tub of simmering soapy water and surely destroyed for good. Why the private had stashed it in a pillowcase wasn't much of a mystery: even in an upstanding place like the Robertson Hospital, small and shiny valuables went missing from personal stashes with unsettling regularity. And him forgetting about it was no great leap either: the shot he took in the forehead had been a lucky one because he'd survived it, but it left him addled at times— and this morning at breakfast had been one of those times. At the first bell announcing morning food, against the strict orders of Captain Sally he'd sat up and bolted into the mess hall, which existed only in that bullet- buffeted brain of his. In the time it took for him to be captured and redirected to his cot, where the meal would come to him, thank you very kindly, if only he'd be patient enough to receive it, the junior nursing staff had come through and stripped the bedding of all and sundry. None of them had noticed the watch, but it would've been easy to miss. So Nurse Lynch was down in the blistering hot hospital basement, dutifully fishing through laundry soiled by injured and greasy heads, running noses, and rheumy eyes in hopes that Private Hugh Morton would either be re united with the absent treasure, or would be separated from it long enough to forget all about it. Upstairs, someone cried out, "Mercy!"

 

 1796615-9bf0cf94a4fe52ae65268e856e7a0d93.jpg
Cherie Priest (Tampa, 30 juli 1975)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Martijn Simons werd geboren in 1985 en groeide op in Woerden. Zie ook alle tags voor Martijn Simons op dit blog.

Uit: Zomerslaap

“Mijn broertje droeg een pak, zwart, waarvan het jasje getailleerd was en de broek smalle pijpen had. Hij had een roze overhemd aan en zag er ouder uit dan zestien, met dat gemillimeterde haar en die bruine kop van weken achter elkaar op het grasveld van het zwembad liggen. Je zou vast niet zeggen dat ik een jaar ouder was.
Hoe hij daar stond, met zijn handen in zijn zakken, te kijken naar de bediening. Alle drie waren ze even blond, de dochters van de gastvrouw, en ze droegen een schort met een geborduurde molen erop. De gastvrouw was ook blond, maar geverfd, dat zag ik toen ze zich bukte en je haar kruin kon zien. Ik zuchtte.
‘Aardig tegen iedereen doen, hè?’ Mijn moeder liep langs zonder me aan te kijken. Ze was bruin geworden, haar ogen en haar en huid leken haast dezelfde kleur te hebben, maar dan niet zoals bij die ordinaire vrouwen die je zo vaak op het strand zag. Het was meer alsof ze altijd al zo was geweest.
Aan de bar stond mijn vader met de gastvrouw te praten, hij zag er netjes uit, maar zijn schouders hingen. Toen ik vanochtend de huiskamer in liep, was mijn moeder bezig zijn schoenen te poetsen. Mijn vader had zijn voet op een houten krukje gezet en mijn moeder wreef met een oude doek een dot schoensmeer op het leer, ze haalde met snelle bewegingen een borstel over de punt van de schoen. Ik hoorde ze praten over mijn grootmoeder, mijn vader was eerder op de ochtend nog in het ziekenhuis geweest. ‘Ik zou het liefst het hele feest afblazen als dat nog zou kunnen,’ zei hij, en legde een hand op haar schouder. Ik zag dat die hand daar even bleef liggen. Toen trok mijn moeder haar schouder weg en zei: ‘Andere voet.’ Mijn vader zette zijn andere voet hard op het krukje, mijn moeder keek hem even aan en trok een wenkbrauw op. Ineens schopte hij het doosje met schoensmeer weg, het schoof over het parket en knalde tegen een plint. ‘Ik doe het zelf wel,’ zei hij.”

 

 1796615-070ca3777db4fe6c7782e3827d3854e4.jpg
Martijn Simons (Woerden, 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2013 en ook mijn blog van 30 juli 2012 en eveneens mijn blog van 30 juli 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:54 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee

 

Dolce far niente

 

 1796327-6052d89e5f4bc93b01a06292d4bea97e.jpg
Bloemstraat met de Westertoren, Amsterdam door Jan Korthals (1916 - 1972)

 

Uit: Jongensdagen

““Terwijl de jongens hun dikke boterhammen opsmulden, praatten ze over de uitbreng-klanten.
Hun vader was al eenige jaren dood; moe had nu een kruidenierswinkel met brooddepôt; elken morgen moesten er een vijf-en-twintig brooden worden rondgebracht; dat deden de jongens altijd natuurlijk; de eene week Henk de ‘verre’, de andere week Ko. En 's Woensdagsmiddags, als er geen school was, moest één van beiden een mand kruidenierswaren brengen naar nicht Simons, die wel een klein uur ver woonde.
‘Jij hebt de verre,’ merkte Ko op.
‘Jij moet vanmiddag naar nicht Simons,’ zei Henk terug.
Maar ze waren in een véél te goed humeur om er ruzie over te maken.
‘Voor mijn part moet ik vanochtend alle klanten loopen,’ sprak Ko, ‘tijd zat hé.’
En Henk was even inschikkelijk: ‘Nou; wil ik ze allemaal doen?’ stelde hij voor.
‘Och nee,’ kwam Ko weer, ‘maar weet je wàt? Ga mee vanmiddag sàmen naar nicht Simons. Jà?’
Henk keek wantrouwig. ‘En het geld dan?’ vroeg hij, want nicht Simons had de gewoonte aan den brenger van haar boodschappen een paar centen te geven. Ko aarzelde even; toen antwoordde hij: ‘Oók samen.’ ‘Goed dan,’ beloofde Henk.
Ze hadden hun brood op; Ko liep fluitend naar voren: Henk ging even kijken, of zus Miep nog niet wakker was. Maar ze sliep nog. ‘Lekker dier!’ mompelde Henk; en hij gaf haar een zoen en holde weg, óók naar den winkel. Er was geen ‘volk’.
Moe pakte een mand vol met brood, en deed er een doek over. Ko nam de mand van de toonbank, en liep vroolijk de deur uit. Hij ging de klanten op de gracht en om den hoek ‘doen’. ‘Kruier krijg je nog van gisteren óók!’ riep Moe hem na.
Toen kreeg Henk ook zijn deel; zorgvuldig telde hij de brooden in zijn mand na, en noemde de klanten op: ‘Ouë juffrouw één, dokter drie, 't Hoffie twee....’ En hij stapte ook weg. Moe ging naar achteren.”

 

 1796327-56bbd5dae3027ec46d14455edf125855.jpg
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)
De Frans Halsstraat waar Thijssens moeder korte tijd een brooddepot had

 

 

De Argentijnse schrijver en wiskundige Guillermo Martínez werd geboren in Bahía Blanca op 29 juli 1962. Zie ook alle tags voor Guillermo Martinez op dit blog.

Uit: Gewaltige Hölle (Vertaald door Angelica Ammar)

„Oft, wenn der Laden leer ist und nur das Summen der Fliegen zu hören ist, denke ich an den Jungen, dessen Namen wir nie erfuhren und den niemand im Dorf je wieder erwähnte. Aus irgendeinem unerfindlichen Grund stelle ich ihn mir immer so vor, wie wir ihn das erste Mal gesehen haben, mit staubiger Kleidung, Dreitagebart und vor allem dem langen, zerzausten Haar, das ihm fast bis in die Augen fiel.
Der Frühling hatte gerade begonnen, deshalb hielt ich ihn für einen Rucksacktouristen auf dem Weg in den Süden, als er den Laden betrat. Er kaufte Konserven und Matetee oder Kaffee; während ich alles zusammenrechnete, besah er sein Spiegelbild in der Scheibe, strich sich die Haare aus der Stirn und fragte mich nach einem Friseur. Damals gab es zwei Friseure in Puente Viejo; wäre er zu dem alten Melchor gegangen, denke ich mir heute, wäre er der Französin vielleicht nie begegnet und es hätte kein Gerede gegeben. Aber Melchors Friseurladen befand sich nun mal am anderen Ende des Dorfes, und was geschah, war wohl unvermeidlich.
Jedenfalls schickte ich ihn zu Cervino, und während Cervino ihm die Haare schnitt, tauchte offenbar die Französin auf. Und die Französin schaute den Jungen an, wie sie die  Männer immer anschaute. Damit fing die ganze verflixte Angelegenheit an, denn der Junge blieb im Dorf und wir dachten alle dasselbe: dass er wegen ihr blieb. Es war noch kein Jahr her, dass Cervino und seine Frau sich in Puente Viejo niedergelassen hatten, und wir wussten so gut wie nichts über die beiden. Sie verkehrten mit niemandem, wie man im Dorf spitz bemerkte.“

 

 1796327-5c996c63d7937da8d87535496969aa44.jpg
Guillermo Martínez (Bahía Blanca, 29 juli 1962)

 

 

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Max keek hem even aan. Zij hadden elkaar gevonden-dit was het moment. Wisten zij het allebei? Met die paar woorden was een brug geslagen. Max wist zich door Onno doorzien, zoals nooit eerder, net als Onno zich door Max  begrepen voelde, omdat zijn agressieve ironie niet op weerstand was gestuit, zoals altijd,  maar was opgevangen in een lach die iets onkwetsbaar had, zij hadden elkaar herkend. Een beetje verlegen met de situatie zwegen zij gedurende een paar minuten.’
(…)

‘Niemand had ooit zo’n baby aanschouwd. Pasgeboren en plachten er toch uit te zien als
boksers aan het eind van de laatste ronde: opgezwollen, met dichtgeslagen ogen, dizzy van het
doorstane geweld,-maar wat daar lag in de afgesloten, glazen ruimte, als een kostbaar
museumstuk in de vitrine, leek werkelijk eerder een putto ,zoals te zien op Italiaanse
schilderijen uit de Renaissance: alleen de vleugels ontbraken.’ .........’alles was volmaakt, als een kunstwerk dat die naam verdiende’............’maar het opvallends waren de ogen. Zij stonden wijd open en de ruimte tussen de donkere wimpers was volledig gevuld met lapis lazuli, een kleur blauw die iemand van hen eerder had gezien.’
(…)

“Toch, zei Quinten, zou je best een beeld van God zelf kunnen maken als hij niet bestaat.
Dan moet jij mij maar eens vertellen, hoe dat zou moeten.
Nou, dan neem je een blok marmer en je hakt er net zo lang aan tot er niks van over is.
(...)
Jezus Christus, Quinten! Wie is de duivel eigenlijk? Vraag dat allemaal liever aan de domina.
De duivel is de aartsvijand van God!
Bestaat die ook niet, of dus juist wel?
Niet natuurlijk.
Nou, dan weet ik ook hoe je een beeld van de duivel moet maken.
Hoe dan?
Dan moet je de hele wereld juist volstoppen met marmer.”

 

 1796327-0b1ce5c04535313e6c87cd94f3cfdd05.jpg
Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

 

 

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook alle tags voor Chang-Rae Lee op dit blog.

Uit: The Surrendered

“To keep moving was always safer than lingering in one place, and there was nothing back at the depot to eat, anyway. There were a few scruffy soldiers drinking and playing cards by the depot shack, though their presence could only mean trouble, even for a girl her age. She was tall besides and she was wary of soldiers and any stray men. They were some two hundred kilometers south of Seoul, past Chongju, and June was now thinking that they would make their way down to Pusan, where her uncle's family lived, though she didn't know whether they were still there, or even alive.
The train sped up on a slight decline and June curled her arm around her siblings, spooning them tightly. They lay as low as they could between the ridges of the steel roof of the boxcar. They were on the front end of the car and as such they were fully buffeted by the rushing wind. They were fortunate to have a blanket; many others on top of the cars did not. It was too early to sleep but it was cold and it was better for the twins not to be active, especially given that the two had shared only a few crackers early in the day. June herself had eaten nothing. They had eaten well the day before, as June had found, below a footbridge, a GI's abandoned pack of canned rations, a small bar of chocolate, and a sleeve of crackers. Her brother and sister were so hungry that they'd bolted down the chocolate first as June was smashing the cans open against a rock. She'd cut her finger and gotten some blood on the food but they ate it without hesitation, two tins of stewed beef and one of sardines in tomato sauce, afterward each taking a turn to lick the insides, carefully, with the deftness of cats.She made them save the crackers. They'd been by themselves on the road since their mother and older sister were killed two weeks before, at first traveling with some people from their town but then blending in with the endless stream of other refugees moving southward along the pushed-up roads and embankments of the river valleys. At another time it might have been a pretty journey, the hills just turning the colors of pumpkin and hay and pomegranate and the skies depthless and clear, but now everywhere one looked most of the trees had been felled for fuel and there was only a hazy, oppressive brightness refracted from the shorn hillsides.”

 1796327-a4b88d07d42de7d0107437cdfc72a473.jpg
Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2013 en ook mijn blog van 29 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2. 

Geschreven door Romenu om 17:37 Reageer op dit bericht

Walter van den Berg

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Walter van den Berg werd geboren in Amstelveen in 1970. Hij heeft een jaar Nederlands gestudeerd op de UvA. Ook heeft hij een jaar de Rietveld Academie bezocht. Na verschillende baantjes als onder meer fietskoerier, graveur, vakkenvuller, schoonmaker, automatiseerder en conciërge, publiceerde hij in 2004 zijn debuutroman, getiteld “De hondenkoning”. Zijn tweede roman, “West”, gaat over een broederstrijd in Osdorp. In 2013 kwam zijn derde roman uit, getiteld “Van dode mannen win je niet”.

Uit: Van dode mannen win je niet

“Je moeder knipte mannen voor geld.
Ik weet niet of ze weer is gaan knippen toen jullie verdwenen waren, jij en je moeder, want ze was niet heel erg goed, alleen maar goedkoop. Je hoefde niet veel te verwachten van een knipbeurt van je moeder. Iemand had me dat verteld, dat je voor een tientje bij haar thuis geknipt werd en dat ze nog een lekker wijf was ook, maar dat je van de knipbeurt niet veel hoefde te verwachten.
Ik verwachtte ook niet veel, maar ik kon het wel met haar vinden tijdens het knippen. Ik wist dat dat bij haar werk hoorde, aardig zijn tegen je klanten, maar ik was beter in een praatje maken dan de
gemiddelde klant, dus zij kon het ook met mij vinden.
Ik had tijdens die eerste keer gevraagd of ze van lekker eten hield, en ja, natuurlijk hield ze van lekker eten, maar ze kookte niet zo vaak, zei ze, in de keuken hier werd meer geknipt dan gekookt. Dus ik had een paar dagen later een pan met goeie hachee langsgebracht, en een zak aardappelen, en die had ik in jullie keuken neergezet. Ik zei dat ze vanavond lekker eten zou hebben en dat ze alleen zelf de aardappelen moest schillen, en ik zei dat ik later die week de pan weer op zou halen.
Dus een paar dagen later kwam ik weer, en we dronken wat biertjes in de keuken, en ik nam de pan mee, en je moeder zei dat ze hoopte dat ze me snel weer zou zien.
Een week later zei ze dat ze het wel in me zag zitten. Zo zei ze het: ik zie het wel inje zitten.
Jullie woonden in die flat in Slotervaart en je vader was twee jaar dood.
Toen ik een paar maanden met je moeder was, mocht ik mee naar een feestje om jullie familie te ontmoeten, en ik voelde me er niet helemaal lekker over - op dat soort feestjes liepen altijd wel een of twee slimmeriken rond. Ik had een beetje bij je moeder gevist of jullie slimmeriken in de familie hadden, wie vond je moeder leuk, wie niet, en waarom dan niet, en met wie zou ik het volgens haar goed kunnen vinden, en met wie niet?”

 

 1884762-03bc74388f5c4a93b1fc86b6d110b7e0.jpg
Walter van den Berg (Amstelveen, 1970)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten