Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 27 augustus 2017 tot 28 augustus 2017

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

 

Dolce far niente

 

 2068047-818d1ad6ba0ce0e6b7cadb3364f0bdfa.jpg
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 2068047-812a3275e6558b07f44884290d18ed84.jpg
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 - 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

Dank des Sängers

Von Sängern hat man viel erzählt,
Die in ein Schloß gekommen,
Wo nichts ermangelt, nichts gefehlt,
Sie haben Platz genommen.
Doch war wo, irgendwo ein Platz,
Vergleichbar diesem Brüderschatz,
Wo auch ich Platz genommen?

Ihr fraget nicht, woher ich sei,
Wir alle sind von oben;
Doch singend wird der Freie frei
Und darf die Brüder loben.
Die Brust entlöse der Gesang!
Was außen eng, was außen bang,
Uns macht es nicht beklommen.

So hab ich euch denn schon den Dank,
Den ich gedacht, erwiesen
Und euch mit Tönen rein und schlank
Als Würdige gepriesen.
Was bleibet übrig als der Schall,
Den wir so gerne hören,
Wenn überall, allüberall
Im stillen wir uns vermehren.

 

 

Die Liebende schreibt

Ein Blick von deinen Augen in die meinen,
Ein Kuß von deinem Mund auf meinem Munde –
Wer davon hat, wie ich, gewisse Kunde,
Mag dem was anders wohl erfreulich scheinen?

Entfernt von dir, entfremdet von den Meinen,
Führ ich stets die Gedanken in die Runde,
Und immer treffen sie auf jene Stunde,
Die einzige; da fang ich an zu weinen.

Die Träne trocknet wieder unversehens:
Er liebt ja, denk ich, her in diese Stille –
Und solltest du nicht in die Ferne reichen?

Vernimm das Lispeln dieses Liebewehens;
Mein einzig Glück auf Erden ist dein Wille,
Dein freundlicher zu mir – gib mir ein Zeichen!

 

 

Die Lustigen von Weimar

Donnerstag nach Belvedere,
Freitag gehts nach Jena fort;
Denn das ist, bei meiner Ehre,
Doch ein allerliebster Ort!
Samstag ists, worauf wir zielen,
Sonntag rutscht man auf das Land;
Zwätzen, Burgau, Schneidemühlen
Sind uns alle wohlbekannt.

Montag reizet uns die Bühne;
Dienstag schleicht dann auch vorbei,
Doch er bringt zu stiller Sühne
Ein Rapuschchen frank und frei.
Mittwoch fehlt es nicht an Rührung,
Denn es gibt ein gutes Stück;
Donnerstag lenkt die Verführung
Uns nach Belveder’ zurück.

Und es schlingt ununterbrochen
Immer sich der Freudenkreis
Durch die zweiundfunfzig Wochen,
Wenn mans recht zu führen weiß.
Spiel und Tanz, Gespräch, Theater,
Sie erfrischen unser Blut;
Laßt den Wienern ihren Prater;
Weimar, Jena, da ists gut!

 

 2068047-81845e2a11d7967dd02a3ad8859ec3b4.jpg
Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Kamer in het Goethehaus in Weimar

 

 

De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maria Barnas op dit blog.

Uit: Altijd Augustus

“Mijn voeten zijn zwaar van het fijne zand in mijn schoenen. Ik klim in een scheve eik. De wind blaast het haar uit mijn gezicht en jaagt wolken door mijn hoofd.
Vanaf hier zie ik net een streep grauw water. Dit is het grijzen van een storm die kracht verzamelt op zee. De wolken sluiten zich aaneen.
Aan een lange stok snijd ik een punt. Ik gebruik het zakmes van mijn vader.
Van je afsnijden, Augustus.
Mijn moeder denkt dat hij terugkomt.
Redenen om niet terug te komen:
– Ik weet niet hoe.
– Dit niet weten is de enige vorm van vrijheid die ik heb.
– Als ik deze vrijheid opgeef, heb ik helemaal niets meer.
Redenen om wel terug te komen:
– Ik mis je.
Dat is drie tegen een. Een duidelijke zaak. Ik heb de redenen opgedreund, alsof ik ze zelf had verzonnen.
‘Omdatomdatomdat,’ zei ik erbij, omdat het eigenlijk ook niet uitmaakt wat iemand allemaal bedenkt zolang hij liever ergens anders is. Mijn moeder keek me aan alsof ik degene ben die haar kwetst. Omdat de woorden die waar zijn uit mijn mond schieten.
Mijn vader bokst met korte, springende pasjes en met ferme uithalen tegen de lucht. Hij is de enige die weet waartegen hij stoten uitdeelt.
De woorden uit mijn mond zijn niet tegen te houden. Ze zijn fel als de luchtboksende vuisten van mijn vader.”

 2068047-d546f59a9435ecc754b76d94f32f0553.jpeg
Maria Barnas (Hoorn, 28 augustus 1973)

 

 

De Nederlandse schrijver A. Moonen, (spreek uit: 'a-punt-moonen') werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor A. Moonen op dit blog.

Uit: Eigen weg

“Allereerst een prille zaterdagochtendsfeer van de negentiende september jongstleden, waargenomen vanuit de wegens rotting en vochtuitslag door vaklieden behandelde tuinkamer waarbinnen de bovenapostel traag ongeveer een maand terug witachtig behangsel en als vloerbedekking parketkleurig zeil heeft aangebracht tegen een tientje per uur arbeidsloon, zwart verdiend uiteraard, al vroeg ik wel gemakshalve zijn sofinummer. Een goeie therapie voor iemand die liefst levenslang (hij werd onlangs 28) in de ziektewet toeft, trommelend en evangeliserend almaar meer zijn caboverdiaanse afkomst ontvliedend, vernederlandst als de pest, kanker, drassigheid, regenval, windhozen plus verder door de duivel aangereikte levensvreugde. Net als de Amerikaanse jongeren wordt hij ondersteund via door de Riagg verstrekte Prozac-tabletten. Doch versta mij wel: we blijven vriendelijke buren, hebben heel wat voor elkander over, hoe uiteenlopend onze karakters ook mogen zijn, al had ik liever te maken met een primitieve neger boven m'n kop wonend, eentje die bij elke gelegenheid z'n paardenzwengel aan mij vertoonde, zonder omhaal, onvervaard, zo besteed aan een vrijgezel van mijn slag. Maar ik dwaal af; ik zou de naaste omgeving beschrijven. Wel, naar buiten spiedend omtrent halftien in de ochtend, merkt de zich gaandeweg deze mooie teringzomer hersteld hebbende hoofdpersoon van deze dikke roman in wording trage regenval boven nauwelijks bewegend nog groen vol gebladerte, verneemt hij wc-gespoel van één- of tweehoog, een kleuterstem door claxon heen, watervalachtig rioleringsgekletter op binnenplaats, ziet slVoor verdere natuurbeschrijvingen sleept u maar enkele muffe streekromans onder uw keurige nest vandaan.
In de verdere loop der dag zal de serene stilte wel overstemd worden door bovenal een zwarte groeperingskliek met vetspekkig overzees oerwouddialect, vermoedelijk afkomstig uit Senegal en omstreken, een niet door mij thuis te brengen kreetlachtaaltje door voornamelijk manspersonen, soms begeleid via geboor en gehamer hunnerwege of andere buurtbevuilers, waar ik tijdens ‘genezingsproces’ de ganse zomer nogal nerveus - tegen overspanning aan - door raakte en slechts een ondernomen fietstocht bij schaars zonnig weertype afweer aan kon bewerkstelligen.”echts vitrages of gesloten gordijnen en nergens een levend wezen, kortom: de zomer lijkt over te willen gaan in herfsttooi.

 

 2068047-e8dcf4fb36943b7f365044d95357b338.jpg
A. Moonen (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)
Rotterdam, Hogendorpsplein, op een oude, ingekleurde, foto

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cornelis Jan (Cees) Kelk werd geboren in Amsterdam op 28 augustus 1901. Zie ook alle tags voor C. J. Kelk op dit blog.

Uit: Vriendschap van Roland Holst

“Toen ik nog heel jong was, hing voor mij de naam A. Roland Holst samen met iets ongenaakbaar hoogs. Ik had hem nooit gezien en zelfs geen portret van hem aanschouwd, want hij scheen die nooit aan de pers te verstrekken. Hij was een geheimzinnige onbekende van wie alleen gedichten openbaar waren gemaakt. En die gedichten deden in een tijd toen bij voorbeeld C.S. Adama van Scheltema bij velen geliefd was, ongewoon verheven aan. Een verhevenheid die afzijdig scheen in de ogen van een jongeman die zich was gaan thuisvoelen in de kring van ‘Het Getij’, waar vooral een Herman van den Bergh zozeer domineerde dat men al het andere ervoor vergat. M. Nijhoff met zijn duidelijk aansprekende poëzie was van de iets ouderen de enige die ook tot deze kring doordrong. Eigenlijk is het verwonderlijk dat Roland Holst erin had toegestemd een paar van zijn gedichten uit ‘De Gids’ van 1917-'18 te doen opnemen in de bloemlezing van 1919 ‘De Jongeren’, door Ernst Groenevelt samengesteld uit Getij-poëzie, want hij was de enige die daartoe niet had behoord. Hij liet er dan ook met ‘Dit eiland’ en ‘Het eiland der beminden’ (later opgenomen in ‘Voorbij de wegen’) een volkomen ander geluid horen, maar door deze lichte vorm van toenadering werd toch de weg gebaand naar een beter begrip van zijn dichterschap dat nu een reëler betekenis kreeg.
Toch was er voorlopig nog geen sprake van persoonlijk contact met de man die zijn vrienden vond onder zijn eigen tijdgenoten, Bloem, Van Eyck, Jan Prins, Greshoff, Nijhoff en wie ik nog vergeten mocht hebben. Roland Holst heeft hen allen zien sterven, heel zijn generatie, ook Van Genderen Stort, Gossaert, Keuls, Pauwels, De Haan, Besnard, Werumeus Buning en zovele anderen. Een eenzame zou hij daardoor geworden zijn. In mijn jeugd al maakte hij die indruk, wanneer ik hem een enkele maal ontmoette in het steeds intenser literair gezelschapsleven dat zich in die dagen ontwikkelde en dat, naar ik verwacht, iedere generatie opnieuw beleeft.
Roland Holst werd vermaard doordat hij, die zich niet met een gezin omringde, in twee fracties zijn eenzaamheid deelde: met oude vriendschappen, met nieuwe liefden. Toch werd hij niet als bij uitstek ‘de liefdesdichter’ gebrandmerkt; daarvoor was zijn poëzie te zeer doorweven met motieven uit de mythe van een mensheid die zich meer en meer van vrijheid en frankheid had verwijderd en die voortekenen vertoonde van ondergang.”

 

 2068047-b50ac6a98fc5d96d2b64d5ca5cea069c.jpg
C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)
Hier (rechts) in gesprek met koningin Juliana en prins Bernhard tijdens de boekenweek van 1962

 

 

De Australische dichter Frederick Kesner III werd geboren op 28 augustus 1967 in Manilla op de Filippijnen Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frederick Kesner op dit blog.

 

Only Your Bff Would Understand

paisley print
sunflower smile
sat alongside
a leopard that ate parsley
paw in hand
waiting on the sand
for flying fish
to skip upon
cobalt banners
as lazy breezes
pan fluted recollections
of this Iberian summer

 

 

Old Rose

Steely, piercing gaze
steady and calculated
scorn-etched lips pout
scathed grains discolour

pearly teeth bared
proudly held chin gloats
pencilled thoughts
permanently carve the soul

crafty words sliver
carefully orchestrated chaos
cornering all resolution
creased yesterdays wither

 

 

Fading Summers

under the deck boards
sunlight filters on many
expeditions yet to start
and around the corner
a salivating dog guards
the entry way between
a dense hedge of green

 

 2068047-4ef262cf267174ab376572bf448cac04.jpg
Frederick Kesner (Manilla, 28 augustus 1967)
Manilla

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2016 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:03 Reageer op dit bericht

Harro Harring

De Duitse dichter, schilder en revolutionair Harro Paul Harring werd geboren op 28 augustus 1798 op de Ibenshof in Wobbenbüll in Noord-Friesland, Hij was de jongste zoon van boer Harro Wilhelm Martens en zijn vrouw Margarethe Dorothea Sievers. Zijn vader werd later dijkmeester. Hij stierf in 1810, zodat Harro een halfwees werd. Bij het douanekantoor in Husum werd hij eerst tot klerk opgeleid.. Rond 1817 ontstond het verlangen om schilder te worden en ging hij studeren aan de kunstacademie in Kopenhagen en Dresden. Daar leerde hij Johan Christian Dahl kennen waarmee een vriendschap ontstond. Door contacten met de radicale vleugel van de Duitse studentenbond werd hij blijvend beïnvloed in zijn politieke denken. In 1819 werd hij lid van de Alte Dresdener Burschenschaft/Concordia. Hij was ook korte tijd lid van de Vrijmetselaarsloge Apollo in Leipzig. In 1820 bracht hij twee maanden door in Wenen, vervolgens ging hij naar Kopenhagen. In 1821 trad hij toe tot het Philhelleense Legioen en wilde deelnemen aan de Griekse strijd voor vrijheid tegen de Turken. In januari 1822 voer hij per schip vanuit Marseille naar Griekenland. Teleurgesteld vanwege de passiviteit van de Grieken, ging hij naar Italië en kwam hij in contact met de Duitse kunstenaarskolonie in Rome. Na een ontmoeting met de Engelse dichter Lord Byron probeerde Harring in München, waar hij van eind 1822 tot 1826 leefde, een ​​burgerlijk bestaan ​​op te bouwen en schreef hij drama's voor het theater. Hij werkte vervolgens van 1826 tot 1827 als dramaturg in Wenen en werd uiteindelijk als demagoog door de regering Metternich verbannen. Toen de bevrijding van de Griekse vrijheidsstrijder Ypsilanti uit de kleine vesting Theresienstadt niet lukte, vluchtte hij naar München, waar hij Heinrich Heine en de Vormärzpoliticus Georg Fein ontmoette, met wie hij later bevriend raakte. In de jaren 1828-1830 diende Harring als officier in een Russisch regiment in Warschau. Hij werd een "professionele revolutionair", die o.a. deelnam aan de juli-revolutie van 1830 in Leipzig en Brunswick. Met krantenbijdragen, pamfletten, gedichten en romans voerde hij campagne voor onderdrukte volken. Zijn geschriften waren gedeeltelijk verboden en hij zelf werd meerdere malen gearresteerd en verbannen. Het idee om de mensen te bevrijden van hun afhankelijkheid werd een idee fixe. Harring reisde in 1840 naar Rio de Janeiro en voerde campagne voor de bevrijding van de slaven. Als medestrijder van Giuseppe Garibaldi wilde hij ook de oprichting van de Verenigde Staten van Zuid-Amerika realiseren. In 1843 vestigde hij zich als schrijver en schilder in New York. Bij het nieuws van het uitbreken van de Maartrevolutie in 1848 in Duitsland keerde hij terug naar Europa. Een van de hoogtepunten in zijn leven was zijn toespraak tot de Noord-Friezen op de Bredstedter markt op 23 juli 1848. Hij probeerde vergeefs een ​​Noord-Friese Vrijstaat uit te roepen; sinds 2016 herdenkt een "tijdvenster" op het marktplein in Bredstedt deze gebeurtenis. In Rendsburg was hij verantwoordelijk redacteur van de democratisch-republikeinse krant Das Volk. De laatste jaren van zijn leven bracht hij in volledige armoede en isolement door op het kanaaleiland Jersey. Hij was ziek en leed aan paranoia. Op de leeftijd van 71 jaar maakt hij zelf een einde aan zijn leven.

Uit: Die Schwarzen von Giessen, oder der Deutsche Bund

„Trägt er das eiserne Kreuz?" fragte Laura rasch, indem sie nachsinnend stehen blieb. „Darnach habe ich noch nicht gesehen, aber es wäre mir doch schon in die Augen gefallen, wenn er es an sich hätte," meinte die Alte. „Bitte, Frau Garda! Sie müssen sich umkleiden" — fuhr Laura zu ihrer Erzieherin fort. „Sie müssen den Fremden empfangen — ich bin begierig, zu wissen, wer das seyn mag." Nicht unangenehm beschäftigt durch diesen Besuch in ihrer ländlichen Einsamkeit, eilten die Damen auf ihre Zimmer. Es war keine halbe Stunde vergangen, als ein alter Diener, ebenfalls eine Erscheinung aus dem vorigen Jahrhundert zu dem Unbekannten ins Fremdenzimmer trat und ihn ersuchte, sich zur Frau Garda in das Visitenzimmer zu verfügen. In den Willen des Schicksals ergeben, dem sich der Flüchtling unbedingt anheimgestellt, folgte er der verschossenen Livré an besagten Ort. > Die Frau Garda, welche das Benehmen einer Dame vom Stande seit länger als funfzig Jahren an vorzüglichen Vorbildern im Gouvernantenleben studiert hatte, blieb vornehm in der Mitte des Zimmers stehen, als der Gast die Schwelle betrat und sich kaum merklich verbeugend, (denn sein Nacken war dieser Bewegung entwöhnt,) mit bescheidenem Gruße zu erkennen gab: „Ich hatte die Ehre, unter dem Befehl des Herrn Obristen meinen ersten Feldzug zu bestehen; damals war der Herr Obrist noch Hauptmann und führte die Copragnie." „Es wird dem Herrn Obristen recht sehr angenehm seyn, Sie so unerwartet auf Urstein zu sehen," erwiederte die Frau Garda, indem sie nicht ohne Grazie einen Wink zum Sitzen gab, und das Canapee einnahm. „Sie stehen vielleicht noch in Diensten —? Darf ich bitten — welche Charge führen Sie?" Der Schwarze schüttelte seine langen Locken, die füglich schon im Voraus jene Frage verneinten. „Meine Charge ist keine militärische," war die Antwort. „Ich war Gemeiner aus freiem Willen, Madam! und ward Officier, als die Kugel um mich her das Avacement beförderte."
„Gemeiner!" entgegnete die Frau Garda lang, sam, und betrachtete das Antlitz des Unbekanten um so aufmerksamer, indem sie keine Spur von Gemeinheit in seinen großartigen Zügen fand. ,Mon Dieu!" begann sie nach kurzer Betrachtung — „Es ist zwar kein Compliment, wenn man Jemanden sagt, schon irgendwo eine seltsame Aehnlichkeit seiner Physiognomie gesehen zu haben — allein, jedoch — Verzeihen Sie mir die Behauptung — es ist mir durchaus, als wären Mir Ihre Züge nicht unbekannt —" „Es giebt der menschlichen Gesichter in großer Auswahl, Madam, und daher ist es gar leicht möglich, daß ein Duplikat meines Angesichts irgendwo vorhanden." Frau Garda wurde immer mehr nachdenkend und konnte nicht länger umhin, sich über das strenge Incognito des Fremden mit dem Fräulein zu berathen, worauf sie die Existenz der Tochter vom Hause (wie sie sie nannte) berührte, und um die Erlaubniß bat, dieselbe zu dem Emgfange des Ankömmlings herzuführen.“

 

 2100415-0f403f2980f5a4d725ac1e1ad89867dc.jpg
Harro Harring (28 augustus 1798 – 15 mei 1870)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Rainer Kirsch, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Paul Verhuyck, Jeanette Winterson

 

Dolce far niente

 

 2067724-4ade926ec7aacfe05865402d0906eb67.jpg
Beach Figures Looking Up door Grant Drumheller, 2013

 

 

Schwimmen bei Pizunda

Grün ist das Meer bei Pizunda, manchmal
Blau, von Schiffen schwarz, in dieses schwimm
Weit wies dich trägt und dreh dich auf den Rücken: So
Siehst du den Kaukasus mit weißen Gipfeln
Und ruhst in Meer; und dies ist Ruhe. Wiegend
Kaum, und durchs Durchsichtige
Das um dich ist, grenzt dich deutlich die Haut;
Vorne am Steinstrand rutschen die Gesichter
Ab von den Chefs, die blinzeln, um sich bezahlte
Natur, zum Bauch plätschernd im Wasser:
Sie könnens nicht Groß ist der Kaukasus. Mit kleiner Kraft
Liege im Gleichgewicht löse die Arme und
Spür dich oder Meer, wie sonst Mädchen vorm Aufgehn
(Dann kommt, die ineinanderstürzt, die Lust);
Hier aber ist die Mitte. Zwischen Meer, Fels, Schnee, Himmel
Schwarzgrüne Wälder. Dies
War der Augenblick, nun gleit, treib, leicht
In überm Meer—hier
Ist der Triumph des Körpers: Ich, ungemordet
In diesem Jahrhundert! schwimm
Nicht schnell, nicht langsam durch was um mich fließt
An ein besteintes Ufer bei Pizunda.
Ich hab noch vierzig Jahre, oder mehr.

 

 2067724-8b6d022c162b6f9436ae0c3c45443a15.jpg
Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)
Döbeln, de geboorteplaats van Rainer Kirsch

 

 

De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

 

Een sigarenwinkel in de Donkersteeg/Rue du Paradis

Drie jaar geleden stierf zijn vrouw, het huwelijk was
kinderloos en hij wil niet met pensioen. Ik geneer me
om de fierheid waarmee hij wankel sloffend van rek tot
rek zijn schatten zamelt en ze op de toonbank opent,
kist na kist, als dozen vol geheim genot. ‘Voilà, Mon-
sieur, à vous de choisir,’ handgewring, serviele kop.

De Slag bij Waterloo. Vier getroffen paarden in de modder,
goudomrand rond een havanna zachtjes kreunend; verminkte
veteranen houden dapper stand, banier aan flarden en
verbrand, de avond valt in weergaloze kleuren. De ouwe
sjacheraar! Ik buig me snel over zijn andere kisten,
maar zie: de koloniën, slavenhandel, Wounded Knee...

Tot ik op de steppe stuit en op d' onmetelijke steden
waarvan ik droom. Opeens ben ik zelf niets meer dan een
sigaar, tabak gevangen in zijn eigen bladen, hopend op
verzengend vuur: avontuur! Een uitslaand brandje, grootse
daden! Dan spreekt plots elk aroom en ieder bandje van
niets anders dan ik hou het hier niet vol, ik ga

naar Volendam.

 

 

Ultimatum

Ik heb van jou een pop gemaakt, zodat
ik het hout kan horen kraken wanneer ik
je, Italiaanse magistraat, in de benen
schieten laat. Ik wacht op de mulm

die uit kleine gaten in je hals
en lenden naar beneden valt, jij
bent mijn allerliefste antwoord-
apparaat. Met je kwetsbare liezen

de schoonheid tegen het asfalt gedrukt,
kijk ik neer op een en al afzichtelijk
letsel, een stinkende open rug. Sla
gerust naar de vliegen, ook ik

kom je belagen: spuug en pekel,
een flesje hartstocht, een flesje
wraak. Mijnheer Debronst is
een frisdrankautomaat.

 

 

In Vlaamse velden

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond.

Wij zijn de Doden. Zo–even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.

Toe: trekt gij u ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houdt hem hoog. Weest gíj de helden. Laten de Doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.

 

John McCrae, ‘In Vlaamse velden’. Vertaald door Tom Lanoye.

 

 2067724-13488682d7835ef90811cce8e5314a9c.jpg
Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

 

 

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Kristien Hemmerechts op dit blog.

Uit:Alles verandert

“In haar tas brandt het boek dat ze hem wil geven, het boek waaraan ze alles te danken heeft.
‘Voor dokter Wouters,’ heeft ze erin geschreven, ‘in de hoop op een plaatsje in zijn schitterende bibliotheek.’ Naast de eerste editie van Die Traumdeutung bijvoorbeeld, door grootvader Wouters in Wenen gekocht nadat hij de grote Freud himself persoonlijk had ontmoet. Ze heeft de dokter meer boeken cadeau gedaan, maar dit is háár boek, het boek waarvoor ze een huisaltaar heeft opgericht met een aandenken, groot of klein, aan elke gelegenheid waarop ze er een lezing of een workshop over heeft gegeven.
Langer dan gebruikelijk laat hij haar in zijn wachtkamer antichambreren. Gelukkig is het er behaaglijk warm. En er ligt een stapel oude Royalty’s.
‘Iris’, zegt hij verheugd. Stevig drukken ze elkaar de hand, glimlach op zijn gezicht, glimlach op haar gezicht, pretoogjes, kraaienpootjes. Jong en rimpelloos zijn ze al lang niet meer.
‘Dokter Wouters!’ Telkens weer klinkt het als een grap dat hij haar met de voornaam aanspreekt en zij hem met ‘dokter’, terwijl ze een doctorstitel draagt. Het is een spel dat ze spel en tot wederzijds vermaak.
‘Ga zitten. Ik moet je iets vertellen.’
‘Ik u ook.’ Dat niemand haar ooit zo lekker geil heeft gemaakt. Dat het belachelijk is elkaar op deze manier te ontmoeten. Dat het spel lang genoeg heeft geduurd.
‘Ik ga met pensioen, Iris.’
‘Met pensioen?’ Het is het allerlaatste woord dat ze uit zijn mond verwacht. Dokters gaan niet met pensioen. Dokters blijven dokters tot aan hun dood.
‘Jij bent mijn allerlaatste patiënt. Als de deur achter jou dichtvalt, ben ik een vrij man.’
‘Vrij om wat te doen?’ Om met haar de wijde wereld in te trekken? Om samen van mojito’s te nippen op een ver, tropisch eiland? Om eindelijk de liefde te bedrijven?
‘Om romans te lezen. Naar de bioscoop te gaan. Me aan een academie in te schrijven.
De achterstand van jaren in te halen.’

 

 2067724-775759329a884f0d8a20b1d26615b69f.jpg
Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

 

 

De Vlaamse schrijver Paul Verhuyck werd op 27 augustus 1940 in Antwerpen geboren. Zie ook alle tags voor Paul Verhuyck op dit blog.

Uit: Inmiddels op aarde

“Er zijn nog altijd mensen die zich afvragen wat er na de dood gebeurt, waar we na onze dood naartoe gaan. Toch is dat simpel. Dan gaan we naar de maan. Na de dood verstijft het lichaam: de rigor mortis treedt in na één tot vier uur en duurt ongeveer twee etmalen. Na drie dagen begint het lichaam te ontbinden. Maar de ziel zweeft als de adem van een vlinder naar de maan. De maan is het vagevuur waarvan sprake is in oude religies, zo genoemd omdat de maan een zwak schijnsel in de hemel is, een vaag vuurtje. In dat vage vuur worden onze zielen gelouterd: ontdaan van de laatste illusies van individualiteit. Dat kan wel even duren. Op de maan zit Johan op ons te wachten, zijn klasgenoten uit april 1958, die zich de elf zonen van Kafka noemden. Hij is de eerste dode van onze eindexamenklas. Als verkenner zit hij daar even alleen. 'Even alleen,' zeg ik zomaar, expres vaag, want de tijdrekening loopt op de maan niet zoals hier, zodat een eeuwigheid maar een uur kan duren — of omgekeerd. Er zit zoveel rek in de tijd. Tijd is niet altijd meetbaar met horloges. Soms is er vertraging, soms versnelling. Soms vloeit de tijd als vluchtige ether, soms als dikke stroop. De tijdsverschillen zijn enorm, astrofysisch gezien. Zo is er het geval van een zekere Guingamor die drie dagen dood was, echt dood, niet schijndood, en daarna terug op aarde kwam: die drie dagen bleken driehonderd jaar te zijn geweest. Maar de maan als dodenakker: is dat wel de echte astronomische maan is die we 's avonds zien? Ik weet het niet. Johan ook niet. In zijn leven op aarde had hij over de maan alleen twee stripboeken van Kuifje gelezen — terwijl Rutger er alles over had gelezen. De maan, heeft Rutger me gezegd, is door de wetenschap of de maanlanding niet onttoverd. De maan, net zoals de regenboog, is door de natuurkunde wetenschappelijk beschreven, en toch is de magie niet ontluisterd. We weten nu dat de regenboog een breking is van het lichtspectrum — en de maan van de aarde is losgebroken.”

 

 2067724-aa18599bcac6b49d6b1d3af9dd9358aa.jpg
Paul Verhuyck (Antwerpen, 27 augustus 1940)

 

 

De Britse schrijfster Jeanette Winterson werd geboren in Manchester op 27 augustus 1959. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Jeanette Winterson op dit blog.

Uit: Written on the Body

“You'll get over it...' It's the cliches that cause the trouble. To lose someone you love is to alter your life for ever. You don't get over it because 'it' is the person you loved. The pain stops, there are new people, but the gap never closes. How could it? The particularness of someone who mattered enough to greive over is not made anodyne by death. This hole in my heart is in the shape of you and no-one else can fit it. Why would I want them to?
I've thought a lot about death recently, the finality of it, the argument ending in mid-air. One of us hadn't finished, why did the other one go? And why without warning? Even death after long illness is without warning. The moment you had prepared for so carefully took you by storm. The troops broke through the window and snatched the body and the body is gone. The day before the Wednesday last, this time a year ago, you were here and now you're not. Why not? Death reduces us to the baffled logic of a small child. If yesterday why not today? And where are you?
Fragile creatures of a small blue planet, surrounded by light years of silent space. Do the dead find peace beyond the rattle of the world? What peace is there for us whose best love cannot return them even for a day? I raise my head to the door and think I will see you in the frame. I know it is your voice in the corridor but when I run outside the corridor is empty. There is nothing I can do that will make any difference. The last word was yours.”

 

 2067724-bf3004b67398988ca320cc975515f206.jpg
Jeanette Winterson (Manchester, 27 augustus 1959)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e augustus ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:01 Reageer op dit bericht

Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts

De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

Uit: Crépuscule Ville

“Les brumes qui étaient à l'origine du mal semblaient s'être épaissies ce soir-là et leurs strates blanchâtres descendaient à hauteur d'homme comme pour manifester leur sympathie envers le chaos. Malgré sa situation, au cœur de l'ancien centre, épargné par l'urbanisation maladive qui avait frappé partout ailleurs, la Vingtième rue n'en croulait pas moins, d'ordinaire, sous les ornements vains, sous les mille feux bidons dont la ville s'était attifée pour planquer sa misère. Toute en ombres dansantes, sa version noir et blanc donnait la chair de poule. L'immeuble d'en face, soulagé des lueurs qui révélaient la vie au creux des meurtrières, avait tout à fait l'aspect d'un bunker ou d'un colombarium. Syd leva les yeux au ciel pour y trouver l'orage. Les réverbères halogènes avaient rendu l'âme et des écrans-titans qui poinçonnaient les façades, provenaient l'unique éclairage, l'image par défaut des appareils en veille ou en dysfonctionnement.
Comme des bouts de ciel disséminés çà et là pour narguer le désordre, pour narguer le présent. Le logo sempiternel. Le logo de Clair-monde. Au-dessous les hommes couraient le long d'une route qui ne menait nulle part. Au-dessous, de la tôle froissée répandue sur des kilomètres avec le crépitement du feu qui gagnaient les moteurs, promettant aux accidentés, coincés dans les habitacles, un brasier funéraire en bonne et due forme.
Au-dessous, à la faveur des pleins phares survivants, des photographes amateurs shootaient des macchabées en variant les angles. (...) Syd vit la porte vitrée éclater en miettes. (...) Il poursuivit sa course. (...) Une balle troua la ville blindée d'une bijouterie.
Vingt blocs.
Une explosion derrière lui.
Ce qu'il avait sous les yeux, c'était bel et bien l'apocalypse. Une apocalypse modernisée. Remise au goût du jour. Réactualisée aux phobies du moment. Feux de signalisation qui flanchent, clim' externe H.S, écrans en veille, accidents de bagnole, redistribution des biens à main armée, systèmes de sécurité en rade, lignes mortes.
Décidément le monde n'était plus habitable."

 

 2067720-3373b819b58f91623e3fef8982089ab1.jpg
Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)

 

 

De Australische dichter, schrijver en journalist David Rowbotham werd geboren in Toowoomba.in de Darling Downs van Queensland op 27 augustus 1924. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor David Rowbotham op dit blog.

 

Before the Mast

I think the breath of my progenitors
Like wind that filled the sails of masted time,
They leaning like Heredia's conquerers
Over the prows to see the new stars climb
Out of the ocean into an unknown sky
And lead their whispering ships to history.

It is perhaps a too heroic thought;
For none embarked as being conqueror-born,
Just lord of some expected little plot
Away from villages too long outworn,
And few imagined how the world would rise
So much above domestic enterprise.

But time has made impossible, for their sons,
Continual talk of things of closer home
Without the tracks that mark with pros and cons
As beads an abacus what is to come,
Within the count of alien neighbourhood,
The millions-frame, the hurricane missile cloud.

So I step in, step out, tenant of both
Descended flickering bungalow like a raft
Upon ascendant change, and sightless truth,
Attempting touch with what my fathers breathed,
The sense of family and country claimed,
And destinies my fathers never dreamed.

This, no saving task, is still the task
Demanded; I cannot speak my native place,
Now owned no more than strange, unless I ask
With others before the mast who share my face
What those stars hold that climbed so high
Out of the ocean into the unknown sky.

 

 

After Forty Years
(To an elder poet)

Your murderer was the usual younger man
Become killer as such as he but can,
Who must himself be dead where he attacks,
Below the height he deems his victim lacks.

You were predictably slain; you would not rage
But, with the receiving bleakness of your age,
Take and freeze the wound to bloodless brown,
Enough to haunt the hand that stoned you down.

To makers like you returning time shall give
Resurrection your murderers never have
Who hurl their own oblivion in a stone;
You leave word of living — there's the crown.

 

 2067720-1228ae8b741d0374836376c9788a95c1.jpg
David Rowbotham (27 augustus 1924 – 6 oktober 2010)
Toowoomba, Picnic Point

 

 

De Britse schrijfster Norah Lofts werd geboren op 27 augustus 1904 in Shipham, Norfolk als Norah Robinson. Zie ook alle tags voor Norah Lofts op dit blogen ook mijn blog van 27 augustus 2009 en ook mijn blog van 27 augustus 2010.

Uit: The Concubine

“The serving woman went and knelt by the hearth and busied herself with the kindling of the fire. Every movement, every line of her body, proclaimed that she was making a concession to unusual circumstance. Fifteen years and almost as many small promotions lay between her and such a lowly task: but the room, the whole house except for the kitchen, was as cold and damp as the grave, and what was left of the household was in that state of disorganization possible only to one caught unawares in the moment of relaxation following a visit from its master who has just departed and unlikely to re-turn for some time. So Emma Arnett, a practical woman, was lighting the fire. She had, after all, been specially charged to look after her new mistress, the pale, thin girl, stony-eyed with misery, who now stood, still in her damp riding clothes, staring out at the lashing rain. It had rained almost all the way from London, and the state of the roads had added at least two days to the miserable journey. Unless the girl were soon warmed, and coddled a little, she'd come down with a cold, and to judge by the look of her, she was in no state to shake off even the most trivial indisposi-tion. "Even the wood is damp," Emma said. "Or I've lost my knack." It was as well to draw attention to the fact that she, Lady Lucia's personal body-servant, was down on her knees, black-ening her hands, doing a kitchen slut's work. "It doesn't matter," the girl said in a dull, indifferent way. "We can go to bed." "That we can't do, yet. Apart from the servants' pallets there's not a bed in the house fit to sleep on. Those Sir Thomas and his company used, that might have been aired, are all out in the barn, emptied and being picked over. He complained that they were lumpy, as I've no doubt they were. That slit-eyed rogue that calls himself steward is as fit for the job as I am to be Master of Horse." The window rattled under the onslaught of wind and rain; what little smoke had gathered in the chimney gushed out again and drifted about the room. "A fine homecoming," Emma Arnett said. The girl brought her hands out from under her arms and be-gan to rub them together. "It's not my home. It's just one of my father's houses. I haven't had a home for years. And now it looks as though I never may again." Emma turned her head and gave the girl a cautious, almost apprehensive glance.”

 

 2067720-a04b24ab3b9bf5dffeb3390d4b14f369.jpg
Norah Lofts (27 August 1904 – 10 September 1983)
Cover

 

 

De Engelse schrijver Cecil Scott Forester (pseudoniem van Cecil Lewis Troughton Smith) werd geboren in Cairo, Egypte, op 27 augustus 1899. Zie ook alle tags voor C. S. Forester op dit blog en ook mijn blog van 27 augustus 2009 en ook mijn blog van 27 augustus 2010.

Uit: Hornblower and the Hotspur

“Repeat after me,’ said the parson. ‘ “I, Horatio, take thee, Maria Ellen—” ’
The thought came up in Hornblower’s mind that these were the last few seconds in which he could withdraw from doing something which he knew to be ill-considered. Maria was not the right woman to be his wife, even admitting that he was suitable material for marriage in any case. If he had a grain of sense, he would break off this ceremony even at this last moment, he would announce that he had changed his mind, and he would turn away from the altar and from the parson and from Maria, and he would leave the church a free man.
‘To have and to hold—’ he was still, like an automaton, repeating the parson’s words. And there was Maria beside him, in the white that so little became her. She was melting with happiness. She was consumed with love for him, however misplaced it might be. He could not, he simply could not, deal her a blow so cruel. He was conscious of the trembling of her body beside him. That was not fear, for she had utter and complete trust in him. He could no more bring himself to shatter that trust than he could have refused to command the Hotspur.
‘And thereto I plight thee my troth,’ repeated Hornblower. That settled it, he thought. Those must be the final deciding words that made the ceremony legally binding. He had made a promise and now there was no going back on it. There was a comfort in the odd thought that he had really been committed from a week back, when Maria had come into his arms sobbing out her love for him, and he had been too soft-hearted to laugh at her and too—too weak? too honest?—to take advantage of her with the intention of betraying her. From the moment that he had listened to her, from the moment that he had returned her kisses, gently, all these later results, the bridal dress, this ceremony in the church of St Thomas à Becket—and the vague future of cloying affection—had been inevitable.
Bush was ready with the ring, and Hornblower slipped it over Maria’s finger, and the final words were said.
‘I now pronounce that they are man and wife,’ said the parson, and he went on with the blessing, and then a blank five seconds followed, until Maria broke the silence.
‘Oh, Horry,’ she said, and she laid her hand on his arm.
Hornblower forced himself to smile down at her, concealing the newly discovered fact that he disliked being called ‘Horry’ even more than he disliked being called Horatio.”

 

 2067720-8049e380eaf5f5418f9320998ddf207b.jpg
Cecil Scott Forester (27 augustus 1899 – 2 april 1966)
Gregory Peck als Hornblower in de film “Captain Horatio Hornblower” uit 1951.

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Lernert Engelberts werd geboren op 27 augustus 1977 in Leerdam. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lernert Engelbert op dit blog.

 

Steeds als dichteres M. schrijven wil
over haar eerste orgasme
- dat ze kreeg op de rug van een pony -
staat er in haar notitieboekje:

'Ontlading. Duizend vingers
in mijn lichaam gedrongen strelen
de regen van kleuren. Dit zuchtend rijden.’

Nooit staat er:
'Ik kreeg mijn eerste orgasme op de rug van mijn pony.

 

 2067720-d7f4254d722de817f0ee3c3ab0b19397.jpg
Lernert Engelberts (Leerdam, 27 augustus 1977)
Cover

Geschreven door Romenu om 09:59 Reageer op dit bericht

Heinz Liepman

De Duitse schrijver Heinz Liepman (eig. Liepmann) werd geboren op 27 augustus 1905 in Osnabrück,
Zijn vader was soldaat in WO I en stierf in 1917 tijdens de Slag bij Arras. Na de dood van de moeder in februari 1918 werd zijn tweejarige zus Else ondergebracht bij familieleden in Osnabrück. Heinz Liepmann kwam bij zijn oom Max Holländer in Bielefeld en ging naar de hogere burgerschool. In 1921 vluchtte hij voor zijn oom naar Lindau en werkte in een kwekerij. Datzelfde jaar reisde hij voor het eerst naar de VS. In 1922 keerde hij terug naar Duitsland en en begon hij aan de universiteit van Frankfurt geneeskunde, psychologie en filosofie te studeren. Als 19-jarige was hij werkzaam als redactioneel assistent bij de Frankfurter Zeitung en werkte hij als directeur en dramaturgassistent bij de Städtische Bühnen in Frankfurt. Vanaf 1927 was Liepmann werkzaam als dramaturg bij de Hamburg Kammerspielen. Tot op heden is het werkelijke aantal stukken van Liepmann nog niet definitief vastgesteld. In juni 1929 werd Liepmanns eerste roman “Nächte eines alten Kindes” gepubliceerd, over een opgroeiende oorlogswees. Zijn tweede roman "Die Hilflosen" werd gepubliceerd in 1930. In 1931 verscheen de Engelstalige vertaling onder de titel "Wanderers in the Mist". Hiervoor ontving hij meteen de prestigieuze Harper Literary Prize. De roman betekende een doorbraak voor Liepmann als schrijver. In 1931 nam zijn politieke inzet toe. Hij werd lid van de Schutzverband deutscher Schriftsteller. Met Justin Steinfeld en anderen heeft Liepmann de acteursgroep Collectieve Hamburger Actor opgericht. Liepmanns drama "Columbus" ging in première op 23 februari 1932 aan het Deutsche Schauspielhaus in Hamburg. Met zijn publieke protest in april 1933 tegen de discriminatie van de joodse schrijver Justin Steinfeld en kritische theater beoordelingen in dezelfde maand eindigde Liepmanns werk voor het theater. Op 29 mei 1933 ging in Berlijn, zijn stuk "Drei Apfelbäume. Ein Hafenstück“ nog in première onder het pseudoniem Jens C. Nielsen. Liepmann’s werken werden in april 1933 door de Nazi’s verboden. In juni 1933 werd Liepmann in het concentratiekamp Wittmoor opgesloten, maar hij kon kort daarna vluchten en naar Nederland uitwijken. Eind 1933 verscheen zijn roman "Das Vaterland" in Amsterdam. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam werd Liepmann gearresteerd voor 'belediging van een vriendschappelijk staatshoofd”. Internationale protesten verhinderden uitlevering aan Duitsland. In 1935 werd hem het Duitse staatsburgerschap ontnomen en verscheen zijn tweede exilroman „… wird mit dem Tode bestraft“, die het begin van het georganiseerde verzet in het nationaalsocialistische Duitsland beschrijft. Ook verscheen toen "Death from the Skies. A Study of Gas and Microbial Warfare“, enkele maanden later in de VS uitgegeven onder de titel " Poison in the Air ". Rond 1940 veranderde Liepmann zijn naam in Liepman. Hij keerde in augustus 1947 terug naar Hamburg als correspondent van Time. Als freelance schrijver en journalist schreef hij daarna voor diverse kranten zoals The World en the Illustrated Crystal. In 1949 trouwden Ruth Lilienstein en Heinz Liepman en begonnen zij samen een literair agentschap samen. Liepman haalde Norman Mailer, F. Scott Fitzgerald, Richard Wright, en nog veel meer bij het agentschap. In 1950 verscheen Liempan's Engelstalige roman "Case History", in 1956 Liempan's biografie „Rasputin. Heiliger und Teufel“ ". Er volgden nog “Verbrechen im Zwielicht. Berühmte Kriminalfälle aus den letzten Jahrzehnten“ (1959), de essaybundel „Ein deutscher Jude denkt über Deutschland nach“ (1961) en „Der Ausweg. Die Bekenntnisse des Morphinisten Martin M”. (1961). In 1962 verhuisden de Liepmans zelf en ook het literaire agentschap van Hamburg naar Zürich. In 1964 verscheen zijn laatste roman „Karlchen oder die Tücken der Tugend“.

Uit:Karlchen oder die Tücken der Tugend

„Karlchen spürte, wie es in ihm unruhig wurde. Da näherte es sich wieder, was ihm immer passierte. Die beiden Polizisten waren nur noch ein paar Tische entfernt. Karlchen winkte dem Kellner, er wollte zahlen und unauffällig verschwinden. Der Kellner stand gegen das Büfett gelehnt und sah nichts. Karlchen stand auf, aber der Kellner bemerkte ihn nicht. Die junge Frau mit den Kindern und der Hand auf dem Koffer sah Karlchen von der Seite an. »Setzen Sie sich doch«, zischte sie. Karlchen setzte sich. Er konnte nicht entkommen, es war wie immer.
Die Frau spürte Karlchens Unruhe. Sie beugte sich ein wenig nach vorn, zu ihm, und redete, halblaut, vertraulich, wie zu einem Leidensgenossen.
»Wenn Sie gefragt werden, können Sie ja sagen, Sie gehören zu uns. Wir fahren nach Ulm zu den Schwiegereltern, mein Mann ist gestorben. Mit dem Eilzug um halb sieben. Wir haben Fahrkarten …«
Karlchen sah sie unschlüssig an, sagte mechanisch: »Vielen Dank«, er wußte, er würde es nicht tun, aber er wollte der Frau etwas Freundliches sagen, weil sie nachbarlich gewesen war zu ihm. »Sie kommen wohl aus dem Osten?« fragte er. »Sie haben sicherlich allerlei hinter sich …«
»Ja«, antwortete die Frau, »das kann man schon sagen, weiß Gott, aber aus dem Osten kommen wir nicht. Wir kommen aus Mönchengladbach, gequält wird man überall, unsereins.« Karlchen nickte nur, er hatte nicht richtig zugehört; er beobachtete, daß die beiden Männer, der in Uniform und der mit dem Regenmantel, näher kamen. An jedem Tisch legte der Bahnpolizist die Hand an die Mütze, mit einer Andeutung des Salutierens, und fragte etwas, aber noch bevor die Angesprochenen geantwortet oder auch nur genickt hatten, war er schon weiter. Es war offensichtlich eine Formalität ohne jede Bedeutung – Karlchen kämpfte wieder einmal den alten Kampf, aber er wußte, daß er den Kampf verlieren würde.
Da waren sie nun, die beiden Polizeimänner mit ihrem Lederund Mannsgeruch; der in Uniform grüßte, lässig, Hand an der Mütze: »Die Herrschaften haben Fahrkarten?« – und die junge Frau mit den Zöpfen um den Kopf antwortete: »Jawohl, haben wir, nach Ulm …«, und die beiden waren schon im Weitergehen, da hörte Karlchen seine eigene Stimme, schrill und dünn, flachgepreßt vor Angst: »Nein«, flüsterte er, »ich habe keine Fahrkarte …«

 

 2076360-f86d54922c38072cbf07e57b0a41635a.jpg
Heinz Liepman (27 augustus 1905 – 6 juni 1966)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten