Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 9 juni 2017 tot 10 juni 2017

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Langs lijnen van geleidelijkheid.

“Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia; het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan: ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen, behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauw-lijks te boven ging was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol: de reizigers kwamen reeds in October - die het vroegst in den season kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen, bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar Napels af te zakken.
Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan Cornélie De Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen en met de tong - om haar aandacht te trekken - kreeg zij hare ‘lieve Italiaansche sensatie’, zooals zij dacht, en was blij in Rome te zijn.
Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni, en wenkte hem, en glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien - vroeg of zij prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe, terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij zag links en rechts, als om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het nieuwe Palazzo Piombino - waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was - en toen hield hij stil, en een knoopenjongetje kwam naar haar toe.”

 

 2045115-938fc1c76a16add7401d13059627b468.jpg
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Hier met zijn hond Brinio

 

 

De Nederlandse dichter Jacques Fabrice Herman Perk werd geboren in Dordrecht op 10 juni 1859. Zie ook alle tags voor Jacques Perk op dit blog.

 

Sluimer

Stil! - Duizendogig spiegelt zich in 't meer
De nacht, en laat haar bleke luchter beven,
Die gloeiend witte glanzen heen doet zweven
Om 't, rond de diepte reiend, rotsenheer.

En Sluimer daalt op vlinderwieken neer,
Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven,
Die dauwend droom en zoet vergeten geven,
En zweeft in schaduw peinzend heen en weer.

En in mijn dolend hulkje, dat er glijdt
Langs 't kabblend zilver, zet hij zich; ik zie
Hem tederblikkend over mij gebogen.

Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd...
Ik hoor een sluimerende melodie,
En weet niet wat mij loodzwaar viel op de ogen...

 

 

Sanctissima virgo

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.

Toen is het zwijgend zwerk uit-een-geborsten,
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag,
Look ik mijne ogen, die niet ogen dorsten:

Een schelle schicht schoot schichtig uit den hogen,
En sloeg mij. Ik bezwijmde... ontwaakte, en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.

Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.

 

 

De schietbeek

(XVII)
In 't brede lommer van de lage bomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden:
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.

Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betomen
Maar waadde door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.

Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal.... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...

En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, wenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frisse blijheid blinken. -

 

 2045115-16c5f5ac0eaefa688331050dfd992d3c.gif
Jacques Perk (10 juni 1859 - 1 november 1881)
Portret door Herman van der Voort in de Betouw, 1870

 

 

De Amerikaanse schrijver James Salter werd op 10 juni 1925 in New York geboren. Zie ook alle tags voor James Salter op dit blog.

Uit: There and Then

“A few summers ago, searching for dinosaur excavations, we stopped in a little town named DeBeque in western Colorado. There was a grocery store, an old garage, a post office, and a bar. No one seemed to know anything about dinosaurs although they had an alleged forty-million-year-old tortoise fossil, turned up during road construction, in the garage. "Why don't you go and talk to Armand DeBeque?" they said.
Armand DeBeque lived in a well-kept house at the edge of town but he wasn't there. We found him at the high school where he taught journalism. He was working on the yearbook. He was sixty-eight and the son of a man who had founded DeBeque as part of a land grant given out after the Civil War. His father had fought in that war. Your grandfather, I suggested. No, his father, he said. His father had been born in 1840 and was seventy-two years old at the birth of his son. In one leap the entire history of the state, almost of the West, was spanned.
Colorado lies in two parts. The eastern half is flat, part of the great, fertile heartland that feeds the nation. Denver is the last city of the plains. From its hotel windows, to the west, the mountains rise like a wall. These are the Rockies. Beneath the mountains lies the great reef of silver upon which the mining towns were built. Almost everything was done by hand in these remote locations—trees felled, tunnels dug, shafts and galleries timbered. Sometimes you find the remains of mines with weathered piles of tailings deep in the wilderness. On the way to Crested Butte from Aspen, over the mountains, there are several. It is difficult to imagine such backbreaking labors far from any road or town, but then one remembers the purity of the ore and the size of the nuggets that were sometimes found: in one celebrated case, almost twenty-one hundred pounds of pure silver.
Walking to Crested Butte takes a day. The path at the beginning, in the early morning, is narrow but defined. Gradually it begins to fade and finally, above timberline, to wander aimlessly through high meadows, though the final rocky trail over the pass is plain. The air is thin at this height. One's eyes feel dry; the skin itches. All around is wilderness and fever-blue sky. A friend of mine once encountered two women walking with difficulty toward him near the top of the pass. Jehovah's Witnesses, they were wearing high heels. They wanted to know if this was the way to town.”

 

 2045115-0bf2ac9174e67f1d54312a6479fe7a5b.jpg
James Salter (10 juni 1925 – 19 juni 2015)

 

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Mensje van Keulen op dit blog.

Uit: In het donker

‘‘Benno is een fantastische kat. Als ik het huis binnenga, staat hij me op te wachten en begint meteen te spinnen. Het is jammer dat jij niet tegen katten kan, ik zou er graag een willen.’
‘Voor honden ben ik niet allergisch. We zouden een hondje kunnen overwegen, ik heb het je eerder gezegd.’
‘Weet je hoe heerlijk het voelt als je een kat aait?’
‘Die je vervolgens openhaalt.’
“Daar kon hij niks aan doen.’
Opnieuw het geluid van een naderende wagen.
‘Nog meer onschuldige schepsels naar de slachtbank,’ zegt ze. ‘Is het binnenkort soms weer offerfeest? Ooit hadden we een wet die bepaalde dat dieren niet moesten lijden als ze voor de slacht gedood werden. Maar ook op die school van jou krijgen ze voor het gemak tegenwoordig allemaal maar halal worst en kaas waarvoor kalveren zonder verdoving moeten leegbloeden. Arabieren schijnen eerst de pezen van de achterpoten van koeien door te snijden zodat de dieren niet kunnen wegrennen.’
‘Je moet oppassen met dat soort opmerkingen.’
‘En wees jij niet zo politiek correct. Dat zijn degenen die het meest liegen.’

 2045115-4df3564b851ca6bd9be373dcf5f5803a.JPG
Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit:De gloed van Sint-Petersburg

“Toen ik in 1975 voor het eerst van mijn leven in Leningrad verbleef, was het nog maar negen jaar geleden dat Anna Achmatova de laatste adem had uitgeblazen. Haar invloed was nog altijd merkbaar in de stad, maar om geen problemen met de autoriteiten te krijgen kon je haar naam beter niet uitspreken in het openbaar. Echt verboden was haar werk niet langer, een op de tien bewoners van Leningrad kon haar verzencyclus Requiem uit het hoofd declameren – schat ik – en toch riep haar naam nog altijd het vermoeden van protest en dissidentie op. De volledige, ongecensureerde versie van Requiem zou pas vele jaren later in de Sovjet-Unie verschijnen, in 1987; Anna Achmatova zat nog half in het verdomhoekje.
De laatste jaren voor haar dood had ze als een gevangene geleefd, afgeschermd en afgesloten van de wereld. De voornaamste reden dat haar volgeling Joseph Brodsky als persona non grata op een vliegtuig naar de Verenigde Staten werd gezet, was zijn veelvuldig contact met Achmatova geweest, tegen de wens van de autoriteiten in. Hij deed er alles aan om de poëzie van Achmatova onder een breed publiek te verspreiden en stak niet onder stoelen of banken dat hij haar vereerde als de grootste Russische dichter sinds Poesjkin. Dat streelde het ego van de dichteres. Achmatova had de jongeman als het even kon iedere dag ontvangen, mede omdat hij haar onophoudelijk aan de vermoorde Osip Mandelstam deed denken. Met Mandelstam had ze een band gehad die het begrip en de genegenheid verre oversteeg: zij leken een en dezelfde dichtersziel te delen.
Veertig jaren zijn voorbijgegaan sinds mijn eerste bezoek aan de stad. Op zondag 22 februari 2015 loop ik over de Voskresenskaja, de Opstandingskade die voorheen Robespierrekade heette, langs de Neva in de richting van de Smolnykathedraal.
De sneeuw knerpt onder mijn schoenzolen. Het is zo koud dat de lucht die ik inadem als een mes in mijn longen snijdt. Brede rijen auto’s denderen over de wit uitgeslagen weg langs de rivier; door het geratel van hun spijkerbanden lijken geweren af te gaan. Ik zet de capuchon van mijn anorak op, trek de sjaal rond mijn kraag strakker aan en sta bij het metrostation Tsjernysjevskaja plotseling voor het standbeeld van Anna Achmatova.”

 

 2045115-e69b65cbf236b3cd778506076c700b54.png
Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)
Cover 

 

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook alle tags voor Saul Bellow op dit blog.

Uit: The Adventures of Augie March

“Simon was a blond boy with big cheekbones and wide gray eyes and had the arms of a cricketer—I go by the illustrations; we never played anything but softball. Opposed to his British style was his patriotic anger at George III. The mayor was at that time ordering the schoolboard to get history books that dealt more harshly with the king, and Simon was very hot at Cornwallis. I admired this patriotic flash, his terrific personal wrath at the general, and his satisfaction over his surrender at Yorktown, which would often come over him at lunch while we ate our bologna sandwiches. Grandma had a piece of boiled chicken at noon, and sometimes there was the gizzard for bristleheaded little Georgie, who loved it and blew at the ridgy thing more to cherish than to cool it. But this martial true-blood pride of Simon’s disqualified him for the crafty task to be done at the dispensary; he was too disdainful to lie and might denounce everybody instead. I could be counted on to do the job, because I enjoyed it. I loved a piece of strategy. I had enthusiasms too; I had Simon’s, though there was never much meat in Cornwallis for me, and I had Grandma Lausch’s as well. As for the truth of these statements I was instructed to make—well, it was a fact that we had a boarder. Grandma Lausch was our boarder, not a relation at all. She was supported by two sons, one from Cincinnati and one from Racine, Wisconsin. The daughters-in-law did not want her, and she, the widow of a powerful Odessa businessman—a divinity over us, bald, whiskery, with a fat nose, greatly armored in a cutaway, a double-breasted vest, powerfully buttoned (his blue photo, enlarged and retouched by Mr. Lulov, hung in the parlor, doubled back between the portico columns of the full-length mirror, the dome of the stove beginning where his trunk ended)—she preferred to live with us, because for so many years she was used to direct a house, to command, to govern, to manage, scheme, devise, and intrigue in all her languages. She boasted French and German besides Russian, Polish, and Yiddish; and who but Mr. Lulov, the retouch artist from Division Street, could have tested her claim to French? And he was a serene bogus too, that triple-backboned gallant tea-drinker. Except that he had been a hackie in Paris, once, and if he told the truth about that might have known French among other things, like playing tunes on his teeth with a pencil or singing and keeping time with a handful of coins that he rattled by jigging his thumb along the table, and how to play chess.“

 

 2045115-91af0d5efc3bcfc5087af2af6e34b576.png
Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:54 Reageer op dit bericht

Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović, Tijl Nuyts

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Zie ook alle tags voor Ion Creanga op dit blog.

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)

“One day what should come into the priest's head but to inspect our prayerbooks. Seeing them all bloodstained, he clutched his head in horror. As soon as he found out how they had got into this shocking state, he summoned each one of us in turn to Dapple-Grey's back and began to belabour us with St. Nicholas, bishop in partibus, as retribution for the pains the martyred flies and the holy bumble-bees had suffered at our hands.
Not long after this, one day in the month of May, close upon the Whitsun Moşi1 festival, the Evil One prompted Master Vasile, the blockhead, for I have no better word for him, to appoint a fellow called Nică, Costache's son, to test my knowledge. Nică, who was older than me and whose scholarship was a trifle more than non-existent, had quarrelled with me on account of little Smaranda, whom, one day, with every sign of regret, I had been forced to shove away because she would interfere with my catching flies. So Nică began to examine me, and just went on examining and examining and didn't he just score mistakes wholesale on a piece of shingle: one, two, three, and so on up to twenty-nine! "My word, this is past a joke," I said to myself. "He has not yet finished examining me, and think of all the mistakes to come!" All of a sudden, everything went black in front of me and I began to tremble with anger. "Well, well, I am in a hole! What's to be done about it?" I kept asking myself. Slyly I glanced at the door of salvation and kicked my heels impatiently, waiting for some loiterer outside to come in, for there was a school rule that two people should not walk out at the same time. My heart was fit to burst within me seeing that no one would come in and give me a chance of escaping mounting Dapple-Grey and receiving the blessing of St. Nicholas, that dispenser of black and blue.“

 

 2045110-b65f7204d12a8b0956a414120edbbd8e.jpeg
Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)
Het geboortehuis van Ion Creanga, nu museum

 

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook alle tags voor Oktay Rifat op dit blog.

 

I Hoisted all my flags

I hoisted all my flags on the flagpoles,
I painted the city with my blood's hot colour.
I spread stones on the road that led to anger.
I levelled towers with the back of my hand.
I quartered love into east, west, north and south,
For the leaps from corner to corner.

My first grasshopper, key to my lock.

Fresh as spring sunshine, burgeoning hopes
That carry my joy on the branch.
Inside the light a different light,
Inside the fruit another seed
Empty all my taps, pour my rain
On darkness and fear and the old.

Hello to the torrents that flood down the hill to the plain!

I stand in the middle; days and nights,
Streets and houses, flow past me on both sides.
I am keener than a rust-free anchor, than the sky.
I spin tbe seasons like a top.
In one snap of the fingers I overturned loneliness, erased it.
Fed on my own milk I grow into immortality.

Grass on the earth, and trees, and wet tomorrows.

 

Vertaald door Ruth Christie

 

 

Freedom Has Hands

1
Our horses galloped foaming
to the calm sea.

2
What is this flight? Is it the dove's
joy of freedom?

3
It was forbidden to kiss, did you know
forbidden to think
forbidden to defend the work force.

4
They've picked the fruit from the tree
and they sell it in the market
for as much as they can get,
labor's broken branches on the ground.

 

Vertaald door Richard McKane

 

 2045110-db4afe7edca1269daf5d620f11efa6f6.jpg
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen. Zie ook alle tags voor Peter Kurzeck op dit blog.

Uit: Ein Kirschkern im März

“Als Gast. Alle Abende mit meinem Leben unter dem Oberlichtfenster oder im leeren schweigenden Nebenzimmer. Am Anfang des Abends. Immer der gleiche Moment. Noch eben hell.
März, eine Amsel singt. Du bist müde und spürst, wie die Zeit an dir zieht. Wer bin ich? Und warum hier? Bevor du dich jedesmal wieder auf den Weg machst, deinem Kind gute Nacht sagen.
Carina ist viereinhalb. Ende November die Trennung. Vorher fristgerecht meine Arbeit verloren, eine unersetzliche Halbtagsstelle in einem Antiquariat. Kein Geld, keine Wohnung, kein Einkommen. Schriftsteller. Letzten Sommer mit meinem dritten Buch angefangen. Ende November die Trennung und von da an dann ganz zuletzt jede Nacht aus den überzähligen Matratzen ein Bett, ein Ersatzbett mir in unserem großen Zimmer. Mit Selbstgesprächen. Und immer noch fassungslos. In der Stille nach Mitternacht. Die Zeit, die mir bleibt. Dann spät im Januar für sechs Wochen in eine Abstellkammer in einer fremden Wohnung zwei Straßen weiter und als Spuk, als Gespenst, als Schatten vorerst in dieser Abstellkammer. Eine Trennung und noch keine Wörter dafür. Und hätte nicht gedacht, daß das zu mir und zu meinem Leben gehört. Das Jahr 1984. Frankfurt am Main.
Und als mir auch in der Abstellkammer nur noch drei letzte Tage blieben, sagte im Kinderladen ein anderer Vater zu mir: Du kannst bei uns wohnen. Auch länger. In der Eppsteiner Straße.
Du warst ja schon bei uns. Aber haben im gleichen Haus unterm Dach noch zwei Zimmer als Arbeitszimmer, sagt er, für Birgit und mich. Heizung. Bad dabei. Alles was du brauchst, sagt er. Platz genug. Er heißt Peter wie ich. Ende Februar. Ein heller Morgen. Wir stehen vor dem Kinderladen am Tor. Das besetzte Haus in der Siesmayerstraße. Dann am ersten März bei ihnen eingezogen. Und seither als Gast.“

 

 2045110-d7ba334027beb7d9b0dd8bb9958a971d.jpg
Peter Kurzeck (10 juni 1943 – 25 november 2013)

 

 

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796. Zie ook alle tags voor Antun Mihanović op dit blog.

 

Notre belle patrie

Notre belle patrie,
Oh cher et héroïque pays,
Patrie à la gloire ancestrale,
Sois toujours heureuse !

Chère, autant que tu es glorieuse,
Toi seule nous est chère.
Chère, là où ton sol est plat,
Chère, là où il est montagneux.

Coule Drave, Save coule,
Toi non plus Danube, ne perd pas ta vigueur
Mer azur, va annoncer au monde
Qu'un Croate aime son peuple !

Tant que le soleil réchauffe sa terre labourée,
Tant que les tempêtes fouettent ses chênes,
Tant que les tombeaux cachent ses morts
Tant que bat son cœur vivant !

 

 2045110-fe0af5c517b21750eba2c49e7ac1281f.jpg
Antun Mihanović (10 juni 1798 – 14 november 1861)
Borstbeeld in Tuhelj

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Vlaamse dichter Tijl Nuyts werd geboren in 1993. Nuyts studeerde Engelse en Spaanse taal- en letterkunde en westerse literatuur. Momenteel werkt hij als assistent Spaanstalige literatuur aan de KU Leuven. Eerder verschenen korte verhalen, gedichten en essays van hem in onder meer Deus ex Machina, Kluger Hans, DW B, Streven, Oikos, Romaneske, Mvslim.com, Gierik & NVT. Bij uitgeverij Polis verschijnt in januari 2017 zijn eerste gedichtenbundel Anagrammen van een blote keizer.

 

aborg 2

het is bijna zoals italiaanse schilderijen
of flirten in een stomme film:
het gevaar de dingen te noemen

tussen handelspanden verzonken in
tijdloze kronkelstraten schrikt
een man op een stapel perzische tapijten wakker;
hij verontschuldigt zich voor zijn dutje:
‘hoofdpijn’, zegt hij

toen werd ik ziek, het was augustus
en terwijl zij beneden tevergeefs hun kleuren tonen
— paradijsvogels vol ‘origo ik ik ik!’ — plaats ik,
gebogen over scarabee en avondmaal,
een injectie in de bloedbaan van het denken

zij begrijpen niet dat wij niet
naar de woorden luisteren
maar naar hun eelt

daar staat hij, op het grasveld onder mijn raam: wilhelm kostrowicky;
als een kind dat vrienden zoekt om mee te fietsen

zijn snor stijf van de pommade, messen kwetterend in zijn handen
zijn stem een autoalarm in de stenen nachtlucht

 

 2045110-e0076d8ac5f04dbeb54452439bc4a252.jpg
Tijl Nuyts (1993)

Geschreven door Romenu om 10:53 Reageer op dit bericht

D. Hooijer

De Nederlands schrijfster D. Hooijer (pseudoniem van Catharina Antonetta (Kitty) Ruys-Krijgers Janzen) werd geboren in Hilversum op 10 juni 1939. D. Hooijer debuteerde in 2001 met de verhalenbundel “Kruik en Kling”. In 2004 verscheen haar tweede bundel “Zuidwester meningen”. De openingszinnen van het titelverhaal lijken programmatisch voor haar unieke stijl: 'Mensen die aan zee wonen hebben een bollere mening dan mensen in het binnenland. Dat komt door de zuidwester. Je moet ook harder praten in die wind en misschien korter.' Meer nog dan in haar debuut richtte Hooijer haar blik op de rafelranden van menselijk gedrag, op dat wat in alle onbeholpenheid aandoenlijk is. Haar stijl was pontificaal, laconiek, humoristisch en volstrekt persoonlijk. In 2008 werd Hooijer de Libris Literatuur Prijs toegekend voor haar derde bundel “Sleur is een roofdier”. De jury loofde de winnares aldus: "De auteur heeft alle registers van het vertellen opengetrokken. Dat leverde negen ongewone, fascinerende verhalen op, waarin niets vaststaat, afgerond of eenduidig is. In die verhalen heeft zij een delicaat evenwicht weten te vinden tussen vertelling en vertelwijze, tussen inhoud en vorm. Hooijer slaagt erin te verrassen, te ontroeren en te doen lachen". In 2009 verscheen Hooijers eerste roman “Catwalk”, waarover zij met een verwijzing naar een recensie in NRC Handelsblad over haar prijswinnende boek laconiek vaststelde 'Dat moest van Janet Luis'. Het bleek een on-Nederlandse 'sitcom' over gestorven echtgenoten, een stikwarme zomer in Nederland, modeshows, erfenissen, richtmicrofoons en seks op leeftijd. Haar tweede roman “De wanden van Oeverhorst” beschrijft het leven in 'een krap draaiende privé-inrichting met een wachtlijst' voor tijdelijk gestoorden. D. Hooijer staat ook bekend als illustrator van boeken. Voorheen schreef zij voornamelijk gedichten onder het pseudoniem “Milly Wiers” die werden gepubliceerd bij de kleine uitgeverij De Beuk en in De Revisor, maar die vonden weinig gehoor.

Uit: De zomer

“Op het Huis werden de tekenlessen ‘vrije expressie’ genoemd. Maar van zomaar expressie werden mijn leerlingen baldadig dus gaf ik ze algauw een straffe tekenles. Ik vroeg ze om hun ogen te gebruiken. Soms zong de hele klas met dichte ogen, ‘ik zie wat ik zie’, terwijl ze tastende gebaren maakten als van een blinde. Kleurenleer gaf ik ook omdat ze schrokken van geel over blauw of zwart over wit. Het waren heerlijke uren, iedereen schilderde mooi, iedereen hield van zijn eigen werk het allermeest en aan het eind van de les wilden ze pas weg als ik zei dat het papier nu moest drogen. We hingen de natte vellen in de tocht, in de wind eigenlijk want in die warme zomer stonden de ramen tegen elkaar open.
Het is niet mijn bedoeling om aan te tonen dat patiënten geniaal zijn of normaler dan hun arts, het gaat me om mevrouw Blakers die ons probeerde te belazeren, mij en de anderen, en die daarin geslaagd is.
Ik was labiel in die tijd en mijn eigen tekeningen waren een raadsel voor me maar ik maakte ze nu eenmaal: handen die op steunzolen voortliepen of omhooggestoken voeten met ringen en sigaretten tussen de tenen. Voeten en handen waren afzonderlijk te koop maar de mensen zochten altijd een voet en een hand bij elkaar op huidskleur of nagellak. Zo hadden ze nog net een beetje een persoon, zo werden ze naast elkaar in de kamer opgehangen.
Labiel dus, mijn leerlingen zagen het ook. Ze zeiden het niet hardop maar zodra er een ploeg studenten onze gang opkwam om te kijken hoe in deze goed bekendstaande inrichting therapie werd gegeven, riepen ze: ‘Jongens, allemaal zitten, u ook juffrouw Antoinette.’ En dan holden we naar onze tafeltjes en gingen zitten met de armen over elkaar. De studenten kwamen binnen, de leerlingen zaten te lachen en riepen dat het bezoek moest aanwijzen wíe hier de lessen gaf. En altijd werd mevrouw Blakers aangewezen. Ze was goed gekleed zonder aanstellerij. Haar manier van zitten gaf de doorslag, de armen voor zich op tafel en de handen losjes ineen. Lichaamstaal was nieuw in die tijd. De studenten zeiden dat ze aan mijn schouders zagen dat ik de juf niet was. Altijd wezen ze mevrouw Blakers aan. Een echte lerares maar géén tekenlerares. Wij tekenleraressen droegen vale truien met daaronder zichtbaar bij de wijde hals, zeker twee T-shirts in bestorven kleuren. Ons haar was dof van het terugkammen, maar de wimpers glommen olieachtig van de mascara. Zo worden we tegenwoordig niet aangenomen.
Mevrouw Blakers maakte van die eenvoudige, fleurige tekeningen. Maar toen er op een vergadering besloten werd dat ze naar huis kon, zei ik dat haar werk verontrustend was. Ik begon uit te leggen dat iets ook té fris kon zijn. We worden opgelicht, geen enkel hoofd is zo leeg en vrolijk tegelijk.”

 

 2144722-a3c69797f98bb64d1504d68c67fb3612.jpeg
D. Hooijer (10 juni 1939 – 25 september 2013)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

Het landschap denkt ons

Alles ligt klaar voor de wandelaar
De beek langs de weg, het seinhuis
het te smalle trottoir als gedachten
die je ontmoet en dan de jouwe
noemt, ook zonder kaart liggen ze daar
en wie de deur uitgaat ziet ze haast
voor ze ons omhelzen en wij denken
dat wij het doen terwijl de bomen minzaam
zwaaien. En wij doen het soms
maar meestal denkt het landschap ons
en daar ga je

 

 

Hoekwachters

Ze wachten op minstens 2 trams tegelijk
de hakkenlichters
die tussen twee wallen
hun zwaargeestige momenten staan te kauwen,
op minstens 2 trams die in vereiste richting
met de bel mee gaan.
Ze wachten als doodgetrapte ballonnen
deze pikstekige vrouwspersonen
en de mannen aan toonder,
even onbedaarlijk als schaamteloos staan ze daar
in de beklemming van hun natte jas
weg te raken. In portieken gedrukt
tegen de regen vraagt hun ongeduld
toch verhuld om uitstel van bestemming:
met lege tas willen de hoekwachters liever
de tram niet in.
Wat doe ik ik hun plastic zak?
- een föhn die kastanjegeur blaast
een brilmontuur van konijnebout
een schubje zeemeermin
en een nieuw papiertje voor maart (de weekends
uitgezonderd), een spijker een mes en een touwtje
een vies vloekblaadje een stukje
zuidelijk halfrond en een eigen houtje
voor het bijten. Een 45-
strippenkaart voor lijn 1 t/m 100.

 

 2044970-fb1a2ae561543e15b0092d02d5e46aa7.jpg
Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Beatty werd geboren op 9 juni 1962 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Paul Beatty op dit blog.

Uit:De verrader (Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal)

“De drie basiswetten van de gettofysica zijn: een nigger die je lastigvalt, blijft je meestal lastigvallen; ongeacht waar de zon aan de hemel staat, het is altijd ‘kwart over je apenreet en tien voor je kloten’; en nummer drie: als er iemand wordt neergeschoten van wie je houdt, ben je steevast net thuis voor de kerstvakantie, halverwege je eerste studiejaar, en ben je die middag te paard op weg naar een afspraak met je vader voor een vergadering van de Intellectuelen van de Dum Dum Donut, de plaatselijke denktank, waar hij en de andere buurtgeleerden je overvoeren met cider, kaneelbroodjes en homotherapie. (Niet dat je vader denkt dat je gay bent, maar hij maakt zich zorgen omdat je altijd om elf uur thuis bent en de uitdrukking ‘lekkere bitch’ niet in je vocabulaire lijkt voor te komen.) Het is een koude avond. Je bemoeit je met je eigen zaken en neemt net genietend de laatste slokjes van je vanillemilkshake als je op een troep rechercheurs stuit die om het lijk heen staan. Je stijgt af. Je doet een stap dichterbij en herkent een schoen, of een overhemdsmouw of een sieraad. Mijn vader lag op zijn buik op de kruising. Ik herkende hem aan zijn vuist, stevig toegeknepen, de aderen op de rug van zijn hand nog steeds opgezwollen en vol. Ik compromitteerde de plaats delict door wat pluis uit zijn verklitte afro te plukken, de gekreukte kraag van zijn Oxford-overhemd glad te strijken, het grind van zijn wang te vegen en wat volgens het politierapport nog het ergste was, mijn hand in de plas bloed rond zijn lichaam te leggen, die tot mijn verrassing koud was. Niet heet, niet kolkend van de zwarte woede en de levenslange frustratie van een fatsoenlijke, zij het enigszins gestoorde man die nooit was geworden wie hij vond dat hij was.
‘U bent zijn zoon?’
De rechercheur nam me van top tot teen op. Hij fronste zijn wenkbrauwen en zijn ogen schoten heen en weer van herkenningspunt naar herkenningspunt. Achter zijn minachtend zelfgenoegzame glimlach zag ik zijn hersenen bijna speuren naar verwijzingen in mijn littekens, lengte en bouw naar een bestand met gezochte misdadigers in zijn hoofd.
‘Inderdaad.’
‘Ben je iets bijzonders?’
‘Huh?’
‘Volgens de agenten schreeuwde hij bij zijn aanhouding, en ik citeer: “Ik waarschuw jullie, stelletje anale, autoritaire archetypes, jullie weten niet wie mijn zoon is!” Dus, ben je een bijzonder iemand?’
Wie ben ik? En hoe kan ik die persoon worden?
‘Nee, ik ben niets bijzonders.’

 

 2044970-ede31f0ebe865bf5e522b66326800a85.jpg
Paul Beatty (Los Angeles, 9 juni 1962)

 

 

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Nachtvoorstelling

“Dit is gebeurd, geen weg terug. Kut, hoe kom ik thuis’? Ademhalen Maarten, blijven ademhalen. De lucht diep in je longen zuigen, daar goed op letten. Dan krachtig uitblazen door de mond, de wangen moeten bol staan. Eerst rustig worden, beginnen met de ademhaling dan volgt het hart vanzelf. Het lijkt te werken, De man houdt me nog steeds zorgvuldig overeind. Zijn handen omklemmen mijn schouders stevig. Omvallen zal ik niet meer. Ik moet steeds aan mijn knie denken, het doet al minder pijn, misschien valt het nog wel mee. De man kijkt me recht in de ogen. Hij heeft donkere ogen, serieus. Ken ik hem ergens van? Hij beangstigt me een beetje. Verlegen kijk ik langs hem heen, mijn ogen zoeken een bekend gezicht. Er staat een kring van mensen om ons heen, allemaal jongens. Ik herken niemand. Ze lachen. Wat valt er nou te lachen? Ik sta nog op mijn benen! Achter de kring van jongens zie ik nu vaag nog veel meer gezichten. Ze staan een eind van ons vandaan. Een haag van mensen. Toeschouwers. De man verstevigt zijn grip om mijn schouders. Viel ik weer bijna om, hield hij me daarom zo stevig vast? Het lijkt alsof ik zijn vingers in mijn vlees voel. Zijn gezicht komt dichterbij. Ik kijk verlegen naar mijn schoenen. ’Zo, nou heb je ineens geen grote bek meer! ’ Hij houdt zijn hand in de lucht, zijn vuist is gebald. ’Wat?’ Op het moment dat ik nog meer wil zeggen, wordt ik verblind door de slaande vuist in mijn gezicht. Mijn hoofd trilt, ik schud met mijn hoofd, doe mijn ogen open, alles begint te bonzen. Bloed. Ik kijk de man recht in zijn ogen aan. Rode vlekken bewegen voor mijn ogen. Hij spuugt me in het gezicht. ’Een vuile klootzak ben je! ’ Ik verroer geen vin. Ik ben een standbeeld, vastgenageld. Vragend blijf ik de man in het gezicht kijken. Het maakt hem nog kwader. Zijn voorhoofd glimt van het zweet. Ik voel mijn hand weer trillen, Mijn hoofd knalt uit mekaar, ziedend van woede weet ik helemaal niets. Een klap voor zijn smoel kan ie krijgen. Ik heb niets gedaan, helemaal niets. Ik kan niets doen. Zijn speeksel druipt langs mijn wangen, het blijft op mijn lippen plakken. Mijn mond is droog. Het gebeurt allemaal niet echt, het is niet zo... een vuist slaat me hard in het gezicht.”

 

 2044970-7456d6293c1867b8a545ebbcae00f98a.jpg
Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)

 

 

De Nederlands schrijver en jurist Antonius Martinus Henricus (Anton) Roothaert werd geboren in Tilburg op 9 juni 1896. Zoe ook alle tags voor Anton Roothaert op dit blog.

Uit: Doctor Vlimmen

“En bij deze onplezierige ontmoeting zit Vlimmen in zijn wagen, beweegt zich niet en tuurt in het spiegeltje of daar zijn leven van afhangt. Zijn huid voelt aan als het pantser van een schildpad; alleen is het jammer, dat hij niet zijn hoofd eronder kan wegstoppen, een hoofd, waarvan hij met ergernis voelt, dat het steeds roder wordt... Daar staat Treeborg al naast zijn wagen!... Wie moet nu het eerst groeten? Zal hij...? Maar stel je voor, dat de vent hem negeert, of een hautain knikje teruggeeft!...
Juist als hij op het punt staat met een verschrikt gebaar zijn zakboekje te trekken om gauw iets na te kijken:
‘Bonjour, de Vlim! Hoe gààt het nog, zeg?’
Vlimmen is komiek in zijn slecht-gespeelde verrassing en hij weet het... Maar hoor toch 'ns, wat 'n jovialiteit! ‘De Vlim’ is zijn studentennaam en het klinkt hem tegenwoordig in de oren, als werd hij bij zijn voornaam genoemd...
‘Hallo - uh - Treeborg! Hoe is 't?’ Hij spant zich vergeefs in om gewoon te doen. Maar de ander let meer op zichzelf, trekt een geleerd gezicht en komt ter zake.
‘Zeg!’ roept hij en het zweemt al een beetje naar zag. ‘Beginnen ze bij jullie ook al te zaniken over verlaging van tarieven in verband met de malaise?’
Het is einde 1929 en de crisis begint eerst. Iedereen zegt dat alles ‘omlaag’ moet en dat het zo geen jaar moet duren, want dan gaan we allemaal over de kop.
‘Ik heb er nog niets van gehoord,’ zegt Vlimmen, de ogen strak op het asbakje van zijn auto... Moet hij nu aanstonds, als de bomen opgaan ‘die feut’ vragen om mee te rijden...? ‘Maar ik ben zelf al begonnen met verlagen,’ zegt hij dan met de bedoeling om eens zeer grappig voor den dag te komen.
‘O - uh?’ De gedachtengang van den jongen arts wordt er hinderlijk door onderbroken. Hij is juist bezig een belangrijk verhaal ineen te dichten over grootmachten van de Maatschappij voor Geneeskunde, professoren en dat soort lui, die hij gewoon bij de naam zal noemen als Jantje Kouwer en Pietje Lameris, die hem persoonlijk hebben geraadpleegd, wien hij dit en dat eens heel flink heeft gezegd, waarop ze moesten toegeven, dat...
‘Ja, ik heb zo juist nog m'n tarieven verlaagd voor olifanten, tijgers en zeboe's!’ Vlimmen trekt er een zeer ernstig gezicht bij.”

 

 2044970-7be3624f0fbbd6b7fe76ca37dc958f3f.jpg
Anton Roothaert (9 juni 1896 – 29 maart 1967)
Scene uit de film  “Dokter Vlimmen” met Peter Faber (Vlimmen) en Roger Van Hool (Dacha), 1977

 

 

De Canadese schrijver, muzikant en tv-en radiopresentatorpresentator Jian Ghomeshi werd geboren op 9 juni 1967 in Londen en groeide op in Thornhill, Ontario. Zie ook alle tags voor Jian Ghomeshi op dit blog.

Uit: 1982

“Thad always wanted to be a rock singer. I'd done pretty well with the Wing nuts and our big gig at the Wood-land Junior High gymnasium in Grade 8.
I'd certainly deduced that girls fan-cied rock singers. And so I imagined that if I became a good rock singer, I would probably get Wendy's attention and af-fection. The good news was that a few months before I summoned up the courage to ask Wendy to the Police Pic-nic, I began to receive some notice for my vocal abilities. The less than good news was that this modest vocal triumph did not really come from singing. It was about speaking. In the middle of Grade 9, I started doing the morning announcements at Thornlea Secondary School. It was a job for a nerd. I was that nerd. Actually, no, I was more. I was an aspiring Persian-Canadian New Wave singer with newly acquired hair gel ... and also a public-speaking nerd. This was the first time I became identified for my voice. The morning announcements were roughly five minutes in length and in-volved holding a microphone close to a cassette deck that was playing the na-tional anthem and then telling everyone that classes were to begin. We didn't have digital music players in the early '8os. We had clunky porta-ble cassette decks left over from the 'dos.
They would make loud whirring sounds cassette-player speaker for the audio to when they were rewinding. And we be heard over the school PA system. would hold a microphone close to the If you're a teenager reading this now, you probably think the whole exercise sounds prehistoric. That's because it was. Sometimes, describing the way we lived in the early 198os is akin to telling the story of being a pioneer: "Yes ... we survived with these large-knobbed cassette players, children. And we used shiny tapes in plastic cases that moved quickly in circles and often broke. And also, we learned how to mash up peanuts and butter in order to make peanut butter for food." OK, maybe I have no idea how you make peanut butter. We never did that. But the point is, clunky Thornlea tape-deck technology was the only op-tion at the time. It was all very anti-quated. The morning announcements were a thankless endeavour but a big step into prominence by my standards. And I'm still not really sure how I got this odd morning gig. Somehow, I took the place of our vice-principal and his moustache.”

 

 2044970-2a0ea7e30344e4940c46b1811b2d2821.jpg
Jian Ghomeshi (Londen, 9 juni 1967)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern. Zie ook alle tags voor Mirko Bonné op dit blog.

Uit: Nie mehr Nacht

„Ira reiste durch Israel, um Hebräisch zu lernen, und wurde schwanger. In Hamburg heiratete ich meine Nachbarin. In kam aus Netanja zurück und brachte einen Sohn zur Welt. Ich ließ mich scheiden. Aber meine frühere Frau blieb in der Nähe, Saskia und ich blieben Freunde. Aus Angst umeinan-der wurden wir wieder zu Nachbarn. Rückblickend schien mir außerdem, dass im Gegensatz zu mir meine Schwester sehr wohl versucht hatte, sich gegen ihre Angst zu wappnen. Oder waren ihre Reisen eine Flucht gewesen? Wovor? Vor wem? Was uns peinigte, schienen wir entweder in uns zu tragen oder waren es selbst. Beide nah-men wir es überallhin mit, ihm entkommen, das wusste wir, konnten weder sie noch ich. Irgendwann wohnte sie in einem eigenen Haus. Es war kein schönes Haus, nichts daran war besonders, außer dass es in den letzten Jahren vor ihrem Tod der Mittelpunkt ihrer Welt war. In ihrem Haus, sagte In, stehe zu jeder Sekunde alles auf dem Spiel, bei Tag und auch auch in der Nacht. Allein mit dem Kind, fühlte sie sich in dem Haus einge-mauert. Bei Wind und Wetter — immer! — kamen um kurz nach halb zwei die Nachbarskinder aus der Schule und fuh-ren mit Fahrrädern durch die Siedlung, so wie sie selber vor zwanzig Jahren keine zehn Kilometer entfernt durch Schnei-sen gefahren war Moos überwucherte den Garten, und schon im März kamen die Mücken. Ab Mitte Juni bellte der kleine Hund von nebenan gegen die Terrassenmarkise an, sobald sie heraus-gekurbelt wurde. Im Hochsommer schob sie den Buggy mit dem Jungen auf trostlose Spielplätze. Im Herbst stand sie an der Terrassentür und starrte durch das Gitter des Regens auf eine bemooste Pergola und lauter Thujen. Zwei Fledermäuse gaukelten durch die Dämmerung. Manchmal bekam sie Lust, den Rasen umzugraben, die schwarze Erde ans Licht zu holen, aber tat es nicht. Es wurde kalt, und in seinem Kel-lertank tropfte das Heizöl, im Kinderzimmer, im Vorgarten, in der Garage, wo immer man stand und horchte, überall war es zu hören. Einmal hatte sie mich gebeten, ihr Haus zu zeichnen. An einem Wintertag standen wir im Garten, und sie zeigte mir, wie sie sich das Bild vorstellte: Das Haus sollte wegfliegen.“

 

 2044970-8ada8ff43b7de8560f064e9797ca5056.jpg
Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)

 

 

De Italiaanse schrijver van Duitse afkomst Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert) werd geboren in Prato Toscane, 9 juni 1898. Zie ook alle tags voor Curzio Malaparte op dit blog.

Uit: Kaputt (Vertaald door Hellmut Ludwig)

„Als Dietl den Arm hob und »Heil Hitler!« rief, stand der Mann auf, und jetzt erkannte ich ihn. Es war der Mann aus dem Aufzug, es war Himmler. Er stand uns gegenüber, auf seinen Plattfüßen, deren große Zehen seltsam nach aufwärts gebogen waren, die kurzen Arme hingen ihm seitlich herab. Ein Schweißbach rann wie aus einer Wasserleitung von seinen Fingerspitzen; selbst von seinem Penis strömte ein Wasserstrahl, so daß Himmler aussah wie die Figur des Mannekenpis in Brüssel. Um die schlaffen Brüste sprossen zwei kleine Haarkronen, zwei Mondhöfe lichtblonder Haare; von den Brustwarzen spritzte der Schweiß wie Milch.
Er machte eine Bewegung, sich an der Wand zu stützen, um nicht auf dem feuchten und glitschigen Bodenbelag auszugleiten, und bot uns so den Anblick seiner zwei runden, stark ausgebildeten Hinterbacken, die wie eine Tätowierung den Abdruck der Bankbretter zeigten. Schließlich gelang es ihm, das Gleichgewicht wiederzufinden, er wandte sich um, hob den Arm und öffnete den Mund, doch der Schweiß, der von seinem Gesicht herabströmte, lief ihm in den Mund und hinderte ihn, »Heil Hitler« zu sagen. Bei dieser Bewegung, welche die Anwesenden als das Signal zur Geißelung auffaßten, hoben die anderen nackten Männer ihre Birkenruten und begannen zunächst sich gegenseitig zu peitschen, dann, wie auf Verabredung, schlugen sie mit den Reisern auf Himmler ein, auf Schultern, Rücken und Gesäß, sich zu immer größerer Heftigkeit steigernd.“

 

 2044970-f56fbf12802789fcb26e2092a14bc46e.jpg
Curzio Malaparte (9 juni 1898 – 19 juli 1957)
Cover biografie

 

 

De Amerikaanse schrijver Charles Webb werd geboren op 9 juni 1939 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Charles Webb op dit blog.

Uit:The Graduate

"Ben."
"I'm grotesque. This house is grotesque. It's just this feeling I have all of a sudden. And I don't know why!"
"Ben, it's because you're all tied up in knots."
Benjamin shook his head.
"Now I want you to relax."
"I can't seem to."
"Ben, you've just had four of the most strenuous years of your life back there."
"They were nothing," Benjamin said.
"What?"
"The whole four years," he said, looking up at his father. "They were nothing. All the things I did are nothing. All the distinctions. The things I learned. All of a sudden none of it seems to be worth anything to me."
His father was frowning. "Why do you say that."
"I don't know," Benjamin said. He walked across the room to the door. "But I've got to be alone. I've got to think until I know what's been happening to me."
"Ben?"
"Dad, I've got to figure this thing out before I go crazy," he said, unlocking the door. "I'm not just joking around either." He stepped back out into the hall.“

 

 2044970-41dd3b8263e472c711eb12d9fbb2ec07.jpg
Charles Webb (San Francisco, 9 juni 1939)
Jerry Hall en Tim Dashwood in een toneeluitvoering van The Graduate in Sydney, 2015

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Rudolf Borchardt werd geboren op 9 juni 1877 in Königsberg. Zie ook alle tags voor Rudolf Borchert op dit blog.

 

Knaben Schwermut

O Wolken, warum nahmt ihr was ich litt
Und was ich war, was ihr mir brachtet, mit?
Schon neue steigen an den Hügelrändern
Und bringen mir den Schmerz, mich zu verändern.

Ich sehne mich nach einem ewigen Nun;
Nicht immer, aber heute möcht ich ruhn;
Ich sehne mich danach, daß dieser Strich
Nicht morgen fleht: „mach mich veränderlich".

Nun muß ich wachsen, wie Gefild und Tier;
Auch ist im Winde Eigenschaft von mir;
Mein Eigen ist der bittere Gewinn,
In mir zu wissen, was ich nicht mehr bin.

Zum Wachsen ist es die bewußte Pein,
Die mich zu werden zwingt, und neu zu sein —
Kein Zeiger mißt und keine Spitze schreibt
Und keine Hand stellt ruhig, was mich treibt.

Um unsere Stirnen wandelt wunderbar
Mit Sturm und leichter Luft das mächtige Jahr —
Von jedem Wandel, dran es sich erhält,
Fällt Wandel über uns und auf die Welt:

Du wußtest, Altertum, was du gedichtet:
Augen der Götter sind auf uns gerichtet,
Wie das Gestirn am Bogen weiter rückend,
Taglang und Nachtlang, quälend und entzückend.

Von ihnen fließt es: aber meine Hände,
Wann halten sie, was ihnen widerstände?
Bin ich auf ewig dem Geheiß verpflichtet,
Weil michs beseligt, daß es mich vernichtet?

Ich wollte ohn euch sein, wenn Ihr mir ließt,
Was Ihr mir gabt, und sagen: „Andern fließt!"
Ihr seid die Feuersbrunst, Ihr seid die Habe:
Wir sind gemein, und nennen beides Gabe.

 

 2044970-3666b3158dc1c6b29a5a9a74de8662ee.jpg
Rudolf Borchardt (9 juni 1877 – 10 januari 1945)
Portret door Gerhard Richter, 1971/72

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2015 en ook mijn blog van 9 juni 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:32 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten