Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 17 juni 2016 tot 18 juni 2016

Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: The Time of Our Singing

“This is how I see him, although he'll live another third of a century. This is the moment when the world first finds him out, the night I hear where his voice is headed. I'm up onstage, too, at the battered Steinway with its caramel action. I accompany him, trying to keep up, trying not to listen to that siren voice that says, Stop your fingers, crash your boat on the reef of keys, and die in peace.
Though I make no fatal fumbles, that night is not my proudest as a musician. After the concert, I'll ask my brother again to let me go, to find an accompanist who can do him justice. And again he'll refuse. "I already have one, Joey."
I'm there, up onstage with him. But at the same time, I'm down in the hall, in the place I always sit at concerts: eight rows back, just inside the left aisle. I sit where I can see my own: fingers moving, where I can study my brother's face--close enough to see everything, but far enough to survive seeing.
Stage fright ought to paralyze us. Backstage is a single bleeding ulcer. Performers who've spent their whole youth training for this moment now prepare to spend their old age explaining why it didn't go as planned. The hall fills with venom and envy, families who've traveled hundreds of miles to see their lives' pride reduced to runner-up. My brother alone is fearless. He has already paid. This public contest has nothing to do with music. Music means those years of harmonizing together, still in the shell of our family, before that shell broke open and burned. Jonah glides through the backstage fright, the dressing rooms full of well-bred nausea, on a cloud, as though through a dress rehearsal for a performance already canceled. Onstage, against this sea of panic, his calm electrifies. The drape of his hand on the piano's black enamel ravishes his listeners, the essence of his sound before he even makes one.
I see him on this night of his first open triumph, from four decades on. He still has that softness around his eyes that later life will crack and line. His jaw quakes a little on Dowland's quarter notes, but the notes do not. He drops his head toward his right shoulder as he lifts to the high C, shrinking from his entranced listeners. The face shudders, a look only I can see, from my perch behind the piano. The broken-ridged bridge of his nose, his bruised brown lips, the two bumps of bone riding his eyes: almost my own face, but keener, a year older, a shade lighter. That breakaway shade: the public record of our family's private crime.”

 

 1926720-2fae18e5e92681fca7559fffeda10b0c.jpg
Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

 

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit:Le diable au corps

« - Taisez-vous donc ! criait la dame, ce qui excitait les « En voilà un ! En voilà un ! » du public. A ces cris, la folle, s’armant de tuiles, en envoya une sur le casque du pompier parvenu au faîte. Les cinq autres redescendirent aussitôt.
Tandis que les tirs, les manèges, les baraques, place de la Mairie, se lamentaient de voir si peu de clientèle, une nuit où la recette devait être fructueuse, les plus hardis voyous escaladaient les murs et se pressaient sur la pelouse pour suivre la chasse. La folle disait des choses que j’ai oubliées, avec cette profonde mélancolie résignée que donne aux voix la certitude qu’on a raison, que tout le monde se trompe. Les voyous, qui préféraient ce spectacle à la foire, voulaient cependant combiner les plaisirs. Aussi, tremblant que la folle fût prise en leur absence, couraient-ils faire vite un tour de chevaux de bois. D’autres, plus sages, installés sur les branches des tilleuls, comme pour
la revue de Vincennes, se contentaient d’allumer des feux de Bengale, des pétards.
On imagine l’angoisse du couple Maréchaud, chez soi, enfermé au milieu de ce bruit et de ces lueurs.
Le conseiller municipal, époux de la dame charitable, grimpé sur un petit mur de la grille, improvisait un discours sur la couardise des propriétaires. On l’applaudit.
Croyant que c’était elle qu’on applaudissait, la folle saluait, un paquet de tuiles sous chaque bras, car elle en jetait une chaque fois que miroitait un casque. De sa voix inhumaine, elle remerciait qu’on l’eût enfin comprise. Je pensai à quelque fille, capitaine corsaire, restant seule sur son bateau qui
sombre.
La foule se dispersait, un peu lasse. J’avais voulu rester avec mon père, tandis que ma mère, pour assouvir ce besoin de mal au coeur qu’ont les enfants, conduisait les siens au manège en montagnes russes. »

 

 1926720-559ef00990d1dfe177590b7ed1554c5f.jpg
Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923) 
Portret door Valentine Hugo, 1921

 

 

De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

 

Funeral Music

William de la Pole, Duke of Suffolk: beheaded 1450
John Tiptoft, Earl of Worcester: beheaded 1470
Anthony Woodville, Earl Rivers: beheaded 1483

1

Processionals in the exemplary cave,
Benediction of shadows. Pomfret. London.
The voice fragrant with mannered humility,
With an equable contempt for this world,
‘In honorem Trinitatis’. Crash. The head
Struck down into a meaty conduit of blood.
So these dispose themselves to receive each
Pentecostal blow from axe or seraph,
Spattering block-straw with mortal residue.
Psalteries whine through the empyrean. Fire
Flares in the pit, ghosting upon stone
Creatures of such rampant state, vacuous
Ceremony of possession, restless
Habitation, no man’s dwelling-place.


2

For whom do we scrape our tribute of pain—
For none but the ritual king? We meditate
A rueful mystery; we are dying
To satisfy fat Caritas, those
Wiped jaws of stone. (Suppose all reconciled
By silent music; imagine the future
Flashed back at us, like steel against sun,
Ultimate recompense.) Recall the cold
Of Towton on Palm Sunday before dawn,
Wakefield, Tewkesbury: fastidious trumpets
Shrilling into the ruck; some trampled
Acres, parched, sodden or blanched by sleet,
Stuck with strange-postured dead. Recall the wind’s
Flurrying, darkness over the human mire.

 

 1926720-30ae92093484c86c8b42757f23a66d97.jpg
Geoffrey Hill (Bromsgrove, 18 juni 1932)

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

... zegt Marcel
Marcel Baillon
net van zijn tractor gestapt
hij heeft gemolken
hoofd rood
haar rood
helemaal rood
bloedrood dus
van de gloeiende zon
het teveel aan wijn
tussen twee slokken bier door zegt ie:
wijzend op een mus
(op een telefoondraad)
soms blijft een vogel zitten
maar nooit lang
dan tikt ie met zijn vleugels tegen de lucht
en vliegt weg
hij valt niet
hij tikt
en weg is ie
...
die is goed georganiseerd
die weet waarheen
naar plaatsen waar wij niet
kunnen zitten of staan
hij kent het land van boven
en weet van te warm
'('t is 40 graden Celsius in de zon)

 

 1926720-27fb94a913e7ae84a53f9fa19ee0cdc1.jpg
Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
 

 

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

achtäugige du

fingrige teegrüne spinne
fingierst nichts auf den frischen
halmen die schlüssigkeit

der wiese und dein ganz
körperhorchen auf ferne
erschütterungen vielleicht

von jener doberfrau in
klobigen schuhn während du
luftbeinig deinen leib

lamellen tracheen über
lichtstängeln wippst und so
filigran deinen adel

im neigen der kiefer zeigst

 

 1926720-4a280e26f6a20887c2ff936f295b941a.jpg
Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit: Veel geluk professor

“Deze edelmoedige gedachten hadden een zo weldoende invloed op Pierre, dat hij niet eens vloekte toen hij opeens tot aan de buik in een sneeuwgat schoot en minutenlang moest wroeten om er weer uit te komen. Hij schudde glimlachend het hoofd, klopte opgewekt de sneeuw van zijn kleren, nam zijn valies weer op en liep voort.
Had hij eerlijk zijn geweten onderzocht, dan zou hij beseft hebben dat die ongewone tederheid van gevoelens ten opzichte van rector Schlesinger, die inderdaad een onmogelijke brompot was, feitelijk niets te maken had met Schlesinger zelf, maar alleen met de oude professor Steinbach. Deze professor, die door de rector aangeduid was om hier in St.-Moritz de wintercursus literatuurgeschiedenis te geven in het Internationale Instituut van lady Thompson, was de avond tevoren namelijk onverwacht ziek geworden, en na een eerste onderzoek door de huisdokter was gebleken, dat hij bij hoogdringendheid naar de kliniek van Dr. Rosch gevoerd moest worden, en aldaar gedurende drie maanden in observatie en behandeling moest blijven. Een uur later had Pierre, die docent was bij Steinbach, een briefje gekregen dat hij zich bij de rector moest aanbieden, en tien minuten later was hij ijlings door de straten van Wenen aan het rennen, om nog gauw enkele dringende zaken af te handelen, een nieuwe overjas te kopen, en hij moest nog alles inpakken voor zijn afreis de volgende morgen.
Hij had geen minuut geslapen die nacht, en in zijn opwinding had hij driemaal opnieuw zijn valies moeten openmaken, omdat hij iedere keer iets vergeten had, en toen hij al naar het station aan het lopen was, had hij er nog juist op tijd aan gedacht dat hij het belangrijkste van alles vergeten had: de notities die hij nodig zou hebben om als plaatsvervanger van professor Steinbach de cursus literatuurgeschiedenis te geven.”

 

 1926720-78a21220e06544196ef1d8511418fbf8.jpg
Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)
Borstbeeld in St-Jozef-Rijkevorsel

 

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog.

Uit:Ein Buch für Hanna

„Abwechselnd bissen sie in den Apfel, nahmen ganz kleine Stücke, um lange etwas davon zu haben, und Mira erzählte dabei, wie sie den Deutschen in die Hände gefallen waren. Sie, Rachel, Bella und Rosa hatten beschlossen, gemeinsam Rosch Haschana zu feiern, deshalb waren sie nach Nyborg ins Zentrum gefahren. Sie wollten dort schlafen und erst am nächsten Morgen nach Hause zurückkehren. Doch mitten in der Nacht kamen die Deutschen.
Eigentlich suchten sie Inger Abrahamson und ihren Mann, die waren jedoch gar nicht da, sie waren für die Feiertage zu Ingers Eltern gefahren.
„Nun, damit sie den Weg nicht vergeblich gemacht haben, haben sie wenigstens uns vier mitgenommen“, sagte Mira.
„Und was ist mit den anderen? Mit Efraim?“
Mira zuckte mit den Schultern. „Keine Ahnung.“ Sie strich sich die Haare aus der Stirn.
„Findest du es nicht seltsam, dass wir deshalb geschnappt wurden, weil wir einen jüdischen Feiertag begehen wollten? Ausgerechnet wir, die wir so gar nicht fromm sind. Was für einen dummen, hinterhältigen Streich hat uns das Schicksal gespielt. Und dir auch.“
Hanna senkte den Kopf. „Es war nicht das Schicksal“, sagte sie. „Es war auch nicht Gott, wie sie uns früher, in der Schule, weismachen wollten.
Es waren diese Nazis. Es war dieses schreiende Ungeheuer, sein Name sei ausgelöscht.“
„Bis in alle Ewigkeit“, sagte Mira. „Und jetzt komm, vielleicht kriegen wir ja noch was.“
Hanna stand auf. Sie war bereit, so zu tun, als ob. Als wäre dies hier nichts anderes als eine
weitere Etappe ihres Lebens. Dankbar berührte sie Miras Hand.“

 

 1926720-0f037f353c8e9b9c2923f3025b784fce.jpg
Mirjam Pressler (Darmstadt, 18 juni 1940)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 09:53 Reageer op dit bericht

Günter Seuren, Utta Danella, George Essex Evans, Ivan Gontsjarov, Jean-Claude Germain, Martin Greif

De Duitse schrijver Günter Seuren werd geboren op 18 juni 1932 in Wickrath, Niederrhein. Zie ook alle tags voor Günter Seuren op dit blog.

Uit: Das Experiment

„Ich geh rückwärts, weil ich nicht länger vorwärts gehen will“, sagte der Mann.
Er war übermittelgroß, bleich vor Anstrengung, sich auf das Rückwärtsgehen zu konzentrieren, und hatte eine vom Wind gerötete Nase. Es blies ein heftiger Westwind, und die Böen, die die übrigen Fußgänger, mit denen der Mann in dieselbe Richtung ging, nur als Brise im Rücken empfanden, trafen ihn mitten ins Gesicht. Er bewegte sich langsamer als die anderen, aber stetig wie ein Krebs im Rückwärtsgang.
„Eines Tages“, sagte der Mann, „war ich ganz allein in einem windstillen Park. Ich hörte die Amseln neben mir im Gebüsch nach Futter stochern, ich hörte Tauben rufen - und eine große Ruhe überkam mich. Ich ging ein paar Schritte rückwärts, und ich weiß jetzt: wenn man immer nur vorwärts geht, verengt sich der Weg. Als ich anfing, rückwärts zu gehen, sah ich die übergangenen und übersehenen Dinge, ich hörte sogar das Überhörte. Sie werden entschuldigen, wenn ich mich Ihnen nicht ganz verständlich machen kann. Verlangen Sie keine Logik von mir, die Entdeckung, die ich gemacht habe, lässt sich nicht in Worte fassen. Und denken Sie auch nicht, dass ich ein Mann der Umkehr bin, nein, ich kehre nicht um, ich . . .“
Der Mann schwieg ein paar Sekunden und sah entschlossen geradeaus, „es wird Sie verwundern ...aber ich bin kein Träumer.“ „Was sind Sie dann?“ sagte der Begleiter, ein Mann, der sich im herkömmlichen Vorwärtsgang bewegte. „So kommen Sie doch nicht weiter. Eines Tages sind Sie stehen geblieben, vielleicht wollten Sie das Gras wachsen hören, Sie traten ein paar Schritte zurück, um Abstand zu haben. War es so?“

 

 1926716-08a6b4187fb61fa11412ae2d85b91ced.jpg
Günter Seuren (18 juni 1932 – 10 december 2003)

 

 

De Duitse schrijfster Utta Danella (eig.Utta Denneler) werd geboren op 18 juni 1924 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Utta Danella op dit blog.

Uit:Meine Freundin Elaine

“Es war ein unbeschreibliches Glücksgefühl, wieder einmal in Berlin zu sein. Ich ging wie auf Wolken Unter den Linden dahin, die Friedrichstraße rauf und die Leipziger runter, ich stand am Gendarmenmarkt und bewunderte das Schauspielhaus und den Französischen Dom, als hätte ich sie nie gesehen. Oder ich landete beim Schloss, ging über die Brücke und himmelte den Großen Kurfürsten auf seinem stolzen Ross an, in ihn hatte ich mich schon als Kind verliebt.
An einem anderen Tag lief ich vom Nollendorfplatz über den Wittenbergplatz die Tauentzienstraße entlang, den ganzen Kurfürstendamm bis hinaus nach Halensee. War ich müde, fuhr ich mit der Straßenbahn, mit dem Bus oder der U-Bahn zurück und landete völlig erschöpft bei Tante Marina, sank in einen Sessel und sah ihr zu, wie sie den Tee bereitete.
An einem Tag hatte es heftig geregnet, und ich kam klitschnass nach Hause.
»Kind, du übertreibst«, sagte sie. »Jetzt hast du dich bestimmt zu allem Unglück noch erkältet.«
»Es ist so schön, so schön, so schön. Wieso Unglück? Ich bin glücklich. So glücklich bin ich seit hundert Jahren nicht mehr gewesen.«
»Ein komischer Ausspruch für eine verheiratete Frau mit drei niedlichen Kindern.« Sie sprach im typischen Marina- Ton, man wusste nie, ob sie es ernst meinte oder ob sie spottete.
Das Mädchen hatte währenddessen meinen nassen Mantel hinausgebracht, ich streifte die Schuhe von den Füßen, sie waren nicht wasserdicht, und ich hatte kalte Füße. War schon möglich, dass ich mich erkältet hatte. Na, wenn schon. In Berlin und bei Tante Marina fand ich alles wunderbar, selbst eine Erkältung. Ich rollte mich im Sessel zusammen und hätte am liebsten geschnurrt wie zu Hause unsere Mieze. Marina zapfte an ihrem Samowar den Tee, brachte die gefüllte Tasse und stellte sie auf das kleine Tischchen neben mich.
Der Tee war heiß und köstlich, sie hatte einen Schuss Rum hineingetan, wohl um der angekündigten Erkältung vorzubeugen. Ich trank in kleinen, genüsslichen Schlucken, bis die Tasse leer war. Dann langte ich nach der Keksdose.“

 

 1926716-3652a4952e9c45c6afaac8e7a0552f1e.jpg
Utta Danella (18 juni 1924 – begin juli 2015)
Cover 

 

 

De Australische dichter George Essex Evans werd geboren op 18 juni 1863 in Londen. Zie ook alle tags voor George Essex Evans op dit blog.

 

A Pastoral

Nature feels the touch of noon;
Not a rustle stirs the grass;
Not a shadow flecks the sky,
Save the brown hawk hovering nigh;
Not a ripple dims the glass
Of the wide lagoon.

Darkly, like an armed host
Seen afar against the blue,
Rise the hills, and yellow-grey
Sleeps the plain in cove and bay,
Like a shining sea that dreams
Round a silent coast.

From the heart of these blue hills,
Like the joy that flows from peace,
Creeps the river far below
Fringed with willow, sinuous, slow.
Surely here there seems surcease
From the care that kills.

Surely here might radiant Love
Fill with happiness his cup,
Where the purple lucerne-bloom
Floods the air with sweet perfume,
Nature's incense floating up
To the Gods above.

'Neath the gnarled-boughed apple trees
Motionless the cattle stand;
Chequered cornfield, homestead white,
Sleeping in the streaming light,
For deep trance is o'er the land,
And the wings of peace.

Here, O Power that moves the heart,
Thou art in the quiet air;
Here, unvexed of code or creed,
Man may breathe his bitter need;
Nor with impious lips declare
What Thou wert and art.

All the strong souls of the race
Thro' the aeons that have run,
They have cried aloud to Thee --
"Thou art that which stirs in me!"
As the flame leaps towards the sun
They have sought Thy face.

But the faiths have flowered and flown,
And the truth is but in part;
Many a creed and many a grade
For Thy purpose Thou hast made.
None can know Thee what Thou art,
Fathomless! Unknown!

 

 1926716-f94f1821c2996ca5d12b577649f0f7ab.jpg
George Essex Evans (18 juni 1863 – 10 november 1909)
Cover

 

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“Lying down was not for Oblomov a necessity, as it is for a sick man or for a man who is sleepy; or a matter of chance, as it is for a man who is tired; or a pleasure, as it is for a lazy man: it was his normal condition. When he was at home - and he was almost always at home - he lay down all the time, and always in the same room, the room in which we have found him and which served him as a bedroom, study, and reception-room. He had three more rooms, but he seldom looked into them, except perhaps in the morning, and that, too, not every day, but only when his man-servant swept his study - which did not happen every day. In those rooms the furniture was covered with dust sheets and the curtains were drawn.
The room in which Oblomov was lying seemed at first glance to be splendidly furnished. It had a mahogany bureau, two sofas, upholstered in a silk material, and a beautiful screen embroidered with birds and fruits never to be found in nature. It had silk curtains, rugs, a number of pictures, bronze, porcelain, and all sorts of pretty knick-knacks. But an experienced person of good taste casting a cursory glance round the room would at once detect a desire to keep up appearances somehow or other, since appearances had to be kept up. Oblomov, of course, had nothing else in mind when he furnished his study. A man of refined taste would never have been satisfied with those clumsy and heavy mahogany chairs and those rickety book-stands. The back of one of the sofas had dropped and the mahogany veneer had come unstuck in some places.”

 

 1926716-74b39ff888ca9d20734a0504328a664a.jpg
Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 - 27 september 1891)
Cover

 

De Canadese schrijver, journalist en historicus Jean-Claude Germain werd geboren op 18 juni 1939 in Montral. Zie ook alle tags voor Jean-Claude Germain op dit blog.

Uit: Sur le chemin de la roche percée: Nouvelles historiettes de la bohème

« Les cuisiniers chinois ont rapidement compris que le goût n’était pas dans l’assiette, mais dans la bouche du client, comme la beauté dans le regard de celui qui regarde. Ils ont donc adapté leurs plats au palais de chacune des villes où ils se sont installés. Au gré des années, j’ai mangé chinois un peu partout, à Toronto, Vancouver, New York, Boston et je n’ai jamais retrouvé la finesse de goût de la cuisine chinoise montréalaise. Ce qui en dit plus sur Montréal que sur la Chine. »
(…)

Le protestantisme en général avait pris ses distances devant les restrictions alimentaires du catholicisme. Mais les réformés, invoquant leur liberté de conscience, se sont infligé un régime de table encore plus ascétique. Il leur interdisait en tout temps de prendre plaisir à manger. Tous les jours de la semaine protestante sont ainsi devenus des vendredis catholiques."

 

 1926716-c210f3dbef289290e806a58e36365615.jpg
Jean-Claude Germain (Montreal, 18 juni 1939)

 

 

De Duitse dicher en schrijver Martin Greif (eig. Friedrich Hermann Frey werd geboren op 18 juni 1839 in Speyer.Zie ook alle tags voor Martin Greif op dit blog.

 

Die einsame Wolke

Sonne warf den letzten Schein
Müd im Niedersinken,
Eine Wolke noch allein
Schien ihr nachzuwinken.

Lange sie wie sehnend hing,
Ferne den Genossen.
Als die Sonne unterging,
War auch sie zerflossen.

 

 

Schattenleben

Still ist's, wo die Gräber sind
meiner Liebe;
nur bisweilen klagt der Wind
bang und trübe.
Seh' die Schattenwelt auf Erden
rings vergehen,
fühle alles spurlos werden
und vergehen.

 

 1926716-c886341330514509db9c6b5684f9f36b.jpg
Martin Greif (18 juni 1839 – 1 april 1911)
Portret door Hans Thoma, 1910 

Geschreven door Romenu om 09:52 Reageer op dit bericht

Peter Rosei, Kamel Daoud, Gail Jones, Ward Ruyslinck, Adriaan van der Hoop jr, Hanna Johansen, Max Dendermonde

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 juni 2009 en eveneens alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Das große Töten

„Nachdem er diesen Schriftzug eingehend studiert hatte, als enthalte der in seiner Lakonie irgendeine verborgene oder verklausulierte Nebenbedeutung, eine Botschaft, die sich vielleicht gerade an den Betrachter jetzt richtete, senkte der Mann langsam den Kopf, so als bedenke er, was er gesehen, ging er aus der Küche, in der er gesessen war, in die anliegende Kammer hinaus und betrachtete sich im Spiegel, der da über dem Waschtisch hing: Ja - ohne Zweifel: Er sah dem Vater ähnlich!
Warum schaute er das Photo nur so gern an? Waren das nicht Dummheiten?
Langsam ging der Mann jetzt wieder in den anderen Raum, in die weiß möblierte und mit einem Kohlenherd ausgestattete Küche, und setzte sich neuerlich an den Tisch. Er überrechnete, das Bild wieder zur Hand nehmend, wie lang die Aufnahme jetzt zurücklag.
Dreißig, fünfunddreißig Jahre?
Eine kleine Weile studierte der Mann den lose fallenden Uniformrock des Vaters. - War es ein Mantel? In der Mitte war ein großer, runder Knopf, der den Kragen zusammenhielt.
Das Photo war wohl im Herbst oder Spätherbst aufgenommen. Als der Mann von draußen, vom Hof her, eine Tür, die Eingangstür gehen hörte, hängte er das Photo, das er so ausführlich betrachtet hatte, rasch an den Nagel an der Küchenwand: Dort hing das Bild alle Tage.
"Hallo, Franz!" sagte die Frau, die jetzt geschäftig in die Küche trat.
"Hallo, Mama!" sagte er, ohne indes vom Tisch aufzuschauen oder sich sonstwie freundlich zu zeigen. Die Mutter ging, ihr schwarzes Kopftuch abbindend, an den großen Kühlschrank, nahm eine Flasche Bier heraus, machte sie auf und stellte sie vor ihren Sohn hin.
"Bist frei heute?" fragte die Frau.
"Was dagegen?!" antwortete der.“

 

 1926541-426b1dc26becd54b8a37754b6f6b8e07.jpg
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

 

De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoud werd geboren op 17 juni 1970 in Mostaganem, Algerije. Zie ook alle tags voor Kamel Daoud op dit blog.

Uit: Moussa, of de dood van een Arabier (Vertaald door Manik Sarkar)

“Vandaag is mijn moeder nog in leven.
Ze zegt niets meer, maar ze zou heel veel kunnen vertellen. Anders dan ik, die deze geschiedenis zo vaak ophaal dat ik me er nauwelijks iets van herinner.
Ik bedoel, het verhaal is ruim een halve eeuw oud. Het is gebeurd en er is veel over gepraat. Er wordt nog steeds over gepraat, maar de mensen noemen maar één dode – volkomen schaamteloos, begrijp je, terwijl er toch twee waren. Twee doden. Twee, ja. De oorzaak van die omissie? De eerste kon vertellen, zo goed dat hij zijn misdaad deed vergeten, terwijl de tweede een ongeletterde drommel was die kennelijk alleen door God was geschapen om een kogel te vangen en tot stof te vergaan, een naamloze die niet eens de tijd kreeg om een voornaam te dragen.
Ik zal er niet omheen draaien: die tweede dode, die vermoord werd, was mijn broer. Er is niks van hem over. Alleen ik ben er nog om voor hem het woord te voeren, hier in deze bar, hopend op condoleances die niemand me ooit aanbiedt. Je kunt erom lachen, maar dat is min of meer mijn missie: de stilte in de coulissen uitventen terwijl de zaal leegloopt. Dat is trouwens ook de reden dat ik deze taal heb leren spreken en schrijven: om te praten namens een dode, om zijn zinnen nog even te laten doorklinken. De moordenaar is beroemd geworden en heeft zijn verhaal zo goed opgeschreven dat het niet eens in me zou opkomen hem na te volgen. Het was zijn taal. Daarom doe ik wat sinds de Onafhankelijkheid iedereen in dit land doet: de stenen van de oude koloniale huizen een voor een weghalen om er een huis voor mezelf, een taal voor mezelf mee te bouwen. De woorden van de moordenaar, zijn zegswijzen, zijn mijn ‘onbeheerde eigendommen’. Het land ligt bezaaid met woorden die niemand meer toebehoren; ze staan op de voorgevels van oude winkels, in vergeelde boeken, op gezichten, of ze zijn vervormd door het vreemde creools dat de dekolonisatie tot stand heeft gebracht.
Het is dus behoorlijk lang geleden dat de moordenaar is doodgegaan, en te lang geleden dat mijn broer voor iedereen behalve mij ophield te bestaan.”

 

 1926541-9528e679b8f98d48894fb212acd32ffe.jpg
Kamel Daoud (Mostaganem, 17 juni 1970)

 

 

De Australische schrijfster Gail Jones werd geboren op 17 juni 1950 in Harvey. Zie ook alle tags voor Gail Joenes op dit blog.

Uit: Sorry

“When they met. my father was in his final year reading anthropology at Cambridge; my mother worked as what was then still known as a ‘lady‘s companion'. My father, Nicholas Keene. had money enough: his father owned four haberdashery stores in London, which he had invited his son to manage. In any case, they promised an independent yearly income. But the sight of mannequins in windows filled Nicholas with dread.
He could not have told anyone why he felt swindled by the life his father offered him, and why. when he gazed into the shop windows he would eventually inherit. he felt a dull quiver of morbid trepidation. The garments hanging on lifeless bodies reminded him of the war. He saw before him again the ghastly carnage of 1918. the ruin of mud-caked men. discoloured khaki with death, lying there. gone. His own surprised aliveness had made him feel special, one of the elect, a survivor, a lucky man, even when he was blasted from behind and found his back torn open. He could not have stood behind a counter. Dealing with body-shapes of clothing. the arms flapping loose on coathangers. the slack torso of any shirt. An anguish he did not recognise made him think of this often ~- bodies blown to kingdom come. the muck of it. the flesh. He would spend his life negotiating a dangerous contradiction. wanting both to remember and to forget the war.
Nicholas met Stella. my mother. in a shadowy little teashop opposite King’s College in Cambridge. As he pushed past a customer. looking sideways for a cosy booth on a freezing day, the tea on Nicholas‘s tray toppled and splashed someone sitting to his left. My mother called out, sprang to her feet, and with agitated gestures began to whip away the scalding liquid. Apologising, my father bent to wipe her.”

 

 1926541-bbd0e070f4d6ea1d13272364c09bccf4.jpg
Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)

 

 

De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: Het dal van Hinnom

“Maar ja, aan de andere kant wordt hun taak ook erg bemoeilijk door iets, dat een rechtstreeks uitvloeisel van de tijdsomstandigheden blijk te zijn: het ontstaan van een nieuwe klasse, deze van de intellectuele botkluivers.
Een verschrikkelijk woekergezwel. jaarlijks groeit dat legertje van overlopers met enkele duizenden aan, zij vormen als het ware een sociale middenlaag die noch naar boven noch naar beneden een uitweg vindt en ondertussen voortdurend uitzet, als een gistend deeg binnen een gesloten bakvorm.’ (... ) ‘De bestanddelen van dit deeg,’ ging Zijne Hoogwaardigheid voort, ‘komen doorgaans uit de lagere standen. Zij hebben, dankzij de verhoogde levensstandaard en de sociale verbeteringen, een vrij verzorgde opvoeding en algemene ontwikkeling genoten en slepen Plato, Marx en de logaritmetafiels in hun geestelijke bagage mee. Niettemin blijven de meesten onder hen op de drempels van de universiteiten zitten. Waarom? Zeer eenvoudig, omdat in onze tijd, die de volksklasse niet langer uitsluit van de weldaden der beschaving, hogere eisen dan ooit tevoren gesteld worden aan degenen die tot de verantwoordelijke posten worden geroepen. Velen zijn echter geroepen en weinigen uitverkoren. De candidaten worden onverbiddelijk gezeefd en het uitzeefsel, het afval, glijdt verder af naar de kantoren en de handelszaken, waar het nogmaals door de wan gaat. Degenen die boffen kunnen voor de rest van hun leven Plato en Marx van spijker tot spijker bestuderen of van een logaritmische provisie dromen voor de koelkasten en de stofzuigers die ze aan de man gebracht hebben.”

 

 1926541-d4e17cbb359587194eabdc30ceb703ce.jpg
Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014)

 

 

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Adriaan van der Hoop jr werd geboren in Rotterdam op 17 juni 1802. Zie ook alle tags voor Adriaan van der Hoop op dit blog.

 

Geen liefde is de eerste min gelijk

Geen liefde is de eerste min gelijk,
Hoe men zich zelf misleidt,
Geen is zoo zuiver, geen zoo rijk
Aan onbaatzuchtigheid.
 
Ach, schoon men mij van liefde spreek'
'k Gevoel het diep in't hart,
Het beeld van hem, die van- mij week,
Diens liefde baart mij smart.
 
Geen liefde is de eerste min gelijk,
Geen dieper hartewond,
Dan als, ná 't eerste liefdeblijk,
Men ontrouw ondervond. -
 
Al toon ik soms een blij gezicht,
En opgeruimden zin,
In 't binnenst van mijn boezem ligt
Altijd nog de eerste min.
 
Geen liefde is de eerste min gelijk,
Hoe men ook de andre roem:
Is 't lieflijkst waar deze aard meê prijk:
Niet de eerste lentebloem?
 
Klinkt de eerste toon niet dubbel schoon
Van 't nachtegalenlied;
Is de eerste min, hoe snel gevloôn,
De teêrste en eêlste niet?

 

 1926541-01be8ed134355f7e4912998a57d44ad0.gif
Adriaan van der Hoop jr (17 juni 1802 - 4 november 1841)
 

 

 

De Zwitserse schrijfster Hanna Johansen (eig. Hanna Margarete Meyer) werd geboren op 17 juni 1939 in Bremen. Zie ook alle tags voor Hanna Johansen op dit blog.

Uit: Der schwarze Schirm

„Ab und zu schaute sie sich um. So schauen Menschen, die fürchten, etwas Schlimmes werde geschehen, wenn die Tür sich öffnet. Die Tür öffnete sich nicht, die junge Frau aber sah aus wie die Menschen im Kino, wenn sie verfolgt werden, nur nicht so schön, wie die Schauspielerinnen sogar dann noch sind. Außerdem schnippte sie mit den Fingern, bis der Zug schnell genug fuhr.
»Wann hält er?« sagte sie.
Ich wußte es nicht genau. Es war mir auch gleich. »In einer Stunde vielleicht.«
»Nicht vorher?«
»Nein.«
Diese Auskunft, so dürftig sie war, schien sie zu erleichtern. Nach fünf Minuten, in denen sie bloß auf den Boden gestarrt hatte, fragte sie wieder, ob ich wüßte, wann der Zug hielte. Als ich meine Auskunft, jetzt schon ein wenig sicherer, wiederholte, hob sie ihren Blick vom Boden und richtete ihn auf mich, vollkommen erschrocken, als könnte sie nicht ertragen, daß sie so lange fahren mußte. Sie keuchte wieder. Dann beruhigte sie sich, während sie mich ansah. Sie besichtigte mich geradezu und schien sich alles genau einzuprägen, was an mir zu sehen war.
„Dann haben wir ja Zeit«, sagte sie.
Die Tür wurde aufgeschoben, sie zuckte zusammen, als sie das Geräusch hörte, und schien erleichtert, als sie sah, daß der Schaffner hereinkam. Meine Fahrkarte war in Ordnung, sie hatte keine.
»Ich hätte fast den Zug verpaßt!« klagte sie. »Die fahren doch sonst nicht so auf die Sekunde?«
»Wir tun, was wir können«, sagte der Schaffner. Mir ist nicht wohl bei dieser Bezeichnung, sie heißen heute anders, seit sie Mitglieder eines Zugteams sind. Und weil alles privatisiert ist, müssen sie nun
sogar Humor haben. »Und wohin soll’s gehen, schönes Fräulein?«
»Wie reden Sie denn mit mir!« keuchte sie.
»Also wohin?«
»Wohin fährt der Zug denn?«

 

 1926541-3efeb2d70cebb80f2456f9a6753b43fc.jpg
Hanna Johansen (Bremen, 17 juni 1939)
Het beeld “Die Bremer Stadtmusikanten” in Bremen

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max Dendermonde op dit blog.

Uit: De wereld gaat aan vlijt ten onder

‘‘Alec’, zei hij.
De heer Weatherwood opende zijn blauwe ogen, verdiepte zijn glimlach en rekte zich heerlijk uit. ‘Hallo...’, zei hij geeuwend.
‘Goede middag’, groette meneer Dall enigszins afgemeten. Hij haalde een kaart te voorschijn en zei: ‘Misschien zouden we hier...’
Alec J. Weatherwood nam de kaart over en spreidde hem uit op zijn knieën. Zijn vinger begon een kalme tocht langs een paar dikke lijntjes. ‘Verdorie’, zei hij, ‘we hebben zeker hàrd gereden’.
De ander bukte zich naar hem over en vroeg waar ze dan wel waren. De vinger tikte op de kaart.
‘Heel goed’, zei meneer Dall. ‘En dit is ons doel, nietwaar?’ Zijn vinger tikte nu ook, één keer. Alec zei ‘Hum hum’ en toen: ‘Dat is de goeie kant op’. De goeie kant was voor hem het verre, verre Maine. Zo lang de reis maar ging van West naar Oost was hem alles goed. Als hij maar vóór eind September in het goeie, ouwe Oaklake was. Meneer Dall keek op zijn horloge. ‘Vier minuten over drie’, zei hij.
‘Alle tijd dus’, zei Alec. ‘Om vijf uur zijn we er’.
‘Als we geen pech krijgen. En dan nog het opstellen en zo. 't Is acht uur voor je het weet. Maar goed, neem maar eens over’.
Ze wisselden. Meneer Dall liep om de wagen heen, schopte tegen de banden, veegde met een doek de voorruit schoon, hoewel dat overbodig was, en keek achterin of de kostbare bagage nog goed op zijn plaats stond. Hij verschoof één der koffers met projectoren, zuchtte en liet zich naast Alec neer. Ze reden weer. Meneer Dall stak een sigaar aan en deed zijn best rustig te peinzen. Hij kon het niet laten van tijd tot tijd naar de speedometer te kijken, die maar niet over de vijf en dertig mijl wilde komen. Hij nam grote trekken en inhaleerde diep, maar zei niets.
Alec J. Weatherwood neuriede. Hij had het raampje verder opengezet en rook bij vluchtige vlagen de volle, prikkelende geur van de dennen. De warme wind tochtte een beetje in zijn slordige baard en hij overdacht met welbehagen hoe prettig het was, dat hij zich die ochtend niet had hoeven scheren.”

 

 1926541-8b224f09e082b9d8ea1935ba3b833322.jpg
Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2014 en ook mijn blog van 17 juli 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:45 Reageer op dit bericht

Ron Padgett

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Als 17-jarige middelbare scholier was Padgett mede-oprichter van het avant-garde literatuurschrift “The White Dove Review”. Samen met collega Central High-studenten Dick Gallup en Joe Brainard en student-dichter Ted Berrigan, vroeg Padgett Beat Movement schrijvers als Allen Ginsberg, Jack Kerouac, LeRoi Jones, EE Cummings, en Malcolm Cowley om voor het blad bijdragen te leveren. Tot Padgett's verrassing boden de meeste schrijvers inderdaad werk voor het tijdschrift aan. Padgett ontving een B.A. Van de universiteit van Columbia in 1964 en studeerde creatief schrijven aan het Wagner College samen met Kay Boyle, Howard Nemerov en Kenneth Koch. Hij kreeg een Fulbright Fellowship en studeerde 20ste eeuwse Franse literatuur in Parijs in de jaren 1965 en 1966. In 1996 kreeg hij een beurs ​​van de Foundation for Contemporary Arts Grants to Artists Award. Padgett gaf in 1968-69 poëzie-workshops aan St. Mark's Church in-the-Bowery, New York, en was dichter in de schoolprogramma’s van New York City Poets van 1969-1976. Hij was directeur publicaties voor Teachers & Writers Collaborative van 1982 tot en met 1999. Hij publiceerde ook een aantal boeken op het gebied van onderwijs en schrijven. Ook was hijvan 1980 tot 2000 redacteur van Teachers & Writers Magazine. Hij was mede-oprichter / uitgever van Full Court Press en redacteur van 1973-88. Hij heeft lesgeven aan diverse onderwijsinstellingen, waaronder het Atlantic Center for the Arts en Columbia University, Daarnaast presenteerde hij een radio-serie over poëzie.

 

Stairway to the Stars

"And then there were three
whereas before there had been four
or two

And then there were four or two."
Thus spake the King.
No one dared ask what it meant.

He seemed satisfied by the beauty
of the logic that had arrived,
the royal hall now lightly radiant

as he arose from his throne
and the world fell away,
courtiers, battlements, and clouds,

and he rose like a piece of paper
on which his effigy had been traced
in dotted lines whose dots came loose

and flew away to a place in history
where nothing mattered.
And then there was one.

 

 

After Reverdy

I would never have wanted to see your sad face again
Your cheeks and your windy hair
I went all across the country
Under this humid woodpecker
Day and night
Under the sun and the rain

Now we are face to face again
What does one say to my face

Once I rested up against a tree
So long
I got stuck to it
That kind of love is terrible

 

 

Prose Poem ("The morning coffee.")

The morning coffee. I'm not sure why I drink it. Maybe it's the ritual
of the cup, the spoon, the hot water, the milk, and the little heap of
brown grit, the way they come together to form a nail I can hang the
day on. It's something to do between being asleep and being awake.
Surely there's something better to do, though, than to drink a cup of
instant coffee.
Such as meditate? About what? About having a cup of
coffee. A cup of coffee whose first drink is too hot and whose last drink
is too cool, but whose many in-between drinks are, like Baby Bear's por-
ridge, just right. Papa Bear looks disgruntled. He removes his spectacles
and swivels his eyes onto the cup that sits before Baby Bear, and then,
after a discrete cough, reaches over and picks it up. Baby Bear doesn't
understand this disruption of the morning routine. Papa Bear brings
the cup close to his face and peers at it intently. The cup shatters in his
paw, explodes actually, sending fragments and brown liquid all over the
room. In a way it's good that Mama Bear isn't there. Better that she rest
in her grave beyond the garden, unaware of what has happened to the
world.

 

 2044524-656e511d51e4bc56fad8571dbb8b49dc.jpg
Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten