Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 15 augustus 2017 tot 16 augustus 2017

Dolce far niente, Willen van Toorn, Charles Bukowski, Reiner Kunze, Moritz Rinke, Ferenc Juhász, Justus van Maurik

 

Dolce far niente

 

 2064910-b0569d51aa5d4eac7aaa2a143ad5c8e3.jpg
Mercatorplein, Amsterdam

 

Uit: De rivier

“Onze weg liep dood op een soort half plein, waaraan de enorme bakstenen katholieke kerk lag met zijn pastorie en zusterhuis, en daartegenover het broederhuis en een jongens- en meisjesschool, omsloten door hoge muren. De Hoofdweg, een brede weg met bomen die onze weg kruiste, eindigde zowel links als rechts in een plein. Rechts lag het Mercatorplein, links het Surinameplein. Het Mercatorplein was het mooiste plein van de wereld; het had twee vierkante, bakstenen torens met bogen eronder, in het midden een plantsoen met een opgewekt tramhuisje en winkels onder galerijen. Het veel grotere Surinameplein was maar half af; aan de ene kant had je dezelfde galerijen als op het Mercatorplein; ertegenover lag net zo'n tramhuisje middenin een open zandvlakte, onder een groepje populieren. Je vergat nooit dat je aan de rand van de stad woonde. Alle straten die parallel liepen aan onze weg eindigden op een kade van een brede vaart; daarachter lag 'de polder', een gebied van kwekerijtjes met kassen, verbonden door smalle looppaden. Je kon de polder alleen in over hoge, houten bruggetjes die 's nachts met een hek werden afgesloten. Het land van de kwekers lag meters lager dan de stad. Het mooist kon je de ontmoeting tussen stad en polder zien bij de overhaal achter de katholieke kerk; het was een enorme ijzeren installatie, die de roeibootjes waarin de kwekers hun groente naar de stad brachten uit de lage poldervaart tilde en knarsend neerliet in het kanaal dat naar de Centrale Markt leidde. De meeste kwekers waren katholiek, en ze gebruikten hun bootjes niet alleen om hun waren naar de markt te brengen maar, omdat er in de polder geen ander vervoer mogelijk was, ook om voor plechtigheden naar de kerk te gaan. Mijn broers en ik stonden aan de kade en keken hoe complete bruidsstoeten, of een bootje met een doodskist en volgboten vol familieleden in het zwart, of feestelijk geklede families met een huilende dopeling door het ijzeren toestel de stad in werden getild. De Centrale Markt kenden we vanwege de groentewinkel. Af en toe mochten we in de vakantie mee om te kijken. Vaak liepen we erheen, een wandeling van een halfuur door de nog slapende, donkere stad. Mijn vader en Henk waren dan allang op de fiets gegaan. Je kwam op de markt door een hek dat door twee politiemannen werd bewaakt. Wij zeiden dat we voor Hiemstra kwamen en dan mochten we doorlopen. Hiemstra was de man van wie mijn vader de winkel had overgenomen; veel grossiers dachten dat mijn vader een broer van die Hiemstra was en spraken hem zo aan.”

 

2064910-0b559b7e76a96bc4dcf3fbd6943dcb07.jpg
Willem van Toorn (Amsterdam, 4 november 1935)
Amsterdam. Postjesweg. Aan deze weg werd Willem van Toorn geboren.

 

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog en ook mijn blog van 16 augustus 2010.

 

My Cats

I know. I know.
they are limited, have different
needs and
concerns.

but I watch and learn from them.
I like the little they know,
which is so
much.

they complain but never
worry,
they walk with a surprising dignity.
they sleep with a direct simplicity that
humans just can't
understand.

their eyes are more
beautiful than our eyes.
and they can sleep 20 hours
a day
without
hesitation or
remorse.

when I am feeling
low
all I have to do is
watch my cats
and my
courage
returns.

I study these
creatures.

they are my
teachers.

 

 

The Trash Men

Here they come
these guys
grey truck
radio playing

they are in a hurry

it’s quite exciting:
shirt open
bellies hanging out

they run out the trash bins
roll them out to the fork lift
and then the truck grinds it upward
with far too much sound . . .

they had to fill out application forms
to get these jobs
they are paying for homes and
drive late model cars

they get drunk on Saturday night

now in the Los Angeles sunshine
they run back and forth with their trash bins

all that trash goes somewhere

and they shout to each other

then they are all up in the truck
driving west toward the sea

none of them know
that I am alive

 

 2064910-65b57254195104b3c283ab3cb74f27d2.jpg
Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Reiner Kunze werd geboren op 16 augustus 1933 in Oelsnitz, Erzgebirge. Zie ook alle tags voor Reiner Kunze op dit blog en ook mijn blog van 16 augustus 2010.

 

NATURGEDICHT

Die dinge hören nur, wenn du sie rufst
bei ihrem wahren namen

Getäuscht sein will allein
der mensch

Er täuscht sich
aus der welt hinaus, die dinge

kennen kein verzeihn

 

 

ANTWORT

Mein Vater, sagt ihr,
mein Vater im Schacht
habe Risse im Rücken,
Narben,
grindige Spuren niedergegangenen Gesteins,
ich aber, ich
sänge die Liebe.

Ich sage:
Eben, deshalb.

 

 

PHILOSOPHIE
(für Elisabeth)

Wir ertragen den mittag,
wo das steinerne gesetz der ufer
die milde des grases walten läßt.
Die feuchtigkeit der felsen und das sonnengesprenkel,
das aus den blättern fällt,
sind salamander,
die auf unsren nackten rücken liegen

und dösen.
Das wassergras schweigt
unzählbare blüten.
Der nachbar nagelt um das wörtchen „mein“ vor den erdbeeren
einen zaun.

An der Thaya, sagtst du, überkomme dich
„undefinierbare sehnsucht“

Gehn wir in den fluß,
die sehnsucht definieren.

 

 2064910-029eff55270e4ff7bc6eb935a74653a3.jpg
Reiner Kunze (Oelsnitz, 16 augustus 1933)

 

 

De Duitse (toneel)schrijver Moritz Rinke werd geboren op 16 augustus 1967 in Worpswede bij Bremen. Zie ook alle tags voor Moritz Rinke op dit blog en ook mijn blog van 16 augustus 2010.

Uit: Der Mann, der durch das Jahrhundert fiel

„Seine Kindheit, das hatte die Baufirma Brüning auch gar nicht mehr zu beschönigen versucht, würde in der Mit-te auseinanderbrechen, eher früher als später, in zwei Teile. Der Westflügel, in dem er mit seiner Mutter und ihrer übermächtigen Liebe groß geworden war, mit seinem Großvater, dem Bildhauer, den man den Rodin des Nor-dens nannte, sowie seiner Großmutter, die jeden Tag nord-deutschen Butterkuchen backte — dieser Westflügel des Hauses würde zuerst absacken und im Teufelsmoor unter-gehen. Dabei würde sich der Ostflügel, in dem der Rest der Familie gelebt hatte, gleichzeitig in die Höhe heben, bis das ganze Haus in der Mitte in zwei Stücke breche. Und dann würde der Ostflügel zurück in den Schlamm fallen und vermutlich früher oder später auch dieser Teil der Fa-milie Kück herabsinken — mit seinen sommersprossigen Johans, den blauäugigen Hinrichs, den Milchkühen und Mördern, dem Schnaps und dem schönen strohblonden Bauernmodell Marie, das noch heute auf dem Bild eines alten Worpsweders wie ein Gespenst erschien. )>Grundbruch«, flüsterte Paul vor sich hin. »Grundbruch« war das Fachwort, das die örtliche Baufir-ma Brüning für solche Katastrophen benutzte. Solch ein Grundbruch hatte sich nicht zum ersten Mal ereignet hier im Norden, in der Tiefebene, in den sumpfigen Wiesen am Rande des Teufelsmoors, wo früher nur Torfbauern lebten und mit braunen Segeln über Flüsse fuhren.
Paul stellte einen Stuhl in das Moor und versuchte ru-hig zu atmen, während er die schrägen, rissigen Wände betrachtete und den Westflügel des Hauses, der aussah wie der geneigte Rumpf eines Schiffes. Aus der Ferne hörte er eine Kuh, dann eine weitere aus der Nähe, die der anderen Kuh ein paar Wiesen weiter zu antworten schien. Er spürte, dass auch der Stuhl, auf dem er saß, versank und zog sein kleines schwarzes Notizbuch aus der Hosentasche, »Paul Wendland« stand auf der ersten Seite und seine Handynummer. Eigentlich hieß er »Wendland-Kück«, aber er nannte sich nur Paul Wendland, weil »Kück« sowieso niemand draußen in der Welt verstand. Er schlug eine fitie Seite auf, gleich hinter dem »Hahner-Projekt«. Er schrieb sich all seine Projekte ins Notizbuch, auch die persönlichen Vorsätze, Probleme und ihre möglichen Lösungen; schon seit seiner Kindheit setzte er dem Durcheinander in der Familie Kück und dem allgemeinen Chaos seine Notizen, Listen und Gleichungen entgegen.“

 

 2064910-129f8837580a070b5413919a0fdf997f.jpg
Moritz Rinke (Worpswede, 16 augustus 1967)
Hier als acteur in de Duitse speelfilm “September” uit 2003

 

 

De Hongaarse dichter Ferenc Juhász werd geboren op 16 augustus 1928 in Biatorbágy. Zie ook alle  tags voor Ferenc Juhász op dit blog.

 

THEN THERE ARE FISH

Forever confusing smoke with weeds,
clouds and sky with water.

Born with no lungs, just a blister
floating in a cage of splinters,
listless fins and hyperthyroid eyes.

Even the smallest fry
chase their hunger as boldly as carp —
mouths, nostrils, eyes
burst on a rising scream like a shoal of bubbles.

A world of nothing but water!

Houses and trees
float up like giant bubbles.

 

 

THE FLOWER OF SILENCE

The flower of silence fades to grief's huge funeral leaves
Don't cry don't scream don't tear me apart with your eyes
Don't tie me to the grieving cross with live ropes weeping blood
I'm drying up my flesh my glands death is a shimmer of flies

My nerve-tentacles weave through the dripping stars
Squeezing and sucking the blood of starfish I'm drunk
I'm a mad green eye whirled on the poles of its grief
Help me my carnivore mask has eaten away my face

Go back to the forest I heard the song of the stag
Silence is every leaf the trees grow noiselessly
Peace is a wandering doe the birds are scarlet flowers
My heart seed of your heart the flower of silence opens.

 

Vertaald door David Wevill

 

 2064910-2dfbceac000a010c9d4bca8005a62058.jpg
Ferenc Juhász (16 augustus 1928 – 2 december 2015)

 

 

De Nederlandse schrijver en sigarenfabrikant Justus van Maurik werd geboren in Amsterdam op 16 augustus 1846. Zie ook alle tags voor Justus van Maurik op dit blog.

Uit:Van allerlei slag

“Moetje! Grootvader vraagt of u eventjes een knoop aan zijn overjas wil zetten; grootvader wil uitgaan en zijn jas kan niet dicht.’
‘Och, wat een gezanik met dien ouden man; 'k heb geen tijd, laat me met rust!’
‘Hè, Moe!’
‘Grootvader heeft veel te veel noten op zijn zang tegenwoordig; 'k zeg je immers dat ik geen tijd heb, 'k moet eerst den winkel opredderen.’
‘Och toe, Moetje! doe 't maar even; grootvader wou de deur uit.’
‘Zeur niet, Keetje; 'k heb je gezegd dat je moet heengaan. Die oude man kan vanmiddag wel uitgaan.’
‘Hè, Moe!’
Dit gesprek vindt plaats in het voorhuis van de woning van mijnheer en juffrouw Van Reel.
Mijnheer Van Reel is stadsreiziger, voor een huis in papier en enveloppen, en zijn vrouw doet een winkeltje in garen, band, knoopen, lint enz. Dat winkeltje bevindt zich in een der achterbuurten der stad, in een hoog, smal huis, een dier perceelen, die alleen voor den eigenaar eenige aantrekkelijkheid kunnen hebben, doch waarin de huurder niet leeft, maar vegeteert.
't Is een ouderwetsch huis; met trappen, waarop zelfs een acrobaat moeite heeft zich staande te houden, en kamers waarin lucht en licht slechts karig doordringen. Alléén door de ramen der voorpui schijnt een somber licht in de vertrekken, want 't huis is ondiep en heeft van achteren een blinden muur. Het bovengedeelte wordt door verschillende huisgezinnen bewoond, en 't onderhuis is aan het echtpaar Van Reel verhuurd, dat met hun negenjarig dochtertje Keetje en den ouden Louwers, juffrouw Van Reel's stiefvader, een achter den winkel gelegen kamer en een klein insteekkamertje in gebruik heeft.
Met een knorrig gezicht treedt juffrouw Van Reel den winkel binnen, en bij 't twijfelachtig licht, dat door de beslagen ruiten binnendringt, ontwaren wij eene vrouw van vijf- of zes-en-dertig jaren, met een gelaat, dat ons op den eersten aanblik niet voor haar inneemt.
Haar gezicht, misschien eenmaal schoon, is thans mager, vervallen en beenig. De wangen zijn fletsch van kleur, evenals de blauwe oogen, die lusteloos van onder de lange, hoogblonde wimpers rondzien. Het slecht verzorgde blonde haar is met een kam achteloos van achteren opgestoken, en verhoogt den onaangenamen indruk van 't geheel.”

 

 2064910-4aae05febbc533c755197e344ae8979d.jpg
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e augustus ook mijn blog van 16 augustus 2016 en ook mijn blog van 16 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:48 Reageer op dit bericht

Sander Kok

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Kok studeerde literatuurwetenschap en kunstgeschiedenis en liep vanaf 2006 een aantal seizoenen shows voor onder meer Armani. Ook speelde Sander Kok in campagnes voor Mercedes, Lacoste en Samsung. Voor zijn modellenwerk woonde hij in New York, Seoul en Milaan. In 2017 debuteerde hij met “de roman “Smeltende Vrouw. Naar aanleiding van het verschijnen van deze filosofische roman werd de schrijver opgenomen in de Jonge Schrijversgids van Vrij Nederland.

Uit: Smeltende vrouw

“De mens spreekt vooral om zijn eigen stem te horen. Hij wil zijn stem horen om te controleren of hij nog deugt. Hij probeert zijn stem zoals een metaalbewerker op een stalen buis slaat om te controleren of ze hol is of massief, terwijl hij wel weet dat ze hol is. De buurmannen Andriessen en Reukens kenden elkaar al jaren, zonder ooit elkaar gesproken te hebben. Volgens Reukens lag dat aan de moderne tijd; de mensen spraken niet meer met elkaar. Als dat anders was geweest, wist hij, zou hij de eerste zijn om aan het gebruik een einde te maken — maar die waarheid hield hij in het onderste van zijn bewustzijn verborgen, als een vies tijdschrift dat onder op de stapel ligt en slechts eens in de zoveel tijd wordt opgepakt. Andriessen vond er niets van, hij hoefde niet zo graag te praten, met niemand eigenlijk, althans niet per se. De toevallige luisteraar was genoeg. Daarbij: hij dacht er niet eens over na. De buurman was zwijgzaam, zoveel was duidelijk, en dat was dat. Als de buurman niet sprak, waarom zou hij dan zelf spreken? Maar Reukens vond het vervelend. Elke keer dat hij Leo Andriessen zag, en ze zich binnen gehoorsafstand van elkaar bevonden, moest hij voorwenden met iets anders bezig te zijn, omdat het vreemd was om nu, na al die tijd, ineens tegen de buurman te praten. In de tien jaar dat Reukens en Andriessen in hun vrijstaande huizen naast elkaar woonden, was het contact nooit verder gekomen dan een klungelig handopsteken van een afstand: een groet in stilte, liefst zonder oogcontact, en in voorgewende drukte uitgevoerd. De echtgenote van de buurman, die door hem 'Bella' werd genoemd, was een slanke veertiger die zich buiten meestal op hoge hakken vertoonde. Ze liep altijd rechtop, de kin iets geheven. Naar de heersende maatstaven, dacht Reukens, was ze waarschijnlijk mooi, maar ze was het tegendeel van de vrouw die hem aantrok. Bella leek hem een barse vrouw. Bars, ja: een woord dat eigenlijk een man paste, maar misschien nog beter bij de agressieve, harde, afgelakte vrouwelijkheid van de buurvrouw. Bij haar man was ze anders. De strengheid in haar gezicht maakte plaats voor spot, maar een milde, haast lieve spot, een angstige spot ook, die zich nooit volledig als spot durfde te uiten. In de buurt van haar man kregen Bella's bewegingen iets afwachtends en als zij dan bewoog, leek de beweging altijd in dienst van zijn wensen te staan.”

 

 2066647-5b960b9107ca97c8414b50c1391df892.JPG
Sander Kok (Arnhem, 31 augustus 1981)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Nescio, Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter, Leonie Ossowski, Daan Zonderland, Jan Campert

 

Dolce far niente

 

 2064592-c3afa5a23b83a919a8edda3cbf6ec5e8.jpg
Gezicht op het IJ voor Amsterdam, met de overkapping van het Centraal Station door Hobbe Smith, 1913.

 

Uit: Boven het dal

“We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad. De electrische lampen aan de spoorbaan brandden lila in de hoogte tegen een donkerblauwe lucht. ’t Weerlichtte wat boven de drie spitse torens van de kerk aan de Haarlemmerstraat, onder de kap van ’t Centraalstation hijgde een locomotief, de tram reed brommend over de De Ruyterkade, ’t water golfde verlaten koudblauw met nerveuze, korte en onnoozele golfjes, maakte een zwak geluidje tegen den steenen rand van ’t terras en riekte zwakjes naar dood water. Dicht bij lag, heel stil, het scheepje van visschers, de mast, zonder zeil, stak schraaltjes naar boven tegen de donkere stad, met de punt in een licht stuk licht. ‘k Zag dat ’t scheepje van voren hoog was en van achteren laag en vond ’t aardig, er zoo naar te kijken.
’t Was stillig, er waren weinig menschen. Er was wat geluid van glazen en kopjes, nu en dan, de stad aan den overkant ademde zwakjes en onschuldig en weerkaatste zijn lila engele lichten, die zigzagden in ’t IJ.”

 

 2064592-412de09e477867589b441cbf974f1f7a.jpg
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Reguliersbreestraat vanaf Rembrandtplein door Henk Alleman. Nescio werd geboren in de Reguliersbreestraat.

 

 

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

De badgast

Zij heeft gezegd: ik moest niet wanhopig wezen,
het leven zou wel ergens goed voor zijn -
en nu zit ik doortrokken van mijn wezen
de halve tafelronde van de zee
te presideren in het zetelduin.

Boven mij plafondengeltjes van wolken
en boven mij de luchter van de dag,
voor mij als penhouders of dolken
masten die krassen op het tafelblad:
schepen en dat zij heeft gelijk gehad.

Talloze stemmen rollen in de schelpen
van mijn hoofdhelften en de uitspraak luidt:
dubbel en dwars staat zij in het gelijk.
Het zijn alleen meeuwen die blanco stemmen.
De zee spreekt zich schuimbekkend voor haar uit.

 

 

Een mummie van woorden

Geen god vertoonde
ooit zijn gezicht

en geen gedicht
spreekt onomwonden,

verzegeld verzegeld,
egyptisch graf,

zo wacht ik af
in al deze regels

of ik zal worden
gevonden, verstaan,

een mummie van woorden
onder het puin vandaan.

 

 

Ja en nee

Op iedere boom schrijf ik ja
maar nee op de blaren

in iedere steen schrijf ik nee
maar ja over de stad

nee schrijf ik op mijn hart
ik schrijf ja over jaren
maar nee midden op de dag

nee middaglicht het vale
ik schrijf nee op haar haren
ik schrijf nee op haar handen
maar ja op haar levensloop

 

 2064592-8821e3536e2da7578fe982e2a32f3ced.jpg
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Van der Graft ontvangt het eredoctoraat van de Universiteit Utrecht in 1966

           

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Home Movies: A Sort of Ode

Because it hadn't seemed enough,
after a while, to catalogue
more Christmases, the three-layer cakes
ablaze with birthday candles, the blizzard
Billy took a shovel to,
Phil's lawnmower tour of the yard,
the tree forts, the shoot-'em-ups
between the boys in new string ties
and cowboy hats and holsters,
or Mother sticking a bow as big
as Mouseketeer ears in my hair,

my father sometimes turned the gaze
of his camera to subjects more
artistic or universal:
long closeups of a rose's face;
a real-time sunset (nearly an hour):
what surely were some brilliant autumn
leaves before their colors faded
to dry beige on the aging film;
a great deal of pacing, at the zoo,
by polar bears and tigers caged,
he seemed to say, like him.

What happened between him and her
is another story. And just as well
we have no movie of it, only
some unforgiving scowls she gave
through terrifying, ticking silence
when he must have asked her (no
sound track) for a smile.
Still, what I keep yearning for
isn't those generic cherry
blossoms at their peak, or the brave
daffodil after a snowfall,

it's the re-run surprise
of the unshuttered, prefab blanks
of windows at the back of the house,
and how the lines of aluminum
siding are scribbled on with meaning
only for us who lived there;
it's the pair of elephant bookends
I'd forgotten, with the upraised trunks
like handles, and the books they meant
to carry in one block to a future
that scattered all of us.

And look: it's the stoneware mixing bowl
figured with hand-holding dancers
handed down so many years
ago to my own kitchen, still
valueless, unbroken. Here
she's happy, teaching us to dye
the Easter eggs in it, a Grecian
urn of sorts near which—a foster
child of silence and slow time
myself—I smile because she does
and patiently await my turn.

 

 2064592-0bf2ac9174e67f1d54312a6479fe7a5b.jpg
Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)
Salter ontvangt het eredoctoraat in de letteren van Amherst College in 2010

 

 

De Duitse schrijfster Leonie Ossowski werd als Jolanthe von Brandenstein geboren op 15 augustus 1925 in Röhrsdorf. Zie ook alle tags voor Leonie Ossowski op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

Uit: Stern ohne Himmel

„Die Treckwagen wirkten beunruhigend. Schon vor Wochen waren die ersten Kolonnen vorbeigezo-gen, aber damals waren sie noch in großen Abständen herangerollt. Man hatte sie bestaunt, denn in der Aufmachung glichen sie eher Zigeunertrupps. Aber mit der Zeit war die Angst gewachsen. Tag und Nacht rumpelten die Räder rechts und links an dem großen Alumnatsgebäude vorbei über den Marktplatz. Das monotone Anrufen der Pferde, das Knarren der Räder, das Heulen fremder Hunde scheuchte die Bürger nachts in den Betten hoch. Jeden Tag schien sich die Hoffnung zu verringern, dass die Flucht nur anderen bestimmt sei. Gerüchte wanderten von Tür zu Tür. Man erzählte, man übertrieb, man schürte die Angst. In den Hinterhöfen, in den Kellern, vor den Nachbarn verborgen, wurden Handwagen und Fahrräder be-packt, denn es war verboten, sich ohne Befehl davonzumachen. Frau Nagold starrte durch die Fenster ihrer Wohnung im obersten Stock des Alumnatsgebäudes. Bis jetzt hatte sie versucht, ihre Fluchtgedanken zu bezähmen. Sie hatte ihre Pflicht als Lehrersfrau im Alumnat erfüllt, sie hatte die Jungen versorgt, sie war in der Küche eingesprungen, als die Kö-chin eines Morgens mit Sack und Pack verschwunden war. Sie hatte sich bemüht, den optimisti-schen Reden des Direktors Jähde Glauben zu schenken, dass Adolf Hitler im richtigen Moment die richtige Waffe einsetzen würde. Aber wo blieb diese, wenn die Treckwagen schon jetzt aus einem Ort kamen, der kaum hundert Kilometer entfernt war? Frau Nagold schloss die Augen. Ganz langsam nahm das Grauen auch von ihr Besitz.“

 

 2064592-fe0294e964967ef4d4adb0a6bb30b024.jpg
Leonie Ossowski (Röhrsdorf, 15 augustus 1925)
Scene uit de gelijknamige film uit 1980

 

 

De Nederlandse dichter Daan Zonderland (pseudoniem van Dr. Daniel Gerhard (Daan) van der Vat) werd geboren in Groningen op 15 augustus 1909. Zie ook alle tags voor Daan Zonderland op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Interieurtje

‘Wat is een paddenlevens doel?’
Peinst vader pad op zijn paddenstoel.
‘Wat is een paddenleven droef,’
Denkt moeder pad op haar paddepouffe.
Maar babypad schraapt zijn paddenstrotje
En roept luidkeels om zijn paddepotje.

 

 

Er staat een boom

Er staat een boom in Nederland
Dichtbij het plaatsje Duiven.
Daar groeien rode neuzen aan
En al die neuzen snuiven.

Zodra het echter winter wordt
En het begint te vriezen,
Dan worden al die neuzen paars
En al die neuzen niezen.

 

 2064592-fb1351e3b19a9ef4d75c9fd2c07aba80.jpg
Daan Zonderland (15 augustus 1909 – 5 augustus 1977)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Jan Campert werd geboren op 15 augustus 1902 in Spijkenisse. Zie ook alle tags voor Jan Campert op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Herfst-avond

Valer de dagen, die scheem'rend zich bezinnen
op wat een sterke zomer brandde aan hun wet,
toen d'uren, groeiend tot een rijp en schoon beginnen,
den luiden zegen hunner tochten hebben ingezet.

Waar alle nachten als een donker-vreemd gebed
stegen tot waar de sterre-steenen winnen
hun heimlijk vuur... en aard's gespreide bed
verstilt onder d'extaze van een ademloos beminnen...

Valer de dagen... zie, hoe een siddrend ongeduld
schrijnender bloeit onder den raadsel-schoonen schijn
van droefenis, die àl geluk en leed verhult;

en door de tijden, die geweldloos sterven achter 't avondland,
rest enkel nog de steun van hart's vertraagd refrein,
dat d'eindloosheid der heem'len over onze oogen spant.

 

 

Zwervers-liefde

Gij waart mij immer vreemd en nooit-genegen,
enkel het hooren Uwer tred was een solaes
voor mij, armzalig hert, dat hunkerend en dwaas,
zijn liefden spilt langs nachtelijke wegen.

Zoovele steden zwierf ik - achter het waas,
waarmee zij uit de koele kimmen stegen,
wist ik de schat der pleinen, strak-gelegen
onder de zon, midden der dagen luid geraas.

O stad, gij duistre, die heim'lijke weelden
tot relequieën in heur schrijnen werft;
voor mij, die zooveel wrange vreugden deelde,
wiens wreede hart in menig leven kerft,
waart ge een tijdlijk schoon, dat alreê sterft:

balseme kort voor wond, die nimmer heelde.

 

 2064592-0c79b613daaa252a6f00cd18eef279a0.jpg
Jan Campert (15 augustus 1902 - 12 januari 1943)
Spijkenisse: De beeldengroep 'Mannetjes op de Krom'

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten