Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 27 maart 2017 tot 28 maart 2017

Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Nelson Algren, Marianne Frederiksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas, Éric-Emmanuel Schmitt

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: De vreemdelinge

`Ze zit al de hele middag bij Dries', zei Lea toen hij binnenkwam en automatisch naar de witte muur keek, waar tot zijn opluchting Poesjkin zijn oude plaats had ingenomen. Wie?' Wil je koffie of ga je onmiddellijk door naar je werkkamer?' `Melk en suiker.' Die dochter van Morris, die Tess.' `0.' Bram had niets aan Lea verklapt over haar komst. 'Is het woensdag vandaag?' Hij blikte naar de scheurkalender. Terwijl ze samen koffiedronken, hield Bram zich van den domme, maar hij probeerde er toch achter te komen wat er in Lea's hoofd omging. Die twee lijken goed met elkaar op te schieten. Amber zegt dat hij hele nachten met haar zit te chatten.' `Amber heeft al ge-sms't dat het een beeldschone, vlotte en attente meid is. Ik geloof dat die al in stilte hoopt dat het wat wordt tussen die twee. Ze wil de jongelui niet voor de voeten lopen en sleept Raf straks mee de stad in om geld uit te geven. Ze heeft ook gevraagd of ik hun vanavond te eten wil geven.' 'Ik mik het', zei Bram. 'Het geurt hier naar een galadiner.' Ze lachten elkaar toe. Lea was blij dat ze weer eens voor iemand anders kon zorgen, en Bram omdat hij hoopte dat Tess zijn oude dag zou verblijden. Om niet de ongezond nieuwsgierige te lijken die hij in dit geval weliswaar was, liep hij na zijn koffie bij Raf binnen en veinsde interesse door te vragen hoe de zaken gingen. Raf keek echter alsof er zopas iemand overleden was. Hij maakte van achter de toonbank een brede, wat lusteloze zwaai. Pas nu zag Bram dat de zaak op een studente met een rugzakje na leeg was, en dat zijn vraag weleens als leedvermaak had kunnen klinken, als een nakomend maar onuitgesproken verwijt ook. Zie je wel, ik had je toch gewaarschuwd? "t Komt door dat aanhoudende hondenweer', zei Raf.
`Zelfs bij De Keten is het de dood in de pot. Een krant, een weekblad, meer niet.' Trek het je maar niet aan, bij de eerste droge dag komen ze allemaal uit hun schuilhokken gekropen.' `Zo is dat!' Bram stak bij wijze van groet zijn hand op en liep naar buiten. Hij deed een paar passen naar rechts, alsof hij daar een of andere boodschap te doen had, maar toen keerde hij op zijn schreden terug, blikte als een spion door de glazen deur en repte zich, toen hij zag dat Raf de studente met de tas stond te gerieven, snel en ongemerkt naar het antiquariaat. Er was niemand in de winkel. Ze waren dus in het magazijn. Voorzichtig duwde hij de deur open en omvatte met een hand de klepel van het ouderwetse belletje om hen niet aan het schrikken te maken en om eventueel geluidjes op te kunnen vangen van een flirt- of vrijpartijtje, maar onthutst hoorde hij dat in het magazijn een heftige discussie gaande was.”

 

 2021970-d66a8ad85a9520d490d0f5d2b1bb362f.jpg
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)

 

 

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: De republiek

“Hitler Lima was inmiddels op leeftijd, maar hij liep rechtop, zijn borst vooruit. Een trotse man. Een gaucho. Hij had nog een volle bos zilverwit haar, een dikke, rechthoekige snor. Aan zijn heup bungelde een holster die nu leeg was, maar zodra hij naar buiten ging, vertelde hij, de provincie in, stak hij zijn zesschotsrevolver bij zich. Hij leidde me door zijn huis en liet me in de tuin kennels zien waar vier dobermanns in zaten, hun vacht zwart en glanzend. Eentje liet hij naar buiten, die meteen in de houding ging zitten, oren recht overeind. Lima gooide een snoepje op de grond en de hond bewoog niet. Tien, twintig seconden gingen voorbij voordat hij een seintje gaf en de hond op het snoepje dook. Mevrouw Lima bracht ons vanuit de keuken een schotel met koffie en koekjes, die ze geroutineerd op haar rollator balanceerde. De koekjes had ze speciaal voor mijn bezoek gebakken en na één hap zei ik haar al hoe lekker ze waren.
– Eigenlijk zouden we moeten afspreken dat dit gesprek op onze voorwaarden verloopt, zei meneer Lima.
– Misschien kun je de vragen vooraf geven, zodat hij – mevrouw Lima noemde zijn naam niet – van tevoren kan bepalen waarover hij wel of niet wil praten.
– Er is geen vooraf, zei ik. Ik ben hier nu. Mevrouw Lima en haar man deelden een blik en het was niet duidelijk in wiens voordeel de dialoog was beslist, maar meneer Lima begon met praten. Hij groeide in de binnenlanden op, in een plantagedorpje tussen de uitlopers van de Garenta-rivier. Tegenwoordig was het dorpje overwoekerd door de jungle en zo goed als vergeten, behalve door een handjevol archeologen en historici dat het ossuarium bezocht dat net als in avonturenromans achter een waterval iets verderop lag verscholen. Het waren de botten, schedels en ruggengraten van Mapuche-indianen die vanaf de zestiende eeuw systematisch door conquistadores waren opgejaagd en uitgemoord. Hitlers vader nam hem daar mee naartoe, als kind al, ze klauterden twee uur voordat ze in de grot waren en in het stille donker glommen de beenderen als de maan en zijn vader zei hem dat hij nergens bang voor moest zijn, zeker niet voor de doden.
Lima was een social climber, vertelde hij. In de provincie was hij misschien de zoon van een prominent, in de stad was hij in de eerste plaats een provinciaal. Toen hij in uniform op straat in Santiago bekeuringen uitschreef, beten wildparkeerders hem toe dat hij naar de jungle moest oprotten; als zedenagent lachten junkies en hoertjes hem uit om zijn accent: ‘Ik heb het meegemaakt dat pooiertjes en moordenaars me ongevraagd richtingaanwijzingen gingen geven. Het was ronduit gênant.’

 

 2021970-ebf6be69d78bcb94958b7a59f81f7d28.jpg
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

 

 

De Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa werd geboren op 28 maart 1936 in Arequipa. Zie ook alle tags voor Mario Vargas Llosa op dit blog.

Uit: Conversation in the Cathedral (Vertaald door Gregory Rabassa)

“Your old lady made her complaints to the senator’s wife about the San Marcos business,” he said.
“She can take her complaints to the King of Rome,” Santiago said.
“If San Marcos upsets them so much, enroll at the Catholic University, what difference does it make to you?” Popeye said. “Or are they tougher at the Catholic University?”
“My folks don’t give a damn about that,” Santiago said. “They don’t like San Marcos because there are half-breeds there and because there’s a lot of politics, only for that reason.”
“You’ve got yourself into a bind,” Popeye said. “You’re always against everything, you put everything down and you take things too much to heart. Don’t give your life a bitter taste just for the hell of it, Skinny.”
“Put your advice back in your pocket,” Santiago said.
“Don’t act as if you were so smart, Skinny,” Popeye said. “It’s all right for you to be a grind, but there’s no reason for thinking that everyone else is a half-wit. Last night you treated Coco in a way that made me wonder why he didn’t kill you.”
“If I don’t feel like going to mass I don’t have to make excuses to that sexton,” Santiago said.
“You’re playing the atheist too now,” Popeye said.
“I’m not playing the atheist,” Santiago said. “The fact that I don’t like priests doesn’t mean that I don’t believe in God.”
“What do they say at home about your not going to church?” Popeye asked. “What does Teté say, for example?”
“That business about the Indian girl has got me all bitter, Freckle Face,” Santiago said.
“Forget about it, don’t be a fool,” Popeye said. “Speaking of Teté, why didn’t she come to the beach this morning?”

 

 2021970-360768fc27a31afa8c0eb50e770fa4ca.jpg
Mario Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936)
De kathedraal van Arequipa

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Chrétien Breukers werd geboren op 28 maart 1965 in het Limburgse Leveroy. Zie ook alle tags voor Chrétien Breukers op dit blog.

Uit: Een zoon van Limburg

“Limburg bestaat niet, Limburg is na 1830 — na de Belgische revolutie — op moeizame wijze in elkaar gezet en ten slotte, pas in 1839, ingelijfd bij Nederland. Wat nu Limburg heet, was een lappendeken van staatjes, hertogdommen en grafelijke gebieden, die vanaf de vroege middeleeuwen onder allerlei soorten van gezag hebben gestaan — van de hertog van Gelre tot de keizer van Oostenrijk. Conflicten werden om de haverklap in dit gebied uitgevochten, wat de eenheid niet ten goede kwam. De provincie die zich uitstrekt van Eijsden, dicht tegen Belgisch Limburg, tot Mook, dicht bij Gelderland, is nog steeds een fremdkörper binnen Nederland, een provincie waarover mensen, ook mensen die ik hoogacht, de meest abjecte onzin uitkramen, uit kwaadaardigheid en misplaatste superioriteitsgevoelens. Door de eeuwen heen, ondanks de woelige geschiedenis en de daaropvolgende relatief rustige inbedding bij Nederland, heeft Limburg het wantrouwen jegens 'de Hollanders' (dat zijn alle Nederlanders buiten Limburg) nooit helemaal kunnen afschudden — en dat is wederzijds. Limburg hoort niet bij Nederland, en Nederland interesseert zich niet voor Limburg; Nederland en Limburg zijn tot elkaar veroordeeld. Limburg gedraagt zich in deze verhouding als het kind dat meer en meer wil graaien in de Nederlandse subsidiepot; Nederland gedraagt zich alsof Limburg een lastig, jengelend kind is. Dat laatste klopt min of meer, maar de vraag waaróm het kind toch zo jengelt, blijft niet-gesteld.
Limburg is de gemiddelde Nederlander (`Hollander') zó vreemd, dat het mij gedurende mijn verblijf in 'Holland' regelmatig overkwam dat allerlei mensen, mensen die konden rekenen en schrijven, mensen die min of meer functioneerden in het maatschappelijk bestel, mij vroegen of 'dat nou een beetje uit te houden was, in Limburg', of ze zeiden 'ik ben er nooit geweest, maar het schijnt wel mooi te zijn, met heuvels'. Desgewenst wilden die mensen wel toegeven dat ze er 'wel eens doorheen gereden waren', op weg naar Duitsland of België. De gemiddelde Nederlander ként Limburg niet. Dat is desinteresse. Die maar al te vaak de vorm van minachting aanneemt. Zo gebruikte Jan Blokker sr. de woorden 'rooms', 'katholiek' en 'Limburger' alleen maar pejoratief. Dat is verklaarbaar uit de verzuiling, toen Blokker zijn journalistieke hoogtijdagen beleefde, maar wel erg achterhaald en bij tijd en wijle ronduit onbeschoft.”

 

 2021970-ebb6137f991cd986c81c428a7a6127d8.jpg
Chrétien Breukers (Leveroy, 28 maart 1965)
Leveroy

 

 

De Amerikaanse schrijver Nelson Algren werd geboren op 28 maart 1909 in Detroit. Zie ook alle tags voor Nelson Algren op dit blog.

Uit: Chicago: City on the Make

“To the east were moving waters, as far as eye could follow. To the west a sea of grass as far as wind might reach.
Waters restlessly, with every motion, slipping out of used colors for new. So that each fresh wind off the lake washed the prairie grasses with used sea-colors: the prairie moved in the light like a secondhand sea.
Till between the waters and the wind came the marked-down derelicts with the dollar signs for eyes.
Looking for any prairie portage at all that hadn’t yet built a jail.
Beside any old secondhand sea.
The portage’s single hotel was a barracks, its streets were pig-wallows, and all the long summer night the Pottawattomies mourned beside that river: down in the barracks the horse-dealers and horse-stealers were making a night of it again. Whiskey-and-vermilion hustlers, painting the night vermilion.
In the Indian grass the Indians listened: they too had lived by night.
And heard, in the uproar in the hotel, the first sounds of a city that was to live by night after the wilderness had passed. A city that was to roll boulevards down out of pig-wallows and roll its dark river uphill.
That was to forge, out of steel and blood-red neon, its own particular wilderness.
Yankee and voyager, the Irish and the Dutch, Indian traders and Indian agents, halfbreed and quarterbreed and no breed at all, in the final counting they were all of a single breed. They all had hustler’s blood. And kept the old Sauganash in a hustler’s uproar.
They hustled the land, they hustled the Indian, they hustled by night and they hustled by day. They hustled guns and furs and peltries, grog and the blood-red whiskey-dye; they hustled with dice or a deck or a derringer. And decided the Indians were wasting every good hustler’s time.
Slept till noon and scolded the Indians for being lazy.
Paid the Pottawattomies off in cash in the cool of the Indian evening: and had the cash back to the dime by the break of the Indian dawn.”

 2021970-f60e2c54c4320d59aa8eb8dd03059f38.jpg
Nelson Algren (28 maart 1909 - 9 mei 1981)
Cover 

 

 

De Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson werd geboren in Göteborg op 28 maart 1927. Zie ook alle tags voor Marianne Fredriksson op dit blog en ook alle tags voor M. Fredriksson op dit blog.

Uit: According to Mary Magdalene (Vertaald door Joan Tate)

"As she was making breakfast, her curiosity overcame her and became compelling. I'll go. I'll put on my black mantle and a veil over my face. No one will recognize me.
It had gone well and no one had noticed her, a black crow among all the other black crows.
She could not sleep the night after the meeting, nor weep, although it was grief afflicting her, her heart, beating as if about to burst.
She got up and tried walking across the floor, but her legs would not carry her. For a while she tried blowing life into her old hatred of Simon and all those damned fishermen. And of Jesus himself, he who had preferred a cruel death to a life with her.
But her bitterness had gone.
Suddenly, with crystal clarity appeared the memory of her last meeting with the disciples in that dark hall in Jerusalem the man with the water jar had taken them to, the sun making its way through the high windows and weaving rays of glittering dust through the air. And the words, asking her, "Give us the words he spoke to you and which we do not know."
She could see now the men were weeping. How strange that she had forgotten their despair, she thought. Then she heard her own young voice.
"I saw the Lord in a vision and greeted him. He said: `Blessed are those who are not afraid of the sight of me. Wherever is your spirit lies the treasure.'"
She was so eager, she failed to notice the faces of the men round the table clouding over, and untiringly she went on telling them what he had said.
"'Be of good cheer, the Son of Man is within you. Follow him, he who seeks him will find him. Write no laws of this that I have revealed to you. Write no laws as the scribes do.'"

 

 2021970-20ba555b7d8ab0ec4653ea57b92f7aeb.jpg
Marianne Frederiksson (28 maart 1927 – 11 februari 2007)

 

 

De Amerikaanse schrijver Russell Banks werd geboren op 28 maart 1940 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Russell Banks op dit blog.

Uit: Voyager

“Aman who's been married four times has a lot of explaining to do. Perhaps especially a man in his mid-seventies from northern New England who has longed since boyhood for escape, for rejuvenation, for wealth untold, for erotic and narcotic and sybaritic fresh starts, for high romance, mystery, and intrigue, and who so often has turned those longings toward the Caribbean. Why the Caribbean? Who can reliably say? Whether arriving as conquistador or castaway, as fugitive fmancier or packaged tourist or backpacking lonely planeteer, whether costumed as Ponce de Leon or Robinson Crusoe or Errol Flynn or Robert Vesco or the little-known American writer bearing the name of Russell Banks, early on I got yanked by the bright green islands and turquoise seas of the Caribbean out of myself and home into high-definition dreams that I projected onto my larger world like a hologram. And while some of my dreams were innocent enough or merely naive, like Crusoe's, and some reckless, like Flynn's, all of them got broken and re-formed by the reality of the place and the people who lived there: Ponce got slain by the natives on a south Florida beach; Crusoe, meeting Friday, learned humanity and went home a better man; Flynn, sailing to Jamaica, stepped ashore as Captain Blood; Vesco, conning Fidel, died in jail for it. And Russell Banks, that little-known writer from New England—it's still unclear what broke and re-formed him there. It's certain that something about the Caribbean draws Europeans and, especially, North Americans out of their accustomed lives. One rarely goes there solely to satisfy one's curiosity. It's not the semitropical winter climate and the white sands, either—although that's the usual explanation. That's what's advertised. And it's not the myth of long-delayed, long-desired release from puritanical inhibitions. Also much promoted. One travels to the Antilles driven by vague desires, mostly unexamined, rarely named, never advertised. One goes like a bee to a blossom, as if drawn by some powerful image of prelapsarian beauty and innocence, where life as one has grown used to it at home—polluted and corrupt and cold and erotically constricted and dark—has somehow been kept from the garden.“

 

 2021970-215fd296dd7d3e1813b0649262d2887f.jpg
Russell Banks (Newton, 28 maart 1940)
Cover

 

 

De Franstalige dichter uit Guyana Léon-Gontran Damas werd geboren op 28 maart 1912 in Cayenne. Zie ook alle tags voor Léon-Gontran Damas op dit blog.

 

La complainte du nègre

Pour Robert Goffin

Ils me l'ont rendue
la vie
plus lourde et lasse

Mes aujourd'hui ont chacun sur mon jadis
de gros yeux qui roulent de rancoeur
de honte

Les jours inexorablement
tristes
jamais n'ont cessé d'être
à la mémoire
de ce que fut
ma vie tronquée

Va encore
mon hébétude
du temps jadis
de coups de corde noueux
de corps calcinés
de l'orteil au dos calcinés
de chair morte
de tisons
de fer rouge
de bras brisés
sous le fouet qui se déchaîne
sous le fouet qui fait marcher la plantation
et s'abreuver de sang de mon sang de sang la sucrerie
et la bouffarde du commandeur crâner au ciel.

 

 2021970-9b9e6d4210cbae42b60a8b5967b6580a.jpg
Léon-Gontran Damas (28 maart 1912 – 22 januari 1978)
Cover CD bij zijn 100e geboortedag

 

 

De Franse schrijver en dramaturg Éric-Emmanuel Schmitt werd geboren op 28 maart 1960 in Lyon. Zie ook alle tags voor Éric-Emmanuel Schmitt op dit blog.

Uit: Le visiteur

"..Ce siècle sera l'un des plus étranges que la terre ait portés. On l'appellera le siècle de l'homme, mais ce sera le siècle de toues les pestes. Il y aura la peste rouge, du côté de l'Orient, et puis ici, en Occident, la peste brune, celle qui commence à se répandre sur les murs de Vienne et dont vous ne voyez que les premiers bubons : bientôt elle couvrira le monde entier et ne rencontrera presque plus de résistance. .....
Et il y aura d'autres pestes, mais à l'origine de toues ces pestes, le même virus, celui même qui t'empêche de croire en moi : l'orgueil : Jamais l'orgueil humain n'aura été si loin. Il fut un temps où l'orgueil humain se contentait de défier Dieu ; aujourd'hui, il le remplace. Il y a une part divine en l'homme : c'est celle qui lui permet, désormais, de nier Dieu. Vous ne vous contentez pas à moins. Vous avez fait place nette : le monde n'est que le produit du hasard, un entêtement confus des molécules : Et dans l'absence de tout maître, c'est vous qui désormais légiférez. Etre le maître... ! Jamais cette folie ne vous prendra le front comme en ce siècle. Le maître de la nature : et vous souillerez la terre et noircirez les nuages : Le maître de la matière : et vous ferez trembler le monde ! Le maître de la politique : et vous créerez le totalitarisme : Le maître de la vie : et vous choisirez vos enfants sur catalogue : Le maître de votre corps : et vous craindrez tellement la maladie et la mort que vous accepterez de subsister à n'importe quel prix, pas vivre mais survivre, anesthésiés, comme des légumes en serre : Le maître de la morale : et vous penserez que ce sont les hommes qui inventent les lois, et au fond tout se vaut, donc rien ne vaut : Alors le Dieu sera l'argent, le seul qui subsiste, on lui construira des temples de partout dans les villes, et tout le monde pensera creux, désormais, dans l'absence de Dieu".

 

 2021970-f65c5d532368ca2ff41a058e034b2128.jpg
Éric-Emmanuel Schmitt (Lyon, 28 maart 1960)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.



Geschreven door Romenu om 18:29 Reageer op dit bericht

Steye Raviez

De Nederlandse fotograaf en schrijver Steye Raviez werd geboren in Amsterdam op 28 maart 1943. Hij kreeg vooral bekendheid door zijn portretten van de schrijver Gerard Reve. Hij begon zijn carrière in 1965 als vormgever voor de Haagse Post, maar stapte allengs over naar de fotografie. In 1985 stapte hij over naar Vrij Nederland, waarvoor hij werkte tot 2001. Zijn specialiteit was de portretfotografie. Gerard Reve noemde hem zelfs zijn "hoffotograaf". Samensteller Joop Schafthuizen nam enkele van Raviez’ foto's op in Album Gerard Reve (1983), en later bundelde hij zijn portretten van Reve zelf in Raviez’ Reve (2001). Raviez heeft ook oorlogsreportages gemaakt vanuit Koeweit tijdens de Golfoorlog van 1990-1991, en ook heeft hij de krakersrellen in Amsterdam vastgelegd. Hij heeft vier keer de Zilveren Camera gewonnen. Het boek “De beste mensenfotograaf die ik ken” (2016) geeft een algemeen overzicht van zijn foto's en teksten. Na zijn fotoloopbaan heeft Raviez zich toegelegd op het schrijven van literaire thrillers als “The end: jacht op een primeur” (2000), “Vuile streken” (2006) en “Addergebroed” (2010). Twee boeken, “Spion”, een dubbelbiografie van zijn ouders, en de roman “Het reisbureau” verschenen postuum in 2017.

Uit: Spion

“Eedouard Raviez, Fransman en politiek vluchteling, arriveerde in 1934 in Nederland.
Met hulp van de communistische organisatie Rote Hilfe was hij gevlucht uit Duitsland, waar Hitler de macht gegrepen had en communisten en Joden voor hun leven moesten vrezen.
Edouard dook onder in Den Haag bij het aan het toneel verbonden echtpaar Van Gasteren die, net als de onderduiker, communistische idealen koesterden en verspreidden.
Beide echtelieden hadden Moskou bezocht en waren diep onder de indruk geraakt van de culturele verworvenheden van de jonge Sovjetstaat. Hun tienjarige zoon Louis kreeg een speciale band met de onderduiker, doordat deze zich al snel manifesteerde als een substituut opvoeder van de jeugdige Van Gasteren, wiens ouders zelden aanwezig waren.
Raviez bleek daarbij een onuitwisbare indruk op de jongen te hebben gemaakt. Hij gaf alle aandacht aan Louis, vervaardigde een kinderbiljart en wist met zijn encyclopedische kennis wereldse zaken duidelijk uit te eggen. Dat alles maakte hem in de ogen van Louis interessant en mysterieus.
Na enige maanden verdween Raviez weer uit het leven van de familie Van Gasteren. Jaren later, omstreeks 1950, zochten Louis senior en junior hem een keer uit pure nieuwsgierigheid op.
Edouard Raviez bleek in de jaren dertig te zijn getrouwd met een Nederlandse vrouw, Geertruida Foskea Kuiper, en een gezin te hebben gesticht. Omringd door zijn grote collectie boeken woonde hij in de Helmersstraat boven een volkscafé en werkte hij veelal als vertaler voor diverse bedrijven en uitgeverijen.Zo herinnerde Louis van Gasteren zich Edouard Raviez.
Vele jaren later, in 1990, ontmoette hij mij. Ik was fotojournalist en onze ontmoeting vond plaats bij fotolaboratorium Kleurgamma, waar hij achter mij op zijn beurt stond te wachten.
Bij het afroepen van mijn naam porde de beroemde documentairemaker die hij was geworden mij met een vinger in de zij om te vragen of ik soms de zoon was van Edouard Raviez.
Die had hij namelijk goed gekend.”

 

 2112010-0cc8028cde79aa2496ea24565101d995.jpg
Steye Raviez (28 maart 1943 - 20 februari 2017)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Heinrich Mann, Shusaku Endo, Golo Mann, Carolina Trujillo, Patrick McCabe, Bob den Uyl, Dubravka Ugresić, Francis Ponge, Marie Under

De Duitse schrijver Heinrich Mann werd geboren op 27 maart 1871 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Heinrich Mann op dit blog.

Uit: Professor Unrat

„Unrat stampfte auf:
»Stille!... Und Sie, von Ertzum, merken Sie sich, daß Sie nicht der erste Ihres Namens sind, den ich in seiner Laufbahn – gewiß nun freilich – beträchtlich aufgehalten habe, und daß ich Ihnen auch ferner Ihr Fortkommen, wenn nicht gar unmöglich machen, so doch, wie seinerzeit Ihrem Onkel, wesentlich erschweren werde. Sie wollen Offizier werden, nicht wahr, von Ertzum? Das wollte Ihr Onkel auch. Weil er jedoch das Ziel der Klasse nie erreichte und das Reifezeugnis für den Einjährig-Freiwilligen-Dienst – aufgemerkt nun also – ihm dauernd versagt werden mußte, kam er auf eine sogenannte Presse, wo er jedoch ebenfalls gescheitert sein mag, so daß er endlich nur infolge eines besonderen Gnadenaktes seines Landesherrn – doch nun immerhin – den Zutritt zur Offizierskarriere erlangte, die er dann aber, scheint es, bald wieder unterbrechen mußte. Wohlan! Das Schicksal Ihres Onkels, von Ertzum, dürfte auch das Ihre werden oder doch dem jenes sich ähnlich gestalten. Ich wünsche Ihnen Glück dazu, von Ertzum. Mein Urteil über Ihre Familie, von Ertzum, steht seit fünfzehn Jahren fest ... Und nun –«
Hierbei schwoll Unrats Stimme unterirdisch an.
»Sie sind nicht würdig, an der erhabenen Jungfrauengestalt, zu der wir jetzt übergehen, Ihre geistlose Feder zu wetzen. Fort mit Ihnen ins Kabuff!«
Von Ertzum, langsam von Verständnis, lauschte noch immer. Vor angestrengter Aufmerksamkeit ahmte er unbewußt mit den Kiefern die Bewegungen nach, die der Professor mit den seinigen vollführte. Unrats Kinn, in dessen oberem Rand mehrere gelbe Gräten staken, rollte, während er sprach, zwischen den hölzernen Mundfalten wie auf Geleisen, und sein Speichel spritzte bis auf die vorderste Bank. Er schrie auf:
»Sie haben die Kühnheit, Bursche!... Fort, sage ich, ins Kabuff!«
Aufgescheucht drängte von Ertzum sich aus der Bank hervor. Kieselack raunte ihm zu:
»Mensch, wehr dich doch!«
Lohmann, dahinter, verhieß unterdrückt:
»Laß nur, den kriegen wir noch wieder kirre.«

 

 2021707-273cf8f064cdd82fb620a8f7fc407100.jpg
Heinrich Mann (27 maart 1871 – 12 maart 1950)
Scene uit “Der blaue Engel” (1930) met Emil Jannings als Professor Immanuel Rath. Het scenario van de film is gebaseerd op de roman “Professor Unrat”

 

 

De Japanse schrijver Shusaku Endo werd geboren in Tokio op 27 maart 1923. Zie ook alle tags voor Shusaku Endo op dit blog.

Uit: Kiku’s Prayer (Vertaald door Van C. Gessel)

“Mountains covered with groves of camphor and alder trees. Farmhouses dot-ting the slopes. From the tops of the hills one can look straight down into Naga-saki harbor with its new rice lands reclaimed from the sea. Several years after the two girls were born—in 1885, to be exact—the French writer Pierre Loti, author of the famed Madame Chrysantheme, sang the praises of the verdant trees hovering over Nagasaki harbor. It was this same inlet, glimmering in the sun and lush with greenery, that Mitsu and Kiku saw every day. The little community of Magome, too, was blessed with sunlight and green-ery and yet was so astonishingly quiet. Little birds chirped in the camphor trees. At midday, as those voices tapered oft; somewhere a rooster crowed. The adults all are out working in the fields, and the children are at play. So many ways to amuse themselves. I can almost make out the small figures of Mitsu and Kiku among the children racing up and down the slopes. It was the grandmother of Mitsu and Kiku who said it "Mitsu is a spoiled little girl, and Kiku is a tomboy!" Her Granny may have called her "a spoiled little girl," but Mitsu wasn't the sort to ding like a puppy dog to her mother or her older brother. What was unique about Mitsu's personality is that she would accept unques-tioningly anything said by an older person. She believed everything she heard so implicitly that some people were left to wonder whether she was mentally deficient. For instance, when Mitsu was five, her older brother Ichijiro gave her some flower seeds. "Hey, see these? They're morning glory seeds!" Ichijiro dropped the gray seeds—one, two, three—into Mitsu's tiny hand. "Now, Mitsu, if you plant these and water them every single day, some cute little sprouts') come up!" "OK." With a nod, Mitsu set out running. Across the way, her cousin Kiku was playing jump rope with some other children. Mitsu gleefully showed her morning glory seeds to Kiku, and then with a refined gesture, like a high-class lady dropping her valuable jewels one by one into a box, she planted the gray seeds in the ground. Seated by the hearth that evening, !chip* who was ten years older than Mitsu, asked her,"Mitsu, did you plant your seeds?" "Yup," Mitsu nodded.”

 

 2021707-43875e17f553fd9b55d2d96c0f1e45c6.jpg
Shusaku Endo (27 maart 1923 – 29 september 1996)
Cover 

 

 

De Duitse schrijver en historicus Golo Mann werd geboren in München op 27 maart 1909. Zie ook alle tags voor Golo Mann op dit blog.

Uit: Deutschland in Flammen

„Es ist ganz richtig, daß es heute fast keine Industrie gibt, die nicht irgendwie für die Kriegführung nutzbar gemacht werden könnte. Das heißt aber nicht, daß die Alliierten beabsichtigen, Deutschlands Industrien zu zerstören. Das deutsche Volk kann ohne industrielle Arbeit nicht leben. Es kann auch ohne Maschinen die Wiedergutmachungen gar nicht leisten, die von ihm gefordert werden. Zwischen Vernichtung und Überwachung ist ein großer Unterschied.
Das ist der ganze Plan von Jalta. Er ist nicht grausam, er ist auch nicht milde. Er bestimmt das, was notwendig ist. Er fordert, was gefordert werden muß, nicht mehr, nicht weniger. Die Nazi-Führer schreien: Mord! Sie haben auch ganz recht, soweit sie selber betroffen sind. Die Beschlüsse von Jalta bedeuten ihre politische Vernichtung, den Tod der schuldigen Kriegsverbrecher und Kriegsverlängerer. Aber niemand verliert gerne Macht und schönes Leben. Niemand kommt gerne vor Gericht. Die Antwort der Nazi-Bonzen auf die Beschlüsse von Jalta kann niemand überraschen. Solange aber diese Menschen den Krieg führen können, solange das deutsche Volk ihnen das erlaubt, so lange geht er weiter. Und zwar wird er leider in diesen letzten, in diesen allersinnlosesten Monaten so furchtbar werden, wie er bisher nie war.
Die Alliierten haben erklärt, daß immer gewaltigere Schläge kommen werden, von Osten und Westen, von Süden und Norden. Sie haben erklärt, daß ihre Stäbe jetzt enger zusammenarbeiten als je zuvor und daß Ort und Zeit und Ausmaß dieser Angriffe aufeinander abgestimmt sein werden wie nie zuvor. Die Alliierten tun das, was sie sagen. Sie wollen diese schlimme Sache zu Ende bringen, so oder so. Die anglo-amerikanischen Luftangriffe gegen Sachsen sind ein erstes Beispiel der neuen militärischen Zusammenarbeit zwischen Osten und Westen. Marschall Konjews Truppen stehen nur noch achtzig Kilometer von Dresden entfernt. Dresden ist der Mittelpunkt des deutschen Verteidigungssystems, des deutschen Nachschubs westlich von Schlesien. Durch Dresden führen die Straßen und Eisenbahnen, von Ost nach West, von Süd nach Nord. Dresden ist zur Frontstadt geworden, genau wie Berlin, genau wie Köln. Und genau wie diese Städte muß es behandelt werden.”

 

 2021707-691e6cab7f8c8f392ca80b0ecbaf6c80.jpg
Golo Mann (27 maart 1909 - 7 april 1994)

 

 

De Uruguayaans-Nederlandse schrijfster Carolina Trujillo werd geboren in Montevideo, Uruguay, op 27 maart 1970. Zie ook alle tags voor Carolina Trujillo op dit blog.

Uit: De zangbreker

“Het kon hem niet schelen ook. Hij had bij de meeste mensen het beeld op zwart staan en communiceerde via de venstertjes waar ze in schreven. Elvis gaf graag bevelen. Rook nog een joint. Scheer je torso kaal. Schenk het glas nog een keer vol. Kijk naar mij terwijl ik me aftrek. Bliksem tikte dan altijd: Nee. Elvis drong niet aan en hij waarschuwde Bliksem altijd op tijd als hij van het geestelijke naar het fysieke over wilde gaan. Als Bliksem niet wilde kijken moest hij maar vertrekken. Meestal klikte Bliksem hem dan weg.
Ik kan me de eerste keer dat hij dat niet deed nog goed herinneren. Ik ben aan intimiteit toe, tikte Elvis. Oké, tikte Bliksem terug. Elvis' camera stond op zijn gezicht en een goed deel van zijn torso gericht. Die dag droeg hij een strak wit T-shirt waaronder je de spieren goed kon zien, vooral toen hij aan zichzelf begon te zitten. Hij veranderde de camera van positie. De tatoeages op zijn onderarmen werden zichtbaar. Even was alles in zijn venster wazig en toen kwam zijn kruis in beeld. Hij deed de knoop van zijn spijkerbroek open en de rits omlaag. Eronder droeg hij niks, alleen een half stijf geslachtsdeel. Lang en dun. Bliksem wilde hem wegklikken, iets anders gaan doen, niet deze afdaling inzetten, maar hij kon het niet. Weg, dacht hij, en hij haatte zichzelf, en hij bleef. Wat vind je ervan?' Hij schrok. Hij had niet gemerkt dat zijn speakers nog aanstonden. Bliksem antwoordde niet maar bleef kijken. Elvis begon zich langzaam af te trekken. Op de knokkels van zijn rechterhand stond AMOR. Hoeveel mensen kijken er nu naar je? tikte Bliksem. `Zeventien.' Mannen of vrouwen? `Alleen jongens.' Vind je dat leuk? Elvis kreunde. Bliksem bracht zijn hand naar de muis en klikte hem weg. Smart beheersen, misschien kwam het daarop neer, maar Bliksem kon dat niet. Hij rookte een joint en in de nevelen die hij om zichzelf heen optrok vond hij weer een weg naar Elvis' scherm. De lange dunne piemel stond overeind als een raket. Soms stopte Elvis even met trekken en tikte wat. Kennelijk was hij met iemand in gesprek. Misschien wel met meer mensen. Bliksem trok de stekker uit zijn scherm, poetste zijn tanden en ging naar bed. Toen hij de volgende dag wakker werd, was het ergens in de middag. Hij liep naar buiten en plaste tussen de planten. Op zijn beeldscherm stond het venster open waar de camera op de lege troon van Elvis was gericht.”

 

 2021707-809eb0f997ec858b4085fdd433933d6c.jpg
Carolina Trujillo (Montevideo, 27 maart 1970)
Cover 

 

 

De Ierse schrijver Patrick Joseph McCabe werd geboren op 27 maart 1955 in Clones, Monaghan. Zie ook alle tags voor Patrick Mc Cabe op dit blog.

Uit: The Butcher Boy

„It was a pity but Mary's was shut so I had to come back and tell ma. I wanted to see if I could still get keeping the sixpence. But when I tried to open the door it wouldn't. I knocked at the window but all I could hear was the tap ssssss. Ma must be up the stairs I said whistling and rolling the tanner round in my hand wondering would I get the Flash Bars after all or maybe six cough-no-more black toffees. Then I heard a clatter I thought I'd better get in the window to see what that was I thought maybe Grouse Armstrong or someone was in stealing the sausages again but when I got into the kitchen who's there only ma standing there and a chair sideways on the table. What's that doing up there ma I says it was fuse wire belonging to da just dangling but she didn't say what it was doing there she was just stood there picking at her nail and going to say something and then not saying it. I told her Mary's was shut could I still keep the sixpence she said I could Yee ha! I said and bombed off out to the border shop to get six cough-no-mores but then when I got there I said two Flash Bars and a macaroon please. When I got back ma was doubled up in the chair by the dead fire for a minute I thought she was shivering with the cold but then she looked at me and said: You know you were only five pounds weight when you were born Francie.
It wasn't too long after that ma was took off to the garage. She says to me: I'm away off up the town now Francie I have to get the baking started for your Uncle Alo's Christmas party. Right, I says, I'll just stay here and watch the telly and off she went I didn't notice the time passing until I heard Mrs Connolly at the door with da and some other women she said ma'd been standing for two hours looking in the window of the fishing tackle shop with the bag on the ground and a tin of beans rolling round the footpath.“

 

 2021707-824acf722d0fb33a56a660b7fddc576d.jpg
Patrick McCabe (Clones, 27 maart 1955)
Francie Brady (Eamonn Owens) en Joe Purcell (Alan Boyle) in de film “The Butcher Boy” uit 1997

 

 

De Nederlandse schrijver Bob den Uyl werd geboren in Rotterdam op 27 maart 1930. Zie ook alle tags voor Bob den Uyl op dit blog.

Uit: Het fietswiel

“Ik keek hem aan, zijn gezicht was onder het spreken gaan glimmen, een glimmend varken dat kon spreken. Hoe kan ik me verweren tegen zo iemand? Ik loop over die verbazend ongezellige marktterreinen in de kille wind onder het viaduct door, de vierkante blauwgrijze tegels schuiven steeds afwerender onder mijn voeten weg en hun kou kruipt door mijn zolen heen naar boven en ik weet alleen dat ik nog leef, voor zover dat betekent dat je hart klopt, en dat ik alleen ben, want dat ben ik, ik schaam mij niet dat te bekennen en ik weet het, terwijl het de bedoeling is dat je daar pas achter komt op het punt van doodgaan en je voelt hoe je hart de pas inhoudt - maar misschien gaat het anders, op dit punt ben ik zonder ervaring -, en dan ineens zie je het wonder, vlak voor je ogen, daar ligt het tussen wat stenen en afval, het wonder, de absolute opening, de enige ontsnappingsmogelijkheid uit een bestaan dat om je heen hangt als een carnavalspak, maar dat toch alles is wat je hebt, een doelloze wandeling... je valt op je knieën, het is niet te geloven, je wilt alles tegelijk omvatten, doorgronden, en dan als een schuifdeksel komt de schaduw over je van een dikke man die Szabul blijkt te heten, die er misschien alles van weet maar jou dit niet wil vertellen omdat hij niet begrijpt hoe iemand daarnaar verlangen kan, hoe kan je je daar dan tegen verweren? En niet alleen verweren maar ook voorgoed afrekenen, de zwarte schaduwen vernietigen, in de zonnewarmte komen. Alleen, wat is zonnewarmte voor een woord, het drukt niets meer uit, het maakt alleen in de kinderkamer nog indruk. Wat een verlangen naar de hitte van een kokende gasbal op een onmenselijke afstand.
Szabul, ik kijk naar je, je glorieert in je wetenschap van het uiteindelijke verdwijnpunt, je zweet van innerlijke heerlijkheid. Die verdomde zelfverzekerdheid van je is maar schijn, je hebt je holle ziel gestoken in steeds weer dikkere huiden, in stalen pantseringen als het moest, terwijl ik naakt voor je sta, naakt godverdomme, en het ellendige is dat ik er niets aan kan doen, het is vanzelf gegaan. Mijn altijd al dunne schutlagen zijn één voor één verdwenen in het niets, ik voelde ze gaan en kon ze niet tegenhouden, ik sprong ze wanhopig na om teruggevallen te ontdekken dat ik weer naakter was geworden, totdat zelfs de onderste laag was verdwenen en ik erger dan naakt, ontveld, het schaarse vlees bloot in de wind, de spieren verstijfd en verkrampt, moest lopen in de kille stad op zoek naar wat eigenlijk? de kracht missend om het enige wapen dat mijn lichaam nog zou kunnen voortbrengen, de vloek, te gebruiken, want zelfs vloeken eisen hun calorieën.”

 

 2021707-7bd28718178b95443ca84a6160beeb89.jpg
Bob den Uyl (27 maart 1930 - 14 februari 1992)

 

 

De Kroatische schrijfster Dubravka Ugrešić werd geboren op 27 maart 1949 in Kutina in Joegoslavië. Zie ook alle tags voor Dubravka Ugrešić op dit blog.

Uit: Europe in Sepia

“I was glued to reports on the recent riots in the London boroughs of Tottenham, Hackney, and Brixton, stunned by the images of seething youth smashing shop windows and making their grab for street wear and electronics. Expensive mobile phones apparently topped their consumer desires, a detail that disappointed many commentators (If only they’d stolen bread and milk, we’d understand!). I became fixated on something else though: a Waterstones’ bookstore the kids passed by might as well have been an undertaker’s. But they didn’t miss a beat in cleaning out the backpack of another dazed and confused kid who obviously needed medical attention, leaving him bloodied and lost in the street. On our television screens, we shocked viewers saw what we were given to see. Each of us projected our own fears onto the Rorscharchian stain of the London riots.
Around the same time, the beginning of August 2011, a Serbian news portal carried a witty article about the opening of a new bridge. In Belgrade, the capital, there’s an old bridge called Branko’s Bridge. Although named after the Serbian poet Branko Radi-cˇevic´, it’s better known for the fact that another Branko jumped from it, Branko C´opic´, a fellow writer. The author of the article noted that among terminally morose Serbian writers, the opening of the new bridge had been greeted with rare delight, and that a kind of competition was on to see who’d christen the bridge with a jump, thus winning naming rights. The bookies were already taking bets on the next writer-suicide. Among the many comments on the article, someone made an appeal that these things not be joked about; someone else observed that others might also like to think about jumping (Why only writers? What about single mothers?); a third person suggested that politicians should take a jump (Jump, Tadic´! We’ll call it Boris’s Bridge, for sure!); a fourth person remarked that a lot of people in Serbia seemed to unfortunately have no idea who Branko C´opic´ was; a fifth suggested that a list of candidates for pushing be prepared."

 

 2021707-e26ae0a1b329aed32a2bfef68e6557f3.jpg
Dubravka Ugrešić (Kutina, 27 maart 1949)

 

 

De Franse dichter en schrijver Francis Ponge werd geboren op 27 maart 1899 in Montpellier. Zie ook alle tags voor Francis Ponge op dit blog.

 

Le Sérieux Défait

Mesdames et messieurs, l'éclairage est oblique. Si quelqu'un fait des gestes derrière moi qu'on m'avertisse. Je ne suis pas un bouffon.
Mesdames et messieurs : la face des mouches est sérieuse. Cet animal marche et vole à son affaire avec précipitation. Mais il change brusquement ses buts, la suite de son
manège est imprévue : on dit que cet insecte est dupe du hasard. 11 ne se laisse pas approcher : mais au contraire il vient, et vous touche souvent où il veut; ou bien, de moins
près, il vous pose la face seule qu'il veut. Chasssé, il fuit, mais revient mille instants par mille voies se reposer au chasseur. On rit à l'aise. On dit que c'est
comique.
En réfléchissant, on peut dire encore que les hommes regardent voler les mouches.
Ah! mesdames et messieurs, mon haleine n'incom-mode-t-elle pas ceux du premier rang? Était-ce bien ce soir que je devais parler? Assez, n'est-ce pas? vous n'en supporteriez pas davantage.

 

 

Le Jeune Arbre

Ta rose distraite et trahie
Par un entourage d'insectes
Montre depuis sa robe ouverte
Un cœur par trop empiété.

Pour cette pomme l'on te rente
Et que t'importe quelqu'enfant
Fais de toi-même agitateur
Déchoir le fruit comme la fleur.

Quoiqu'encore malentendu

Et peut-être un peu bref contre eux

Parle!
Dressé face à tes pères

Poète vêtu comme un arbre
Parle, parle contre le vent
Auteur d'un fort raisonnement.

 

 2021707-6c514444fa32439614a891da2ec44e5d.jpg
Francis Ponge (27 maart 1899 – 6 augustus 1988)

 

 

De Estlandse dichteres Marie Under werd geboren op 27 maart 1883 in Tallin. Zie ook alle tags voor Marie Under op dit blog.

 

Denunciation

I cry aloud with all my people's mouths,
our land is smitten by a plague of fear and lead,
our land is shadowed by the gallows tree
our land   a common graveyard, huge with dead.

Who'll come to help? Right here, at present, now!
Because the patient's weak, has lost his hold.
But, like the call of birds, my shouting fades
in emptiness: the world is arrogant and cold.

The sighing of the old, the baby's cry —
do they all run to sand, illusion, fail?
Men, women groan like wounded deer
to those in power all this is just a fairy-tale.

Dark is the world's eye, its ear is deaf,
the powerful lost in madness or stupidity.
Compassion's only felt by those whom suffering breaks,
and sufferers alone have hearts like you and me

 

 2021707-2fdfbbb8c6dd2aef04c0a9c0d9a5e7f8.jpg
Marie Under (27 maart 1883 – 25 september 1980)
Portret door Ants Laikmaa, 1904

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e maart ook mijn blog van 27 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:51 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten