Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 25 januari 2017 tot 26 januari 2017

Jonathan Carroll, Nora Gomringer, Achim von Arnim, Menno ter Braak, Jos van Daanen, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden

De Amerikaanse schrijver Jonathan Carroll werd geboren op 26 januari 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Carroll op dit blog.

Uit:Voice of Our Shadow

“Formori, Greece
At night here I often dream of my parents. They are good dreams and I wake happy and refreshed, although nothing very important happens in them. We will be sitting on the porch in summer, drinking iced tea and watching our scottie dog, Jordan, lope across the front yard. Although we talk, the words are pale and dreamy, unimportant. It makes no difference—we are all very glad to be there, even my brother, Ross.
Now and then Mother laughs or throws her arms out in those great swoops and arcs when she talks—her most familiar gesture. My father smokes a cigarette, inhaling so deeply that I once asked him when I was young if the smoke went down into his legs.
As is true with so many couples, my parents' temperaments were diametrically opposed. Mother ate life as fast as she could get her hands on it. Dad, on the other hand, was clear and predictable and forever the straight man to her passion and shenanigans. I think the only great sadness in their relationship for him was knowing that although she loved him in a warm, companionable way, she went all-out in adoring her two sons. Originally she had wanted to have five children, but both my brother and I had such difficult births the doctor told her having another child would be a deadly risk. She compensated in the end by pouring the love for those five kids into the two of us.
Dad was a veterinarian; still is a veterinarian. He'd had a successful practice in Manhattan when they were first married, but gave it up to move to the country right after his first son was born. He wanted his children to have a yard to play in and the safety to come and go as they pleased any time of the day.
As with everything else in her life, my mother pounced on the new house and tore it limb from limb. New paint inside and out, new wallpaper, floors stripped and sealed, leaks stopped ... When she was done she had created a solid, amiable place with more than enough room, light, warmth, and security to assure each of us this was a home as well as a house.
All that and two little boys to raise. Later she said those first two years in the house were her happiest. Everywhere she went, either someone or something needed her, and that is what she thrived on. With one boy in her arms and another clinging to her skirt, she telephoned, cooked, and hammered the house and our new life there into submission. It took a few years, but when she was done, things both worked and gleamed. Ross was starting school, she'd taught me how to read, and every meal she put on the table was tasty and different.”

 

 2001853-67e3284fd8a223fb4b7cb414add38952.jpg
Jonathan Carroll (New York, 26 januari 1949)

 

 

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

Riesen

In Gradzahlen ahnt die Welt,
wo ihr zu finden.

Es fällt kein Licht
In eure Tiefen ein.

Ich kenne Dichter, die den Moment beschrieben,
als sie in eure tellergroßen Augen sahen.

Man sagt, die Augen ließen tief in Seelen blicken.
Ich weiß nicht, will ich eure Seelen sehen?

Man sagt, ihr wärt wie Vögel unter Wasser,
jedoch verschwiegen und trotz der Schnäbel

nicht gefiederter, mehr umarmender Natur.
Und eure Liebe währte mindestens

Den einen Tauchgang lang, bis kleinste Bläschen
großen Walen dort entstiegen

wo eure Messer zwitscherten.

 

 

Vater: sagen die Kinder

Ohne William James
Wäre er nicht pragmatisch
Er stellt sich hin
Und trinkt ein Ei aus der Schale
Füchslein sagen die Kinder
Stielt ein Ei

 

 2001853-dbcf02db96c4a1b99280c43a6676b5fc.jpg
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook alle tags voor Achim von Arnim op dit blog.

Uit: Holländische Liebhabereien

„Mit Mühe hatte Hemkengriper dieses Wort abgewartet, jetzt strömte er aus in Vorwürfen, wie dieser Kölnische Ignorant und Anabaptist Vondel ein großer Dichter genannt werden könne, er habe nicht nur für Pflicht gehalten, den guten Geschmack aufrechtzuerhalten und seine Schüler auf die Fehler des Stücks aufmerksam gemacht, sondern er habe sie aufgemuntert, diese ihre Einsichten geltend zu machen. Wären sie diesmal auch die geringere Zahl gewesen und hätten unterlegen und wären zur Dule hinausgeworfen worden, so hoffe er doch, daß sie sich verstärken und in den nächsten Abenden glücklicher sein würden. Verlegen schwieg hier der Bürgermeister, stammelte in einzelnen Worten, daß er ihm bei diesem Bekenntnis für die zerschlagenen Fenster keinen Ersatz, sondern nur durch Bannung der fremden Studenten ihm eine öffentliche Genugtuung schaffen könne. Hemkengriper entgegnete einige scharfe Worte über den Schutz, welchen er dem ignoranten Vondel angedeihen lasse, bloß weil er ihm zu schmeicheln wisse. Der Bürgermeister erschrak und schwieg. Endlich erholte er sich und suchte Vondel damit zu verteidigen, daß doch kein besserer dramatischer Dichter in Holland zu finden sei. «Hier sitzt einer», rief Hemkengriper stolz und wies auf Jan, «wenn ich den ein halbes Jahr abrichte, macht er bessere Tragödien als Euer miserabler Anabaptist.» Jan war äußerst verwundert, aber nicht wenig geschmeichelt von diesem Ausrufe, und als sich der Bürgermeister beurlaubt hatte, bat er Hemkengriper, ihm ja die versprochene Abrichtung zum Schauspieldichter zu geben. Hemkengriper warf ihm einen Band des Euripides hin und ging zurück in sein Bibliothekzimmer, weil er schon allzuviel Zeit verloren zu haben meinte.
Die alte Frau Bathseba leistete unterdessen dem Glaser Gesellschaft, versicherte ihm mit gerührter Stimme, daß er Gott für die gefundene Aufnahme nicht genug danken könne, da der Herr, sonst gar mißtrauisch gegen Fremde, selbst seinen Famulus nicht ins Haus genommen habe. Sie gab ihm dann Regeln wie eine gute Mutter, und Jan äußerte, es sei ihm so zumute, als ob er sie schon in früheren Jahren bei seinen Pflegeeltern gesehen.“

 

 2001853-e1ef792af4ad428e25838e57041e1774.jpg
Achim von Arnim (26 januari 1781 - 21 januari 1831)
Borstbeeld in het Bettina und Achim von Arnim-Museum, Künstlerhaus Schloss Wiepersdorf

 

 

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook alle tags voor Menno ter Braak op dit blog.

Uit: Afscheid van Domineesland 

“Het domineeschap was sinds die tijd niet van de lucht. Onder mijn verwanten van vaders- en moederszijde zijn de predikanten talrijk; er zijn er in bloei en opkomst, in verschillende nuanceringen, in alle delen des lands. Voor mijn prille jeugd was de dominee het symbool van het hogere leven, waarover met eerbied gesproken diende te worden. Ik had reeds vroeg daartegen zekere bezwaren, maar ik wist natuurlijk allerminst welke. Heimelijke eerbied en angst vermengden zich daarom met neiging tot onhebbelijke opmerkingen. Soms werd de dominee, die ten onzent in de Protestantenbond kwam preken, bij ons aan huis ontvangen; hij zonderde zich dan vaak een half uur af, om zijn preek te overdenken, en wij kregen consigne, onze havermout in het naaste vertrek muisstil op te eten. Altijd heb ik mij afgevraagd, wat er in dat half uur toch wel zou gebeuren; ik vond de dominee in zijn afzondering belachelijk, maar evenzeer raadselachtig: hij wist dan toch maar dingen, waarvan ik voelde de allerkinderachtigste voorstellingen te hebben. Toen ik later de dominee, die pas nog aan onze tafel had gezeten als een gewoon mens, zelf zag preken, werd mijn onzekerheid nog groter. Ik ergerde mij over zijn uiterlijk, over de ridicule combinatie van half-deftige kledingstukken, die zijn uniform uitmaakten, maar ik zag veel volwassen mensen ernstig luisteren en begreep, dat het een hoogst ernstig geval was, dat het minderwaardig was, aan zulke kleine uiterlijkheden te hechten. Eens zag ik een dominee over de terugkerende lente en de Paasgedachte preken, waarbij een wasbare gummimanchet telkens uit zijn mouw dreigde te schieten, zodat zijn jaegertje zichtbaar werd; en toch waagde ik het niet, mijn eerbied prijs te geven. De echte apostelen zouden er toch ook niet elegant hebben uitgezien! Neen, antwoord ik mijzelf nu; maar de apostelen zouden ook niet bij voorkeur valse witte dasjes gedragen hebben.
Reeds vroeg, na een inleiding door de Zondagsschool, brachten de dominees mij op het spoor van Jezus. Ik herinner mij toevallig, dat ik als klein kind in een liederenboekje de volgende regels las:

Van Jezus kun je leeren,
Wat edel is en goed. ...

Ik moet toen bij bewustheid nooit van Jezus gehoord hebben, want ik dacht, dat met deze vijf letters ‘je zus(ter)’ bedoeld werd; hoe ik de exegese toen verder heb voortgezet, is mij ontschoten.”


 2001853-86d83aac9baf6d8e28b6c4462f932d14.jpg
Menno ter Braak (26 januari 1902 - 14 mei 1940)

 

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook alle tags voor Bhai op dit blog.

 

Starende Ogen

Zij zat en staarde....
met ogen
Koud
als krakend ijs,
gebroken
als een stok
in 't water.
Ik zag
in die ogen:
Mijn leven!

 

 

Ach, De Dagen der Jeugd!

Heen zijn de jonge jaren,
de wintertijd breekt aan.
Een magere kromme grijsaard
kijkt om,
ziet niets,
maar weet:
ze komen nimmer weer
de dagen mijner jeugd....
de ogen lopen vol.

 

 2001853-2ad945e5c0ab8d5d2237825cd46c4b90.jpg
Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jos van Daanen werd geboren op 26 januari 1959 in Kerkrade. Zie ook alle tags voor Jos van Daanen op dit blog.

 

De troost in de schoot van een mottenkast

Vaders vertrekken vroeg of laat,
ze gooien hun leren koffers
in een blauwe Daf en lopen alleen
nog maar het tuinpad
af.

Moeders blijven, smeren je brood
met zuchten en vullen je beker
terwijl je kijkt en vraagt. Thuis
betekent iets anders dan je dacht.

Ten slotte zeg je dag
en neem je een plaatsje in op zolder.
Geborgenheid is zelden groter
dan de hardboard schoot
van een vierkante meter mottenkast.

 

 2001853-fa0001c4bc2dfacef41b909c1b1c6be0.jpg
Jos van Daanen (Kerkrade, 26 januari 1959)

 

 

De Vlaamse schrijver Lode Baekelmans werd geboren in Antwerpen op 26 januari 1879. Zie ook alle tags voor Lode Baekelmans op dit blog.

Uit: Herinneringen

“Mijn eerste school lag naast het Almaras godshuis op de Paardenmarkt, waar nu een meubelmagazijn gevestigd is. Op de speelplaats stond een oude wilde kastanjeboom, die in het voorjaar zijn roze kandelaars opstak.
De Paardenmarkt bood in die tijd een heel ander uitzicht. Voor ‘De Eenhoorn’ en ‘De Paardenwei’ kwamen de bodewagens lossen en laden. Druk was het vooral wanneer het paardenmarkt was. Dan werden daags te voren palen in de grond geslagen, waaraan het touw bevestigd werd voor het vastmaken van hengsten, merries, ruinen, veulens. 't Was een bont uitzicht van vossen, schimmels en moren, er waren pony's, er waren natiepaarden, ook koetspaarden, oude knollen en een enkel schamel ezeltje. En wat vreemd volkje liep er rond: paardenboeren, stalknechten en voerlieden, kopers en kijkers, agenten die paardendieven zochten. 't Was de plaats waar geen paarden gegeven werden en men kon er dus gerust in de bek zien. Er werd gemarchandeerd, afgedongen en getalmd. Men liet de dieren draven op de leien, onderzocht de poten, zag gebreken die de verkoper probeerde te verbergen. Sommigen schenen enkel op te gaan in het borstelen van het paard, in het oppoetsen van halster en getuig, voederden hompen paardenbrood of bonden de haverzak aan. Over de markt dreven horzels en paardenvliegen en in het geroezemoes van stemmen klonk het gestamp van hoefijzers op de keien. De estaminets floreerden.
Wanneer we 's namiddags naar school kwamen, waren de paarden en de mensen weg. Ook de vliegen waren de wijde wereld in en alleen lagen er nog hopen paardenvijgen in de zon te stoven, van de Varkensmarkt tot aan de Kauwenberg.”

 

 2001853-89d3905ec86aac7ec8a5614d13cfb11f.gif
Lode Baekelmans (26 januari 1879 - 11 mei 1965)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en schrijver Michiel van Rooij werd geboren in Eindhoven in 1982. Hij studeerde in Tilburg aan de lerarenopleiding geschiedenis en journalistiek. Tegenwoordig woont hij in Amsterdam, waar hij geschiedenis studeert aan de Vrije Universiteit. Van Rooij schrijft proza en gedichten en treedt regelmatig op tijdens festivals. Hij publiceerde o.a. in ‘Meander’ en ‘Op Ruwe Planken’. Hij debuteerde in 2009 in de Sandwich-reeks van Gerrit Komrij met de bundel “Hoe hoog de maan”. In 2011 volgde “Afslag liefde”.

 

Vandaag

Vandaag heb ik anderhalf gedicht geschreven,
Aan een baanbrekend filosofisch essay gewerkt,
Ik heb me geërgerd – tot waanzin toe – aan een
Onwillige balpen, ik trek het bijzonder slecht als
Voorwerpen opeens een eigen wil gaan vertonen.

Derhalve was ik – ondanks mijn ondraaglijke ergernis –
Toch te lui een nieuwe pen te pakken, die mij beter
Zou doen dichten, verloor de zin daartoe terstond,
Vervloekte die pen en mezelf, maar vooral die pen,
Dat ik zo’n luie dichter was.

Ik verloor er drie potentieel goede – maar nog in de
Lucht of in mijn brein zwevende – dichtregels door,
Pakte uiteindelijk toch een andere pen, door wanhoop
Gedreven, in mezelf grinnikend om mijn pathetiek
Zag ik mijn handschrift op een holletje,

Achter mijn gedachten aanrennen.

 

 2001853-4d3a514df468a575b1c166241395b161.jpg
Michiel van Rooij (Eindhoven, 1982)

 

 

De Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar Martijn den Ouden werd geboren in Nieuw-Lekkerland in 1983. In 2009 studeerde Den Ouden af aan de Gerrit Rietveld Academie, waar hij de studierichting Beeld en Taal volgde. In 2010 verscheen zijn debuut `Melktanden` bij uitgeverij Em. Querido. In 2013 volgde zijn tweede bundel `De beloofde dinsdag`. In hetzelfde jaar verscheen ook beeldend werk van Den Ouden in HP//de Tijd.

 

´rond dit bed´

rond dit bed
ruist een zee van honing
van bloed en wijn

ik was mijn handen in bloed
in bloed melk en honing
ik was mijn handen in heilig water
in rivieren in zeeën
ik was mijn handen in olie en zand
ik was mijn handen in de vrouw en de dieren die over het land kruipen
ik was mijn handen in de slang
ik was mijn handen in de longen van mijn grootvader
ik was mijn handen in het luipaardjong

heilig is het luipaardjong
heilig is het veulen

in de adem van het veulen was ik mijn handen
en ik ben rein

 

 2001853-bfc8a3ec5cfdf8e620e7572fb4bc5d19.jpg
Martijn den Ouden (Nieuw-Lekkerland, 1983)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 jauari 2016 en ook mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco, Robert Burns, Paavo Haavikko

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954.Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit:Weerwater

“Het rode lampje van de reservetank lichtte op toen ik mijn auto startte. Op goed geluk reed ik de wijk uit terwijl het zweet in mijn ogen droop. Ik had op de kaart moeten kijken, ik had geen idee hoe ik zonder navigatie op een van de stadsdreven kwam die naar de snelweg leidden. Knarsetandend van de spanning sloeg ik willekeurig linksaf, rechtsaf.
Doordat ik niets snapte van Almeres gescheiden verkeersstromen belandde ik plotseling op een vrije busbaan. Ik kon er niet meer af, het leek alsof ik kilometerslang over ­ y-overs en viaducten reed. Paniek sneed me de adem af totdat ik bij een overgang mijn kans schoonzag en ik mijn auto met een onmogelijk krappe draai weer op een gewone weg wist te krijgen. Ik zeilde over een rotonde en kon mijn geluk niet geloven: ik kwam uit op de Hogering, een van de grote doorgaanswegen. Maar daar sloeg de motor af. Vloekend, biddend en machteloos op mijn stuur slaand kon ik nog net de vluchtstrook bereiken. Ik greep mijn handtas en mijn laptop en sloeg het portier achter me dicht.
Hete lucht verplaatsend raasden volgepakte auto’s aan me voorbij. Niemand leek me te zien staan. Of niemand wilde tijd verspillen door te stoppen. Weg, weg, weg van hier!
De middagzon brandde op mijn blote armen. Ik werd dizzy van de warmte. Ik had iets moeten eten.
Net toen ik dacht dat ik in tranen zou uitbarsten, reed er een grote truck met een Belgisch nummerbord de vluchtstrook op. Ik was nog nooit in zo’n gevaarte geklauterd, ik kwam de treeplank amper op. Ik voelde ineens dat ik een vrouw van boven de zestig was, strammer en brozer dan onder deze omstandigheden wenselijk was.
De vrachtwagenchau‑ eur, een man met een goedig gezicht, begon meteen tegen me te kletsen. Hij zei dat hij Lammert heette, Lammert Verweghe, en dat hij zich niet liet gekmaken door die verhalen over een mistbank. ‘Mijn camion geraakt er wel doorheen. Ik ga niet nog een dag vermorsen.’
Ik herademde. Nog even en deze nachtmerrie zou voorbij zijn. In mijn tas vond ik Maartens zakdoek. Ik snoot mijn neus. Nooit van mijn levensdagen zette ik meer een stap in Almere.”

 

 2001529-d390c75c8667d8204eee5567f4de5189.jpg
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

 

 

De Amerikaanse schrijver en regisseur Stephen Chbosky werd geboren op 25 januari 1970 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Stephen Chbosky op dit blog.

Uit: The Perks of Being a Wallflower

“She took me to her room and stood me in front of her dresser, which was covered in a pillowcase with pretty colors. She lifted off the pillowcase, and there I was, standing in my old suit, looking at an old typewriter with a fresh ribbon. Inside the typewriter was a piece of white paper.
On that piece of white paper, Sam wrote, "Write about me sometime." And I typed something back to her, standing right there in her bedroom. I just typed.
"I will."
And I felt good that those were the first two words that I ever typed on my new old typewriter that Sam gave me. We just sat there quiet for a moment, and she smiled. And I moved to the typewriter again, and I wrote something.
"I love you, too."
And Sam looked at the paper, and she looked at me.
"Charlie . . . have you ever kissed a girl?"
I shook my head no.
It was so quiet.
"Not even when you were little?"
I shook my head no again. And she looked very sad.
She told me about the first time she was kissed. She told me that it was with one of her dad's friends. She was seven. And she told nobody about it except for Mary Elizabeth and then Patrick a year ago. And she started to cry. And she said something that I won't forget. Ever.
"I know that you know that I like Craig. And I know that I told you not to think of me that way. And I know that we can't be together like that. But I want to forget all those things for a minute. Okay?"
"Okay."

 2001529-7fe360bf3b9948655e3c955d32316ba8.jpg
Stephen Chbosky (Pittsburgh, 25 januari 1970)
Scene uit de film uit 2012 met Emma Watson en Logan Lerman

 

 

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook alle tags voorWilliam Somerset Maugham op dit blog.

Uit: The Making of a Saint

'Allow me to present to you my friend Filippo Brandolini, a gentleman of Città di Castello.'
Then, turning to me, Matteo added, 'This is my cousin, Checco d'Orsi.'
Checco d'Orsi smiled and bowed.
'Messer Brandolini,' he said, 'I am most pleased to make your acquaintance; you are more than welcome to my house.'
'You are very kind,' I replied; 'Matteo has told me much of your hospitality.'
Checco bowed courteously, and asked his cousin, 'You have just arrived, Matteo?'
'We arrived early this morning. I wished to come here directly, but Filippo, who suffers from a very insufferable vanity, insisted on going to an inn and spending a couple of hours in the adornment of his person.'
'How did you employ those hours, Matteo?' asked Checco, looking rather questioningly at his cousin's dress and smiling.
Matteo looked at his boots and his coat.
'I am not elegant! But I felt too sentimental to attend to my personal appearance, and I had to restore myself with wine. You know, we are very proud of our native Forli wine, Filippo.'
'I did not think you were in the habit of being sentimental, Matteo,' remarked Checco.
'It was quite terrifying this morning, when we arrived,' said I; 'he struck attitudes and called it his beloved country, and wanted to linger in the cold morning and tell me anecdotes about his childhood.'
'You professional sentimentalists will never let anyone sentimentalise but yourselves.'
'I was hungry,' said I, laughing, 'and it didn't become you. Even your horse had his doubts.'
'Brute!' said Matteo. 'Of course, I was too excited to attend to my horse, and he slipped over those confounded stones and nearly shot me off—and Filippo, instead of sympathising, burst out laughing.'
'Evidently you must abandon sentiment,' said Checco.
'I'm afraid you are right. Now, Filippo can be romantic for hours at a stretch, and, what is worse, he is—but nothing happens to him. But on coming back to my native town after four years, I think it was pardonable.'

 

 2001529-11a248127d024dbed6e9b9a7dd82db45.jpg
William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)
Cover 

 

 

De Engelse schrijfster Virginia Woolf werd geboren op 25 januari 1882 te Londen. Zie ook alle tags voor Virginia Woolf op dit blog.

Uit: A room of one's own

“That, more or less, is how the story would run, I think, if a woman in Shakespeare’s day had had Shakespeare’s genius. But for my part, I agree with the deceased bishop, if such he was—it is unthinkable that any woman in Shakespeare’s day should have had Shakespeare’s genius. For genius like Shakespeare’s is not born among labouring, uneducated, servile people. It was not born in England among the Saxons and the Britons. It is not born to–day among the working classes. How, then, could it have been born among women whose work began, according to Professor Trevelyan, almost before they were out of the nursery, who were forced to it by their parents and held to it by all the power of law and custom? Yet genius of a sort must have existed among women as it must have existed among the working classes. Now and again an Emily Brontë or a Robert Burns blazes out and proves its presence. But certainly it never got itself on to paper. When, however, one reads of a witch being ducked, of a woman possessed by devils, of a wise woman selling herbs, or even of a very remarkable man who had a mother, then I think we are on the track of a lost novelist, a suppressed poet, of some mute and inglorious Jane Austen, some Emily Brontë who dashed her brains out on the moor or mopped and mowed about the highways crazed with the torture that her gift had put her to. Indeed, I would venture to guess that Anon, who wrote so many poems without singing them, was often a woman. It was a woman Edward Fitzgerald, I think, suggested who made the ballads and the folk–songs, crooning them to her children, beguiling her spinning with them, or the length of the winter’s night.
This may be true or it may be false—who can say?—but what is true in it, so it seemed to me, reviewing the story of Shakespeare’s sister as I had made it, is that any woman born with a great gift in the sixteenth century would certainly have gone crazed, shot herself, or ended her days in some lonely cottage outside the village, half witch, half wizard, feared and mocked at. For it needs little skill in psychology to be sure that a highly gifted girl who had tried to use her gift for poetry would have been so thwarted and hindered by other people, so tortured and pulled asunder by her own contrary instincts, that she must have lost her health and sanity to a certainty. No girl could have walked to London and stood at a stage door and forced her way into the presence of actor–managers without doing herself a violence and suffering an anguish which may have been irrational—for chastity may be a fetish invented by certain societies for unknown reasons—but were none the less inevitable. Chastity had then, it has even now, a religious importance in a woman’s life, and has so wrapped itself round with nerves and instincts that to cut it free and bring it to the light of day demands courage of the rarest."

 

 2001529-1129b3780f08801a85f600af5af1b70c.jpg
Virginia Woolf (25 januari 1882 – 28 maart 1941) 
Cover

 

 

De Israëlische schrijver David Grossman werd geboren op 25 januari 1954 in Jeruzalem. Zie ook alle tags voor David Grossman op dit blog.

Uit: To the End of the Land (Vertaald door Jessica Cohen)

“Within the commotion Ora swiftly picks up the distant chatter of a baby somewhere in the large gathering ground, and the voice of his mother answers sweetly. She stands for a moment looking for them but cannot find them, and she imagines the mother changing the baby’s diaper, maybe on the hood of a car, bending over and tickling his tummy, and she stands slightly stooped, hugging her suede bag to her body, and laps up the soft double trickle of sounds until it vanishes.
It is all a huge, irredeemable mistake. It seems to her that as the moment of separation approaches, the families and the soldiers fill with arid merriment, as if they have all inhaled a drug meant to dull their comprehension. The air bustles with the hum of a school trip or a big family excursion. Men her age, exempt from reserve duty, meet their friends from the army, the fathers of the young soldiers, and exchange laughter and backslaps. “We’ve done our part,” two stout men tell each other, “now it’s their turn.” Television crews descend on families saying goodbye to their loved ones. Ora is thirsty, parched. Half running, she trails behind Ofer. Every time her gaze falls on the face of a soldier she unwittingly pulls back, afraid she will remember him: Ofer once told her that when they had their pictures taken sometimes, before they set off on a military campaign, the guys made sure to keep their heads a certain distance from each other, so there’d be room for the red circle that would mark them later, in the newspaper.
Screeching loudspeakers direct the soldiers to their battalions’ meeting points— a meetery, they call this, and she thinks in her mother’s voice: barbarians, language-rapists—and suddenly Ofer stops and she almost walks into him. He turns to her and she feels a deluge. “What’s the matter with you?” he whispers into her face. “What if they find an Arab here and think he’s come to commit suicide? And didn’t you think about how he feels having to drive me here? Do you even get what this means for him?”


2001529-08ebe5f7002fb6df04a3ed4bb1b951fe.jpg

David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)

 

 

De Iers-Britrse schrijver James Gordon Farrell werd geboren op 25 januari 1935 in Liverpool. Zie ook alle tags voor J. G. Farrell op dit blog.

Uit:The Singapore Grip

“The city of Singapore was not built up gradually, the way most cities are, by a natural deposit of commerce on the banks of some river or at a traditional confluence of trade routes. It was simply invented one morning early in the nineteenth century by a man looking at a map. ‘Here,’ he said to himself, ‘is where we must have a city, half-way between India and China. This will be the great halting-place on the trade route to the Far East. Mind you, the Dutch will dislike it and Penang won’t be pleased, not to mention Malacca.’ This man’s name was Sir Thomas Stamford Raffles: before the war his bronze statue used to stand in Empress Place in a stone alcove like a scallop shell (he has been moved along now and, turned to stone, occupies a shady spot by the river). He was by no means the lantern-jawed individual you might have expected: indeed, a rather vague-looking man in a frock coat.
Although people had once lived there, the island of Singapore, when he arrived, was largely deserted except for a prodigious quantity of rats and centipedes. Rather ominously, Raffles also noticed a great many human skulls and bones, the droppings of local pirates. He wasted no time, however, in negotiating for the island with an alarmed native and then proceeded, his biographer tells us, to set up a flag-pole thirty-six feet high. ‘Our object,’ he wrote in a letter to a friend, ‘is not territory but trade: a great commercial emporium, and a fulcrum, whence we may extend our influence politically as circumstances may hereafter require.’ As he stood there on that lonely beach and gazed up at the flag with rats and centipedes seething and tumbling over his shoes did Raffles foresee the prosperity which lay ahead for Singapore? Undoubtedly he did.
When you think ofthe city as it was forty years ago you should not imagine an uncivilised frontier-town of the jungle. You had only to stroll around the centre of the city with its wide avenues and lawns and look at the monolithic government buildings, at the luxurious department stores and at the marmoreal dignity of the banks, to realise that Singapore was the work of a great and civilised nation. True, there were other parts of the city, the various native quarters where Tamils, Malays, and above all the Chinese lived, which were rather less imposing."

 

 2001529-a7ba92fc47035837f1f4e1f146c9e702.jpg
J. G. Farrell (25 januari 1935 – 11 augustus 1979)

 

 

De Italiaanse schrijver Alessandro Baricco werd geboren op 25 januari 1958 in Turijn. Zie ook alle tags voor Alessandro Baricco op dit blog.

Uit: De barbaren (Vertaald door Manon Smits)

“De barbaren, daar heb je ze.
Welnu: in mijn wereld is intellectuele eerlijkheid schaars, maar intelligentie niet. Niet iedereen is gek geworden. Ze zien iets wat er is.
Alleen krijg ik het niet voor elkaar om datgene wat er is te bekijken met diezelfde blik. Er zit me iets niet lekker.
Ik realiseer me terdege dat het ook gewoon het normale conflict tussen de generaties zou kunnen zijn, de ouderen die zich verzetten tegen de invasie van de jongeren, de gevestigde macht die zijn posities verdedigt door de opkomende krachten te beschuldigen van barbaarsheid, en al die dingen die altijd al hebben plaatsgevonden en die we al duizenden keren hebben gezien. Maar deze keer lijkt het anders.
Het conflict zit zo diep dat het anders lijkt. Gewoonlijk wordt er gevochten om zeggenschap over strategische punten op de landkaart. In dit geval lijkt het echter veel radicaler, alsof de aanvallers veel verder gaan: ze zijn de landkaart aan het veranderen. Misschien hebben ze hem zelfs al veranderd. Zoiets moet er gebeurd zijn in de gezegende jaren waarin bijvoorbeeld de Verlichting opkwam, of in de dagen waarin de hele wereld ineens romantisch bleek te zijn geworden. Er waren geen troepenverplaatsingen, en ook geen zonen die hun vaders vermoordden. Ze waren mutanten, die het ene landschap vervingen voor een ander, en daar hun eigen habitat vestigden.
Misschien is dit ook zo’n moment. En zijn degenen die wij barbaren noemen een nieuwe soort, met kieuwen achter de oren, die heeft besloten om onder water te leven. Nogal Wiedes dat wij, van buitenaf, met onze longetjes, dat bekijken als een dreigende apocalyps. Waar zij ademhalen, gaan wij dood.”

 

 2001529-9ff71d394819e1008927cb32759b27ba.jpg
Alessandro Baricco (Turijn, 25 januari 1958)

 

 

De Schotse dichter Robert Burns werd geboren op 25 januari 1759 in Alloway, Ayrshire. Zie ook alle tags voor Robert Burns op dit blog.

 

A Winter Night

When biting Boreas, fell and doure,
Sharp shivers thro' the leafless bow'r;
When Phoebus gies a short-liv'd glow'r,
Far south the lift,
Dim-dark'ning thro' the flaky show'r,
Or whirling drift:

Ae night the storm the steeples rocked,
Poor Labour sweet in sleep was locked,
While burns, wi' snawy wreeths upchoked,
Wild-eddying swirl,
Or thro' the mining outlet bocked,
Down headlong hurl.

List'ning, the doors an' winnocks rattle,
I thought me on the ourie cattle,
Or silly sheep, wha bide this brattle
O' winter war,
And thro' the drift, deep-lairing, sprattle,
Beneath a scar.

Ilk happing bird, wee, helpless thing!
That, in the merry months o' spring,
Delighted me to hear thee sing,
What comes o' thee?
Whare wilt thou cow'r thy chittering wing
An' close thy e'e?

Ev'n you on murd'ring errands toil'd,
Lone from your savage homes exil'd,
The blood-stain'd roost, and sheep-cote spoil'd
My heart forgets,
While pityless the tempest wild
Sore on you beats.

 

 

Epitaph On A Noted Coxcomb

LIGHT lay the earth on Billy's breast,
His chicken heart so tender;
But build a castle on his head,
His scull will prop it under.

 

 2001529-7656f8076badb973445b494b971c9a05.jpg
Robert Burns (25 januari 1759 – 21 juli 1796)
Portret door Alexander Nasmyth, 1828

 

 

De Finse dichter, toneelschrijver en uitgever Paavo Juhani Haavikko werd geboren in Helsinki op 25 januari 1931. Zie ook alle tags voor Paavo Haavikko op dit blog.

 

Uit: No. That’s to say, yes

 

Anyone can be trained to become a president or a used car salesman.
But the sale of a used car requires a worldview and an understanding of the
client. Propaganda, on the other hand, requires dullness and repetition
when everything you are trying to say is used against you.
To listen to silence. It is the organ of propaganda, changing the mind
like a drop of water, as it keeps repeating over and over again.

 

When it is a question of Finland, the answer is Russia. There is no other
way to ask. You can answer whatever.
Only after the answer has been received, the question is clarified.
There is no question without an answer.
There is no answer without a question, and without knowing the
question you cannot understand the answer.
But it has always been our habit to ask the question ourselves,
then answer it ourselves.
That is the only way to gain scientifically valid answers.
Therefore, questions must be constructed with exactitude, to prevent
their turning into answers.


Vertaald door Anselm Hollo

 2001529-52a099e2ba49edbd5bbbdf31f823b642.jpg
Paavo Haavikko (25 januari 1931 – 6 oktober 2008)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 19:00 Reageer op dit bericht

Robert Margerit

De Franse schrijver en journalist Robert Margerit werd geboren op 25 januari 1910 in Brive-la-Gaillarde. Nadat hij zijn middelbare schoolopleiding in Limoges had afgerond hield hij zich bezig met een opleiding tot notaris, maar ook met geschiedenis, literatuur, zwemmen, paardrijden en schilderen, om zich uiteindelijk te ontwikkelen tot een productief schrijver (romans, toneelstukken, kunst- en theaterkritiek, radio-uitzendingen), Vanaf 1931 werkte Margerit als journalist in Limoges en schreef hij vooral voor “La Vie limousine”. In 1937 trouwde hij met Suzanne Hugon, dochter van de historicus en dichter Henri Hugon Creuse en verliet hij Limoges voor Thias. Samen met Georges-Emmanuel Clancier en René Rougerie richtte hij in 1945 het literaire tijdschrift “Centres” op. Begin 1948 werd hij redacteur van “Centrum Populaire”, waarvoor hij na 1952 als columnist actief bleef. Georges-Emmanuel Clancier richtte in Brive in 1991 de vereniging Vrienden van Robert Margerit op.
De vereniging publiceert de “Cahiers Robert Margerit”. Voor zijn vierdelige roman “La Révolution”ontving hij de Grand Prix du roman de l'Académie française

Uit: La Révolution

« Ce mois de juin 93 était radieux. Fini, le printemps froid. Toutes les roses de Paris s'épanouissaient, tandis que, sur la place de la Révolution, tombaient à intervalles quelques têtes. Un soir — la lumière s'attardait aux clochers de Saint-Germain-des-Prés —, dans la rue des Anges, toute proche, étroite, déserte et déjà noyée de nuit, un homme en habit sang-de-boeuf vint frapper à la porte d'une maison. On ne répondit point. Il frappa plus fort. Enfin, il entendit un pas descendre avec prudence. L'huis s'entrebâilla, une figure de vieille femme apparut dans le halo d'une chandelle. « L'abbé est-il chez lui ? demanda l'homme en rouge. — Mais, citoyen, vous faites erreur ! Il n'y a pas de prêtre ici. » Haussant ses larges épaules, le visiteur poussa la porte, entra. « Il m'attend, je vous prie de me conduire. — Ah ! Monsieur me pardonnera. On est tenu à tant de précautions, voyez-vous ! » dit la vieille servante en prenant les devants. À sa suite, il monta quatre étages, suivit un couloir étroit, plein de détours, puis il fut introduit dans une soupente. Il y faisait très chaud, la tabatière levée ne laissait guère entrer de fraîcheur. Un prêtre ultramontain était là : l'abbé de Kéravenant, réfractaire rescapé du massacre de l'Abbaye. Posant son bréviaire, il s'avança vers le visiteur. À sa puissante carrure, à son négligé — la cravate relâchée, le jabot froissé —, à sa grosse tête rougeaude, pleine de grêlures, à sa chevelure blonde en crinière, la bouche sensuelle et bonne, l'oeil bleu éclatant, le prêtre reconnut Danton. Il l'attendait, en effet. Cette présence ne l'impressionnait pas moins. « Monsieur l'abbé, lui dit l'effrayant personnage, vous savez pourquoi je suis ici. Serez-vous assez bon pour m'entendre, pour m'absoudre ? — Mettez-vous à genoux, mon fils. » Gauchement, Danton s'agenouilla sur un mauvais prie-Dieu, devant un crucifix pendu au mur, et joignit les mains. Autour du confesseur et de son extraordinaire pénitent, l'ombre, le silence. Le fond de la pièce reculait dans la nuit. La grande voix de bronze se faisait murmure. « Mon père, je m'accuse... » En vérité, il n'était venu que pour pouvoir épouser une enfant de seize ans. Moins de quatre mois après avoir, dans la violence de sa douleur, passionnément étreint le cadavre de sa femme exhumée, il en voulait une autre, une que Gabrielle-Antoinette connaissait et aimait bien : la fille du citoyen Gély, commis aux bureaux de la Marine. Danton lui-même lui avait procuré cet emploi, l'année précédente. Les Gély étaient fort amis des Charpentier. Ils estimaient Danton et lui devaient de la gratitude, mais ils s'effrayaient de donner leur fille à un tel personnage. »

 

 2068244-4a1e555f6c4bbc728f2f6a3fa279842c.jpg
Robert Margerit (25 januari 1910 - 27 juni 1988)
Portret door Edmond Jacquement, 1931

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten