Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 2 september 2016 tot 3 september 2016

Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Het dubbelleven van een evenwichtskunstenaar. Kafka's dagboeken en zijn schrijverschap

“Max Brod heeft als eerste Kafka's schrijftalent herkend en gestimuleerd. Ook is hij degene geweest die voor publikatiemogelijkheden heeft gezorgd en uiteindelijk de drie romans, de overgebleven verhalen, dagboeken en brieven voor vernietiging heeft behoed, tegen de al tussen 1919 en 1922 in de onvruchtbare periode vóór Der Prozess neergeschreven wilsbeschikking van Kafka in, dat alle nietgepubliceerde geschriften ongelezen verbrand moesten worden. Zonder Brod zouden we nu hoogstwaarschijnlijk geen Kafka lezen. Dit neemt niet weg dat hij het werk belast heeft met een zware hypotheek aan interpretaties. Waarom de ene interpretatie beter en langer beklijft dan de andere zal altijd een vraag blijven, met overtuigingskracht heeft het weinig te maken. Wanneer de inhoud van een literair werk tot herkenbare termen kan worden herleid, zal dat veel lezers meer houvast bieden dan een benadering via de literaire techniek. Er is zelfs een karakterisering van Kafka's werk die van de plicht tot lezen ontslaat; het is dan voldoende te weten dat hij een voorspelling heeft geschreven van de wereld waarin wij nu leven.
Het werk van Kafka is alleen in existentiële termen te vertalen via het bijwerk van dagboeken, brieven en getuigenissen van anderen. De literaire teksten, toch overwegend grotesk en fantastisch, geven daartoe weinig gelegenheid. Brief an den Vater bijvoorbeeld (vreemd genoeg vertaald als Brief aan zijn vader) is nooit bedoeld geweest als literaire tekst. Het ironische gevolg hiervan is dan dat uitgerekend de man die vooral of zelfs uitsluitend schrijver wilde zijn, zoals de dagboeken overduidelijk aantonen, in de eerste plaats als persoon beoordeeld wordt. Hoe discreet hij ook was inzake zijn eigen persoon, hoezeer hij er zelfs naar gestreefd heeft als persoon te verdwijnen en in het schrijven op te gaan, juist die omzichtigheid heeft alle aandacht op het persoonlijk leven gevestigd. Over een aantal zaken wenste Kafka niet te schrijven - om wat voor reden dan ook. Niet de minste reden is geweest dat gevoelens volgens hem alleen dan schriftelijk mochten worden vastgelegd wanneer dat ‘met de grootste volledigheid tot in alle incidentele consequenties, evenals met absolute waarachtigheid, kan geschieden’ (Tagebücher, 12.1. 1911). Het niet-spreken is vaak voor verzwijgen aangezien. Datgene wat hij wel schreef is daarom als een soort geheimschrift uitgelegd dat de oplossing van de vermeende raadsels zou bevatten.”

 

 1951909-ad7e326dcddbd8317fad7d3ee0d8168d.jpg
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)
Portret door Opland, 2014

 

 

De Duitse schrijver, criticus, columnist, essayist en biograaf Fritz J. Raddatz werd geboren op 3 september 1931 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Fritz J. Raddatz op dit blog.

Uit: Rilke

„War er eine Rose, die eine Rose im Knopfloch trug, ein «poetischer Kunstglasbläser und Zierathämmerer» (wie ein Kritiker ihn nannte) – oder ein strenger Wortmeißler, der seinem Credo «Dinge machen aus Angst» folgte? War er ein «überschminktes Frauenzimmer», wie sein Kollege Georg Heym ihn verspottete, und «ein bißchen dumm», was Gottfried Benn argwöhnte – oder war er ein formsüchtiger Kunstkenner, der ganz früh die Bedeutung von Thomas Mann, das Genie der Picasso und Cézanne erkannte, in Worten geradezu demütiger Ergriffenheit sich dem Schönen als Geschmackskategorie verweigerte, um das Gran Wahnsinn im Kunstwerk zu preisen? War er eine «mit großem Aufwand rotierende Bedeutsamkeitsmaschine», haltlos, beliebig, aus deren absichtlich Ungefährem «die großen Formeln herausrauschen» – oder ein sich Leben und Liebe Versagender, um jene Gedichte zu schaffen, deren bohrender Schmerz uns noch heute frieren macht? War er ein Feintäschler, wie das französische Wort Portefeuilleur eingedeutscht wurde; also ein Preziosenfabrikant, der seine kostbar zurechtgeschliffenen Diamanten in mit edlem Samt ausgeschlagenen Saffianschatullen feilbot – oder ein Sternenfänger, dessen unermeßlicher Hunger nach Licht eine in Finsternis darbende Welt heller machte? Selbst Lobpreisende wie Stefan Zweig sprachen von «erlauchter Goldschmiedekunst», und er selber erläuterte gelegentlich erlesene Begriffe wie «Rauten» mit dem Hinweis auf prachtprachtvoll angeordnete Brillanten, Perlen und Rubine.
Zeitgenossen priesen und höhnten ihn. Willy Haas, der eine Generation jüngere Prager, erzählt, weder er noch irgend jemand seiner Umgebung habe auch nur den geringsten Berührungspunkt mit Rilke gehabt, und alles, «was Rilke in seinem Werk und in seinem Leben getan hat, um irgendwelche uradelige Abstammung anzudeuten oder dem Leser zu suggerieren, ist etwas, was mir, und ich glaube uns allen, furchtbar auf die Nerven gegangen ist».
Der Schriftsteller Hans Egon Holthusen dagegen zählt die Duineser Elegien und die Sonette an Orpheus neben Valérys Charmes und dem Ulysses von James Joyce zu den maßgeblichen und horizontbildenden Meisterwerken der modernen Literatur; während eine seiner vertrauten Damen, die Fürstin Marie von Thurn und Taxis, Lyrikgeschenke mit einem «es ist Entzückendes darunter und alles ist reizend» wie Konfektpräsente quittiert – zum Hauptwerk der Elegien heißt es: «Das entzückende kleine Buch kommt zu Ihren anderen Manuscripten in dem kleinen chinesischen Möbel in der Bibliothek; eine Sienesische Madonna süß und verträumt hält darüber Wache.»

 

 1951909-77035bf2ec7fa015ac009cc8f59697a8.jpg
Fritz J. Raddatz (3 september 1931 - 26 februari 2015)
Cover 

 

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduardo Galeano op dit blog.

Uit: Open Veins of Latin America: Five Centuries of the Pillage of a Continent

 

The Nobodies

Fleas dream of buying themselves a dog, and nobodies dream of escaping
poverty: that one magical day good luck will suddenly rain down on
them---will rain down in buckets. But good luck doesn't rain down
yesterday, today, tomorrow, or ever. Good luck doesn't even fall in a
fine drizzle, no matter how hard the nobodies summon it, even if their
left hand is tickling, or if they begin the new day with their right
foot, or start the new year with a change of brooms.

The nobodies: nobody's children, owners of nothing. The nobodies: the
no ones, the nobodied, running like rabbits, dying through life,
screwed every which way.

Who are not, but could be.
Who don't speak languages, but dialects.
Who don't have religions, but superstitions.
Who don't create art, but handicrafts.
Who don't have culture, but folklore.
Who are not human beings, but human resources.
Who do not have faces, but arms.
Who do not have names, but numbers.
Who do not appear in the history of the world, but in the police
blotter of the local paper.
The nobodies, who are not worth the bullet that kills them.

 

 1951909-89e41c7e72b6b0f99a230c877b5c74f5.jpg
Eduardo Galeano (3 september 1940 – 13 april 2015)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Alison Lurie op dit blog.

Uit:The Last Resort

“At three A.M. on a windy late-November night, Jenny Walker woke in her historic house in an historic New England town, and sensed from the slope of the mattress and the chill of the flowered percale sheets that Wilkie Walker, the world-famous writer and naturalist, was not in bed beside her.
Often now Jenny woke to this absence. The first time, after lying half awake for twenty minutes, she tiptoed downstairs and found her husband sitting in the kitchen with a mug of tea. Wilkie smiled briefly and replied to her questions that of course he was all right, that everything was all right. "Go back to bed, darling," he told her, and Jenny followed his instructions, just as she had done for a quarter century.
After that night she didn't go to look for him, but now and then she would mention his absence the next morning. Wilkie would say that he'd had a little indigestion and needed a glass of soda water, or wanted to write down an idea. There was no reason to be concerned about him, his tone implied. Indeed her concern was unwelcome, possibly even irritating.
But since the day they met, Jenny had been more concerned about Wilkie Walker than anyone or anything in the world. He had come into the University Housing Office at UCLA where she was working after graduation while she waited to see what would happen next in her life. It was a misty, hot summer morning when Wilkie appeared: the most interesting-looking older man Jenny had ever seen, with his broad height, his full explorer's mustache; his shock of blond-brown hair, steel-blue eyes, and sudden dazzling smile. Dazzled, she heard him ask about sabbatical sublets for the fall. He wanted somewhere quiet with a garden--he liked to work out of doors if he could, he explained--but he also hoped to be within a half-hour's walk of the university. Which no doubt wasn't possible, he added with another radiant smile.
But Jenny was able to assure him that she knew just the place. And two days later, while she was still dreaming of Wilkie's visit and wondering if she could get leave to audit his lectures, he reappeared to thank her and ask her to have lunch with him.”

 

 1951909-117b3415df052faa78caeac3c69d4df8.jpg
Alison Lurie (Chigaco, 3 september 1926) Cover

 

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Sergej Dovlatov op dit blog.

Uit: Pushkin Hills (Vertaald door Katherine Dovlatov)

“No, really, are you unwell?”
“I drink too much... Would you like a beer?”
“Why do you drink?” she asked.
What could I say?
“It’s a secret,” I said, “a little mystery...”
“So you’ve decided to work at the museum?”
“Exactly.”
“I knew it right away.”
“Do I look like the literary type?”
“Mitrofanov was seeing you off. He’s an extremely learned
Pushkin scholar. Are you good friends?”
“I’m good friends,” I said, “with his bad side...”
“How do you mean?”
“Never mind.”
“You should read Gordin, Shchegolev,Tsyavlovskaya... Kern’s memoirs...” and one of the popular brochures on the dangers of alcohol.”
“You know, I’ve read so much about the dangers of alcohol that I decided to give it up... reading, that is.”
“You’re impossible to talk to.”

 

 1951909-e48e2cacbcf8a0cda93a7ce7c2770107.jpg
Sergej Dovlatov (3 september 1941 - 24 augustus 1990)
 

 

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Kiran Desai op dit blog.

Uit: Hullabaloo In The Guava Orchard

„But Kulfi was not thinking of the baby in her belly like a little fish. She was thinking of fish themselves. Of fish in many forms. Of fish big enough and good enough to feed the hunger that had overtaken her in the past months like a wave. She thought of fish curries and fish kebabs. Of pomfret, bekti, ruhi. Of shoals of whiskered shrimp. Of chewy mussels. She thought of food abundant in all its many incarnations. Of fenugreek and camel milk, yam and corn. Mangoes and coconuts and custard apples. Mushrooms sprouting like umbrellas in the monsoon season. Nuts, wrinkled in their shells, brown-skinned, milky-fleshed.
The house was small for her big desire. She walked from the tiny blue bedroom to the kitchen thick with the smell of kerosene, around the table and chairs, up and down the balcony, down the stairs past the rooms of neighbors who shook their heads over her, then around the jamun tree in the middle of the courtyard.
'Oh dear, what is going to become of this woman?' said Lakshmiji, the Raipurs, the Bengali teacher, and all of the others when they looked out of their windows, when they gossiped at the tea stall or sat in each other's houses eating peanuts together. 'There was always something odd about her,' they said. 'You could tell this from the minute she entered Shahkot.'
Meal after meal of just rice and lentils could not begin to satisfy the hunger that grew inside Kulfi; she bribed the vegetable sellers and the fruit sellers and the butcher with squares of silk, with embroidery, a satin petticoat, an earring set in gold, a silver nutcracker, bits of her dowry that had not yet been pawned. She bribed them until they had nothing left to give her anyway. By then, her hunger was so fierce, it was like a big, prowling animal. In her mind, aubergines grew large and purple and crisp, and then, in a pan, turned tender and melting. Ladyfingers were flavored with tamarind and coriander. Chicken was stewed with cloves and cardomon. She thought of chopping and bubbling, of frying, slicing, stirring, grating.”

 

 1951909-9ee48167686e869ae3cac02f96ab7fca.jpg
Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Meister werd geboren op 3 september 1911 in Haspe. Zie ook alle tags voor Ernst Meister op dit blog.

Uit: Wandloser Raum

 

Und was
will diese Sonne
uns, was

Springt
aus enger Pforte
jener großen Glut?

Ich weiß
nichts Dunkleres
denn das Licht.

 

 

Spät in der Zeit
wirst du sagen,
du seist

ein Mensch gewesen.

Du sagst es nicht,
kannst es nicht sagen –
du sagst es jetzt.

 

 

O BLUMEN!
Hier auf dem
Balkon
seh ich euch stehen
im Sonnenlicht
das lösliche
Gewölbe.
Ihr andern auch
seid gegenwärtig.

 

 1951909-e711e9413dd1d53bc1b417ab6e51a5fa.jpg
Ernst Meister (3 september 1911 - 15 juni 1979)
Zelfportret, z.j.

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichter, schrijver en striptekenaar Lino Wirag werd geboren in 1983 in Pforzheim. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Lino Wirag op dit blog.

Uit: Vom Verschwinden der Satire im Literaturbetrieb

„Am 20.10.06 verkündete die taz dann das »Satirewunder«: »In fast allen Tageszeitungen gibt es eine satirische Ecke, ursprünglich mal als Ausgleich und Ausklang zu den harten aktuellen Meldungen gedacht, mittlerweile mehr oder weniger gediegen und entwickelt.« Doch nicht nur das. Zwar schimpfte Jenni Zylka über den unkomischen »satirischen Monatsrückblick Ultimo« auf n-tv, pries dann aber die Sendung Extra 3 (NDR) und die Rubrik Toll! in Frontal 21 (ZDF) als herzeigbare Formate – unerwähnt blieben die Beiträge von Polylux (ARD).
Satirisches Fernsehen arbeitet mit den gleichen Mitteln wie die Printverwandtschaft – Übertreibung, Verzerrung, Umkehrung etc. –, vor allem aber mit dem Kontrast zwischen Bild- und Tonebene. Entweder setzt ein mokanter Off-Sprecher die gezeigten Bilder in einen neuen Zusammenhang, oder die Fernsehauftritte von Politikern werden neu »synchronisiert«. Auch die »Zuschauerverarsche« aus Verstehen Sie Spaß?-Zeiten erlebt neue Formen: In Polylux traktiert Carsten van Ryssen arglose Berliner mit kaum richtig zu beantwortenden Fragen (»Gehören Sie auch zum Prekariat?«)“.

 

 1951909-bcbf835fa33c865be188112b73f5741c.jpg
Lino Wirag (Pforzheim, 1983)

Geschreven door Romenu om 11:32 Reageer op dit bericht

Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Joseph Roth, Pierre Huyskens

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Willem de Mérode op dit blog

 

De mandolinespeler

Bij den klank der klare mandoline
Zingt zijn warme stem den avond uit,
De verrukkingen om ongeziene
Weelden kwinklen in zijn zoet geluid.

Als een zoeklicht, uit zijn fulpen oogen,
Schiet hij, fel en vleiend, lonk en straal,
Dan, wijd open, onder donkre bogen,
Ziet-men in ziels gouden voorportaal.

Naar de heete hand van hun vriendinnen
Grijpen meisjes heftig, zalig bang.
Ach, zij zouden hem zoo graag beminnen,

Die hen zacht omstrikt met zijn gezang.
Maar geen gaat zijn zielsgeheimnis binnen,
Toeven zij ter gouden poort ook lang.

 

 

Apollon archaïque
Louvre

Het rood granietblok stond hoog opgericht
In ’t midden van de heete binnenplaats.
En in den steen, als in een droomgezicht,
Verscheen de jonge scherpte eens gelaats,

Dat onverbidlijk zich zijn blik toewendde.
Het gladde strakke lichaam scheen bereid
Den sprong te maken naar de manlijkheid
Die reeds een macht was in zijn smalle leden.

Zoo stond hij vele lange heete stonden.
En vele glansen hebben zich verbonden
Tot glimlach die zijn heele lichaam droeg.

Tot op een avond toen het bloed verstilde
De meester hem met welbewuste milde
En scherpe beitel uit het steenblok sloeg.”

 

 

Venezia

Hier heeft het leven nog den zachten glans
Van nutteloos in schoonheid te verstralen.
Wat laat de lucht hier zuiver ademhalen!
Op nieuw geluk geeft iedre dag een kans.

En zaalger is de nacht hier dan een mans
Gelaat, die van beminnen is doorvloten.
Siddrende bloem, fel uit het bloed ontschoten,
Trilt hoog des klokketorens roode lans.

Hier smaakt de ziel haar aarde- en hemelspijs:
Dogen, zij droomt voor uw verdroomd paleis;
Zij glijdt San Marco’s droom ootmoedig binnen.

Een gondel op het deinen van uw stroom,
O liefde, rijst zij zeer tevreden loom,
En zeer gelukkig, wijl zij mag beminnen

 

 1951736-fcc3db4fd5fd6c2ae791105bd8b5b046.jpg
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Portrett door Johan Dijkstra, 1922.

 

 

De Belgisch schrijver, filmregisseur, filmtheoreticus Eric de Kuyper werd geboren in Brussel, op 2 september 1942. Zie ook alle tags voor Eric de Kuyper op dit blog.

Uit: Een tafel voor één. Reisberichten

“De obers glijden als schimmen geluidloos en bijna onzichtbaar tussen de tafels en stoelen door. Ze doemen onmerkbaar op uit de wanden om er vervolgens weer in te verdwijnen. Telkens komen er andere en nieuwe bij. Er is op dit late uur meer bedienend personeel dan er gasten zijn. Een kelner is duidelijk de ‘jonge blonde Duitser’. De maître d' hôtel is een Fransman. Of beter gezegd: hij doet Frans aan. Hij spreekt voortreffelijk Duits met een uitheems accent. Naar het mij voorkomt is zijn accent niet echt Frans; het is nagebootst, en de herkomst daarvan kon wel eens Slavisch zijn. Maar in een Duitse namaak Franse salon past zo iets perfect. Ik meen een flikkering in zijn linkeroog op te vangen, alsof hij mij te kennen geeft: ‘we zijn beiden toch maar nep-Fransen, niet?’, want in het Duits heb ook ik een soort Franse tongval. ‘Maar voor hen hier rond de tafel doen we authentiek aan, zoals de tafels en de stoelen, de schilderijen en al het antiek hier authentiek zijn ...’
Herr B. speelt exuberant de grand-seigneur. Dat gaat hem goed af. Hij weet heel precies en tegelijk heel charmant het mondaine aan het eigenzinnige, het beschaafde aan het amicale te koppelen, Dat B. hier, in dit land, in deze stad is beland, zal, zo vermoed ik, niet meer dan een toeval zijn. Misschien is hij wel een ver familielid van de pseudo-Franse, quasi-Hongaarse, net-niet-Weense, maar vermoedelijk toch iets joodse maître d'hôtel.
Onze gastheren praten vlot en gedragen zich nonchalant. Maar plotseling, ik krijg het eigenlijk pas laat in de gaten, begint er iets te trillen in de oogleden van B.; onvoorspelbaar zo abrupt als H. in een norse stilte vervalt en krampachtig een sigaret opsteekt; de vrouw van B. neemt discreet iets (snuiftabak? Een pilletje? Of is het iets anders?) uit een klein ijzeren doosje, waarin violette Franse zuurtjes hebben gezeten, maar dat nu voor een ander doel wordt gebruikt. De onopvallendheid van deze gebaren valt des te sterker op.
En dan ineens herstelt het oog van B. zich; ontwaakt H. uit zijn stilte, terwijl hij iemand met een snedige persoonlijke opinie corrigeert; converseert mevrouw B. verder, onderwijl haar doosje wegstoppend.”

 

 1951736-2d5e277d869064249eeb2f78188838f5.jpg
Eric de Kuyper (Brussel, 2 september 1942)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

 

Mijn oudtante

Zoals zich in het voorjaar soms
nog één bruin appeltje
verbeten vasthoudt aan de tak
die bijna weer in bloei staat

zo hangt zij aan het leven.
Kogelvrij door crème en rouge
maar met het vaag vermoeden dat
de dood loert door het sleutelgat.

 

 

Pas de deux

Een pas de deux! Je lacht je rot!
En dat terwijl de dag begint!
Die theemuts op je papillotten:
Wat jij toch altijd weer verzint!

Je bent zó goed gemutst, je wilt
Wel blijven dansen, wang aan wang:
De Weense wals, de jive... Je tilt
je partner zwierig door de gang,

Swingt door de living, zweeft de
Hall in: heel de wereld is één
Ballroom! – Je maffe muts zakt schever...

Iéts zit je dwars: je partner blijft van steen.
(Wat wil je ook: hij is een theepot, vol jenever...)
– Dat wordt weer uren janken zometeen.

 

 1951736-eb27ede339a838dbdb677c1d3a8b62a0.jpg
R.A. Basart (Amsterdam, 2 september 1946)

 

 

De Amerikaanse schrijver Chris Kuzneski werd geboren op 2 september 1969 in Indiana, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Chris Kuzneski op dit blog.

Uit: Sign Of The Cross

“When their boat reached the shore, Jansen felt the rocks as they scraped against the bottom of the hull. The sound filled the air like a primeval wail, yet none of them seemed to care. It was the middle of the night, and the coast was deserted. No one would come running. No one would come to save him. It was in God’s hands now, as it always was.
Suddenly, one of the men leapt over the side and splashed into the icy water. He grabbed the boat with both hands and eased it onto the narrow beach, just below a footpath. The other three followed his lead and soon the boat was hidden in the trees that lined this section of the island.
They had traveled over a thousand miles but were just getting started.
Without saying a word, they loosened the ropes and lifted Jansen from the boat, placing him on their broad shoulders for the journey inland. Jansen sensed this might be his last chance to escape so he flailed back and forth like an angry fish trying to break free of their grasp, yet all he did was upset them. In response they slammed his face into the jagged rocks, breaking his nose, shattering his teeth, and knocking him unconscious.
Then they picked him up and carried him to the place where he would die.
One of the men cut off Jansen’s clothes while the others built the cross. It was seven-feet wide and ten-feet high and made out of African oak. The wood was pre-cut so the planks slid into place with little effort. When they were finished, it looked like a giant T spread across the freshly cut grass. They knew most people would be confused by the shape but not the experts.
They would know it was authentic. Just like it was supposed to be. Just like it had been.
In silence they dragged Jansen to the cross and positioned his arms on the patibulum—the horizontal beam—and put his legs on the stipes. Once they were satisfied, the largest of the men took a mallet and drove a wrought-iron spike through Jansen’s right wrist. Blood squirted like a cherry geyser, spraying the worker’s face, but he refused to stop until the nail hit the ground. He repeated the process on Jansen’s left wrist then moved to his legs.”

 

 1951736-070df0f8b28bb7bea34b4510a6112fdd.jpg
Chris Kuzneski (Indiana, 2 september 1969)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Johan Daisne op dit blog.

Uit: De trap van steen en wolken

“Maanden leefden ze thans reeds in dit blokhuis, midden in de wildernis. Ze hadden het samen gebouwd, stuk voor stuk, met eigen handen, in den laten zomer en den herfst, tot de winter was gevallen, die hen nog meer van alles had afgesneden. Maar tijdens die twee seizoenen van werk en droom waren ze stilaan weer gezond geworden, ontgift, in lichaam en ziel. Geen enkele maal was er verveling geweest en al waren ze soms ook van vermoeidheid gansch gekleed in slaap gevallen, het was een heerlijke vermoeidheid geweest, die ze als een zegen hadden gevoeld. En de toekomst? Hij dacht er niet aan; zij leefden dag voor dag, mét enthousiasme, want alles ademde hier avontuur; hun retraite van de wereld was geen einde, maar een begin, alles beloofde hier droom...
- Wel verdomd!
Gun was als een bezetene overeind gesprongen. Op dat oogenblik stak Ra haar hoofd door de deur. Ze keek eerst met groote oogen in het halfduister, maar dan kwam er een glimlach in.
- Wat scheelt er aan? zong haar fijne, trage stem.
Gun stond met gebogen hoofd en de hand voor zijn mond te blazen als een rund.
- Ik zat bij 't vuur te soezen met een sigaret in de mond en juist toen ik op 't punt was in te dutten was ze op; ik geloof dat mijn twee lippen zijn stuk gebrand!
Gun had het er op een drafje uitgebracht en begon dadelijk weer te blazen.
Ra sloot lachend de deur.
- Laat kijken.
Gun nam zijn hand weg.
- Jij hebt mooi lachen, zegde hij met een verongelijkt schooljongensgezicht, geef me liever wat van je crème of van een van die andere spullen om er op te wrijven; dat sluit de buitenlucht en de pijn af.
Ra had den rand van haar grooten vilten hoed opgeslagen en bleef dicht voor hem staan.
- Nou, waar wacht je op?
- Kom, zong ze en legde haar armen om zijn hals en twee frissche, vochtige lippen op zijn mond.”

 

 1951736-f6d60087d3158b9ebe8bca6ac8c67ca0.jpg
Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)
Cover

 

 

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit: Radetzkymarsch

„Seitdem er im Kampf mit bosnischen Grenzschmugglern ein Auge verloren hatte, lebte er als Militärinvalide und Parkwächter des Schlosses Laxenburg, fütterte die Schwäne, beschnitt die Hecken, bewachte im Frühling den Goldregen, später den Holunder vor räuberischen, unberechtigten Händen und fegte in milden Nächten obdachlose Liebespaare von den wohltätig finstern Bänken. Natürlich und angemessen schien der Rang eines gewöhnlichen Leutnants der Infanterie dem Sohn eines Unteroffiziers. Dem adeligen und ausgezeichneten Hauptmann aber, der im fremden und fast unheimlichen Glanz der kaiserlichen Gnade umherging wie in einer goldenen Wolke, war der leibliche Vater plötzlich ferngerückt, und die gemessene Liebe, die der Nachkomme dem Alten entgegenbrachte, schien ein verändertes Verhalten und eine neue Form des Verkehrs zwischen Vater und Sohn zu verlangen. Seit fünf Jahren hatte der Hauptmann seinen Vater nicht gesehen; wohl aber jede zweite Woche, wenn er nach dem ewig unveränderlichen Turnus in den Stationsdienst kam, dem Alten einen kurzen Brief geschrieben, im Wachtzimmer, beim kärglichen und unruhigen Schein der Dienstkerze, nachdem er die Wachen visitiert, die Stunden ihrer Ablösung eingetragen und in die Rubrik »Besondere Vorfälle« ein energisches und klares »Keine« gezeichnet hatte, das gleichsam auch nur jede leise Möglichkeit besonderer Vorfälle leugnete. Wie Urlaubsscheine und Dienstzettel glichen die Briefe einander, geschrieben auf gelblichen und holzfaserigen Oktavbogen, die Anrede »Lieber Vater!« links, vier Finger Abstand vom oberen Rand und zwei vom seitlichen, beginnend mit der kurzen Mitteilung vom Wohlergehen des Schreibers, fortfahrend mit der Hoffnung auf das des Empfängers und abgeschlossen von der steten, in einen neuen Absatz gefaßten und rechts unten im diagonalen Abstand zur Anrede hingemalten Wendung: »In Ehrfurcht Ihr treuer und dankbarer Sohn Joseph Trotta, Leutnant.« Wie aber sollte man jetzt, zumal da man dank dem neuen Rang nicht mehr den alten Turnus mitmachte, die gesetzmäßige, für ein ganzes Soldatenleben berechnete Form der Briefe ändern und zwischen die normierten Sätze ungewöhnliche Mitteilungen von ungewöhnlich gewordenen Verhältnissen rücken, die man selbst noch kaum begriffen hatte? An jenem stillen Abend, an dem der Hauptmann Trotta sich zum erstenmal nach seiner Genesung an den von spielerischen Messern gelangweilter Männer reichlich zerschnitzten und durchkerbten Tisch setzte, um die Pflicht der Korrespondenz zu erfüllen, sah er ein, daß er über die Anrede »Lieber Vater!« niemals hinauskommen würde.“

 

 1951736-c541269fda7bb5ab0865e238e7c4a949.jpg
Joseph Roth (2 september 1894 - 27 mei 1939)
Portret door William Feuer, z.j.

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Pierre Huyskens werd geboren op 2 september 1931 in Wessem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Pierre Huyskens op dit blog.

Uit: 60 Jaar Elsevier (Grote bazen)

“Voor Elsevier-baas Teddy Klautz is Elseviers Weekblad een liefdesbaby. De oprichter koestert het tijdschrift en bemoeit zich graag met de inhoud. Over redacteuren zegt hij: ‘Ik hebzein deoorlog te vreten gegeven, dus moeten ze nu doen wat ik zeg.’
Dolf van den Brink heeft een veel afstandelijker houding. Deze zoon uit een familie van tapijthandelaren uit Laren treedt in 1944 bij Elsevier in dienst als procuratiehouder, waar hij flink aan de weg timmert.
In 1947 is hij al mededirecteur. De bevlogen romanticus Klautz en de financieel-econoom vullen elkaar in theorie goed aan‚maar in de praktijk pakt het anders uit. Er zijn voortdurend conflicten.
Wanneer Klautz zijn hand overspeelt bij een commercieel avontuur in de Verenigde Staten neemt den Brink in 1954 het roer over. Onder zijn leiding groeit de uitgeverij uit tot de houdstermaatschappij van een zestigtal ondernemingen.
Zijn opvolger Pierre Vinken heeft fortuin en roem vergaard met het opzetten van een medische databank In 1972, een jaar nadat zijn uitgeverij Excerpta Medica is gefuseerd met Elsevier, treedt de neurochirurg uit Limburg toe tot de raad van bestuur om zeven jaar later de grote baas te worden.
Vinken kijkt neer op het magazine van Ferry Hoogendijk en wil er een heel ander blad van maken, voor een culturele elite.”

 

 1951736-de89c642a92aab82fa343f92e19929b9.jpg
Pierre Huyskens (2 september 1931 – 19 november 2008)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn blog van 2 september 2014 en ook mijn blog van 2 september 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Robert Habeck

De Duitse schrijver en politicus Robert Habeck werd geboren op 2 september 1969 in Lübeck.
In 1989 deed Habeck eindexamen gymnasium aan de Heinrich-Heine-school in Heikendorf. Na zijn alternatieve dienstplicht begon hij in 1991 aan de studies filosofie, Duits en filologie in Freiburg, bezocht in 1992/1993 de Universiteit van Roskilde in Denemarken en behaalde in 1996 zijn magistertitel aan de universiteit van Hamburg. In 1996 trouwde hij met de schrijfster Andrea Paluch. Habeck kreeg een promotiebeurs aan de Universiteit van Hamburg en werd in 2000 doctor in de folosofie. Sinds 1999 werkten Habeck en Andrea Paluch samen als freelance schrijver en publiceren zij ook samen. In interviews benadrukken zij dat hun dubbele auteurschap een bewuste keuze is voor een gezamenlijk levensontwerp. Naast boeken en vertalingen van het Engels poëzie voor kinderen publiceerden Robert Habeck (met Andrea Paluch) de romans „Hauke Haiens Tod“ (2001), „Der Schrei der Hyänen“ (2004), „Der Tag, an dem ich meinen toten Mann traf“ (2005), „Zwei Wege in den Sommer“ (2006), „Unter dem Gully liegt das Meer“ (2007) en „SommerGIG“ (2009). Een terugkerend thema in de boeken is de vraag naar de invloeden die een mens ondergaat en de spanning tussen vrijheid determinatie. In december 2008 ging hun eerste toneelstuk “Neunzehnachtzehn” over de matrozenopstand in het theater in Kiel in première. In 2008 werd de roman „Der Tag, an dem ich meinen toten Mann traf“ verfilmd. Habeck werd in 2002 lid van Bündnis 90/Die Grünen. In 2008 was hij de lijsttrekker voor Die Grünen bij de lokale verkiezingen in Schleswig-Flensburg en in 2009 was hij samen met Monika Heinold lijsttrekker in de deelstaatverkiezingen in Schleswig-Holstein. Na de verkiezingen van 2012 werd Habeck vice-premier en minister van energietransitie, landbouw, milieu en platteland.

Uit: Der Schrei der Hyänen (Samen met Andrea Paluch)

„Arabella wurde wach, als Frank aus dem Bett stieg. Sie wachte nie auf, wenn er zu ihr kam, und wurde so meist im Schlaf von ihm überrascht. Doch wenn er aufstand, erwachte sie jedesmal. Ihr Mann war über einen Meter neunzig groß und wog fast zweihundert Pfund. Wenn er sich zwischen den Hererohirten bewegte, sah es so aus, als striegelte sein blonder Bart ihre Köpfe.
Arabella schaute auf die Taschenuhr, die am Bettpfosten baumelte. Es war halb vier, Donnerstag nacht. Das Jahr 1904 war eine Woche alt. Zu Weihnachten hatte Frank ihr ein Waffeleisen geschenkt, sie ihm einen Gürtel genäht. Eva hatte sie ihre alten Sandalen vermacht.
Aus der Remise hörte sie die trächtige Kuh schreien. Der Schäferhund Troja bellte gegen das Brüllen an. Seit Arabella vor sechs Jahren auf der »Falke« angekommen war, hatte sie gelernt, wie man Rinder hält, daß sich Geburten durch ein Einfallen der Beckenknochen ankündigen, wie man sterbende Tiere an den gebrochenen Augen erkennt.
Sie schlief nur im Hemd, weil die Nacht entgegen der üblichen Mondkälte heiß geblieben war. Das neue Haus war noch nicht fertig. Zwar standen die Mauern, aber der Dachstuhl fehlte noch. Als Balken sammelte Frank Baumstämme aus dem Rivier, die Sonne und Wasser schon geschält hatten und die er mit der Vormilch der Jungkühe zum Schutz vor Holzwürmern einstrich.
Während der ersten drei Jahre hatten sie in der Hartebeesthütte gelebt, die Frank aus Astwerk, Binsen und Rinde zusammengezimmert hatte, nachdem ihm das Land überschrieben worden war. Um ein ordentliches Haus zu bauen, brauchte er nur die Steine von der Wasserstelle aufzulesen. Die Arbeit an dem Dachstuhl mußte jedoch zurückgestellt werden, weil die Raubtiere sich in diesem Jahr bis an die Verschläge herantrauten. Sonst hatten sich die Geparden und Schakale wohl an das Vieh der Schwarzen gehalten, aber die Rinderpest hatte große Teile der Hereroherden hinweggerafft. Sogar Löwenspuren, groß wie Teller, hatte Arabella eines morgens in der von ihr täglich aufgelockerten Erde ihres Gemüsebeetes gefunden. Daher mußte zuerst der Innenhof eingefriedet werden.
Obwohl die Nacht selbst für das Hemd eigentlich noch zu warm war, zog sie sich Hosen und eine Schürze über und schlüpfte in die Stiefel, bevor sie ihrem Mann folgte. Am Dreikönigstag waren schwere Gewitter über Südwest niedergegangen, aber anders als in Deutschland war die Luft danach nicht gereinigt, sondern klebrig geworden. In den Tagen danach konnte man zusehen, wie das Gras zur Blüte kam. Die Hererorinder bekamen wieder fette Euter und jeden Abend wurde in den Kralen getanzt.“

 

 2038053-7eed5f43604656af1d4afa47d28bbff3.jpg
Robert Habeck (Lübeck, 2 september 1969)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten