Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 23 november 2015 tot 24 november 2015

Jules Deelder, Wanda Reisel, Thomas Kohnstamm, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

 

Ogenschijnlijk

Ogenschijnlijk heeft het ene
niets te maken met het ander.

Ogenschijnlijk schuilt er
voordeel in een vaste baan.

Ogenschijnlijk zal er nog
een heleboel verand'ren.

Ogenschijnlijk staan de sterren
hier niet zo ver vandaan.

 

 

Repeteergedicht

Sommige gedichten dienen
elke dag herschreven.
Gewoon hetzelfde gedicht
elke dag opnieuw.
Andere gedichten niet.

Wéér andere bleven beter
ongeschreven.
Dat zijn verreweg de meeste.

Maar sommige gedichten
dienen elke dag herschreven.
Gewoon hetzelfde gedicht
elke dag opnieuw.
Tot het onlosmakelijk

met ons is verweven
en met de werkelijkheid
tot waarheid is verdicht.

 

 

Gefeliciteerd

'Herinner jij je dat prachtige
horloge nog dat ik een jaar of
vijf geleden verloren heb?"
'Jazeker.'
'Weet je nog hoe ik werkelijk
overal heb gezocht maar het ner-
gens kon vinden?'
'Reken maar.'
'Trek ik gisteravond een oud vest
aan dat ik in jaren niet meer
heb gedragen en nou geef ik jou
te raden wat ik in het linker
zakje vond?'
'Gefeliciteerd! Je horloge!'
'Nee. Het gat waardoor ik het
verloren moet hebben.'

 

 1843158-1c7b1de69023d1dd0ec692917446932e.jpg
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

 

De Nederlandse schrijfster Wanda Reisel werd geboren in Willemstad (Curaçao) op 24 november 1955. Zie ook alle tags voor Wanda Reisel op dit blog.

Uit: Liefde tussen 5 en 7

“17:00
Het was van dat klefwarme weer dat iedereen gek maakt. Alle ramen van ons huis stonden wijd open. Ik was bezig mijn briefwisselingen te ordenen en ze op te bergen in een paar schoenendozen. Brieven van liefdes waarvan ik me maar enkele flarden herinnerde.
Met een half oog hield ik de televisie in de gaten. De beelden van de tenniswedstrijd werden regelmatig onderbroken door nieuws over de opstootjes die zich de laatste dagen in het buitenland hadden voorgedaan. Relletjes uitgelokt door het warme weer en uit onbehagen over de werkloosheid of god weet wat, uitgegroeid tot gewelddadige protesten. Winkels werden geplunderd, auto’s in brand gestoken. De nieuwsrubrieken herhaalden de sensationele beelden eindeloos: zwarte rookpluimen, de woedende menigte in opgebroken straten, op de barricades, acties met traangasbommen en waterkanonnen. Zo hongerig waren de media om in deze hete zomer eindelijk iets anders te laten horen dan het groeien van komkommers. Ik zag modieus geklede, boze jongeren met een zakdoek voor hun mond die molotovcocktails naar zwaarbewapende politie gooiden. Daden van verzet, zo moedig en zinloos dat ik er zelf tranen van in m’n ogen kreeg.
Gelukkig duurde het niet lang voor het gras met de vertrouwde witte lijnen weer in beeld verscheen. Na al dat geweld snakte ik naar de simpele regels van het tennis, het ritmisch ploppen van de bal, de concentratie, de strenge maar rechtvaardige stem van de umpire die het leven zo overzichtelijk maakt.”

 

 1843158-ac69b283c42f3fcd2dde4daf1d0fb904.jpg
Wanda Reisel (Willemstad, 24 november 1955)

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Kohnstamm werd geboren in Seattle, Washington op 24 november 1975. Zie ook alle tags voor Thomas Kohnstamm op dit blog.

Uit: Do Travel Writers Go to Hell?

“Yes, I know, I really have it pretty good. There are people starving in Africa. And there are plenty of people here in New York who would love the chance to be in a cubicle all day and not have to operate deep-fat fryers, drive garbage trucks, suck dicks, or whatever it is they do. The problem is that I am an ungrateful by-product of a prosperous society--the offal of opportunity. I am just another liberal arts graduate who bought the idea that life and career would be a fulfilling intellectual journey. Unfortunately, I am performing a glorified version of punching the time clock, and the financial rewards don't come anywhere near filling the emotional void of such diminished expectations.
But let's face it: rebellion is passe. My parents' generation already proved that--over time--rebellion boils down to little more than Saab ownership and an annual contribution to public radio. The old icons have been co-opted. Jose´ Mart’ is a brand of mojito mix. Che Guevara is a T-shirt. Cherokees are SUVs, and Apaches are helicopter gunships.
The American Dream is for immigrants. The rest of us are better acquainted with entitlement or boredom than we are with our own survival mechanisms. And when confronted with a fight-or-flight scenario, the latter usually takes precedence. Escape is our action of choice: escape through pharmaceuticals, escape through technology, and plain old running away in search of something else, anything else. I rummage through the back of my desk drawer looking for a loose Vicodin or a Klonopin. The best thing I come up with is Wite-Out, but I'm not that desperate. Yet.”

 

1843158-52f023fcd9a93c839e7a8062423f13c6.jpg
Thomas Kohnstamm (Seattle, 24 november 1975)

 

 

De Jamaicaanse schrijver Marlon James werd geboren op 24 november 1970 in Kingston, Jamaica. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

Uit: John Crow’s Devil

“I talkin to every man who can stand. Heed the word or you goin get lick with friggery worse than any bird.”
Birds. They came back in a rush; in screams and screeches and wounds cut fresh by claws. “You know what my Apostle can do.”
Clarence knew the houses where men hid. He hopped and dragged to each one and hammered into the door.
“Sunset,” he said.
Three days before, when noon was most white, the village had killed Hector Bligh. Reckoning came swift, before they were even done. God’s white fury swept down on them with beaks and claws and the beat of a thousand wings.
But there were things the villagers feared more than birds. One by one they came out and the men threw the bodies on the bonfire.
“This was judgment,” said Apostle York. He had emerged from the office after the fire was lit. The Apostle’s face had no scratch. “Judgment!” he shouted over the brilliance of the pyre and the crackle and pop of burning flesh. “Judgment,” he said again in morning devotion, noon devotion, evening devotion, night mass, penitence prayer, children’s prayer, women’s prayer, blood atonement, prayer for the saints, and the School of Boy Prophets. From that day, the incident was never to be spoken of lest God again unleash his wrath on Gibbeah.
The building had begun a week before the killing. With chopped down trees the villagers made a fence all around Gibbeah’s boundary. Then they surrounded it in barbed wire. Every city of righteousness had a wall, said the Apostle.”

 

 1843158-c823f4b4e6040c0ff68c0a8a27a31dbb.jpg
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

 

 

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

Uit: Feindesland (Vertaald door Helmut Lugmayr)

„Aber im gleichen Maß, wie mein Beutel schrumpfte, und das tat er bei dem Lotterleben rasch, kühlten auch die Gastfreundschaft und Freundlichkeit mir gegenüber ab. Ich kann allerdings auch nicht behaupten, dass mein Benehmen besonders dazu beigetragen hätte, meine Beliebtheit zu steigern. Und nach und nach begann ich zu begreifen, dass ein mittelloser Isländer so ziemlich die unbedeutendste Kreatur ist, die man am norwegischen Königshof kennt. Wir werden noch weniger geachtet als die Schweden – sind in Wirklichkeit um nichts besser als die Finnen, die manchmal mit ihren Rentierherden von den Bergen kommen, um Handel zu treiben und zu feilschen, und die für ihre Verschlagenheit und Hinterlist berüchtigt sind, wenn sich auch die wenigsten mit ihnen anzulegen wagen, wegen ihrer Zauberei und Hexenkunst. Und diese Lappen sprechen nicht einmal eine nordische Sprache wie die anderen, denn auch wenn die Leute sich hier, je nachdem woher sie kommen – aus welchem Land sie fliehen –, in Aussprache und Betonung unterscheiden, so sprechen doch, wenn man genau hinhört, alle dieselbe Sprache.
Zu Hause hatte man erzählt, dass meinem Bruder Sturla ein königlicher Empfang bereitet worden wäre, als er hierher kam, aber ich bekomme langsam den Verdacht, dass irgendetwas daran nicht ganz stimmt. Meine ganze Kindheit hindurch hatte ich davon gehört, welch großes Ansehen und wie viel Respekt mein Onkel Snorri am Königshof genieße. Dass ihn die königliche Familie als einen der Ihren betrachte und dass in ihrem Kreis die Wiedersehensfreude niemals inniger und der Beifall niemals größer seien, als wenn er nach der Überfahrt von Island auf wackeligen Beinen in die Halle träte.“

 

 1843158-b96ead03569eca006bb33b0084aafc3a.jpg
Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

 

 

De Ivoriaanse schrijver Ahmadou Kourouma werd geboren op 24 november 1927 in Togobala. Zie ook alle tags voor Ahmadou Kourouma op dit blog.

Uit: Monnè: Schmach und Ärger (Vertaald door Vera Gärttling)

„Schon zeichneten die Geier Arabesken an den weiten Himmel von Soba. In den Blutpfützen lagen mit zerschnittenen Kehlen Ochsen, Schafe, Hühner auf dem gesamten Opferplatz. Es war zu viel Blut und das war schon jetzt berauschend.
»Blut! Mehr Blut! Opfer! Mehr Opfer«, befahl der König Djigui noch immer.
Kopflos eilten die Schergen und gedungenen Mörder in die Stadt, zwangen in allen Höfen die Menschen zum Opfern. Es kamen immer mehr Geier. Eine schwarze Wolke verdunkelte den Himmel, die Dächer bedeckten sich mit schwarzen Schleiern.
»Blut! Alle Arten von Blut! Opfer! Alle Arten von Opfern!«
Die Schergen begriffen; es fehlten Menschenopfer. Sie stiegen in die Viertel am Stadtrand hinab, raubten drei Albinos und schächteten sie auf den Senufo-Altären der umgebenden heiligen Wälder. Das war ein Fehler … Der Rauch des menschlichen Blutes vermischte sich mit dem der Tiere und störte das Universum auf. Die trunkenen Geier stießen auf die kopflosen Opferpriester herab und der bestürzte König schrie:
»Lasst ab, lasst die Messer ruhen!«
Die befragten Orakel, Sandleser, Kaurimuschel- und Knochenwerfer wiederholten ihren Urteilsspruch: Der Fortbestand war nicht gewährt.
»In Allahs Namen, was wollen denn die Manen der Keita?«, fragte Djigui verzweifelt, als er in den Bolloda zurückkehrte (Bolloda war der Name, mit dem das Volk die Halle und den Palaverplatz bezeichnete:den Palast, den königlichen Hof und im weiteren Sinne auch die Macht, die Gewalt und die Willkür der Könige von Soba). Zwei Tage und zwei Nächte lang schlief er. Am dritten Morgen erwachte er mit neuem Schwung und beugte die zahlreichen Gebete, die er schuldig war. Nachdem er das alphatia gesprochen hatte, befahl er:
»Trotzen wir. Blut, Opfer, mehr Opfer!« Die Schergen und gedungenen Mörder eilten erneut in die Höfe und Hütten.“

 

1843158-1d8bc9ce8974fba6ab8638e81e8677bb.jpg
Ahmadou Kourouma (24 november 1927 – 11 december 2003)

 

 

De Chinese dichter en schrijver Wen Yiduo werd geboren op 24 november 1899 in Xishui, Hubei. Zie ook alle tags voor Wen Yiduo op dit blog.

 

Perhaps

Perhaps you have wept and wept, and can weep no more.
Perhaps. Perhaps you ought to sleep a bit;
then don't let the night hawk cough, the frogs
croak, or the bats fly.

Don't let the sunlight open the curtain onto your eyes.
Don't let a cool breeze brush your eyebrows.
Ah, no one will be able to startle you awake:
I will open an umbrella of dark pines to shelter your sleep.

Perhaps you hear earthworms digging in the mud,
or listen to the root hairs of small grasses sucking up water.
Perhaps this music you are listening to is lovelier
than the swearing and cursing noises of men.

Then close your eyelids, and shut them tight.
I will let you sleep, I will let you sleep.
I will cover you lightly, lightly with yellow earth.
I will slowly, slowly let the ashes of paper money fly.

Vertaald door Arthur Zse

 

 1843158-9810dccae283a08941d5071ee826cfe2.jpg
Wen Yiduo (24 november 1899 – 15 juli 1946)
Standbeeld bij de Yannun universiteit in in Kunming

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2014 en ook mijn blog van 24 november 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Paul Celan, Marcel Beyer, Max Goldt, Jennifer Michael Hecht, Sipko Melissen, Henri Borel

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

Die Silbe Schmerz

Es gab sich Dir in die Hand:
ein Du, todlos,
an dem alles Ich zu sich kam. Es fuhren
wortfreie Stimmen rings, Leerformen, alles
ging in sie ein, gemischt
und entmischt
und wieder
gemischt.

Und Zahlen waren
mitverwoben in das
Unzählbare. Eins und Tausend und was
davor und dahinter
größer war als es selbst, kleiner, aus-
gereift und
rück- und fort-
verwandelt in
keimendes Niemals.

Vergessenes griff
nach Zu-Vergessendem, Erdteile, Herzteile
schwammen,
sanken und schwammen. Kolumbus,
die Zeit-
lose im Aug, die Mutter-
Blume,
mordete Masten und Segel. Alles fuhr aus,

frei,
entdeckerisch,
blühte die Windrose ab, blätterte
ab, ein Weltmeer
blühte zuhauf und zutag, im Schwarzlicht
der Wildsteuerstriche. In Särgen,
Urnen, Kanopen
erwachten die Kindlein
Jaspis, Achat, Amethyst – Völker,
Stämme und Sippen, ein blindes

E s  s e i

knüpfte sich in
die schlangenköpfigen Frei-
Taue –: ein
Knoten
(und Wider- und Gegen- und Aber- und Zwillings- und Tau-
sendknoten), an dem
die fastnachtsäugige Brut
der Mardersterne im Abgrund
buch-, buch-, buch-
stabierte, stabierte.

 

 

EENMAAL,
toen hoorde ik hem,
toen wies hij de wereld,
ongezien, nachtlang,
werkelijk.

Een en Oneindig,
ontwricht,
ichten.

Licht was. Redding.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 1842734-42d263f8e9a1c9afb52e7526f7d2802d.jpg
Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Marcel Beyer werd op 23 november 1965 in Tailfingen / Württemberg geboren. Zie ook alle tags voor Marcel Beyer op dit blog.

 

Staub

Und was ist Staub, will ich dich manchmal
fragen, wenn abends jemand einen Augenblick
auf die Terrasse tritt, wenn er die Fußmatte
am Steingeländer ausklopft, mit kurzen Armen
und mit überzeichnetem Gesicht (Staub ist

doch da, und Staub umgibt uns. Ich
höre ihn, den Putz, die Borsten kratzen, und
weiter unten bellt

der Hund), Staub ist nicht Haare, wenn ein
Dachshund wieder still ist, Staub ist nicht
Schuppen toter Haut, wenn jemand seine Läden
mit der Ferse schließen will, ist auch nicht
Trockenlaub und Lehm, wenn sich davon nichts
mehr erkennen läßt. Was ist das, frage ich dich
manchmal, wenn ich die Staubwolke, den Schatten
sehe, über die Wäscheleinen, den Kamin und
dann, noch immer Schatten, über die Antennen
hin. Staub ist im Blauen, Luft, und meine
Frage, Staub in den Himmel, bis es dunkel ist.

 


Schnee

Meinst du am Ende die Möwen, die Stiefel nachts
auf der Mole, nachts in den Schnee? Triest oder
Turku, Turku, Triest - wo sind die Flocken, wo
die Figuren, unsere Sohlen, was treten sie fest?

Meinst du den Lichtschein am Rand, die Tiefe,
meinst du den Blick, die offene See? Kein
Schnee, Schnee, Kot, Kaugummi, Eis, und
kein Schnee - Schneefall ist alles, was ich noch
weiß, blau sind die Hände, blau ist der Rest.

 

 1842734-11a16d0edf9bc88524c335bf775ea3c7.jpg
Marcel Beyer (Tailfingen, 23 november 1965)

 

 

De Duitse schrijver en muzikant Max Goldt (pseudoniem van Matthias Ernst) werd geboren op 23 november 1958 in Weende (nu Göttingen). Zie ook alle tags voor Max Goldt op dit blog.

Uit:Die Radiotrinkerin

“Wie gut, daß ich ein Künstler bin!
Habe also eine Tür beschmiert und habe die Ehre, das teuer bezahlt zu bekommen. Man will eine Schule nach mir benennen? Nun denn, wenn sie im feinsten Viertel liegt – an mir soll es nicht liegen! Wie gut, daß ich ein Künstler bin!
Man stelle sich bloß einmal vor, ich wäre statt dessen ein Richter. Hilfs- und Hauptschöffen sowie Verteidiger\ würde ich sofort des Saales verweisen, damit ich nicht nur den vermaledeiten Angeklagten, sondern auch Zeugen und Sachverständige tüchtig anschreien könnte. Wenn mir einer schief gescheitelt, übel parfümiert oder in ungenehmigtem Hemde daherkäme, würde ich ihn umgehend zum Tode verurteilen, sei er auch nur Windelveruntreuer oder sonstwie lapidar. Gnadengesuchsteller würde ich nur auslachen und, statt Gnade zu gewähren, Likör trinken. Massenmörder hingegen würde ich frei herumlaufen lassen, wenn sie mir nur eine Spur sympathisch oder nützlich erschienen. Läge z. B. bei mir zu Hause irgendeine Reparatur an, würde ich den Massenmörder fragen, ob er mir das wohl schnell mal machen könnte, und schon wäre er auf freiem Fuß. Könnte er nicht, schösse ich ihn auf der Stelle nieder, da könnte er noch so nett dreinschauen. Niemand hierzulande würde einen solchen Richter wie mich gutheißen. Wie gut, daß ich nicht Richter bin!
Als Lehrer, der ich glücklicherweise auch nicht bin, wäre ich freilich keinen Deut besser. Statt Deutsch würde ich die Kinder selbstausgedachte Idiome lehren und frank und frei behaupten, der Mensch stamme vom Kaktus ab. Nach dem Unterricht würde ich die reizenderen unter den Schülern mit nach Hause nehmen und sie mit für Jugendliche völlig ungeeignetem Lesestoff oder sogar entsprechenden Abbil- dungen konfrontieren.“

 

 1842734-0efc9e721c27e3a63ec33413cb86aae8.jpg
Max Goldt (Weende, 23 november 1958)

 

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Jennifer Michael Hecht werd geboren op 23 november 1965 in New York. Zie ook alle tags voor Jennifer Michael Hecht op dit blog.

 

Funny Strange

We are tender and our lives are sweet

and they are already over and we are
visiting them in some kind of endless
reprieve from oblivion, we are walking
around in them and after we shatter
with love for everything we settle in.

Thou tiger on television chowing,
thou very fact of dreams, thou majestical
roof fretted with golden fire. Thou wisdom
of the inner parts. Thou tintinnabulation.

Is it not sweet to hand over the ocean's
harvest in a single wave of fish? To bounce
a vineyard of grapes from one's apron
and into the mouth of the crowd? To scoop up
bread and offer up one's armful to the throng?
Let us live as if we were still among

the living, let our days be patterned after
theirs. Is it not marvelous to be forgetful?

 


Fear Of Flying

Why did the chicken cross the road? When
in disgrace with fortune and men’s eyes, to get
to the other side. But when she is feeling better,
she ambles lighter and for lesser causes. Sometimes
just to shift her feathers. You can not really die
by cause of riding high, by cause of passing well
from one encounter to the next, from sign to sign.
Roll, red faced, like planets roll, fat in the dream
of time. You can not die by cause of riding
high, though you may feel it. Why did the chicken
put feet to the street? To survive it. The road
is long, but it is not wide. You can live through it.
Even unwebbed toes tread the moat, we note,
and laugh on the other side.

 

 1842734-1cfe1a6a1a3765f72ba2e1c00a72410f.jpg
Jennifer Michael Hecht (New York, 23 november 1965)
 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Sipko Melissen werd geboren in Scheveningen op 23 november 1944. Zie ook alle tags voor Sipko Melissen op dit blog.

Uit:Jonge mannen aan zee

‘We komen bij een open veld. Bundels afgesneden riet liggen aan de rand hoog opgetast. Het besef dat hier wel eens mensen komen verhoogt de spanning. We lopen achter elkaar langs de rand van het veld en komen bij een stukje grasland dat tot aan het water doorloopt. Een klein schiereiland. Verder kunnen we niet. In de hoek, onder een groepje hazelaars, een ronde rieten schuilhut met puntdak. We staan tegenover elkaar. De zon schuin boven ons. Een spanning die door taal opgeheven zou kunnen worden, maar we spreken niet. Ik hoor Andreas ademen door de neus. Terwijl onze voeten langzaam wegzakken in het drassige grasland blijven we elkaar aankijken alsof we op een teken wachten. De wereld lijkt te zijn opgeheven. Mijdrecht en Vinkeveen zijn lichtjaren van ons verwijderd. Als Andreas een stap naar voren doet, doe ik alsof ik hem zou willen ontwijken. Hij heeft mijn schouders al beet en hij gromt. Dit is geen worstelen, dit is iets anders. We rollen over elkaar. Hij drukt mij tegen de grond en mijn rug wordt nat. Ik voel zijn zwembroek tegen de mijne schuren. We staan op en met zijn ene hand pakt hij mijn pols beet en met de andere grijpt hij in mijn kruis. Hij lacht. Zijn lichaam lacht. Ik probeer ook hem te grijpen, maar hij weet mij van zich af te houden. Dit is een spel, een onschuldig spel waarbij niet gesproken wordt, in een niemandsland. Ik loop achter Andreas aan en even later staan we in de rieten schuilhut, tegenover elkaar.”


 1842734-e6e5033e3382213091d396ed757121ed.jpg
Sipko Melissen (Scheveningen, 23 november 1944)
Cover 

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Henri Jean Francois Borel werd geboren in Dordrecht op 23 november 1869. Zie ook alle tags voor Henri Borel op dit blog en ook mijn blog van 23 november 2010.

Uit: Het jongetje

“Hij bewaarde zorgvuldig allerlei lokjes haar en bloempjes en briefjes, en kon dikwijls met trots zijn verzameling bekijken.
Het Jongetje was een meisjesgek, zeiden ze, en het was waar, dat hij overal meisjes naliep, en overal heenging waar hij dacht dat ze zijn zouden.
Meisjes waren iets heel vreemds en geheimzinnigs voor hem. Ze waren zoo heel anders dan jongens. Ze hadden zulk mooi haar. Zoo lief waren ze. Ze liepen zoo veel zachter. Haar japonnetjes waren zoo mooi, en voelden zoo heerlijk aan, zoo van zijde en satijn en allemaal zachte dingen. Haar altijd schoone handen, haar stemmen zoo klaar en lief, haar beweging zoo blij en lucht ! -
Je moet voor haar vechten, en haar altijd overal helpen, en straffen wie haar kwaad doet. Ze zijn misschien eigenlijk engelen. Wat het was, wist het Jongetje niet, maar voor ieder meisje had hij een heiligen eerbied en tegelijk een verlangen om er heel lief-samen mee to zijn, en allemaal zachte dingen tegen to zeggen, en bloemen to brengen, en er iets voor to doen wat ze wou. Misschien kwam het van 't vele lezen in ridderverhalen en in Aimard, maar altijd was die reverentie in hem gebleven, ook toen hij grooter werd en op school zooveel vreemde dingen hoorde, waar hij zoo nieuwsgierig naar was, maar die hij weer heelemaal vergeten was bij een meisje. Daarom vooral zei ik, dat Paul nog een heel erg Jongetje was gebleven al droeg hij een lange broek, En ik ben de eenige die dat absoluut kan weten. –“

 

 1842734-b50d510a0f53477d6e229d29b91368cf.jpg
Henri Borel (23 november 1869 - 31 augustus 1933)
In Indë in 1896

 

 

 Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Jeroen Olyslaegers

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Vlaamse schrijver en columnist Jeroen Olyslaegers werd geboren in Mortsel in 1967. Hij studeerde Germaanse filologie aan UFSIA-UIA (1985-1989) en werkte nadien in het documentatiecentrum Louis Paul Boon. In maart 2009 verscheen de roman "Wij" bij uitgeverij Meulenhoff/Manteau. In 2012 kwam "Winst" uit, een roman die zich afspeelt in het kunstmilieu. Olyslaegers maakte ook naam in het theater. Samen met Paul Mennes schreef hij een toneelstuk over de wereld na 11 september. In september 2009 kwam "Woeste hoogten, rusteloze zielen" uit, een theaterstuk gebaseerd op "Woeste Hoogten" van Emily Brontë voor theater Artemis uit Den Bosch. Met Jan Fabre werkte hij in 2011 aan "Prometheus Landscape II" en in 2015 verzorgde hij, eveneens voor Fabre, de tekst voor "Mount Olympus: To Glorify the Cult of Tragedy". In 2014 ontving Olyslaegers de Arkprijs van het Vrije Woord. Volgens de jury verdient Olyslaegers de bekroning, omdat hij "oprecht maatschappelijke engagement in woorden en initiatieven" vertoont en het publieke forum gebruikt om schrijnende maatschappelijke toestanden aan de kaak te stellen en met die stellingname tegen de mainstream in te gaan".

Uit: Wij

“Ik wil het van jou horen.’
‘Je hebt niks gemist,’ zeg ik tegen Flor en ik bestel voor ons beiden rode wijn.
Hij duwt me verder weg van de bar. Zijn vrouw kijkt even naar hem en herneemt dan haar gesprek, twee tafels verder.
‘Daniëlle kwam gisterennacht thuis. Zónder onderbroek.’
‘Controleer jij dat elke avond?’
‘Ze was dronken. Ze had het over jou.’
Ik tik met mijn glas tegen het zijne. ‘Drink je wijn, Flor.’
Flor neemt een slok en herhaalt dat hij het wil weten. Ik moet het beschrijven. Wat is er gebeurd? Ik moet het vertellen want hij wordt zot.
‘Ik zou het voor je kunnen tekenen,’ blaas ik.
‘Stop, Georges. Klootzak.’
‘Maar dan zou Félicien Rops me daarbij moeten helpen. Varkens, blote wijven en Satan met een stijve op een kruis. Ik zie mijn leermeester uit Namen lachen in zijn baard, met een schetsblok op zijn knieën. Hij lacht ons uit. Laat het los, Flor. Het is niks, rien de kloten, geloof mij.’
‘Wat kan mij die leraar schelen...’ fluistert Flor.
Hij pakt mijn katoenen zomerjasje vast.
‘Waarom?’ vraagt hij.
‘Je trekt aan mij, Flor.’
‘Waarom?’
Ik zeg hem dat ik haar alleen maar gevingerd heb, erewoord.
Flor duwt zijn hoofd tegen mij en begint zonder geluid te janken.
‘Waarom? Waarom...’ snottert hij.”

 

 1982150-12b963849dcd461b11465b6e081d0a8c.jpg
Jeroen Olyslaegers (Mortsel, 1967)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten