Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 22 augustus 2017 tot 23 augustus 2017

Dolce far niente, Victor Vroomkoning, Charles Busch, Curtis Sittenfeld, Koos Dijksterhuis, Albert Alberts, Ilija Trojanow

 

Dolce far niente

 

 2066869-19b7dc79a41616876bdcf8acc616cd1a.jpg
Nijmegen, winkelcentrum Dukenburg

 

 

Dukenburglied

Ik ben zeven harten rijk en heb een Staddijk van een long.
Lucht en water zijn mijn lust, voor vogels ben ik dagverblijf.
Kikkers springen, reigers vissen, eenden duiken in mijn lijf.
In mijn ingewanden draag ik dassen sinds ik hier ontsprong.

Grand Canal - De Buurman - Douglassparrenbosje -
Dukendam - Ontmoetingskerk - Verlengde Kippenpad -
Dassenburcht - Triavium - Gerrit-Schultepad -
Klimhal - Teersdijk - Schapenweide - Uilenbosje -

Licht ben ik en ruim van geest, mijn vertes zijn voor iedereen
want mijn blik is fris en open. In mijn aders huist mijn kracht:
mengelmoes van geuren, kleuren, klanken, allerhande dracht.
Van geen wijken weten talen en geloven erdoorheen.

Fakkel - Wielewaal Allee - De Turf - De Doekenborg -
De Lindenberg - Streekweg - ’t Hert - Valckenaerpad -
De Meiboom - Geologenstrook - Sportfondsenbad -
Tolhuisje - Sportpark - Maisonnettes - Thuiszorg -

Wie beweegt wil ik van dienst zijn ongeacht het jaargetij.
Actief leven kan ik bieden maar ook pauzes zijn mij lief.
Wie om míj geeft zal genieten productief en creatief
in mijn bedding, warme schoot, een nieuwe Gelderse Vallei.

De Dageraad - Nieuwe Wetering - Steve-Bikoplein -
Koninkrijkszaal - Ketelhuis - De Boerderij -
Nachtegaalpad - De Orangerie - Wollewei -
Hobbywerkplaats - Hippe Hoogbouw - Skateplein

(refrein:)
Tussen Vogelzang, Maas-Waalkanaal en spoorweg ingebed
oogsten zeven groene oorden allerwegen lof:
Aldenhof en Lankforst, Malvert, Meijhorst, Tolhuis, Weezenhof,
Zwanenveld. In één woord samen: Dukenburg van A tot Z.

 

 2066869-7fa8b355e884d6f286b1b0499d7b8005.jpg
Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)
Boxtel.

 

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Charles Busch werd geboren op 23 augustus 1954 in New York. Zie ook mijn blog van 23 augustus 2010 en ook alle tags voor Charles Busch op dit blog.

Uit:Psycho Beach Party

« MRS. FORREST I don't know. This is an invasion of ...
CHICKLET Mother, this is important. I want the public to know what it's like to suffer from a multiple personality disorder. And Berdine, will she be in the picture? She's very important, you know. BETTINA Oh, sure, sure, a character part. STAR CAT But Bettina, do you really think you're ready to interpret such a complex role? BETTINA (With artistic intensity) I don't think, I feel. I know this girl. I feel her torment. I am Chicklet! (Suddenly switching to her practical show business nature) Yo Yo and Provoloney, I'm taking you to New York with me as technical consultants on the Malibu scene.
YO YO Wow, New York!
PROVOLONEY The Philharmonic!
YO YO The New York City Ballet!
PROVOLONEY Balanchine!
YO YO The Frick! Provoloney, should we tell them about us?
PROVOLONEY Yeah, since this is the time for truth telling. Yo Yo and I are lovers. (Everyone gasps)
YO YO Yes, and we're proud of it. I've read all about the persecution of homosexuals, how in big cities, bars are raided and innocent people arrested, their lives ruined. But someday, someday we're going to fight back and the laws will be changed, and our brothers and sisters will march down the main streets of America shouting that we are proud to be who we are! PROVOLONEY Oh, Yo Yo, I really love you. (They embrace. The crowd sighs in sympathy.) BETTINA Come on everybody, let's move this party to my place. I've got the best record collection in town. (They all hoot and holler and exit except for Berdine)“

 

 2066869-a67b5d185d5878455939f60e75968d81.jpg
Charles Busch (New York, 23 augustus 1954)
Thomas Gibson als Kanaka en Lauren Ambrose als Chicklet in de gelijknamige film uit 2000

 

 

De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Curtis Sittenfeld werd geboren op 23 augustus 1975 in Cincinnati, Ohio.Zie ook alle tags voor Curtis Sittenfeld op dit blog.

Uit: Een begerenswaardige vrijgezel (Vertaald door Monique Eggermont)

“Ruim voordat hij naar Cincinnati kwam, wist iedereen dat Chip Bingley op zoek was naar een vrouw. Twee jaar daarvoor had hij – afgestudeerd aan Dartmouth College en Harvard Medical School, telg van het geslacht Bingley uit Pennsylvania dat in de twintigste eeuw fortuin had gemaakt met sanitaire voorzieningen – ogenschijnlijk met enige tegenzin meegedaan aan de supersuccesvolle datingserie
Eligible. In de herfst van 2011 hadden vijfentwintig single vrouwen acht weken lang samen in een groot huis in Rancho Cucamonga, Californië, doorgebracht in een gevecht om zijn hart: ze speelden om beurten blackjack met hem in Las Vegas en bezochten wijngaarden in Napa Valley, terwijl ze elkaar afkraakten en belasterden waar hij soms wel en soms niet bij was. Aan het eind van elke aflevering kreeg iedere vrouw van hem een kus: of op de mond, wat betekende dat ze nog in de race was, of op de wang, wat inhield dat ze onmiddellijk naar huis moest. In de laatste aflevering, toen er nog maar twee vrouwen over waren – Kara, een naïeve, drieentwintigjarige blondgelokte ex­cheerleader die in Jackson, Mississippi, lesgaf aan kleine kinderen, en Marcy, een onbetrouwbare maar aantrekkelijke brunette van achtentwintig die als mondhygiëniste in Morristown, New Jersey, werkte – huilde Chip tranen met tuiten en weigerde hij met een van de twee in het huwelijk te treden. Hij verklaarde dat hij hen allebei bijzonder, schitterend, intelligent en ontwikkeld vond, maar dat hij bij geen van de twee voelde wat hij ‘zielsverbinding’ noemde. Op voorschrift van de mediawet bleven van de scheldkanonnade die Marcy hierop liet volgen vrijwel alleen maar piepjes over, die desondanks haar woede niet konden verhullen.
‘Ik wil dat hij onze dochters leert kennen, maar niet omdat hij heeft meegedaan aan dat malle tv­programma,’ zei mevrouw Bennet eind juni op een ochtend tijdens het ontbijt tegen haar man. De familie Bennet woonde aan Grandin Road in Cincinnati vlak bij Hyde Park in een grillig gebouwd huis in tudorstijl met acht slaapkamers. ‘Ik heb het zelfs nog nooit gezien. Maar hij heeft geneeskunde gestudeerd aan Harvard.’
‘Ja, dat zei je al,’ zei meneer Bennet.
‘Na alles wat we hebben meegemaakt, zou ik er niets tegen hebben om een arts in de familie te hebben,’ zei mevrouw Bennet. ‘Misschien noem jij dat eigenbelang, maar ik vind het slim van mezelf.’
‘Slim?’ herhaalde meneer Bennet. ‘Jij?’

 

 2066869-39807dcf1510b84d1c00997610d8fb47.jpg
Curtis Sittenfeld (Cincinnati, 23 augustus 1975)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en dichter Koos Dijksterhuis werd geboren op 23 augustus 1962 in Amersfoort. Zie ook alle tags voor Koos Dijksterhuis op dit blog.

 

Geloof

Of God bestaat of niet doet niet terzake;
tenslotte leeft Hij louter in ons hoofd.
Waar wij ons zorgen over moesten maken
is of God, omgekeerd, in óns gelooft.

 

 

Weekbericht

Het leek me zenuwslopend: Scoubidou
Maar ik had juist geen kind aan onze dochter
Geen wirwar was te warrig of zij vlocht er
Een matje van, een armband of een koe

Het werkt kalmerend op het draad te bijten
Dat blijkt nu aan de weekmakers te wijten

 

 

AH-erlebnis

Als grootgrut blijft hij op de kleintjes letten
maar boekhoudkundig mag het fonds van Heijn
altijd een onsje meer of minder zijn
Heijn lijkt de klant als koning af te zetten

AH is Neerlands grootste vakkenvuller
maar overtreft zichzelf als zakkenvuller

 

 2066869-bf6001058b9121d9c93466a484967030.jpg
Koos Dijksterhuis (Amersfoort, 23 augustus 1962)

 

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Albert Alberts werd op 23 augustus 1911 in Haarlem geboren. Zie ook mijn blog van 23 augustus 2010 en ook alle tags voor Albert Alberts op dit blog.

Uit: Namen noemen / Het mooiste eiland van de wereld

“Het hele eiland Madoera met zijn drie regentschappen is niet veel meer dan honderdzeventig kilometer lang en gemiddeld nog geen veertig kilometer breed. Over de lengteas ligt een rug van niet al te hoge, nogal steenachtige bergen. Die schijnen vroeger - en nog niet eens zo erg lang geleden - bedekt te zijn geweest met bossen. Bossen op bergen heuvelhellingen waren in Indië bijzonder nuttig, zelfs indien de bevolking ze al jaren geleden tot en met de laatste boom had gerooid. Door hun aanwezigheid behoedden ze met hun wortels de bouwkruin van lager gelegen percelen voor afspoeling. En door hun afwezigheid stelden zij de opperhoutvesters van de desbetreffende ressorten voor de aangename taak van het opstellen en indienen van reboisatie-projecten. Op Madoera waren - zoals gezegd - de bossen verdwenen en de reboisatieplannen lagen dan ook al sinds jaar en dag op de tafels van degenen, die een sdie niet al te vaak werden opengemaakt. Waarom niet?
In de eerste plaats voelde het Bestuur er niet veel voor. Er zouden gronden moeten worden onteigend en er zou werkvolk moeten worden gevonden en beide maatregelen werden aangevoeld als een inbreuk op de vrijheid der bevolking. Bovendien waren de betrokken wedana's van mening, dat het nut van Madoera's reboisatie voor de lager gelegen landbouwgronden problematisch was. Zoals de zaken stonden viel tijdens iedere natte moesson het regenwater langs de kale kalkachtige heuvels en verdween in spleten om ondergronds keurige natuurlijke reservoirs te vormen, die in de droge tijd het nodige bevloeiingswater konden leveren. Het was vooral dit argument, dat het Bestuur in staat stelde de reboisatieboot jarenlang af te houden door in de letterlijke zin van het woord Gods water over Gods Madoerese akkers te laten lopen.”tem hadden in het beslissende kapittel. Op de tafels is misschien een groot woord. Ze lagen eigenlijk in de dossierkasten,

 

 2066869-486bb6013e3149bfdfb821d1dedef750.jpg
Albert Alberts (23 augustus 1911 – 16 december 1995)
Kota Sumenep- Madura

 

 

De Duitse schrijver en uitgever Ilija Trojanow werd geboren in Sofia, Bulgarije, op 23 augustus 1965. Zie ook mijn blog van 23 augustus 2010 en ook alle tags voor Ilija Trojanow op dit blog.

Uit: Der entfesselte Globus

„Drei Tage später besudelten Unbekannte das Denkmal der verstorbenen Ehefrau von Bal Thakeray, verschmierten ihr Gesicht mit Schlamm. Der beleidigte Witwer, ein ehemaliger Karikaturist, ein Meister der Überzeichnung also, der selbst überlebensgroß auftritt als Mann des Volkes im Überwurf des historischen Auftrags, die Hindu-Nation zu retten, ließ seinen goondas freien Lauf. Die Handlanger der Shiv Sena-Partei stürmten auf die Straße, zündeten Fahrzeuge an, erzwangen die Schließung aller Läden, und Bombay mußte wieder einmal stöhnend Kenntnis nehmen von dem alternden Regenten Bal Thakeray, dem die Macht zunehmend entgleitet
Und dann, zwei Tage später – zwischen 6.24 und 6.31 am Abend – explodierten sieben Bomben innerhalb von sieben Minuten an sieben Stationen der Western Railway Line und zerfetzten die Erste-Klasse-Abteile, in denen sie gelegt worden waren, um die professionelle Elite zu treffen. Die viertausend Passagiere, die zu dieser Tageszeit in einem Nahverkehrszug zusammengepfercht sind, taumelten auf die Gleise, zerrten mit bloßen Händen an dem grotesk verbogenen Metall der Waggons, um die vielen Verletzten zu bergen, saßen verloren blutend auf den Bänken. Die zuständige RPF (Railway Police Force) war überfordert: sie verfügte über keine Erste-Hilfe-Kästen und wußte nicht einmal die Telefonnummern der nahe gelegenen Krankenhäuser. Es starben mehr als 200 Menschen an diesem Tag, doch was die Bewohner Bombays tiefer traf als die Trauer um ihre Mitbürger, war die Verunsicherung, ob das fragile Gleichgewicht ihrer Stadt kippen würde. Könnten solche Bombenanschläge die gewachsene Hybridität, die schier unendliche Bandbreite der Schattierungen, die Bombay in sich trägt, zermalmen? Drei Bücher, die dieser Tage auf Deutsch erscheinen, geben Antwort auf diese Frage, indem sie Bombay möglichst umfassend einzufangen versuchen, und bemerkenswerterweise gelingt dieses vermessene Vorhaben den indischen Autoren Vikram Chandra, Suketu Mehta und Altaf Tyrewalla, auch wenn sie schließlich – sei es in sprachlicher, analytischer oder inhaltlicher Hinsicht – vor diesem Moloch doch in die Knie gehen.“

 

 2066869-ee764d78d01667b508de81428228384f.jpg
Ilija Trojanow (Sofia, 23 augustus 1965)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2016 en ook mijn blog van 23 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:29 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Jacob Israël de Haan, Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus

 

Dolce far niente

 

 2066671-0e71d170b5f21f2ae1634ae51a1710f9.jpg
Amsterdam, Marnixstraat

 

Uit: Pijpelijntjes

“Geen mensch op straat, de witte lichten flatterden wild in de wind en wuifden hun lichtbossen door de donkere waterplassen heen en weer.
‘Wat krijg je d'rop?’
‘Een daalder... of misschien vijf en dertig stuivers, dat hangt d'r van af.’
‘Zoo, nou moet je d'res hooren wat ik doe. Laten we nou rekenen, dat je op 't ringetje 'n daalder krijgt, ik heb nog 'n stuiver of vijftien en jij zeven, dan lossen we mijn klok; daar staat 'n rikspop op, en dan brengen we die naar de Marnixstraat, daar krijg ik d'r drie gulden op’....
‘'t Regent zoo, laten we dat nou niet doen, ik ben zoo koud, we komen d'r nou immers toch wel.’
‘Nee, laten we dat nou wel doen, die tien stuivers zijn gauw verdiend, zoo ver is dat nou ook niet, en die regen, nou ja, die regen... ik ga immers mee.’
Z'n fijne vleiing maakte mij flauw en van binnen streelde zijn stem in mij.
‘Goed, laten we dan maar.’
Op 't ringetje kregen we één vijf en zeventig en Sam brutaal in eens opdriestend, nou die wat inloste, eischte de klok terug.
Toen, door de regenPijp marcheerden we samen, de donkere Stadhouderskade dan.
Tegen de zwarte regenlucht geelde het pleklicht van de stad, bleek-goud, maar verder alles nat en zwart. En de kade leeggewaaid, en zwarter, waar geen tram meer liep te lichten.
‘Sam.’...
‘Ja, boy.’...
‘Dàg... 'n eind hè?’
Mijn koudgeregende hand nam hij beet en hield hem vast, warm in de zijne, omdat hij z'n handen altijd in z'n zak had. Dicht naast mekaar liepen we voort, gebogen tegen de wind in.
Het Leidscheplein, mal-licht, schater-licht, de drukke tintellichtlachjes van de gloeilampjes en de witte kousjes en de kalme bleekblauwe doodslach van de boogbollen, die wit blauw-grijnzend schommelden op de wind.
De menschen vlug-an uit de zwarte pleinhoeken 't licht in, en weg weer in een andere donkerte. Op 't plein liet Sam m'n hand los en we liepen gauw schuin over, 't zwarte straatgat tusschen het witte Américainhotel en de roode stadsschouwburg in. De Marnixstraat zwart met wat geel, stilte na 't pleingeluid, de kale boomen druipend van dichtebij; brandde druk de lichte muur van de suikerfabriek, het zwarte stuk er achter, spokig.
‘Jezes, wat is zoo'n stad toch een beroerd beest’....”

 

 2066671-87e31924dcb7cd11d3034cbed66e6618.jpg
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)
Smilde, de Hoofdvaart. Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde.

 

 

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit: Vele hemels boven de zevende

“Een vrouw van rond de vijftig, aan het praten met een vriendin. Heel erg blond waren ze. Met felle lippenstift. Alsof het alle dagen feest mag zijn. Ze dronken koffie en lieten hun koekje liggen. Ze deden aan grote vrolijkheid. Dat leek vanzelf te gaan. En toen hoorde ik die ene proestend zeggen:
'Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar I am seriously underfucked.’
Hikkend voegde ze eraan toe dat ze dat in een film had gehoord, en gedacht had: die moet ik onthouden, héél erg van toepassing. Of ze een man had of niet viel uit het gesprek geenszins af te leiden. Of het lachen weglachen was evenmin.
Een oude man met wakkere ogen, die op tv vertelde over zijn leven en zijn kunst. En over zijn assistente. Hij was dol op haar, zei hij. Alles aan hem lachte. 'Misschien zelfs meer dan dol.’ Maar andere woorden durfde hij niet te gebruiken, zei hij. Hij vermeldde niet waarom. Ik vroeg me af of woorden niet gebruiken het gevoel ook mee bepaalt.
Ik ben alleen, maar verre van verloren. Soms zeg ik dat hardop tegen mezelf. Meestal kan ik erom lachen.
Ik ben zesendertig. Dat is niet jong en ook niet oud. Ik kan heel goed autodansen en op hoge hakken lopen, risotto maken en lief zijn voor kleine dieren. Hoe dat preciesmoet leven, daar ben ik nog niet helemaal achter, maar ik kan redelijk goed doen alsof. Dat is een begin, vind ik. Ik kan ook verdienstelijk uitleggen aan anderen hoe het misschien zou kunnen, en daar wordt soms naar geluisterd, merk ik, wat mij dan een beetje verbaast.
Wat heb ik nog gezien? Een jongen met iets tussen snor en dons op de bovenlip. Hij voelde er met zijn vingers aan, uit trots misschien, uit gêne zou ook kunnen. Hij stond in mijn favoriete boekwinkel en hij keek naar de romans van mijn favoriete auteur. Aarzelend pakte hij er eentje.
'Doen,' zei ik. 'Die is fantastisch.’ Hij keek alsof ik hem een huwelijksaanzoek had gedaan, geschokt door zoveel opgedrongen intimiteit. Hij zei niks en zette het boek weer terug. 'Op het einde gaat zij dood, nu hóéft ge 't ook niet meer te lezen.' Meteen nadat ik het gezegd had, voelde ik al spijt.”

 2066671-6c87a58ee6c2c0aebee4babcad878a70.jpg
Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jeroen Theunissen werd geboren in Gent op 22 augustus 1977. Zie ook alle tags voor Jeroen Theunissen op dit blog.

Uit: Onschuld

“Ik werd in een auto geduwd. Op de achterbank zat ik met mijn hoofd tussen mijn knieën terwijl de man links en de man rechts, de ene met een hese stem en de andere met een bariton, me stompten zodra ik bewoog. Van Salim intussen geen spoor. Ik heb geen idee hoe lang de rit geduurd heeft. Ik werd naar een kamer gebracht, waar ik met handen en voeten aan een bed werd vastgeklonken. Ik bleef een tweetal weken op die eerste locatie. In het begin werd ik zeer slecht behandeld. Ik moest minder worden dan een mens. Ze wilden mij laten bekennen dat ik een CIA-agent was, en dus kreeg ik stokslagen op de onderkant van mijn voeten; ik kon hierna twee dagen amper lopen. Ze moedigden elkaar aan om hard en harder te slaan. Ze wetten hun messen, maakten snijbewegingen over hun halzen, en lachten smakelijk, plaatsten de loop van hun wapen tegen mijn slaap en bootsten het geluid van een AK-47 na, soms kreeg ik achteraf een schouderklopje van 'jongens onder elkaar'. Ze genoten van mijn angst, mijn menselijkheid moest kapot. In veel te hete kamers zat ik. Het eten dat ik kreeg, bestond uit restjes, en soms kreeg ik gewoon geen eten. Naar het toilet mocht ik één keer per dag. Ik kreeg niet echt de kans mij te wassen. Die machteloosheid is afgrijselijk. Op den duur verloor ik ieder besef van tijd. De uren een dode, grijze massa. Zelfs nu nog is er niets wat mij meer vreugde schenkt dan een deur te kunnen openen, gewoon de klink te pakken en de deur te openen. De beste manier om niet gek te worden was te slapen. Mijn ontvoerders, viel me op, gebruikten een mengelmoes van talen. Ze waren in de oorlog als freelancers, kun je haast beweren, net als ik. De Tsjetsjenen waren het wreedst en de Brit met de haakneus was het minst voorspelbaar. Er was zelfs een Belg bij, een verlegen jongen uit het Brusselse, die mij in een onverwachte spraakzame bui vertelde dat hij vroeger, voor zijn bekering, als bejaardenverzorger had gewerkt.”

 

2066671-c596c261b017810a128e91c6848772e0.jpg
Jeroen Theunissen (Gent, 22 augustus 1977)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Annie Proulx werd geboren op 22 augustus 1935 in Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Annie Proulx op dit blog en ook mijn blog van 22 augustus 2010.

Uit: Brokeback Mountain

“Ennis knew the salty words to “Strawberry Roan.” Jack tried a Carl Perkins song, bawling “What I say-ay-ay,” but he favored a sad hymn, “Water-Walking Jesus,” learned from his mother, who believed in the Pentecost, and that he sang at dirge slowness, setting off distant coyote yips.
“Too late to go out to them damn sheep,” said Ennis, dizzy drunk on all fours one cold hour when the moon had notched past two. The meadow stones glowed white-green and a flinty wind worked over the meadow, scraped the fire low, then ruffled it into yellow silk sashes. “Got you a extra blanket I’ll roll up out here and grab forty winks, ride out at first light.”
“Freeze your ass off when that fire dies down. Better off sleepin in the tent.”
“Doubt I’ll feel nothin.” But he staggered under canvas, pulled his boots off, snored on the ground cloth for a while, woke Jack with the clacking of his jaw.

 

 2066671-4bdda2d917db2564f1b4490ef89111ed.png
Scene uit een opvoering van de opera “Brokeback Mountain”, New York, 2014

 

“Jesus Christ, quit hammerin and get over here. Bedroll’s big enough,” said Jack in an irritable sleep-clogged voice. It was big enough, warm enough, and in a little while they deepened their intimacy considerably. Ennis ran full throttle on all roads whether fence mending or money spending, and he wanted none of it when Jack seized his left hand and brought it to his erect cock. Ennis jerked his hand away as though he’d touched fire, got to his knees, unbuckled his belt, shoved his pants down, hauled Jack onto all fours, and, with the help of the clear slick and a little spit, entered him, nothing he’d done before but no instruction manual needed. They went at it in silence except for a few sharp intakes of breath and Jack’s choked “Gun’s goin off,” then out, down, and asleep.
Ennis woke in red dawn with his pants around his knees, a top-grade headache, and Jack butted against him; without saying anything about it, both knew how it would go for the rest of the summer, sheep be damned.”

 

 2066671-801e5dc14fc8aecd870cfba72fb51a8a.png
Annie Proulx (Norwich, 22 augustus 1935)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Krijn Peter Hesselink werd op 22 augustus 1976 geboren in Utrecht. Zie ook alle tags voor Willem Krijn Peter Hesselink op dit blog en ook mijn blog van 22 augustus 2010.

Uit: Moederziel

“Ik zie mijn moeder krijsen.
Ik zie haar. Dat is het rare. Ik hoor haar niet, ik zie haar. Ik sta in de woonkamer en ik heb iets fout gedaan. Geen idee wat. Goede kans dat ik het destijds ook niet wist. Maar misschien wel. Misschien had ik mijn voeten niet geveegd, had ik mijn jas niet goed opgehangen, had ik één keer te veel gevraagd of de televisie aan mocht. Over dat soort dingen ging het. Als ik tenminste wist waarover het ging, want maar al te vaak had ik geen idee. Stond ik daar. Met in mijn handen een plastic schepje. Of nee, nu weet ik het weer, dat was juist het punt, ik wilde aan de slag met dat schepje, buiten in de tuin. Daar stond een kleine zandbak. Ik was dol op het gevoel van de zandkorrels die tussen mijn vingers door gleden. De schep waarmee ik orde aanbracht in de chaos, kastelen optrok, grachten groef. Het had iets magisch, vanaf de dag waarop mijn vader ermee aan kwam zetten, de donkerebalken, die een beetje naar teer roken, en de gigantische zakken met zand. Door een stel planken aan elkaar te timmeren maakte hij er een deksel bij. Ik hield enorm van hem als hij zo met zijn handen bezig was. Als ik van hem op mijn donder had gekregen, omdat ik zonder kloppen de studeerkamer was binnengestormd, omdat ik mijn speelgoed had laten slingeren, omdat ik ergens te lang over had doorgezeurd, dan stelde ik me bij wijze van troost graag voor dat ik weer met hem in het schuurtje stond, dat hij me aankeek met dat grimmige lachje van hem – ‘Stevig vasthouden, hè?’ – en dat hij begon te zagen terwijl ik uit alle macht probeerde de plank stil te houden en de pijn van het schurende hout in mijn handpalmen weg te drukken.
Het deksel was een idee van mijn moeder. Ik begreep het niet zo goed. De zandbak op het schoolplein had toch ook geen deksel? Ze legde uit dat het zand uit de Sahara kwam en dat het, als je niet oppaste, zo weer weg zou waaien, terug naar de woestijn. Sindsdien lette ik er scherp op dat het deksel na a?oop van het spelen weer op de zandbak werd gedaan. Ik vond het prima als het zand terugging naar Afrika, maar dan wilde ik wel mee! Stiekem hoopte ik dat er op een dag een wind op zou steken die mij en het zand in één beweging op zou tillen en mee zou voeren, hup, daar gingen we! Ik zag al helemaal voor me hoe we door de lucht suisden.”

 

 2066671-4748496bb29ef08028c4d70391e39179.png
Krijn Peter Hesselink (Utrecht, 22 augustus 1976)

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Willem Arondéus werd op 22 augustus 1894 in Naarden geboren. Zie ook alle tags voor Willem Arondéus op dit blog en ook mijn blog van 22 augustus 2010.

 

Alleen te zijn, en zich alleen te weten

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
Van geen ontmoet de dag de nacht;
Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten,
Die streelt en lacht.

Van geen begeerd, en vol begeeren wezen
Naar elk, die zwijgend komt en keert;
Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen
Is, en meest deert;

Te dwalen, en nooit het waarheen te weten,
Een dolen doelloos zonder end,
Een droomen van de monden nooit bezeten,
En nooit gekend;

Is dit de buit der jaren, doelloos droomen
Van alle waken meer gewond?
Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen
Om oog en mond.

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
De dag, de nacht ontmoet van geen;
Van alle woorden deze onvergeten:
Alleen, alleen.

 

 2066671-db5a349d6b309a6d0dfbada8d79b2958.jpg
Willem Arondéus (22 augustus 1894 – 1 juli 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2016 en ook mijn blog van 22 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:33 Reageer op dit bericht

Alfred Wellm

De Duitse schrijver Alfred Wellm werd geboren op 22 augustus 1927 in Neukrug/Elbing als zoon van een visser. Vanaf 1941 bezocht hij een lerarenopleidingscentrum in Mehlsack. In januari 1945 werd hij opgeroepen voor de Wehrmacht, maar nam om gezondheidsredenen niet meer deel aan gevechtshandelingen. Na de laatste fase van de oorlog in Zuidwest-Duitsland te hebben doorgebracht keerde Wellm terug naar zijn vader in Falkensee. Hij bezocht een school voor nieuwe leraren en werkte vanaf 1946 tot 1962 in verschillende plaatsen in het onderwijs, als directeur van een middelbare school en als onderwijsinspecteur. Sinds 1963 werkte hij als freelance schrijver in Groß-Menow bij Fürstenberg, later in Lohmen bij Güstrow. Alfred Wellm schreef romans, kinder- en jeugdboeken en draaiboeken. In de DDR werd hij zeer gewaardeerd als kinderboekschrijver. Hij werd bekend door zijn boek “Pause für Wanzka oder die Reise nach Descansar” (1968), en door de autobiografische roman “Pugowitza oder Die silberne Schlüsseluhr“ (1975). De laatste bevat een indringende beschrijving van de ontsnapping uit Oost-Duitsland in 1945. Alfred Wellm was lid van de Duitse Schrijversbond, de Duitse Academie van Beeldende Kunsten (sinds 1978) van PEN International Center van de DDR en sinds 1998 van PEN International Center Duitsland. Hij ontving onder andere in 1959 en 1969 de Fritz Reuter-prijs van het district Schwerin, in 1969 de Heinrich Mann-prijs en in 1976 een nationale prijs van de DDR.

Uit:Pugowitza oder Die silberne Schlüsseluhr

“Nein, dachte Komarek, du gehst nicht aus Dubrowka.
Der alte Mann stand bei seinem Schuppen und dachte immer diesen einen Satz, daß er nicht aus Dubrowka gehen werde. Er lauschte auf den fernen unheimlichen Donner. Manchmal schwoll der Donner an, und der Wald um ihn herum erbebte. Das ist in der Selbongener Heide, sagte der alte Mann zu sich, sie sind jetzt südlich von Selbongen.
Dann geht er in den Schuppen. Er legt Holz in den runden Ofen und zündet ein Feuer an.
Er, dieser sonderbare alte Mann, hat immer mit der Einsamkeit gelebt, jetzt denkt er: Ach, gäbe es doch einen Menschen, mit dem du dich beraten könntest! Gewiß, es gab einige Menschen, mit denen er sich ausgesprochen gut verstanden hatte. Sie wohnten hier und dort in den Dörfern Masurens. Er hatte bei ihnen Unterkunft gefunden, wenn es sich ergab, er hatte zu jeder Stunde zu ihnen kommen können. Aber er hatte keine ständige Berührung zu ihnen unterhalten, manchmal waren Jahre vergangen, dann erst hatte es sich ergeben, und er hatte bei ihnen eingesehen.
Der Alte ist nicht untätig. Er geht in seiner Hütte um und her. Er nimmt ein Dutzend Reusenbügel, er überprüft und hängt die Bügel wieder an den Nagel.
Er tritt abermals vor die Türe. Steht da und horcht.
Von seinem Schuppen aus kann er fünf Dächer sehen. Einen Hügel. Ein paar Gartenzäune. Dicht bei seiner Hütte stehen zwei uralte Kiefern, die der Mann sehr mag.
Er geht hinab ins Dorf, in dieses müde Dorf. Aber die Häuser beherbergen seit zwei Tagen keinen Menschen mehr. Er geht, dreht sich und ist allein.”

 

 2067952-eae05c877a22cf0ed3b38ddb2ca5e2aa.jpg
Alfred Wellm (22 augustus 1927 - 17 december 2001)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten