Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 31 januari 2017 tot 1 februari 2017

Hugo von Hofmannsthal, Stijn Vranken, José Luis Sampredo, F. B. Hotz, Toine Heijmans, Dieter Kühn, Günter Eich, Muriel Spark, Georg Rendl

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

Verse, auf eine Banknote geschrieben

Was ihr so Stimmung nennt, das kenn ich nicht
Und schweige still, wenn einer davon spricht.
Kann sein, daß es ein Frühlingswogen gibt,
Wo Vers an Vers und Bild an Bild sich flicht,
Wenns tief im Herzen glüht und schäumt und liebt ...
Mir ward es nie so gut. Wie Schaum zerstiebt

Im Sonnenlicht mir jede Traumgestalt,
Ein dumpfes Beben bleibt von der Gewalt
Der Melodie, die ich im Traum gehört;
Sie selber ist verloren und verhallt,
Der Duft verweht, der Farbenschmelz zerstört,
Und ich vom Suchen matt, enttäuscht, verstört.

Doch manchmal, ohne Wunsch, Gedanke, Ziel,
Im Alltagstreiben, mitten im Gewühl
Der Großstadt, aus dem tausendstimmgen Chor,
Dem wirren Chaos, schlägt es an mein Ohr
Wie Märchenklang, waldduftig, nächtigkühl,
Und Bilder seh ich, nie geahnt zuvor.

Das Nichts, der Klang, der Duft, er wird zum Keim,
Zum Lied, geziert mit flimmernd buntem Reim,
Das ein paar Tage im Gedächtnis glüht ...
Mit einem Strauß am Fenstersims verblüht
In meines Mädchens duftig engem Heim ...
Beim Wein in einem Trinkspruch flüchtig sprüht ...

So faß ich der Begeistrung scheues Pfand
Und halt es fest, zuweilen bunten Tand,
Ein wertlos Spielzeug, manchmal – selten – mehr,
Und schreibs, wo immer, an der Zeitung Rand,
Auf eine leere Seite im Homer,
In einen Brief – (es wiegt ja selten schwer) ...

Ich schrieb auch schon auf eine Gartenbank,
Auf einen Stein am Quell, daraus sie trank,
Auf bunte Schleifen buntre Verse schier,
Auf einer Birke Stamm, weißschimmernd, blank,
Und jüngst auf ein zerknittert Stück Papier
Mit trockner Inschrift, krauser Schnörkelzier:

Ein Fetzen Schuld, vom Staate aufgehäuft,
Wie's tausendfach durch aller Hände läuft,
Dem einen Brot, dem andern Lust verschafft,
Und jenem Wein, drin er den Gram ersäuft;
Gesucht mit jedes erster, letzter Kraft,
Mit List, in Arbeit, Qualen, Leidenschaft.

Und wie von einem Geisterblitz erhellt,
Sah ich ein reich Gedränge, eine Welt.
Kristallklar lag der Menschen Sein vor mir,
Ich sah das Zauberreich, des Pforte fällt
Vor der verfluchten Formel hier,
Des Reichtums grenzlos, üppig Jagdrevier.

Der Bücher dacht ich, tiefer Weisheit schwer,
Entrungen aus des Lebens Qualenmeer,
Der Töne, aus der Sphären Tanz erlauscht,
Der Bilder Farbenglut, Gestaltenheer,
Der Becher Weins, daraus Begeistrung rauscht,
All' für das Zauberblättchen eingetauscht.

Der harten Arbeit untertän'ge Kraft,
Erlogner Liebe Kuß und Leidenschaft,
Die Jubelhymne und des Witzes Pfeil,
Was Kunst und was Natur im Wettkampf schafft,
Feil! alles feil! die Ehre selber feil!
Um einen Schein, geträumter Rechte Teil!

Und meiner Verse Schar, so tändelnd schal,
Auf diesem Freibrief grenzenloser Qual,
Sie schienen mir wie Bildwerk und Gezweig
Auf einer Klinge tödlich blankem Stahl ...

 

 2003881-48e71595d96830ec6cf9aee0e075d019.jpg
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) 
Lithografie door Karl Bauer, 1900

 

 

De Vlaamse dichter en performer Stijn Vranken werd geboren in Leuven op 1 februari 1974. Zie ook alle tags voor Stijn Vranken op dit blog.

 

In dit bed

in dit bed
ligt geen wachten
wanneer wij het betreden
met onze rubberen troepen

doch in dit bed
waagt zich ook geen haast
- hier woelen wij winnaars
voorzichtig vergroeiend
ons verlies tegemoet

want in dit bed
wacht geen licht
wanneer de ochtend ons
als een worm weer
uiteensnijdt

 

 

Ik droom je maar

Ik ken je niet, ik droom je maar
als ooit de nacht over deze stad zwijgt
zal je horen hoe ik me
voor jou verlaat.

Hoe ik uit mijn twijfels glijd,
mijn handen rood tot ridders sla
twee onbevlekte paarden vouw
en je zo, dwars door alle straten heen
naar m’n bed toe streel.

Mijn droom is een hoop
stil jij - de ochtend vrees ik
als een speld in de lucht.

 

 2003881-5edc74a0cb36ea9cdf6f524ff88ff733.jpeg
Stijn Vranken (Leuven, 1 februari 1974)

 

 

De Spaanse schrijver, humanist en econoom Jose Luis Sampedro Sáez werd geboren op 1 februari 1917 in Barcelona. Zie ook alle tags voor José Luis Sampredo op dit blog.

Uit: Das etruskische Lächeln (Vertaald door Roberto de Hollanda)

"Hat man sie tatsächlich zusammen beerdigt?«
»Wen, Vater?«
»Dieses Paar. Die Etrusker.«
»Keine Ahnung. Kann sein.«
»Wie denn? Sie sind doch nicht gleichzeitig gestorben, oder?«
»Nein, das wohl nicht. Ich weiß es nicht. Wenn Sie auf den Knopf da drücken, springt der Anzünder raus.«
»Ach, hör mir auf mit deinem Anzünder! Wo bleibt denn da der Reiz?«
In der hohlen Hand zündet er fachmännisch ein Streichholz an, wirft es aus dem Fenster und nimmt langsam den ersten Zug.
Die Stille wird nur vom Geräusch des Motors, dem Summen der Reifen und hin und wieder einem aufdringlichen Hupen unterbrochen. Der Geruch nach schwarzem Tabak, der sich im Wagen ausbreitet, weckt in seinem Sohn Erinnerungen an die Kindheit. Unauffällig lässt er das Fenster ein wenig herunter.
Der Alte sieht ihn an. Er hat sich nie an die feinen Gesichtszüge seines Sohnes gewöhnt, ein mütterliches Erbe, das mit den Jahren immer deutlicher hervortritt. Er ist ein verantwortungsvoller Fahrer, ganz auf die Straße konzentriert. O ja, verantwortungsvoll war er schon immer.
»Warum haben sie nur so... na ja, so komisch gekichert?
Noch dazu auf ihrem eigenen Grab?«
»Wer?«
»Na, wer schon! Die Etrusker, Junge, die aus der Grabkammer! Was hast du denn gedacht?«
»Mein Gott, die Etrusker! ... Woher soll ich das wissen! Außerdem haben sie nicht gekichert.«
»Und ob! Als wollten sie sich über etwas lustig machen. Hast du es nicht gesehen? Auf eine ganz seltsame Art ... mit geschlossenen Lippen, aber gekichert haben sie. Und was für Münder! Vor allem sie, wie ...« Er hält inne, um nicht den Namen zu nennen, der sich plötzlich mit Macht in sein Bewusstsein drängt, Salvinia.“

 

 2003881-39b70da26ecf630cddfa58ca81b2b047.jpg
José Luis Sampredo (1 februari 1917 – 8 april 2013)

 

 

De Nederlandse schrijver Frits Bernard Hotz werd geboren op 1 februari 1922 in Leiden. Zie ook alle tags voor F. B. Hotz op dit blog.

Uit: Proefspel

‘De nieuwe dingen die nu z'n huis sierden - meubels en gebruiksvoorwerpen - waren misschien wat uitbundig, maar op dat elan was hij trots. Sinds de vrede van Versailles kregen ongeziene vormen en expressieve kleuren hun kans. lndividuele voorkeur en goede moderne smaak kon blijken, er was ruim keus. Thomas had voor z'n herinrichting de beste zaken bezocht voor werk van gerenommeerde ontwerpende kunstenaars. Bij Metz kocht hij een palissander bureau en bij Pander wat lichte stukken voor z'n eetvertrek. Maar de hoofdschotel van z'n inrichting bestond uit eiken en coromandelhouten fauteuils, stoelen en tafel, voor hem ontworpen door architect J. Crouwel. Het waren zware handwerkmeubels, het hout deels zwart geïmpregneerd en met scharlakenrood leder bekleed. Er waren bijpassende houtsneden en wandbespanningen.’
(…)

“Verandering en beweging: eeuwig gebeuren, dat waren zinnen die Thomas met grinnikend ja geknik uit z'n geblader in L'Evolution Créatrice onthield. Als Duur was: ondeelbare Wording, kwalitatief nog wel, dan voelde hij er vandaag, alleen thuis, veel voor z'n Maxwell Roadster '22 te vervangen door een wagen waarover hij een drukwerk had meegenomen uit het Paviljoen de Touriste van de Exposition: de Renault 45 cv Sport. Liefst een witte, zoals hij in Parijs had zien rijden, in harmonie met het marmer van de grote tentoonstelling. Z'n vriend De Bree zei wel dat die wagen benzine zoop en dat het áchter de motor geplaatste koelsysteem de bestuurdersplaats onaangenaam warm aan de voeten maakte, maar Thomas was nu eenmaal een estheet geworden en prefe-reerde een automobiel met een voorname en persoonlijke lijn. De Franse wagen met z'n blind achteroverleunende motorkap trok hem mateloos, sinds Parijs. Misschien had dat front met de hoge lampen iets modern agressiefs of vond Thomas die neus niet onpassend bij eigen sterk geproportioneerd voorkomen. En warme voeten kreeg je tóch. Hij zag het wit van de wagen al schemeren door het rijke groen van z'n laan.”

 

 2003881-e340fc989271ae51a56e2980ee2e6554.jpg
F. B. Hotz (1 februari 1922 – 5 december 2000)
Cover 

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Toine Heijmans werd geboren in Nijmegen op 1 februari 1969. Zie ook alle tags voor Toine Heijmans op dit blog.

Uit:Pristina

“Je kon tegen die koffer trappen wat je wilde, je kon hem van een bagageband laten stuiteren in Paramaribo, hem laten schroeien in de Syrische zon, je kon hem invriezen in Wit-Rusland en dan nog gaf de kunststof mee. Het slot was gepatenteerd. Geen deuk of kras: zijn koffer was een betrouwbare reisgenoot gebleken.
De kleur had hem hoofdbrekens gekost; liever had hij een zwarte gekozen of een donkerblauwe, de dienstkleur, maar deze viel op en zou daarom minder snel gestolen worden als hij op een bagageband lag. Die keuze had hij moeten maken.
De stalen deur van de veerboot schoof open en het eerste dat de man zag van het eiland was dit: krijsende meeuwen in de mist. De passagiers die net nog bij elkaar hoorden, begonnen te bewegen. Tegelijk met die uiteenvallende colonne liep hij de gangway af, de wielen van zijn koffer hakend achter aluminium treden. Er stonden mensen te wachten die zagen dat de man onder zijn overjas een kostuum droeg, blauw en kreukvrij. Op de onderste na waren de knopen van zijn colbert gesloten.”

 2003881-fb88f49516046eef7885880da105654f.jpg
Toine Heijmans (Nijmegen, 1 februari 1969)

 

 

De Duitse schrijver Dieter Kühn werd geboren op 1 februari 1935 in Keulen. Zie ook alle tags voor Dieter Kühn op dit blog.

Uit: Familiengeschichte, gesprengt (Das Magische Auge)

“Eine braungetönte Fotografie hatte mir ersten Einblick vermittelt: Es war einmal ein riesiger, zum Teil holzgetäfelter Zentralraum gewesen, unten hatte auf einem orientteppich ein Tisch mit Gästebuch gestanden; im ersten Stock ein Glas­erker mit Gardinchen und Blumen – hatte von dieser Glas­kanzel die Großmutter heruntergeschaut, sobald jemand das Haus betrat?
Dieses Treppenhaus schien nun vollgesogen mit Schwarz – Assoziationen an eine riesige Räucherkammer, in der allerdings keine Schinken aufgehängt waren. Türen, Türrahmen, Geländer hatte man verheizt in offnen Feuern – so erfuhr ich im Haus nebenan, früher Residenz des Bürgermeisters, dann Verwaltungsstelle des Roten Kreuzes. in der Kühn’schen Villa waren zuletzt Penner untergeschlüpft, hatten leere Bierflaschen, Weinflaschen, Konservendosen aus den Fenstern geworfen. Schließlich wurde das Haus geräumt, wurden alle Öffnungen im Erdgeschoss mit Brettern verschlossen. Was mit dem Haus künftig geschehen würde, wusste man nicht in der auskunftsbereiten Dienststelle: Vielleicht würde es abge­rissen, vielleicht würde es ein Lager von Rote­Kreuz­Hilfs­gütern, vielleicht würde es verkauft. Das Haus als Ensemble von Höhlen, verrottend.
Das Wichtigste, ins Abstrakte gemildert, berichtete ich dem Vater, der im schmalen Areal des ehemaligen Gartens umherging. Dieser Garten war, im Verhältnis zur Größe des Hauses, recht klein gewesen, war aber optisch erweitert worden durch Blumenrabatten und eine künstliche Grotte. Durch ein Hin­tertürchen war Großvater zur Loge hinübergegangen: Frei­maurer oscar Kühn.
Verpflichtende Werte waren denn auch für den Logen­bruder: Toleranz, Würde des Menschen, Hilfsbereitschaft, Vertrauen, waren Brüderlichkeit und Menschenliebe. Mit schwarzem Schurz und weißen Handschuhen mauerte er ri­tuell mit am sinnbildlichen Bauwerk einer Welt, in der alles zum Wohle des Menschen geschieht.“

 

 2003881-a02554839b4f4c601f491bece5827515.jpg
Dieter Kühn (1 februari 1935 – 25 juli 2015)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Eich werd geboren op 1 februari 1907 in Lebus an der Oder. Zie ook alle tags voor Günter Eich op dit blog.

 

Botschaften des Regens

Nachrichten, die für mich bestimmt sind,
weitergetrommelt von Regen zu Regen,
von Schiefer- zu Ziegeldach,
eingeschleppt wie eine Krankheit,
Schmuggelgut, dem überbracht,
der es nicht haben will –

Jenseits der Wand schallt das Fensterblech,
rasselnde Buchstaben, die sich zusammenfügen,
und der Regen redet
in der Sprache, von welcher ich glaubte,
niemand kenne sie außer mir –

Bestürzt vernehme ich
die Botschaften der Verzweiflung,
die Botschaften der Armut
und die Botschaften des Vorwurfs.
Es kränkt mich, daß sie an mich gerichtet sind,
denn ich fühle mich ohne Schuld.

Ich spreche es laut aus,
daß ich den Regen nicht fürchte und seine Anklagen
und den nicht, der sie mir zuschickte,
daß ich zu guter Stunde
hinausgehen und ihm antworten will.

 

 2003881-8e2c5c8dc4df5b8c3aa6c1b257824811.jpg
Günter Eich (1 februari 1907 - 20 december 1972)
Lebus an der Oder 

 

 

De Schotse schrijfster Muriel Spark werd op 1 februari 1918 geboren als Muriel Sarah Camberg in Edinburgh. Zie ook alle tags voor Muriel Spark op dit blog.

Uit:The Black Madonna

“"I gather from Elizabeth*," said Raymond to Lou, "that there was some element of colour in your family. Of course, you couldn't be expected to know about it. I do think, though, that some kind of record should be kept."
"Oh, shut up," said Lou. "The baby's black and nothing can make it white."
Two days before Lou left the hospital she had a visitor, although she had given instructions that no one except Raymond should be let in to see her. This lapse* she attributed to* the nasty curiosity of the nurses, for it was Henry Pierce come to say goodbye before embarkation*. He stayed less than five minutes.
"Why, Mrs Parker, your visitor didn't stay long," said the nurse. "No, I soon got rid of him. I thought I made it clear to you that I didn't want to see anyone. You shouldn't have let him in."
"Oh, sorry, Mrs Parker, but the young gentleman looked so upset when we told him so. He said he was going abroad and it was his last chance, he might never see you again. He said, 'How's the baby?', and we said, 'Tip-top'.
"I know what's in your mind," said Lou. "But it isn't true. I've got the blood tests."
"Oh, Mrs Parker, I wouldn't suggest for a minute ..."
"She must have went with one of they niggers that used to come."
Lou could never be sure if that was what she heard from the doorways and landings* as she climbed the stairs of Cripps House, the neighbours hushing* their conversation as she approached.
"I can't take to* the child. Try as I do, I simply can't even like it."
"Nor me," said Raymond. "Mind you, if it was anyone else's child I would think it was all right. It's just the thought of it being mine, and people thinking it isn't." "That's just it," she said.
One of Raymond's colleagues had asked him that day how his friends Oxford and Henry were getting on. Raymond had to look twice before he decided that the question was innocent. But one never knew ... Already Lou and Raymond had approached the adoption society. It was now only a matter of waiting for word.”

 

 2003881-ade972a4377e09c0db9c9b7caed66acc.jpg
Muriel Spark (1 februari 1918 – 13 april 2006)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Georg Rendl werd geboren op 1 februari 1903 in Zell am See. Zie ook alle tags voor Georg Rendl op dit blog.

Uit: Haus in Gottes Hand

„Ich sah, daß seine Neugierde größer war als der Hunger der Kuh. Sie hatte die ganze Zeit über dagestanden, ohne einen einzigen Grashalm zu fressen.
Der Wirt trieb sie dann heim.
Wir lernten den Wirt bald inwendig und auswendig kennen. Wir sind gute Nachbarn geworden und geblieben. Nicht selten auch waren wir seine Gäste.
Er war ein verhinderter "Herr": er litt sein ganzes Leben lang darunter, daß er keinen größeren Besitz hatte und daß er trotz peinlicher Sparsamkeit seine kleine Sache nicht vergrößern konnte. Er war ein kluger Mann, schlau und phantasievoll. Er war ein Herr:
Wenn er einem ein Glas Bier hinstellte, hatte man das Gefühl, als erweise er einem eine große Gnade, und wenn man die Zeche bezahlte, so nahm er das Geld mit einer Miene, als wollte er am liebsten darauf verzichten. Man mußte ihn so nehmen, wie er war, und er war ein guter Mensch.
Nach einem Schlaganfall, den er an der Häckselmaschine erlitt, lebte er noch ein paar mühselige Jahre, gelähmt und der Sprache kaum noch fähig. Barbara und ich holten ihn zuweilen im Rollstuhl zu uns in den Garten, und wenn er dann die Blumenpracht sah, so versuchte er "Herbstblumen" zu sagen. Und da es ihm nicht gelang, begann er zu weinen.
Zu ihm kam der Tod als Erlöser.“

 

 2003881-7ae7d1dd1ad5e2c322a47a3e315ff33a.jpg
Georg Rendl (1 februari 1903 – 10 januari 1972) 
Portret door Albert Birkle, z.j.

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e februari ook mijn blog van 1 februari 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Henk van Straten, Jozef Eijckmans, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook alle tags voor Anton Korteweg op dit blog.

 

Zee

Ze is zo groot.

En, hoewel grijs in middels,
Zo mooi in haar groenblauwe jurk nog.

We mogen met z'n allen aan haar zitten,
nog steeds. Vindt ze niet erg.

We mogen er zelfs in, helemaal.
Merkt ze niet eens.

Ze is zo groot.

Haar kou gooit ons terug als een visje.

 

 

Bij het zien van een weegbree in een scheur van het asfalt

Een weegbree - drie ovale blaadjes -
gebroken uit een asfaltscheur

Nu je er toch bij stil moet staan,
wil je er niets van denken.

Of, moest het toch, iets als allicht,
de weegbree immers is heel algemeen
op asfalt, tussen puin en bij gebouwen.

Maar wat je ziet ben je natuurlijk zelf,
door je omgeving wreed gefnuikt maar niet
vergeefs naar volle wasdom strevend, toch,
de Zeeuwse wapenspreuk, zeg maar, maar anders,
zoiets, en anders is het die etterbak die steeds
waar je het niet verwacht z'n kop opsteekt
of, evenmin onaardig, 't onweerlegbaar teken
dat het het leven is dat altijd wint.

Enfin, het is je blijkbaar niet gegeven
een overblijvend, veel voorkomend plantje
in z'n natuurlijke omgeving waar te nemen
als wat het is: gewoon een weegbree. Jammer.

 

 2003435-14a72d6129a46b38f2459b269629aab7.jpg
Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)
Portret door Lia Laimbock, 1996

 

 

De Estse dichter Hasso Krull werd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Hasso Krull op dit blog.

 

De zee kabbelt zachtjes, als een deinende rivier

De zee kabbelt zachtjes, als een deinende rivier,
geen rivier, het is de zee, wolken deinen
boven een bos, een jeneverbesbosje, ze deinen als een rivier,
maar middenin zit een gat, in de wolken zit een gat
 
waar je witte hondsroosbloesems doorheen ziet,
nee, je ziet ze niet, nu lieg ik, maar
toch bloeit de hondsroos, de wolken deinen
en liegen zo met mij mee, dat de aarde zwart ziet,
 
het gras groen, de lelies geel,
de pioenrozen rood, dit liegen de wolken allemaal
en zodoende is de kunst van het liegen niet verlopen,
maar heeft, in tegendeel, een nog nimmer behaalde hoogte bereikt,
 
ze doet de zee kabbelen, de vogels zingen,
rode pioenrozen bloeien, de zee kabbelt zachtjes
en het is geen rivier, de rivier is hoog boven in de wolken,
die wolken liegen dat ze barsten, maar er zit een gat in.

 

 

In de bron drijven stuifmeel en graszaadjes

In de bron drijven stuifmeel en graszaadjes.
Een heldere bron. Als ik mijn arm met de kan uitsteek,
merk ik dat op het water ook een slak meedeint
en op een steen wacht een rode kikker, klaar om te vluchten.
 
Een heldere bron. Ik zie hoe dicht de bodem met algen is bedekt,
ze wervelen om de stenen als een zacht tapijt
met prachtige strepen. Ondertussen besluit de kikker
midden in het water te springen, hij doet een paar flinke slagen
 
en klautert er aan de overkant uit. Nu ben ik ontdekt
door de muggen, haastig schep ik met de kan ook de slak mee,
vlug maak ik de emmers vol, een paar groene
luizen en een spin badderen in het heldere water.
 
Het bronwater is schoon, het is als water uit een droom.
De droom van de aarde, helder en heel oud. Als een balans
met twee schalen haast ik me de heuvel op, dan drink ik,
met in mijn mond graszaadjes, het water uit een glas.

 

Vertaald door Iris Réthy en Jan Sleumer

 

2003435-ff6119f8e73ee4b13a2a1648ae341523.JPG
Hasso Krull (Tallinn, 31 januari 1964)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Alfred Kossmann werd geboren op 31 januari 1922 in Leiden. Zie ook alle tags voor Alfred Kossmann op dit blog.

Uit: Aschenbach's onrechtvaardigheid

“Gustav von Aschenbach, de schrijver die volgens Thomas Mann's verhaal in Venetië eerloos en op middelbare leeftijd stierf, had een belangwekkende maatstaf voor het achtenswaardige van kunstenaarslevens. Hij meende dat ‘wahrhaft gross, umfassend, ja wahrhaft ehrenwert nur das Künstlertum zu nennen sei, dem es beschieden war, auf allen Stufen des Menschlichen charakteristisch fruchtbar zu sein’.
Het is subtiel en voorzichtig uitgedrukt. De jonggestorven genieën, de vroege zwijgers en de artiesten van één werk hoeven zich er niet door beledigd te voelen, want op hun persoon wordt geen smet geworpen. Niet zijzelf, maar hun ‘Künstlertum’ wordt uit de elite van het ‘ehrenwerte’, het achtbare gestoten. Zijzelf kunnen heel achtenswaardig zijn geweest. Hun werk kan het nog altijd zijn. Hun kunstenaarschap, hun artistieke produktiviteit is het echter niet.
Er is voor Aschenbach's stelling veel te zeggen. Al was het uitsluitend omdat de oud-wordende volhouders die er door worden geëerd toch al moeite hebben om zich in de publieke opinie tegen de vroege stervers te verweren. Voor hen zweet, inspanning, zorg een heel leven lang. Voor de anderen de pijnlijke zaligheid van één geweldig orgasme. Voor hen de ervaring dat hun volhouden verkeerd wordt uitgelegd, door jongere generaties enigszins betreurd, op zijn minst ietwat belachelijk gevonden. Voor de anderen roem zonder naijver bij vele generaties, de zekerheid van eeuwig jonge lokken, een lauwerkrans en een onoplosbaar geheim.
Het samenbrengen van de woorden ‘gross’, ‘umfassend’ en ‘ehrenwert’ geeft aan deze een sympathieke betekenis. Aschenbach is zonder twijfel een moralist, die met vooronderstellingen van esthetische en artistieke verdiensten een ‘Künstlertum’ in laatste instantie op buiten-artistieke gronden beoordeelt. Het zou dan ook flauw zijn om de drie woorden van elkander los te maken en te demonstreren dat men met hetzelfde gemak ‘groot’ kan noemen wat niet ‘achtbaar’ is, dat grootheid en achtbaarheid elkaar zelfs kunnen uitsluiten en dat niet het ‘umfassende’, het horizontale, maar het diep stekende, het verticale in de kunst aandacht verdient. Aschenbach heeft in zijn bepaalde zin volkomen gelijk. ‘Groot’ kan men worden door moeite te doen, door te woekeren met zijn talenten; dat men er achtbaar door wordt zal wel niemand ontkennen.”

 

 2003435-5bc34aeae8024eadfba9d101beb3ce3f.jpg
Alfred Kossmann (31 januari 1922 - 27 juni 1998)
De schepper van Gustav von Aschenbach, Thomas Mann, op de cover van “Duurzame gewoonten”

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Blaman werd geboren op 31 januari 1905 te Rotterdam. Zie ook alle tags voor Anna Blaman op dit blog.

Uit: Eenzaam avontuur

“Plotseling hielden ze beiden stil. Ze grepen elkaars handen, naderden elkaar en stonden roerloos, lijf aan lijf, wang aan wang, zonder elkaar te kussen...
Ik durfde niet meer in het licht te treden en liep weer tastend terug het donker in. Het kon me niet meer schelen waar ik terecht zou komen. Ik voelde me beschaamd, maar vooral zonderling ontdaan. Ik had niet mogen blijven kijken, ik had van mijn aanwezigheid blijk moeten geven; of beter nog, ik had me onmiddellijk, stil en kuis, moeten terugtrekken. Ik wist thans een geheim zonder dat te kunnen doorgronden. Ik had het idee dat me dat altijd op mijn ziel zou blijven drukken als iets onontwarbaars dat niet aflaten zou mij te intrigeren... Ik vond de weg naar het Toeristenhuis terug. Ik kwam diep in de nacht en doodmoe aan. Ik viel in een droomloze slaap, maar 't was een slaap die me niet verkwikte. Later, veel later, toen ik me eens waarachtig ongelukkig voelde, Alide, sliep ik net zo. De volgende morgen hervond ik een stemming tussen onvree en verlangen. Het kwam niet in me op het blauwe paleis terug te zoeken om het met mijn herinnering te confronteren. Zelfs dacht ik er niet aan dat ik het op mijn wandelingen toevallig weer zou kunnen zien. Ik had het diep teruggedrongen tot in het oord van mijn geheimste leven en sprak er niet over. Zo was er veel dat ik beleefd en nooit gezegd had. Ik was bijvoorbeeld Winnetou geweest, edel, naïef en wijs. Ik was ook magiër geweest, kon me onzichtbaar maken en drong binnen in paleizen. Ik was ook mezelf geweest, maar op een fantastische wijze die geducht en prachtig was. Mijn waakdromen waren hymnen aan mezelf. Maar nu wist ik van een nieuwe hymne, niet aan mezelf gericht, duister en lotsbeslissend, en waarvan ik later de fatale zin peilen zou...”

 

 2003435-ef1a2d250fd783f9c0ab121adc41f6f1.jpg
Anna Blaman (31 januari 1905 - 13 juli 1960)
Portret door Yme Mary Bosma, 2004

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Henk van Straten werd geboren in Rotterdam op 31 januari 1980. Zie ook alle tags voor Henk van Straten op dit blog.

Uit: Bidden en vallen

‘Voor honderd euro pijp ik je.’
De woorden vormden in eerste instantie geen coherente zin. Het waren zelfs geen woorden; slechts losse klanken zonder betekenis. Torn kneep in het lege blikje; het dunne metaal klakte. Ze keken elkaar een tijdje aan. De werkelijkheid leek te scheuren, van zichzelf te worden losgetrokken. Torn had het heet en kreeg het benauwd. Hij schrok toen zijn hand zijn adamsappel raakte; hij wilde zijn stropdas losser trekken maar er was geen stropdas. Het was zondag. Hij was een fles sap gaan kopen. Hij was op weg naar huis.
De jongen spuugde op de grond. Een kloddertje wit tuf, tussen zijn voortanden door, op het gebarsten asfalt. Zelfs dat spugen had iets moois, was soepel. ‘Ja of nee?’
Tom lachte. Een nerveus lachje. ‘Pardon?’
‘Pardon? Welke flikkertje zegt pardon? Ja of nee? Je hoorde me wel.’
‘Ehm, ik denk niet, dat ik.-’
De jongen praatte hem na, karikaturaal. ‘Ik denk niet, dat ik...’ Hij spuugde nog een keer, plaatste zijn linkervoet op het skateboard en zette af. ‘Ja, doe maar alsof.’
Tom bleef even zitten en veerde toen op. ‘Wacht even.’ Hij zei het met een raspende, wankele stem. En nog een keer. ‘Wacht even.’ De stem leek van vlak achter hem te komen, van iemand anders, alsof hij bij diegene op schoot zat. Toch zadelde het universum hém op met de consequentie; de jongen trapte op de staart van het board, kwam schrapend tot stilstand en keek hem aan. Hij zou kunnen opstaan en weglopen. ‘Laat maar,’ zou hij kunnen zeggen, en dan keihard wegrennen Maar hij zat hier nog, en hij vroeg: ‘Hoe heet je?’
‘Ik heet: gaat je geen kanker aan.'
‘Oké, prima, oké.’ Zijn oren suisden. Bezweet en duizelig. Droge mond. En daarnaast een gewaarwording die hij zelfs in gedachten niet durfde aan te raken; hij had een erectie.
‘Waar?’ vroeg hij. ‘Waar wil je het doen?’
‘Wat?’

 

 2003435-731a57bb5ef0445d5e699795507fea37.jpg
Henk van Straten (Rotterdam, 31 januari 1980)

 

 

De Nederlandse dichter Josephus Egidius Eijckmans werd geboren in Gorinchem op 31 januari 1907. Zie ook alle tags voor Jozef Eijckmans op dit blog.

 

Passage inderdit

lang gewacht
met ouderdomspoëzie
de jonge gezichten om mij
heen
hebben het belet
weerzin tegen het verval (die
dooddoener)
heeft het belet
het licht van elke dichter
en van de hoge muziek (tijdeloos)
hebben het belet
de paradox (altijd redder in de nood)
heeft het belet
nu
dit uiteindelijk
(op eigen risico dan)
heeft het toegestaan
liet er mijn handen niet meer
van af

 

 2003435-3a03c60054666000c594875e0c23228d.jpg
Jozef Eijckmans (31 januari 1907 – 12 november 1996)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Marcus Roloff werd geboren op 31 januari 1973 in Neubrandenburg. Zie ook alle tags voor Marcus Roloff op dit blog.

 

carte

das flurstück, ein schönes
totales wie staude + blatt-
spreite + vorderhand
lebenslinien, später dann
quirlende weltallachse

bei umeå dort bei uppsala
(bei prinzipiell u.)
drehen die flüsse um
zerfließen wie wasser in tinte
auf dem gesteiften blatt

papier, ein schönes totales
wie teppichkanäle + fransen-
ekliptik + grün das grün
der verdrängung, es war
einmal selbstbildniswert

 

 

meyer heißen

will ich beziehungsweise mich klein
machen geduckt dem schicksal entrinnen
im windschutz der stube verborgen der
zweiten jahrhunderthälfte rauscht mir der
kopf von den gruben hinter den linien
loderte doch nur bohnensuppe der post-
kartenstapel vermoderte im gepäck mein
kopf ein feindsender ich alter rentner
ich pfeife auf meine ich sterbe an meiner
nachkriegsehe auf dieser pritsche auf
diesem heimatboden mit all seinen birken
& eichen gleicht sich aufs haar halb
europa halb tue ich als gelte es
durchzuhalten bis moskau.

 

 2003435-9294817af7215f546d8df0d79113d926.jpg
Marcus Roloff (Neubrandenburg, 31 januari 1973)

 

 

De Amerikaanse schrijver Norman Mailer werd op 31 januari 1923 in Long_Branch, New Jersey geboren. Zie ook alle tags voor Norman Mailer op dit blog

Uit:Oswald’s Tale

“When Valya was three years old, she fell on a hot stove and burned her face and was ill for a whole year, all that year from three to four. Her mother died soon after, and her father was left with seven children.
When they buried her mother, Valya’s father said, “Now, look at her and remember her.” He put them all around the coffin and told them again, “Try to remember your mother.” There they were, all seven children, dressed in black. Valya’s dress had an ornament like a small cross. She remembers that, and how all her brothers and sisters cried. Their mother had died giving birth to her eighth baby.
She passed away at a hospital fifty kilometers from where they lived, and when her mother felt she was at her last, she asked somebody to call Guri, her husband, and tell him that she wished to say a few words. So, she lay in bed waiting, her eyes on the door, and when she saw that door open, she was so weak she could only say, “Guri, please take care of our children,” and then she died. She couldn’t live a moment longer. Of course, she still comes back to Valya in her dreams.
While Valya was only the fifth child in this family, she was the second sister, so when her oldest sister left home a couple of years later, Valya had to take care of the house. It was a good family all the same, and they were kindhearted, and approximately everybody was equal. When Valya was seven, she could already bake bread in a stove where you had to use a flat wooden spade to insert your loaf of dough, and everybody was happy when she made her bread because it was tasty.
Her father was a switchman and worked on the Smolenskaya section of the Soviet rail system at a town called Pridneprovsk. Since his children had no older woman to help them now, Guri married again. And his children were not upset by this new wife but loved her, for she was a nice person, and they even called her Mama. She was very kind to them, even if she was not healthy and had been married twice already; but her only child, from her second marriage, had died and now this was a third marriage, and Guri and this new wife did not have children together.
It is possible the stepmother married Valya’s father so she wouldn’t have to stay on a collective farm but could live with a man who did not need a wife to work outside. Sometimes Valya wondered why he did marry her, because she was sick a lot, even hospitalized; but though she did not help so much as hoped, these children needed her to feel like a family, and so they waited each time for her to return from her sickness. She did care for Guri’s children.”

 

2003435-77574f8dcec02cdcd174815094e7e8f6.jpg
Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007)
 

 

De Duitse schrijver Stefan Beuse werd geboren op 31 januari 1967 in Münster. Zie ook alle tags voor Stefan Beuse op dit blog.

Uit: Das Buch der Wunder

„Was glaubst du?«
Penny hielt den Stein genau vor die Sonne.
»Was glaubst du, wie viel Karat sind das?«
Sie betrachtete die Einschlüsse. Kleine Bläschen, winzige Äste in einem sattgrün strahlenden Meer.
Einschlüsse bedeuten nicht immer eine Wertminderung, hatte ihr Vater gesagt. Sie verleihen dem Stein oft erst seine Einzigartigkeit.
Penny drehte den Smaragd vor dem Licht. Er wog schwer in der Hand und wies ein lebhaftes Feuer auf.
»Was meinst du, was ist der wert?«
Sie zog einen Ärmel ihres Kleides über die Hand, befeuchtete das Stück Stoff über ihrem Zeigefinger und polierte damit eine Stelle, die stumpf geworden war von der Erde.
»Meinst du, wir sind jetzt gemachte Leute?«
Tom stieß Luft durch die Nase.
»Gemachte Leute.«
Er warf einen Blick auf das, was sie in der Hand hielt.
»Das ist Glas, Penny. Wahrscheinlich von einer Flasche.«
Seine Schwester kniff ein Auge zu, wie ihr Vater, wenn er am Werktisch saß und die Lupe vor das andere Auge klemmte.
»Sieh dir das an.«
Sie bewegte den Stein so langsam, dass jede Facette einzeln aufblitzte.
»Das ist ein echtes Prachtstück.«
Grünes Licht zitterte über ihr Gesicht, und Tom musste an dieses Bild aus der Kinderbibel denken: Eva im Paradies.“

 

 2003435-e3cd58225a31a76bfabec09f488f9318.jpg
Stefan Beuse (Münster, 31 januari 1967

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e januari ook mijn blog van 31 januari 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:11 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten