Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 17 april 2017 tot 18 april 2017

Wam de Moor, Bas Belleman, Roos van Rijswijk, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Richard Harding Davis, Henry Kendall, Katharina Schwanbeck

De Nederlandse schrijver, dichter, neerlandicus en literatuurcriticus Willem Anton Marie (Wam) de Moor werd geboren in Zevenaar op 18 april 1936. Zie ook alle tags voor Wam de Moor op dit blog.

 

Rotstekening

De hemel vloeit blauw
langs de grauwrotsige hand
van het land.
Mijn liefste danst in het water.

Ze heeft haar been
als een vogel opgeheven
als een rose flamingo
Haar hoofd

wiegt op haar hals
Mijn liefste slaapt
in de zachtrode huid
van haar geurige lichaam.

Zal ik haar doen ontwaken
met de bloem van mijn mond?
Zal ik voorzichtig
haar hand aanraken?

 

 

Ik raak je aan

Ik raak je aan. Niet langer in het vlees
maar in de geest. Noem het bedaard.
Noem het bedeesd. Ik raak je aan.

Ik regel woorden die je raken.
Die dat waard zijn. Die het meest.
Ik raak aan lippen die mijn woorden

aten. Ik raak aan oren, die horen
willen wat verloren leek. Ik
raakte zo in alle staten, uitgelaten

en op streek. Hier aan de grens van
mijn bestaan raak ik je aan.
het is volbracht, gedaan. Wees maar

gerust, geraakt, ja, wees vanaf
vandaag maar eindeloos en
totterdood voldaan.

 

 2028402-b28e7ff6a4e9250a15f3933184e2a3a7.jpg
Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015)

 

 

De Nederlandse dichter Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.

 

Wieken

wat helikopterpiloten doen:
wieken door de lucht laten schaatsen.
kalm blijven, helm op. ijs is ijs, ook als het koorts is.

— je bent zo'n hypochonder de laatste tijd,
is dat sinds je vader?
— weet ik niet zeker, maar ik hoest toch?
dat verbeeld ik me toch niet?
slaap schommelt door me heen.
harceleren. stel: neerstorten zonder het te weten,
hartafwijking, zo zeldzaam zie je ze zelden.

— en mijn testikels, voel 'ns, zijn ze
harder dan anders? of komt dat door
— weet ik veel? verdomme, ga slapen.
— maar zo begint het vaak, hoor!

hellen, tuimelen, ik glijd steeds verder af.
helikopters breken hun voeten op het gras.
waar schaatsen mijn wieken heen?
waarom lucht die vriespijn zo vreselijk op?

 

 

Gedicht
[Zonder titel]

ondertussen bij de reparateur.

zijn uniform eerst dichtgeschroeid dan wegbezuinigd.
toch blijft hij ’s nachts met een mes in de groeven van de tramrails krabben
en collecteren voor kinderen met polio.

- als ik iets kon verkopen zou ik het doen.
maar ze willen niets hebben, zelfs mijn mes niet, zelfs jij niet.
mijn vrouw dijt uit en wil met me op dansles.
eet dan wat minder, zeg ik.
krab dan wat minder, zegt ze.

de tram kwam vlekkeloos als een simulatie aanglijden
en de reparateur stak trots zijn collectebus naar je uit
toen je uitstapte. je liep dwars door hem heen
alsof hij de eerste de beste orgelman was.

 

 2028402-6ddcc11b16706ac4e9c1c043fe2bff00.jpg
Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)
Alkmaar

 

 

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Miguel. Alfons had hem de voornaam van zijn verwekker gegeven. Het is mijn zoon niet, zei hij, laten we de schijn niet ophouden. Hij nam een paar dagen vrij aangezien hij toch de directeur was, aaide de zwarte haren van het jongetje, wist precies wanneer Miguel moest drinken. Liet me steeds die vingertjes en teentjes zien. 'Jongen toch, jongen toch,' mompelde hij soms boven de wieg, alsof Miguel zich enorm in de nesten gewerkt had. We stuurden geen geboortekaartjes.
Elke keer als ik mijn zoon zie verbaast het me hoe oud hij is geworden. Als ik over hem droom, droom ik hem klein, een kleuter of een jongen van een jaar of tien. Soms is hij zeventien en nog net niet het huis uit. Dan komt hij langs, in het echt, ik ben wakker, en heeft hij grijze haren door het zwart heen, stoppels, lijntjes in zijn gezicht. Hij wil me geen foto geven omdat hij bang is dat er iets van hem achterblijft in dit huis, en omdat hij niet voor zich wil zien dat ik naar die foto kijk; hij hoeft dat niet te zeggen, ik weet dat, ik ben zijn moeder. Ik ben je moeder, zeg ik tegen hem. Laat me niet alleen. Hij zegt: je hebt toch buren, vrienden, je zus, Leendert. Ik zeg: er is niemand. Hij zwijgt. Vraagt al lang niet meer om geld. De laatste keer dat ik mijn zoon zag is meer dan twee jaar geleden.
Ik heb aan Jacoba gevraagd of ik álles op moet schrijven. Ze zei: alleen wat je wilt. Ik zei: ik wil helemaal niks meer. Zij: waarom maak je er dan geen eind aan, dat heb je vaak genoeg geprobeerd en dood ga je toch. Dat komt nog wel. Ze is erg begripvol, hard ook, gevormd door haar vak. Jaar in, jaar uit praat ze met mensen die aan het sterven zijn. Mij verzocht ze te gaan schrijven. Niet om vrede te krijgen met mijn sterfelijkheid, dat zit wel goed, maar om te ontdekken waarom ik ondanks alles toch tegenover haar op die stoel zit. Als je er geen eind aan maakt, kun je net zo goed andere dingen doen. Ze hoeft het niet te lezen, zegt ze, ik moet het voor mezelf doen. Sterven terwijl ik wacht. Toen ze zei dat ik het voor mezelf moest doen en daaraan toevoegde dat dat ook wel eens mocht, iets alleen voor mij, moest ik huilen en Jacoba dacht waarschijnlijk dat dat was omdat ik me erkend voelde.”

 

 2028402-747c30231e373a059a17d498fadde6f0.jpg
Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Clara Eggink werd geboren in Utrecht op 18 april 1906. Zie ook alle tags voor Clara Eggink op dit blog.

 

Liedje

Ik liep laatst door de heide
Langs berken en langs brem.
Toen klonk er aan mijn zijde
Een kleine, ijle stem.

Aanhoudend en doordringend,
Zoo blij en mateloos
Alsof een hart hier, zingend,
Zijn hoogste vreugde koos.

O koolmees in het loover,
O heikruid in de zon
Uw lieflijkheid, uw toover
Die mij niet helpen kon.

 

 

Van lieverlede

Van lieverlede ga ik wel begrijpen
waar ik mij ruimer open stel
en het hart al minnende gaat rijpen,
dat ik, als ik mijn liefden tel
wel nader tot de mens kan treden,
maar
zij niet delen in mijn lot.
Ik kies dit in een koele vrede.
Ik min hen zeer, maar weet tot slot
alleen te zijn, van lieverlede.

 

 2028402-29a9a10082a9b64d0779aad03818be26.jpg
Clara Eggink (18 april 1906 - 3 maart 1991)
Hier met  Nico Donkersloot en Victor van Vriesland in 1965

 

 

De Amerikaanse schrijfster, essayiste en feministe Kathy Acker werd op 18 april 1947 in New York geboren als Karen Alexander. Zie ook alle tags voor Kathy Acker op dit blog.

Uit: Portrait of an Eye

“Much later in the apartment on Squalor Street, in the Folsom Street prison, in this mental asylum I now live in, the constant maids guards nurses employees friends EV-ERYONE infuriate me. EVERYONE is Rockefeller, Justice, Society. I'm never left alone. I'm never allowed to live as I please. If my own free actions bother you, you can shoot me, you understand, I'd prefer that. I want to be happy. This is San Francisco. San Francisco is happiness. It's bizarre what I, or you, have to do not do sometimes to be happy .. I don't remember any people besides myself at first .. I remember sailors. I don't remember a nanny, a mommy, or any such nonsense. Sailors have cared for me. Only an ass hung over my cradle wood. Yes, that's the truth . . I'm three years old. I have a pretty pink robe. I'm always alone. I love being alone. I love very much playing in the back corners which smell good. Under the table. In the bathroom. Behind the bed. I'm now four years old. I set the curtains on fire. The greasy odor of the burnt cloth makes me convulse. I feel so strongly, so thrillingly, I come. I eat raw lemons and pieces of black leather. The smell of books, especially of poetry, makes me puke again. I remember also I was sick for a long time they made me drink insipid milk and orange water. For several centuries The Squalor Street chateau's been my dethroned family's refuge. The immense rooms, rooms on rooms on rooms on rooms on rooms, lie deserted. Only a well-trained squadron of servants dressed in blue and green rhinestones—the family trademark—long mustaches, flowing white feather capes over white silk short shorts. The cops patrol all the entrances of the park. Vice-squad and narcs alternately safeguarded our chateau. I most admired the white Vice-Squad. I would pass through the corridors drooling, watch the sentries clank their guns against their cocks after the custom of the Austrian court who order the soldiers of the Monk to face the wall and rub when the Monk walks past them. For hours I would stare at these cops. I couldn't trick insult them though they were socially and absolutely below me, for I feared their blue uniforms, their regular jerky motions. I tried to figure out why they moved and acted so creepily. Like robots. Thus I began to love machines. One day, in an endless meadow crickets luminescent sun etc., I began to dream of the new world: A world defined by the fact I could do whatever I want wherever whenever. I begin to faint, to disappear from this creepy world. I feel big strong arms around me I look into a cop's face. I feel shock and happiness. He was a gutter kid: a black leather hood. That's why the motor's, the machine's activity bound to images of hearing light sky space grandeur freedom enthrall me and balance use with a huge force.”

 

 2028402-61af1764fc16958501bdbe517ed2650f.jpg
Kathy Acker (18 april 1947 – 30 november 1997)
Cover 

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joy Davidman werd geboren op 18 april 1915 in New York. Zie ook alle tags voor Joy Davidman op dit blog.

 

Endymion: I Had Prayed to the Distant Goddess

I had prayed to the distant goddess all that while,
With the mad wish that Deity would bend,
Stoop to the level of a human love.
And that clear distant silver would not heed
Desire, imperious in its rule of me,
But rode the night down with her pack of stars.

And I knew that I dared the undefied,
That this most magic of the mysteries
Was not as fireflies to catch and crush,
Nor even as the mocking light that lures
A vain pursuit, but was beyond pursuit,
A far-seen vision, throned upon a cloud.

Then the moon answered and came down to me.
Oh — I had lain for many nights and sighed
Because she was no nearer, though I knew
The moon was brighter for the distance. Now
She has come down, the years’ dream has come true.
A silver shadow floating above my head,
The cold white moon dissolving in the air,
And dripping liquid silver through the pines,
Till it surrounded me in silver dew,
All of the brightness soft within my arms.

Yet she was magic, high above the pines,
Being divine and unattainable,
And white-serene, while I looked up at her.

 

 2028402-4ac2df26034c2abddf1adf27998b8c3f.jpg
Joy Davidman (18 april 1915 – 13 juli 1960)
Met haar twee zoons in 1953

 

 

De Amerikaanse journalist en schrijver Richard Harding Davis werd geboren op 18 april 1864 in Philadelphia. Zie ook alle tags voor Richard Harding Davis op dit blog.

Uit: Captain Macklin: His Memoirs

“Now I see it–I see it now that it is too late. But surely he understood, he knew how I looked up to him, how I loved him, and how I tried to copy him, and, because I could not, consoled myself inwardly by thinking that the reason I had failed was because his way was the wrong one, and that my way was the better. If he did not understand then, he understands now; I cannot bear to think he does not understand and forgive me.
Those were the best days of my life, the days I spent with him as a child in his own home on the Hudson. It stands at Dobbs Ferry, set in a grove of pines, with a garden about it, and a box hedge that shuts it from the road. The room I best remember is the one that overlooks the Hudson and the Palisades. From its windows you can watch the great vessels passing up and down the river, and the excursion steamers flying many flags, and tiny pleasure—boats and great barges. There is an open fireplace in this room, and in a corner formed by the book— case, and next to the wood—box, was my favorite seat. My grandfather’s place was in a great leather chair beside the centre—table, and I used to sit cross—legged on a cushion at his feet, with my back against his knees and my face to the open hearth. I can still see the pages of “Charles O’Malley” and “Midshipman Easy,” as I read them by the lifting light of that wood fire, and I can hear the wind roaring down the chimney and among the trees outside, and the steamers signalling to each other as they pushed through the ice and fog to the great city that lay below us. I can feel the fire burning my face, and the cold shivers that ran down my back, as my grandfather told me of the Indians who had once hunted in the very woods back of our house, and of those he had fought with on the plains.”

 

 2028402-803ccaf3137300ab9ad445a11b1539d6.jpg
Richard Harding Davis (18 april 1864—11 april 1916)

 

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Zie ook alle tags voor Henry Kendall op dit blog.

 

August

Across the range — by every scarred black fell,
Strong Winter blows his horn of wild farewell.
And in the glens where yet there moves no wing,
A slow sweet voice is singing of the Spring.
Yes, where the bright quick woodland torrents run,
A music trembles under rain and sun.
The lips that breathe it are the lips of her
At whose dear touch the wan world's pulses stir —
The nymph who sets the bow of promise high,
And fills with warm live light the bleak gray sky.
She is the fair-haired August. Ere she leaves
She brings the woodbine blossom round the caves;
And where the bitter barbs of frost have been
She makes a beauty with her gold and green;
And, while a sea-song floats from bay and beach,
She sheds a mist of blossoms on the peach.

 

 

September

September, the maid with the swift, silver feet,
She glides, and she graces
The valleys of coolness, the slopes of the heat,
With her blossomy traces.
Sweet month, with a mouth that is made of a rose,
She lightens and lingers
In spots where the harp of the evening glows,
Attuned by her fingers.
The stream from its home in the hollow hill slips
In a darling old fashion;
And the day goeth down with a song on its lips
Whose keynote is passion.
Far out in the fierce bitter front of the sea
I stand, and remember
Dead things that were brothers and sisters of thee —
Resplendent September.

 

 2028402-71a3915c529497b92fc8a02dccfdca70.jpg
Henry Kendall (18 april 1839 – 1 augustus 1882)
Op 31-jarige leeftijd

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse schrijfster Katharina Schwanbeck werd geboren in 1979 in Rostock. Zie ook alle tags voor Katharina Schwanbeck op dit blog.

Uit: Golden City

„Muss ich mir Sorgen machen? Doch, doch das Licht ist golden, außerdem kann ich meine Gedanken sehn, alles ist Liebe, siehste ... doch keine Ein­bildung! Oder? Oder?? Was wohl Jenny denkt? Ich muss sie nachher unbedingt fragen. Guckt die jetzt zu, sehe ich gut aus ... oh mann ist das angenehm, so warm ... ich würde sie gerne küssen…
Dann ist es vorbei und ich sage Danke zur Lehre­rin und gebe ihr ein K
üsschen links, ein Küsschen rechts.
Danach gehen Jenny und ich high die Stra
ßen lang, die geraden, guten Straßen, dort wo die Büsche blühen und die Bäume. Wir blasen den Rauch unser filterlosen Zigaretten nach Westen, um unsere Ahnen herbei­zulocken in diesen Früh­lings­wahnsinn. Denn wir wollen nicht allein sein, wir wollen viel lieber eins sein.
Dann l
äuft sie vor mir mit nackten Füßen die Glogauer längs, um die Erde besser spüren zu können unter der dicken Asphalt­decke. Bewusst geht sie jeden Schritt. Einatmen, ausatmen, Erdenergien durch die Fersen in den Körper lenken. Aaah. Das tut gut! Und ich bewundere Jenny, dass sie gar keine Angst zu kennen scheint. Vor Glasscherben, meine ich, oder Hunde­haufen oder Spritzen, liegengelassen von achtlosen Junkies.
Das Licht l
ässt goldene Punkte über Jennys Haut flitzen, ihr Haar sieht aus wie eine kleine, lodernde Flamme.“

 2028402-1095618c8d2f8067b1cec14c57681955.jpg
Katharina Schwanbeck (Rostock, 1979)
Rostock, Neuer Markt

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:27 Reageer op dit bericht

Hanane Aad

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet en woont sinds 2009 in Wenen, Oostenrijk. Aad studeerde journalistiek en communicatie en begon met publiceren in 1992. Zij begon haar carrière als schrijfster en presentatrice van een politiek programma voor Radio Free Lebanon. Tussen 1995 en 2005 werkte Aad als journalistr en literair critica voor het Libanese dagblad Al-Nahar, waarvoor zij een beroemde reeks interviews met Franstalige persoonlijkheden maakte.Tussen 2000 en 2008 gaf ze lezingen over haar poëzie in Parijs, Berlijn, München en Roemenië. Ze heeft ook een reeks literaire profielen uit het Frans in het Arabisch vertaald, met name voor het Franse tijdschrift Magazine littéraire. Hanane Aad ontving de prijs van het Libanese ministerie van cultuur in 2000 en won in 2001 de internationale prijs voor excellentie in journalistiek van de International Catholic Union of the Press. Zij publiceerde o.a.: Who Will Buy Me Certainty? (Engels), Duet of Flowers (Japans en Engels) en vijf bundels in het Arabisch in Beiroet: Haar poëzie is gepubliceerd in vele bloemlezingen en tijdschriften in verschillende landen en talen, waaronder Duits, Frans, Spaans, Nederlands, Italiaans, Russisch, Japans, Ests, Turks, Hindi, Bosnisch, Bulgaars en Portugees.

 

Losgeld

Lang geleden brak mijn gezicht
ik leefde lang zonder gezicht
ik kon er niet om huilen
mijn ogen waren daarbij gebroken
de spiegel zweeg
ik sloot haar werelden in rouw
mijn gezicht was gebroken
de wereld beefde
mijn hart hoorde het ijs kruipen
wilde zich niet verzetten
en zei; breek mij net mijn gezicht

Maar, verdeel mij, stralengloed van liefde
waar kou, duisternis en zwepen zijn
zaai mijn tanden in de woestijn
opdat een wonder geschiedt
dat het zand lelies en jasmijn voortbrengt
sproei mijn bloed
op de rand van de wond
en ik balsem in mijn wonden wordt

 

 

De omloop van de geest

’s Morgens reis ik
naar mijn eigen ster
in de ringbaan van de geest
waarin ik mijn karavanen van vermoeidheid
berg
mijn trouwe, geheime ster
wacht steeds op mij
bij de keerpunten van de tijd
op de startbaan van de storm
ik kniel voor
mijn eigen ster
in de ringbaan van de geest
ik mompel
zingzeg het lied van de essentie
dompel het grote hart vol liefde
in het bestaan
omarm de vrijheidswaan
die ik met pure tranen was
dat zij mij redt
en mij verheft
naar torens van zekerheid.

 

Vertaald door Cees Nijland

 

 2128476-93dee5adacb7ff1c3aab9aafe190847f.jpg
Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Pasen (Gabriël Smit)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 2027973-3c4f193db76e661f1324585d2ee6c81f.jpg
Noli me Tangere door Abrham Janssens (figuren) en Jan Wildens (landschap), ca. 1620

 

 

Pasen

Alles aan U doet nog pijn.
Drie dagen slapen is niet genoeg,
U bent wel opgestaan, maar te vroeg,
zelfs U kunt nog niet beter zijn.

U bent Uzelf nog niet, U bent
nog de tuinman, een man van
groen dat nog uitbotten kan,
nog niet klaar, niet herkend.

De zon gaat wel op, maar is
nog niet opgegaan, er hangt
nevel die naar U verlangt,
even bedeesd als Uzelf nog is.

U wijkt uit: ‘Raak mij niet aan!’
Uw wonden trekken, wij hebben U
zo verschrikkelijk pijn gedaan.
Straks misschien kan het, niet nu.

Maar dat straks is genoeg. Het moet
zeggen: U bent er al, maar
U komt. Haal diep adem, sta klaar.
Je hebt Mij altijd tegoed.

 

 

 2027973-2dd4e25fc0c27b707e5de2aa8b3dcbaa.jpg
Gabriël Smit (25 februari 1910 – 23 mei 1981)
Utrecht, de Dom. Gabriël Smit werd geboren in Utrecht.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 17e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:25 Reageer op dit bericht

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen, David Wagner, R.J. Pineiro

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit:De goede moordenaar

“In diejen tijd was de kluizenaar zijn huis aan het bouwen. Fons van Willemiene ging ten laatste alle dag naar de herberg van Jan het Man, Jan, die de suikerziekte heeft. Marjanneke den Schilder woonde in het ouderwetsche huis neven Nol Bonk, in haar huis was een tweede woning, daar woonde Pietje Pinksteren in. Nol Bonk was toentertijd voerman, hij had een bedrijf, hij voer meestentijds den klot uit de peel naar het dorp. Voor de menschen deed hij dat, voor zóóveel de kar. Hij trok, groot en zwaar naast den kop van het paard, door de dorpsstraten en door d'akker en langs de wegen in de peelvlakte. Zijn treden gingen in het geluid der bellen van den paardenhaam, in het gedokker, het gestoot van de wielen. Daar stond de regen over. De regen of de zon. En de groote wind.
Pietje Pinksteren was eenen zeventigjarigen weduwman. Pietje zijn vrouw was jaren geleden gestorven, hij had haar vroeg af moeten geven, hij was altijd nog al goed gemutst, het oude ventje, hij leefde vroolijk in zijn eentje. In die dagen is naderhand de horlogemaker Havé uit den Haag mee zijn jongeren broer en zijn dochter Celine in het dorp gekomen. Ze zijn later weer vertrokken. Er is toen nog veel praat over geweest, dat de zoon van slachter van Leunen op trouwen had gestaan met Celine. Die Celine was een aardige een, de menschen mochten achteraf maar blij zijn, dat die heele Haagsche familie weer weg deed.
Intussen waren er van allerlei dingen gebeurd, Pietje Pinksteren en Nol Bonk en later den kluizenaar, het is een heel geschiedenis geweest. En mee Fons van Willemiene is het leelijk afgeloopen.
Eenen molen op het dorp. De kerk mee den hoogen toren boven de lindeboomen uit, de boomen bij de paar uitspanningen aan het klein marktveld. Wij leefden hier zoo met zijn allen te samen, God en de duivel waren ook hier onder ons menschen. Het hemelrijk en het aardrijk, daar ligt een afstand tusschen, een breuk in de zielen. De menschen doen goed en kwaad, er zijn er die hebben een duistere vreemdigheid alsof ze van den duivel bezeten zijn. In vroeger eeuwen hebben onze schepenen een onschuldigen mensch, dien ze ten onrechte van moord beschuldigden, opgehangen buiten het dorp.”

 

 2027972-f31d7366434a5b48e2356ddbc90aeeb0.jpg
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

 

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg). Zie ook alle tags voor Ida Boy-Ed op dit blog.

Uit: Thomas Mann: Königliche Hoheit

„Der Milliardär Spoelman, der vor Reichtum kranke, weltscheue, nierenleidende Mann, ist mit deutlichster Lebendigkeit hingestellt. Ihm imponiert kein Prinz, lange muß Klaus Heinrich um ein bißchen Wohlwollen werben, und in einer wahrhaft drolligen Szene faßt er eines Tages die Hoffnung, es erworben zu haben: er fühlt nämlich einen steifen Nacken, und der kleine kranke Mann stiefelt eiligst davon, sein Lager am Teetisch verlassend, zum unruhigen Erstaunen aller; schon folgt sein Leibarzt ihm nach, als Samuel Spoelman mit einem zerknitterten Stückchen Guttaperchapapier zurückkommt und Klaus Heinrich anweist, wie er sich mit dessen Hilfe nasse Umschläge machen solle. Aber trotz dieses Wohlwollens ist ihm der Prinz, als er sein Schwiegersohn werden will, doch nur »der junge Mensch, der nichts gelernt hat als sich hochleben lassen«.
Mit großem Bedacht hat der Dichter dem Verständnis für Spoelmans der großherzoglichen Familie eine vorbereitende Stufe gegeben; er läßt den Gemahl der Prinzessin Dietlinde, Klaus Heinrichs und des Großherzogs Schwester, den Fürsten Ried-Hohen-Ried sich als modernen Industriellen mit Glück versuchen.
Entzückend ist es, von schmunzelndem Humor, wie der »Eilbote«, das offiziöse Organ von Hof und Gesellschaft, durch den ganzen Roman hindurch mit seinen Berichterstattungen und Notizen die Handlung begleitet. Als Imma Spoelman erkrankt, woran die ganze Bevölkerung leidenschaftlich teilnimmt, heißt es: »Man hatte den Berichterstatter des ›Eilboten‹ per Droschke nach Delfinenort jagen sehen, woselbst er in der Vorhalle mit dem Mosaikfußboden von dem Spoelmanschen Butler abgefertigt worden war und englisch mit ihm gesprochen hatte, obgleich es ihm nicht leicht wurde.«
Einen sehr nachdenklich abgewogenen Gebrauch macht Mann vom Fremdwort, wo immer man einem begegnet, es könnte gerade da nie durch ein deutsches Wort ersetzt werden von der gleich schillernden Färbung oder dem gleichen umfassenden Wert. Er sagt einmal von einem höchsten Hofbeamten, während dieser sich vor dem Leser inmitten eifriger höfischer Anordnungen aufbläht, daß er ein Mann von ungemeiner Akribie sei. Hier würde das deutsche Wort »Genauigkeit« nicht von fern all die mit hineinspielenden Nebenvorstellungen von kleinlicher Wichtigkeit und lächerlichen Rangfragen auslösen.“

 

 2027972-ac5e8ff4836aad8a30ff2a3aa708a433.jpg
Ida Boy-Ed (17 april 1852 – 13 mei 1928)
Scene uit de film „Königliche Hoheit“ uit 1953

 

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill. Zie ook alle tags voor Nick Hornby op dit blog.

Uit: A Long Way Down

‘Tell them what you want,’ I said. ‘Tell them Daddy was sad, but then he cheered up again.’
‘Brilliant. If we had a pair of two-year-olds, that would be perfect.’
‘I don’t know, Cindy. I mean, if I can’t see them, then it’s not really my problem, is it? It’s something you’ve got to deal with.’
‘You bastard.’
And that was the end of the first phone call. Pointing out that her refusal to let me participate in my daughters’ upbringing left me out in the cold struck me as a restatement of the bleeding obvious, but never mind. It got her off the phone.
I don’t know what I owe my daughters any more. I gave up smoking, years ago, because I knew then that I owed them that much. But when you make the sort of mess I’ve made, smoking seems like the least of your worries – which is why I started again. Now there’s a journey: from giving up smoking – giving up smoking because you want to protect your kids from loss for as long as possible – to arguing with their mother about the best way to tell them of your attempted suicide. They never said anything about that conversation in antenatal classes. It’s the distance that does it, of course. I got further and further away, and the girls got smaller and smaller until they were just tiny dots, and I could no longer see them, literally or metaphorically. You can’t make out their faces, can you, when they’re just tiny dots, so you don’t need to worry about whether they’re happy or sad. It’s why we can kill ants. And so after a while, suicide becomes imaginable, in a way that wouldn’t be possible if they looked into your eyes every day.
Penny was still crying when I called her.
‘At least that makes more sense,’ she said after a while.
‘What?’
‘You leaving the party to go up there. And then coming back with those people. I couldn’t work out what they had to do with anything.’

 

 2027972-a8186adbb16c7a2c2390707b8fb47f8c.jpg
Nick Hornby (Redhill, 17 april 1957) 
Cover

 

 

De Nederlandse dichter Vincent Daniel Corjanus werd geboren op 17 april 1995 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Vincent Corjanus op dit blog.

 

Een dag aan het strand

Het was voorbij het eind.
De laatste reis voltooid.
De schepen liggen in de haven
te wachten op de nacht.
De zeelui zijn vertrokken
naar hoeren en drank.
Hier aan de kade
gooide hij een fles in zee.
Hij hoopte op Nieuw-Zeeland
of Latijns-Amerika.
Liever zag hij haar ogen
die zijn woorden ontcijferen.
Hij was niet zomaar een droom,
dit was zoveel meer.
Alles is terug.
De herinneringen aan een kinderlach
op het strand.
Een dorp overspoeld door zee.
En mama zegt dat je uit de zon moet.
Bescherm mij.
Koester mij.
Stop mij onder
en vertel mij het verhaal
over de schepen in de haven,
het gedicht in het zand
en de jongen die zijn hart
aan het meisje
gaf.
Het was op die dag,
de dag voorbij het eind.

 

 2027972-08fb769afb5c23708d900c01aafc7087.png
Vincent Corjanus (Zwolle, 17 april 1995)

 

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Thornton Wilder op dit blog

Uit: The Eighth Day

“In the early summer of 1902 John Barrington Ashley of Coaltown, a small mining center in southern Illinois, was fried for the murder of Breckenridge Lansing, also of Coaltown. He was found guilty and sentenced to death. Five days later, at one in the morning of Tuesday, July 22, he escaped from his guards on the train that was carrying him to his execution. That was the "Ashley Case" that aroused considerable interest, indignation, and derision throughout the Middle West. No one doubted that Ashley shot Lansing, willfully or accidentally; but the trial was felt to have been bungled by a senile judge, an inept defense, and a prejudiced jury—the "Coalhole Case," the "Coalbin Case." When, to top it all, the convicted murderer escaped from a guard of five men and vanished into thin air—handcuffed, in prison garb, and with shaved head—the very State of Illinois was held up to ridicule. About five years later, the State's Attorney's office in Springfield announced that fresh evidence had been uncovered fully establishing Ashley's innocence. So: there had been a miscarriage of justice in an unimportant case in a small Middlewestern town. Ashley shot Lansing in the back of the head while the two men were engaged in their customary Sunday afternoon rifle practice on the lawn behind the Lansing house. Even the defense did not claim that the tragedy was the result of a mechanical accident. The rifle was repeatedly fired for the benefit of the jurors and was found to be in excellent condition. Ashley was known to have been a superior marksman. The victim was five yards to the front and left of Ashley. It was a little surprising that the bullet entered Lansing's skull above his left ear, but it was assumed that he had turned his head to catch the sounds issuing from a young people's picnic in the Memorial Park across the hedge. Ashley never wavered in his assurance that he was innocent in both intention and deed, laughable though the assertion was. The only witnesses were the wives of the accused and the victim.”

 

 2027972-4a6c9b2341a203731c168cf7d7391160.jpg
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975)
Hier met  Alfred Hitchock (links)

 

 

De Deense schrijfster Karen Blixen (eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted. Zie ook alle tags voor Karen Blixen op dit blog.

Uit: Jenseits von Afrika (Vertaald door Gisela Perlet)

„Das wichtigste Element dieser Landschaft und des Lebens hier war die Luft. Blickt man auf einen mehrjährigen Aufenthalt im afrikanischen Hochland zurück, dann überkommt einen über-raschend das Gefühl, als hätte man lange Zeit in der Luft gelebt. Der I Iimmel war niemals tief-blau, sondern zumeist sehr blass und so hell, dass man kaum zu ihm aufschauen konnte, mit einem Reichtum an riesigen, schwerelosen, wechselnden Wolken, die sich am Horizont auftürmten und über ihn hinwegsegelten. Doch eine blaue Kraft-quelle lag darin verborgen und verlieh dem Höhenzug ganz in der Nähe eine tiefe, frische, himmelblaue Farbe. In der Mittagshitze wurde die Luft über der Ebene lebendig wie eine bren-nende Flamme, sie funkelte, wogte und strömte wie Wasser und formte große Phantasmagorien. In dieser hohen Luft fiel das Atmen leicht, und man atmete eine wilde Hoffnung ein, die Flügeln glich. Wenn man im Hochland morgens erwach-te, dachte man: Jetzt bin ich da, wo mein Platz ist.
Das Ngong-Gebirge zog sich als langer Höhen-zug von Norden nach Süden und wurde von vier edlen Gipfeln gekrönt, die wie erstarrte Wellen aus dunklerem Blau zum Himmel aufragten. Sein höchster Punkt lag zweitausendsiebenhun-dert Meter über dem Meeresspiegel, und seine Ostseite erhob sich siebenhundert Meter über das angrenzende Land. Doch nach Westen fiel es viel schroffer und steiler ab, die Hänge stürzten sich fast senkrecht in das riesige Tal Rift Valley. Im Hochland wehte der Wind ständig von Nordnordost. Es war der gleiche Wmd, den man an den Küsten Afrikas und Arabiens als Monsun bezeichnet, der Ostwind, das Lieblingspferd Kö-nig Salomosi. In dieser Höhe empfand man ihn als den leichten Widerstand des Äthers, wenn sich die Erde dem Raum entgegenwarf. Der Wind wanderte direkt auf die Ngong-Berge zu, deren Hänge ein idealer Startplatz für ein Segelflugzeug gewesen wären - die Luftströmung hätte es vom Fuß des Gebirges bis über den Kamm getragen. Die Wolken, die mit dem Wind reisten, stießen gegen die Berge und blieben hängen, oder sie wurden von den Gipfeln aufgespießt und ent-luden sich in Regenschauern, während jene, die eine größere Höhe erreichten, die Klippe um-schifften und unmittelbar westlich davon über den glühenden Wüsten von Rift Valley verdampf-ten. Oft habe ich von meinem Haus den Flug der Wolken übers Gebirge verfolgt und mit Staunen beobachtet, wie sich die stolzen Massen, sowie sie über den Kamm gelangten, in Luft auflösten und verschwanden.“

 

 2027972-29eb4b1288bbe174d54094fa79652aea.jpg
Karen Blixen (17 april 1885 – 7 september 1962)
Scene uit de film “Out of Africa” uit 1985 met Robert Redford en Meryl Streep

 

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach. Zie ook alle tags voor David Wagner op dit blog.

Uit: Drüben und drüben (Samen met Jochen Schmidt)

„Manchmal schoss ich durch das offene Fenster hinunter auf den Rasen, Richtung Spatzen. Ich stand mit dem Dolch in der Hand auf dem Bett und wippte, die Klinge pikste mich auf Nabelhöhe durch den Stoff meines roten Cord-Hemds, ein Winterhemd, es war Februar. Ich war zehn, fast elf Jahre alt und wollte es wissen, wollte mich in den Dolch stürzen, den unsere Nachbarin mir aus Marokko mitgebracht hatte, wollte wissen, was es mit diesem Leben auf sich hatte. Müsste sich, dachte ich, doch herausfinden lassen.
Die Lustigen Taschenbücher neben meinem Bett gehörten fast alle meiner ältesten Schwester. Manchmal kam sie in mein Zimmer und forderte sie zurück. «Die sind aber schon so lange bei mir» sagte ich dann. «Das sind jetzt meine.» Wovon sie sich nicht beeindrucken ließ. Andere hatte ich von meinen Cousinen geliehen und bisher nicht zurück-gegeben - es würde wohl auch nicht mehr passieren. Die o restlichen stammten vom Flohmarkt, oder sie waren Freun-den abeoekauft. Innen hatten sie abwechselnd eine kolorierte und eine schwarz-weiße Doppelseite, also war nur jede zweite Dop-pelseite farbig. Musste der Ehapa-Verlag Farbe sparen? Oder sollte ich diese Seiten ausmalen? Sobald ich in die Geschichte versunken war, fiel mir das gar nicht mehr aut, vielleicht mochte ich die schwarz-weißen Seiten sogar lie-ber. Gute Geschichten brauchten ja keine Farbe. Lustige Taschenbücher waren teuer und wurden immer teurer. In Bahnhofsbuchhandlungen klebten nicht selten neue Preisaufkleber über den aufgedruckten Preisen. Ach, das war diese sogenannte Inflation! Das Gerede kannte ich ja Alles wird immer teurer! Nur zu besonderen Anlässen bekam ich ein neues, vor einer langen Bahnfahrt vielleicht - so lautete auch der Slo-gan der Reklame: Nicht nur auf langen Bahnfahrten. Den Preis eines Lustigen Taschenbuchs rechnete ich schon bald in Lesezeit um, die reine Lesezeit war bei einem neu gekauf-ten teuer. Ich brauchte ja nie lange, um es durchzulesen. Eine Stunde? Zwei? Es lagen auch Asterix-Hefte neben dem Bett. Asterix bei den Schweizern - wer sein Brotstückchen zum dritten Mal im Käsefondue verliert, wird mit Gewichten im See versenkt Asterix bei den Goten fand ich nicht so lustig, ich hatte bereits verstanden, dass die Witze darin auf unsere, auf deutsche Kosten gingen.“

 

 2027972-52bd75ef36d94f0a1f81af5be0ffc346.jpg
David Wagner (Andernach, 17 april 1971)

 

 

De Amerikaanse schrijver R.J. Pineiro werd geboren op 17 april 1961 in Havana. Zie ook alle tags voor R. J. Pineiro op dit blog.

Uit: Cyberterror

“Terrorists have awakened to this fact, as measured by the sight below: the Alamo City, or what's left of it, where my new boss, FBI Special Agent Karen Frost, and I are about to land.
Yeah. You heard me right. Spooks and Feds have been working together for months now by presidential order to prevent cyberterrorism in the United States along the same vein as when we cooperated at the beginning of the decade.
We're all one big happy family in the CCTF--that's the Counter Cyberterrorism Task Force, which I joined just two days ago, after the shit hit the fan in San Antonio and CCTF leaders started running for cover. Remember that the CCTF's charter is to prevent cyberterrorism in America, which means that what went down here can reasonably be categorized as a paramount fuck-up on their part.
So I got drafted, plucked from my Agency and my pals in counterterrorism with little fanfare and shipped off to the brilliant CCTF.
Well, okay, maybe not as brilliant as the hackers who barbequed this city via the Internet. Four days after the event, the CCTF, which has already deployed an armyof agents, analysts, and other so-called experts to this place once defended to the death by Colonel William Travis, still has no leads, no clues, and no working theories. They--or I should say we, since I'm now one of the gang--have no leads.
Or as we used to say back when I was in the NYPD, we're still just holding nothing but our dicks.
I look over at my CCTF superior and realize she doesn't possess that appendage--at least that I know of--and I suddenly wonder what else she could be holding in those fine hands of hers.
"Tom? Why are you looking at me that way?"

 

 2027972-f86defa250d9d5d75809eda406ac4549.jpg
R.J. Pineiro (Havana, 17 april 1961)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:24 Reageer op dit bericht

Anton Wildgans, Rolf Schneider, Cynthia Ozick, Helen Meier, Rolf Kalmuczak, Karl Henckell, Henry Vaughan, John Ford

De Oostenrijkse dichter en schrijver Anton Wildgans werd geboren op 17 april 1881 in Wenen. Zie ook alle tags voor Anton Wildgans op dit blog.

 

An den Schlaf

O, sanfter Schlaf, der du auf zarten Sohlen
Durchs Dunkel herkommst, keinem Wesen fehlend,
Und alles Erdenweh und Menschenelend
Begütigest mit freundlichen Idolen,

Dort, wo die Liebste, sichrer Hut befohlen,
Entschlummert ruht, den kühlen Pfühl beseelend,
Mal’ du in ihren Traum ein friedenstehlend,
Ein schrecklich Bild mit allen Leids Symbolen.

Und so mir ähnlich mögest du’s vollenden,
Und solche Blässe künde meine Pein,
Daß sie erwachend muß Erbarmen spenden.

Und ließest du mir Dieses angedeihn,
Will ich dir schweigend und aus leisen Händen
Zwei neue Kränze frischen Mohnes weihn.

 

 

An ein Buch

Ich lese dich, und deine Zeichen weben
Schleier auf Schleier um den wunden Sinn,
Abdämpfend rings das allzu laute Leben,
Von dem ich, tausendfältig hingegeben,
Kaum mehr als Spiegelbild und Echo bin.

Und wie sich die Gewirke dichter bauschen,
Wird's immer stiller, und es steht die Zeit,
Vergess' ich dich und hebe an zu lauschen
Auf meines Blutes heilig Stromesrauschen
In mir von Ewigkeit zu Ewigkeit.

Nun öffnet sich von geisterhaftem Wehen
Der Schleier luftig zauberhaft Gezelt,
Und vor mir liegt in ruhigem Bestehen,
Zum erstenmal geschaffen und gesehen
Vom eignen Aug', die Welt.

 

 2027969-7a357926f47c4ecc6404a24bc1fc9ebe.jpg
Anton Wildgans (17 april 1881 – 3 mei 1932)
Portret door Rudolf Hirschenhauser, 1927

 

 

De Duitse schrijver Rolf Schneider werd geboren op 17 april 1932 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Rolf Schneider op dit blog.

Uit: Das Mittelalter

„Der dortige Machthaber war ein halber Germane, was auch sein germanischer Name Odoaker bezeugt. Sein militärischer Widerstand gegen das Heer des Ostgotenkönigs war langan-haltend und zäh. Die Auseinandersetzungen mündeten in ein Kampfgeschehen, das den Namen Rabenschlacht erhielt: Es ging um den Besitz der oberitalienischen Stadt Ravenna, deren altdeutscher Name Raben lautete Theoderich kam nicht voran, Odoaker gab nicht auf. Schließ-lich einigte man sich auf eine aufwendig inszenierte Versöhnung der beiden Fürsten samt einem anschließenden Gelage, in des-sen Verlauf Theoderich seinen Widersacher umbrachte. Wo Mi-litärmacht nichts auszurichten vermochte, obsiegten List und Heimtücke. Der Ostgotenkönig hatte den kaiserlichen Auftrag damit erfüllt. Er nutzte die Gelegenheit, um in Norditalien eine Ostgotenherrschaft zu errichten. Wie es heißt, holte Theoderich insgesamt 20000 seiner Leute ins Land und siedelte sie an, doch solchen Zahlenangaben in den zeitgenössischen Chroniken ist zu misstrauen: Gewöhnlich neigen sie zu Übertreibung. Wie auch immer: Norditalien wurde zu einem erfolgreichen und einigermaßen stabilen Ostgoten-reich. Der König verfügte über ausreichende Kenntnisse der Region und seiner politischen Eliten, um eine funktionierende Admi-nistration aufzubauen. Er schloss entsprechende Vereinbarun-gen mit Angehörigen der ursprünglichen 1 ferrschaftsschicht, die er damit einband; umgekehrt profitierten er und die Seinen von deren zivilisatorischer Erfahrung. Theodia-ich beschäftigte zahl-reiche Römer in seiner Verwaltung. Er verabschiedete ein eige-nes Gesetzeswerk, das Elemente des römischen Rechtes enthielt. Er gab Bauten in Auftrag und ging militärisch gegen die in Süd-italien sitzenden Westgoten vor. Den Gelehrten Bcfethius be-rief er zunächst an die Spitze seiner Regierung, später ließ er ihn hinrichten. Zuletzt erstrebte er ein politisches Bündnis mehrerer germani-scher Stämme diesseits und jenseits der Alpen, doch darin blieb er erfolglos. Theoderich, dem die Geschichtsschreibung den Bei-namen «der Große» gab, war schlau, weitschauend, durchset-zungsstark und grausam. Darin glich er anderen Herrschern des Mittelalters. Er starb 526. Unter den Königen, die auf ihn folgten, begann die Ostgotenherrschaft zu zerfallen.“

 

 2027969-4a0b093ea9706c7a4c69cc18de65eb90.jpg
Rolf Schneider (Chemnitz, 17 april 1932)
Cover 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick werd geboren op 17 april 1928 in New York. Zie ook alle tags voor Cynthia Ozick op dit blog.

Uit: Quarrel & Quandary

"But you are engagé," the famous and energetic man who four years ago directed my play remarked the other day. I say "my play," and not "a play of mine," which may suggest more than one, because it is the only work for the theater I have ever written; I feel certain I will never write another. I had not seen the director since the play closed, and his comment -- that once-faddish, Sartre-sounding word -- startled me. My one play had, in fact, been political, even polemical; it was about Holocaust denial. And though I had always longed to try my hand at drama, I had supposed it would find its shape, if the time ever came, in something literary or satiric, or both; my secret mnemonic model was Simon Gray's frivolously melancholic The Common Pursuit, which had, decades ago, enthralled me. So I was surprised when a congeries of circumstances, not all of my own manufacture, resulted in a play that was indisputably "engagé." I had been driven to it like a wheel the spokes of which were being nailed into place, even while it ran, by mechanics in unfamiliar uniform.
I mean by all this that I resist the political, and am reluctant to take on its spots and stripes: the focus and deliberateness of political engagement, its judgments and its zeal, are so much the opposite of loafing and inviting one's soul. This collection, for instance, includes an essay on essays, wherein the form of the essay is defined, and defended, as follows: "If there is information in an essay, it is by-the-by, and if there is an opinion in it, you need not trust it for the long run.
A genuine essay has no educational, polemical, or sociopolitical use." This was only the latest in a string of similar formulations -- or call them wardings-off; what was being warded off was any tincture of the topical or the tendentious. In 1983, in a foreword to my first non-fiction collection, I wrote, comparing essays to stories, "Sometimes even an essay can invent, burn, guess, try out, hurtle forward, succumb to that flood of sign and nuance that adds up to intuition, disclosure, discovery. The only non-fiction worth writing -- at least for me -- lacks the summarizing gift, is heir to nothing, and sets out with empty pockets from scratch." In a 1988 preface, this time dubbed a "forewarning," I continued along the same line, or tightrope: "Nearly every essay, like every story, is an experiment, not a credo. »

 

 2027969-0976099a2704fd58412dafbcf0bcc2a3.jpg
Cynthia Ozick (New York, 17 april 1928)

 

 

De Zwitserse schrijfster Helen Meier werd geboren op 17 april 1929 in Mels, Kanton St. Gallen. Zie ook alle tags voor Helen Meier op dit blog.

Uit: Die Agonie des Schmetterlings

„Als sie auf der Brücke war, begannen ihre Beine zu zittern. Sie klopfte mit den Bergschuhen auf den Asphalt des schmalen Gehsteigs – sie hätte nur den Arm auszustrecken brauchen, um das Geländer zu berühren. Sie durfte nichts anderes tun, als fest mit den Schuhen vorwärtszugehen und auf die Leitplanke zu starren. Sie hörte die Geräusche der rasenden Autopneus neben ihr wie durch Wachs, sie wagte den Kopf nicht zu drehen. Ihre ganze Kraft musste auf das Aufklopfen der Schuhe, auf stetes Einhalten der geraden Marschrichtung gezwungen werden. Wenn sie zu rennen anfing – dumpf wusste sie es, wusste es ihr kleines Bewusstsein, zusammengedrängt, umlagert von einem riesigen bedrohlichen Etwas –, geschah Schreckliches. Sie stürzte sich in die Schlucht hinunter, wunderbar musste es sein hinabzufallen, durch den schmalen Spalt auf den Grund, an das äusserste Ende, mit einem Schrei – ein Orgasmus musste es sein, intensiver als je, ein einziger Zusammenstoss aller Wünsche, die Stillung, der Durchbruch durch die Wand des Schweigens, die Erlösung, die Ausbreitung in der Glückseligkeit. Sie stürzte auf die Strasse hinaus, unter die Räder, ausgewalzt zu werden, nach dem blitzartigen Einschlag des Gesuchten fixiert zu werden im Lächeln des Wissens, aus den Königsgräbern die goldgeschnittenen Gesichter. Sie zitterte. Nass und kalt sammelte sich der Schweiss in der Rinne der Wirbel. Vergessene Gebetsfetzen aus der Kinderzeit, ein Vater im Himmel, dessen Reich komme, wirbelten ihr ins Gehirn, ihr wiederholtes Murmeln beruhigte sie ein wenig, es gelang ihr, nicht aus dem Marschtakt zu fallen, die Stechschritte gleichmässig fortzusetzen, nicht anzuhalten, vor allem nicht anzuhalten. Wenn sie aufhörte zu marschieren, konnte es hereinbrechen. Die gleichmässige Fortbewegung der Beine, das Starren auf das Asphaltband war das Seil entlang der schwarzen Wand. In der Ferne sah sie die Kurve der Strasse, die das Ende der Brücke war, dort musste sie hin, das war ihre einzige Aufgabe, nichts anderes hatte sie zu tun. Plötzlich war sie erstaunt, die Geräusche der Autos nicht mehr zu hören, sie wagte einen kleinen Seitenblick und erschrak. Sie war nun ganz allein auf der Brücke, alle Menschen waren verschwunden, sie war die Letzte auf der Welt, mit Mühe unterdrückte sie einen Schrei.“

 

 2027969-c316190d4349b8da7ce4f303e562f467.jpg
Helen Meier (Mels, 17 april 1929)

 

 

De Duitse schrijver Rolf Kalmuczak werd geboren in Nordhausen op 17 april 1938. Zie ook alle tags voor Rolf Kalmuczak op dit blog.

Uit:Die Jagd nach den Millionendieben

„Er möchte wohl eine Extraeinladung? In drei Minuten, mein Lieber, bist du im Bett. Klar?«
»Ich war noch so staubig hinter den Ohren«, sagte Tarzan, »deshalb hat’s länger gedauert.«
Aber Rembrandt hörte nicht hin. Er war schon draußen,um seine Runde durch den zweiten Stock fortzusetzen.
Hier schliefen die 12- bis 14-Jährigen. Für sie war um halb neun Zapfenstreich. So verlangte es die Hausordnung des Internats.
Drei Minuten!, dachte Tarzan.Was der sich einbildet! Ist ja erst Viertel nach acht. Seine Uhr geht wohl vor?
Peter Carsten, der mit Spitznamen Tarzan hieß, war 13 und ziemlich groß für sein Alter. Außerdem war er der beste 100-Meter-Läufer und ein so guter Volleyball-Spieler, dass er demnächst in der Schulmannschaft mitmachen sollte.
Seinen Spitznamen hatte er weg, weil er mit affenartiger Geschwindigkeit am Kletterseil hochturnen konnte. Außerdem vielleicht, weil er dunkle Locken hatte. Und weil sogar im Winter seine Haut die sommerliche Bräune behielt. Er war ein blauäugiger Tarzan, schlank, muskulös und durch und durch sportlich.
Alle Schlafräume im zweiten Stock hatten Spitznamen. Das ADLERNEST, wo Tarzan wohnte, war ein winziger Raum, gerade groß genug für zwei Betten, zwei Schränke und Klößchens Fressvorräte.
Auch jetzt, nach dem Zähneputzen, saß Klößchen auf seinem Kopfkissen und kaute. Schokolade, natürlich. Ohne Schokolade konnte er nicht leben; und je mehr er davon aß, um
so dicker wurde er.
»Hast du deine Kniebeugen gemacht?«, fragte Tarzan.“

 

 2027969-46c9a9970e3faa1833dc038967c2d9d6.jpg
Rolf Kalmuczak (17 april 1938 - 10 maart 2007)
Nordhausen

 

 

De Duitse dichter en schrijver Karl Friedrich Henckell werd geboren op 17 april 1864 in Hannover. Zie ook alle tags voor Karl Henckell op dit blog.

 

Aus der Tiefe

O lass mir nicht, wie auch die Schlünde klaffen,
Die das Vollbringen scheiden von dem Plan,
Geringe Macht von ungeheurem Wahn,
O lass mir nicht den schönen Mut erschlaffen!

Was du auch seist, woraus mein Sinn erschaffen,
Der großer Sehnsucht Weihe früh empfah’n,
Beharren lass mich auf der hohen Bahn
Und stets empor zu neuem Flug mich raffen!

Der dieses Lebens freie Linie zog
Und nicht gegeizt mit sicher-kühnem Schwunge,
Mir Feuer goss ins Herz und auf die Zunge,

Der nicht mein Pfund mit Krämerwage wog —
O lass mich aus der Lust, den Leiden allen
Nicht feig hervorgehn und in Kleinheit fallen!

 

 

Weihe

Ein starker Cherub stand an meiner Wiege,
Der sprach: „Ich lege dir ein Schwert zur Hand.
Es geht dein Weg durch hartes Menschenland.
Dein Sinn ist weich. Dies Schwert tut not zum Siege.

Und einen Schild vor deine Brust ich biege,
Des’ Mitte krönt ein Sternendiamant,
Als Hort der Ewigkeit dort festgebannt,
Dass, fällst du einst, dein Herz beschirmet liege.“

Sank ich den Widersachern nicht zum Raube,
Die mich mit Waffen aller Art bedräut,
Dir dank’ ich’s, dessen Stahl sich stet erneut,

Schwert meines Geistes, der auf sich beharrt
Im wilden Wirbelsturm der Gegenwart —
Mein Schild bist du, allmächtiger Liebesglaube!

 

 2027969-f4836aac55997adc0fb8a7b8f93ac236.jpg
Karl Henckell (17 april 1864 – 30 juli 1929)
Hannover 

 

 

De Welshe dichter en arts Henry Vaughan werd geboren in Newton (Breconshire) op 17 april 1622. Zie ook alle tags voor Henry Vaughan op dit blog.

 

The Incarnation, And Passion

LORD, when Thou didst Thyself undress,
Laying by Thy robes of glory,
To make us more, Thou wouldst be less,
And becam'st a woful story.

To put on clouds instead of light,
And clothe the morning-star with dust,
Was a translation of such height
As, but in Thee, was ne'er express'd.

Brave worms and earth ! that thus could have
A God enclos'd within your cell,
Your Maker pent up in a grave,
Life lock'd in death, heav'n in a shell !

Ah, my dear Lord ! what couldst thou spy
In this impure, rebellious clay,
That made Thee thus resolve to die
For those that kill Thee every day ?

O what strange wonders could Thee move
To slight Thy precious blood, and breath ?
Sure it was love, my Lord ! for love
Is only stronger far than death !

 

 2027969-77ad4889f27cd9ce6d414a993f34b027.jpg
Henry Vaughan (17 april 1622 – 28 april 1695)
Cover 

 

 

De Engelse dichter en toneelschrijver John Ford werd geboren in Ilsington, Devon, op 17 april 1586. Zie ook alle tags voor John Ford op dit blog. 

Uit:'Tis pity she's a whore

“FRY. Yes, you may love, faire sonne.
GIO. Must I not praise so
That beauty which, if fram'd a new, the gods
Would make a god of, if they had it there,
And kneele to it, as I doe kneele to them ?
FRY, Why, foolish madman,—
GiIO Shall a peevish sound,
A customary forme, from man to man,
Of brother and of sister, be a barre
Twixt my perpetual! happinesse and met?
Say that we had one father, say one womhe —
Curse to my joyes —gave both us life and birth ;
Are wee not therefore each to other bound
So much the more by nature, by the links
Of blood, of reason, — nay, if you will hav't,—
Even of religion, to be ever one,
One soule, one flesh, one love, one heart, one all?
FRY Have done, unhappy youth, for thou art lost.
GIO. Shall, then, for that I am her brother borne,
My joyes be ever banisht from her bed!
No, father ; in your eyes I see the change
Of pitty and compassion; from your age,
As from a sacred oracle, distills
The life of counsell : tell mee, holy man,
What cure shall give me ease in these extreames.
FRY Repentance, sonne, and sorrow for this sine
For thou hast mov'd a Majesty above
With thy un-raunged almost blasphemy.“

 

 2027969-4391d95a349425ba48d734a898e4581a.jpg
John Ford (17 april 1586 – 1639 of 1640)
Affiche voor een uitvoering in Londen, 2014

Geschreven door Romenu om 11:22 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten