Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 15 maart 2016 tot 16 maart 2016

P.C. Hooft, Bredero, Dirk von Petersdorff, Zoë Jenny, Alice Hoffman, Hooshang Golshiri, Per Leo

De geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Cornelisz. Hooft werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1581. Zie ook alle tags voor P. C. Hooft op dit blog.

 

Wrange Amaril

Wrange Amaril, zal min niet murwe meuken
Uw hartje rauw, eer ’t ouderdom beklimt
En van de borst maakt een gordijn vol kreuken,
Die ’t elpenbeen nu tart, hoezeer het glimt?
Hoe lang zal nog de blinde schutter borgen
Uw wilde ziel die schopt de minnezorgen?

Uw wilde wil die nooit en proefde ’t kwijnen
En willig wee*, dat innerlijke snijdt;
Noch hoe dat die bekommeringen bijnen
Die knagen aan afwezens taaie tijd;
Noch ’t vinnig vuur der liefelijke lonken
Die kroppen ’t hart met overvloed van vonken.

Wanneer zal u eens lieve lust bevangen
En geven aan die zinnen strak een bocht?
Ach, wie u eens zag slijten van verlangen,
Naar lekkernij van lieve kusjes vocht
En bieden zelf uw lippen nu gebeden!
Wat zoete wraak van al uw koeligheden!

 

 

Sonnet

Schoon oogen die vermeucht te nemen en te geven
De sielen die ghij wilt door uwen harssenstrick,
Die met het spelen van een vriendelijcke blick
Soo vaeck ontsteeckt, en bluscht de vlamme van mijn leven,

Ach in wat dampe moet mijn siel onseker sweven
Door wrevle nijdicheit  en 't ongeval vol schrick,
Met haer verbolgen storm en swarte woleken dick,
Sint datse tusschen mijn, en u mijn sonne dreven!

Charifa' in dese nacht in desen hel vol smart
Neem ick mijn toevlucht tot u beeldt, dat in mijn hart
Soo groot verheven staet, en vult alleen mijn sinne.

Maer wt haer claerheit las! mij geen verlichting rijst,
En sij doet meer niet dan dat sij mijn annewijst
Hulpeloose' afgodin op u alleen Godinne.

 

 

Een Majeboom
Aan de Joffren Anne en Tesselschae Roemer Visschers gesonden naer haar vertreck vanden huijse te Muiden, in 't jaer 1621, spreekt

Orpheus met sijn stem en vinger
Maeckte eertijdts den boomen voeten,
Datse bij gekroonde stoeten
Liepen nae den soeten singer.
Ist dan vreemdt, dat ick verslinger
Op uw speelen,
Op uw queelen,
En loop achter aen uw keelen?
Ick, die ben van 't selve volck?
En was hij der goden tolck,
Ghij syt speelnoots van godinnen.
En indien Thalia' haer sinnen
Eens tot trouwen zet, sult ghij
Elleck sitten aen een zij.

 

 1890844-6d8b3ff4e8a8c4be8a173ddb69d84545.jpg
Pieter Cornelisz. Hooft (16 maart 1581 – 21 mei 1647)
Getekend door Herman F.C. ten Kate, 1868

 

 

De Nederlandse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaensz. Bredero werd geboren op 16 maart 1585 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Bredero op dit blog.

 

De droevige vrijer

Wat baat mij de drank waar elk vreugd uit zuigt?
En dit lief gezelschap dat nu dus zingt en juicht,
Met blij en zoet gelach?

Als ’t oog hier niet de liefste ziet,
Die ik zo gaarne zag
Speelt gij en danst vrij de lieve lange nacht,
Laat mij mij zelve vermaken met mijn klacht,
Die ’t hart uit droefheid dicht:
Ik zal in mijn smart vrolijk zijn
Of tenminste wat verlicht.

Ach! daar een ander gelukkig zich bevindt,
Nevens degene die hij van harte mint,
Daar zit ik hier alleen:
Diens groot geluk vermeert mijn druk
Met droeve treurigheên.

Niet dat ik iemand zijn voorspoed hier benij,
Maar ik beklaag het wreed geval, dat mij
Dus dompelt in ’t verdriet:
Hierom ben ik niet in mijn schik,
Zo gij hier merk’lijk ziet.

Ga hene speelnoot, verheug de jonge liên,
Ik zal mij zelve van binnen wat bezien,
En dromen van mijn Vrouw.
Al is ‘t bedrog, het zal mij nog
Verkwikken in mijn rouw.

Ga hene, ga hene, wat heb jij nog al praats,
Misschien zal u een ander afwinnen nu de plaats
En ’t meisje ook daar bij:
Ik dank u zeer van al de eer,
Die gij bewijst aan mij.

Helaas Prinsesje! helaas waar zijt gij nu?
Helaas mijn leven! wat ben ik zonder u?
Een schaduw en een schijn,
En geen ding min als die ik ben,
Als ik bij u mag zijn.

 

 1890844-887ebf34a54d4b5706fc7e44f4c77f4a.jpg
Gerbrand Bredero (16 maart 1585 - 23 augustus 1618)
Bredero momument van Piet Esser in Amsterdam (detail)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Dirk von Petersdorff werd geboren op 16 maart 1966 in Kiel. Zie ook alle tags voor Dirk von Petersdorff op dit blog.

 

HALTLOS SIND WIR,

früher sagten wir DIE DIALEKTIK, wenn
es Schwierigkeiten gab, jetzt kreisen wir

in Warteschleifen, WOMIT MUSS ICH RECHNEN:
die Frage der Filosofie, wir kreisen,

eine sich reflektierende Reflexion,
eine Mühle ohne Müller,

möchte man sagen, wir treiben,
ohne Grund unter den Füßen,

Surfer auf dem Weltmeer, wir
sind verweht. Spieglein, geben Sie

Gewißheit, rief er aus und
stand in einem Spiegelsaal.

Tautologisch taumeln wir
weiter. Schaun wir mal,

sagen die Betreuer und die Dichter
wagen: Was weiß der See, wann

der Wind kommt? DER APRIL IST
DER PASSENDE MONAT. Und wir

entdecken die Frau und sagen:
Die Meterologie ist eine weibliche

Wissenschaft. ja, wir bessern aus,
wir bessern nach, wir bleiben

 

 1890844-df50c71fd83014d0e045662f9c431dfc.jpeg
Dirk von Petersdorff (Kiel, 16 maart 1966)

 

 

De Zwitserse schrijfster Zoë Jenny werd geboren op 16 maart 1974 in Basel. Zie ook alle tags voor Zoë Jenny op dit blog.

Uit:Das Blütenstaubzimmer

„Aber als ich mich umdrehte, war sie bereits auf den Boden gesunken, die leere Flasche im Arm. Ich beugte mich über sie und versuchte sie vorsichtig wach zu rütteln. Sie bewegte sich nicht mehr, nur ihre rosa Augendeckel zuckten aufgeregt im Schlaf. Aus dem Arbeitszimmer meines Vaters drang noch immer Musik und lautes Gelächter. Ich löschte das Licht. Heute würde sich das Insekt nicht trauen. Und falls es doch noch kommen sollte, lag neben meinem Bett ein Körper, felsig und schwer.
Eines Nachts hatte mein Vater einen Unfall. Er war am Steuer eingeschlafen und gegen einen Baum gefahren. Er hatte einen Schock erlitten und lag zwei Wochen mit Fieber im Bett. Ich steckte das Telefon aus, zog die Vorhänge vor den Fenstern zu, und wenn es an der Tür klingelte, ignorierten wir es. Sowieso nur einer, der Geld will, sagte mein Vater müde und drehte sich auf die andere Seite. Im Kindergarten meldete er mich krank; paß auf, daß dich niemand sieht, sagte er zu mir, wenn ich zum Laden an der Ecke ging, um Zigaretten und Sandwiches zu holen. Ich schlüpfte in die zu große Windjacke, die uns mit anderen Kleidern von einem wohltätigen Amt zugeschickt worden war, zog die Kapuze über den Kopf und rannte die Straße hinunter zum Laden.
Das Tageslicht sickerte durch die gelben Vorhänge, und wenn es draußen sehr schön war, lagen matte Sonnenstreifen auf der Bettdecke. Diese Strahlen haben einen weiten Weg hinter sich, sagte Vater, sie ruhen sich jetzt bei uns aus. Ich holte Nico und Florian, meine einzigen und besten Freunde, und setzte sie in einen Sonnenstreifen. Ich glaube, sie wollen eine Reise machen, sagte ich. Nico, ein blauer Schnuller, der vom vielen Daraufherumkauen schon ganz abgewetzt war, saß auf dem rechten, Florian, ein gelber Schnuller, auf dem linken Fuß meines Vaters. In jeder Hand einen Schnuller, hüpfte ich über die Bettdecke, überquerte Täler, Berge und Seen zwischen den Stoffalten und landete schließlich auf dem Kopf meines Vaters, einem Labyrinth aus dunklen Haaren.“

 

 1890844-96a31d387a9612473943550ea4565c99.jpg
Zoë Jenny (Basel, 16 maart 1974)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Alice Hoffman werd geboren op 16 maart 1952 in New York. Zie ook alle tags voor Alice Hoffman op dit blog.

Uit: Practical Magic

“For more than two hundred years, the Owens women have been blamed for everything that has gone wrong in town. If a damp spring arrived, if cows in the pasture gave milk that was runny with blood, if a colt died of colic or a baby was born with a red birthmark stamped onto his cheek, everyone believed that fate must have been twisted, at least a little, by those women over on Magnolia Street. It didn’t matter what the problem was — lightning, or locusts, or a death by drowning. It didn’t matter if the situation could be explained by logic, or science, or plain bad luck. As soon as there was a hint of trouble or the slightest misfortune, people began pointing their fingers and placing blame. Before long they’d convinced themselves that it wasn’t safe to walk past the Owens house after dark, and only the most foolish neighbors would dare to peer over the black wrought-iron fence that circled the yard like a snake.
Inside the house there were no clocks and no mirrors and three locks on each and every door. Mice lived under the floorboards and in the walls and often could be found in the dresser drawers, where they ate the embroidered tablecloths, as well as the lacy edges of the linen placemats. Fifteen different sorts of wood had been used for the window seats and the mantels, including golden oak, silver ash, and a peculiarly fragrant cherrywood that gave off the scent of ripe fruit even in the dead of winter, when every tree outside was nothing more than a leafless black stick. No matter how dusty the rest of the house might be, none of the woodwork ever needed polishing. If you squinted, you could see your reflection right there in the wainscoting in the dining room or the banister you held on to as you ran up the stairs. It was dark in every room, even at noon, and cool all through the heat of July. Anyone who dared to stand on the porch, where the ivy grew wild, could try for hours to look through the windows and never see a thing. It was the same looking out; the green-tinted window glass was so old and so thick that everything on the other side seemed like a dream, including the sky and the trees.”

 

 1890844-e6d9bb9645f1e01136e3ba31e6de01dc.jpg
Alice Hoffman (New York, 16 maart 1952)

 

 

De Iraanse schrijver Hooshang Golshiri werd geboren op 16 maart 1938 in Isfahan. Zie ook alle tags voor Hooshang Golshiri op dit blog.

Uit: Sketching

“Yes, that's more or less the way it is. You search for one thing but end up finding something else, like the early days of the war, when if in the condition of red alert you happened to be outside, you walked around with hands clinging to the walls, and the darkness was so dense that it was as if it led us, or like the two of us who went to greet the kids and stay together for about a month and gradually explain to them why we want to separate, or like me trying to tell them why I want to return, but now I am here and every time I remember something that is there, or when a letter comes, or one of those unisize and uni-design cards arrives, I only see the bend of that street and the sun, great but cold, rising from the sea, turning the horizon into yellowish orange. No, when we were going up that street, the sun was not visible, only the yellowish orange of the horizon could be seen and in the street and even on the beach, when I looked again there was nobody. But there is somebody, like a film of repetitious takes of what I have seen. That's why, every morning from six-thirty, when I eat a bite, I send this Karam, son of Nane Rubab, to go anywhere he wants till about noon, hoping that I can work and maybe this time it will come out right. And when it doesn't, I come to this veranda, so that at least for half an hour, I can lay back in this leather chair and think of nothing. It can't be. Man can not be alone; even a stone, or a piece of clay, is not alone, or even that clothesline on which now only a white shirt sways back and forth, and every ten minutes, a scarfed woman comes to turn the shirt over once again.
If I had told Shirin the truth, she probably would have agreed to stay one more night, with the kids, even in that same desolate motel. They had said there was only one room. There weren't more than three streets anyway. One we did not see, and one paralleled the harbor, lined with homes of sailors and harbor employees and the post office and the bank. Around the first part of the last street, we found the motel. We could return there again, and once we had convinced the kids, we could stay one more night so that the next morning I could once more see her at a quarter to nine, coming up from the beach, and watch her pedal the whole bend with her back bent and her head upright, moving into the wind. Our Maziar agreed to stay. But then Zohre kept asking, "Why did you come together? Is there something wrong?"

 

 1890844-8804383081c5b535aa9f68e45482d78d.jpg
Hooshang Golshiri (16 maart 1938 – 5 juni 2000)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver Per Leo werd geboren in 1972 in Erlangen. Hij studeerde geschiedenis, filosofie en Russische filologie. Leo werkt als freelance schrijver en producent van dozen. Leo publiceerde in 2014 de roman "Flut und Boden ', waarin hij vertelt over zijn grootvader en diens broer die tijdens de naziperiode allebei een fundamenteel andere ontwikkeling doormaakten. In 2009 had Leo zijn proefschrift over Ludwig Klages, waarvoor hij 2011 de Humboldt-prijs speciale prijs jodendom en antisemitisme ontvangen afgerond.

Uit: Flut und Boden

“Die steile Treppe in den schlundartigen Eingang. Der weiße, leicht gewölbte Klingelknopf. Die Stille im Windfang zwischen den beiden Milchglastüren. Der Duft alten Gemäuers. Die Ewigkeit, bis sich eine ferne Tür öffnet und langsame Schritte durch die Eingangshalle schlurfen. Der saure Kuss auf die Wange. Der Geruch von Kartoffeln in der Küche, von Spargel auf der Toilette. Wir fassen uns an den Händen und wünschen eine gesegnete Mahlzeit: Haut rein, ihr Türken, und nicht gezittert! Die Mittagsruhe. Das Fünfmarkstück, mit dem ich nach einem Quadrat Butterkuchen geschickt werde. Der Apfelsaft, den man mir statt Kaffee in eine zarte Tasse mit Rosendekor einschenkt. Die besorgte Frage nach dem Befinden meines Vaters. Die Frachtschiffe, die sich durch die Zweige der alten Kastanien nach Bremen oder zur Nordsee schieben. Bleib ein anständiger Junge, sagt der Großvater zum Abschied, vergiss uns alte Leute nicht, die Großmutter. Seit Großvater tot war, hieß es nur noch: gesegnete Mahlzeit; und zum Abschied: vergiss mich nicht. Aber sonst hatte sich fast nichts geändert.
Es wäre unangemessen, den gleichförmigen Ablauf in die Nähe eines Rituals zu rücken, in ihm eine souveräne Setzung oder kluges Einverständnis mit dem Unabänderlichen zu sehen. Denn er war nicht gewollt. Er geschah einfach. Ein ums andere Mal servierte Großmutter mir das aufgetaute Hühnerfrikassee, das sie in meiner Phantasie vor vielen Jahren in gewaltigen Mengen auf Vorrat gekocht hatte. Sie wollte nichts mehr ausprobieren, sie suchte auch nichts mehr.
Außer im Gespräch, da suchte sie immer den hohen Ton. Ob sie ihn traf, war Stimmungssache. Verfehlte sie ihn, standen ihr nur Vorwurf oder Zerknirschung zu Gebote. Vorwurfsvoll protokollierte sie meine Verspätungen, zerknirscht gestand sie, dass es wieder nur Hühnerfrikassee gab. Tatsächlich hätte ich es mir aber gar nicht anders gewünscht.
Tatsächlich hätte ich es mir aber gar nicht anders gewünscht. Ich mochte Großmutters Frikassee. Und ich mochte auch sie. Obwohl sie nicht mehr gut roch. Obwohl sie ihr Leben mit sich herumschleppte wie einen Staubmantel.
Obwohl die Haare an ihrem Kinn kratzig waren. Obwohl sie ständig seufzte und sich über alles und jeden beklagte. Doch wenn sie auf ihren wunden Füßen, die aus den gelöcherten Gesundheitsschuhen herausquollen, wie auf Holzklötzen zum Herd wackelte, wenn ihre wässrigen und immer geröteten Augen mich suchten, ohne meinen Blick je erwidern zu können, wenn sie an Großvaters Grab stand, klein und reglos, als bäte sie still um Einlass, während ihr Kopftuch im Wind flatterte und der überraschend gut geschnittene Trench coat sich über ihr mächtiges Hinterteil spannte, dann berührte sie etwas in mir, einen verborgenen Resonanzraum, irgendwo weit unten, dort, wo jetzt die brüchige Stimme Kurt Cobains in mir widerhallte, die gerade das Wort memoria sang, achtlos über die Konsonanten springend, hinein in einen nicht enden wollenden, immer schwerer werdenden Klagelaut, der sich langsam und groß vor den nächsten Atemzug rollte: memo-riii-a.“

 

 1890844-8cf5ebf78009cd68dbfa48531f64ef03.jpg
Per Leo (Erlangen,1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e maart ook mijn blog van 16 maart 2014 deel 1 en eveneens mijn blog van 16 maart 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:43 Reageer op dit bericht

Gerhard Seyfried, Kurt Drawert, Louis Paul Boon, Ben Okri, David Albahari, Andreas Okopenko, An Rutgers van der Loeff

De Duitse dichter en schrijver Kurt Drawert werd geboren op 15 maart 1956 in Henningsdorf. Zie ook alle tags voor Kurt Drawert op dit blog.

Uit: Schreiben

„Bei Lacan habe ich einen Satz gefunden, der mein Anliegen, über das Schreiben zu schreiben, fast buchstäblich zum Ausdruck bringt: «Liebe ist, wenn man gibt, was man nicht hat.» Dieser Satz bezeichnet ein Paradoxon und ist zugleich eine Aufforderung, es anzuerkennen und sich einzulassen darauf. Mit anderen Worten: Das Unmögliche zu verschenken, ist das Mögliche dessen, der liebt. Wie nun ließe sich besser erklären, worum es mir in diesem Buch geht – nur eben bezogen auf die Literatur, die genau dort ihren Platz hat, wo sie etwas dauerhaft Abwesendes mit Sprache durchdringt und damit auch vorstellbar macht. Mein Text zu diesem schier unendlichen Thema bewegt sich in Form einer Terzine. Das hat sich aus dem Material so ergeben. Die Motive, die sich wiederholen, sind jedoch nie Wiederholung an sich, sondern Übergänge in einen anderen, neuen Verlauf. Genau das regelt die Terzine auch: sie kehrt in ihrer Verpflichtung zum Reim immer auf den zweiten Vers der letzten Strophe zurück, um dann zwei Verse vor-anzukommen. Ihre Langsamkeit wird so zur Genauigkeit des Denkens, das seinen Abschluss oft erst in einer Parallelfigur findet. Das gefällt mir gut. Ebenso gefällt mir, mich in Begriffen zu bewegen, die schon festgelegt und eingeführt sind. Es erspart Zeit. Außerdem sind sie aus ihren jeweiligen Denksystemen nicht beliebig und ohne Verlust an Verständlichkeit und Sinn herauszulösen. Ich werde sie, wo ich sie als bekannt nicht voraussetzen darf, erläutern, zumal ihre Verwendungen auch in der enzyklopädischen Literatur nicht einheitlich geregelt sind und entsprechend kommentiert werden sollten. Die Markierung ( *) hinter dem betreffenden Wort signalisiert den Kommentar, der sich im Wortregister am Ende des Buches befindet. Dabei erhebe ich keinen Anspruch auf Geltung und möchte nur, dass ich so verstanden werde, wie ich verstanden habe, was ich erzähle. Und nun danke ich allen, die sich mit mir auf einen Weg begeben, der genaugenommen nirgendwo hinführt und schön allein dadurch ist, dass es ihn gibt.“

 

 1890471-34829a23d5b809a80f920614620bee79.jpg
Kurt Drawert (Henningsdorf, 15 maart 1956)

 

 

De Duitse schrijver, tekenaar en karikaturist Gerhard Seyfried werd geboren op 15 maart 1948 in München. Zie ook alle tags voor Gerhard Seyfried op dit blog.

Uit: Verdammte Deutsche!

»Eben. Nun, gestern war ich zum Vortrag bei Tirpitz bestellt und mußte mir Vorwürfe anhören, weil wir so wenig Nachrichten aus England liefern. Die Aufklärung dort muß unbedingt forciert werden, sagt mir sein Stabschef. Im Gegensatz zum Generalstab ist die Exzellenz der Ansicht, daß im Konfliktfall Großbritannien in die Reihe möglicher Gegner aufrückt.«
»Aha. Mal wieder eine Strategieänderung«, bemerkt Steinhauer.
»Tja. Wir sollen uns weniger um die Flotten der Franzosen und Russen kümmern, sondern uns auf die Royal Navy konzentrieren. Hab die Exzellenz auf unseren chronischen Geldmangel hingewiesen und immerhin erreicht, daß man uns den Jahresetat um zehntausend Mark aufstockt.«
Steinhauer zuckt die Achseln. »Ein Tropfen auf den heißen Stein.«
Er weiß, daß N zuwenig Agenten in England hat. Eigentlich so gut wie keine. Die wenigen Spione, die sie dorthin geschickt haben, haben sich bisher allesamt als untauglich erwiesen. Ein paar dieser Männer waren im Gefängnis rekrutiert worden, gegen Straferlaß, um Geld zu sparen. Betrüger und Hochstapler, ja, aber man hoffte, die wären besonders gewieft und risikobereit. Doch was diese Leute lieferten, wenn überhaupt, war entweder unbrauchbar oder unglaubwürdig. Die wichtigsten Nachrichtenquellen der Abteilung für die zweiwöchentlichen Berichte an die Admiralität waren immer noch die britischen Zeitungen.
Unter dem Mützenschirm zieht der Kapitän die Brauen zusammen. »Und zum Abschied überreichte man mir einen Wunschzettel, mit dem dezenten Hinweis ›binnen Jahresfrist‹.«
»Was steht denn ganz oben auf der allerhöchsten Wunschliste, wenn ich fragen darf, Herr Kapitän?«
Der Offizier sieht sich um, ob niemand zuhören kann, aber sie sind ganz allein auf dieser Straßenseite. Trotzdem dämpft er seine Stimme: »An erster Stelle Rosyth am Firth of Forth.“

 

 1890471-a97d9bcd4caed05afafbae004cf9577c.jpg
Gerhard Seyfried (München, 15 maart 1948)
Hier in 2004 

 

 

De Vlaamse dichter, schrijver en kunstschilder Louis Paul Boon werd geboren in Aalst op 15 maart 1912. Zie ook alle tags voor Louis Paul Boon op dit blog.

Uit: De kapellekensbaan

“Ge ziet van uit uw open zolderraam hoe het niemandsbos in het rood wordt geverfd door de zakkende zon, en hoort hoe het droefgeestig schaap van mossieu colson van tminnesterie nog een laatste keer blaat vooraleer het achter de knarsende staldeur verdwijnt: en dan schuift ge uw pampierderij opzij en stapt de trappen af, juist als de kantieke schoolmeester de deur openduwt en samen met zijn schone vrouw lucette een beetje van die late rode zon binnenlaat. En al kantiek schoolmeesterachtig met het hoofd schuddend hoort ge hem zeggen: naar het mij toeschijnt hebt ge daar boven op uw zolder over uw papieren gebogen gehangen om over onze wereld-van-vandaag te schrijven, en ik die al zoveel boeken mis-verstaan heb, weet dat al wat er te zeggen valt reeds gezegd is geweest, ik spreek nog alleens niet van de prediker, van de faustmaker of de waanzinnige hamletspeler... neen onderbreek mij niet, want ik heb dat niet graag, maar zult gij daar op uw zolder groter wijsheid vergaren dan laotse, of kunt gij surrealistisch-erotisch-debieler doen dan het de zangen van maldoror zijn? zult gij de menselijke diepten en hoogten dieper en hoger doorpeilen dan in de demonen van de gebroeders karamazof, zult gij de tijd buiten tijd en ruimte razender achternajagen dan proust, of zult gij het leven binnen tijd en ruimte hardnekkiger geselen dan in de voyage au bout de la nuit? weet gij de ontspoorde mens-in-een-scheve-maatschappij beter in zijn juiste verhouding van levend en denkend dier te plaatsen dan de minnaar van lady chatterley? weet gij nuchterder dan lenin, naturalistischer dan zola, beeldsprakeriger dan de bijbel met de woorden om te springen? is het u mogelijk plechtstatiger en onfeilbaarder te zijn dan de paus van rome, sprookjesachtig onzedelijker dan duizend-en-1-nacht, hemelser dan de navolging-van-christus, sluwer en fijngeestiger dan de reinaert van willem-die-madoc-maakte, tragi-boerser dan de isengrinus van nivardus? en kunt gij moderner ongelovig-schurftiger zijn dan de tropic-of-capricorn?, of romantisch-miserabilistischer dan de-voorstad-groeit?
En als ge de kantieke schoolmeester hoort zwijgen en zijn lippen ziet opeenpersen antwoordt ge: het is mogelijk dat het onmogelijk is om iets nieuwer en juister te zeggen, maar over al het geschrevene daalt het stof der tijden neer, en ik peins daarom dat het goed is als er om de 10 jaar een andere een kruis trekt over al die oude dingen, en de wereld-van-vandaag opnieuw uitspreekt met andere woorden”. 

 

 1890471-754a1764d2869792e27bb4f44501b60b.jpg
Louis Paul Boon (15 maart 1912 - 10 mei 1979)
Rond 1945

 

 

De Nigeriaanse dichter en romanschrijver Ben Okri werd geboren op 15 maart 1959 in Minna, Nigeria. Zie ook alle tags voor Ben Okri op dit blog.

Uit:The Famished Road

“Those of us who lingered in the world, seduced by the annunciation of wonderful events, went through life with beautiful and fated eyes, carrying within us the music of a lovely and tragic mythology. Our mouths utter obscure prophecies.
Our minds are invaded by images of the future. We are the strange ones, with half of our beings always in the spirit world. We were often recognized and our flesh marked with razor incisions. When we were born again to the same parents the marks, lingering on our new flesh, branded our souls in advance. Then the world would spin a web of fate around our lives. Those of us who died while still children tried to erase these marks, by making beautiful spots or interesting discolorations of them. If we didn't succeed, and were recognized, we were greeted with howls of dread, and the weeping of mothers.
In not wanting to stay, we caused much pain to mothers. Their pain grew heavier with each return. Their anguish became for us an added spiritual weight which quickens the cycle of rebirth. Each new birth was agony for us too, each shock of the raw world. Our cyclical rebellion made us resented by other spirits and ancestors. Disliked in the spirit world and branded amongst the Living, our unwillingness to stay affected all kinds of balances.
With passionate ritual offerings, our parents always tried to induce us to live. They also tried us to reveal where we had hidden the spirit tokens that bound us to the other world. We disdained the offerings and kept our tokens a fierce secret. And we remained indifferent to the long joyless parturition of mothers.”

 

 1890471-631ef8433ccced236d775dc33c8faed4.jpg
Ben Okri (Minna, 15 maart 1959)

 

 

De Servische schrijver David Albahari werd op 15 maart 1948 geboren in Pec in Sevie.Zie ook alle tags voor David Albahari op dit blog.

Uit: Leeches (Vertaald door Ellen Elias-Bursać)

“My eye wasn't drawn by their proximity to the river, which could be reached only by wading through the mud or hopping cautiously from stone to stone, no, it was something in their gestures that set them apart from their surroundings, as if they belonged to another world, a realm completely alien to the people strolling on the quay. Whatever it was, it stopped me in my tracks. I sat down on the nearest bench, pretending to stare off into the distance at the outlines of the buildings of Belgrade, at everything but those two people. All that was left of the apple at that point was the stem. I mashed it between my teeth, savored the bitterness, and just then, with no warning, the man slapped the woman. The slap may not have been hard; from where I was sitting it looked as if he had swung more from the elbow than the shoulder, but it might have only looked that way from where I was sitting, the angled trajectory of my gaze; the woman staggered, swayed to the right, as if she were combining the force of the blow with a lunge to evade it, then carried by inertia, sloshed back with her right foot into the river. One could clearly see how the water splashed at her ankle, how her sock soaked up the wetness, how her leg sank into the muck. The man raised his hand as if to slap her again, then dropped it, turned, and walked back to the riverbank. I too turned, but no one else seemed to have noticed anything. The man was soon on the path. He passed close by me on his way toward Hotel Yugoslavia. I watched him until he had disappeared in the crowd. Meanwhile the woman hadn't budged: her right foot was still in the water, her body twisted, her hands at her chest. I thought she might be in a state of shock and that I ought to help, and I was ready to start down the steep slope that ran from the edge of the promenade to the riverbank when I noticed a man in a black trench coat. He was standing next to a seesaw in a playground, staring straight at the woman. To this day I am not sure whether it was the same man I ran into later, but he was why I decided not to go down to the river's edge. Gnawing at the mashed apple stem, I knelt and pretended to be fiddling with my shoelaces. When I looked up again, the man in the black trench coat had gone. The woman had moved: she was wading through the mud, skirting the rocks, until she reached the steps that led to the promenade. She carefully made her way up, one step at a time, as if reluctant to get to the top”.

 

 1890471-bc277e1d52c367268e947057e06cb26e.jpg
David Albahari (Pec, 15 maart 1948)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Andreas Okopenko werd in Košice (Slowakije) geboren op 15 maart 1930. Zie ook alle tags voor Andreas Okopenko op dit blog.

Uit: Lockergedichte

 

Alptraum eines Stadl-Sängers
»Aus deinem Schmalz wirst du einst ausgebacken!
Dir bleibt, auf Lebenszeit vor Angst zu kacken.«

 

Alptraumherstellung
Wie ich den Traum veränder?:
Nun gibt es kein Geländer.

 

Alter Meister
Hätte Ariost im Aorist geschrieben,
hätte das die meisten Fans vertrieben.

 

Alter Wortwitz
Geleise -
geh leise!
Damit der Zug dich überhört.

 

An der Adria
Rätst du mir zum Heiraten?
- Ich würde dir eher zum Hai raten.

 

An einen Scheißer
Ach, ich bitt dich,
ach, ich bitt dich:
doch nicht auf den Wellensittich!
Das verpickt ihm seine Federn,
und dann kann er nicht mehr ledern.

 

 1890471-c68313ab0b1b362bc4c709fd95809152.jpg
Andreas Okopenko (15 maart 1930 – 27 juni 2010)

 

 

De Nederlandse schrijfster An Rutgers van der Loeff werd geboren in Amsterdam op 15 maart 1910. Zie ook alle tags voor An Rutgers van der Loeff op dit blog.

Uit: Rossy, dat krantenkind

‘‘Kind, knijp me niet zo!’ zei Ricky. ‘Zij haalt het. Geloof me, zij haalt het, Baby. Ik ben niet bang. Heb je niet gezien hoe zij alles had? Hel emaal álles wat een mens moet hebben? Benen, armen, haartjes, vingertjes, teentjes, nageltjes, tandjes ...’
‘Tandjes!’ wierp Mary tegen. ‘Je verbeeldt je veel en je geeft hoog op van je kind, maar als je zegt dat zij tandjes heeft, weet ik meteen dat je haar nog niet eens goed bekeken hebt. En wat nog erger is: dat je dom bent. Welke baby heeft nu tandjes!’
Ricky keek even onthutst, maar daarna zwaaide hij met een brede armbeweging haar verontwaardiging weg. Hij voelde zich prettig en overmoedig hier hoog in de lucht. Voor zijn part mocht het nog uren duren. Dat mankement daar beneden was hem welkom. En wat nog mooier was, hij kon straks met goed fatsoen zijn geld terug vragen.
Zijn geld? Wis-en-drie niet! Het was het geld van Eleonora Roswita Alberta.
‘We moeten haar honderd dollar goed besteden, Baby,’ zei hij ernstig.
‘We moeten het verschrikkelijk goed besteden,’ zei Mary plechtig.
‘We mogen niet meer dan twee dollar hier op de kermis uitgeven. En die moeten we haar later terugbetalen,’ zei hij weer.
‘Ja, dat moeten we niet vergeten te doen,’ zei zijn vrouw, terwijl zij met haar ellebogen op de rand van het luchtbootje ging leunen en een blik vol liefde naar het groene dak van het medische tentoonstellingsgebouw wierp.
‘Eigenlijk zouden we het geld op de Spaarbank moeten zetten,’ zei Ricky en hij keek naar de strakblauwe lucht boven hun hoofden.
‘Ja, eigenlijk wel,’ stemde zij aarzelend toe. ‘Maar er is zo veel nodig straks, als ze groter wordt ... Groter wordt,’ zei ze nog eens, ‘Ricky, zeg, kun jij je voorstellen dat ze echt groot zal worden, zoals andere mensen, zoals jij en ik, dat ze bij voorbeeld van die dikke zwarte krullen zal krijgen zoals jij hebt, en dat zij - ja, dat zij bijvoorbeeld een aardig winkelmeisje zal worden dat mooie witte blouses verkoopt enne ...’
‘Ik zal blij zijn als zij op haar tiende verjaardag over een toonbank heen kan kijken,’ zei Ricky.”

 

 1890471-5d6074c57316c8fa6ebf62b45e62866e.jpg
An Rutgers van der Loeff (15 maart 1910 – 19 augustus 1990)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e maart ook mijn blog van 15 maart 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:58 Reageer op dit bericht

Prosper van Langendonck

De Vlaamse dichter en schrijver Prosper Antoine Joseph Van Langendonck werd geboren in Brussel op 15 maart 1862. Hij begon in Leuven aan de universitaire studies wijsbegeerte en letteren aan, maar kon die door familiale omstandigheden niet afmaken. Zijn vorming volstond wel om als ambtenaar te werken voor het ministerie van justitie. In 1899 kon hij, tot aan WO I aan de slag als vertaler bij de diensten van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij ondervond steeds meer last van een (erfelijke) schizofrenie en overleed in 1920 in een Brussels ziekenhuis.In 1893 richtte Van Langendonck samen met August Vermeylen, Emmanuel de Bom en Cyriel Buysse het literaire tijdschrift “Van Nu en Straks” op, het tijdschrift dat de Vlaamse literatuur vernieuwde. Zijn opstel uit 1894 “De herleving van de Vlaamse poëzij” gold als manifest van de literaire vernieuwing. Binnen de redactie van het tijdschrift had hij als enige rooms-katholiek wel meer voeling met de traditionele stijl. Hij publiceerde een honderdtal verzen en sonetten, meestal in “Van Nu en Straks”, maar ook in “Dietsche Warande en Belfort”. Behalve poëzie schreef Van Langendonck ook kritische opstellen en pamfletten ter bevordering van de Vlaamse cultuur en literatuur. Een andere bijdrage tot het verspreiden van de Nederlandstalige literatuur in België en Nederland was zijn bloemlezing “Vlaamse poëzie De Vlaamsche oogst van 1904”. Prosper van Langendonck kwam voor het eerst in 1906 naar Genk nadat een bekende psychiater in Bonn hem aanraadde een rustige plek op te zoeken. Van 10 april 1909 tot 22 oktober 1912 was hij ingeschreven in de Genkse bevolkingsregister. Vaak had hij er nog goede momenten en zocht hij contact met de mensen uit het dorp en de kunstenaars in de hotels. Hij schreef er zijn laatste gedicht “De Zwerver”.

 

 

De torens

Ze rijzen, rijzen, hier en daar verspreid,
de hoge torens in de vlakke velden, -
als baken van gevoel, die wisheid melden
langsheen die duiz'lingwekkende eeuwigheid ...

Hen ziet de zwerver, tot de zon verscheidt,
opdagen, of ze beurtlings hem verzelden.
Wen nacht en stilte en vreemd geruis hem kwelden,
klinkt nog hun stem, die troostend hem geleidt.

'k Ging door een land van smarte ... Vaak bezweken
mijn krachten ... Immer vond ik, 't pad ontweken,
een richtbaak voor mijn stappen, mank en krank,

en stronkelde ik in wanhoop soms verloren,
dra viel door 't duister, uit een hoge toren,
diep in mijn ziel een verre klokkenklank.

 

 

Gij zegt mij, vriend...

Gij zegt mij, vriend: 'o spreek uw lijdend hart
in schoonheid uit, die licht uw lijden stilt:
de stem der goudgelokte muze trilt
met dubble glorie op de snaar der smart.'

Maar kent gij onrecht, waarbij 't hart verkilt,
zo diep wraakroepend dat men, 't oog verstard
voor immer, wars van troost, in haat verhard,
stom voor het noodlot staat, en zucht noch gilt?

Ik ben niet van diegenen, die men breekt
en dan, als kindren, zoete woordjes spreekt,
ze paaiend met een kaatsbal of een pop.

Mijn stomme smart, zij blijft de waardigheid
mijns levens, en mijn diep verzet, en 'k schrijd
in 't duister voort, en krop mijn tranen op.

 

 

De Zwerver

De heide ontrolt haar bruine vacht
langs de eindloze avondvlakte,
waarop een grauwe wolkenvracht
in klamme neevlen zakte.
De raven gieren krassend rond,
loom zwoegend door de locht,
en stuwen traag ten horizont
haar hongerige tocht.

Waar ligt nu ’t doel? Waarheen de gang
al door die woeste heiden?
Geen jachtroersknal, geen klokkenklank
kan d’oude Zwerver leiden,
die, stijf en stram en moe van ’t àl,
zó hopeloos alleen,
een spoor zoekt dat hem voeren zal
ter uitkomste – of waarheen? …

 

 1937246-83446fdbcaa2335526b23556835de192.jpg
Prosper van Langendonck (15 maart 1862 – 7 november 1920)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten