Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 28 juni 2017 tot 29 juni 2017

Maarten Asscher, Ror Wolf, Thomas Frahm, Vasko Popa, Oriana Fallaci, Giacomo Leopardi, Antoine de Saint-Exupéry, Anton Bergmann, Willibald Alexis

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en uitgever Maarten Asscher werd geboren op 29 juni 1957 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Maarten Asscher op dit blog.

Uit:Het onrustige graf van Oscar Wilde

“Dit alles brengt ons weer terug in de kleine kamer van het Parijse Hôtel d'Alsace op 30 november 1900. Robert Ross en Reggie Turner hadden de nacht in een andere kamer van het hotel doorgebracht, waar zij tot tweemaal toe door de wachthoudende ziekenbroeder werden gewaarschuwd dat het afgelopen was. Dat bleek beide keren nog niet het geval, maar om half zes 's ochtends begon het reutelen van de stervende, dat Robert Ross in een uitgebreide brief van twee weken later (14 december aan Wildes vriend More Adey) vergelijkt met ‘het afgrijselijke ronddraaien van een ijzeren slinger’. In zijn verslag van die dag laat Robert Ross trouwens geen onappetijtelijk detail van het sterfbed onvermeld. Reggie Turner heeft altijd een veel vrediger versie van Oscar Wildes stervensuren staande gehouden, die hij bovendien pas veel later en niet dan met kiesheid aan het papier toevertrouwde.
Een onverifieerbare maar hardnekkig anekdote wil dat de stervende dichter op 28 november nog klagend tegen het intens lelijke bloemetjesbehang had gegrapt: ‘Dit behang kost me mijn leven. Een van ons beiden moet vertrekken.’ Nu, twee dagen later, was onafwendbaar duidelijk dat het inderdaad de schrijver was die het onderspit zou delven. De Britse ambassade-arts Maurice à Court Tucker, die Wilde in de voorafgaande acht weken maar liefst 68 keer had bezocht en die op 10 oktober nog een ooroperatie bij hem had laten verrichten, had zijn patiënt reeds enkele dagen tevoren opgegeven. Zelfs het toedienen van opium en morfine was intussen gestaakt en ook aan de consumptie van champagne - blijkens de rekeningen van het Hotel d'Alsace: 54 flessen Pommery Extra Sec en één fles Moët et Chandon in de laatste twee maanden - was een eind gekomen. Ross en Turner doodden de tijd met het verscheuren van brieven. Er was geen directe familie te waarschuwen. Wildes echtgenote Constance was hem op 7 april 1898 reeds in de dood voorgegaan; in het voorjaar van 1899 had hij haar graf op de Genuese begraafplaats Staglieno nog bezocht. Zijn vader en moeder waren respectievelijk reeds in 1876 en in 1896 overleden, terwijl zijn broer Willie in 1899 was gestorven. Met de beide zonen van Oscar bestond geen contact, en lord Alfred Douglas was de vorige dag al telegrafisch op de hoogte gesteld van de ernst van de situatie. Tussen 12.00 en 12.30 uur op die dertigste november lieten de beide vrienden hun wacht even beurtelings aan elkaar over om iets te eten te halen. Daarna zaten zij opnieuw gezamenlijk aan het sterfbed, in afwachting van het einde.”

 

 2051001-42faf6a81cc09cca2cbdc2e1dccbe6eb.jpg
Maarten Asscher (Alkmaar, 29 juni 1957)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ror Wolf (pseudoniem van Raoul Tranchirer) werd geboren op 29 juni 1932 in Saalfeld/Saale. Zie ook alle tags voor Ror Wolf op dit blog.

 

Viertes kleines Nachtgedicht

Eins zwei drei vier fünf sechs sieben acht.
Hier beginnt es, mitten in der Nacht.
Eins zwei drei vier fünf sechs sieben — eins.
Frankfurt, Nordend, oberhalb des Mains.
Eins zwei drei vier fünf sechs sieben — zwei.
Es ist Nacht in Frankfurt, es ist drei.

Jemand sieht die Dinge wie sie sind.
Doch er sieht sie nicht, denn er ist blind.
Jemand hört: von oben fällt das Laub.
Doch er hört es nicht, denn er ist taub.
Jemand wird verschluckt von einem Tier.
Er bemerkt es nicht, es ist jetzt vier.

Eins zwei drei vier fünf sechs sieben acht.
Es ist fünf Uhr morgens, jemand lacht.

 

 

Der dunkle Boden der Wirklichkeit

Der Morgen kommt, cs kommt der Tag,
der Pförtner löscht das Lampenlicht,
der Bäcker reibt sich das Gesicht,
der Fleischer öffnet den Verschlag.

Die schwarze Nacht ist jetzt vorbei.
Der Gärtner gähnt, der Regen spritzt,
der Kaff« dampft, der Schaffner sitzt
am Tisch und ißt sein Frühstücksei.

Im Hintergrund rauscht der Verkehr.
Der Koch, der in die Tiefe steigt,
holt eine Wurst, der Dichter schweigt.
Der Wind ist schwach, das Meer ist leer.

Der Heizer raucht, der Makler pfeift,
der Ohrenarzt wird umgebracht,
die Sonne sticht, die Witwe lacht, d
er Kommissar wird eingeseift.

Dcr Schnee fällt weich, der Wind er weht.
Der Abend kommt, es kommt die Nacht.
Die Fenster werden zugemacht.
Es regnet und die Nacht vergeht.

 

 2051001-5aa518e4b4fc88cd4e48a7fb83d2eaee.jpg
Ror Wolf (Saalfeld/Saale, 29 juni 1932)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, uitgever en vertaler Thomas Frahm werd geboren op 29 juni 1961 in Homberg. Zie ook alle tags voor Thomas Frahm op dit blog.

 

Statistik einer Nacht in unserer Straße (24. Dezember)

27 von 29 Vorgärten sehen dem Schneefall
guten Gewissens
gepflegt entgegen

15 Tannenbäume
unterstützen die Straßenbeleuchtung
In zwei Wohnungen
läuft noch der Spätfilm

Eine Handvoll Spätheimkehrer
von denen einer ein Taxi benutzt

5/8 Bewölkung, vereinzelte Windstöße aus Südwest
Für die Jahreszeit zu warm
(Weihnachtstauwetter)

Ein Hund schräg gegenüber
bellt ohne Pause
genau 47 Minuten

 

 

Duisburg, Binnenhafen

Die Kohlenschiffe liegen
leise schaukelnd, aber ruhig.
Die Dampfhämmer schweigen.
Rostige Verladekräne
besehen sich das Schauspiel
von oben.

Wenn jetzt noch eine Möwe
dicht über das von Sonne und Maschinenöl
glänzende Wasser hin-
glitte,

dann hätte keine Ansichtskarte eine Chance
gegen so viel Idylle.

 

 2051001-515669c3a469ca0f95c6bf10dd726f9c.JPG
Thomas Frahm (Homberg, 29 juni 1961)

 

 

De Servische dichter Vasko Popa werd geboren in Grebenac op 29 juni 1922. Zie ook alle tags voor Vasko Popa op dit blog.

 

Geeuw der geeuwen

Er was eens een geeuw
Niet onder het gehemelte niet onder de hoed
Niet in de mond of waar dan ook

Hij was groter dan alles
Groter dan zijn eigen grootte

Af en toe flitste
Duister zijn botte wanhopige duister
Uit wanhoop hier en daar op
Het deed ons denken aan sterren

Er was eens een geeuw
Saai zoals iedere geeuw
En hij duurt blijkbaar voort

 

 

Hemelring

Ring niemands ring
Hoe ben je verloren geraakt
Hoe ergens uit de hemel gevallen
Niet ergens maar overal

Waarom trouwde je zo snel
Je oude stokoude glans
met jouw jonge leegte

Ze zijn je allang vergeten
Net als hun huwelijksnacht

Je glans zuipt zich stomdronken
Je leegte is moddervet
Jij bent alweer verloren

Hier heb je mijn ringvinger
Maak het je gemakkelijk

 

Vertaald door Jana Beranová

 

 2051001-01df5ee0182910605243b993ebebc11a.JPG
Vasko Popa (29 juni 1922 – 5 januari 1991)
Bordje op een huis in Belgrado waar Vasko Popa heeft gewoond.

 

 

De Italiaanse journaliste en schrijfster Oriana Fallaci werd geboren in Florence op 29 juni 1929. Zie ook alle tags voor Oriana Fallaci op dit blog.

Uit The Rage and The Pride

“And when, thinking me dead, they stuck me in the morgue, the cadavers I soon found around and on myself seemed like a deluge. Well, almost fifty thousand people worked in the two towers. And very few had time to evacuate. The elevators didn’t work any more, obviously, and to go down on foot from the highest floors would have taken an eternity. Flames permitting. We’ll never know the number of dead. (Forty thousand, fifty thousand?) The Americans will never tell, so as not to underline the intensity of this apocalypse. So as not to give satisfaction to Osama Bin Laden and encourage other apocalypses. And anyway the two abysses that absorbed those tens of thousands of creatures are too deep. At most the workers will unearth pieces of scattered members. A nose here, a finger there. Or else a kind of paste that seems like ground coffee but is actually organic material. The residue of bodies pulverized in a flash. Yesterday the mayor Guiliani sent more than ten thousand body bags. But they went unused.
What do I feel for the kamikazes who died with them? No respect. No pity. No, not even pity, I who always wind up giving in to pity. I’ve always disliked kamikazes, that is people who commit suicide in order to kill others. Starting with the Japanese ones from World War II. I never considered them Pietro Miccas who torch the powder and go up with the citadel in order to block the arrival of the enemy troops at Torino. I never considered them soldiers. Even less do I consider them martyrs or heroes, as Mr. Arafat, hollering and spitting saliva, described them to me in 1972. (Or when I interviewed him at Amman, where his marshalls were also training the Badder-Meinhof terrorists.) I just consider them vain. Vain people who instead of seeking glory in cinema or politics or sports seek it in the death of themselves and others. A death that, in place of an Oscar or a ministerial seat or a medal, will get them (they think) admiration. And, in the case of those who pray to Allah, a place in the paradise that the Koran speaks of: the paradise where heroes get to fuck houris. I’ll bet they’re even physically vain.”

 

 2051001-cd0d3e9a7cdcff3f610186c34f77b160.jpg
Oriana Fallaci (29 juni 1929 - 15 september 2006)

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Giacomo Leopardi werd geboren in Recanati op 29 juni 1798. Zie ook alle tags voor Giacomo Leopardi op dit blog.

 

To Italy (1818) (Fragment)

And from my blood, a votive offering,
May flames of fire in every bosom spring!
Where are thy sons? The sound of arms I hear,
Of chariots, of voices, and of drums;
From foreign lands it comes,
For which thy children fight.
Oh, hearken, hearken, Italy! I see,--
Or is it but a dream?--
A wavering of horse and foot,
And smoke, and dust, and flashing swords,
That like the lightning gleam.
Art thou not comforted? Dost turn away
Thy eyes, in horror, from the doubtful fray?
Ye gods, ye gods. Oh, can it be?
The youth of Italy
Their hireling swords for other lands have bared!
Oh, wretched he in war who falls,
Not for his native shores,
His loving wife and children dear,
But, fighting for another's gain,
And by another's foe is slain!
Nor can he say, as his last breath he draws,
"My mother-land, beloved, ah see,
The life thou gav'st, I render back to thee!"
Oh fortunate and dear and blessed,
The ancient days, when rushed to death the brave,
In crowds, their country's life to save!
And you, forever glorious,
Thessalian straits,
Where Persia, Fate itself, could not withstand
The fiery zeal of that devoted band!
Do not the trees, the rocks, the waves,
The mountains, to each passer-by,
With low and plaintive voice tell
The wondrous tale of those who fell,
Heroes invincible who gave
Their lives, their Greece to save?

 

 2051001-2d933d5f6f38015edcca7b350d0d8fbf.png
Giacomo Leopardi (29 juni 1798 - 14 juni 1837)
Elio Germano als Giacomo Leopardi in de Italiaanse film “Il giovane favoloso”, 2014

 

 

De Franse schrijver Antoine de Saint-Exupéry werd geboren op 29 juni 1900 in Saint-Maurice-de-Rémens. Zie ook mijn blog van 29 juni 2010 en eveneens alle tags voor Antoine de Saint-Exupéry op dit blog.

Uit: De kleine prins (Vertaald door L. De Beaufort-Van Hamel)

“Zo was ik dan weer achter iets heel belangrijks gekomen: de planeet waar hij vandaan kwam, was niet veel groter dan een huis! Dat hoefde me ook niets te verbazen. Ik wist wel, dat er behalve de grote planeten zoals de Aarde, Jupiter, Mars en Venus, die namen hebben, nog honderden andere zijn soms zo klein, dat men ze zelfs met een telescoop moeilijk kan zien. Als een sterrenkundige er een ontdekt geeft hij hem een nummer bij wijze van naam. Hij noemt hem bijvoorbeeld asteroïde 325'. Ik heb reden te geloven dat de planeet waar het prinsje vandaan kwam de asteroîde B 612 was. Die is maar één keer met de telescoop gezien, in 1909 door een Turks sterrenkundige. Deze legde toen zijn ontdekking uitvoerig uit op een Internationaal Congres voor Sterrenkunde. Maar niemand geloofde hem, om zijn Turkse kleren. Zo zijn de grote mensen. Gelukkig voor de bekendheid van de asteroïde B 612 dwong een Turkse dictator zijn volk zich Europees te kleden. Er stond zelfs de doodstraf op, als men het niet deed. In 1920 hield de sterrenkundige zijn uitlegging nog eens, ditmaal in een keurig pak. En nu was iedereen het met hem eens. Al deze dingen over de asteroïde B 612 en over het nummer heb ik jullie verteld met het oog op de grote mensen. Grote mensen houden van cijfers. Wanneer je hun vertelt van een nieuwe vriend vragen ze nooit het belangrijkste. Ze zeggen nooit: 'Hoe klinkt zijn stem? Van welke spelletjes houdt hij het meest? Verzamelt hij vlinders?' Maar ze vragen: 'Hoe oud is hij? Hoeveel weegt hij? Hoeveel broertjes heeft hij? En hoeveel verdient zijn vader?' Dan pas vinden ze dat ze hem kennen. Als je tegen de grote mensen zegt: 'Ik heb een prachtig huis gezien van rose baksteen, met geraniums voor de ramen en duiven op het dak...' dan kunnen ze zich dat huis niet voorstellen. Je moet zeggen: 'Ik heb een huis van vijftigduizend gulden gezien' Dan roepen ze: 'Wat mooi!' En al net zo gaat het als je zegt: 'Het bewijs dat de kleine prins bestaan heeft, is dat hij er lief uitzag dat hij lachte en een schaap wilde hebben. Als je graag een schaap wilt hebben is dat het bewijs dat je bestaat.'

 

 2051001-4d728fe50eb119f8b97857f832b6a815.jpg
Antoine de Saint-Exupéry (29 juni 1900 - 31 juli 1944)
Cover 

 

 

De Vlaamse schrijver Anton "Tony" Bergmann werd geboren te Lier op 29 juni 1835. Zie ook alle tags voor Anton Bergman op dit blog.

Uit:Ernest Staas

‘‘Maar vriend Lefinaud,’ zeide mij eens een van hen, ‘ik ben wel driemaal misgeloopen, aleer uw huis te vinden. Wie hemel kan toch raden, dat gij hier ingekwartierd zijt?’
Die opmerking was een lichtstraal voor mij.
‘'s Anderendaags stonden al de vensters vol modeprentjes, en op mijn deur prijkte eene groote koperen plaat met de woorden “tailleur pour civil et militaire...” en sedert heb ik er nog veel in Duitsch en in het Engelsch doen bij schilderen,’ lachte de kleermaker.
‘Ik kan toch geen avocat pour civil et militaire aankondigen,’ deed ik opmerken.
‘Dat weet ik wel, mijnheer, zoo iets is goed voor onzen stiel. Een advocaat moet meer bescheiden handelen en eene plaat zou te veel in het oog geven. Maar, gij laat bij voorbeeld in kleine letterkens uwen naam rondom de bel of op den stijl der deur zetten, zoodat het meer den schijn heeft van eene terechtwijzing voor de personen, die zouden misloopen, dan van eenen oproep tot het publiek. Als mijnheer wil?...’
Ik maakte wel eenige tegenwerping, maar Monsieur Lefinaud vond, dat hij er mocht over heen stappen: en den volgenden morgen stond er rondom de huisbel in geschreven letterkens: Sonnez 2 fois pour M.E. Staas, avocat.
Het kon er geen twee uren opstaan, of ik hoorde de bel tweemaal overslaan, en aan den trap de stem van Lefinaud: ‘Pour Monsieur l'Avocat, au premier!’
Ik liep achter mijn bureau-ministre, sloeg een zwaarlijvig Romeinsch wetboek open, en zette mij de hand door de haren, die, verward en dooreengewerkt, van kommer en studie getuigden.
Een heer met eene groote brieventasch onder den arm, naderde met den hoed in de hand.
Ik lichtte mij half op uit den leunstoel, en verzocht mijnen bezoeker plaats te nemen en zijne zaak uit te leggen.”

 

 2051001-3f00af37ff40aeb3a34bfbbd778a25d7.png
Anton Bergmann (29 juni 1835 – 21 januari 1874)
Monument in Lier

 

 

De Duitse schrijver Willibald Alexis (eig. Georg Wilhelm Heinrich Häring) werd geboren op 29 juni 1798 in Breslau. Zie ook alle tags voor Willibald Alexis op dit blog.

Uit: Canabis

“Die Erinnerungen aus meinen Kinderjahren reichen weit zurück. Ich habe keine frohe Jugendzeit verlebt; mitten aus dem Kreise meiner Kinderspiele wuchs mein Schicksal auf, und während ich noch zu spielen wähnte, hatte mich seine eiserne Hand gefaßt und den Knaben hinausgeschleudert aus dem Vaterhause in den Strudel des Lebens. Besonders deutlich entsinne ich auch eines Vorfalls aus meinem neunten Jahre, weil ich in dem an sich unbedeutenden Ereignis den ersten Quell zu der seltsamen Wendung meiner Lebensgeschichte suchen muß.
Als wäre es heute erst geschehen, so sehe ich noch die Straße, die Häuser, die Gesichter, die aus den Fenstern blickten, die rauchenden Schornsteine. – Es war eine der Straßen von Berlin, welche erst unter dem vorigen Regenten fertig gebaut wurden. Wir spielten Murmel, eine bei unserer Schuljugend von alters her beliebte Lustbarkeit. Auf das strengste wird der Spieler beobachtet und um den Gewinn einiger Kügelchen oft Angstschweiß vergossen. Es herrscht eine Totenstille, und erst wenn ein glücklicher Wurf entscheidet, bricht der langverhaltene Knabenjubel los, der sich dann nicht immer mit Schimpfreden begnügte. Nicht selten kam es zu jenen kleinen Kriegen, die alle Lustigkeit beenden und doch auch wieder die Würze derselben werden. Der Knabenhaß gegen einen langen Schlagetot, von dem ich oder mein Freund blaue Flecke aufzuweisen hatten, wurde mit Ernst gehegt. Ich hatte von meinem älteren Bruder die Lehre erhalten, nie etwas auf mir sitzenzulassen. »Wenn du einmal eine Memme warst, hören sie nie auf, dich zu necken!«, und ich fürchte, ich bin dieser Weisung zu sehr in meinem Leben gefolgt. Der lange Schlagetot bekam es zu seiner Zeit richtig wieder, doch zu unser beider Vorteil, denn Haß und Groll wurden mit den Schlägen ausgeschüttet, und wir waren desto bessere Freunde für eine andere Gelegenheit. Nur wer bei Lehrern oder Eltern angab, mit dem war kein Friede zu schließen nach unserem Völkerrecht.
So war auch diesmal Welt und Berlin, Schule und Straße über dem Spiel vergessen, und die Aufmerksamkeit auf die Murmel ließ uns übersehen, was dicht um uns vorging.
Aus allen Nachbarhäusern waren die Leute zusammengetreten, die Vorübergehenden stehengeblieben, und aus den geöffneten Fenstern blickten Hauben und Frisuren, wobei ich bemerken muß, daß Anno 1740 die Zahl der Müßiggänger sehr gering in Berlin war. Denn allzu gefährlich war es, dem alternden Könige zu begegnen, wenn ihn etwa die üble Laune trieb, einen, der ihm auffiel, heranzuwinken und ein Examen mit ihm anzustellen.“

 

 2051001-844e29c6cdeca1f9a509b010c4c4a9b5.png
Willibald Alexis (29 juni 1798 – 16 december 1871)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juni ook mijn blog van 29 juni 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:21 Reageer op dit bericht

Florian Zeller, Ryszard Krynicki, Mark Helprin, Marlene Streeruwitz, Fritzi Harmsen van Beek, Luigi Pirandello, Jean Jacques Rousseau, Anton van Wilderode, Juan José Saer

De Franse schrijver Florian Zeller werd op 28 juni 1979 in Parijs geboren. Zie ook alle tags voor Florian Zeller op dit blog.

Uit: Climax (Vertaald door William Rodarmor)

„In this story, Sofia was a little like Poland.
Nicolas knew he would be the big loser in such an expansion. He already found it hard enough to make one woman come; the idea of having twice as much work, in the face of fierce competition, seemed more than he could handle. Unless, speaking purely technically, a transfer of competence occurred, which was something he absolutely didn’t want. Besides, how could he admit to his desire for another woman, right in front of Pauline? Let’s call this impulse erotic sovereignism, which would be the logical opposite of erotic federalism.
Erotic sovereignism might be thought infantile, and with good reason. Men, at least most of the time, are big children. Here’s proof: exhausted by all these considerations, which he suddenly found completely futile, Nicolas drank his coffee and went back to bed.
The architects of Europe thought that two things were essential for the people of the continent to feel European: a flag and an anthem. The matter of the flag was settled in 1955, and presented no particular difficulty. But that wasn’t the case with the anthem. People hoped a new world would emerge after the horror of the war, and a number of composers wanted to be part of that. They included a composer from Lyons named Jehane-Louis Gaudet. In 1949 he sent his Chant de la paix to the president of the Council of Europe and crossed his fingers. After all, wasn’t it a golden opportunity for an unknown artist to become famous?
After the Chant de la paix was presented to the Council, the president telephoned the composer to personally thank him for his contribution. Unfortunately, he said, it would be very difficult to adopt this magnificent composition as the European anthem.
“Why?” asked Gaudet in surprise.
“Because we are required to be unanimous.”
It turns out that on the day the council met, a little man with a mustache, a Dutchman from Rotterdam, had felt that the Chant de la paix was too…. The Council president had forgotten the word that had been used.
“Too what?” asked the composer. He felt a little annoyed, but was prepared to rewrite a few bars to satisfy the gentleman from Rotterdam if necessary”

2050746-65eedc87a25b266ea700ced89c155922.jpg
Florian Zeller (Parijs, 28 juni 1979)

 

 

De Poolse dichter, vertaler en uitgever Ryszard Krynicki werd geboren op 28 juni 1943 in St.Valentin, Lager Wimberg, Oostenrijk. Zie ook alle tags voor Ryszard Krynicki op dit blog.

 

Yes, I am

For many days now
I've been walking back
through hazy Krakow
but I'm not yet home
From the pink sand
and pink limestone
of my Jerusalem.

I'm still returning
From the Wailing Wall.

I still wander
in the narrow labyrinth
of the Via Dolorosa.

Sometimes
the gap above my head
reveals the moon

still full.

I still wander
in the beginning.

Are you a Jew?
an old Hassidim asks,
probably younger than I am.

Yes, I'm a poet —
I want to say for once

but I just smile
and answer:

Schalom, achi!

 

 

This year

This year
I bore no fruit,

just leaves
that leave no shadows

I am afraid, Rabbi,

I am afraid, Lord,

that I’ll be cursed by him who hungers,

weary
on the endless road
to Jerusalem


Vertaald door Clare Cavanagh

 

 2050746-c6aae29a3be8092783e78a9bcb292568.jpg
Ryszard Krynicki (St.Valentin, 28 juni 1943)

 

 

De Amerikaanse schrijver en journalist Mark Helprin werd geboren in New York op 28 juni 1947. Zie ook alle tags voor Mark Helprin op dit blog.

Uit: A Soldier of the Great War

“On the ninth of August, 1964, Rome lay asleep in afternoon light as the sun swirled in a blinding pinwheel above its roofs, its low hills, and its gilded domes. The city was quiet and all was still except the crowns of a few slightly swaying pines, one lost and tentative cloud, and an old man who rushed through the Villa Borghese, alone. Limping along paths of crushed stone and tapping his cane as he took each step, he raced across intricacies of sunlight and shadow spread before him on the dark garden floor like golden lace.
Alessandro Giuliani was tall and unbent, and his buoyant white hair fell and floated about his head like the white water in the curl of a wave. Perhaps because he had been without his family, solitary for so long, the deer in deer preserves and even in the wild sometimes allowed him to stroke their cloud-spotted flanks and touch their faces. And on the hot terra cotta floors of roof gardens and in other, less likely places, though it may have been accidental, doves had flown into his hands. Most of the time they held in place and stared at him with their round gray eyes until they sailed away with a feminine flutter of wings that he found beautiful and not only for its delicacy and grace, but because the sound echoed through what then became an exquisite silence.
As he hurried along the Villa Borghese he felt his blood rushing and his eyes sharpening with sweat. In advance of his approach through long tunnels of dark greenery the birds caught fire in song but were perfectly quiet as he passed directly underneath, so that he propelled through their hypnotic chatter before and after him like an ocean wave pushing through an estuary. With his white hair and his thick white mustache, Alessandro Giuliani might have seemed English were It not for his crème-colored suit of distinctly Roman cut and a thin bamboo cane entirely inappropriate for an Englishman. Still trotting, breathless, and tapping, he emerged from the Villa Borghese onto a wide road that went up a hill was flanked on either side by a row of tranquil buildings with tile roofs from which the light reflected as if it were a waterfall cascading onto broken rock.
Had he looked up he might have seen angels of light dancing above the throbbing bright squares—in whirlpools, will-o’-the-wisps, and golden eddies—but he didn’t look up, for he was intent on getting to the end of the long road, to a place where he had to catch a streetcar that, by evening, would take him far into the countryside. He would have said, anyway, that it was better to get to the end of the road than to see angels, for he had seen angels many times before. Their faces shone from paintings; their voices rode the long and lovely notes of arias; they descended to capture the bodies and souls of young children; they sang and perched in the trees; they were in the surfs and the streams; they inspired dancing; and they were the right and holy combination of words in poetry. As he climbed the hill he thought not of angels and their conveyances, but of a motorized trolley. It was the last to leave Rome on Sunday, and he did not want to miss it.”

 

 2050746-e81f71ff490ce45155c83ad4b8dd3208.jpg
Mark Helprin (New York, 28 juni 1947)

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Marlene Streeruwitz werd geboren op 28 juni 1950 in Baden bij Wenen. Zie ook alle tags voor Marlene Streeruwitz op dit blog.

Uit: Yseut

"Das Auto stand auf dem Damm. Hoch über der Landschaft rechts. Der Fluss. Links. Sie war ganz allein. Kein anderes Auto auf der Dammstraße. Niemand auf den Feldern. Heiß. Es war Morgen, aber die Sonne sehr heiß. Das war keine Septembersonne. Am Wasser der Auwaldstreifen schütter. Ausgeholzte Strecken, in denen die Waldrebe den Boden entlang kroch. Am Ende der Lianen die Blätter herbstlich rot. Wieder einzelne Stämme der riesigen Schafgarben. Dazwischen der Blick auf das Wasser. Eine dunkle weiche Fläche. Yseut hätte nicht sagen können, in welche Richtung das Wasser floss. Und dann. Sie musste nach rechts schauen. Etwas hatte sich bewegt. Sie suchte. Was war das gewesen. Und dann sah sie es. Bei einem verfallenen Bauernhaus bewegte sich etwas. Das Haus weit drinnen inmitten der Felder. Die Mauern waren an zwei Seiten eingebrochen. Das Dach eingesunken. Hohe Büsche rundum. Ihr wurde sofort übel.”
(...)

"Begehren. Stieg auf. Wieder. Stieg wieder auf. Erfasste sie. Schüttelte sie. Ein lebendiges Ding über sie in sie hergefallen. Atemholen dagegen. Zischend atemholen dagegen. Ein Schluchzen. Das war doch befriedet gewesen. Ein Gleichgewicht. Sie hatte ein Gleichgewicht. Gehabt. Erworben. Ein ruhiges Maß war das gewesen. Ebener Grund, auf dem zu stehen. Von dem zu planen. Von dem aus ihre Verteidigung. Sicher und ruhig. Ruhig. Ruhe. Nur Ruhe. Aber. Sie war wieder gejagt. Sie war wieder gehetzt. In ihr. Es jagte in ihr. Es hetzte in ihr. Der Magen. Bis zur Kehle hinauf verschnürt. Hall. Widerhall. Im Bauch. In der Brust. Ein Hall von all den Zeiten, in denen es so gewesen war. Begehren. Es war wohl nie befriedet gewesen. Zu keiner Zeit kein Hunger nach Auflösung. Nach Vergehen. Sich verlieren. Versinken. Sich in Arme werfen und dann nichts. Kein Morgen mehr nach der Nacht und keinen anderen Namen als den einen. Dann. Sie hätten einander zufallen müssen und alles voneinander wissen und sonst nichts. Aber. Nicht ein Mal hatte sie das gehabt. Kein einziges Mal. Nie.”

 2050746-c2ab9ebb1c8bca5e8f694bfce1c5d3ae.jpg
Marlene Streeruwitz (Baden, 28 juni 1950)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Fritzi Harmsen van Beek werd geboren in Blaricum op 28 juni 1927. Zie ook alle tags voor Fritzi Harmsen van Beek op dit blog

 

Honderd jaar

later, door het opperwezen in een boom herschapen,
(nakend in een tropisch oerwoud aan de grond gezet,

voor straf nu bloeiend onophoudelijk, bevrucht on-
slapend en onpratend zonder enkele omhelzing), vond

de vroegere mevrouw O. in haar onmetelijke toppen een
dagboekblaadje, onherkenbaar ook veranderd in zo'n onheil-

spellende vlinder die Morpho heet, waarop met grote
moeite zij herlas: ‘Vrijdag 9-8-63, iets kan de plek

niet van iets anders innemen en identiciteit bestaat dus
niet. Denk aan de schijnbaar vele bladeren.’ Te zelfder

tijd, daar waar haar stam zich vorkte voor het eerst
vanaf de grond, zat een nog onaanzienlijker insect dat

wegens zijn voorheen geringere verdienste van onverzonden
briefje door de schepper slechts bevorderd was tot

machteloze mate van vliesvleugeligheid. Op hem viel al
sinds jaren niets te lezen, maar, uit het hoofd geleerd,

sprak hij onafgebroken en van generatie op generatie: ‘O
Muizenpoot, ik wil je kopen of ruilen, laten we weglopen

naar waar de rivier in zee stroomt en de mensen een
andere taal spreken en andere waterdieren eten. O enz....’

Zo namen letterlijk bezit van haar die zonder hand of
mond, haar zo verfomfaaide gedachten. Toen begonnen haar

bladeren te verbleken en te vallen als zwakke vlinders,
als pakken gedevalueerd bankpapier, tot op de humus van

bedoelingloze wildernis. Toen werd zij, later, omgehakt,
haar nervig, brandschoon hout verhandeld en nog vindt men wel,

bij sommige betergesitueerde planeetbewoners, van haar
glanzendheid de zachte schim, een soort gepolitoerde vlam

aan buitenzij den van reusachtige televisieontvangst-
apparaten, opgesteld in die volstrekt belangloze bacterie-

vrije zitvertrekken, waar geen kevers wonen.

 

 2050746-fc1adda09a62aff9f910fafef8314e60.png
Fritzi Harmsen van Beek (28 juni 1927 – 4 april 2009)
Portret door Peter Vos

 

 

De Italiaanse schrijver Luigi Pirandello werd op 28 juni 1867 geboren in de villa 'Caos' (chaos) in de buurt van Agrigento. Zie ook alle tags voor Luigi Pirandello op dit blog.

Uit: The Late Mattia Pascal (Vertaald door Arthur Livingston)

“For some two years I held a position—mouse−catcher and custodian in one—in the so−called Boccamazza library. Away back in the year 1803, a certain Monsignor Boccamazza, on departing from this life, left his books as a legacy to our village. It was always clear to me that this venerable man of the cloth knew nothing whatever about the dispositions of his fellow−citizens. I suppose he hoped that his benefaction, as time and opportunity favored, would kindle a passion for study in their souls. So far not a spark has ever glowed therein, as I may state with some authority, and with the idea of paying a compliment, rather than not, to my fellow−townsmen. Indeed, our village so little appreciated the gift of the reverend Boccamazza that it has, to this day, refused money even for putting his head, neck, and shoulders into marble; and for years and years the books he left were never removed from the damp and musty store house where they had been piled after his funeral. Eventually, however, they were transported (and imagine in what condition!) to the unused Church of Santa Maria Liberale, a building which, for some reason or other, had been secularized. There the town government entrusted them to any one of its favorites who was looking for a sinecure and who, for two lire a day, was willing to care for them (or to neglect them if he chose), and to stand the noxious odor of all that mildewed paper.
This plum, in the course of human events, fell to me, and I must add that the first day of my incumbency
gave me such a distaste for books and manuscripts in general (some of those under my charge were very precious, I am told) that I should never, never, of my own accord, have thought of increasing the number of them in the world by one. But, as I said, my case is a very strange one; and I now agree that it may prove of interest to some chance reader, who, in fulfillment of Monsignor Boccamazza's pious hope, shall some day wander into the library and stumble upon this manuscript of mine. For I am leaving it to the foundation, with the understanding that no one shall open it till fifty years after my third, last, and final death. There you have it, exactly!”

 

 2050746-2c0e43da45095e323b38a02c62f655fd.jpg
Luigi Pirandello (28 juni 1867 - 10 december 1936) 
Borstbeeld in het Pirandellohuis in Agrigento

 

 

De Franse schrijver, filosoof en componist Jean Jacques Rousseau werd geboren in Genève op 28 juni 1712. Zie ook alle tags voor Jean-Jacques Rousseau op dit blog.

Uit:Bekentenissen (Vertaald door Leo van Maris)

“Vanaf hun achtste of negende wandelden ze iedere avond samen over de promenade de la Treille. Toen ze tien waren konden ze niet meer buiten elkaar. Genegenheid en zielsverwantschap versterkten in hen het gevoel dat door gewoonte was ontstaan. Beiden, ontvankelijk en gevoelig van aard, wachtten alleen maar op het ogenblik dat ze dezelfde gesteldheid in een ander zouden vinden of liever nog, dat ogenblik wachtte op hen en elk van de twee stortte zijn innerlijk uit in het eerste hart dat zich daarvoor opende. Het lot, dat hun liefde leek te dwarsbomen, wakkerde deze alleen maar aan. De jonge minnaar, niet bij machte zijn geliefde voor zich te winnen, werd door smart verteerd. Zij raadde hem aan op reis te gaan om haar te vergeten. Hij reisde vergeefs en kwam weer thuis, verliefder dan ooit. Hij vond haar die hij beminde weer terug, liefdevol en trouw. Na deze beproeving bleef hun niets anders over dan elkaar hun leven lang lief te hebben. Dat zwoeren ze en de zegen van de hemel rustte op hun eed.
Gabriel Bernard, een broer van mijn moeder, werd verliefd op een van de zusters van mijn vader, maar zij wilde alleen maar de vrouw van de broer worden als haar broer de zuster zou trouwen. De liefde bracht alles in orde en beide huwelijken werden op dezelfde dag gesloten. Zo was mijn oom de man van mijn tante en hun kinderen werden in dubbel opzicht mijn volle neven en nichten. Een jaar later werd uit elk van beide huwelijken een kind geboren, maar vervolgens moesten beide echtparen toch weer uit elkaar.
Mijn oom Bernard was vestingbouwkundige. Hij nam onder prins Eugenius dienst in het Duitse Rijk en Hongarije. Hij onderscheidde zich bij de belegering en de slag van Belgrado. Mijn vader vertrok na de geboorte van mijn enige broer naar Constantinopel, omdat hem was gevraagd klokkenmaker te worden aan het hof van de sultan. Tijdens zijn afwezigheid bezorgden de schoonheid, de geestigheid en de talenten van mijn moeder haar verschillende bewonderaars. Mijnheer de la Closure, de Franse zaakgelastigde, was een van degenen die het meest naar haar gunsten dongen.”

 

 2050746-bfd4610a8e6288f1d08d798209fffdb1.jpg
Jean-Jacques Rousseau (28 juni 1712 - 2 juli 1778)
Portret van Jean-Jacques Rousseau in Armeense kledij door Allen Ramsey, 1766

 

 

De Vlaamse schrijver dichter, vertaler en scenarist Anton van Wilderode (pseudoniem van Cyriel Paul Coupé werd geboren in Moerbeke op 28 juni 1918. Zie ook alle tags voor Anton van Wilderode op dit blog.

 

Wake

Maar na de kaars en de gebeden
ben ik den ganschen nacht bij u;
mijn kindje, ik ben àfgestreden,
ik vlei me neer naast u.

Ik beid niet meer uw ademhalen
onder het koele linnenblank,
een droefheid als van nachtegalen
houdt mij van spijs en drank.

Ik lig naast u en weenend neder,
de nacht dekt alle hindernis,
ik tast uw kleine oogen weder,
de levenlooze, in hun nis;

ik strijk uw korte kinderharen
dit onherstelbare gelaat
waaraan mijn dronken lippen waren
en dat nu hulpeloos vergaat.

Maar 'k weet uw ziel aan allen hinder,
aan wereld en verlies ontgaan,
gelijk een witte zomervlinder
voor God in vaste trilling staan.

 

 2050746-633ac78cff9794b57d451a272cf7aeb1.jpg
Anton van Wilderode (28 juni 1918 - 15 juni 1998) 
Standbeeld  in Sint Niklaas, gemaakt doorWilfried Pas.

 

 

De Argentijnse schrijver Juan José Saer werd geboren in Serodino op 28 juni 1937. Zie ook alle tags voor Juan José Saer op dit blog.

Uit: Ermittlungen (Vertaald door Hanna Grzimek)

„Obwohl sie allem Anschein nach ganz harmlos sind, können sie einen durchaus reizen, und es ist vielleicht gerade das Bewußtsein ihrer eigenen Zerbrechlichkeit, das sie paradoxerweise unverwundbar werden läßt und ihren Meinungsäußerungen eine gewisse Unverfrorenheit verleiht; mitunter werden sie so zur führenden Stimme des Zeitalters, da sie die Hintergründe des Weltgeschehens mit ihren strengen Bemerkungen an der Tür zur Bäckerei, den soziologischen Analysen in den Teesalons, den prompten Kommentaren, die sie allein und mit lauter Stimme zu den Fernsehbildern machen, deutlicher erfassen als die Reden der sogenannten Politiker, Spezialisten der Geisteswissenschaften und Journalisten.
Die tägliche Unterhaltung zwischen einer Greisin und ihrem Kanarienvogel, während sie diesem den Käfig säubert, stellt vielleicht die einzig ernstzunehmende Debatte der modernen Zeit dar, nicht jene, die vor der Kamera ablaufen, vor Gericht oder an der Sorbonne: Während ihnen alles andere verloren ging, haben sie ein Privileg gewonnen, nämlich, daß sie nichts mehr zu verlieren haben, und so herrscht in ihrer Redeweise bedenkenlose Ehrlichkeit vor, die bisweilen nicht einmal in Worten zum Ausdruck kommt, sondern vielmehr durch Schweigen und bedeutsame Gesten, etwa durch ein keineswegs erklärliches Kopfschütteln, und durch Blicke, in denen Begeisterung und Verachtung nicht auseinanderzuhalten sind. Irgendetwas dazwischen, sei es gut oder schlecht, entweicht ihren runzeligen Lippen und ruft bei weniger selbstzufriedenen Gesprächspartnern Lachen, Erstaunen und sogar Empörung hervor. Aber wie wir wissen, leitet die Redensart „wie meine Großmutter schon sagte" immer irgendeine Ungereimtheit ein, über die wir schon im voraus lachen müssen, und in den Märchen und Volksliedern hadern alte Frauen vorzugsweise mit dem Teufel. Kleinen Kindern mag man damit Angst einjagen, für alle anderen besitzt die Boshaftigkeit alter Leute letzten Endes eine gewisse Komik, so wie ein Versprecher oder ein Anachronismus.“

 2050746-3a57f4bc631b16d509da1e8786c0ec1f.jpg
Juan José Saer (28 juni 1937 - 11 juni 2005)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e juni ook mijn blog van 28 juni 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:27 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten