Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 20 oktober 2015 tot 21 oktober 2015

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Jongensjaren (Schoonmaak)

“De aardappels gaan de grond in. De bermen kleuren geel van het koolzaad. In de weilanden dartelen de lammeren. De iepen staan op het punt hun zaad te laten vallen. De terrassen staan buiten, de kampeerders trekken er met hun caravans op uit. In de tuin zit een eenzame koolmees te zingen en op haar balkonnetje stroopt de achterbuurvrouw haar broekspijpen omhoog om de zon haar bleke kuiten te laten bruinen. Tijd voor de voorjaarsschoonmaak.
Ik weet het nog.
Mijn moeder trok er een week voor uit. Kwam je op een dag thuis uit school, stonden alle meubelen in de tuin en hing de waslijn vol tafelkleden, deurmatten en winterjassen, die daarna de kast in gingen om te wachten tot het weer koud genoeg was om ze te dragen. Handschoenen, sjaals, wanten, mutsen, dikke truien, alfes verdween. Dagen werd er gestofzuigd, gedweild, gepoetst en geboend. Dekens werden opgeborgen, de kachel ging niet meer aan. Dagenlang aten we macaroni, elleboogjes van Honig, lekker makkelijk. Aan het einde van de week was het gezin klaar voor een nieuwe tijd.
Een mooi ritueel.
De voorjaarsschoonmaak markeert de overgang van donker naar licht, van korte dagen naar lange avonden (we speelden ineens veel meer buiten, en steeds langer), van binnen naar buiten, van bedompt en stoffig (zodra het zonlicht in de woonkamer het stof op de salontafel deed dansen, begon mijn moeder naar de grote schoonmaak te verlangen) naar fris en luchtig, van gevangen naar vrij. Het hoogtepunt: de ramen lappen. Daarna was het resultaat van al die nijvere arbeid in volle glorie zichtbaar.
Ik kan me niet herinneren dat wij kinderen, of mijn vader, meehielpen bij de grote schoonmaak. Het was een operatie van mijn moeder. Zij bepaalde ook het moment waarop een en ander van start ging. Soms belde ze erover met haar zussen, ook allemaalvrouwen die aanzienlijke gezinnen bestierden; of die al begonnen waren. Andere keren liet ze zich inspireren door buurvrouwen of vriendinnen. Maar altijd kwam de schoonmaak als een verrassing, voor ons. Kwam je thuis, had moeder ineens van die enge, rubberen handschoenen aan, een theedoek om heur haar geknoopt, en stond het hele aanrecht vol borden, potten, pannen, kopjes, schotels, kruiden, pakken suiker, meel, blikken bruine bonen, flessen en dozen. Dan was ze de keukenkastjes aan het schoonmaken.“

 

 1829196-91e0b8290fd641229f1cb7175486381a.jpg
Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 - 22 april 2009)

 

 

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Doeschka Meijsing op dit blog.

Uit:Beer en Jager

“Er was eens een Beer die veel sliep, maar toch alles zag. Hij zag hoe de mensen hun schoenen vast strikten en hij zag hoe de mieren met suikerklontjes rondsjouwden en dat de wolken nooit langer dan dertig seconden dezelfde samenstelling hadden.
Op een mooie dag in de maand januari sloeg hij zijn ogen op en met die langzame blik van hem, zag hij dat een nieuw jaar was begonnen en dat het tijd voor hem werd eens uit stappen te gaan. Hij boende zijn vel net zolang tot het een beetje begon te knisperen en te glanzen. Hij poetste de slaap uit zijn ogen en toen liep hij door de duinen over het verende mos naar de boshut, waar veel andere dieren waren. Er was daar een tapkast die precies groot genoeg was voor Beer om op te leunen. Dus nam hij de leunhouding aan en bestelde een glas honingwijn.
Dat smaakte. Hij vond dat een goed jaar was begonnen. 'Cheerio,' zei hij tegen de hazenfamilie die een luid gesprek aan het voeren was - en ze keken even op en hieven hun glas, maar hun discussie werd er niet echt voor onderbroken - toen Jager binnenkwam.
Beer zag wel hoe hij eruit zag, Jager. Hij droeg groene kousen met rode kwastjes om zijn kuiten en zijn hoed stond scheef op zijn hoofd, in de rand er van was een fazantenveer gestoken. Beer sloot even zijn ogen, sliep bijna weer in, maar herinnerde zich juist op tijd dat er een nieuw jaar was begonnen. Hij trok zijn oogleden weer op, loensde een beetje naar Jager en zei: 'Hallo, Jager!'
'Ja,' zei Jager en hij blies eens in de loop van het geweer dat hij tegen de tapkast neerzette, 'ik was juist naar je op zoek.' Hij bestelde een glas thee met rum en zei: 'Je hebt lang genoeg geslapen, maar ze zeiden dat ik je hier kon vinden. Hoe was je slaap? '

 

 1829196-3629f64713be2222b681564efa5172ed.jpg
Doeschka Meijsing (21 oktober 1947 – 30 januari 2012)

 

 

De Nederlandse dichter Daan Doesborgh werd geboren op 21 oktober 1988 in Steyl. Zie ook alle tags voor Daan Doesborgh op dit blog.

 

ik droomde
dat ik met mijn moeder
naar de onderwereld moest
om gedoopt te worden in de Styx

moeder zei: "van groot belang is
dat je tot de laatste haar
onder water gaat, je weet toch
hoe het anders mis kan gaan?"

en ik zei "tuurlijk ma"
en zwom en zwom
maar maakte (o mijn
droevig lot) een kapitale fout

"Mam, houd jij mijn pen dan even vast?"

 

 

Tevreden sonnet

auto's sjokken traag als
diplodocussen voorbij
het asfalt onder mij
golft met mijn denken mee

ik ben getroond ben ik
een zetel die bewegen kan
ik ben een fietser en een man
en schik me in mijn stad

ik hoef nog nergens heen
ergens zingt iemand niet mee
en een grote en trillende vrede

daalt, terwijl de zon door
de Molsteeg en traag
over tafel schuift, neer op de straat

 

 1829196-41609cdb34100034a17d9a7caabe88ce.jpg
Daan Doesborgh (Steyl, 21 oktober 1988)

 

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

 

Erinnerung

Die Tage fliehn; ich acht' es kaum,
Denn keiner läßt mir ein Erinnern;
Nur du wohnst ewig mir im Innern,
Du meiner Liebe letzter Traum!

Die Jahre, die vorüberwallen,
Wie häufen sie sich hinter mir!
So sieht um sich der Blätter Zier
Die Eiche welk zur Erde fallen.

Schnee hat sich auf mein Haupt gelegt;
Mein Blut ist träg und kalt geworden,
Wie Wellen, die der Sturm aus Norden,
Der eisige, in Fesseln schlägt.

Doch ewig jungen Reiz entfaltet
Sehnsuchtverklärt dein Bild in mir,
Wie meine Seele hüt' ich's hier
Im Busen schön und unveraltet.

Nein, meinem Blick entschwandst du nicht,
Da du vom Erdenleid genesen;
Ich seh' dich, ganz wie du gewesen,
Hinwandeln in dem ew'gen Licht;

Das Haupt von Anmuth noch umwoben,
Ganz wie an jenem letzten Tag,
Da deiner Seele Flügelschlag
Dich mit dem Frühroth trug nach oben.

So schön, so rein, so schmerzgeweiht
Seh' ich dich durch die Himmel schweben;
Dein Auge, drin erlosch das Leben,
Nun stralt es von Unsterblichkeit.

Wohl geht zu Rast der Sonne Schimmer
Und birgt sich, bis der Tag erwacht;
Doch meine Lieb' hat keine Nacht,
Ob meiner Seele stralst du immer.

Dich hör' ich, schau' ich überall,
Im Wolkenzug, im Dunst der Wildniß,
Es zittert auf der Flut dein Bildniß,
Im Winde deiner Stimme Schall.

Und wenn im Dämmerflor, im düstern,
Der schwüle Tag entschlief zur Ruh,
Ist mir, im Lufthauch nahest du,
Mir dein Geheimniß zuzuflüstern.

Ich meine Nachts, wenn dichtgedrängt
Die Himmelsleuchten ziehn im Blauen,
In jedem Sterne dich zu schauen,
An dem mein Aug' am liebsten hängt.

Im Dufte, den vom Rosenstrauche
Der West an mir vorübertrug,
Empfind' ich deinen Athemzug,
Der mich erquickt mit sanftem Hauche.

Und deine Hand ist's wunderbar,
Die mir vom Auge nimmt die Thränen,
Wenn ich geflohn mit meinem Sehnen
Zum Trost verheißenden Altar.

Du wachst an meinem Bett im Schatten
Und deckst mich mit den Flügeln zu;
Die leichten Träume sendest du,
Die mir ein dämmernd Glück gestatten.

Und löst im Schlaf einst deine Hand
Die Fessel, drin ich mich noch quäle,
Dann sinkt, o Zwilling meiner Seele,
Mit ihr die letzte Scheidewand.

Zwei Seufzer, himmelan getragen,
Zwei Stralen eines Morgenscheins
Sind unsre beiden Seelen Eins -
Und du, mein Herz, du kannst noch zagen? 

 

Vertaald door Heinrich Leuthold

 

 1829196-6f544bc7b14a03c828a9eca02b51761e.jpg
Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869) 
Portret door  François Gérard, 1831

 

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Samuel T. Coleridge op dit blog.

 

The Rime of the Ancient Mariner (Fragment)

With sloping masts and dipping prow,
As who pursued with yell and blow
Still treads the shadow of his foe,
And forward bends his head,
The ship drove fast, loud roared the blast,
The southward aye we fled.

And now there came both mist and snow,
And it grew wondrous cold :
And ice, mast-high, came floating by,
As green as emerald.

The land of ice, and of fearful sounds where no living thing was to be
seen.

And through the drifts the snowy clifts
Did send a dismal sheen :
Nor shapes of men nor beasts we ken--
The ice was all between.

The ice was here, the ice was there,
The ice was all around :
It cracked and growled, and roared and howled,
Like noises in a swound !

Till a great sea-bird, called the Albatross, came through the snow-fog, and
was received with great joy and hospitality.

At length did cross an Albatross,
Thorough the fog it came ;
As if it had been a Christian soul,
We hailed it in God's name.

It ate the food it ne'er had eat,
And round and round it flew.
The ice did split with a thunder-fit ;
The helmsman steered us through !

 

 1829196-6d01223990e54cf98408ae885a93dbe2.jpg
Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)
Standbeeld in Croyden. Coleridge in het midden, links Peggy Ashcroft

 

 

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Patrick Kavanagh op dit blog.

 

On Raglan Road

On Raglan Road on an autumn day I met her first and knew
That her dark hair would weave a snare that I might one day rue;
I saw the danger, yet I walked along the enchanted way,
And I said, let grief be a fallen leaf at the dawning of the day.

On Grafton Street in November we tripped lightly along the ledge
Of the deep ravine where can be seen the worth of passion's pledge,
The Queen of Hearts still making tarts and I not making hay -
O I loved too much and by such and such is happiness thrown away.

I gave her gifts of the mind I gave her the secret sign that's known
To the artists who have known the true gods of sound and stone
And word and tint. I did not stint for I gave her poems to say.
With her own name there and her own dark hair like clouds over fields of May

On a quiet street where old ghosts meet I see her walking now
Away from me so hurriedly my reason must allow
That I had wooed not as I should a creature made of clay -
When the angel woos the clay he'd lose his wings at the dawn of day.

 

 1829196-b7f960734c8813fc92ee37e817d66540.jpg
Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)
Portret door Edward McGuire, 1961

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Hans Warren, Mustafa Stitou, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek (Deel 6, 1956 – 1957)

“13 april 1957
(…)

Erfenis van mijn deltajongens met zilte handen en een schelpenmond, fluwelen vlinders in de ogen. Bomen ruisend van zeegeheimen. Harten geploegde voorjaarsaarde, waar meeuwen fladderen in feestelijk begeren.
Erfenis van jouw zengende profeten. Ogen opengebrand tot het zuver been. De wijde mond zwart van roestig roepen. Schrijdend in mantels van woestijnzand langs neuzelende slangen van muziek. Bazalten raven dragen sprinkhanen aan.
Verwonderd lopen we door het stervormige wouddécor. Het park van Saint-Cloud. La Malmaison. Zie je hoe Fragonard pastel een feestscherm spant van gele zijde, de roze vrouwen in de poederlakens, hoe fonteinen stoeien, omslaand op de wind. En daar zit Joséphine mijmerend op de mossen houtwal, haar lange rok vol grijze schemering. Hoog bomen en de nacht die nog niet daalt met tintelende sterren, met harpklank rondom die vrouw, het beeld van heimwee in het zwaar avondlicht van een vergulde liefde.
Wanneer de schemer uilenvleugels langs de ceders en de hoge beuken strijkt zwerven we langs de vijver. Voeren de marmerstille zwanen, luisteren naar de wind in kalk en klimop.
Ik leg de handen over zijn brandende oosterse ogen in een sluier rook, ik eet de volle vruchten van zijn zoete lippen. Hij lacht en kreunt.
Hier groeiden wij nader tot elkaar. Op dat fond van ons verleden en dat van de wereld wil ik hem heiligen, een mythe scheppen van liefde, uitputtend van overvloed en van gemis. Een sage om de vlugge gazel van zijn gang.
En steeds zullen het zijn ogen zijn die glanzen als befloerst juweelsteen of die gloeien, dwingend centraal als in een romaans emailmozaïk. Zijn ogen die ik noemde: topazen door een rag van struisveer, verloren barnsteentranen in berookt mos. Zijn ogen die steeds groter zullen groeien.
En steeds weer zal het ook zijn lichaam zijn, dat vlug havanalijf van duikelende saltimbank, dat bitter geurend lichaam dat mij dieper heeft bevredigd dan enig lijf en dat mij steeds weer is ontglipt.”

 

Roep

Al wat ik ben krimpt samen tot een kreet.
Ik heb mijn vers van elke tooi ontdaan:
een oproep; ik bezweer de eenzaamheid
met deze kristallen gebaren. Kom!
Al mijn zintuigen werden doelloos sinds ze
niet langer meer jouw heerlijkheid beleven.
Ik ben een spiegel in een lege kamer
vergeten fluit, piano die op slot is.
Weerkaats in mij, open mij en bespeel me,
je lied en beeltenis worden tijdeloos;
de weelde van mijn woord zal pas herleven
bij de genade van je jonge rug.

 

 1828753-543d7bf25d9e90f99f2bea7bac700ef6.jpg
Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Portret door Reynier de Myunk, 1986

 

 

De Marokkaans-Nederlandse dichter Mustafa Stitou werd geboren in Tétouan op 20 oktober 1974. Zie ook alle tags voor Moustafa Stitou op dit blog.

 

broer en zus 1

zorgen goed voor zichzelf
vers fruit op tafel
zorgen goed voor de paarden
geen mens tot last
dahlia's en afrikaantjes
in aangeharkte borders

maar ze wonen
onder golfplaten
sinds het kippenhok werd dichtgetimmerd
niet in de caravan
van de gemeente
en ze zwijgen

ze zwijgen

zwijgen

 

 

Grote mannen

Het Godshuis in het winkelcentrum
daar gaat het niet goed mee.
Berbers en bergbewoners kunnen elkaars bloed wel
(Een wijze woordvoerder van de bergbewoners
werd zelfs op zijn bek geslagen.)
Het betreft geen religieus vraagstuk
maar wie zal gaan over de subsidies van de gemeente.
Het gerucht gaat dat de bergbewoners een eigen
Godshuis
   zullen stichten.
Honderd meter verderop, tegenover de Hema.
(Vaart maken, Ramadam komt eraan.)
De jongens die klein naar het Godshuis moesten
de Koran vanzelfsprekend als moedermelk kregen
   voorgeschoteld
dus ervan dronken met dierlijke tegenzin
Alderzak en ik bijvoorbeeld
liggen dubbel.

 

 1828753-318c8c0f06de9362e2246be3e9d4f037.jpg
Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)

 

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

Uit: Une saison en enfer (Vertaald door Paul Claes)

“Mijn beurt. het verhaal van een van mijn dwaasheden.
Al lang maakte ik me sterk dat ik alle mogelijke landschappen in mij had, en vond ik de grote namen uit de schilderkunst en de moderne poëzie belachelijk.
Ik hield van idiote schilderijen, deurstukken, decors, doeken van kunstenmakers, uithangborden, volksprenten; ouderwetse literatuur, kerklatijn, erotische boeken vol spelfouten, romans uit grootmoeders tijd, sprookjes, kinderboekjes, oude opera's, simpele deuntjes, naïeve rijmpjes.
Ik droomde van kruistochten, ontdekkingsreizen waarover geen verslag bestaat, republieken zonder geschiedenis, onderdrukte godsdienstoorlogen, omwentelingen in de zeden, verhuizingen van volkeren en continenten: ik geloofde in al wat betovert.
Ik vond de kleur van de klinkers uit! - A zwart, E wit, I rood, O blauw, U groen. - Ik bepaalde de vorm en de beweging van elke medeklinker en ging er prat op met spontane ritmes een poëtisch woord uit te vinden dat op de een of andere dag toegankelijk zou zijn voor alle zinnen. Ik liet de vertaling achterwege.
Het begon als een studie. Ik schreef stiltes, nachten neer, ik noteerde het onuitdrukbare. Ik legde duizelingen vast.


Ver van de vogels, de kudden, de dorpsvrouwen,
Wat dronk ik geknield op deze heidegrond
Waaromheen het prille hazelarenhout
In een lauwe groene middagnevel stond?
 
Wat kon ik wel drinken uit die jonge Oise
- Stemloze olmen, bloemloos gras, grijze hemel! -
Drinken aan die gele nappen, ver van 't huisje
Dat mij lief was? Een gouden vocht dat doet zweten.
 
Ik leek het loense uithangbord van een kroeg.
- Er stak een storm op die de wolken verjoeg.
's Avonds was 't bosvocht in 't zuiver zand verdwenen,
De wind van God wierp ijsbrokken in de venen;
 
Wenend zag ik goud - en kon niet drinken. -

 

 1828753-cedc36c28caf5c43795d2611a78c8158.JPG
Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Borstbeeld in het Musée Arthur Rimbaud, Charleville-Mézières

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Marnix Gijsen werd geboren op 20 oktober 1899 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Marnix Gijssen op dit blog.

Uit: Klaaglied om Agnes

“Het enige vrouwelijke wezen, buiten mijn moeder, dat in mijn leven een rol speelde, was mijn zuster Agnes. Ik heb mij nooit tot het macabere aangetrokken gevoeld, en toen ik ‘Bruges, la Morte’ van Rodenbach las, heb ik het, niettegenstaande mijn romantische neigingen, potsierlijk en weerzinwekkend gevonden. Maar mijn zuster Agnes, die heel mijn leven een rol heeft gespeeld in mijn gevoelens, heb ik nooit gekend. Al wat ik van haar weet is: dat zij een jaar voor mij werd geboren, slechts een achttal weken heeft geleefd en na een ziekte van slechts een paar uur is gestorven. Ik heb mijn moeder nooit zelfs durven vragen waar zij begraven ligt. Zij is echter in mijn leven steeds een gemis geweest, een tekort aan een wezen dat had moeten bestaan en dat ik niet heb gekend. Ik heb haar verdwijnen altijd gevoeld als een onrecht mij aangedaan, maar vaak meende ik ook dat ik onrechtmatig de plaats die zij in de wereld had leeg gelaten, ingenomen had. Een domme kinderziekte heeft mij van een zuster willen beroven en is er in feite slechts in geslaagd dat dode kind in mij te doen leven, schoner, edeler, ongerepter dan welk levend mens ter wereld. Van den beginne heb ik mij dus verongelijkt gevoeld en ik heb mij daarom op de wispelturigheden van het lot gewroken. Toen mijn moeder het mij onmogelijk maakte ‘der ganze Goethe’ aan te schaffen, leefde ik in de eredienst van Agnes, mijn dood zusje, en misschien was mijn verder bestaan niets anders dan een jacht op deze bleke schim, op dit wankele kind, dat in de gruwelijke verstarring der stuipen had moeten sterven.
Toen ik allang de jeugdromantiek was ontgroeid, heeft een psychiater mij gezegd, dat in mijn wezen, niettegenstaande de aanwezigheid van een uitgesproken en soms protserige viriliteit, een teveel aan vrouwelijke hormonen aanwezig was.“

 

 1828753-65566c53b15b7b26f5e2c9d6e76f45b2.jpg
Marnix Gijsen (20 oktober 1899 – 29 september 1984)
In 1916

 

 

De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Oskar Pastior op dit blog.

 

Silbenpalindromblock

kommen  fladen lobster, kleiner libero,  muß  kalvin nach baku
wie  menge,   wenn   kurfürstendammverdi   einhermacht;   viel
krone und  berlinische  todesbeisal  sagst du, aber  kann  sie
tingeldelphi weißnehmen?  flaubert aalte  sich (geschickt, mutarm)  das  debakel; wie  enzian  sieden mensakloner wie schla-
fend, lauter stifter, laufend schlawinerklosamen  den  sie an-
ziehen;  wickelbadedasarmut  schickt  gesichte,   albert  floh
mähnenweis fiedelgeld in sie; canberra, du sagst salbei; desto
genielieber und  nekrophil  macht herein  die  verdammten fürs
kurvengemeng wie kuba  nach  wien  kalmus,  oh berliner  kleister, lob den flamenco

 

 

wetscherahnenclub
15 Sonette (14 + 1)

assa saas blu ulb
boob obbo gir gri
kook okko pis pis
appa paap zur ruz

noon onno kni ink
adda daad luf flu
alla laal ubu bub
dood oddo mit tim

fefe efef rür ürü
mama amam ter ret
spel leps udn nud

kaka akak kel elk
term trem ümü müm
lada alda nku unk

 

 1828753-3fa78ee89c4245e19cede247d3205f21.jpg
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)
Hermannstadt

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek werd geboren op 20 oktober 1946 in Mürzzuschlag, een kleine stad in de deelstaat Stiermarken. Zie ook alle tags voor Elfriede Jelinek op dit blog ook mijn blog van 20 oktober 2010.

Uit: Die Klavierspielerin

„Statt der Sonnenbrille hätte sie am liebsten das neue graue Flanellkostüm eines anderen Mädchens genommen. Aber ein Kostüm lässt sich nicht gut entwenden, wenn die Trägerin ununterbrochen darin steckt. Zum Ersatz bringt sie in detektivischer Kleinmeisterarbeit heraus, dass dieses Kostüm eigenkörperlich auf dem Babystrich verdient worden ist [...] Die Schulkameradin ist erst süße sechzehn und wird ordnungsgemäß der Verfehlung wegen gemeldet. SIE erzählt ihrer Mutter, welches Kostüm man sich wünscht und wo man es sich selbst verdienen kann. In gespielter Kinderunschuld fließen die Worte über die Lippen, damit die Mutter sich über die Ahnungslosigkeit des eigenen Kindes freut [...] Sofort schnallt sich die Mutter ihre Sporen an die Jagdstiefel. Schnaubend und schäumend tänzelt die Mama, den Kopf werfend, in die Schule und erwirkt einen saftigen Hinauswurf. Das graue Kostüm fliegt samt seiner Trägerin von der Anstalt [...] Die Kostümbesitzerin muss zur Strafe Verkäuferin in einer Innenstadtparfümerie werden und es für den Rest ihres Lebens ohne das Glück der Allgemeinbildung aushalten.
(…)

Zwei Stück Jungmänner in spe sind gerade in einen furchtbarten Streit bezüglich der Größe der weiblichen Brust geraten, da explodiert, vom Föhn hervorgeschleudert, die Frau Klavierlehrerin mitten unter ihnen und übt die Wirkung einer Handgranate aus. Sie hat sich einen still strafenden und ein wenig bedauernden Blick auf ihr Gesicht gelegt, man würde nicht glauben, dass sie und die Frauen auf den Fotos ein und demselben Geschlecht angehören, nämlich dem schönen, ja der Unkundige würde sie sogar zu verschiedenen Kategorien der Spezies Mensch zählen.“

 

 1828753-fb97d4fba3afc7b17762357ac3ae4012.jpg
Elfriede Jelinek (Mürzzuschlag, 20 oktober 1946)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:34 Reageer op dit bericht

Hans Maarten van den Brink

De Nederlandse schrijver en journalist Hans Maarten van den Brink werd geboren in Oegstgeest op 20 oktober 1956. Van den Brink begon als kunstredacteur bij het NRC Handelsblad en fungeerde voor de krant onder meer als correspondent in Spanje. Van 1995 tot 2001 was Van den Brink hoofdredacteur televisie bij de VPRO. Hij zorgde dat programma's als Andere Tijden, De Nieuwe Wereld, Laat Op De Avond, Sportpaleis De Jong, Veldpost en Waskracht! ontstonden. Vervolgens was van den Brink directeur van een centrum voor hedendaagse kunst in Rotterdam, genaamd Witte de With. Sinds 1 april 2006 is Van den Brink directeur van het Mediafonds. Het rooms-katholieke geloof vormt bij Van den Brinks boeken een vanzelfsprekende achtergrond. In een interview met Liesbeth Eugelink sprak hij de wens uit ooit eens de grote katholieke roman te schrijven.

Uit: Over het water

“We keerden meestal voor de brug van het eerste dorp na de stad, een kilometer of twee voorbij de banpaal, en al kort na dat keerpunt begon er deze middag om ons heen iets te veranderen. Nog steeds was het warm. Maar ook: vocht in de lucht. Geuren die krachtiger werden, en kruidig. Even een kleine bries, een rimpeling over de golven. Vlak daarna ging het water roerloos liggen. Zonder iets te zeggen liet ik de haal aanzwellen en bracht ik het tempo omhoog. Ik wilde thuis zijn voor de regen, maar ook de rivier zelf met zijn uitnodigende gladde oppervlak vroeg om meer kracht. David begreep en volgde. Nog terwijl we geleidelijk versnelden zag ik over dat onwaarschijnlijk gladde wateroppervlak een dichte regen op ons afkomen, een geheimzinnig gordijn dat ons wiegend naderde en hypnotiseerde, als de mantel van een grote, onzichtbare tovenaar. En daarbij een zoete, zware geur, anders dan die van zo-even, die de geur van de regen zelf moest zijn. Planten en bomen bogen hun hoofd, in het emaille van het water verschenen op slag miljarden putjes, maar voor ik me rekenschap had kunnen geven van dat alles was het al bij ons en viel de regen over ons heen, een waas waarin de fijne druppels niet van elkaar te onderscheiden waren maar een gevoel veroorzaakten van volledig omhuld te zijn. Ik zette krachtiger aan. David volgde. Niets was meer droog. Ik voelde hoe mijn hemd zwaar om mij heen rimpelde, ik voelde het water in mijn doorweekte schoenen. Ik zag mijn armen als vanzelf naar voren zwaaien en met een gretigheid die ik nog niet kende de riem in het water zetten. Mijn schouders pakten het gewicht gulzig over en mijn benen zetten onmiddellijk af. Moeiteloos verliet het blad aan het eind van de haal het water en beschreef een perfecte kleine boog tussen borst en knieën. Mijn hoofd leunde een fractie van een ogenblik genietend achterover voor ik, diep adem scheppend, weer achter mijn armen aan naar voren reed. Ik keek voor me uit en zag niet meer de angstwekkend ijle leegte van lucht en water die me ooit duizelig had gemaakt, maar iets dat me steun gaf en vertrouwen.En onuitputtelijke energie. Ik voerde de intensiteit nog iets verder op, zonder nadenken maar op de manier zoals het hoorde, niet door het tempo te verhogen maar door meer kracht te zetten waarna de beweging vanzelf om een hoger tempo vroeg. David volgde. Het was onnatuurlijk stil om ons heen. Het enige wat we hoorden was de allesdoordringende ruis van de regen en daardoorheen, op de voorgrond, het felle tsjak waarmee we het water pakten en het diepere, enigszins holle geluid waarmee onze bladen precies tegelijk het water weer verlieten. Of was het niet de regen die om ons heen ruiste, maar was het mijn eigen bloed, was het onze ademhaling? Achter mij hoorde ik David niet hijgen. Dat moest betekenen dat onze adem dezelfde cadans had, dat zijn hartslag samenviel met de mijne.””

 

 1873465-c6db50ca9c8ed1b07f57f945c17fb95c.jpg
Hans Maarten van den Brink (Oegstgeest, 20 oktober 1956)


Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten