Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 28 augustus 2017 tot 29 augustus 2017

Dolce far niente, Jennifer Grotz, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn

 

Dolce far niente

 

 2068266-a5126c3ae60a8028e708eea980c84cc5.jpg
Summer in the city (Cityscape 12) door Darren Thompson, 2012

 

 

Late Summer

Before the moths have even appeared
to orbit around them, the streetlamps come on,
a long row of them glowing uselessly

along the ring of garden that circles the city center,
where your steps count down the dulling of daylight.
At your feet, a bee crawls in small circles like a toy unwinding.

Summer specializes in time, slows it down almost to dream.
And the noisy day goes so quiet you can hear
the bedraggled man who visits each trash receptacle

mutter in disbelief: Everything in the world is being thrown away!
Summer lingers, but it’s about ending. It’s about how things
redden and ripen and burst and come down. It’s when

city workers cut down trees, demolishing
one limb at a time, spilling the crumbs
of twigs and leaves all over the tablecloth of street.

Sunglasses! the man softly exclaims
while beside him blooms a large gray rose of pigeons
huddled around a dropped piece of bread.

 

 2068266-adae3e46f0ef0710930ba7e40230eb33.jpg
Jennifer Grotz (Canyon, 11 juli 1971)
Canyon, Randall County Courthouse. Jennifer Grotz werd geboren in Canyon.

 

 

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Hugo Brandt Cortius op dit blog.

Uit: Waarom God Van Frans Houdt

“Meestal maken de gewijzigde belangstellingen en opvattingen dat proza er na drie eeuwen verouderd uitziet, maar het opvallende van onze twee zwaarmoedige broeders is nu juist dat ze niet alleen over hetzelfde probleem nadachten, maar er ook eenzelfde soort oplossing voor vonden. Een oplossing overigens die door weinig van hun lezers begrepen en aanvaard wordt. Maar daarover straks.
Blaise en Frans schrijven onverbloemd, keihard. Dat was in Frankrijk in de zeventiende eeuw gevaarlijker dan in Nederland in de twintigste eeuw. Hoewel, de manier waarop Kellendonk, een halve eeuw na de holocaust, over joden schreef, veroorzaakte minstens zoveel opschudding als de manier waarop Pascal dat deed in een tijd waarin antisemitisme even gewoon was als vaderlandsliefde en slavernij.
Maar is Pascal niet een essayist en Kellendonk een romancier? Zo eenvoudig ligt het niet. Pascal is geen essayist in de zin waarin Montaigne en Voltaire dat zijn. Op de Franse scholen leer je dat Pascal tegen Montaigne en later Voltaire tegen Pascal schreef. De scepticus Montaigne en de cynicus Voltaire lijken rondom en tegenover een vrome Pascal te staan, maar ik hoop aan te tonen dat dit gezichtsbedrog is, en dat ze alledrie, ieder op hun manier, met het moeizame afscheid van de christelijke God bezig waren. Kellendonk schreef verhalen, novellen, en een roman, maar in al dat proza is veel essayistiek te vinden, vooral in zijn roman Mystiek lichaam. Typisch is dat de luidruchtige discussie over die roman niet ging over de literaire waarde, maar over de inhoud, en dat op een rare manier, waarbij de recensent Nuis met zijn idiote beschuldiging van ‘antisemitisme’ de toon zette, zoals Pascal in zijn tijd door zijn jezuïtische tegenstanders als een ketter en halve protestant werd verdacht gemaakt.
Pascal was geen essayist in de letterlijke zin waarin Montaigne dat woord smeedde, omdat hij alleen maar schreef wat hij meende, en nooit voor de lol schreef. Zijn pregnante stijl, zijn voorbeelden, zijn hartstocht, maken hem tot een literator, en het is geen wonder dat Kellendonk zijn Pascal niet op de plank Filosofie had staan, maar op de plank Franse literatuur, zoals blijkt uit het ontroerende ‘In memoriam’ dat Ernst Braches schreef in de vorm van een beschrijving van het boekenbezit dat hij na Frans' dood in diens werkkamer aantrof.6
Kellendonk was geen romancier in de zin waarin Van Schendel of Vestdijk dat waren, omdat het bij hem altijd om zijn eigen problemen en gedachten ging. Verhalen die ‘voor de lol’ geschreven lijken, zijn in werkelijkheid als literaire kritiek te beschouwen. Zo is het schitterende ‘Achter het licht’ te zien als een poging om de problematiek van Harold Pinter met de pen van Bordewijk te beschrijven. Hij schreef wel voor geld, maar hij schreef uitsluitend over dingen die hem hoog zaten. Pascal had geld, en zou ook zijn leven als wiskundige en natuurkundige hebben kunnen vullen, maar door de aanvallen op zijn jansenistische vrienden voelde hij zich gedwongen te antwoorden (in Les Provinciales) en zijn eigen Gedachten op te schrijven.”

 

 2068266-85cd13c373f902b6109dc284bf6fa597.jpg
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935– 28 februari 2014)
Hier met zoon Jelle (links) in 2009

 

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog en eveneens mijn blog van 29 augustus 2010.

 

Van dinsdag op woensdag

Geenszins van plan ook maar één minuut te twijfelen,
slaat de klok twaalf.

Ruitjes,
           die vol cijfers staan te gapen,
           totdat er een uitkomst op volgt.
                                         De dag,

verdeeld in ruitjesschrifturen,
met hier en daar een hiaat in de zwart
witte orde.
                Kwetsuur,

want zie je, mijn ‘n’ is gebroken...

                        ...Bambivlek,
zachte pijniging, die liefkozend
bedoeld kan zijn,
                         of is dit soms

de geheime seconde, waarin
de secondewijzer blijft hangen, totdat
een naam verandert in een andere naam?

Tussendeuren kreunen open. Een metalen klik
dan
      een licht nazwaaien van genoegen
                                   en

de onverklaarbare geur van warme vanille
zweeft naar me toe

 

 

Op de duikplank, wankelend

I
Juist. We zijn nu in Sittard.
Deze keer hoeven we niet over te stappen,
we kunnen door tot het eindpunt.
Dat is ons doel namelijk;
aankomen op het eindpunt!

Hoor ik je daar ‘oeuvre’ zeggen,
‘Het Oeuvre van de Schrijver’?
Maar dat is levensgevaarlijk!
Als je ‘Het Oeuvre van de Schrijver’ zegt,
zie je vanzelf al zijn boeken uitgestald in de etalage
en dat betekent vaak:
door de dood bijeen gegraaid!

Leg je er nu maar bij neer!
Soms zit er nu eenmaal in een dichter gewoon
een totaal niet tegemoetkomende persoonlijkheid.
Gelukkig voor de poëzie mag je wel zeggen,
want de persoon van de dichter
kan alles verpesten.

 

2068266-1ff9583ba0e4060d53a2aa96603b8e9f.jpg
Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954) 
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver John Edward Williams werd geboren in Clarksville, op 29 augustus 1922. Zie ook alle tags voor John Edward Williams op dit blog.

Uit: Augustus

“Against Lucius Antonius at Perusia I led the victorious Roman legions, and against the Aquitanians at Gaul, and against the German tribes at the Rhine, for which service I refused a Triumph in Rome; and in Spain and Pannonia, too, were rebellious tribes and factions put down. By Augustus I was given title as commander in chief of our navy, and we saved our ships from the pirate Sextus Pompeius by our construction of the harbor west of the Bay of Naples, which ships later defeated and destroyed Pompeius at Mylae and Naulochus on the coast of Sicily; and for that action the Senate awarded me the naval crown. At Actium we defeated the traitor Marcus Antonius, and so restored life to the body of Rome.
In celebration of Rome's delivery from the Egyptian treason, I had erected the Temple now called the Pantheon and other public buildings. As chief administrator of the city under Augustus and the Senate, I had repaired the old aqueducts of the city and installed new ones, so that the citizens and populace of Rome might have water and be free of disease; and when peace came to Rome, I assisted in the survey and mapping of the world, begun during the dictatorship of Julius Caesar and made at last possible by his adopted son.
Of these things, I shall write more at length as these memories progress. But I must now tell of the time when these events were set into motion, the year after Julius Caesar's triumphant return from Spain, of which campaign Gaius Octavius and Salvidienus Rufus and I were members.
For I was with him at Apollonia when the news came of Caesar's death. . . .”

 

 2068266-a4ff30ecfd4e437b4bd549173b8fa848.jpg
John Edward Williams (29 augustus 1922 - 3 maart 1994)
Cover Italiaanse uitgave

 

 

De Belgische dichter en schrijver Maurice Maeterlinck werd geboren op 29 augustus 1862 in Gent. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maurice Maeterlinck op dit blog.

 

Ma mère, n’entendez-vous rien?

Ma mère, n’entendez-vous rien?
Ma mère, on vient avertir...
Ma fille, donnez-moi vos mains.
Ma fille, c’est un grand navire...

Ma mère, il faut prendre garde...
Ma fille, ce sont ceux qui partent...
Ma mère, est-un grand danger?
Ma fille, il va s’éloigner...

Ma mère, Elle approche encore...
Ma fille, il est dans le port.
Ma mère, Elle ouvre la porte...
Ma fille, ce sont ceux qui sortent.

Ma mère, c’est quelqu’un qui entre...
Ma fille, il a levé l’ancre.
Ma mère, Elle parle à voix basse...
Ma fille, ce sont ceux qui passent.

Ma mère, Elle prend les étoiles!...
Ma fille, c’est l’ombre des voiles.
Ma mère, Elle frappe aux fenêtres...
Ma fille, elles s’ouvrent peut-être...

Ma mère, on n’y voit plus clair...
Ma fille, il va vers la mer.
Ma mère, je l’entends partout...
Ma fille, de qui parlez-vous?

 

The Passions

Narrow paths my passions tread:
Laughter rings there, sorrow cries;
Sick and sad, with half-shut eyes,
Thro' the leaves the woods have shed,

My sins like yellow mongrels slink;
Uncouth hyenas, my hates complain,
And on the pale and listless plain
Couching low, love's lion's blink.

Powerless, deep in a dream of peace,
Sunk in a languid spell they lie,
Under a colourless, desolate sky,
There they gaze and never cease,

Where like sheep temptations graze,
One by one departing slow:
In the moon's unchanging glow
My unchanging passions gaze.

 

Vertaald door Bernard Miall

 

 2068266-d681ab4cf862cb652326fc6199b1b3c2.jpg
Maurice Maeterlinck (29 augustus 1862 - 6 mei 1949)
Borstbeeld door Odette Domergue

 

 

De Engelse dichter Thomson („Thom“) William Gunn werd geboren op 29 augustus 1929 in Gravesend, Kent. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Thom Gunn op dit blog.

 

Tamer And Hawk

I thought I was so tough,
But gentled at your hands,
Cannot be quick enough
To fly for you and show
That when I go I go
At your commands.

Even in flight above
I am no longer free:
You seeled me with your love,
I am blind to other birds—
The habit of your words
Has hooded me.

As formerly, I wheel
I hover and I twist,
But only want the feel,
In my possessive thought,
Of catcher and of caught
Upon your wrist.

You but half civilize,
Taming me in this way.
Through having only eyes
For you I fear to lose,
I lose to keep, and choose
Tamer as prey.

 

 

The Annihilation of Nothing

Nothing remained: Nothing, the wanton name
That nightly I rehearsed till led away
To a dark sleep, or sleep that held one dream.

In this a huge contagious absence lay,
More space than space, over the cloud and slime,
Defined but by the encroachments of its sway.

Stripped to indifference at the turns of time,
Whose end I knew, I woke without desire,
And welcomed zero as a paradigm.

But now it breaks—images burst with fire
Into the quiet sphere where I have bided,
Showing the landscape holding yet entire:

The power that I envisaged, that presided
Ultimate in its abstract devastations,
Is merely change, the atoms it divided

Complete, in ignorance, new combinations.
Only an infinite finitude I see
In those peculiar lovely variations.

It is despair that nothing cannot be
Flares in the mind and leaves a smoky mark
Of dread.
             Look upward. Neither firm nor free,

Purposeless matter hovers in the dark.

 

 2068266-be7cf567b91d7e9e5e7331eee6b0427e.jpg
Thom Gunn (29 augustus 1929 – 25 april 2004)
In 1988

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e augustus ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 18:15 Reageer op dit bericht

Oliver Wendell Holmes Sr.

De Amerikaanse dichter, schrijver, arts en hoogleraar Oliver Wendell Holmes Sr. werd geboren in Cambridge op 29 augustus 1809. Hij was de vader van de jurist Oliver Wendell Holmes Jr. Holmes stond aan de basis van de moderne Amerikaanse geneeskunde en werd tezelfdertijd hooglijk als literator gewaardeerd. Zijn collega's noemden hem zelfs een van de beste schrijvers van de 19e eeuw. Hij maakte deel uit van de groep Fireside Poets, samen met Henry Wadsworth Longfellow, William Cullen Bryant, John Greenleaf Whittier en James Russell Lowell. Een van zijn bekendste prozawerken is de serie "Breakfast-Table", die hij in 1858 begon te publiceren in het maandblad The Atlantic Monthly. Hij nam ook deel aan debatten over geneeskunde en literatuur, theologie, psychologie en natuurwetenschappen. Door zijn redenaarstalent en humor werd hij veel gevraagd om publieke toespraken te houden bij banketten en andere gelegenheden, een rol die later overgenomen werd door Mark Twain.

 

The Last Reader

I sometimes sit beneath a tree
And read my own sweet songs;
Though naught they may to others be,
Each humble line prolongs
A tone that might have passed away
But for that scarce remembered lay.

I keep them like a lock or leaf
That some dear girl has given;
Frail record of an hour, as brief
As sunset clouds in heaven,
But spreading purple twilight still
High over memory’s shadowed hill.

They lie upon my pathway bleak,
Those flowers that once ran wild,
As on a father’s careworn cheek
The ringlets of his child;
The golden mingling with the gray,
And stealing half its snows away.

What care I though the dust is spread
Around these yellow leaves,
Or o’er them his sarcastic thread
Oblivion’s insect weaves
Though weeds are tangled on the stream,
It still reflects my morning’s beam.

And therefore love I such as smile
On these neglected songs,
Nor deem that flattery’s needless wile
My opening bosom wrongs;
For who would trample, at my side,
A few pale buds, my garden’s pride?

It may be that my scanty ore
Long years have washed away,
And where were golden sands before
Is naught but common clay;
Still something sparkles in the sun
For memory to look back upon.

And when my name no more is heard,
My lyre no more is known,
Still let me, like a winter’s bird,
In silence and alone,
Fold over them the weary wing
Once flashing through the dews of spring.

Yes, let my fancy fondly wrap
My youth in its decline,
And riot in the rosy lap
Of thoughts that once were mine,
And give the worm my little store
When the last reader reads no more!

 

 2093052-99e5b5ab7464ab000303cb1f1055c78c.jpg
Oliver Wendell Holmes Sr. (29 augustus 1809 - 7 oktober 1894)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

 

Dolce far niente

 

 2068047-818d1ad6ba0ce0e6b7cadb3364f0bdfa.jpg
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 2068047-812a3275e6558b07f44884290d18ed84.jpg
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 - 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

Dank des Sängers

Von Sängern hat man viel erzählt,
Die in ein Schloß gekommen,
Wo nichts ermangelt, nichts gefehlt,
Sie haben Platz genommen.
Doch war wo, irgendwo ein Platz,
Vergleichbar diesem Brüderschatz,
Wo auch ich Platz genommen?

Ihr fraget nicht, woher ich sei,
Wir alle sind von oben;
Doch singend wird der Freie frei
Und darf die Brüder loben.
Die Brust entlöse der Gesang!
Was außen eng, was außen bang,
Uns macht es nicht beklommen.

So hab ich euch denn schon den Dank,
Den ich gedacht, erwiesen
Und euch mit Tönen rein und schlank
Als Würdige gepriesen.
Was bleibet übrig als der Schall,
Den wir so gerne hören,
Wenn überall, allüberall
Im stillen wir uns vermehren.

 

 

Die Liebende schreibt

Ein Blick von deinen Augen in die meinen,
Ein Kuß von deinem Mund auf meinem Munde –
Wer davon hat, wie ich, gewisse Kunde,
Mag dem was anders wohl erfreulich scheinen?

Entfernt von dir, entfremdet von den Meinen,
Führ ich stets die Gedanken in die Runde,
Und immer treffen sie auf jene Stunde,
Die einzige; da fang ich an zu weinen.

Die Träne trocknet wieder unversehens:
Er liebt ja, denk ich, her in diese Stille –
Und solltest du nicht in die Ferne reichen?

Vernimm das Lispeln dieses Liebewehens;
Mein einzig Glück auf Erden ist dein Wille,
Dein freundlicher zu mir – gib mir ein Zeichen!

 

 

Die Lustigen von Weimar

Donnerstag nach Belvedere,
Freitag gehts nach Jena fort;
Denn das ist, bei meiner Ehre,
Doch ein allerliebster Ort!
Samstag ists, worauf wir zielen,
Sonntag rutscht man auf das Land;
Zwätzen, Burgau, Schneidemühlen
Sind uns alle wohlbekannt.

Montag reizet uns die Bühne;
Dienstag schleicht dann auch vorbei,
Doch er bringt zu stiller Sühne
Ein Rapuschchen frank und frei.
Mittwoch fehlt es nicht an Rührung,
Denn es gibt ein gutes Stück;
Donnerstag lenkt die Verführung
Uns nach Belveder’ zurück.

Und es schlingt ununterbrochen
Immer sich der Freudenkreis
Durch die zweiundfunfzig Wochen,
Wenn mans recht zu führen weiß.
Spiel und Tanz, Gespräch, Theater,
Sie erfrischen unser Blut;
Laßt den Wienern ihren Prater;
Weimar, Jena, da ists gut!

 

 2068047-81845e2a11d7967dd02a3ad8859ec3b4.jpg
Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Kamer in het Goethehaus in Weimar

 

 

De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maria Barnas op dit blog.

Uit: Altijd Augustus

“Mijn voeten zijn zwaar van het fijne zand in mijn schoenen. Ik klim in een scheve eik. De wind blaast het haar uit mijn gezicht en jaagt wolken door mijn hoofd.
Vanaf hier zie ik net een streep grauw water. Dit is het grijzen van een storm die kracht verzamelt op zee. De wolken sluiten zich aaneen.
Aan een lange stok snijd ik een punt. Ik gebruik het zakmes van mijn vader.
Van je afsnijden, Augustus.
Mijn moeder denkt dat hij terugkomt.
Redenen om niet terug te komen:
– Ik weet niet hoe.
– Dit niet weten is de enige vorm van vrijheid die ik heb.
– Als ik deze vrijheid opgeef, heb ik helemaal niets meer.
Redenen om wel terug te komen:
– Ik mis je.
Dat is drie tegen een. Een duidelijke zaak. Ik heb de redenen opgedreund, alsof ik ze zelf had verzonnen.
‘Omdatomdatomdat,’ zei ik erbij, omdat het eigenlijk ook niet uitmaakt wat iemand allemaal bedenkt zolang hij liever ergens anders is. Mijn moeder keek me aan alsof ik degene ben die haar kwetst. Omdat de woorden die waar zijn uit mijn mond schieten.
Mijn vader bokst met korte, springende pasjes en met ferme uithalen tegen de lucht. Hij is de enige die weet waartegen hij stoten uitdeelt.
De woorden uit mijn mond zijn niet tegen te houden. Ze zijn fel als de luchtboksende vuisten van mijn vader.”

 2068047-d546f59a9435ecc754b76d94f32f0553.jpeg
Maria Barnas (Hoorn, 28 augustus 1973)

 

 

De Nederlandse schrijver A. Moonen, (spreek uit: 'a-punt-moonen') werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor A. Moonen op dit blog.

Uit: Eigen weg

“Allereerst een prille zaterdagochtendsfeer van de negentiende september jongstleden, waargenomen vanuit de wegens rotting en vochtuitslag door vaklieden behandelde tuinkamer waarbinnen de bovenapostel traag ongeveer een maand terug witachtig behangsel en als vloerbedekking parketkleurig zeil heeft aangebracht tegen een tientje per uur arbeidsloon, zwart verdiend uiteraard, al vroeg ik wel gemakshalve zijn sofinummer. Een goeie therapie voor iemand die liefst levenslang (hij werd onlangs 28) in de ziektewet toeft, trommelend en evangeliserend almaar meer zijn caboverdiaanse afkomst ontvliedend, vernederlandst als de pest, kanker, drassigheid, regenval, windhozen plus verder door de duivel aangereikte levensvreugde. Net als de Amerikaanse jongeren wordt hij ondersteund via door de Riagg verstrekte Prozac-tabletten. Doch versta mij wel: we blijven vriendelijke buren, hebben heel wat voor elkander over, hoe uiteenlopend onze karakters ook mogen zijn, al had ik liever te maken met een primitieve neger boven m'n kop wonend, eentje die bij elke gelegenheid z'n paardenzwengel aan mij vertoonde, zonder omhaal, onvervaard, zo besteed aan een vrijgezel van mijn slag. Maar ik dwaal af; ik zou de naaste omgeving beschrijven. Wel, naar buiten spiedend omtrent halftien in de ochtend, merkt de zich gaandeweg deze mooie teringzomer hersteld hebbende hoofdpersoon van deze dikke roman in wording trage regenval boven nauwelijks bewegend nog groen vol gebladerte, verneemt hij wc-gespoel van één- of tweehoog, een kleuterstem door claxon heen, watervalachtig rioleringsgekletter op binnenplaats, ziet slVoor verdere natuurbeschrijvingen sleept u maar enkele muffe streekromans onder uw keurige nest vandaan.
In de verdere loop der dag zal de serene stilte wel overstemd worden door bovenal een zwarte groeperingskliek met vetspekkig overzees oerwouddialect, vermoedelijk afkomstig uit Senegal en omstreken, een niet door mij thuis te brengen kreetlachtaaltje door voornamelijk manspersonen, soms begeleid via geboor en gehamer hunnerwege of andere buurtbevuilers, waar ik tijdens ‘genezingsproces’ de ganse zomer nogal nerveus - tegen overspanning aan - door raakte en slechts een ondernomen fietstocht bij schaars zonnig weertype afweer aan kon bewerkstelligen.”echts vitrages of gesloten gordijnen en nergens een levend wezen, kortom: de zomer lijkt over te willen gaan in herfsttooi.

 

 2068047-e8dcf4fb36943b7f365044d95357b338.jpg
A. Moonen (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)
Rotterdam, Hogendorpsplein, op een oude, ingekleurde, foto

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cornelis Jan (Cees) Kelk werd geboren in Amsterdam op 28 augustus 1901. Zie ook alle tags voor C. J. Kelk op dit blog.

Uit: Vriendschap van Roland Holst

“Toen ik nog heel jong was, hing voor mij de naam A. Roland Holst samen met iets ongenaakbaar hoogs. Ik had hem nooit gezien en zelfs geen portret van hem aanschouwd, want hij scheen die nooit aan de pers te verstrekken. Hij was een geheimzinnige onbekende van wie alleen gedichten openbaar waren gemaakt. En die gedichten deden in een tijd toen bij voorbeeld C.S. Adama van Scheltema bij velen geliefd was, ongewoon verheven aan. Een verhevenheid die afzijdig scheen in de ogen van een jongeman die zich was gaan thuisvoelen in de kring van ‘Het Getij’, waar vooral een Herman van den Bergh zozeer domineerde dat men al het andere ervoor vergat. M. Nijhoff met zijn duidelijk aansprekende poëzie was van de iets ouderen de enige die ook tot deze kring doordrong. Eigenlijk is het verwonderlijk dat Roland Holst erin had toegestemd een paar van zijn gedichten uit ‘De Gids’ van 1917-'18 te doen opnemen in de bloemlezing van 1919 ‘De Jongeren’, door Ernst Groenevelt samengesteld uit Getij-poëzie, want hij was de enige die daartoe niet had behoord. Hij liet er dan ook met ‘Dit eiland’ en ‘Het eiland der beminden’ (later opgenomen in ‘Voorbij de wegen’) een volkomen ander geluid horen, maar door deze lichte vorm van toenadering werd toch de weg gebaand naar een beter begrip van zijn dichterschap dat nu een reëler betekenis kreeg.
Toch was er voorlopig nog geen sprake van persoonlijk contact met de man die zijn vrienden vond onder zijn eigen tijdgenoten, Bloem, Van Eyck, Jan Prins, Greshoff, Nijhoff en wie ik nog vergeten mocht hebben. Roland Holst heeft hen allen zien sterven, heel zijn generatie, ook Van Genderen Stort, Gossaert, Keuls, Pauwels, De Haan, Besnard, Werumeus Buning en zovele anderen. Een eenzame zou hij daardoor geworden zijn. In mijn jeugd al maakte hij die indruk, wanneer ik hem een enkele maal ontmoette in het steeds intenser literair gezelschapsleven dat zich in die dagen ontwikkelde en dat, naar ik verwacht, iedere generatie opnieuw beleeft.
Roland Holst werd vermaard doordat hij, die zich niet met een gezin omringde, in twee fracties zijn eenzaamheid deelde: met oude vriendschappen, met nieuwe liefden. Toch werd hij niet als bij uitstek ‘de liefdesdichter’ gebrandmerkt; daarvoor was zijn poëzie te zeer doorweven met motieven uit de mythe van een mensheid die zich meer en meer van vrijheid en frankheid had verwijderd en die voortekenen vertoonde van ondergang.”

 

 2068047-b50ac6a98fc5d96d2b64d5ca5cea069c.jpg
C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)
Hier (rechts) in gesprek met koningin Juliana en prins Bernhard tijdens de boekenweek van 1962

 

 

De Australische dichter Frederick Kesner III werd geboren op 28 augustus 1967 in Manilla op de Filippijnen Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frederick Kesner op dit blog.

 

Only Your Bff Would Understand

paisley print
sunflower smile
sat alongside
a leopard that ate parsley
paw in hand
waiting on the sand
for flying fish
to skip upon
cobalt banners
as lazy breezes
pan fluted recollections
of this Iberian summer

 

 

Old Rose

Steely, piercing gaze
steady and calculated
scorn-etched lips pout
scathed grains discolour

pearly teeth bared
proudly held chin gloats
pencilled thoughts
permanently carve the soul

crafty words sliver
carefully orchestrated chaos
cornering all resolution
creased yesterdays wither

 

 

Fading Summers

under the deck boards
sunlight filters on many
expeditions yet to start
and around the corner
a salivating dog guards
the entry way between
a dense hedge of green

 

 2068047-4ef262cf267174ab376572bf448cac04.jpg
Frederick Kesner (Manilla, 28 augustus 1967)
Manilla

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2016 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:03 Reageer op dit bericht

Harro Harring

De Duitse dichter, schilder en revolutionair Harro Paul Harring werd geboren op 28 augustus 1798 op de Ibenshof in Wobbenbüll in Noord-Friesland, Hij was de jongste zoon van boer Harro Wilhelm Martens en zijn vrouw Margarethe Dorothea Sievers. Zijn vader werd later dijkmeester. Hij stierf in 1810, zodat Harro een halfwees werd. Bij het douanekantoor in Husum werd hij eerst tot klerk opgeleid.. Rond 1817 ontstond het verlangen om schilder te worden en ging hij studeren aan de kunstacademie in Kopenhagen en Dresden. Daar leerde hij Johan Christian Dahl kennen waarmee een vriendschap ontstond. Door contacten met de radicale vleugel van de Duitse studentenbond werd hij blijvend beïnvloed in zijn politieke denken. In 1819 werd hij lid van de Alte Dresdener Burschenschaft/Concordia. Hij was ook korte tijd lid van de Vrijmetselaarsloge Apollo in Leipzig. In 1820 bracht hij twee maanden door in Wenen, vervolgens ging hij naar Kopenhagen. In 1821 trad hij toe tot het Philhelleense Legioen en wilde deelnemen aan de Griekse strijd voor vrijheid tegen de Turken. In januari 1822 voer hij per schip vanuit Marseille naar Griekenland. Teleurgesteld vanwege de passiviteit van de Grieken, ging hij naar Italië en kwam hij in contact met de Duitse kunstenaarskolonie in Rome. Na een ontmoeting met de Engelse dichter Lord Byron probeerde Harring in München, waar hij van eind 1822 tot 1826 leefde, een ​​burgerlijk bestaan ​​op te bouwen en schreef hij drama's voor het theater. Hij werkte vervolgens van 1826 tot 1827 als dramaturg in Wenen en werd uiteindelijk als demagoog door de regering Metternich verbannen. Toen de bevrijding van de Griekse vrijheidsstrijder Ypsilanti uit de kleine vesting Theresienstadt niet lukte, vluchtte hij naar München, waar hij Heinrich Heine en de Vormärzpoliticus Georg Fein ontmoette, met wie hij later bevriend raakte. In de jaren 1828-1830 diende Harring als officier in een Russisch regiment in Warschau. Hij werd een "professionele revolutionair", die o.a. deelnam aan de juli-revolutie van 1830 in Leipzig en Brunswick. Met krantenbijdragen, pamfletten, gedichten en romans voerde hij campagne voor onderdrukte volken. Zijn geschriften waren gedeeltelijk verboden en hij zelf werd meerdere malen gearresteerd en verbannen. Het idee om de mensen te bevrijden van hun afhankelijkheid werd een idee fixe. Harring reisde in 1840 naar Rio de Janeiro en voerde campagne voor de bevrijding van de slaven. Als medestrijder van Giuseppe Garibaldi wilde hij ook de oprichting van de Verenigde Staten van Zuid-Amerika realiseren. In 1843 vestigde hij zich als schrijver en schilder in New York. Bij het nieuws van het uitbreken van de Maartrevolutie in 1848 in Duitsland keerde hij terug naar Europa. Een van de hoogtepunten in zijn leven was zijn toespraak tot de Noord-Friezen op de Bredstedter markt op 23 juli 1848. Hij probeerde vergeefs een ​​Noord-Friese Vrijstaat uit te roepen; sinds 2016 herdenkt een "tijdvenster" op het marktplein in Bredstedt deze gebeurtenis. In Rendsburg was hij verantwoordelijk redacteur van de democratisch-republikeinse krant Das Volk. De laatste jaren van zijn leven bracht hij in volledige armoede en isolement door op het kanaaleiland Jersey. Hij was ziek en leed aan paranoia. Op de leeftijd van 71 jaar maakt hij zelf een einde aan zijn leven.

Uit: Die Schwarzen von Giessen, oder der Deutsche Bund

„Trägt er das eiserne Kreuz?" fragte Laura rasch, indem sie nachsinnend stehen blieb. „Darnach habe ich noch nicht gesehen, aber es wäre mir doch schon in die Augen gefallen, wenn er es an sich hätte," meinte die Alte. „Bitte, Frau Garda! Sie müssen sich umkleiden" — fuhr Laura zu ihrer Erzieherin fort. „Sie müssen den Fremden empfangen — ich bin begierig, zu wissen, wer das seyn mag." Nicht unangenehm beschäftigt durch diesen Besuch in ihrer ländlichen Einsamkeit, eilten die Damen auf ihre Zimmer. Es war keine halbe Stunde vergangen, als ein alter Diener, ebenfalls eine Erscheinung aus dem vorigen Jahrhundert zu dem Unbekannten ins Fremdenzimmer trat und ihn ersuchte, sich zur Frau Garda in das Visitenzimmer zu verfügen. In den Willen des Schicksals ergeben, dem sich der Flüchtling unbedingt anheimgestellt, folgte er der verschossenen Livré an besagten Ort. > Die Frau Garda, welche das Benehmen einer Dame vom Stande seit länger als funfzig Jahren an vorzüglichen Vorbildern im Gouvernantenleben studiert hatte, blieb vornehm in der Mitte des Zimmers stehen, als der Gast die Schwelle betrat und sich kaum merklich verbeugend, (denn sein Nacken war dieser Bewegung entwöhnt,) mit bescheidenem Gruße zu erkennen gab: „Ich hatte die Ehre, unter dem Befehl des Herrn Obristen meinen ersten Feldzug zu bestehen; damals war der Herr Obrist noch Hauptmann und führte die Copragnie." „Es wird dem Herrn Obristen recht sehr angenehm seyn, Sie so unerwartet auf Urstein zu sehen," erwiederte die Frau Garda, indem sie nicht ohne Grazie einen Wink zum Sitzen gab, und das Canapee einnahm. „Sie stehen vielleicht noch in Diensten —? Darf ich bitten — welche Charge führen Sie?" Der Schwarze schüttelte seine langen Locken, die füglich schon im Voraus jene Frage verneinten. „Meine Charge ist keine militärische," war die Antwort. „Ich war Gemeiner aus freiem Willen, Madam! und ward Officier, als die Kugel um mich her das Avacement beförderte."
„Gemeiner!" entgegnete die Frau Garda lang, sam, und betrachtete das Antlitz des Unbekanten um so aufmerksamer, indem sie keine Spur von Gemeinheit in seinen großartigen Zügen fand. ,Mon Dieu!" begann sie nach kurzer Betrachtung — „Es ist zwar kein Compliment, wenn man Jemanden sagt, schon irgendwo eine seltsame Aehnlichkeit seiner Physiognomie gesehen zu haben — allein, jedoch — Verzeihen Sie mir die Behauptung — es ist mir durchaus, als wären Mir Ihre Züge nicht unbekannt —" „Es giebt der menschlichen Gesichter in großer Auswahl, Madam, und daher ist es gar leicht möglich, daß ein Duplikat meines Angesichts irgendwo vorhanden." Frau Garda wurde immer mehr nachdenkend und konnte nicht länger umhin, sich über das strenge Incognito des Fremden mit dem Fräulein zu berathen, worauf sie die Existenz der Tochter vom Hause (wie sie sie nannte) berührte, und um die Erlaubniß bat, dieselbe zu dem Emgfange des Ankömmlings herzuführen.“

 

 2100415-0f403f2980f5a4d725ac1e1ad89867dc.jpg
Harro Harring (28 augustus 1798 – 15 mei 1870)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten