Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 20 maart 2017 tot 21 maart 2017

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Kees van Beijnum, Jean Paul, Hamid Skif, Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik, Youssef Rzouga

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies elf jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

De narcis

De wereld werd zeer zuiver en zeer groot,
Toen schemering de bleeke lucht vervulde.
En liefelijker vlamde de vergulde
Bloem in het donker hoekje bij de sloot.

Er zijn maar enkelen die haar genaken,
Zij lokt niet en zij weert niet, maar wie kwam,
Wordt priester van haar stille gouden vlam,
En blijft zijn leven lang haar schoon bewaken.

O deze aandachtige ingetogenheid,
Die niet meer om het leven lacht en schreit,
Dit enkel schóón zijn, rijk en goedertieren!

Dit prijken in een storeloos geduld,
Dit heerschen van een stille kracht vervuld,
Om ’t leven als een louter feest te vieren.

 

 2019882-748d8a446821321a5c456af7398c9358.jpg
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog.

 

Strandloopster

De zee te zijn
In deze branding de zee willen zijn

De hardloopster
Ze stempelt sporen in het zand
en weet niets meer dan
dat haar manen de dansende
duinen zijn
Daar verstuift ze

Voor wie het schouwspel
van de stofwolk volgt

Slechts een golf die zich breekt
op de rand van de zee

 

 

Liedje

Juist wanneer we altijd
samen zullen zijn ont-
breekt er iets dat ons tot
enkel jou en mij verkleint

Het paradijs is nu een
schepping die geschapen is
en jij – degene die ik mis –
bestaat volmaakt alleen en

naakt tussen de lakens
De wereld die je kamer is
is eindeloos met jou en mij

We drijven zonder bakens
uit elkaar en worden ik en jij
en afstand die verlangen is

 

 2019882-45b65a6482903193f031eb4bd8cc9c7b.jpg
Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

 

De Nederlandse schrijver Kees van Beijnum werd geboren in Amsterdam op 21 maart 1954. Zie ook alle tags voor Kees van Beijnum op dit blog.

Uit: Het mooie seizoen

“Vijf maanden nadat ze voor het eerst een paar oude sportschoenen aantrok, kan het Beatrijs nog steeds verbazen dat zij het werkelijk is die over het kaarsrechte voetpad aan de rand van de stad rent. Waar de weilanden eindigen staan de oude dorpse huisjes, daarachter de flatgebouwen waar de meesten wonen. Ranke populieren, rijen straatlantaarns die als waterige penseelstreken in de verte bij de viaducten van de ringweg oplossen. Ze hijgt en blaast en zweet. Haar dijen schuren langs elkaar. Ze laat haar blik langs het hoge gras bij de sloot dwalen, op zoek naar haar kat. Sinds zijn verdwijning duikt Plato op de wonderlijkste plekken op, nu eens onder een tuinbank in de buurt van haar huis, dan weer in een fietstunnel aan de andere kant van de stad, en iedere keer is de teleurstelling groot als het niet haar wegloper blijkt te zijn. Ze kent mensen die beweren niet zonder joggen te kunnen, of, erger, dat ze tijdens het lopen in een weldadige roes geraken. Kort nadat Thomas, haar man, naar Zuid-Amerika vertrok voor wat eigenlijk hun gezamenlijke grote reis had moeten zijn, begon ze ermee, twee, drie keer per week, en ze houdt het vol, nog steeds, altijd voor ze aan het werk gaat. Inmiddels heeft ze een betere conditie en nieuwe, verende Nikes, waarmee ze, voorspelde de verkoper van de sportwinkel, haar ongemak en weerzin wel zou overwinnen. Veel plezier beleeft ze er nog steeds niet aan, maar de relatie met haar naakte spiegelbeeld in de badkamer is nog miserabeler. Onsjes, pondjes, kilo’s, in haar gedachten zweeft de wijzer van de weegschaal rond haar streefgetal.
Aan de andere kant van de brug staat het busje dat er een halfuur eerder ok al stond. Even had haar het gevoel bekropen dat de wagen haar met gedimde koplampen zou volgen, maar tijdens het joggen was de verontrusting al snel opgelost in de pijnscheuten in haar flank. De lichten zijn uit nu, misschien is het toch een ander busje. De weerspiegelingen in de voorruit maken het onmogelijk om vast te stellen of er iemand in de wagen zit. Ze bereikt de straat met de hoekige, vrijstaande villa’s, die de grens van de wijk markeren.”

 

 2019882-6b0e3f1d7407c85f3cac87d835368c82.jpg
Kees van Beijnum (Amsterdam, 21 maart 1954) 
Cover

 

 

De Algerijnse dichter, schrijver en journalist Hamid Skif werd geboren op 21 maart 1951 in Oran. Zie ook alle tahs voor Hamid Skif op dit blog.

 

Du hast gegeben

Du hast gegeben
Alles gegeben
Dir bleibt nichts mehr zu geben
Außer Deine gesprenkelten Hände
Am Ende Deiner Arme
Willst Du sie auch noch geben?
Und dann, was gäbest Du als nächstes?

 

 

Der Baum

Ich war gekommen, mich an den höchsten Ast zu knüpfen
Aber der Baum kriegte Angst
Er floh vor dem Geräusch meiner Schritte
Ich habe keinen Baum mehr
An diesem Ort, wo die Menschen nur in ihrem Schatten leben
Und die Hunde im Schatten der Menschen

Wo der Wind eine Kränkung des Himmels ist
Wo der Regen die Festtage frisst

Ich setzte mich in den Sand
Aus meiner Tasche nahm ich einen Zweig Papier
Ich pflanzte ihn in meinen Schatten
Und wurde ebenso groß

Wie der Baum, der den Horizont verdeckt

Vertaald door Andreas Münzner

 

 2019882-bcf2c05642e37714c5f23461decb4f3a.jpg
Hamid Skif (21 maart 1951 – 18 maart 2011)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jean Paul werd op 21 maart 1763 in Wunsiedel geboren. Zie ook alle tags voor Jean Paul op dit blog.

Uit: Flegeljahre

“Solange Haßlau eine Residenz ist, wußte man sich nicht zu erinnern, daß man darin auf etwas mit solcher Neugier gewartet hätte – die Geburt des Erbprinzen ausgenommen – als auf die Eröffnung des Van der Kabelschen Testaments. – Van der Kabel konnte der Haßlauer Krösus – und sein Leben eine Münzbelustigung heißen, oder eine Goldwäsche unter einem goldnen Regen, oder wie sonst der Witz wollte. Sieben noch lebende weitläuftige Anverwandten von sieben verstorbenen weitläuftigen Anverwandten Kabels machten sich zwar einige Hoffnung auf Plätze im Vermächtnis, weil der Krösus ihnen geschworen, ihrer da zu gedenken; aber die Hoffnungen blieben zu matt, weil man ihm nicht sonderlich trauen wollte, da er nicht nur so mürrisch-sittlich und uneigennützig überall wirtschaftete – in der Sittlichkeit aber waren die sieben Anverwandten noch Anfänger –, sondern auch immer so spöttisch dareingriff und mit einem solchen Herzen voll Streiche und Fallstricke, daß sich auf ihn nicht fußen ließ. Das fortstrahlende Lächeln um seine Schläfe und Wulstlippen und die höhnische Fistel-Stimme schwächten den guten Eindruck, den sein edel gebautes Gesicht und ein Paar große Hände, aus denen jeden Tag Neujahrsgeschenke und Benefiz-Komödien und Gratiale fielen, hätten machen können; deswegen gab das Zug-Gevögel den Mann, diesen lebendigen Vogelbeerbaum, worauf es aß und nistete, für eine heimliche Schneuß aus und konnte die sichtbaren Beere vor unsichtbaren Haarschlingen kaum sehen.
Zwischen zwei Schlagflüssen hatt' er sein Testament aufgesetzt und dem Magistrate anvertraut. Noch als er den Depositionsschein den sieben Präsumtiv-Erben halbsterbend übergab: sagt' er mit altem Tone, er wolle nicht hoffen, daß dieses Zeichen seines Ablebens gesetzte Männer niederschlage, die er sich viel lieber als lachende Erben denke denn als weinende; und nur einer davon, der kalte Ironiker, der Polizei-Inspektor Harprecht, erwiderte dem warmen: ihr sämtlicher Anteil an einem solchen Verluste stehe wohl nicht in ihrer Gewalt.
Endlich erschienen die sieben Erben mit ihrem Depositionsschein auf dem Rathause, namentlich der Kirchenrat Glanz, der Polizei-Inspektor, der Hofagent Neupeter, der Hoffiskal Knoll, der Buchhändler Paßvogel, der Frühprediger Flachs und Flitte aus Elsaß. Sie drangen bei dem Magistrate auf die vom sel. Kabel insinuierte Charte und die Öffnung des Testaments ordentlich und geziemend.“

 

 2019882-a9c2f6a9c4beb4bc18065bdc7c2f6c92.jpg
Jean Paul (21 maart 1763 – 14 november 1825) 
Monument in Wunsiedel

 

 

De Duitse schrijver Hubert Fichte werd geboren op 21 maart 1935 in Perleberg, Brandenburg. Zie ook alle tags voor Hubert Fichte op dit blog.

Uit: Detlevs Imitationen „Grünspan”

„Ich vergrößere meine Augen mit Belladonna, verzeichne meine Brauen und die Haut unter den Wimpern zum Tigerlook. Über Mund und Nase ziehe ich bunte fettige Querstreifen wie auf dem Reklamefoto von »etwas Neues bei Christian Dior..«, setze mir eine blonde Perücke auf und ziehe den Paillettenhosenanzug des lesbisch gewordenen operierten Transvestiten an, stülpe den Federhelm auf mit den Papphörnern, binde mir Flamingoflügel um, behänge meinen Gürtel mit Entenfüßen und Korallenästen, werfe den Schleier über und besteige das perlenbestickte Schaukelpferd des Dichters und warte, daß die Hähne über mir geschlachtet werden und man die Daunen mit dem Blut an meinem Schleier festklebt und imitiere Detlev, der die Iphigenie auf Tauris imitiert.“
(…)

„Der Architekt wählt FDP, weil er will, daß die SPD drankommt. Uli wählt CDU, weil Innensenator Schmidt ihn ins Gefängnis gebracht hat. Der Sohn aus gutem Hause glaubt, nun, da die SPD den Paragraphen 175 aufheben half, könne man wieder CDU wählen. Die Tunte aus Marrakech wählt mit all ihren Freunden NPD, um es den jungen Rüpeln zu zeigen. Loddl wählt SPD, weil er will, daß die SPD drankommt.
– Wenn ich SPD wähle, kommt die CDU dran. Vielleicht sollte ich CDU wählen, um die FDP zu stärken. Wenn man ein sozialistisches Deutschland will, ist es nur logisch, die Nazis zu wählen.“

 

 2019882-4393f10b48039015a103da1a2c1e4574.jpg
Hubert Fichte (21 maart 1935 – 8 maart 1986)
Cover 

 

 

De Duitse schrijver en dichter Peter Hacks werd geboren op 21 maart 1928 in Breslau. Zie ook alle tags voor Peter Hacks op dit blog.

Uit: Die Maßgaben der Kunst

„Wollten wir wirklich annehmen, die Kunst kümmere sich um die Physik, dann kämen wir zu der Konsequenz, daß der Kampf mit der Natur ein Gegenstand für die Kunst sei. Daß er das nicht ist, ist schwerer theoretisch zu begründen, als empirisch festzustellen. Alle möglichen Leute haben versucht, die Natur als handelnden Partner in die Kunst einzuführen, und das ist nie etwas geworden. Natürlich ist ein solches Unternehmen besonders unsinnig für den Stückeschreiber, aber auch die Romanciers kommen damit nicht weit.
»Moby Dick« von Melville behandelt, äußerlich gesehen, den Kampf des Menschen mit der Natur. Aber die Natur ist doch da nichts als eine Analogie. Sie ist ein Bild für die Gesellschaft, wie sie Melville damals beschreiben konnte und wollte: nämlich als eine böse, zerstörerische, unübersichtliche und blinde Macht. Die Natur ist kunstfähig nur, wo die Gesellschaft gemeint ist, und das Verhältnis des Menschen zur Natur, wo, anläßlich dieses Verhältnisses, gesellschaftliche Haltungen gezeigt werden. Der Mensch nimmt der Natur gegenüber die gleiche Haltung ein wie der Gesellschaft gegenüber. Er fühlt sich als ihr Subjekt oder als ihr Objekt; er zieht aus ihr Nutzen oder Stimmung; er empfindet sie als vertraut oder fremd, freundlich oder feindlich. Oft projiziert er seine utopischen Vorstellungen von der Gesellschaft in die Natur. Die Natur als solche hingegen geht ihn im Grunde gar nichts an; er ist ja kein Affe mehr. Er produziert sozial, und im Sozialen liegen seine Probleme.
Ich habe hier also einen Punkt nachzutragen, der in der Diskussion noch nicht berührt worden ist. Wir haben noch nicht gesagt, was wir unter den Wissenschaften verstehen wollen, wir haben unser Gesprächsthema noch nicht genügend untersucht. Ich bin der Meinung, daß die Naturwissenschaft, als eine Wissenschaft von den Produktionsmitteln, so klassenindifferent ist wie die Produktionsmittel, und daß folglich der Schriftsteller, der sich nur mit gesellschaftlichen Fragen beschäftigt, das Recht und die Pflicht hat, sie zu vernachlässigen. Ich bin auch der Meinung, daß die Naturwissenschaft auf die Literatur keinen Einfluß hat. Über das blöde Wesen, das Maler und Schriftsteller mit Professor Einsteins Raum und Zeit machen, ist schon geredet worden; Arnold Zweig hat das angedeutet.“

 

 2019882-c5478faefbf779512e4ebed391b1aabe.jpg
Peter Hacks (21 maart 1928 – 28 augustus 2003)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter, dichter, essayist en docent poëzie Michel Bartosik werd geboren in Antwerpen op 21 maart 1948. Zie ook alle tags voor Michel Bartosik op dit blog.

 

Geen strand scheidt vandaag
onze blad aan blad gedroogde
tweespraken van de zee.

Lip aan lip
verlaten wij elkaar,
brokkelend onder
het eeuwenstof der spreeuwen,
zwijgend in het eenzame
gesprek met de zee.

Geen strand scheidt vandaag
onze blad aan blad gedroogde
tweespraken van de zee.

 

 

Reis tot Salzburg

Feestverlichting hangt
in de rivierbocht
stil, onbesteld.

Daaronderdoor
zakt water verder
af naar zijn Donau, laag
en zwart, en kruit de weerspiegeling
niet mee.

Ook wij blijven hier, de avond
is zoals alles voorgeproefde dood, eindelijk
is het hart breekrijp, schenkt morsig, gloriërend
morsig de ogen met onbegrijpelijke schaamte vol, we blijven
beginnen onze woorden
te vinden

…lui dire toute ma tendresse

 

 2019882-5cef397afea83d9e6d25266e58be0a91.jpg
Michel Bartosik (21 maart 1948 – 1 februari 2008)
In 1976

 

 

De Tunesische dichter Youssef Rzouga werd geboren op 21 maart 1957 in Mahdia. Zie ook alle tags voor Youssef Rzouga op dit blog.

 

Ivre d’un peu de verdure

Je m’astreins à un jeu de gym.
Ai-je tort ?
L’ombre m’afflige
Ainsi que l’affreuse rime
De cent gouttes d’eau chaude
Suintant de mes entrecôtes.

Je n’ai plus le bâton magique
Je n’ai plus la même série d’ennemis ou d’amis d’autrefois
Une fois, seul..
Je m’astreins à m’aimer
Ce n’est qu’une gym
Pour gémir, ivre d’un peu de verdure, dans mon yoguème *
Je m’astreins à un rêve restreint :
Me venger d’un hors –jeu
Et d’un double jeu, fou d’un enfant rebelle..

Je m’astreins à penser le monde
Devant tout le monde
Et c’est là.. ma faute
Je m’astreins à gommer ma faute
En escaladant mon petit monde secrètement..
Sans gémir,
Ivre d’un peu de verdure, dans mon poème.

 

 2019882-70e8c41cd652dc8ab7b7d06610fa91da.jpg
Youssef Rzouga (Mahdia 21, maart 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2016 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

Geschreven door Romenu om 18:37 Reageer op dit bericht

David Malouf, Friedrich Hölderlin, Katharina Hartwell, Ralph Giordano, Ricus van de Coevering, Jens Petersen, Benoît Duteurtre, Gerard Malanga, Henrik Johan Ibsen

De Australische schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie alle tags voor David Malouf op dit blog.

 

From a Plague Year

A sign first in the sky, then other tokens,
but plainer, on the flesh. June’s thirty suns
flared and we were tinder. Flies appeared
and bubbled in pools, their green gaze multiplied
the dead. But we, the elected, all that term
kept house, kept shop, kept silence, knowing no harm
would come to us. We paid our taxes, served
on juries, saw men punished or reprieved
from death under the law. God’s eye
was on us. Like a red-hot cautery
it pricked and burned. Who keep His just commandments
shall live. No terror can afflict the saints.

But still each week the numbers swell, the needle
glows. In a devil’s covenant, through all
the colours of the rainbow, pale flesh bruises
black, then stinks and softens. We stop our noses,
the death-cloud blooms. We find its dark seeds scattered
like sunshine, everywhere.
And so we board
our houses up, burn pitch, read in the Book
and choke. By day no footfall, no wheel’s creak
in the cobbled square. At night the town’s aswarm
with cries, a fearful traffic. Dung-carts climb
to where, in moonlit fields, whole families meet
at the real it’s edge, new nameless suburbs greet
new citizens; they seethe like privy holes.

Some say the plague’s a rat, soft-bellied squeals
in the rushes underfoot, a red-eyed fever
that glares. Or blame the Jews. Or claim the air
itself turns poisonous; where warm breath clouds
a glass invisible armies spawn, one word’s
enough to quell a city. It is death
we suck on now. The plague in our mouth.

No help!
Gender of spiders on the tongue
that preaches, curses, pleads, God’s judgment wrung
in black sweat from our limbs. Are we in Bedlam
or is it Hell that rocks us with its flame?
The sickness in this month is grown so general
no man can judge. It comes to this: we kill
our neighbours with the very prayers we sigh
to Heaven. O my Lord, spare me, spare me.

 

 2019587-40c21c66ba72b10f44180a34f2577ce1.jpg
David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook alle tags voor Friedrich Hölderlin op dit blog

 

Der Herbst

Das Glänzen der Natur ist höheres Erscheinen,
Wo sich der Tag mit vielen Freuden endet,
Es ist das Jahr, das sich mit Pracht vollendet,
Wo Früchte sich mit frohem Glanz vereinen.

Das Erdenrund ist so geschmückt, und selten lärmet
Der Schall durchs offne Feld, die Sonne wärmet
Den Tag des Herbstes mild, die Felder stehen
Als eine Aussicht weit, die Lüfte wehen

Die Zweig und Äste durch mit frohem Rauschen,
Wenn schon mit Leere sich die Felder dann vertauschen,
Der ganze Sinn des hellen Bildes lebet
Als wie ein Bild, das goldne Pracht umschwebet.

 

 

Der Winter

Das Feld ist kahl, auf ferner Höhe glänzet
Der blaue Himmel nur, und wie die Pfade gehen,
Erscheinet die Natur, als Einerlei, das Wehen
Ist frisch, und die Natur von Helle nur umkränzet.

Der Erde Stund ist sichtbar von dem Himmel
Den ganzen Tag, in heller Nacht umgeben,
Wenn hoch erscheint von Sternen das Gewimmel,
Und geistiger das weit gedehnte Leben.

 

 

Menons Klagen um Diotima

1
Täglich geh' ich heraus, und such' ein Anderes immer,
Habe längst sie befragt alle die Pfade des Lands;
Droben die kühlenden Höhn, die Schatten alle besuch' ich,
Und die Quellen; hinauf irret der Geist und hinab,
Ruh' erbittend; so flieht das getroffene Wild in die Wälder,
Wo es um Mittag sonst sicher im Dunkel geruht;
Aber nimmer erquickt sein grünes Lager das Herz ihm,
Jammernd und schlummerlos treibt es der Stachel umher.
Nicht die Wärme des Lichts, und nicht die Kühle der Nacht hilft,
Und in Wogen des Stroms taucht es die Wunden umsonst.
Und wie ihm vergebens die Erd' ihr fröhliches Heilkraut
Reicht, und das gärende Blut keiner der Zephire stillt,
So, ihr Lieben! auch mir, so will es scheinen, und niemand
Kann von der Stirne mir nehmen den traurigen Traum?

 

 2019587-ce19e0d8a92278ae599aae157b3c47d5.jpg
Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Monument in Bad Homburg

 

 

De Duitse schrijfster Katharina Hartwell werd geboren op 20 maart 1984 in Keulen. Zie ook alle tags voor Katharina Hartwell op dit blog.

Uit: Das Fremde Meer

„Niemand sonst hatte einen Garten wie meine Großeltern, weitläufig und verwinkelt, und darin gab es alles, Schilf um den Teich, hohe Bäume, ein kleines Gartenhaus voller Spinnweben und einen steinigen, schmalen Weg, der hinunter zum Bach führte. Dort, am Ufer und auch im Bach selbst, spielten wir vor allem im Sommer. Wir häuften Geröll und Äste zu Inseln an, auf denen wir standen und einander zuwinkten. Unsere Vorhaben waren stets ehrgeizig und aussichtslos. Ein Boot wollten wir bauen, eine Brücke, einen Damm. Im Herbst verlegten wir unsere Spiele wieder zurück in den Garten. Unter dem Kastanienbaum errichteten wir aus Ästen, aus Laub, aus Ziegeln, die wir im Keller gefunden hatten, Burgen für die Ewigkeit. Wir spielten zu jeder Jahreszeit draußen. Auch im Winter, auch, wenn es schon früh dunkel wurde und meine Großmutter sich um uns fürchtete. Nur mein Onkel Paul konnte uns überreden, ins Haus zu kommen. Dann durften wir in sein Zimmer, wo alles besonders und anders war: Seine Steinsammlung zeigte er uns, und seine elektrische Schreibmaschine. Paul wollte uns beibringen, Schach zu spielen, aber uns wurde schnell langweilig. Mir wurde schnell langweilig, und ich gab den Ton an. Mir war nicht danach, still zu sitzen und kleine Holzfiguren vor- und zurückzuschieben. Mir war nach großen Expeditionen. Meine Pläne trug ich mit Bestimmtheit vor. Jeden Nachmittag entwarf ich einen neuen Kosmos, legte den Handlungsverlauf unserer Spiele fest, bis in jedes Detail, bis in die Unterhaltungen: Du würdest zum Haus des Jägers kommen, und ich wäre bereits dort. Du würdest fragen, und ich würde sagen. Bei anderen Spielen ging es genau darum, nichts zu planen, nichts zu wissen. Es ging darum, sich im Wald zu verlieren und aufspüren zu müssen. Es ging darum, schneller als der andere zu sein, weniger Angst zu haben. Eines unserer wilderen Spiele bestand darin, dass wir hoch in die Bäume kletterten und uns in die flachen Baumkronen fallen ließen. Wenn uns das Netz der Zweige nicht hielt, krachten wir hinunter auf den Waldboden. Ich zog mir unzählige Kratzer und blaue Flecken zu, aber anders als meine Großmutter es mir voraussagte, brach ich mir nie einen Arm oder ein Bein. Meine Großeltern waren immerzu in Sorge um mich.“

 

 2019587-cb6ff98dbac823bf3b82669ed9c74ee1.jpg
Katharina Hartwell (Keulen, 20 maart 1984)

 

 

De Duitse schrijver en journalist Ralph Giordano werd op 20 maart 1923 in Hamburg geboren. Zie ook alle tags voor Ralph Giordano op dit blog.

Uit:Die Bertinis

“Gab, nachdem der Schneidermeister ihn seiner störenden musikalischen Besessenheit wegen schließlich davongejagt hatte, ein kurzes, zähneknirschendes Intermezzo bei den Carabinieri, floh auch diese Organisation und spielte, zwanzigjährig, unaufgefordert einem großen Blasorchester vor, das Palermo etwas gönnerisch beehrte — die Herren waren Hauptstädte gewohnt. Giacomo schlich in eine Probe, unterbrach sie schrill mit seiner Trompete, blies, blies unerhört, jetzt engelhaft sanft, dann wieder mit mauersprengendem Schall, tremolierend, von schier endlosem Atem. Hielt inne, wartete, griff, als der Himmel nicht einstürzte, nach einem Cello, gab ein furioses Solo und stand nach dem letzten Ton, seiner schlotternden Glieder nicht mehr mächtig, da — Erfolg oder Untergang hatte seine Devise gelautet! Alberto Druso, ein feiner, weißhaariger Mann, hielt die ganze Zeit seinen Stab gesenkt. Sizilianer aus Messina, engagierte er den ungebetenen Gast wortlos durch ein Kopfnicken. Sie schlossen sofort Freundschaft miteinander. Das war 1890. Vier Jahre zog Giacomo mit dieser Kapelle durch die Metropolen des Mittelmeeres — Alexandrien, Athen, Marseille, Konstantinopel, Rom —, ehe sie sich zum erstenmal nach Norden wandte. Damals fand in Hamburg unter dem verheißungsvollen Titel »Venedig an der Elbe« eine Ausstellung statt, ein geschicktes Arrangement von Vergnügen und kommerziellen Interessen des Zitrus-Imports — die Leitung schrie nach einem original-italienischen Orchester. Alberto Drusos Musiker überwanden sich und die Alpen und trafen fröstelnd in Hamburg ein, wo ihr dunkler Charme sogleich grobe Verwirrung stiftete. Noch während des Debuts in der »Central-Halle« verliebte sich eine Zuhörerin aus der ersten Reihe sterblich in den Zweiten Trompeter, einen ebenso hübschen wie unbedeutenden Mann. Gleichzeitig mit ihrem vehementen Gefühl wurde auch ihr unheilvoller Plan geboren. Schon in der Pause bestrickte sie den Trompeter, wich künftig nicht mehr von seiner Seite und zählte bald zum Inventar. Zunächst noch unauffällig, begann sie, die Musiker, zwanzig zum Teil bärtige Italiener, zu beschenken, ehe sie daran ging, sie hemmungslos vor den Augen Alberto Drusos, um dessen Rücktritt es ihr ging, zu korrumpieren. Mammon und undankbares Verhalten obsiegten schließlich. Weinend und ohne verabschiedet zu werden, fuhr der vernichtete Druso nach Messina zurück, was den selbstlosen Gatten des liebestollen Frauenzimmers immerhin an die achtzigtausend Goldmark gekostet hatte.“

 

 2019587-e7f99eab9aac2d63c2082573459bccbb.jpg
Ralph Giordano (20 maart 1923 – 10 december 2014)

 

 

De Nederlandse schrijver Ricus van de Coevering werd op 20 maart 1974 in Asten geboren. Zie ook alle tags voor Ricus van de Coevering op dit blog.

Uit: Noordgeest

“Willem hoorde het dreunen van een diesel en liep naar het raam. Een rondvaartboot schoof tussen de oude gevels voorbij. Terwijl hij naar het flitslicht keek, vroeg hij zich af op hoeveel foto’s hij onbedoeld stond afgebeeld. Zeker honderden en misschien wel duizenden. Pas als die toeristen thuiskwamen en de foto’s goed bekeken, ontdekten ze hem misschien, maar ze zouden niet zien wat hem zo bijzonder maakte.
Toen hij zich van het raam afwendde, sloeg de pendule op de schouw vier en voelde hij een mengeling van melancholie en spanning in hem opkomen omdat het over minder dan een week oud en nieuw was. Negentien tachtig, herhaalde hij een paar keer in gedachten – tachtig, tachtig, om er alvast aan te wennen. Terwijl hij leunend op zijn stok de gang in liep, voelde hij zich met zijn stijve knie wel zeventig jaar oud in plaats van zevenenveertig. Nadat hij zijn lange jas had aangetrokken, bekeek hij zichzelf in de spiegel: hij had duidelijk de haakneus van Ferdinand Janszoon Noordgeest, zijn beroemdste voorvader, medeoprichter van de VOC, wiens levensgrote portret achter hem aan de muur hing. Alsof hij de gelijkenis voor het eerst zag wipte hij trots met zijn hakken van de grond, toen riep hij met zware stem Thomas en Rosa, zijn kinderen.
Thomas kwam uit de achterkamer gelopen met een stripboek in zijn hand. Willem commandeerde hem zijn zus te gaan halen, waarna Thomas de trap op rende. Even later kwam hij naar beneden met een boodschappenbriefje, omdat Rosa geen zin had om mee te gaan.
‘Haas,’ mompelde Willem, toen hij het slordige handschrift van zijn dochter had ontcijferd, daarna opende hij de zware eikenhouten voordeur. Moeizaam, trede voor trede, met één hand aan de leuning en de andere hand stevig om zijn stok geklemd ging hij het trapje naar de gracht af. Het zout dat hij er ’s ochtends gestrooid had, knisperde onder zijn zolen. ‘Maar jij gaat ’m kopen Thomas, want ik zet daar geen voet binnen.’

 

 2019587-98c55f96a44fdf68ff13415dfc0234c9.jpg
Ricus van de Coevering (Asten, 20 maart, 1974)

 

 

De Duitse schrijver en arts Jens Petersen werd geboren op 20 maart 1976 in Pinneberg. Zie alle tags voor Jens Petersen op dit blog.

Uit: Die Haushälterin

„Die HEW hatte ihn vor die Wahl gestellt, nach Japan zu gehen – nicht nach Tokio, sondern in eine kleinere Stadt an der Küste Hokkaidos, wo ein Schneller Brüter gebaut wurde – oder eine Abfindung zu akzeptieren, sechzigtausend Mark. Das erzählte er mir beim Frühstück, an einem Sonntag, einige Tage nach dem Gespräch mit Doktor Steinberg, seinem Chef. Er trug das karierte Flanellhemd mit den abgewetzten Manschetten und strich sein Brötchen mit Leberpastete, nachdem er noch einmal den Deckel der Dose geprüft, das Verfallsdatum kontrolliert und am Inhalt gerochen hatte.
»Sechzigtausend Mark«, sagte er und zupfte die Serviette auf seinem Schoß zurecht.
Ich wußte, daß ihm sein Job gefiel. Er schätzte DoktorSteinberg, und er mochte seine Kollegen. Manchmal sprach er von ihnen, als hätten sich leidenschaftliche Bienenzüchter, Schachspieler und Antiquitätennarren, Physiker allesamt, durch einen glücklichen Zufall gefunden, um die Gefahren der Nukleartechnik mit einer Leichtigkeit zu bannen, die mich an den Computerkurs der Projektwoche erinnerte. Er schwieg, wenn bei Familientreffen von Urlaubsplanung, Überstundenausgleich oder Vorgesetzten die Rede war, als wollte er die HEW vor meinen Onkels und Tanten, die ihre Jobs offenbar haßten, durch sein Schweigen schützen.“

 

 2019587-6ee3af9718012166ae98e1931c556379.jpg
Jens Petersen (Pinneberg, 20 maart 1976)
Pinneberg met de Drostei, de zetel van de vroegere landdrosten

 

 

De Franse schrijver Benoît Duteurtre werd geboren op 20 maart 1960 in Saint-Adresse nabij le Havre. Zie alle tags voor Benoît Duteurtre op dit blog.

Uit: A nous deux, Paris !

« Préservé de cette agitation, le square Gaston-Baty formait un triangle de verdure incliné au milieu de trois rues désertes. D'un côté se dressait un petit hôtel ; de l'autre, un restaurant de fruits de mer. Le gardien coiffé d'un képi était sorti de sa guérite pour arpenter la terre battue ; un enfant jouait devant sa mère dans le bac à sable ; un homme lisait le journal et Jérôme, penché à sa fenêtre, contemplait avec ravissement ce nid de quiétude éclairé par un rayon de soleil à travers les branches. On décrit généralement ce genre d'endroit comme "un coin de province en plein Paris" ; mais, juste en dessous, près de l'immeuble, un couloir public permettait de rejoindre le grand magasin Inno, ses étalages gourmands et ses alignements de breuvages. D'un côté le square provincial, de l'autre le temple de la consommation. Où pouvait-on être mieux au monde que dans cet appartement de quarante mètres carrés équipé d'un téléphone?
- Nulle part ! s'écria Jérôme à voix haute, en se retournant vers son logis.
Surtout quand l'appartement en question était gratuit, fourni par une grand-mère désireuse d'encourager son petit-fils et de faciliter ses débuts. La complicité de cette ardente septuagénaire avait beaucoup compté dans le destin de Jérôme. Tandis que ses parents suivaient avec angoisse l'éveil de sa vocation artistique, Elisabeth Demortelle l'avait toujours discrètement soutenu - peut-être en souvenir de sa trop brève carrière de cantatrice, abandonnée pour le mariage. Elle voyait l'aîné de ses petits-enfants comme son héritier... même sans entendre grand-chose à ses passions lorsqu'il parlait de rock ou se lançait dans de longues improvisations sur son piano, très loin des mélodies de Fauré qu'elle fredonnait encore. Elle avait donc pris sa décision sans hésiter : l'appartement qu'elle possédait square Gaston-Baty constituerait une base de départ. Pour sa première année à Paris, Jérôme en disposerait pleinement. Après quoi les lois de l'équité familiale obligeraient le jeune homme à céder la place si l'un de ses cousins venait étudier à son tour. Pour l'heure, il avait carte blanche : douze mois pour partir à la conquête de la grande ville."

 

 2019587-76c2abda8e76617fe1bde719940a5fed.jpg
Benoît Duteurtre (Saint-Adresse, 20 maart 1960)

 

 

De Amerikaanse dichter en fotograaf Gerard Joseph Malanga werd geboren op 20 maart 1943 in New York.Zie alle tags voor Gerard Malanga op dit blog.

 

Cornelius ... Cornelius Gurlitt

How tired are you? How benevolent the cause

for those slim, aching moments of blinding obscurity,
and the blinds drawn and the sunlight louvered
until even the knickknacks cling to their dust as to Time
passing passing, if even that. The yearning
to be not bothered, to be passed on the street,
the rehab, the food mart, the many shoppe window reflections. So many
times, the eyes averted in fear,
so many times you remain obscure, even to your more obscured self.
A silence charting your whereabouts
at the many roundabouts,
the Tenderloins forever unnamed.
Even the sounds of the half-painted trams remain silent
in passing. Their wheels grinding yet silent. The rain
silent. The accusations even more silent,
or the “friends” who never talk back, clouded in darkness.
The landscapes drifting.
The equestrian trots drifting.
All the genres mixed up or simply misplaced.
The memories gone blank.
The mundane measured in hours, minutes, or decades, intervening, descending.

 

 2019587-19db4e092b14238f1bd3f2252430380a.jpg
Gerard Malanga (New York, 20 maart 1943)

 

 

De Noorse toneelschrijver en dichter Henrik Johan Ibsen werd geboren op 20 maart 1828 in Skien. Zie ook alle tags voor Henrik Ibsen op dit blog.

Uit: Pillars of Society (Vertaald door R. Farquharson Sharp)

“After a moment AUNE comes in quietly through the door on the right. There is a slight interruption in the reading. MRS. BERNICK nods to him and points to the door on the left. AUNE goes quietly across, knocks softly at the door of BERNICK'S room, and after a moment's pause, knocks again. KRAP comes out of the room, with his hat in his hand and some papers under his arm.)
KRAP: Oh, it was you knocking?
AUNE: Mr. Bernick sent for me.
KRAP He did--but he cannot see you. He has deputed me to tell you--
AUNE: Deputed you? All the same, I would much rather--
KRAP: --deputed me to tell you what he wanted to say to you. You must give up these Saturday lectures of yours to the men.
AUNE: Indeed? I supposed I might use my own time--
KRAP: You must not use your own time in making the men useless in working hours. Last Saturday you were talking to them of the harm that would be done to the workmen by our new machines and the new working methods at the yard. What makes you do that?
AUNE: I do it for the good of the community.
KRAP: That's curious, because Mr. Bernick says it is disorganising the community.”

 

 2019587-3bf69c5fcb2ee7bd85fb26546bc5c336.jpg
Henrik Johan Ibsen (20 maart 1828 – 23 mei 1906)
Scene uit een opvoering in Kiel, Duitsland, 2015

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e maart ook mijn blog van 20 maart 2016 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:54 Reageer op dit bericht

Roman Libbertz

De Duitse dichter, schrijver en schilder Roman Libbertz werd geboren op 20 maart 1977 in München. Om zijn rechtenstudie aan de Ludwig-Maximilian-Universiteit te financieren, werd hij in 1997 op 19-jarige leeftijd evenementenmanager van de P1 Club en heeft hij aldus "mede vormgegeven aan wat er in de bars en disco's van München gebeurt" (Süddeutsche Zeitung). Van 2000-2005 organiseerde hij de evenementenreeks "Luna Lounge" in heel Duitsland. In 2007 exposeerde Libbertz zijn schilderijen in de galerie Holzstrasse. In 2007 presenteerde hij met “Triebjagd oder 31 gute Nachtgeschichten” zijn eerste bundel met korte verhalenboek. In 2009 verscheen zijn poëziebundel “Mit Liebe”, in 2010 gevolgd door “Mit mehr Liebe”, en in 2012 door “63 x Liebe”. Van 2008 tot 2009 was Libbertz wekelijks te zien op Sky televisie in een programma over literatuur. Libbertz schrijft recensies en verzorgt interviews en columns voor verschillende tijdschriften (Face, Blank magazine, critics + compliments, 1000 characters, etc.). In 2013 schreef en regisseerde hij zijn eerste korte film genaamd “Nullgefühl”. In het najaar van 2015 publiceert hij samen met co-auteur Ariane Sommer “Lieben Lassen”, een tweedelige roman met een sterke erotische twist.

 

Mitten ins Herz

Ein Paar sind wir im Abschied,
in den gedehnten letzten Blicken,
wie ein markerschütternder Schrei,
leise, dass mich keiner hört,
Mit diesem Blick in deinen Augen hat es angefangen.

Ein Kampf, dessen Ende für uns Beide absehbarer war,
als alles was wir uns bis dahin bewiesen,
Verlangen und Geborgenheit
vom Damokles Dolch erstochen
mitten ins Herz.

 

 

Auf dem Feld

Grün wie tauperlige Grashalme, 
hellbraun wie das Kornfeld,
rot wie die widerspenstige Blüte der Wiesenflockenblume,
dessen Glanzkern das Sonnenlicht reflektiert.

Du warst surreal,
wenig wie der Rest der Welt,
und für mich gemalt.

Grau wie der Himmel vor dem Sturm,
weiss wie die ersten Blitze,
gelb-schwarz wie die nach Schutz suchenden Bienen,
um nicht an Verdunstungskälte zu sterben.

Du warst surreal,
wenig wie der Rest der Welt,
und für mich gemalt.

Schwarz wie die schlagartig hereinbrechende Nacht,
gelb wie die gewaltigen Entladungen,
und schließlich nur lila zwischen Himmel und Erde,
um mich endgültig zu vereinnahmen.

Du warst surreal,
Gewitter,
wenig wie der Rest der Welt,
Gewitter,
und für mich gemalt.

 

 2107934-69640ce12b68135baa69838649c77959.jpg
Roman Libbertz (München, 20 maart 1977)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten