Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 22 februari 2016 tot 23 februari 2016

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn verhaal, het verhaal ‘hoe ik non werd’ begon al heel vroeg in mijn leven; ik was net zes geworden. Het begin is getekend door een levendige herinnering die ik tot in het kleinste detail kan reconstrueren. Daarvoor is er niets: daarna bleef alles zich aaneenrijgen in één enkele, lange ononderbroken herinnering, de onderbrekingen dat ik sliep inbegrepen, tot ik het klooster in ging.
We waren verhuisd naar Rosario. Mijn eerste zes jaar hadden wij – vader, moeder en ik – doorgebracht in een plaats in de provincie Buenos Aires, waarvan ik me niets herinner en waar ik nooit meer naar ben teruggekeerd: Coronel Pringles. De grote stad (want dat leek Rosario vergeleken met waar we vandaan kwamen) maakte diepe indruk op ons. Al na een paar dagen loste mijn vader een belofte in: met mij een ijsje gaan halen. Het zou voor mij het eerste ijsje zijn, want in Pringles bestonden ze niet. Hij, die in zijn jeugd steden had gekend, had meerdere malen de loftrompet gestoken over die traktatie, waaraan hij terugdacht als iets verrukkelijks en feestelijks, al kon hij de bekoring ervan niet onder woorden brengen. Hij had me er een heel accurate beschrijving van gegeven, als iets onvoorstelbaars voor een niet-ingewijde, en dat was voldoende volstond om ijs in mijn kinderlijke geest wortel te laten schieten, zo te laten groeien dat het een mythische omvang kreeg.
We liepen naar een ijssalon die we de vorige dag hadden gezien en gingen naar binnen. Hij bestelde een ijsje van vijftig centavo, met pistache, toffee en kumquat whisky, en voor mij een van tien centavo, met aardbeiensmaak. De roze kleur vond ik prachtig. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik aanbad mijn vader, vereerde alles wat hij deed. We gingen op een bank zitten onder de bomen die destijds in het centrum van Rosario stonden: platanen. Ik keek toe hoe mijn vader het deed in een mum van tijd het groene bolletje had verorberd, nam toen uiterst voorzichtig een lepeltje ijs en stak het in mijn mond.
Zodra het eerste laagje op mijn tong smolt, begon ik me al ziek van ellende te voelen. Zoiets smerigs had ik nog nooit geproefd. Ik was nogal een moeilijke eter en de komedie van walging kende geen geheimen voor mij, maar dit overtrof alles wat ik ooit had meegemaakt; mijn grootste overdrijvingen, inclusief die welke ik mezelf nog nooit had toegestaan, waren ineens meer dan gerechtvaardigd. Heel even overwoog ik te doen alsof ik het lekker vond.”

 

 1881426-f8430d82b0ccd967103e98ba0f874c5c.jpg
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

 

 

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ljoedmila Oelitskaja op dit blog.

Uit:The Big Green Tent (Vertaald door Polly Gannon)

“It’s fascinating to trace the trajectories of people destined to meet. Sometimes such encounters happen without any special help from fate, without elaborate convolutions of plot, following the natural course of events—say, people live in adjacent buildings, or go to the same school.
The three boys all went to the same school. Ilya and Sanya had known each other since the first grade. Mikha joined them later. In the hierarchy that takes shape willy-nilly in every herd, all three of them occupied the lowest rung—due to their complete disinclination to fight or be cruel. Ilya was long and lanky, his hands and feet stuck out from his short sleeves and trouser legs. Moreover, there wasn’t a single nail or sharp piece of metal he hadn’t snagged his clothes on. His mother, the doleful, single Maria Fedorovna, wore herself out attaching unsightly patches to his clothes with her graceless fingers. Sewing was not her forte. Ilya was always dressed more poorly than the other students, who were themselves poorly dressed. He liked to cut up and play the clown, making a spectacle of his poverty and thereby overcoming it.
Sanya had it even worse. His classmates were filled with envy and disgust at his zippered jacket, his girlish eyelashes, the irksome sweetness of his face, and the cloth napkin his homemade lunch came wrapped in every day. Added to that, he took piano lessons. Many of the kids had seen him walking down Chernyshevsky Street, the former and future Pokrovka, to the Igumnov Music School, one of his hands clutching his grandmother’s hand, the other clutching a folder with sheet music. Sometimes they saw him even on days when he was sick with one of his frequent minor, but protracted, illnesses. His grandmother was all profile. She would place one slender leg in front of the other like a circus horse, her head swaying rhythmically in time. Sanya walked by her side, but slightly behind, as befits a groom.”

 

 1881426-740b090dd54a76141705f71ff25f11d5.jpg
Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

 

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

In Departing Light (Fragment)

Seriously, concentrated, she gazes ahead
towards the line,
as we go creeping around and around, through the thick syrups
of a garden, behind the nursing home.
Her mouth is full of chaos.
My mother revolves her loose dentures like marbles ground upon each other,
or idly clatters them,
broken and chipped. Since they won’t stay on her gums
she spits them free
with a sudden blurting cough, which seems to have stamped out of her
an ultimate breath.
Her teeth fly into her lap or onto the grass,
breaking the hawsers of spittle.
What we see in such age is for us the premature dissolution of a body,
as it slips off the bones
and back to protoplasm
before it can be decently hidden away.
And it’s as though the synapses were almost all of them broken
between her brain cells
and now they waver about feebly on the draught of my voice
and connect
at random and wrongly
and she has become a surrealist poet.
‘How is the sun
on your back?’ I ask. ‘The sun
is mechanical,’ she tells me, matter of fact. Wait
a moment, I think, is she
becoming profound? From nowhere she says, ‘The lake gets dusty.’ There is no lake
here, or in her past. ‘You’ll have to dust the lake.’
It could be
She has grown deep, but then she says, ‘The little boy in the star is food,’
or perhaps ‘The little boy is the star in food,’
and you think, ‘More likely
this appeals to my kind of superstition.’ It is all a tangle, and interpretations,
and hearing amiss,
all just the slipperiness
of her descent.

 

 1881426-3df4bb2807294c3609191962ede6b39d.JPG
Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)
Port Macquarie

 

 

De Vlaamse schrijver Jef Geeraerts werd geboren op 23 februari 1930 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jef Geeraerts op dit blog.

Uit:Der Generalstaatsanwalt (Vertaald door Hans-Ulrich Jäckle)

“Während der Generalstaatsanwalt in sein tägliches Morgenritual vor dem Badezimmerspiegel vertieft war, wurde seine Zufriedenheit wegen der äußerst günstigen Aussichten (er würde eine ganze Woche lang allein zu Hause sein) noch beträchtlich durch die Feststellung gesteigert, dass er für seine vierundsechzig Jahre alles andere als schlecht aussehe. Ein Meter sechsundachtzig, neunzig Kilo nackt auf der Waage. Nach amerikanischer Norm leicht overweight, was jedoch auf »Muskeln aus Eisen und Stahl, die mit den Jahren unmerklich von Fett durchädert wurden«, zurückzuführen war. Die pechschwarzen Haare wiesen nur sporadisch ein paar Sprenkel Grau an den Schläfen auf, der Unterkiefer war kantig, ohne Doppelkinn, der Teint »basané«, die Nase klassisch griechisch, die Augenbrauen sarazenisch; und die angeborene Missbilligung der Menschheit im Allgemeinen zeigte er mit Vorliebe in einem schiefen Lächeln und einem taxierenden Blick.
An diesem Dienstagmorgen des 25. Mai 1999, einem strahlenden Frühlingstag mit Mittagstemperaturen um die 23 Grad Celsius, war von letzterem jedoch nichts zu bemerken. Er fühlte sich cool wie der Cowboy aus der Reklamewelt, der Marlboro-Zigaretten raucht.
»Im Wesentlichen ist alles eine Frage der Gene«, behauptete sein Schulfreund Georges Weyler (Jokke), der inzwischen ein renommierter Internist geworden war, zehnmal mehr verdiente als er, aber auch bestialisch dafür arbeiten musste. »Mehr Sport treiben, Alberto«, sagte Jokke jedes Mal bei den vierzehntäglichen Versammlungen im Rotary Club, wobei er frech den Zeigefinger in den Bauch des Generalstaatsanwalts bohrte. Außer Reiten und Jagen trieb er keinen Sport, aber er liebte es, in guten Restaurants essen zu gehen, wo er den Ruf genoss, ein Weinkenner zu sein.
Er konzentrierte sich auf die Ringe unter seinen Augen, die seit einiger Zeit violette Äderchen hatten. Vorsichtig nahm er die Haut zwischen Daumen und Zeigefinger und zog daran wie an einem Gummi. Guy Staas, ein anderer Schulfreund und plastischer Chirurg für reiche Damen, hatte angeboten, ihn gegen einen Freundschaftspreis zu liften, aber für einen richtigen Mann, meinte der Generalstaatsanwalt, wäre das geradezu beschämend. Warum das so sein sollte, wusste er nicht, aber wahrscheinlich lag es an seiner Macho-Überzeugung, ein Mann sei im Allgemeinen präsentabel genug und habe derartige Eingriffe eben nicht nötig.“

 

 1881426-f0f6de172f2cfb2e1608f943d6c8bef1.jpg
Jef Geeraerts (23 februari 1930 – 11 mei 2015)

 

 

De Britse schrijver Bernard Cornwell werd geboren op 23 februari 1944 in Londen. Zie ook alle tags voor Bernard Cornwell op dit blog.

Uit: The Last Kingdom

„And then I saw them.
Three ships.
In my memory they slid from a bank of sea-mist, and perhaps they did, but memory is a faulty thing and my other images of that day are of a clear, cloudless sky, so perhaps there was no mist, but it seems to me that one moment the sea was empty and the next there were three ships coming from the south.
Beautiful things. They appeared to rest weightless on the ocean, and when their oars dug into the waves they skimmed the water. Their prows and sterns curled high and were tipped with gilded beasts, serpents and dragons, and it seemed to me that on that far off summer’s day the three boats danced on the water, propelled by the rise and fall of the silver wings of their oar banks. The sun flashed off the wet blades, splinters of light, then the oars dipped, were tugged and the beast-headed boats surged and I stared entranced.
“The devil’s turds,” my father growled. He was not a very good Christian, but he was frightened enough at that moment to make the sign of the cross.
“And may the devil swallow them,” my uncle said. His name was Elfric and he was a slender man; sly, dark and secretive.“

 

 1881426-3f1484ed0b7c49d6002e10c198e2eb49.jpg
Bernard Cornwell (Londen, 23 februari 1944)
Leofric (Adrian Bower) en Uhtred (Alexander Dreymon) in de tv-serie "The Last Kingdom"

 

 

De Nederlandse schrijver Toon Kortooms werd op 23 februari 1916 in Deurne geboren. Zie ook alle tags voor Toon Kortooms op dit blog.

Uit: Mijn kinderen eten turf

“Iedereen toonde zich verheugd toen bekend werd, dat vader Lange benoemd was tot boekhouder van de ‘Peatery & Mossliter Works Brabantia’. Schrik maar niet van deze langademige term en meteen evenmin, dat vader Lange naar de vreemde diende te emigreren om daar boek te gaan houden. Neen. Dat ‘Peatery en zo’ betekent niets anders dan: veenderij en turfstrooiselfabriek Brabantia – veenderij in de Peel dus.
(…)

Natuurlijk had hij iets staan voor vader Lange. Iets bijzonders! Toevallig beschikte Karel op die dag over twee gezonde armen en daarom kon hij weidse gebaren maken om de kwaliteiten van de automobiel uit te meten. ‘Een wagen, Wouter!’ riep hij. ‘Ik zal niet veel zeggen, alleen dit: geknipt voor jou en je gezin!’
Gezeten achter een borrel zei hij nog veel meer over het vervoersmiddel. Vader Lange kreeg de indruk, dat de heren Charles S. Rolls en Frederick H. Royce persoonlijk de hand hadden gehad in de vervaardiging van de wagen.
Na elke borrel werd de automobiel enormer, sterker en meer begerenswaard. Tenslotte stonden de mannen op en begaven zich naar de werkplaats. Achter een barricade van autobanden, uitgeklede motoren en losgeraakte bumpers stond hij. Een woeste kruising tussen een mechanische giraf en een van wielen voorziene buffel. Hij rustte enigszins scheefgezakt, op vier hoge spaakbenen, en zijn spatborden deden denken aan de wenkbrauwen van een nijdige dinosaurus. De koplampen staarden droef en doods voor zich uit. Een wagen als een uitkijkpost, een vestingwerk op wielen.”

 

 1881426-e5d87d4fc05a329660f15a9e69935ec7.jpg
Toon Kortooms (23 februari 1916 – 5 februari 1999) 
Portret in het Toon Kortooms museum in Deurne 

 

 

De Duitse schrijver, dichter en cabaretier Erich Kästner werd geboren in Dresden op 23 februari 1899. Zie ook alle tags voor Erich Kästner op dit blog.

 

Der Februar    

Nordwind bläst. Und Südwind weht.
Und es schneit. Und taut. Und schneit.
Und indes die Zeit vergeht
bleibt ja doch nur eins: die Zeit.

Pünktlich holt sie aus der Truhe
falschen Bart und goldnen Kram.
Pünktlich sperrt sie in die Truhe
Sorgenkleid und falsche Scham.

In Brokat und seidnen Resten,
eine Maske vorm Gesicht,
kommt sie dann zu unsren Festen.
Wir erkennen sie nur nicht.

Bei Trompeten und Gitarren
drehn wir uns im Labyrinth
und sind aufgeputzte Narren
um zu scheinen, was wir sind.

Unsre Orden sind Attrappe.
Bunter Schnee ist aus Papier.
Unsre Nasen sind aus Pappe.
Und aus welchem Stoff sind wir?

Bleich, als sähe er Gespenster,
mustert uns Prinz Karneval.
Aschermittwoch starrt durchs Fenster.
Und die Zeit verläßt den Saal.

Pünktlich legt sie in die Truhe
das Vorüber und Vorbei.
Pünktlich holt sie aus der Truhe
Sorgenkleid und Einerlei.

Nordwind bläst. Und Südwind weht.
Und es schneit. Und taut. Und schneit.
Und indes die Zeit vergeht,
bleibt uns doch nur eins: die Zeit.

 

 1881426-71938954ace993475be58bd51e6251e3.jpg
Erich Kästner (23 februari 1899 - 29 juli 1974)
Hier bij zijn bronzen borstbeeld, vervaardigd door de beeldhouwer Frayber

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2015 en ook mijn blog van 23 februari 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Arnon Grunberg, Ruben van Gogh, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Ki¨, Sean O'Faolain, Ishmael Reed, Edna St. Vincent Millay

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: De asielzoeker

“In minder dan een kwartier staan ze weer op straat. De vrouwelijke getuige deelt nog wat amandelcake uit die Beck, vooral uit beleefdheid, staand op het trottoir opeet. Dan moet ze weg. Ze heeft haast. Ook bij het afscheid kan hij haar naam niet verstaan. Hij kijkt haar na, met in zijn hand een tot een propje zilverpapier.
'Misschien wilt u even met ons meekomen voor een kopje thee?' zegt Beck tegen de asielzoeker. 'Dan kunt u zien hoe we wonen.'
'Graag,' zegt de asielzoeker, 'maar niet te lang.'
Beck duwt de rolstoel, de asielzoeker loopt ernaast. Af en toe, als hij stilstaat bij een stoplicht, stopt Beck zijn neus in de hals van zijn vrouw om haar te ruiken. Meer dan zijn vrouw ruikt hij ziekenhuis.
Bij hun woning aangekomen helpt Beck zijn vrouw uit de rolstoel. Ze moeten twee trappen op. Dat kan ze net.
'Ik draag haar wel,' zegt de asielzoeker. Hij neemt Becks vrouw op zijn rug, ze klampt zich aan hem vast en Beck klapt de rolstoel in.
'Gaat het?' vraagt Beck voor de zekerheid.
'Ja,' zegt zijn vrouw, 'het gaat, dit gaat uitstekend.' Ze heeft zich met al haar kracht aan de nek van de asielzoeker geklampt.
Beck vindt het een grappig, misschien zelfs ontroerend gezicht, al is hij even bang dat ze zullen vallen. Het herinnert hem aan iets, hoe zijn vrouw daar hangt, maar hij weet niet waaraan. Voor ze aan de beklimming beginnen knijpt hij haar zachtjes en vriendschappelijk in de billen. Ze gaan de twee trappen naar boven, de asielzoeker met Becks vrouw, Beck zelf met haar rolstoel.
Even later zitten ze in de woonkamer, alleen Beck blijft staan.
'Dat ben ik door de drukte helemaal vergeten,' zegt hij, 'ik heb jullie nog niet gefeliciteerd.' Hij geeft de asielzoeker een hand en kust zijn vrouw. Hij blijft bij haar staan en zegt: 'Willen jullie wat drinken? Er is niet veel, maar wat er is kunnen we opmaken. Dit is een mooie dag, vinden jullie niet? Dit moet wel een mooie dag zijn.'
 

 1880995-5f894a39c74f6ab120beb34512d2ec00.jpg
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

 

 

De Nederlandse dichter Ruben van Gogh werd geboren in Dokkum op 22 februari 1967. Zie ook alle tags voor Ruben van Gogh op dit blog.

 

Bij zinnen

Voorzichtig toch, voorzichtig
met die subtiel weergegeven woorden.

Ze zijn om vederlicht
te minnekozen, meer

dan dat die doelgerichte zinnen
dat zijn; die zijn veeleer voor zwaar

vozen in afgelegen stegen, waar
de schaduw steevast denken doet

aan onooglijke geesten, en bijdehante
gedachten als lompe lettertypes

verzwegen te wachten liggen, naar
nooit gelezen leven smachten.

 

 

Kringloop

Zo hier tussen de hoop uiteen gereten
levenslopen nog iets aan waarde rest

vermindert die met de jaren. Daar
is me wat mee rondgezeuld zeg, o la la!

Butsen, ontbrekende onderdelen, gehavend
materiaal - allemaal verhalen ze van zwaar

doorleefd verleden. Pronkstukken van weleer,
anoniem verzonken in een vale kwaliteit.

O, als zij nu nog maar ooit ontkwamen hier,
uit deze stijlkamers van vergankelijkheid,

meer dan halfweg tussen showroom en depot
- en wat daar dan weer wacht: roest, schimmel,

rag, voortschrijdende tijd, en ook de schijt
van een enkele verdwaalde, opgezette vogel.

 

 1880995-7624bea0c0b17830a44e63b82d0ab55f.jpg
Ruben van Gogh (Dokkum, 22 februari 1967)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Paul van Ostaijen werd geboren in Antwerpen op 22 februari 1896. Zie ook alle tags voor Paul van Ostaijen op dit blog.

 

Plakkage (Nr 2)

Ja, so geht es in der Welt
Alles fühlt man sich entgleiten,
Jahre, Haare, Liebe, Geld
Und die grosse Trunkenheiten.

Klabund: Morgenrot, Klabund, Die Tage dämmern


Waar kraait nu weer de haan?
Want 't is de tweede maal
Dat ik door de welbeminde werd verraân.

Nu zal mijn levenshardheid harder worden
Als ooit te voren; mijn arm hart, - ik wil niet wenen, -
Zal tot een harde diamant verstenen.

En elk hart dat tot mij komt: - moeder, vriend of lief, -
Zal ik sluiten binnen de ronde, harde wand
Van dit hard hart van diamant.

Elk hongerig hart dat in die toren om liefde vraagt
Zal alles moeten derven
En, zonder 'n ogenblik geluk, verhongerd moeten sterven.

Ik zal zijn een rijk, wijdgeducht landheer
Met landerijen, goud en nog veel meer;
Maar de weelde van mijn hart te schenken
Aan die mij minnen, zal ik niet meer kennen.
En ik zal ook vergeten, dat eens mijn hart was
Als een zeer fijn, kristallijnen champagneglas.

 

Ogen

Zijn oog glijdt aan het vreemde oog dat haar oog is
Zoals een zeil aan d'einder schuift
Daarvan gij denkt nu schuift het om de einder om
Maar lang zo glijdt het zijn glijden al maar door
Zodat het roerloos hangt aan d’einderkom
Of roerloos ligt in d’einderkuip

 

 1880995-f2e4a677f7fc8e8f7fda5d5373c348f7.jpg
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928)
 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hugo Ball werd geboren op 22 februari 1886 in Pirmasens. Zie ook alle tags voor Hugo Ball op dit blog.

 

Die Erfindung

Als ich zum ersten Male diesen Narren
Mein neues Totenwäglein vorgeführt,
War alle Welt im Leichenhaus gerührt
Von ihren Selbstportraits und anderen Schmarren.

Sie sagten mir: nun wohl, das sei ein Karren,
Jedoch die Räder seien nicht geschmiert,
Auch sei es innen nicht genug verziert
Und schließlich wollten sie mich selbst verscharren.

Sie haben von der Sache nichts begriffen,
Als daß es wurmig zugeht im Geliege
Und wenn ich mich vor Lachen jetzt noch biege,

So ist es, weil sie drum herum gestanden,
Die Pfeife rauchten und den Mut nicht fanden,
Hineinzusteigen in die schwarze Wiege.

Der Dorfdadaist

In Schnabelschuhen und im Schnürkorsett
Hat er den Winter überstanden,
Als Schlangenmensch im Teufelskabinett
Gastierte er bei Vorstadtdilletanten.

Nun sich der Frühling wieder eingestellt
Und Frau Natura kräftig promenierte,
Hat ihn die Lappen- und Atrappenwelt
Verdrossen erst und schließlich degoutieret.

Er hat sich eine Laute aufgezimmert
Aus Kistenholz und langen Schneckenschrauben,
Die Saiten rasseln und die Stimme wimmert,
Doch läßt er sich die Illusion nicht rauben.

Er brüllt und johlt, als hinge er am Spieße.
Er schwenkt juchelend seinen Brautzylinder.
Als Schellenkönig tanzt er auf der Wiese
Zum Purzelbaum der Narren und der Kinder.

 

 1880995-d27359eb000a9aa335d8251487a6e3cc.jpg
Hugo Ball (22 februari 1886 – 14 september 1927)
Hugo Ball’s Krypta designed by Ludwig, Maisano, Maisano, Matter.

Tentoonstelling en DaDa project, Zürich, 2007

 

 

De Servische schrijver Danilo Kiš werd geboren op 22 febrari 1935 in Subotica. Zie ook alle tags voor Danilo Kiš op dit blog.

Uit: A Tomb for Boris Davidovich (Vertaald door Duska Mikic-Mitchell)

“Perhaps it would have been wiser if I had chosen some other form of expression -- an essay or a monograph -- where I could use all these documents in the usual way. Two things, however, prevent me: the inappropriateness of citing actual oral testimony of reliable people as documentation; and my inability to forgo the pleasure of narration, which allows the author the deceptive idea that he is creating the world and thereby, as they say, changing it.
(…)

“I have outlived three generations of brave men, mistaken as they may have been, to whom I was deeply attached, and whose memory remains dear to me. And here again, I have discovered that it is nearly impossible to live a life devoted wholly to a cause which one believes to be just; a life, that is, where one refuses to separate thought from daily action. The young French and Belgian rebels of my twenties have all perished; my syndicalist comrades of Barcelona in 1917 were nearly all massacred; my comrades and friends of the Russian Revolution are probably all dead — any exceptions are only by a miracle. All were brave, all sought a principle of life nobler and juster than that of surrender to the bourgeois order; except perhaps for certain young men, disillusioned and crushed before their consciousness had crystallized, all were engaged in movements for progress. I must confess that the feeling of having so many dead men at my back, many of them my betters in energy, talent, and historical character, has often overwhelmed me; and that this feeling has been for me also the source of a certain courage, if that is the right word for it.”

 

 1880995-50924f830f947a5e014a9bbe52e0003b.jpg
Danilo Kiš (22 februari 1935 – 15 oktober 1989) 

 

 

De Ierse schrijver Sean O'Faolain werd geboren op 22 februari 1900 in Cork. Zie ook alle tags voor Sean O'Faolain op dit blog.

Uit: The Fur Coat

“When Maguire became parliamentary secretary to the minister for roads and railways his wife wound her arms around his neck, lifted herself on her toes, gazed into his eyes and said, adoringly:
“Now, Paddy, I must have a fur coat.”
“Of course, of course, me dear,” Maguire cried, holding her out from him admiringly; for she was a handsome little woman still, in spite ofthe greying hair and the first hint of a stoop, “Get two fur coats! Switzer’s will give us any amount of tick from now on.”
Molly sat back into her chair with her fingers clasped between her knees and said, chidingly:
“You think I’m extravagant!”
“Indeed, then, I do not. We’ve had some thin times together and it’s about time we had a bit ofcomfort in our old age. I’d like to see my wife in a fur coat. I’d love to see my wife take a shine out of some of those straps in Grafton Street-painted jades that never lifted a finger for God or man, not to as much as mention the word Ireland. By all means get a fur coat. Go down to Switzer’s tomorrow morning,” he cried with all the innocence of a warmhearted, inexperienced man, “and order the best fur coat that money can buy.”
Molly Maguire looked at him with affection and irritation. The years had polished her hard-politics, revolution, husband in and out of prison, children reared with the help of relatives and Prisoners’ Dependents’ funds. You could see the years on her finger tips, too pink, too coarse, and in her diamond-bright eyes.
“Paddy, you big fool, do you know what you’d pay for a mink coat? Not to mention a sable? And not as much as to whisper the word broadtail?”
“Say a hundred quid,” said Paddy, manfully. “What’s a hundred quid? I’ll be handling millions ofpublic money from now on. I have to think big.”
She replied in her warm Limerick singsong; sedately and proudly as befitted a woman who had often, in her father’s country store, handled thousands of pound notes.
“Do you know, Paddy Maguire, what a really bang-up fur coat could cost you? It could cost you a thousand guineas, and more.”

 

 1880995-7a3f17ea6cd966ec323bd1259a29c41e.jpg
Sean O'Faolain (22 februari 1900 – 20 april 1991)

 

 

De Afro-Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Ishmael Scott Reed werd geboren op 22 februari 1938 in Chattanooga, Tennessee. Zie ook alle tags voor Ishmael Reed op dit blog.

 

American Airlines Sutra

put yr cup on my tray
the stewardess said 40,000
feet up. (well i’ve
never done it that way. what
have i got to lose.)

i climb into a cab & the
woman driver is singing
along with Frank Sinatra
“how was your flight coming in?”

(another one. these americans,
only one thing on their
minds).

 


Badman of the Guest Professor
for Joe Overstreet, David Henderson, Albert Ayler & d mysterious ‘H’ who cut up d Rembrandts

i
u worry me whoever u are
i know u didnt want me to
come here but here i am just
d same; hi-jacking yr stagecoach,
hauling in yr pocket watches & mak
ing u hoof it all d way to
town. black bard, a robber w/ an
art: i left some curses in d cash
box so ull know its me

listen man, i cant help it if
yr thing is over, kaput,
   finis
no matter how u slice it dick
u are done. a dead duck all out
of quacks. d nagging hiccup dat
goes on & on w/out a simple glass
    of water for relief

 

 1880995-0bd40c114be35239d36677435d299384.jpg
Ishmael Reed (Chattanooga, 22 februari 1938)
 

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Edna St. Vincent Millay werd geboren op 22 februari 1892 in Rockland, Maine. Zie ook alle tags voor Edna St. Vincent Millay op dit blog.

 

Sonnet VI

No rose that in a garden ever grew,
In Homer's or in Omar's or in mine,
Though buried under centuries of fine
Dead dust of roses, shut from sun and dew
Forever, and forever lost from view,
But must again in fragrance rich as wine
The grey aisles of the air incarnadine
When the old summers surge into a new.
Thus when I swear, "I love with all my heart,"
'Tis with the heart of Lilith that I swear,
'Tis with the love of Lesbia and Lucrece;
And thus as well my love must lose some part
Of what it is, had Helen been less fair,
Or perished young, or stayed at home in Greece.

 

 1880995-8de7297791661692be74dd243e74fc66.jpg
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e februari ook mijn blog van 22 februari 2015 deel 1 en ook deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 18:48 Reageer op dit bericht

Rob Schouten

De Nederlandse schrijver, dichter, literatuurcriticus en columnist Rob Schouten werd geboren in Hilversum op 22 februari 1954. Hij studeerde Nederlands en manifesteert zich sinds het eind van de jaren zeventig van de 20e eeuw als dichter en literatuurcriticus. Sinds 1980 schrijft hij voor het dagblad Trouw columns en recensies, sinds 1981 verzorgt hij voor het weekblad Vrij Nederland poëzierecensies. In het seizoen 1986/1987 was hij writer in residence aan de University of Minnesota, van 1993 tot 1996 bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij zat in talloze literaire jury's, schreef diverse dichtbundels en essays, een verhalenbundel en een roman. Daarnaast stelde hij een aantal bloemlezingen samen.

 

Rob schouten viert zijn middelbare leeftijd

Ik was het middelpunt en kwam uitstekend over.
Vrienden roemden mijn geslaagde hoofd-hart combinatie,
vrouwen begrepen aan de onhandige wijze waarop ik
hun bloemen in een vaas deed dat ik hun man was,
er was meeslepende muziek en gespreksstof.

Toen slopen onverwachts mijn ouders langzaam binnen.
Onwennig zagen zij die onbekende mensen
van tegenwoordig met hun ingewikkelde losse
aandachten van niets, dat halfzatte gehang,
zelfs mij brachten ze niet onmiddellijk thuis.

Maar ze hadden iets ouds bij zich, nog van
opa en oma, dat naar middeleeuwen rook
en als je bleef snuiven nog verder: vreemde weiden
in, waar zo nu en dan een gestalte opdook,
naar iets mepte en achter rotsblokken verdween.

Toen werd het stil, of nee, heerste er zoemen,
veraf dreunen en kraken (mijn verjaardag was allang
volstrekt gedaan(, prachtige kleuren maar diffuus;
ook leek het of ergens iets haperde maar wat?
Zelfs het water leek niet helemaal te stromen.

En opeens zag je het allemaal wegspoelen,
het putje in: partijtje, Talmoed, Bach,
gedachtencoördinaten, voorstellingsvermogen,
alles ging er aan en 'alles' en niets, 'niets'...
Niet langer duurde het, duurde, duurde het maar.

 

 

In de tuin

Met lichtgevulde hersens in de tuin,
in het verschiet weiden de zenuwen
en op kniehoogte snuffelt God
wat in een bries van oud behagen.

O, tijd van lauwe kranten en gesprekken,
het leven klotst stompzinnig uit mij voort!

 

 

Lam

Natuur. Mij best. Parende robben. Mos.
De muizenval. Sla. Een ijskast ontdooien.
Telefoonrekening. Het parlement.
Belachelijke modieuze jurken.

Als u maar weet dat ik er ook aan doe,
hoe dronken ook. Wie ligt daar op z'n kant?
Een auto winnen om langs berg en dal...
Bloemlezingen, toeristen, komma's, punten.

Te veel om... nou ja, geweldig veel
en allemaal om het verstand te boeien
dat momenteel helaas geen zitting houdt
maar morgen weer voor alles openstaat.

 

 

 1982120-ebc364ff893c559cbd67c968aad33922.jpg
Rob Schouten (Hilversum, 22 februari 1954)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten