Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 8 april 2017 tot 9 april 2017

Yaël Vinckx

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, journaliste en presentatrice Yaël Vinckx werd geboren in Hazerswoude in 1968. . Ze schrijft artikelen voor NRC Handelsblad, nrc.next, Elle en HP/De Tijd. Ze presenteert de culturele talkshow Podium Pitch en interviewde artiesten in het NRC Café op North Sea Jazz. Sinds 2014 leidt Vinckx workshops ‘Familiegeschiedenis schrijven’ in samenwerking met NRC en de Universiteit Leiden. Over haar periode als correspondent in voormalig Joegoslavië, waar ze onder andere de oorlog in Kosovo versloeg, schreef ze “Joegoslavië achter de schermen, afscheid van een land.” (2004). Over (illegale) immigratie en mensenhandel schreef ze “Mensensmokkel” (1999). In 2015 verscheen de familieroman “De oorlog van mijn moeder”. 

Uit: De oorlog van mijn moeder

“Vlissingen, 1940
Van het vertrek uit Vlissingen kan Inge zich weinig herinneren. In haar geheugen doemen losse beelden op, beelden van vuilbruin water dat door de straten liep. Van huilend op haar sandalen door het koude water schuifelen, omdat haar enige paar dichte schoenen droog in een koffer was opgeborgen. Van haar moeder Hubertina, die de doos met foto’s op het aanrecht had gezet, waar hij was blijven staan, want in de haast vergaten ze hem mee te nemen. Van haar speelgoed – op één pop na – achterlaten en uiteindelijk vertrekken met drie jassen over elkaar aan. ‘We moeten zoveel mogelijk meenemen,’ zei Hubertina. Zelf boog de Indische vrouw bijna dubbel onder het gewicht van twee enorme koffers.
Buiten sijpelde het water door de dijk. In mijn familie gaat nog altijd het verhaal dat de dijk was doorgestoken, in de hoop het Duitse leger tegen te houden. In de archieven van de gemeente Vlissingen vind ik daar niets van terug, en ook de stadsarchivarissen weten er niet van. Ze zeggen dat het gezin werd geëvacueerd vanwege de komst van de Duitsers.
Inge liep, vier jaar oud, over de dijk naar het station. Voor en achter haar liepen andere gezinnen, en ook zij torsten hun halve kledingkast met zich mee. Sommigen hadden hun spullen in een kinderwagen gepropt, anderen duwden een fiets of een handkar voort. Een stapel matrassen en dekens helde gevaarlijk over. Een man droeg een stoel over zijn schouder. Een ander droeg een zak aardappelen. Gehuild werd er niet. Slechts af en toe klonk een gesmoorde snik of een zacht gejammer.
Hubertina, mijn grootmoeder, sjokte wezenloos achter de anderen aan. Ze mocht dan vijf jaar geleden van Indië naar Nederland zijn gekomen, ze had in die jaren weinig over het land, zijn inwoners en hun gebruiken geleerd. Buiten kwam ze nauwelijks. Hooguit bracht ze haar enige zoon, Carl jr., naar school. Dan leverde ze hem af bij het hek, waarna ze snel weer naar huis terugkeerde. Soms ging ze met Inge een stukje wandelen op de dijk. Maar met de trein was ze maar een enkele keer op reis geweest, naar haar schoonouders in Arnhem, en ze zou de weg naar het station niet meer kunnen vinden.
Nu liep ze de mensenmassa achterna. Honderden mensen probeerden Zeeland met de trein te verlaten. Ze wilden naar Brabant, Brussel en een enkeling repte zelfs over Londen. Hubertina nam Inge en Carl jr. mee naar Scheveningen.”

 

 2127511-2d9927e14f4dc1f9bad0222aee635f50.jpeg
Yaël Vinckx (Hazerswoude, 1968)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Palmzondag (Stefan Zweig)

Bij Palmzondag

 

 2096521-4150256ffa45bdcfca29b3d03732dc86.jpg
De intocht van Christus in Jeruzalem door Peter Paul Rubens, 1632

 

 

Palmsonntag

Du Tag, der jedem Pilger Seligkeit verkündet,
Der jedem Leidensweg ein Morgenrot entzündet,
Du schöner Tag der Kinder, die mit grünen Zweigen
Die Straßen auf und ab sich sehr geschäftig zeigen
Und unterwegs den duftigen Reichtum gerne mehren,
Um Armevoll von frischem Glück nach Haus zu kehren

An jenem Tage sucht auch ich den jungen Ast,
Als Halt für meines Schicksals wintermüde Last.
Ich ging, ich schritt voran, auf trauervollen Wegen
Durch Sonne bald und bald durch grauen Regen,
Von Kerzenglanz verlockt, der unsre Andacht weiht
Und unserm Gottesdienst so holde Anmut leiht.
Die Chöre waren voll von hellem Kindersingen,
Das durch die Kirche zog auf unschuldsfrohen Schwingen;
Und Gott allein vernahm durch diesen lauten Sang
Ein Beten und ein Lied, das weinend aufwärts rang:

»Von einer Verbannung zur anderen ruhlos vertrieben,
Wahrhaftig, ich weiß keine Heimat, die je mir geblieben!
Die Bäume zumindest, sie haben doch Zeit, um zu blühn,
Um Früchte zu tragen, zu wachsen, zu Tode zu glühn,
Mir, mir ward nicht Zeit! Meine Pflicht will nicht warten und weilen,
Gott! Zwing mich nicht immer, aus Frieden in Fremde zu eilen;
Gott! Gönn mir im Schatten am Wegrand ein wenig Bestand,
Meine Kinder im Arm, meine Stirne gestützt in die Hand!

Ich kann nicht mehr gehn. Ich komme ... ich sah ... und ich falle,
Ich holte dort droben vom Berg eine Blume; ich walle
An rosenkranztragenden Gräbern vorbei wie gehetzt,
Die Füße vom steinigen Bergpfad erlahmt und verletzt.
Gott! bin ich der Vogel mit ewig gebreiteten Schwingen,
So laß mich noch einmal das Haupt meines Sohnes umschlingen;

Des blondfrohen Knaben, der ohne mich wandert und strebt,
Die ich sein Gemüt doch mit Seele und Sehnsucht durchwebt!
Du Gott der Bedrückten, — Gott! bist du wirklich mein Vater,
So sei du den Meinen ein Retter, sei mir ein Berater,
Laß nicht meine Sorgen die Boten des Kommenden sein,
Nein, zeig uns den Hafen und führ uns in Frieden hinein;
In Nacht, in verfrühte, laß endlich ein Morgenrot dringen,
Verbiete den Wegen, mich weiter und weiter zu zwingen,
Bezeichne für uns einen Ort, eine Heimat, die Ruh,
Und führe den knieenden Kindern den Vater zu!« —

Die Orgel schwieg; der Glanz erlosch, mein heißes Sinnen
Ward still, um tief im Herzen heimlich fortzuspinnen;
Im Herzen, das nun doch die neue Hoffnung trank,
Die aus dem Lied der vielen in mich niedersank.
Ein Greis beglückte mich mit einem schlanken Zweige,
Weihwasser tropfte durch das Grün in meinen Händen,
Und froh betrat ich meine winterkalten Steige,
Mit festem Schritt den Erdenweg zu enden ...

 

2096521-c77202c14e407eabc213dab2c0c349f4.jpg
Stefan Zweig (28 november 1881 – 22 februari 1942) 
Wenen. Stefan Zweig werd geboren in Wenen




Zie voor de schrijvers van de 9e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Charles Baudelaire, Jelle Brandt Corstius, Karel Jonckheere, Joolz Denby, Albert von Schirnding, Johannes Bobrowski

De Franse dichter Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook alle tags voor Charles Baudelaire op dit blog.

 

À celle qui est trop gaie

Ta tête, ton geste, ton air
Sont beaux comme un beau paysage ;
Le rire joue en ton visage
Comme un vent frais dans un ciel clair.

Le passant chagrin que tu frôles
Est ébloui par la santé
Qui jaillit comme une clarté
De tes bras et de tes épaules.

Les retentissantes couleurs
Dont tu parsèmes tes toilettes
Jettent dans l'esprit des poètes
L'image d'un ballet de fleurs.

Ces robes folles sont l'emblème
De ton esprit bariolé ;
Folle dont je suis affolé,
Je te hais autant que je t'aime !

Quelquefois dans un beau jardin
Où je traînais mon atonie,
J'ai senti, comme une ironie,
Le soleil déchirer mon sein ;

Et le printemps et la verdure
Ont tant humilié mon coeur,
Que j'ai puni sur une fleur
L'insolence de la Nature.

Ainsi je voudrais, une nuit,
Quand l'heure des voluptés sonne,
Vers les trésors de ta personne,
Comme un lâche, ramper sans bruit,

Pour châtier ta chair joyeuse,
Pour meurtrir ton sein pardonné,
Et faire à ton flanc étonné
Une blessure large et creuse,

Et, vertigineuse douceur !
A travers ces lèvres nouvelles,
Plus éclatantes et plus belles,
T'infuser mon venin, ma soeur !

 

Alchimie de la douleur

L'un t'éclaire avec son ardeur,
L'autre en toi met son deuil, Nature !
Ce qui dit à l'un : Sépulture !
Dit à l'autre : Vie et splendeur !

Hermès inconnu qui m'assistes
Et qui toujours m'intimidas,
Tu me rends l'égal de Midas,
Le plus triste des alchimistes ;

Par toi je change l'or en fer
Et le paradis en enfer ;
Dans le suaire des nuages

Je découvre un cadavre cher,
Et sur les célestes rivages
Je bâtis de grands sarcophages.

 

2025652-5ac36fad4f9e331e04db08d56ff0b6a9.jpg
Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)
Portret Gustave Courbet, 1848-1849

 

 

De Nederlandse schrijver correspondent en programmamaker Jelle Brandt Corstius werd geboren in Bloemendaal op 9 april 1978. Zie ook alle tags voor Jelle Brandt Corstius op dit blog.

Uit: As in tas

“Hij bezat de kunst om dingen zo stellig te zeggen dat je ze ging geloven. De sterkte van de stelligheid won het van de onwaarschijnlijkheid van de mededeling. Zo kon hij mij alles wijsmaken; zoals 'Ik zat ooit bij de Black Panthers' of 'Ik belandde ooit in de gevangenis omdat ik met zwarten vooraan in de bus ging zitten'. Zo zou hij ook onder meer de magnetron hebben uitgevonden. En het internet. Later ging ik natuurlijk wel twijfelen aan al deze mededelingen. Daardoor ga ik er per definitie nooit van uit dat iemand de waarheid spreekt. Want als je vader tegen je liegt, wie kun je dan wel nog geloven? Op zich geen slechte eigenschap natuurlijk, voor een journalist in ieder geval. En toch: ik wist nooit helemaal zeker dat het niet waar was. Hij was nou eenmaal een wonderlijk stripfiguur, en die maken wonderlijke dingen mee. Toen ik een abonnement op The New York Times nam, kreeg ik er toegang tot het archief bij. Zonder erbij na te denken tikte ik de zoekterm 'Brandt Corstius' in. Er kwam één resultaat uit. Een artikel van 1 september 1961 met de kop 'DUTCH WRITER FREED - New Orleans judge drops charges in race incident.' Bleek dat hij was opgepakt toen hij met Afro-Amerikanen voor in de bus was gaan zitten.”

 

 2025652-b5aa3fafedcf0754ac3ff78498573b37.png
Jelle Brandt Corstius (Bloemendaal, 9 april 1978)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Karel Jonckheere werd geboren in Oostende op 9 april 1906. Zie ook alle tags voor Karel Jonckheere op dit blog.

 

Heimwee naar moeders woordenschat

Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
en van de muzen honderd lepe wetten
om ze verbluffend naast elkaar te zetten
tot schone larie over duister zeer.

Maar als ik op een avond bij ruig weer
de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
de troost schud uit de kuil van mijn sonnetten,
vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

Geleerde vrienden die het kunnen weten
hebben eerst de armoe van uw mond geteld
maar geen heeft mij dan tot nog tot vermeld

hoe gij met twintig woorden mild gemeten
mij meer met wijsheid en geluk vervult
dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.

 

 

De trooster

Ik vraag het woord voor deze twee.
Zij schreit en hij, hij zwijgt gedwee,
want troosten heeft hij lang verleerd.

Zij zijn nu zeven jaar gehuwd,
het eerste vuur is reeds geluwd,
elk is weer tot zich zelf gekeerd.

Neen, zeg mij niet: het is hun schuld,
want hadden zij een kind geduld
hun leven had een doel gekend.

Zwijg stil, zwijg stil, zeg hun dit niet,
want dit is juist hun diep verdriet,
al hebben zij het nooit bekend.

Laat ons alleen, ik ken het woord,
dat straks wellicht hun leed versmoort;
lees voort, ontsteek een versche pijp,

vertel een mop aan uw gebuur
of prijs hun doeken aan den muur,
doch knik vooral mij toe: 'k Begrijp.

Begrijpt gij niet? Kom nader staan,
want haar gewond oog ziet ons aan,
alsof wij spraken van hun nood:

Ik ken, helaas, mijn waarde vrind,
het ééne woord, dat hen nog bindt...
Jawel, gij raadt zeer goed: de dood.

 

 2025652-989c39e5e965c0a9391dd1164af7a584.jpg
Karel Jonckheere (9 april 1906 - 13 december 1993)
Cover 

 

 

De Engelse dichteres, schrijfster en “spoken-word artist” Joolz Denby werd geboren op 9 april 1955 in Colchester. Zie ook alle tags voor Joolz Denby op dit blog.

 

Bradford (Fragment)

The wind blows hard today, across the city
lying crouched in its deep-sided valley.
The air is laced with the smell of clean stone
and the dusty purple heather that drapes
across the far horizon like a dropped scarf.
If I stop and listen I can almost hear,
faintly, like the faded thread of a song from an older age,
the cries of foxes that dance
in the moorland coverts and the blurred whirring
of kestrels riding the soaring thermals.

I walk over the crest of the hill and start down into Town,
past the intricate raggle of little shops that
embroider the road side and spill their
treasures onto to the pavements.
All the world is here, laid out in patchworks
of drenched and brilliant colour;
dazzling pyramids of oranges from Morocco
like clotted sun, topiary broccoli, dark
green flounced cabbages and rich spinach,
feathery plumes of coriander and
gleaming scarlet apples bursting with temptation.
We want for nothing - watermelon, tender papaya,
smooth, languorous mangoes and luminous persimmons;
sometimes there are figs, their smart suede skins
the colour of bruises hiding gritty red flesh
so sweet, it tastes like the perfumed breath of angels.
I eat them with good Greek bread,
baked by serious Ukrainian men, craftsmen,
and I smile, thinking, in this town, we can eat like
princes for a paupers fee.

 

 2025652-2aaf2a9e539ea85d2c830518caba4dc1.jpg
Joolz Denby (Colchester, 9 april 1955)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, essayist en criticus Albert von Schirnding werd geboren op 9 april 1935 in Regensburg. Zie ook. Zie ook alle tags voor Albert von Schirnding op dit blog.

Uit: Jugend, gestern

„Die aber schützte das Baby, das sie seufzend erwartete, wir würden dann fünf sein. Ich war zwölf, und der Mann, der als Untersuchungsgefangener in einem norwegischen Altersheim beherbergt wurde, war achtundachtzig. Er war ein so berühmter Schriftsteller wie der Komponist, der ich werden wollte, und er schrieb mit immer noch kräftiger Hand in sein Tagebuch, daß das Gras verbrannte, die Gärten nach Luft schnappten, das Heidekraut keine Blüten mehr trieb und die Bienen unverrichteter Dinge davonflogen. Das las ich drei Jahre später, als Knut Hamsun mir über alles ging, Karl May mir nichts mehr bedeutete.
Blaues Blut? Es war genau so rot wie das von Peter Schindler, dem Banknachbarn in der ersten Volksschulklasse. Der war beim Fangen im Schulhof hingefallen und hatte sich das Knie aufgeschürft. Er biß die Zähne zusammen, einen Augenblick zu spät, die Tränen waren schneller. Den blonden Peter, diesen von allen, von mir am meisten bewunderten Helden, weinen zu sehen, war erschütternd; entschlossen, seinen Schmerz zu teilen, ritzte ich mir mit dem Griffel den Arm.
Die Erwachsenen zuhause waren wieder einmal als Lügner ertappt. Das Märchen vom blauen Blut würde ich ihnen künftig so wenig abnehmen wie das vom süßen Brei. Ich wollte um alles in der Welt nicht anders sein als Peter Schindler. Betrübt kam die vierjährige Schwester aus dem Kindergarten. Da hat eine mit dem Finger auf mich gezeigt: Die ist eine ‹Von›, und dann haben alle gelacht.
Fürst und Fürstin, deren Anwesenheit im nahen Schloß eine rotblaue Fahne verkündete, waren etwas Besseres, das ließ sich nicht abstreiten. Sonst hätten, wenn der Fürst, in feinstes Hellgrau gekleidet, auch die hauchdünnen Lederhandschuhe und die Gamaschen waren grau, durch die Straßen unserer Stadt spazierte, die gewöhnlichen Männer nicht tiefe Verbeugungen, die gewöhnlichen Frauen keine kunstvollen Knickse gemacht.“

 

 2025652-3e6a18104d76e197a30e05aaf25cf874.jpg
Albert von Schirnding (Regensburg, 9 april 1935)

 

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Nymphe

Zeit der Zikaden, weiße
Zeit, als der Junge am Wasser
saß, die runde Stirn
auf die Arme senkte. Wohin
ist er gegangen?

Wege sind
durch den Wald,
verborgne. Da hol ich ein blutendes
Kraut. Auf die Steine leg ichs,
ruf hinterm Rain den jagenden
Häherschrei, hell.

Und ergrünenden Blicks
taucht sie im stäubenden, weichen
Erlenschatten herauf.
Syrinx, dein Ach, ein Geklirr,
fährt durch die Büsch.

 

 

Liebesgedicht

Mond, Ölschwamm, Laterne
Mond – oder ein Feldgewächs,
Mond, vergeh,
Arbuse oder grün beschnörkelter
Kürbis, ich will
selber leuchten, allein,
Freundin, ich will
auslöschen über dir,
nur ein Gras hoch
über dir – in einem Baum
über dem Fluß,
wenn es Morgen wird,
feucht, dort lieg ich
und atme noch.

Und ich frag dich,
die neben mir lag,
nach einem Mond
gestern, wann er verging – du
antwortest nicht, an die Wolke
streift der Lichtschein, der tönt
von deiner Stimme.

Gestern –
ich bin vergangen –
heute –
ich hab dich gehört –
und ich atme noch immer.

 

 2025652-2b6c9e0345c14c340b2ea00a1bc9fc1e.jpg
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Bernard-Marie Koltès, Arnold Stadler, Julius Hart, Lev Kopelev, Carl Amery, Leonard Wibberley

De Franse toneelschrijver Bernard-Marie Koltès werd geboren in Metz op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Bernard-Marie Koltès op dit blog.

Uit: Le retour au désert (suivi de) Cent ans d'histoire de la famille Serpenoise

« MAAME QUEULEU. - Aziz, entre, dépêche-toi. Il y a beaucoup de travail aujourd'hui, car Mathilde, la soeur de Monsieur, revient d'Algérie avec ses enfants. Il faut tout préparer et seule, je n'y arriverais pas.
AZIZ. - J'arrive, Maame Queuleu. Mais j'avais cru entendre des pas et des bruits de voix : et, à cette heure-ci, dans cette rue, cela m'a paru étrange.
MAAME QUEULEU. - Les rues sont dangereuses. Entre vite. Je n'aime pas laisser cette porte ouverte.
AZIZ. - Cela s'annonce comme une sale journée.

 

 2025646-cf32125b9476483b26bce0feb3611e0a.png
Scene uit een opvoering in Parijs, 2016



Entre Mathilde.
MATHILDE. - Et pourquoi ce serait une sale journée?
AZIZ. - Parce que, si la soeur est aussi conne que le frère, cela promet.
MATHILDE. - La soeur n'est pas aussi conne que le frère.
AZIZ. - Et comment le sais-tu, toi?
MATHILDE. - Parce que la soeur, c'est moi."

 

 2025646-d63326eba1a11778ebe6c697d89739b7.jpg
Bernard-Marie Koltès (9 april 1948 – 15 april 1989)

 

 

De Duitse schrijver Arnold Stadler werd geboren op 9 april 1954 in Meßkirch. Zie ook alle tags voor Arnold Stadler op dit blog.

Uit:Rauschzeit

“Was ist Glück? Nachher weiß man es.
Mausi lag da und lebte. Sie lag in ihren weißen elegant-robusten Bruno-Paul-Korbmöbeln vom Sonnendeck des längst untergegangenen Norddeutschen Lloyddampfers Columbus.
Ja, sie lebte, leichtbekleidet und erwartungsvoll, und hatte gerade in Inges Geburtstagsgeschenk
P. S. I love you zu lesen begonnen, im Original, denn sie war eine Übersetzerin, die von so etwas träumte. Es gab keinen schöneren Titel als P. S. I love you, dachte sie. Das Lied, das genauso hieß, kannte sie auch schon: »Yesterday we had some rain, but on the whole, I can’t complain« ... So wie es Rudy Vallée 1934 gesungen hatte. Was waren schon siebzig Jahre, wenn sie vorbei waren. The Hilltoppers aus den vierziger Jahren waren aber auch nicht schlecht.
Es war auf ihrer Dachterrassenlandschaft in der Haberlandstraße. Für den Abend stand die Tosca mit Inge und Justus auf dem Programm. Der Gutschein für die zwei Tosca-Karten stammte von jenen Freunden, denen Mausi zweihundert Euro wert war. Das Wort Gutschein war eigentlich schon gänsehaut-erregend. Für die Karte von Alain, also für den Platz neben Mausi, hatte Justus, wie er sagte, einen idealen Ersatz gefunden.
»Lass dich überraschen!« Nur so viel wollte er verraten: »Es ist ein blonder Däne.« War das nicht eine Tautologie? Dachte sich Mausi, und das hätte schon wieder der Titel eines Liebesromans sein können:
Der blonde Däne. Ein tautologischer Liebesroman, geschrieben von einem Menschen, der das Leben hinter sich hatte, und sich noch sehr wohl daran erinnern konnte, und auch noch daran, was die Liebe für ein seltsames Ding war.
Eigentlich nur geglückt in einem Liebesroman und gelesen von ebensolchen Menschen wie Mausi, Frauen wie Mausi, als wären sie von der Natur für die Liebe wie das Lesen von Liebesgeschichten vorgesehen, Liebesgeschichten, die vom Leben als Glück gedacht, von der Schriftstellerin jedoch als Unglück beschrieben werden mussten, das sich im letzten Augenblick noch in ein Entsagungsglück wendete.“

 

 2025646-6c6ce2b0dcff2a0f7c32097df270215a.jpg
Arnold Stadler (Meßkirch, 9 april 1954)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Julius Hart werd geboren op 9 april 1859 in Münster. Zie ook alle tags voor Julius Hart op dit blog.

 

Berlin (Fragment)

Du ström in meinen Busen deinen Geist,
Gieß deine rauhe Kraft in meine Glieder, . . . .
Gewaltig faßt's an meine Seele, reißt
In deiner Schlachten wirr Gedräng mich nieder,
Wo Schwert und Lanze auf die Brust mir fahren . . .
Erstick die Thräne und den Klagelaut,
Der feig von meinen Lippen sonst gethaut,
Den Becher trüben Weins, der nur zu lang
Die Zeit berauschte, werf' ich heut in deine Fluth.

Grämliche Weisheit, die in unsre Brust
Den Giftpfeil stößt und uns als Schuldgeborne
Ewigverdammte zeichnet, unsre Lust
Und Schaffen mordet und gleichwie Verlorne
Verachtet macht, hier will ich ihrer lachen.
Aus deinen düstren Mauern, Weltstadt, reckt
Ein Geist sich mächtig auf und streckt
Die Hand gewaltig aus und deiner Fluth
Gesang stürmt mir ins Ohr ein bess'res Schlachtenlied.

Dich fühl' ich, Menschengeist, dein Schatten steht
Gewaltig über der Stadt lichtglüh'nden Mauern,
Ich fühl es<,> wie dein Odem mich umweht
Und mich durchrinnt gleich heiligen Liebesschauern, –
Gewitter rollen auf, die Sinne dunkeln:
Schlachtruf durchgellt die Luft, der Himmel bricht,
Durch schwarze Wolken führt ein feurig Licht,
Und bleiche Schatten fliehn, ein Antlitz blutbeströmt,
Und dort ein anderes versinkt in Nacht.

Dich, Kraft, besing' ich, die Natur du zwingst
In deinen Dienst, und dumpfen Sinnesträumen,
Des Fleisches todtem Kerker uns entringst, –
Du Kraft, laß alle meine Adern schäumen
Von deinem warmen Blut . . . . Euch Alle sing ich,
Arbeiter, Krieger, die der Menschheit Baum
Mit ihrem Schweiß und mit dem heiligen Schaum
Des Blutes düngen . . . Singen will ich den Kampf
Der Menschenkraft mit dir Natur, Fleisch, Staub und Tod.

 

 2025646-57a9e943b83ae380bcfb6e7732acb795.jpg
Julius Hart (9 april 1859 – 7 juli 1930)
Münster - Prinzipalmarkt met Rathaus

 

 

De Russische schrijver Lev Zinovevitsj Kopelev werd op 9 april 1912 in Kiev geboren. Zie ook alle tags voor Lev Kopelev op dit blog.

Uit: The Education Of A True Believer (Vertaald door Gary Woodward Kern)

“With the rest of my generation I firmly believed that the ends justified the means. Our great goal was the universal triumph of Communism, and for the sake of that goal everything was permissible—to lie, to steal, to destroy hundreds of thousands and even millions of people, all those who were hindering our work or could hinder it, everyone who stood in the way. And to hesitate or doubt about all this was to give in to “intellectual squeamishness” and “stupid liberalism,” the attributes of people who “could not see the forest for the trees.”
That was how I had reasoned, and everyone like me, even when I did have my doubts, when I saw what “total collectivization” meant—how . . . mercilessly they stripped the peasants in the winter of 1932–33. I took part in this myself, scouring the countryside, searching for hidden grain, testing the earth with an iron rod for loose spots that might lead to buried grain. With the others, I emptied out the old folks’ storage chests, stopping my ears to the children’s crying and the women’s wails. For I was convinced that I was accomplishing the great and necessary transformation of the countryside; that in the days to come the people who lived there would be better off for it; that their distress and suffering were a result of their own ignorance or the machinations of the class enemy; that those who sent me—and I myself—knew better than the peasants how they should live, what they should sow and when they should plow.”

 

 2025646-d18deb42c221dca91ff2fb12349e4adb.jpg
Lev Kopelev (9 april 1912 – 18 juni 1997)

 

 

De Duitse schrijver en milieu-acrivist Carl Amery werd als Christian Anton Mayer op 9 april 1922 in München geboren. Zie ook alle tags voor Carl Amery op dit blog.

Uit:Das Ende der Vorsehung. Die gnadenlosen Folgen des Christentums

“Die Welt lebt bereits im Notstand; nur will das niemand wahrhaben. Es sind keine Geister der Zukunft, die ich beschwöre, sondern ein Zustand, der bereits existiert. Wir gehen einer explosiven Interaktion aller unserer Sünden entgegen: der Sünden, die wir gegen unser geistiges und materielles Erbe begangen haben. Nach unseren Berechnungen geht es mit der Welt vor dem Jahre 2100 rapide abwärts. Tod und Entbehrungen werden auch bei uns Millionen Menschen erfassen. Da wir fünfzig bis hundert Jahre brauchen, um entsprechende Veränderungen herbeizuführen, müssen wir handeln – sofort.»
Diese Worte sprach kein Prophet und kein linker Gesellschaftskritiker, sondern der eminente italienische Manager Aurelio Peccei, Fiat-Verwaltungsdirektor und einstmals Generaldirektor des Schreibmaschinenkonzerns Olivetti. Die Berechnungen, von denen er sprach, wurden vom Club of Rome in Auftrag gegeben, einem Zusammenschluß von siebzig Managern aller Industrienationen; sie wurden von der Volkswagen-Stiftung finanziert und auf einem Megacomputer in den USA durchgeführt, mit einer gewaltigen Menge von Variablen. Alle Ergebnisses waren gleich niederschmetternd. Sie können (vereinfacht) von der Graphik abgelesen werden, die am Ende dieses Buches eingefügt ist.
Peccei ist kein Theologe, Prophet oder Historiker. Das bekanntgegebene Ziel des Club of Rome ist es, politische und wirtschaftliche Führer der Welt durch die Ergebnisse der Prognostik zu sinnvollem Handeln anzuregen. Aber dieser Aufruf zu sofortigem Handeln muß wirkungslos bleiben, wenn es sich auf pragmatischen Reformismus beschränkt. Die Fakten, von denen die Berechnung ausgeht, wurden und werden von Menschen geschaffen; Menschen, die aus bestimmten historischen und ideellen Voraussetzungen handeln und gehandelt haben. Werden die Wurzeln dieser historischen und ideellen Haltungen nicht freigelegt, werden die notwendigen Vorschläge immer auf politischen und gesellschaftlichen Widerstand stoßen; und nur wenn man sich klarmacht, wie tief diese Wurzeln in unseren kollektiven Untergrund hinabreichen, wird der notwendige, das heißt der radikale und höchst schmerzvolle Prozeß einer planetarischen Revolution (um eine solche geht es) eingeleitet werden können.“

 

 2025646-662f8c2175450a8af8a619eb2aa23e11.jpg
Carl Amery (9 april 1922 – 24 mei 2005)

 

 

De Iers-Amerikaanse schrijver Leonard Wibberley werd geboren op 9 april 1915 in Dublin. Zie ook alle tags voor Leonard Wibberley op dit blog.

Uit: The Mouse That Roared

“MR. BESTON (a bit short). It attracts enough at-tention when the President of the United States suddenly flies to New York. If the Secretary of State goes with him--not to mention the general in charge of security on weapons research--the newspapers will know something's up.
MISS JOHNSON. General Snippet already left. He took a military plane.
MR. BESTON. We go separately and don't meet till we reach Professor Kokintz's laboratory at Columbia University. (Wryly.) That's how times have changed----An eccentric physicist who refuses to work anywhere but at Columbia University can summon the President.
MISS JOHNSON (dubiously). But aren't there thou-sands of these weapons research projects? MR. BESTON. That's what it said on a placard a student was carrying. I happened to notice be-cause he hit me with it. (Dropping his voice.) Looks like this one has really come up with something. Professor Kokintz called the President on the private line at three this morning. All he actually said--(Quoting.) "I have completed the experiment, Mr. President!"
MISS JOHNSON (dropping her voice). You think--worse than the H-bomb?
MR. BESTON (hushed). Don't even talk about it to me! (Finally getting to check contents of his container.) Aspirin, bicarbonate, buffering, and three kinds of tranquilizers.
MISS JOHNSON. For you or for the President?
MR. BESTON. He could use a little tranquilizing. You don't happen to have something particularly cheerful in this mail--something I could mention to the President?
MISS JOHNSON. No, but the boys in the press room are up to their tricks. They managed to get another one of those crazy communications from the mythical European kingdom onto the mail desk again--(She smiles. )--one of those with the double-headed eagle saying "Yea" and "Nay."
MR. BESTON (half smiling as he recalls). Oh, yes--protests, and then a warning.
MISS JOHNSON. This one might amuse the Presi-dent. (Smiling broadly, she hands him a rolled-up scroll.) This one's a declaration of war!”

 

 2025646-446f703511c1d00dba589673be4e5909.jpg
Leonard Wibberley (9 april 1915 – 22 november 1983)
Scene uit de gelijknamige film uit 1959

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Herinnering aan Gerard Reve, Hanz Mirck, Christoph Hein, Judith Koelemeijer, Nnedi Okorafor, Barbara Kingsolver

 

Herinnering aan Gerard Reve

Vandaag is het precies 11 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog en eveneens mijn blog van 14 december 2006. en mijn blog van 9 april 2006.

 

Avondrood

Eens was ik jong en schoon.
Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen
medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.
Nu gaat er niets meer omhoog:
het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.
Ach, waar zijt gij gebleven
zoete, bittere, onstuimige jeugd?

 

 2025333-b6cb6c6669770238cc74f92951eab605.jpg
Gerard Reve (14 december 1923 - 8 april 2006)
Portret door Gerrit Breteler, z.j.

 

 

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook alle tags voor Hanz Mirck op dit blog.

 

Someday my prince will come

Ik staar door muren als ruiten naar buiten
Iedereen kan me zien wassen, verkleden, proberen
te slapen. Niets meer voor mezelf, om te geven aan
wie het dichtst bij mag komen

Mijn glas is van glas, door de barst tussen mijn machteloze
vingers lekt mijn leven op de glimmende vloer
Wat ik eet korrelt in mijn keel,
wat ik drink snijdt door mijn lijf

Hard en breekbaar als ik ben,
de vingerafdrukken op mijn oppervlak;
alles breekt op mij, zelfs de kleuren, zelfs het licht

Niemand zo leeg, zo zuiver
zo gloeiend gegoten, zo gestold
als een traan van glas, prins…

 

 

Uitstraling

Ik ben de morsemoskee, de sfinx van de Veluwe,
de lege kathedraal van Kootwijk, de Tai Mahal
van het verlangen, de Borrobodur van de lange golf,
de Aya Sofia van de ether, dat wat is

maar niet meetbaar is, de bovenlucht
waar de goden fluisteren,
ik kan je woorden naar Bandoeng zenden ,
terwijl je brief hier blijft stop

Mijn galmend zwijgen wil niet zeggen dat mensen
zich niet langer verbinden – nog steeds hoor ik
het fluisteren van de wereld

knisteren in herfstvonken en koelvijvers stop
Om te kunnen zenden is afstand nodig, de hoofdstad
een stoorzender, hier is geen einde stop

 

 2025333-bc29680d91d732114371cdad254afddc.jpg
Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

 

 

De Duitse schrijver, essayist en vertaler Christoph Hein werd geboren op 8 april 1944 in Heinzendorf in Silezié. Zie ook alle tags voor Christian Hein op dit blog.

Uit: Trutz

„In diesen Roman geriet ich aus Versehen oder vielmehr durch eine Bequemlichkeit. Ich wollte mir eine längere Fahrt mit der S-Bahn ersparen, gleichzeitig die Chance nutzen, eine der Direktorinnen des Bundesarchivs Lichterfelde in einem kleinen Kreis ansprechen zu können, ohne in ihrem Archiv offiziell um einen Gesprächstermin zu bitten, eine Bitte, die man mir dort möglicherweise abschlagen würde.
Im Gebäude der Bundesstiftung zur Aufarbeitung der SED-Diktatur war eine Veranstaltung zur wechselvollen Geschichte der deutsch-russischen Verhältnisse im letzten Jahrhundert unter dem Titel Feindliche Freunde für den zwölften Februar angekündigt. Eine stellvertretende Direktorin des Bundesarchivs wollte über neue, in ihren Besitz gelangte Dokumente zu dieser leidvollen Beziehung sprechen. Das Thema interessierte mich nur am Rande, ich war mit anderen Dingen beschäftigt, aber die Möglichkeit, eine leitende Dame des Bundesarchivs in einer, wie ich hoffte, kleinen Runde zu treffen, verlockte mich, an jenem Montagnachmittag in die Kronenstraße zu gehen, mir ihre Ausführungen scheinbar interessiert anzuhören, um sie dann mit einem Anliegen zu belästigen, mit einer Anfrage, worüber nur eine Person der oberen Etage des Bundesarchivs eine Entscheidung fällen konnte.
Ich war seit mehr als einem Jahr dabei, die seltsamen Umstände des Todes eines Terroristen zu erhellen, der von einer Hundertschaft Grenzpolizisten ergriffen werden sollte, dabei durch eine Kugel ums Leben kam, doch war trotz mehrerer Prozesse nie aufzuklären, wer den tödlichen Schuss abgegeben hatte, der Gesuchte selbst oder einer der Beamten. Die Staatsanwälte und Richter mussten eine Hundertschaft von Grenzpolizisten befragen sowie, ungeachtet ihrer Amtsgewalt und der Befugnis, von allen Behörden Auskunft notfalls zu erzwingen, und trotz ihrer Unabhängigkeit, die Aussagen der einhundert Grenzpolizisten, die den Auftrag hatten, einen des Terrorismus Verdächtigen festzunehmen, hinnehmen, dass von diesen einhundert Beamten in dem Augenblick, wo der Verdächtige durch eine Pistolenkugel starb, nicht ein einziger zu dem Festzunehmenden blickte, sondern alle abgelenkt waren und daher nichts bezeugen konnten.“

 

 2025333-1c4c4f62284960fcc26c08b69aa24513.jpg
Christoph Hein (Heinzendorf, 8 april 1944)

 

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Judith Koelemeijer werd geboren in Zaandam op 8 april 1967. Zie ook alle tags voor Judith Koelemeijer op dit blog.

Uit: Hemelvaart

“De vraag wat Annette er zelf van zou vinden dat ik over haar schrijf, durf ik al helemaal niet te beantwoorden. Ze liet zich niet graag kennen, ik kreeg nooit helemaal vat op haar. En dan zou ik nu prijsgeven wat zij zelf kennelijk liever verborgen hield. Annettes ouders, Rein en Corry, hebben me alles gegeven wat hun dochter hun heeft nagelaten. Haar dagboek, fotoalbums, oude schoolschriften, familiefilms, gedichten, tekeningen. Een grote boodschappentas van de Socialistische Partij vol. Maar het heeft iets ongemakkelijks om op mijn Amsterdamse zolderkamer in Annettes nalatenschap te bladeren. Althans: in wat daarvan nog over is. Ik kan niet anders. Zo eenvoudig is het. Het verleden trekt en roept, als een oude jeugdliefde die je ondanks alle bittere herinneringen nog één keer wilt zien. Ik moet dit verhaal vertellen, in een laatste poging het onbegrijpelijke te begrijpen.
(…)

`Ik wil nog láng niet gaan slapen,' zegt Annette. 'Zonde van de tijd.' We staan op de smalle boulevard van Parikia, het havenstadje op Paros. Annette, ik, Nikos en de drie Duitse jongens. Ik ben hun namen vergeten. Heette er niet eentje Heinz? Of was het Hans? We zijn de discotheek uit gezet. Als opgeschrikte dieren, knipperend met onze ogen in het tl-licht, werden we naar buiten gedreven. Het moet al erg laat zijn. De boulevard is nagenoeg verlaten, cafés en restaurants zijn gesloten, op de aangemeerde vissersboten is alles donker. Ook deze nacht heeft nauwelijks verkoeling gebracht. Er is geen zuchtje wind, de zee ligt glad en stil voor ons. `Waar wil je nog naartoe?' vraag ik. Ik begrijp Annette niet. Houdt het dan nooit op voor haar? We hebben de hele nacht gedanst en gedronken. Eerst in de Ierse pub, daarna in de discotheek. Mijn hoofd is licht, mijn benen zijn zwaar. Liefst zou ik ergens gaan liggen. Op het strand, of op mijn matje voor de tent. De andere meiden zijn al uren geleden teruggegaan naar de camping. Ik wil naar de sterren kijken, de zware deining in mijn hoofd tot bedaren brengen. We gaan al drie weken lang elke avond uit; ik ben nog nooit zo moe geweest. Maar voor Annette mag deze nacht geen einde hebben. `Ik ga straks wel in die snurkhut maffen,' zegt ze, 'op de boot!' Al de hele dag maakt Annette grappen over onze hut.”

 

 2025333-0d703f88819a45972315ac13b9399cbc.jpg
Judith Koelemeijer (Zaandam, 8 april 1967)

 

 

De Afrikaanse-Amerikaanse schrijfster Nnedi Okorafor werd geboren op 8 april 1974 in Cincinnati, Ohio. Zie ook alle tags voor Nnedi Okorafor op dit blog.

Uit: Binti

“I powered up the transporter and said a silent prayer. I had no idea what I was going to do if it didn’t work. My transporter was cheap, so even a droplet of moisture, or more likely, a grain of sand, would cause it to short. It was faulty and most of the time I had to restart it over and over before it worked. Please not now, please not now, I thought.
The transporter shivered in the sand and I held my breath. Tiny, flat, and black as a prayer stone, it buzzed softly and then slowly rose from the sand. Finally, it produced the baggage-lifting force. I grinned. Now I could make it to the shuttle. I swiped otjize from my forehead with my index finger and knelt down. Then I touched the finger to the sand, grounding the sweet smelling red clay into it. “Thank you,” I whispered. It was a half-mile walk along the dark desert road. With the transporter working, I would make it there on time.
Straightening up, I paused and shut my eyes. Now the weight of my entire life was pressing on my shoulders. I was defying the most traditional part of myself for the first time in my entire life. I was leaving in the dead of night and they had no clue. My nine siblings, all older than me except for my younger sister and brother, would never see this coming. My parents would never imagine I’d do such a thing in a million years. By the time they all realized what I’d done and where I was going, I’d have left the planet. In my absence, my parents would growl to each other that I was to never set foot in their home again. My four aunties and two uncles who lived down the road would shout and gossip among themselves about how I’d scandalized our entire bloodline. I was going to be a pariah.
“Go,” I softly whispered to the transporter, stamping my foot. The thin metal rings I wore around each ankle jingled noisily, but I stamped my foot again. Once on, the transporter worked best when I didn’t touch it. “Go,” I said again, sweat forming on my brow. When nothing moved, I chanced giving the two large suitcases sitting atop the force field a shove. They moved smoothly and I breathed another sigh of relief. At least some luck was on my side”.

 

 2025333-899bac81c3300b3792b65f03ca0610a6.jpg
Nnedi Okorafor (Cincinnati, 8 april 1974)
 

 

De Amerikaanse schrijfster Barbara Kingsolver werd geboren op 8 april 1955 in Annapolis, Maryland. Zie ook alle tags voor Barbara Kingsolver op dit blog.

Uit:The Poisonwood Bible

« What is the conqueror’s wife, if not a conquest herself? For that matter, what is he? When he rides in to vanquish the untouched tribes, don’t you think they fall down with desire before those sky-colored eyes? And itch for a turn with those horses, and those guns? That’s what we yell back at history, always, always. It wasn’t just me; there were crimes strewn six ways to Sunday, and I had my own mouths to feed. I didn’t know. I had no life of my own.
And you’ll say I did. You’ll say I walked across Africa with my wrists unshackled, and now I am one more soul walking free in a white skin, wearing some thread of the stolen goods: cotton or diamonds, freedom at the very least, prosperity. Some of us know how we came by our fortune, and some of us don’t, but we wear it all the same. There’s only one question worth asking now: How do we aim to live with it?
I know how people are, with their habits of mind. Most will sail through from cradle to grave with a conscience clean as snow. It’s easy to point at other men, conveniently dead, starting with the ones who first scooped up mud from riverbanks to catch the scent of a source. Why, Dr. Livingstone, I presume, wasn’t he the rascal! He and all the profiteers who’ve since walked out on Africa as a husband quits a wife, leaving her with her naked body curled around the emptied-out mine of her womb. I know people. Most have no earthly notion of the price of a snow-white conscience.
I would be no different from the next one, if I hadn’t paid my own little part in blood. I trod on Africa without a thought, straight from our family’s divinely inspired beginning to our terrible end. In between, in the midst of all those steaming nights and days darkly colored, smelling of earth, I believe there lay some marrow of honest instruction. Sometimes I can nearly say what it was. If I could, I would fling it at others, I’m afraid, at risk to their ease. I’d slide this awful story off my shoulders, flatten it, sketch out our crimes like a failed battle plan and shake it in the faces of my neighbors, who are wary of me already. But Africa shifts under my hands, refusing to be party to failed relations. Refusing to be any place at all, or any thing but itself: the animal kingdom making hay in the kingdom of glory. So there it is, take your place. Leave nothing for a haunted old bat to use for disturbing the peace. Nothing, save for this life of her own.”

 

 2025333-90710ea987cd93c3179a02f73f146a76.jpg
Barbara Kingsolver (Annapolis, 8 april 1955)
Cover 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:13 Reageer op dit bericht

John Fante, Johann Christian Günther, Glendon Swarthout, Martin Grzimek, Hégésippe Moreau

De Amerikaanse schrijver John Fante werd geboren in Colorado op 8 april 1909. Zie ook alle tags voor John Fante op dit blog.

Uit: Ask the Dust

“Then I went down the hill on Olive Street, past the horrible frame houses reeking with murder stories, and on down Olive to the Philharmonic Auditorium, and I remembered how I'd gone there with Helen to listen to the Don Cossack Choral Group, and how I got bored and we had a fight because of it, and I remembered what Helen wore that day -- a white dress, and how it made me sing at the loins when I touched it. Oh that Helen -- but not here.
And so I was down on Fifth and Olive, where the big street cars chewed your ears with their noise, and the smell of gasoline made the sight of the palm trees seem sad, and the black pavement still wet from the fog of the night before.
So now I was in front of the Biltmore Hotel, walking along the line of yellow cabs, with all the cab drivers asleep except the driver near the main door, and I wondered about these fellows and their fund of information, and I remembered the time Ross and I got an address from one of them, how he leered salaciously and then took us to Temple Street, of all places, and whom did we see but two very unattractive ones, and Ross went all the way, but I sat in the parlor and played the phonograph and was scared and lonely.
I was passing the doorman of the Biltmore, and I hated him at once, with his yellow braids and six feet of height and all that dignity, and now a black automobile drove to the curb, and a man got out. He looked rich; and then a woman got out, and she was beautiful, her fur was silver fox, and she was a song across the sidewalk and inside the swinging doors, and I thought oh boy for a little of that, just a day and a night of that, and she was a dream as I walked along, her perfume still in the wet morning air.
Then a great deal of time passed as I stood in front of a pipe shop and looked, and the whole world faded except that window and I stood and smoked them all, and saw myself a great author with that natty Italian briar, and a cane, stepping out of a big black car, and she was there too, proud as hell of me, the lady in the silver fox fur. We registered and then we had cocktails and then we danced awhile, and then we had another cocktail and I recited some lines from Sanskrit, and the world was so wonderful, because every two minutes some gorgeous one gazed at me, the great author, and nothing would do but I had to autograph her menu, and the silver fox girl was very jealous.”

 

 2025330-f5e81cce6707f1b307d9397d00da94c7.jpg
John Fante (8 april 1909 – 8 mei 1983)
Affiche voor de film uit 2006 met o.a. Colin Farrell (Arturo)

 

 

De Duitse dichter Johann Christian Günther werd geboren op 8 april 1695 in Striegau. Zie ook mijn blog van 8 april 2007. Zie ook alle tags voor Johann Christian Günther op dit blog.

 

Was war das fuer ein goettlich Paar?

Was war das für ein göttlich Paar?
Wo hat die Welt dergleichen Lüste?
So lacht' ihr Mund, so flog das Haar,
So hüpften die gefüllten Brüste.

Die Sehnsucht schilt den leeren Raum,
Ich weiß nicht, was ich selbst begehre.
Der Menschen Leben heißt ein Traum,
O wenn doch meins ein solcher wäre!

 

 

An die Spötter seiner Poesie

Ist Damon nicht ein fauler Thor?
So sprechen viel der reichen Brüder,
Er bringt kein großes Werck hervor,
Und was er macht, das sind nur Lieder;
Er scherzt mit Gärthen, Kuß und Hayn,
Will ruhig und verborgen seyn
Und weder Schaz noch Staat erwerben;
Sagt, ist wohl Damon weis und klug?
Ihr Narren, thut er nicht genug?
Er lernt ja leben und auch sterben.

 

 2025330-ff27f791935b00c54bcd508fd91e59ec.jpg
Johann Christian Günther (8 april 1695 – 15 maart 1723)
Striegau (tegenwoordig Pools Strzegom)

 

 

De Amerikaanse schrijver Glendon Fred Swarthout werd geboren op 8 april 1818 in Pinckney, Michigan. Zie ook alle tags voor Glendon Swarthout op dit blog.

Uit: The Shootist

„Claw Hand waggled his gun in warning. “I am not armed,” the rider assured him.  “You be careful of that cannon.” Slipping the wallet from inside his coat, he tossed it. The old man let his eyes follow and therefore did not see the weapon which appeared in the rider’s hand as suddenly as blown sand, nor did he hear the explosion because the bullet exploded in his abdomen, crazed through his vitals, was deflected by the spine, and lodged, spent, in the socket of his left hip. He dropped his gun and fell to his knees and squealed like a stuck pig.
“Gawdamighty, you’ve murdered me!”
“Bring me the wallet.”
“I cain’t! Gawdamighty!”
“Bring it you old bastard, or I will put another through the same hole.”
The man’s claw pecked at it, his good hand stopped his stomach as though it were a barrel with the bung out, and blubbering, staggering to the horseman, he handed up the wallet.
“Thanks,” said the rider, putting away wallet and weapon and taking reins.
“You ain’t a-going to leave me here!”
“I am.” The rider considered him. “I will do you a favor, though. You have got a bellyache you are not going to get over. You can die slow or now. If you like, I will kill you.”
“Kill me!”
“If I was in your fix, I would be obliged. I am a fair shot, and you are old enough, and you don’t look as if life has treated you very sporting.”
Claw Hand backed off and sank to his knees again and began to wail like a child. His mouth hung open in shock. Saliva dripped from his chin.
“Suit yourself,” said the man on the crimson pillow, turning as he rode on. “Don’t try to hold up anybody else before you die, Granddad. You are not worth a damn at it.”

 2025330-42811cd6aa25b804a0582ff172044c69.jpg
Glendon Swarthout (8 april 1918 – 23 september 1992)
Scene uit de film met John Wayne, 1976

 

 

De Duitse schrijver Martin Grzimek werd geboren op 8 april 1950 in Trutzhain, Hessen. Zie ook alle tags voor Martin Grzimek op dit blog.

Uit: Tristan

“Es geschah am Morgen des siebzehnten Ianuarius auf dem Schlachtfeld nicht weit der normannischen Küste in den Hügeln bei Convuë. Riwalin, König von Parmenien, wurde von Fürst Morgan, seinem eigenen irischstämmigen Lehnsmann, durch einen gewaltigen Schwerthieb tödlich getroffen. Riwalin war dicht an Morgan herangeritten und wollte gerade zum Schlag ausholen, als sich
Morgans Pferd plötzlich wie eine Furie um sich selbst drehte, und im Schwung dieser Drehung hatte der Irländer, unvorhersehbar auf der anderen Seite neben dem König auftauchend, das Schwert gegen dessen Hals prallen lassen. Es durchtrennte die Maschen des Kettenhemds knapp über der Schulter, rutschte durch die Wucht der Bewegung zum Kinn Riwalins hinauf und schlitzte ihm die Halsader auf. Riwalin riss noch den Kopf herum, suchte den Feind, der ihn angegriffen hatte, erblickte Morgan und wollte schreien – da brach das Licht in des jungen Königs Augen, und das Blut, das ihm über die Brust rann, löschte das Feuer seines Zorns. Tot sank er vom Pferd.
Nur einen halben Tagesritt entfernt auf der Burg Canoêl rang am selben Abend Blancheflur, Riwalins Frau und zugleich die Schwester von König Marke aus Cornwall in Britannien, mit dem Tod, um ihrem Kind, das einst und für alle Zeiten Tristan genannt werden sollte, ein ewiges Leben zu schenken. Die Tücher, in denen der Neugeborene seinen ersten Schrei ausstieß, waren noch voll von Blancheflurs Schweiß, von den Krämpfen ihres Todeskampfes, vom Glück ihrer Liebe. Floräte, die Frau Ruals, des Marschalls von Parmenien, und Elbeth, die Amme, bargen das Kind. Und während Floräte Blancheflur mit den zitternden Stößen ihrer angstvollen Atemzüge in den Tod weinte, wusch die Amme den
Säugling und befreite ihn von Schleim und Blut. Sie wusch ihn mit ihren Tränen, während Floräte ihr Gesicht an der noch warmen, schweißnassen Brust der Toten verbarg. Alles war ein einziger Schmerz, ein Klagen mit aufeinander-gepressten Lippen. Denn niemand durfte etwas von diesem Unglück erfahren.
Und als Floräte aufschaute, wagte sie es, ihre glühende Wange für einen Augenblick an die der Toten zu drücken, ihre Hände um das schöne Gesicht ihrer Königin zu legen und ihr die Augen zu schließen, in denen ein Licht von innen her zu leuchten schien, bis es im erstarrten Blick verglomm.“

 

 2025330-bf196c6d13af06a479a77014b15c0311.jpg
Martin Grzimek (Trutzhain, 8 april 1950)

 

 

De Franse dichter en schrijver Hégésippe Moreau (eig. Pierre-Jacques Roulliot) werd geboren op 8 april 1810 in Parijs. Zie ook alle tags voor Hégésippe Moreau op dit blog.

 

Souvenirs d’enfance

Après dix ans je vous revois,
Vous que j’aimai toute petite ;
Oui, voilà bien les yeux, la voix

Et le bon cœur de Marguerite.
Vous m’avez dit : « Rajeunissons
Ces souvenirs pleins d’innocence. »
Ah ! j’y consens, recommençons
Un des beaux jours de notre enfance.

Comme ils sont loin ces jours si beaux !
Gais enfants que le jeu rassemble,
En souliers fins, en gros sabots,
Sur l’herbe nous courions ensemble.
Dans la vie, où nous avançons,
Nous ne marchons plus qu’à distance.
Ah ! j’y consens, recommençons
Un des beaux jours de notre enfance.

Pauvre ignorant, vous m’instruisiez
Avec une peine infinie ;
Plus d’une fois, lorsqu’à vos pieds
J’épelais Paul et Virginie,
Je fus distrait à vos leçons,
Pour y rester en pénitence :
Ah ! j’y consens, recommençons
Un des beaux jours de notre enfance.

Quoi ! je chante et pas un souris,

Pas un regard qui m’applaudisse !
Autrefois, quand je vous appris
L’air dont m’a bercé ma nourrice,
Un baiser fut de mes chansons
Le refrain et la récompense :
Ah ! j’y consens, recommençons
Un des beaux jours de notre enfance.

 

 2025330-90233d73cd97bbee033a8868c8d6a472.jpg
Hégésippe Moreau (8 april 1810 – 20 december 1838)
Borstbeeld op Montparnasse, Parijs

Geschreven door Romenu om 11:12 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten