Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 1 februari 2017 tot 2 februari 2017

Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, Norbert Bugeja, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, Monica Camuglia

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Gentlemen of Tea (Vertaald doorJane Fenoulhet)

“He stood at the edge of the jungle in the deep, cool shade. Patches of sunlight dappled the ground at his feet. When he looked up he could see the fierce gleam of the midday sky behind the mass of foliage moving above him. The ground was still damp from the last rainfall. He inhaled the smell of greenness, of Gambung. He heard the wind whispering in the treetops, a rustling and a soft cracking and creaking from within the tangle of vegetation.
A stone with her name and dates had been set into the stonework before him. The stone to the right bore no name. A little further was another grave without a stone. Forty-five years ago, on this spot among the trees, he had planted his first tea.
He leaned on the walking stick which for some time now he had been unable to do without. The dull, gnawing sensation deep inside him was not a pain – not yet. He knew it would always be there, that something (he didn’t know the name of his illness) was consuming him from within, was hollowing him out. The limits of his existence had come into view. This would be his last visit to Gambung.
For a year he had been living in Bandung with Bertha, in the house he had bought there in 1907, but had never moved into. The tenant had handed it over to him temporarily. Not far from there his third stone-built house, a grand edifice where Jenny would have been happy, with spacious verandahs, high ceilings, marble floors, was taking shape. Disguising the seriousness of his condition, he had taken a trip to Batavia together with Bertha, to order the furniture and lamps that Jenny would have chosen. The house stood in splendid grounds called Kebun Karet which the local population revered as an almost holy place because of a group of ancient waringin trees which grew there. He would leave this white house, built in a balanced, modern style, to his children, a place where they could meet one another when they came to the town from Gambung, Malabar or Negla: a Kerkhoven family house, a Netherlands Indies ‘Hunderen’.
He was here to say goodbye to Gambung. One last time he had gone round the factory, that row of sheds with their new machines for withering, drying and sorting. Among the people working there he had seen men and women who had grown up in Gambung village, children of Martasan and Muhiam and Kaidan and Muntayas and Sastra, the first inhabitants.”

 

 2004231-be571c8b9fe46715d650683e8e108a6f.png
Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)
Hier met Godfried Bomans op een boekenmarkt in 1966

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem van Zadelhoff werd geboren in Arnhem op 2 februari 1958. Zie ook alle tags voor Willem van Zadelhoff op dit blog.

 

dikke duitsman

een geur van seringen ruiken we graag
wenn der weiße flieder wieder blüht zingt
de dikke duitsman met bloesem in zijn haar
o dikke duitsman is er dan niemand die je zegt
hoe belachelijk je bent niemand die dat op zich
neemt moet ik daarvoor dienen? o seringen

 

 

circusverhaal

opa hield niet van artiesten
allemaal temeiers en poten
toen oom bij het circus wilde
riep opa met overslaande stem
en schuim op de mond:
als jij te pletter valt
dank ik god op mijn blote knieën
als jij te pletter valt op die rode neus van jou

 

 2004231-6dfeaf784b76b49f68646f9fe0258455.jpg
Willem van Zadelhoff (Arnhem, 2 februari 1958)

 

 

De Nederlandse schrijfster Esther Gerritsen werd op 2 februari 1972 geboren in Nijmegen. Zie ook ook alle tags voor Esther Gerritsen op dit blog.

Uit: De Dag en de Nacht en de Dag na de Dood

“BROER Ik red de wereld. Dat is mijn vak. Ik red de wereld. Dat doe ik niet met één grote heldendaad die ons voor de definitieve ondergang behoedt. Er is geen Apocalyps aanstaande die ik met bovenmenselijke kracht zal voorkomen. Ik ben ook Gods zoon niet die met één grote offerdaad onze zielen zal redden. Toch behoed ik, en alleen ik, de wereld voor zijn ondergang. Dat doe ik met relatief kleine reddingswerkzaamheden. Ik persoonlijk zorg voor al die keren dat het net goed gaat. Ik zorg voor die keren dat de doktoren tegen iemand zeggen: “U heeft geluk gehad, u had wel dood kunnen zijn.” Ik ben die jongen die een kleuter opvangt die van vier hoog naar beneden valt. Ik ben het bewijs dat zelfs zoiets goed kan aflopen. Ik zorg ervoor dat je de trein mist die even later een ongeluk krijgt. Zonder mij liep elke risicovolle situatie gegarandeerd verkeerd af. Het fatalisme dat de mensheid dan zou bevangen zou de wereld uiteindelijk ten onder doen gaan. Mijn reddingswerkzaamheden zorgen voor het evenwicht in de wereld tussen gezond realisme en broodnodig optimisme. Ik zorg ervoor dat je ineens wel een parkeerplaats vindt op een zomerdag in Scheveningen. Zoiets klinkt arbitrair. Maar het houdt de hoop levend. Hoop op het onmogelijke. Zonder onverwachtse parkeerplaatsen hebben de pessimisten altijd gelijk. Zonder ‘hebben wij even mooi geluk gehad’ was het slechte veel te goed geregeld. Was het slechte waterdicht geweest. Zonder het geluk - waar ik voor zorg – had elk ongeluk, elke ziekte een dodelijke afloop. Werd een brand nooit bij toeval op tijd ontdekt. Ik zorg voor die dingen. Ik houd de hoop levend. Dat doe ik onbaatzuchtig. Ik mag deze gave niet voor mijzelf of mijn familie gebruiken. Eén keer… één keer!…. voor eigen belang het geluk een handje helpen, en ik ben voor altijd van mijn gave verlost. Dan kan ik niemand meer redden, niets meer voorkomen. Dan krijgen de zwartkijkers gelijk en in afzienbare tijd gaat de wereld ten onder aan droefenis. De wereld die ik nu red. Keer op keer.
Ik mag mijzelf een gelukkig mens prijzen. Ik heb een mooie taak. Ik mag daar trots op zijn. Dat mag ik. Mag ik best. Maar daar gaat het nu niet om. Dat snap ik. Soms zijn er belangrijkere dingen aan de hand, dan de wereld redden. Lijkt het. Is zo. Zou... zo moeten zijn...
Ik was liever meubelmaker geworden. Kasten… maken. Dressoirs, tv-meubels, bureau’s, keukentafels, bijzettafels, tuinbankjes. Als ik meubelmaker was geworden… dan was het niet zo erg dat er soms belangrijkere dingen aan de hand waren, dan meubels maken, dan een kast op tijd afleveren. Had ik niet erg gevonden.”

 

 2004231-6f0a7e8effa2ff6eac50a34325f9fc61.jpg
Esther Gerritsen (Nijmegen, 2 februari 1972)

 

 

De Nederlandse dichter, tekstschrijver en cabaretier Kees Torn werd geboren in Oostburg op 2 februari 1967. Zie ook alle tags voor Kees Torn op dit blog.

 

De lezer

Des avonds, van zijn taak ontlast
beziet de man zijn boekenkast.
Hij maakt zijn keuze niet meteen,
maar leest de titels één voor één.
Een ware rijkdom aan romans,
de meeste in het Nederlands.

Eline Vere ziet hij daar,
de Reynaart, de Max Havelaar.
Karakter en De Avonden
(dat mensen daar iets aan vonden).
Hij heeft het werk van Bordewijk,
van Vestdijk en van Bilderdijk.
Hij weet niet wat hij kiezen moet.
De man vindt alles even goed.

Hij heeft ook veel gedichten staan.
Vooral Vasalis spreekt hem aan,
maar ook Gezelle's poëzie
en Bloem en nog een stuk of drie.

Ook leest hij graag een kort verhaal,
daarvan staan er een hele straal.
Zo vindt hij die van Lampoo sterk.
En beter nog Belcampo's werk.
Titaantjes. Alle dagen feest.
Bekende titels die hij leest.
Hij pakt een schaduw van Havank
en zet hem op de juiste plank.
De aanslag. In de bovenkooi.
De man vindt alles even mooi.

Maar Goethe, Schiller en von Kleist,
die vindt hij toch het allerfraaist.
Of toch maar iets van Bertolt Brecht?
De man, hij peinst en overlegt:
als hij de bijbel toch eens las?
En pakt dan toch maar Tros Kompas.

 

 2004231-b00d80c72885d17e5602bcddeaf73f79.jpeg
Kees Torn (Oostburg, 2 februari 1967)

 

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi op 2 februari 1980. Zie ook alle tags voor Norbert Bugeja op dit blog.

 

Ein Tango für die Stufen von Valletta

1.Präludium an die Stadt unter uns

Als wir realisierten,
die Stadt ist geschlossen,
waren wir bereits in ihr.

Bevor ihre Lippen erzitterten,
bevor ihre Finger versteiften
bevor sie ihre Augen senkte,

trotteten wir bereits über die Rose ihres Gesichtes,
hatten wir bereits vermessen,
Straße um Straße,

die schmierigen Stadtränder ihrer Augen,
die gewundenen Stufen ihrer Figur
und den
Blue Angel-Junkie, kreidebleich,
zweimal die Woche
die gleiche alte Ader abpressend.

Du hast mir selbst erzählt,
sagte er zu mir,
die Zungen dieser Stadt werden niemals auch nur einen schonen:


Sind wir mit einer Frau zusammen, sagen sie, wir sind so und so,
und mit einem Mann, so müssten wir schwul sein.
Sehen sie dich alleine, würden sie sagen »er ist so seltsam«
Und wenn du mit mir bist, werden sie behaupten du bist ein Faultier.

Jetzt sag mir, meine Stadt,
du, die jedes Loch kennt,
das ich in meinen Arm gegraben habe,
sind es Tränen oder Heineken,
die meine Wangen heruntertropfen?

Und wir schreiten hinunter, in dich hinein,
in das schmerzende, grenzenslose Reich
deiner Sehnsüchte,
Welcome to our Country
und die in der Dunkelheit geflüsterten verbleibenden Märchen –
die Stufen überflutet,
die klaffenden Vorhänge,
oder ein Kabarett wie ein vergossenes Glas Wein.
Unsere Augen rollend,
schmierige Münzen aus der Unterwelt,
eine trunkene ausgelassene Lust,
unsere Kraft träge wie eine gefesselte Geige,
die markerschütternde Kühle
durch die Geschichten unserer Kindheit flatternd,
unsere Leben entlang der Schneide einer Klinge reisend ...

Manchmal erspähte er eine Ausstellung von Fotos
und starrte sie an, entgeistert
wie ein alter Mann, sich sehnend nach einem Tabernakel
überfüllt von Strömen von Verlangen und Traum –

Schatz, oh Schatz,

welches Chaos hat diese Straßen erfüllt
seit Du gegangen bist!

 

 2004231-27b7124b81c8731eeed2fda7d9b35914.jpg
Norbert Bugeja (Siġġiewi, 2 februari 1980)

 

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook ook alle tags voor James Joyce op dit blog.

Uit: A Portrait of the Artist as a Young Man

“Rody Kickham was a decent fellow but Nasty Roche was a stink. Rody Kickham had greaves in his number and a hamper in the refectory. Nasty Roche had big hands. He called the Friday pudding dog-in-the-blanket. And one day he had asked:
—What is your name?
Stephen had answered: Stephen Dedalus.
Then Nasty Roche had said:
—What kind of a name is that?
And when Stephen had not been able to answer Nasty Roche had asked:
—What is your father?
Stephen had answered:
—A gentleman.
Then Nasty Roche had asked:
—Is he a magistrate?
He crept about from point to point on the fringe of his line, making little runs now and then. But his hands were bluish with cold. He kept his hands in the side pockets of his belted grey suit. That was a belt round his pocket. And belt was also to give a fellow a belt. One day a fellow had said to Cantwell:
—I'd give you such a belt in a second.
Cantwell had answered:
—Go and fight your match. Give Cecil Thunder a belt. I'd like to see you. He'd give you a toe in the rump for yourself.
That was not a nice expression. His mother had told him not to speak with the rough boys in the college. Nice mother! The first day in the hall of the castle when she had said goodbye she had put up her veil double to her nose to kiss him: and her nose and eyes were red. But he had pretended not to see that she was going to cry.
She was a nice mother but she was not so nice when she cried. And his father had given him two five-shilling pieces for pocket money. And his father had told him if he wanted anything to write home to him and, whatever he did, never to peach on a fellow. Then at the door of the castle the rector had shaken hands with his father and mother, his soutane fluttering in the breeze, and the car had driven off with his father and mother on it.”

 

 2004231-48e749341fa0cdc8d7c188ba66e10549.jpg
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ookook alle tags voor Eriek Verpale op dit blog.

Uit: Olivetti 82

“Míjn stamkroeg in die tijd heette ’t Kantientje: een smal en lang café op het inmiddels totaal verkraterde Wilsonplein waar vadertje Anseele, de Gentse socialistische voorman, thans met zijn kont naar het arbeiderspaleis van de Vooruit gedraaid, naar de restanten van het kapitaal wijst – cinema Capitole. (Ik heb er Bécaud nog zien optreden, en Adamo, en waar is Sacha Distel gebleven?) Het Kantientje, ooit begonnen als – ook – een studentencafé, was in 1972 al verworden tot een duistere louche pijpenla waar ’s avonds laat de maquereaux hun whisky’s en de wijvekens ’s uchtends vruug hun koffie kwamen bestellen. Legendarische figuren: de Poeze, Pol Maigret, Zan den Bokseur, en niet te vergeten, de zanger van het intussen compleet vergeten "Concerto voor jou, Natasja" – Johan Stolz. Deze laatste had op donderdagavond zijn vaste stek in de Weinstube, een deprimerend donker hol dat deel uitmaakte van de voormalige film- en variétézaal ’t Coliseum aan de Kuiperskaai: in 1911 door architect Geo Henderick verbouwd tot een van de belangrijkste art-nouveau-gebouwen van het land, maar je moet nu ’s gaan kijken. Alles moet weg. Alles moet kapot.
Mirabelle.
Een blauwe maandag lang ben ik verliefd op haar geweest: op Mirabelle, op de waardin van ’t Kantientje. Een knappe blondine, nauwelijks vijf jaar ouder dan ik, maar wel al moeder van een ééncellige meisjestweeling, samen zes à zeven jaar oud. Ik ben wel ’s met ze naar Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen geweest, in ciné Capitole. En één keer naar de dierentuin, mét Mirabelle. (Is dit ook niet de naam van een geel-groene, overrijpe vrucht?)
In het café van Mirabelle stond een jukebox en bij dezer heb ik geen catalogus van node om, twintig jaar later, nog altijd te weten: A 7: Le plat pays van Jacques Brel. D 19: Just like a woman van Bob Dylan. Het waren de begindagen van Studioskoop, de zogenaamde studentencinema waar ik Dylans Don’t look back zou zie, en Woodstock, en de films van Bunuel. De zoldering beslagen met lege kartonnen eierdozen en aan de muren uiteraard de voor die tijd onontbeerlijke Chinese waaiers en parasols. Eén keer met Mirabelle naar de bioscoop geweest: Elvira Madigan. Handje in handje. Zweten. Muziek van Mozart. Mooi. Maar alles moet kapot, alles moet vooral lelijk worden.”

 

 2004231-6918e8dbbca3cc550618b5d19e272462.jpg
Eriek Verpale (2 februari 1952 – 10 augustus 2015)

 

 

De Britse schrijfster Santa Montefiore (eig. Santa Palmer-Tomkinson) werd geboren op 2 februari 1970 in Hampshire. Zie ook alle tags voor Santa Montefiore op dit blog.

Uit: Als de rododendron bloeit (Vertaald door EricaFeberwee)

“Een zilte wind streek over de witte stranden van Ballinakelly Bay. Hij scheerde over de grimmige, hoog oprijzende kliffen en voerde het sombere gekrijs van zeemeeuwen en het beukende geraas van de golven met zich mee. Grijze wolken dreven laag langs de hemel, een zachte motregen hing als mist boven het land. De lieflijke groene weiden en de geel bloeiende gaspeldoorn leken hun gewelddadige geschiedenis te loochenen, want zelfs in het doffe, vroege lentelicht bezat lerland een volmaakte, onschuldige schoonheid. En terwijl Barton Deverill, de eerste Lord Deverill van Ballinakelly, zag hoe een streep zonlicht de ogenschijnlijk massieve groene baldakijn doorboorde, zwoer hij de littekens van Cromwells wreedheid te zullen uitwissen en de mensen die onder zijn gezag waren geplaatst troost en welvaart te brengen.
Schrijlings op zijn paard gezeten, in een fluwelen mantel van het diepste karmozijnrood, met een wuivende veer in zijn zwierige, breedgerande hoed, zijn voeten in hoge leren laarzen met zilveren sporen en met zijn zwaard aan zijn riem, liet hij zijn blik over het uitgestrekte gebied gaan dat koning Karel u hem recentelijk bij diens kroning had geschonken, uit dankbaarheid voor zijn loyaliteit. Want Barton Deverill was een van de belangrijkste legeraanvoerders geweest in de strijd tegen Cromwell.
Na de nederlaag bij Worcester was Barton met de koning naar Frankrijk gevlucht, waar ze jarenlang in ballingschap hadden doorgebracht. Een adellijke titel en een stuk land vormden een bevredigende compensatie voor de familiebezittingen in Engeland die Cromwell had geconfisqueerd en voor de vele jaren waarin Barton zich in dienst had gesteld van de kroon.”

 

 2004231-f761af06e104f56612fa92e63645374e.jpg
Santa Montefiore (Hampshire, 2 februari 1970)
Cover

 

 

De Zwitserse schrijfster Monica Camuglia werd geboren op 2 februari 1960 in St. Gallen. Zie ook ook alle tags voor Monica Camuglia op dit blog.

Uit: Irrtum 2012

„Rosa ist hier aufgewachsen, und ihre Liebe zu der Insel ist unverkennbar.
Die Pension bleibt im Winter geschlossen. Wir sind die einzigen Gäste, beziehungsweise von Rosa und Gianni, einem Freund von ihr, eingeladen. Gianni ist vermutlich um die 75. Ich habe ihn nie nach seinem Alter gefragt, aber aus seinen Erzählungen kann ich mir das so ungefähr ausrechnen.
Er ist Römer, klein, aber stolz in seiner Haltung, seine einfache Bekleidung hat Stil und die schneeweißen, immer noch dichten Haare trägt er wie eine Krone. Ich denke, er schlief früher in großen, weichen Betten und dinierte an langen, edlen Tafeln, auch wenn er jetzt hier ganz einfach in einem kleinen, gut erhaltenen Haus lebt. Er kam vor 15 Jahren hierher, um seinem Tod in Würde zu begegnen. Die Ärzte konnten ihm nicht mehr helfen, Prostatakrebs, noch ein paar Monate, hatten sie gesagt.
Seither lebt er in Frieden und ohne Schmerzen auf dieser Insel, steht mit der Sonne auf und legt sich zur Ruhe, wenn es dunkel wird, pflegt seinen prachtvollen Garten, erntet das ganze Jahre irgendwelche Früchte seiner Arbeit und lebt mehr oder weniger vom Tauschgeschäft mit anderen Insulanern und Touristen. Er hat für jeden ein paar freundliche Worte bereit.“

 

 2004231-6320f9eeccfb223182b04da56b259501.jpg
Monica Camuglia (St. Gallen, 2 februari 1960)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e februari ook mijn blog van 2 februari 2014 deel 2 en ook deel 3.

 

Geschreven door Romenu om 18:30 Reageer op dit bericht

Candlemass (Malcolm Guite)

Bij Maria Lichtmis

 

 2004404-4b6e753105acdc9cb3bfea43957f956e.jpg
Presentatie van de Heer in de Tempel door Fra Bartolomeo, 1516

 

 

Candlemas

They came, as called, according to the Law.
Though they were poor and had to keep things simple,
They moved in grace, in quietness, in awe,
For God was coming with them to His temple.

Amidst the outer court’s commercial bustle
They’d waited hours, enduring shouts and shoves,
Buyers and sellers, sensing one more hustle,
Had made a killing on the two young doves.

They come at last with us to Candlemas
And keep the day the prophecies came true
We glimpse with them, amidst our busyness,
The peace that Simeon and Anna knew.

For Candlemas still keeps His kindled light,
Against the dark our Saviour’s face is bright.

 

 

 2004404-7b027947c0002586f9c51e5849e1b209.jpg
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)
Ibadan, Nigeria. Oritamefa Baptist Church. Malcolm Guite werd geboren in Ibadan.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige blog van vandaag.






Geschreven door Romenu om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Hugo von Hofmannsthal, Stijn Vranken, José Luis Sampredo, F. B. Hotz, Toine Heijmans, Dieter Kühn, Günter Eich, Muriel Spark, Georg Rendl

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

Verse, auf eine Banknote geschrieben

Was ihr so Stimmung nennt, das kenn ich nicht
Und schweige still, wenn einer davon spricht.
Kann sein, daß es ein Frühlingswogen gibt,
Wo Vers an Vers und Bild an Bild sich flicht,
Wenns tief im Herzen glüht und schäumt und liebt ...
Mir ward es nie so gut. Wie Schaum zerstiebt

Im Sonnenlicht mir jede Traumgestalt,
Ein dumpfes Beben bleibt von der Gewalt
Der Melodie, die ich im Traum gehört;
Sie selber ist verloren und verhallt,
Der Duft verweht, der Farbenschmelz zerstört,
Und ich vom Suchen matt, enttäuscht, verstört.

Doch manchmal, ohne Wunsch, Gedanke, Ziel,
Im Alltagstreiben, mitten im Gewühl
Der Großstadt, aus dem tausendstimmgen Chor,
Dem wirren Chaos, schlägt es an mein Ohr
Wie Märchenklang, waldduftig, nächtigkühl,
Und Bilder seh ich, nie geahnt zuvor.

Das Nichts, der Klang, der Duft, er wird zum Keim,
Zum Lied, geziert mit flimmernd buntem Reim,
Das ein paar Tage im Gedächtnis glüht ...
Mit einem Strauß am Fenstersims verblüht
In meines Mädchens duftig engem Heim ...
Beim Wein in einem Trinkspruch flüchtig sprüht ...

So faß ich der Begeistrung scheues Pfand
Und halt es fest, zuweilen bunten Tand,
Ein wertlos Spielzeug, manchmal – selten – mehr,
Und schreibs, wo immer, an der Zeitung Rand,
Auf eine leere Seite im Homer,
In einen Brief – (es wiegt ja selten schwer) ...

Ich schrieb auch schon auf eine Gartenbank,
Auf einen Stein am Quell, daraus sie trank,
Auf bunte Schleifen buntre Verse schier,
Auf einer Birke Stamm, weißschimmernd, blank,
Und jüngst auf ein zerknittert Stück Papier
Mit trockner Inschrift, krauser Schnörkelzier:

Ein Fetzen Schuld, vom Staate aufgehäuft,
Wie's tausendfach durch aller Hände läuft,
Dem einen Brot, dem andern Lust verschafft,
Und jenem Wein, drin er den Gram ersäuft;
Gesucht mit jedes erster, letzter Kraft,
Mit List, in Arbeit, Qualen, Leidenschaft.

Und wie von einem Geisterblitz erhellt,
Sah ich ein reich Gedränge, eine Welt.
Kristallklar lag der Menschen Sein vor mir,
Ich sah das Zauberreich, des Pforte fällt
Vor der verfluchten Formel hier,
Des Reichtums grenzlos, üppig Jagdrevier.

Der Bücher dacht ich, tiefer Weisheit schwer,
Entrungen aus des Lebens Qualenmeer,
Der Töne, aus der Sphären Tanz erlauscht,
Der Bilder Farbenglut, Gestaltenheer,
Der Becher Weins, daraus Begeistrung rauscht,
All' für das Zauberblättchen eingetauscht.

Der harten Arbeit untertän'ge Kraft,
Erlogner Liebe Kuß und Leidenschaft,
Die Jubelhymne und des Witzes Pfeil,
Was Kunst und was Natur im Wettkampf schafft,
Feil! alles feil! die Ehre selber feil!
Um einen Schein, geträumter Rechte Teil!

Und meiner Verse Schar, so tändelnd schal,
Auf diesem Freibrief grenzenloser Qual,
Sie schienen mir wie Bildwerk und Gezweig
Auf einer Klinge tödlich blankem Stahl ...

 

 2003881-48e71595d96830ec6cf9aee0e075d019.jpg
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) 
Lithografie door Karl Bauer, 1900

 

 

De Vlaamse dichter en performer Stijn Vranken werd geboren in Leuven op 1 februari 1974. Zie ook alle tags voor Stijn Vranken op dit blog.

 

In dit bed

in dit bed
ligt geen wachten
wanneer wij het betreden
met onze rubberen troepen

doch in dit bed
waagt zich ook geen haast
- hier woelen wij winnaars
voorzichtig vergroeiend
ons verlies tegemoet

want in dit bed
wacht geen licht
wanneer de ochtend ons
als een worm weer
uiteensnijdt

 

 

Ik droom je maar

Ik ken je niet, ik droom je maar
als ooit de nacht over deze stad zwijgt
zal je horen hoe ik me
voor jou verlaat.

Hoe ik uit mijn twijfels glijd,
mijn handen rood tot ridders sla
twee onbevlekte paarden vouw
en je zo, dwars door alle straten heen
naar m’n bed toe streel.

Mijn droom is een hoop
stil jij - de ochtend vrees ik
als een speld in de lucht.

 

 2003881-5edc74a0cb36ea9cdf6f524ff88ff733.jpeg
Stijn Vranken (Leuven, 1 februari 1974)

 

 

De Spaanse schrijver, humanist en econoom Jose Luis Sampedro Sáez werd geboren op 1 februari 1917 in Barcelona. Zie ook alle tags voor José Luis Sampredo op dit blog.

Uit: Das etruskische Lächeln (Vertaald door Roberto de Hollanda)

"Hat man sie tatsächlich zusammen beerdigt?«
»Wen, Vater?«
»Dieses Paar. Die Etrusker.«
»Keine Ahnung. Kann sein.«
»Wie denn? Sie sind doch nicht gleichzeitig gestorben, oder?«
»Nein, das wohl nicht. Ich weiß es nicht. Wenn Sie auf den Knopf da drücken, springt der Anzünder raus.«
»Ach, hör mir auf mit deinem Anzünder! Wo bleibt denn da der Reiz?«
In der hohlen Hand zündet er fachmännisch ein Streichholz an, wirft es aus dem Fenster und nimmt langsam den ersten Zug.
Die Stille wird nur vom Geräusch des Motors, dem Summen der Reifen und hin und wieder einem aufdringlichen Hupen unterbrochen. Der Geruch nach schwarzem Tabak, der sich im Wagen ausbreitet, weckt in seinem Sohn Erinnerungen an die Kindheit. Unauffällig lässt er das Fenster ein wenig herunter.
Der Alte sieht ihn an. Er hat sich nie an die feinen Gesichtszüge seines Sohnes gewöhnt, ein mütterliches Erbe, das mit den Jahren immer deutlicher hervortritt. Er ist ein verantwortungsvoller Fahrer, ganz auf die Straße konzentriert. O ja, verantwortungsvoll war er schon immer.
»Warum haben sie nur so... na ja, so komisch gekichert?
Noch dazu auf ihrem eigenen Grab?«
»Wer?«
»Na, wer schon! Die Etrusker, Junge, die aus der Grabkammer! Was hast du denn gedacht?«
»Mein Gott, die Etrusker! ... Woher soll ich das wissen! Außerdem haben sie nicht gekichert.«
»Und ob! Als wollten sie sich über etwas lustig machen. Hast du es nicht gesehen? Auf eine ganz seltsame Art ... mit geschlossenen Lippen, aber gekichert haben sie. Und was für Münder! Vor allem sie, wie ...« Er hält inne, um nicht den Namen zu nennen, der sich plötzlich mit Macht in sein Bewusstsein drängt, Salvinia.“

 

 2003881-39b70da26ecf630cddfa58ca81b2b047.jpg
José Luis Sampredo (1 februari 1917 – 8 april 2013)

 

 

De Nederlandse schrijver Frits Bernard Hotz werd geboren op 1 februari 1922 in Leiden. Zie ook alle tags voor F. B. Hotz op dit blog.

Uit: Proefspel

‘De nieuwe dingen die nu z'n huis sierden - meubels en gebruiksvoorwerpen - waren misschien wat uitbundig, maar op dat elan was hij trots. Sinds de vrede van Versailles kregen ongeziene vormen en expressieve kleuren hun kans. lndividuele voorkeur en goede moderne smaak kon blijken, er was ruim keus. Thomas had voor z'n herinrichting de beste zaken bezocht voor werk van gerenommeerde ontwerpende kunstenaars. Bij Metz kocht hij een palissander bureau en bij Pander wat lichte stukken voor z'n eetvertrek. Maar de hoofdschotel van z'n inrichting bestond uit eiken en coromandelhouten fauteuils, stoelen en tafel, voor hem ontworpen door architect J. Crouwel. Het waren zware handwerkmeubels, het hout deels zwart geïmpregneerd en met scharlakenrood leder bekleed. Er waren bijpassende houtsneden en wandbespanningen.’
(…)

“Verandering en beweging: eeuwig gebeuren, dat waren zinnen die Thomas met grinnikend ja geknik uit z'n geblader in L'Evolution Créatrice onthield. Als Duur was: ondeelbare Wording, kwalitatief nog wel, dan voelde hij er vandaag, alleen thuis, veel voor z'n Maxwell Roadster '22 te vervangen door een wagen waarover hij een drukwerk had meegenomen uit het Paviljoen de Touriste van de Exposition: de Renault 45 cv Sport. Liefst een witte, zoals hij in Parijs had zien rijden, in harmonie met het marmer van de grote tentoonstelling. Z'n vriend De Bree zei wel dat die wagen benzine zoop en dat het áchter de motor geplaatste koelsysteem de bestuurdersplaats onaangenaam warm aan de voeten maakte, maar Thomas was nu eenmaal een estheet geworden en prefe-reerde een automobiel met een voorname en persoonlijke lijn. De Franse wagen met z'n blind achteroverleunende motorkap trok hem mateloos, sinds Parijs. Misschien had dat front met de hoge lampen iets modern agressiefs of vond Thomas die neus niet onpassend bij eigen sterk geproportioneerd voorkomen. En warme voeten kreeg je tóch. Hij zag het wit van de wagen al schemeren door het rijke groen van z'n laan.”

 

 2003881-e340fc989271ae51a56e2980ee2e6554.jpg
F. B. Hotz (1 februari 1922 – 5 december 2000)
Cover 

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Toine Heijmans werd geboren in Nijmegen op 1 februari 1969. Zie ook alle tags voor Toine Heijmans op dit blog.

Uit:Pristina

“Je kon tegen die koffer trappen wat je wilde, je kon hem van een bagageband laten stuiteren in Paramaribo, hem laten schroeien in de Syrische zon, je kon hem invriezen in Wit-Rusland en dan nog gaf de kunststof mee. Het slot was gepatenteerd. Geen deuk of kras: zijn koffer was een betrouwbare reisgenoot gebleken.
De kleur had hem hoofdbrekens gekost; liever had hij een zwarte gekozen of een donkerblauwe, de dienstkleur, maar deze viel op en zou daarom minder snel gestolen worden als hij op een bagageband lag. Die keuze had hij moeten maken.
De stalen deur van de veerboot schoof open en het eerste dat de man zag van het eiland was dit: krijsende meeuwen in de mist. De passagiers die net nog bij elkaar hoorden, begonnen te bewegen. Tegelijk met die uiteenvallende colonne liep hij de gangway af, de wielen van zijn koffer hakend achter aluminium treden. Er stonden mensen te wachten die zagen dat de man onder zijn overjas een kostuum droeg, blauw en kreukvrij. Op de onderste na waren de knopen van zijn colbert gesloten.”

 2003881-fb88f49516046eef7885880da105654f.jpg
Toine Heijmans (Nijmegen, 1 februari 1969)

 

 

De Duitse schrijver Dieter Kühn werd geboren op 1 februari 1935 in Keulen. Zie ook alle tags voor Dieter Kühn op dit blog.

Uit: Familiengeschichte, gesprengt (Das Magische Auge)

“Eine braungetönte Fotografie hatte mir ersten Einblick vermittelt: Es war einmal ein riesiger, zum Teil holzgetäfelter Zentralraum gewesen, unten hatte auf einem orientteppich ein Tisch mit Gästebuch gestanden; im ersten Stock ein Glas­erker mit Gardinchen und Blumen – hatte von dieser Glas­kanzel die Großmutter heruntergeschaut, sobald jemand das Haus betrat?
Dieses Treppenhaus schien nun vollgesogen mit Schwarz – Assoziationen an eine riesige Räucherkammer, in der allerdings keine Schinken aufgehängt waren. Türen, Türrahmen, Geländer hatte man verheizt in offnen Feuern – so erfuhr ich im Haus nebenan, früher Residenz des Bürgermeisters, dann Verwaltungsstelle des Roten Kreuzes. in der Kühn’schen Villa waren zuletzt Penner untergeschlüpft, hatten leere Bierflaschen, Weinflaschen, Konservendosen aus den Fenstern geworfen. Schließlich wurde das Haus geräumt, wurden alle Öffnungen im Erdgeschoss mit Brettern verschlossen. Was mit dem Haus künftig geschehen würde, wusste man nicht in der auskunftsbereiten Dienststelle: Vielleicht würde es abge­rissen, vielleicht würde es ein Lager von Rote­Kreuz­Hilfs­gütern, vielleicht würde es verkauft. Das Haus als Ensemble von Höhlen, verrottend.
Das Wichtigste, ins Abstrakte gemildert, berichtete ich dem Vater, der im schmalen Areal des ehemaligen Gartens umherging. Dieser Garten war, im Verhältnis zur Größe des Hauses, recht klein gewesen, war aber optisch erweitert worden durch Blumenrabatten und eine künstliche Grotte. Durch ein Hin­tertürchen war Großvater zur Loge hinübergegangen: Frei­maurer oscar Kühn.
Verpflichtende Werte waren denn auch für den Logen­bruder: Toleranz, Würde des Menschen, Hilfsbereitschaft, Vertrauen, waren Brüderlichkeit und Menschenliebe. Mit schwarzem Schurz und weißen Handschuhen mauerte er ri­tuell mit am sinnbildlichen Bauwerk einer Welt, in der alles zum Wohle des Menschen geschieht.“

 

 2003881-a02554839b4f4c601f491bece5827515.jpg
Dieter Kühn (1 februari 1935 – 25 juli 2015)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Eich werd geboren op 1 februari 1907 in Lebus an der Oder. Zie ook alle tags voor Günter Eich op dit blog.

 

Botschaften des Regens

Nachrichten, die für mich bestimmt sind,
weitergetrommelt von Regen zu Regen,
von Schiefer- zu Ziegeldach,
eingeschleppt wie eine Krankheit,
Schmuggelgut, dem überbracht,
der es nicht haben will –

Jenseits der Wand schallt das Fensterblech,
rasselnde Buchstaben, die sich zusammenfügen,
und der Regen redet
in der Sprache, von welcher ich glaubte,
niemand kenne sie außer mir –

Bestürzt vernehme ich
die Botschaften der Verzweiflung,
die Botschaften der Armut
und die Botschaften des Vorwurfs.
Es kränkt mich, daß sie an mich gerichtet sind,
denn ich fühle mich ohne Schuld.

Ich spreche es laut aus,
daß ich den Regen nicht fürchte und seine Anklagen
und den nicht, der sie mir zuschickte,
daß ich zu guter Stunde
hinausgehen und ihm antworten will.

 

 2003881-8e2c5c8dc4df5b8c3aa6c1b257824811.jpg
Günter Eich (1 februari 1907 - 20 december 1972)
Lebus an der Oder 

 

 

De Schotse schrijfster Muriel Spark werd op 1 februari 1918 geboren als Muriel Sarah Camberg in Edinburgh. Zie ook alle tags voor Muriel Spark op dit blog.

Uit:The Black Madonna

“"I gather from Elizabeth*," said Raymond to Lou, "that there was some element of colour in your family. Of course, you couldn't be expected to know about it. I do think, though, that some kind of record should be kept."
"Oh, shut up," said Lou. "The baby's black and nothing can make it white."
Two days before Lou left the hospital she had a visitor, although she had given instructions that no one except Raymond should be let in to see her. This lapse* she attributed to* the nasty curiosity of the nurses, for it was Henry Pierce come to say goodbye before embarkation*. He stayed less than five minutes.
"Why, Mrs Parker, your visitor didn't stay long," said the nurse. "No, I soon got rid of him. I thought I made it clear to you that I didn't want to see anyone. You shouldn't have let him in."
"Oh, sorry, Mrs Parker, but the young gentleman looked so upset when we told him so. He said he was going abroad and it was his last chance, he might never see you again. He said, 'How's the baby?', and we said, 'Tip-top'.
"I know what's in your mind," said Lou. "But it isn't true. I've got the blood tests."
"Oh, Mrs Parker, I wouldn't suggest for a minute ..."
"She must have went with one of they niggers that used to come."
Lou could never be sure if that was what she heard from the doorways and landings* as she climbed the stairs of Cripps House, the neighbours hushing* their conversation as she approached.
"I can't take to* the child. Try as I do, I simply can't even like it."
"Nor me," said Raymond. "Mind you, if it was anyone else's child I would think it was all right. It's just the thought of it being mine, and people thinking it isn't." "That's just it," she said.
One of Raymond's colleagues had asked him that day how his friends Oxford and Henry were getting on. Raymond had to look twice before he decided that the question was innocent. But one never knew ... Already Lou and Raymond had approached the adoption society. It was now only a matter of waiting for word.”

 

 2003881-ade972a4377e09c0db9c9b7caed66acc.jpg
Muriel Spark (1 februari 1918 – 13 april 2006)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Georg Rendl werd geboren op 1 februari 1903 in Zell am See. Zie ook alle tags voor Georg Rendl op dit blog.

Uit: Haus in Gottes Hand

„Ich sah, daß seine Neugierde größer war als der Hunger der Kuh. Sie hatte die ganze Zeit über dagestanden, ohne einen einzigen Grashalm zu fressen.
Der Wirt trieb sie dann heim.
Wir lernten den Wirt bald inwendig und auswendig kennen. Wir sind gute Nachbarn geworden und geblieben. Nicht selten auch waren wir seine Gäste.
Er war ein verhinderter "Herr": er litt sein ganzes Leben lang darunter, daß er keinen größeren Besitz hatte und daß er trotz peinlicher Sparsamkeit seine kleine Sache nicht vergrößern konnte. Er war ein kluger Mann, schlau und phantasievoll. Er war ein Herr:
Wenn er einem ein Glas Bier hinstellte, hatte man das Gefühl, als erweise er einem eine große Gnade, und wenn man die Zeche bezahlte, so nahm er das Geld mit einer Miene, als wollte er am liebsten darauf verzichten. Man mußte ihn so nehmen, wie er war, und er war ein guter Mensch.
Nach einem Schlaganfall, den er an der Häckselmaschine erlitt, lebte er noch ein paar mühselige Jahre, gelähmt und der Sprache kaum noch fähig. Barbara und ich holten ihn zuweilen im Rollstuhl zu uns in den Garten, und wenn er dann die Blumenpracht sah, so versuchte er "Herbstblumen" zu sagen. Und da es ihm nicht gelang, begann er zu weinen.
Zu ihm kam der Tod als Erlöser.“

 

 2003881-7ae7d1dd1ad5e2c322a47a3e315ff33a.jpg
Georg Rendl (1 februari 1903 – 10 januari 1972) 
Portret door Albert Birkle, z.j.

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e februari ook mijn blog van 1 februari 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten