Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 2 september 2017 tot 3 september 2017

Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag, Doğan Akhanlı

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Reisverhaal

“Er wordt niet geklapt. Hoe iedereen weet dat het niet is afgelopen zal altijd een raadsel blijven. Veiligheidshalve klap ik bij alle gelegenheden dat er mogelikerwijs verwacht wordt dat men klapt, zonder geluid muis op muis zogezegd. Iedereen kucht of hoest voluit, het beste bewijs dat hoesten en kuchen niet nodig is zomin als ademhalen, ik bedoel snuivend ademhalen. Omdat het toeval wil dat ik op dit moment twee varkens met ridikule sprongen, met wapperende oren en overdreven snuivende snuiten een ekster zie wegjagen, lijkt me dit het juiste moment om iets recht te zetten. Hoelang ik al hier ben weet ik niet precies maar lang dat is zeker, iedereen kent me, voor niemand ben ik een vreemde en het is alsof het nooit anders geweest is, toch weet iedereen dat ik er niet bij hoor, dat zie ik, dat voel ik aan alles, misschien is het domweg een kwestie van geur. Daarover hoef ik dus niets te zeggen. Het hoe van de situatie mag ik bekend veronderstellen. Maar het wordt tijd uit de doeken te doen hoe ik hier terecht ben gekomen, en als men zegt dat ik daar rijkelik laat mee ben en bovendien zegt dat mijn verhaal bezijden de waarheid is, en dat zelfs voordat ik iets heb kunnen vertellen, dan komt dat omdat de een of ander die mij een hak wil zetten, en ik weet wie het is al zal ik hem niet het genoegen doen zijn naam voluit te vermelden zogoed als ik ook de anderen niet of alleen onder een andere naam zal laten optreden, een verhaal de wereld in heeft gestuurd waarin op z'n zachtst gezegd enkele details vergeten zijn, een hele reeks details mag ik wel zeggen, precies de hoofdzaken moet ik eerlikheidshalve zeggen die voor beter begrip onmisbaar zijn. Algemeen wordt aangenomen dat ik hier terecht kwam, terecht, terecht? - terecht, omdat ik familie wilde opzoeken of enkele oude bekenden, gewoonlik de enige reden voor een normaal mens om zich in de provinsie te wagen, of zelfs om ergens rustig een paar dagen te gaan zitten, men heeft het in dat verband over uitblazen of op adem komen gehad, maar die veronderstelling is uitsluitend gebaseerd op een slordigheid van de bewuste persoon die het verhaal in omloop heeft gebracht en het had over een fraaie lentedag.Eigenlik doet het er helemaal niet toe wat voor weer en welk seizoen het was - in dit land schijnt bij alles de weersgesteldheid vermeld te moeten worden evenals de leeftijd, het geslacht, vooropleiding, eventuele kwalen en huwelikse staat, dat geeft een schijn van konkreetheid neem ik aan, en ik zou zelf niet eens geweten hebben wat voor weer het was geweest ware het niet dat ik bij toeval weet dat het hartje winter was en vroor dat het kraakte, zo heet dat, zo was het ook inderdaad, hartje winter want het was bitter koud en het vroor dat het kraakte zodat het zelfs terwijl we reden dermate koud in de auto was dat onze adem op onze lippen bevroor, soms zelfs de woorden in onze keel bleven steken en nog wat van die onalledaagse effekten.”

 

 2069434-f0324c70fd4c530e250887cbfa39f623.jpg
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

 

 

De Duitse schrijver, criticus, columnist, essayist en biograaf Fritz J. Raddatz werd geboren op 3 september 1931 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Fritz J. Raddatz op dit blog.

Uit: Tagebücher

„20. Mai 1982
Zürich-Report. Wahrscheinlich liegt’s ja an mir und einem sonderbaren «Zustand» – ob’s auch das Männer-«Klimakterium» ist? – : Aber genossen habe ich nichts von alledem. Das ist das eigentlich Bemerkenswerte und traurig Machende – es war STRAHLENDSTES Frühlingswetter mit kleinen Wölkchen über dem See, mit feinem Zimmer, herrlichem Essen, ein Leben wie ein König und «Herr Professor» hinten und vorne im Hotel und auch sonst. Behagliches Mittagessen mit Ruthchen Liepman, ganz viel Zeit zum Bummeln – aber, aber. Ich weiß eben nicht, wie man das macht, bummeln. Ich laufe nervös durch die Stadt, die ich ja schließlich auch schon mal gesehen habe; was muß ich mit 50 Jahren staunend durchs Niederdorf trudeln, das macht man als Student, oder mir den Kakteengarten am See ansehen. Mumpitz. Ich sitze dort in einem Café – und bin nach 20 Minuten nervös, zwinge mich da, eine Straße langzugehen, zwinge mich ins Museum – aber auch Cézanne-Bilder habe ich schon mal gesehen (allenfalls verblüffend eine Hans-Richter-Ausstellung, den ich immer für einen 3.klassigen Dadaisten hielt und der offenbar doch mehr war). Ist es auch unser Fatum, daß wir nicht mehr oder kaum noch eugierig sein können? Was soll man mir schon Neues bieten? So streife ich ziellos und wahllos durch Zürich, getreu dem neuen Motto, mir nicht mehr als 4 Termine auf einen Tag zu legen ; das halte ich nun zwar brav durch, aber viel Sinn gibt’s auch nicht. Dann also Muschg und die «Kuhauge»-Premiere – hm. Ich war doch ziemlich aufgeregt, hatte ja aus diesem Manuskript noch nie etwas öffentlich gemacht. Muschg holte mich ab, war einerseits nett und fast freundschaftlich wie immer, andererseits merkbar irritiert, daß ich in diesem Hotel wohnte – im «Baur au Lac» hätten seit Jahrzehnten keine Linken mehr gewohnt. Das alte Lied – die Uniform, Ente fahren und Gauloise rauchen . . . An der Uni dann ein eher merkwürdiger Kreis, keineswegs in erster Linie Studenten, mehr kunstsinnige, alte Damen, davon reichlich. Zuerst ein «Seminar» über mich, was auch merkwürdig ist, mit anzuhören ; die Eingangslaudatio ist man ja gewöhnt, es ginge ja auch nicht, jemanden einzuladen, ohne ihn «wundervoll» zu finden.“

 

 2069434-77035bf2ec7fa015ac009cc8f59697a8.jpg
Fritz J. Raddatz (3 september 1931 - 26 februari 2015)
Cover

 

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduardo Galeano op dit blog.

Uit:Days and Nights of Love and War (Vertaald door Judith Brister)

« I lost quite a few things in Buenos Aires. Due to the rush or to bad luck, no one knows where they ended up. I left with a few clothes and a handful of papers. don't complain. With so many people lost, to cry over things is to lack respect for pain. Gypsy life. Things are next to me but then they disappear. I have them by night, I lose them by day. I'm not a prisoner of things; they don't decide anything. When I split up with Graciela, I left the house in Montevideo intact. The Cuban sea-shells and the Chinese swords, the Guatemalan tapestries, the records and the books and everything else. To have taken something would have been cheating. All this was hers, time shared, time I'm grateful for.'And I set out for the unknown, clean and unburdened. My memory will retain what is worthwhile. My memory knows more about me than I do; it doesn't lose what deserves to be saved. Inner fever: cities and people, unattached to my memory, float towards me: land where I was born, children I made, men and women who swelled my soul.
How many men will be yanked from their homes tonight and thrown into the wastelands with a few holes in their backs? How many will be mutilated, blown up, burnt?
Terror stalks out of the shadows, strikes and returns to the darkness. A woman's red eyes, an empty chair, a shattered door, someone who will not be back: Guatemala 1967, Argentina 1977. That year had been officially declared the year of peace in Guatemala. But no one fished anymore near the city of Gualdn because the nets brought up human bodies. Today the tide washes up pieces of cadavers on the banks of the Rio de la Plata. Ten years ago bodies appeared in the Rfo Motagua or were found, at dawn, in gorges or roadside ditches: featureless faces which could never be identified. After the threats came the kidnappings, the attacks, the torture, the assassinations. The NOA (New Anticommunist Organization)—which pro-claimed that it worked "together with the glorious army of Guatemala"—pulled out its enemies' tongues and cut off their left hands. The MANO (Organized Nationalist Anticom-munist Movement), which worked with the police, plked black crosses on the doors of the condemned. At the bottom of San Roque Lake, in Cdr. doba, Argentina, bodies sunk with rocks are now appearing, just as in the area surrounding the Pacaya Volcano, Guatemalan peasants found a cemetery full of rotting bones and bodies.”

 

 2069434-89e41c7e72b6b0f99a230c877b5c74f5.jpg
Eduardo Galeano (3 september 1940 – 13 april 2015)
Hier met de Boliviaanse President Evo Morales (links)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Alison Lurie op dit blog.

Uit: Familiar Spirits

“Jimmy also had a gift for making everything relevant. He shared E. M. Forster's belief that one must connect with other people—perhaps only some other people, in his case. If Jimmy liked someone, he would often try to find a bond between this person and himself, a coincidence: he was delighted, for instance, to discover that he and a new acquaintance had stayed in the same pension in Florence, or that I'd been born on September 3, exactly six months later than he.
But what Jimmy connected best wasn't people but words and ideas. He was keenly alert to ambiguity and multiple meanings, and scathingly and inventively alert to banality. Sometimes when I was with him, I would hear a cliché hop out of my mouth, like the frogs and toads that afflict the bad sister in the fairy tale. Usually he would only wince slightly; but now and then he would repeat the cliché in his characteristic drawl, half eastern upper class and half southern. He would play with it in a mild, devastating way, scrutinizing the words with a herpetologist's detachment. For instance, when I described my six-year-old son's state of mind by saying that he was "as mad as a wet hen," the response was: "Yes. I wonder: would the juvenile equivalent be 'as mad as a wet chicken'? Or perhaps you could use the masculine form, 'as mad as a wet cock.'"
In his writing Jimmy would often casually rescue clichés from banality. In Sandover, for instance, he speaks of "this net of loose talk tightening to verse." He was able to give any word or phrase, even the most ordinary, double and triple meanings, connecting it with weather, music, interior decoration, art, literature, myth, history, or several of these at once. A kind of poetic, meaningful punning was one of his specialities. One famous early example is the double pun in "Three Sketches for Europa." The nymph Europa, kidnapped by Jupiter in the shape of a bull, eventually becomes Europe:
The god at last indifferent
And she no longer chaste but continent.
Jimmy could make puns in several languages at once: both he and David were fluent in French, German, Italian, and modern Greek, and Jimmy also knew classical Latin and Greek. Most readers and listeners were awed, but a few were made uneasy by the flow of wordplay. One of these dissenters, when I praised Jimmy's verbal wit and skill, remarked, "Uh-huh. A disconnected man, a man without a job or a family or a permanent home, no wonder he's fascinated by connections."

 

 2069434-117b3415df052faa78caeac3c69d4df8.jpg
Alison Lurie (Chigaco, 3 september 1926) Cover
Cover

 

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Sergej Dovlatov op dit blog.

Uit: Pushkin Hills (Vertaald door Katherine Dovlatov)

“The driver glanced in our direction. The tourists were in their seats. Aurora finished the ice cream and wiped her fingers. "In the summer," she said, "the museum pays very well. Mitrofanov makes close to two hundred roubles." "And that's two hundred roubles more than he's worth." "Why, you're also bitter." "You'd be bitter too," I said. The driver honked twice. "Let's go," said Aurora. The Lvov bus was stuffy. The calico seats were burning hot. The yellow curtains intensified the feeling of suffocation. I was leafing through the pages of Alexei Vulf's Diaries. They referred to Pushkin in a friendly and sometimes condescending manner. There it was, the closeness that spoils vision. Everyone knows that geniuses must have friends. But who'll believe that his friend is a genius?! I dozed off to the murmur of some unintelligible and irrelevant facts about Ryleyev's mother...* Someone woke me when we were already in Pskov. The kremlin's freshly plastered walls brought on a feeling of gloom. The designers had secured a grotesque Baltic-style emblem made of wrought iron above the central archway. The kremlin resembled a gigantic model. One of the outbuildings housed the local travel bureau. Aurora filed some paperwork and we were driven to Hera, the most fashionable local restaurant. I wavered — to top up or not? If I drank more, tomorrow it'd be even worse. I didn't feel like eating... I walked onto the boulevard. Low and heavy, the lindens rustled. Long ago I realized that as soon as you give way to thinking, you remember something sad. For instance, my last conversa-tion with my wife...
"Even your love of words — your crazy, unhealthy, pathological love — is fake. It's nothing more than an attempt to justify the life you lead. And you lead the life of a famous writer without fulfilling the slightest requirements. With your vices you should be a Hemingway at the very least..." "Do you honestly think he's a good writer? Perhaps Jack London's a good writer, too?" "Dear God! What does Jack London have to do with this?! My only pair of boots is in the pawnshop... I can forgive anything. Poverty doesn't scare me. Anything but betrayal!" "What do you mean?" "Your endless drinking. Your... I don't even want to say it... You can't be an artist at the expense of another human being... It's low! You speak of nobility, yet you are a cold, hard and crafty man..." "Don't forget that I've been writing stories for twenty years." "You want to write a great novel? Only one in a hundred million succeeds!" "So what? In the spiritual sense a failed attempt like that is equal to the greatest of books. Morally it's even higher, if you will, since it excludes a reward..."

 

 2069434-e48e2cacbcf8a0cda93a7ce7c2770107.jpg
Sergej Dovlatov (3 september 1941 - 24 augustus 1990)
 

 

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Kiran Desai op dit blog.

Uit: The Inheritance of Loss

“Never ever was the tea served the way it should be, but he demanded at least a cake or scones, macaroons or cheese straws. Something sweet and something salty. This was a travesty and it undid the very concept of teatime. "Only biscuits," said Sai to his expression. "The baker left for his daughter's wedding." "I don't want biscuits." Sai sighed. "How dare he go for a wedding? Is that the way to run a business? The fool. Why can't the cook make something?" "There's no more gas, no kerosene." "Why the hell can't he make it over wood? All these old cooks can make cakes perfectly fine by building coals around a tin box. You think they used to have gas stoves, kerosene stoves, before? Just too lazy now." The cook came hurrying out with the leftover chocolate pudding warmed on the fire in a frying pan, and the judge ate the lovely brown puddle and gradually his face took on an expression of grudging pudding contentment. They sipped and ate, all of existence passed over by nonexistence, the gate leading nowhere, and they watched the tea spill copious ribbony curls of vapor, watched their breath join the mist slowly twisting and turning, twisting and turning. Nobody noticed the boys creeping across the grass, not even Mutt, until they were practically up the steps. Not that it mattered, for there were no latches to keep them out and nobody within calling distance except Uncle Potty on the other side of the jhora ravine, who would be drunk on the floor by this hour, lying still but feeling himself pitch about-"Don't mind me, love," he always told Sai after a drinking bout, opening one eye like an owl, "I'll just lie down right here and take a little rest-" They had come through the forest on foot, in leather jackets from the Kathmandu black market, khaki pants, bandanas-universal guerilla fashion. One of the boys carried a gun. Later reports accused China, Pakistan, and Nepal, but in this part of the world, as in any other, there were enough weapons floating around for an impoverished movement with a ragtag army. They were looking for anything they could find-kukri sickles, axes, kitchen knives, spades, any kind of firearm.”

 

 2069434-bcc6502b75c6e144f3ecc41b58023605.png
Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Meister werd geboren op 3 september 1911 in Haspe. Zie ook alle tags voor Ernst Meister op dit blog.

 

Und träumend...

In den Gängen meiner Ohren
hatte das wilde Leben
seinen Faden verloren.
Ich schlief,
und träumend tickten die Ȁhren
des großen Kornfeldes die Zeit.
Ein Maulwurf, sehr alt, wieder Kind,
sang in seinem Labyrinth
süße Weisen.
So hatten die Tiere der Nacht,
die mit blutenden Wunden,
ihren Sänger gefunden.

 

 

Abend erscheint

Abend erscheint.
Rauchig ist die Stadt
meiner Mutter, rauchig
die Stadt meines Vaters
von den Eisenöfen.

Ein Hirte auf einem Stoppelfelde
hoch auf dem Berge
über der rauchigen Stadt
pfeift seinem Hunde.
Der läuft um die Herde,

der läuft immer enger
um die Herde, der läuft
in immer
kleinerem Kreis, bis die Hürde
die Schafe umfängt.

Bald schlafen
die Schafe auf dem Berge.
Bald schlafen die Kinder
in der rauchigen Stadt
von Vater und Mutter.

 

 

Kind, das malt

Malt
ein Grab
und ein
Kind darin

und malt
eine Riesin, die
die Arme schwingt
über dem Grab.

 

 2069434-e711e9413dd1d53bc1b417ab6e51a5fa.jpg
Ernst Meister (3 september 1911 - 15 juni 1979)
Portret door Josef Plenk, 1937

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichter, schrijver en striptekenaar Lino Wirag werd geboren in 1983 in Pforzheim. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Lino Wirag op dit blog.

 

Rhönradfahren —
Eine Moritat

Ans mildwarme Ufer der Rhöne
kam ein Jüngling gefahrn mit dem Rhönrad.

Glitt er aus, fiel er herhein.
Und noch immer stak er im Rhönrad.

Unerbittlich sank er darhin.
denn er konnte nicht lassen vom Rhönrad.

Im Abblendlicht spülte der Strom heran
jungen Leichnam, geflochten ans Rhönrad.

Möge er friedlich rhun
unterm Steine geschmiegt an sein Rhönrad

 

 

Reiten

... ein Pferd stand vor dem Hürdenbaum,
es krümmte nicht ein Kniegelenk.
Ein Pferd stand vor dem Hürdenbaum,
vom Maul erteilte falber Schalm.
Es nahm als für ein Gastgeschenk
des Wassergrabens Nassgetränk.
Ein Pferd stand vor dem Hürdenbaum…

 

 2069434-bcbf835fa33c865be188112b73f5741c.jpg
Lino Wirag (Pforzheim, 1983)
Pforzheim

 

 

De Turks-Duitse schrijver Doğan Akhanlı werd geboren in 1957 in Şavşat in de provincie Artvin in het noordoosten van Turkije. Hij is opgegroeid in dit kleine dorpje. Op 12-jarige leeftijd ging hij bij zijn oudere broer in Istanbul wonen om zijn opleiding te kunnen vervolgen. Hij werd in 1975 even gearresteerd omdat hij een linkse krant had gekocht. Dit incident wekte zijn politieke interesse en betrokkenheid. Na de staatsgreep in 1980 ging hij ondergronds. Van 1985 tot 1987 zat hij om politieke redenen gevangen in een militaire gevangenis in Istanbiul. Daar werd Akhanlı gemarteld. In 1991 vluchtte hij naar Duitsland en vroeg er om asiel. Sinds het midden van de jaren negentig woont hij in Keulen als schrijver van politiek prosa en essays. In 1998 hebben de Turkse autoriteiten hem zijn burgerschap afgenomen. Drie jaar later werd hij Duits staatsburger. Akhanli is medewerker van de vereniging "recherche international", die het onderzoek naar de Armeense volkenmoord bevordert, die in het eerste kwartaal van de 20ste eeuw werd gepleegd. Hij richtte in Keulen ook de Raphael Lemkin Bibliotheek op, genoemd naar de man die als eerste over de wreedheden tegen de Armeniërs schreef. In 2010 werd Doğan Akhanlı gearresteerd bij aankomst in Turkije en werd hij in hechtenis genomen wegens een vermeende deelname aan een overval in 1989. In december 2010 werd hij vrijgelaten. Het proces werd in 2011 voortgezet in zijn afwezigheid. Akhanlı ontkende enige betrokkenheid bij de misdaad en veroordeelde de beschuldiging als politiek gemotiveerd en geconstrueerd. Op 12 oktober 2011 werd Akhanlı vrijgesproken vanwege gebrek aan bewijs. Daarna legden de Turkse autoriteiten aan de schrijver een inreisverbod op. In 2013 werd er een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd Op 19 augustus 2017 heeft de Spaanse politie op verzoek van de Turkse autoriteiten Akhanlı in Granada gearresteerd. Na een tussenkomst van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Sigmar Gabriel, werd hij vrijgelaten, maar mag hij Madrid niet verlaten tot de rechtbank heeft besloten over het Turkse uitleveringsverzoek. De Duitse bondskanselier Angela Merkel bekritiseerde de Turkse regering scherp en verweet haar de internationale organisatie Interpol te misbruiken.

Uit: Das Mädchen und die warme Solidarität

„Das Mädchen, das nun kein Mädchen mehr ist, sondern eine erwachsene selbstbewusste Frau, erinnert sich an einen Einkaufskorb, der im Aufenthaltsraum ihres Vaters im Laden stand und wie neugierig sie war, was da wohl drin sein konnte. Wochen später, als sie nach Hause kam und ein Brötchen aß, sah sie eben diesen Korb, den, wie ihr Vater sagte, ein junger Mann vergessen hatte zu Weihnachten abzuholen. Im Korb fand sie eine Campinggasflasche mit Sternenmuster, was ihr für ein Weihnachtsgeschenk recht komisch vorkam. Ein paar Sekunden später, als sie sich gebückt hatte, um etwas in ihrer Schultasche zu suchen, explodierte die Metalldose mit einem lauten Knall. “Es war eine Bombe, ein Bömbchen, wie die Täter derNSU später in ihrem Bekennervideo zynisch lästerten”, schrieb die SZ am 5. Juni 2014 in einem Artikel über das Mädchen, das kein Mädchen mehr ist, sondern eine 32-jährige Ärztin, die 13 Jahre später, als Zeugin im NSU-Prozess sitzt. Sie braucht nichts zu erzählen, die Bombe hat genug Spuren auf Ihrem Körper hinterlassen. Ihre Augen geschweißt, die Trommelfelle zerstört, das Gesicht zerschnitten und Haare und Haut verbrannt. Sie erwachte erst sechs Wochen nach dem Vorfall aus dem Koma.
Ich las die Zeitung unterwegs nach Köln. Ich wollte die Gedenkfeier “Zusammenstehen /Birlikte”, die in Köln-Mülheim zum 10. Jahrestag stattfindet, nicht verpassen. Ich hatte vor, die Eröffnungsveranstaltung, die Premiere des Theaterstückes von Nuran David Caliskan, anzuschauen.
Sie wurde gefragt, berichtete die SZ weiter, ob sie daran gedacht habe, Deutschland zu verlassen, nachdem klar war, wer hinter dem Bombenanschlag steckte?
Diese Frage habe ich auch mir gestellt. Nicht nach den Morden der NSU, sondern Anfang der 90er Jahre, die durch eine Welle rassistischer und neonazistischer Gewalttaten geprägt waren.
Ich lebte zusammen mit meiner Frau, meinem damals 8 jährigen Sohn und meiner zweieinhalb Jahre jungen Tochter vorläufig in einem Asylbewerberheim, im heutigen 3. Stock der VHS. Dort lebten wir zusammen mit einer kurdischen Familie in Bergisch Gladbach, als die Pogrome und Brandanschläge in Hoyerswerda, in Rostock-Lichtenhagen, in Mölln passierten. Während unseres Aufenthalts in den Asylheimen haben wir nachts ständig Wache gehalten. Obwohl unsere Asylantrag noch nicht anerkannt war, durften wir in eine Wohngemeinschaft umziehen.
Unsere zukünftigen Mitbewohner hatten sich entschlossen, mit einer Asylbewerberfamilie zusammen wohnen zu wollen.“

 

 2069434-b406b3f60b4dfae9033491d4803d1354.jpg
Doğan Akhanlı (Şavşat, 1957)

Geschreven door Romenu om 11:01 Reageer op dit bericht

Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Willem de Mérode op dit blog

 

Zomers einde

Er is een groote regen losgekomen,
Zooals soms in ontruste nacht de droomen
Van een heel leven, saâmgedrongen
Tot één droom, door ons slapen zongen,
Zoo is de zomer in dit zware ruischen
Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Reeds morgen zullen wijd de hemelsluizen
Voor ’t plassen van het najaar openstaan.

De paden van den tuin zijn breede stroomen
Geworden, die door sprieterige zoomen
Gras van de meren zijn gescheiden:
De perken, waarin bloemen lijden.
Het struikgewas, verwirrewaaid, verpletterd,
Zwenkt treurig tallenkanten heen en weer.
En uit de hooge boomen kletst en klettert
Een bui dor hout en zwakke takken neêr.

Ten bongerd, hoeveel vruchten zijn ontvlogen
Aan ’t vast verband voor ongewisheids logen.
Zij lieten zekerheid van lot en voortbestaan
Om vrij, als vagebonden, dood te gaan.
Misschien dat straks de tuinman of zijn knapen
Hen, zwaar beschadigd, in hun manden rapen.
Maar ’t ooft, geduldig dragend tijd en duur,
Wordt rijp geplukt op ’t volslagen uur.

 

 

Je haar

Nu denk ik aan het geuren van je haren,
Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg,
En als je handen dan met groote zorg
Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren,

Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden
Langs ’t leuke kort gekroezel in je nek,
En zag, hoe lieflijk blozend elke plek
Werd, waar zij spelend eventjes verbeidden.

Elken dag is mij dit geluk geweest,
En als een zieke, die wel traag geneest,
Maar ’t frisscher bloed voelt door zijn leden stroomen,

Sterker van stuwing, al maar krachtiger,
Beheerscht mij heviger en machtiger
Het leven, dat ons samen heeft genomen.

 

 

Shakespeare

Hij kende ’t schoon beweeg van edelvrouwen,
Van koningen en dartel ambachtsvolk;
Van minnenden en sluipers met de dolk
In drukke stad en vredige landouwen.

Bij glans van maan en flakkrende flambouwen,
Onder den schijn van zon, in regenwolk,
Bij feest, op kerkhof, bij den heksenkolk,
Durfde hij levens wrevel aan te schouwen.

Hij proefde, walgelijk, de gal van kwaad,
Hij leed de kwaal van ontrouw en van haat,

En ter genezing werd hem ingeschonken
De liefde, en hij werd van liefde dronken.

En ’t eigen lijden en zijn zoet ontzetten
Verborg hij stil in stralende sonnetten.

 

 2069204-9cdcb293af1e88e5a5e819d008bb2831.gif
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Rond 1910

 

 

De Belgisch schrijver, filmregisseur, filmtheoreticus Eric de Kuyper werd geboren in Brussel, op 2 september 1942. Zie ook alle tags voor Eric de Kuyper op dit blog.

Uit: Naar aanleiding van ‘Teorema’ van Pasolini

“Dan komt de concretere situering: het burgerlijke gezin, waarvan ieder lid afzonderlijk wordt voorgesteld, in een min of meer karakteristieke bezigheid. De vader vertrekt uit zijn fabriek; de dochter komt thuis van het lyceum; de zoon, na school, met enkele vrienden; de moeder thuis, in gebed; het dienstmeisje laat de postbode binnen. Zij hebben geen relatie met elkaar, ontmoeten elkaar slechts terloops: aan tafel, later bij het afscheid van de jongeman. Het zijn geabstraheerde figuren: ‘vader’, ‘moeder’, ‘echtgenoot’, ‘dochter’, ‘zus’, ‘zoon’, ‘broer’, ‘dienstmeisje’. De hele proloog verloopt in wit-zwart beelden, zonder geluid, ook wanneer de figuren spreken: we zien alleen hun lippen bewegen.
Nu kan de vreemdeling zijn intrede doen. Hij wordt aangekondigd door de postbode. ‘Who's that boy?’ vraagt iemand. ‘A boy’, antwoordt de dochter. En meteen begint de reeks verleidingen. Iedere verleiding staat apart, ze volgen elkaar op in een strakke orde: het dienstmeisje, de zoon, de moeder, de dochter, en tenslotte de vader. Wanneer iedereen aan de beurt is geweest, verschijnt de postbode opnieuw. Terwijl ze allemaal samen aan tafel zitten, krijgt de jongen bericht dat hij moet vertrekken. Hierop volgen, weer abrupt en zonder schakels, de reacties van de verschillende figuren: een lange, vijfledige monoloog, gericht tot de zwijgende jongen, een woordenaria in sterk contrast met de rest van de film, die nagenoeg geheel in een volledige stilte verloopt, met af en toe op de achtergrond de eerste maten van Mozarts Requiem, wat moderne muziek, getjilp van vogels en stadsgeluiden. De bekentenissen van de vijf mensen zeggen ongeveer het volgende:
De zoon: ‘Ik herken mezelf niet meer. Je hebt me uit de normale orde gehaald. Ik besef nu dat ik anders ben. Ze zullen allemaal tegen me zijn’. Een beschuldiging.
De moeder: ‘Ik was onverschillig. Hoe heb ik die leegte om me heen kunnen dragen? Nu je weggaat, is er niets gebroken tenzij de goede faam van mijn burgerlijke kuisheid’. Dank, vermengd met een verwijt.
De dochter: ‘Ik hield alleen van mijn vader. Dank zij jou ben ik weer normaal geworden. Nu je weggaat gooi je me terug vanwaar ik kom. Het goede dat je me hebt doen ontdekken, heeft me ook het kwaad doen ontdekken. Wat moet ik doen?’ Onmacht.
De vader: ‘Je bent gekomen om te vernietigen. Voor mij was de vernietiging totaal. Ik heb mijn identiteit verloren. Het schandaal betekent de dood’. Twijfel.
De meid zegt niets: zij helpt de jongen met zijn koffer, kust zijn hand.”

 

 2069204-2d5e277d869064249eeb2f78188838f5.jpg
Eric de Kuyper (Brussel, 2 september 1942)
Scene uit “Teorema” (1968) met Terence Stamp als de bezoeker en Andrés José Cruz Soublette als Pietro

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

 

Stof tot stof

Ouder worden is steeds minder
komen en steeds minder gaan.
Maar ga ik heen dan kom 'k terug, want
vóór ik hier kwam was ik daar.

Deze rups was ooit een vlinder,
deze eend was ooit een zwaan:
straks zie ik op mijn eigen rug - dood
knoopt de eindjes aan elkaar.

 

 

Tramlijn begeerte

Ze naaiden voort tot de dageraad
De Turk en de tramkonduktrice.
Geen woord werd gesproken tijdens de daad
Daar in die verlaten remise.

Ze dacht heel de nacht: ‘Di's de ware
Voor een eenzame weduwvrouw.
Ach bleef 't maar nacht. God beware!
Als hij straks z'n bakkes maar houdt...’

Maar 't werd licht en hij zei: ‘Iekke koet?’
En toen vrat ze haar pet op van spijt.
En hij nam een hap van zijn hoed
Uit solidariteit.

 

 2069204-d3e90fe1e789d1c7e6f0de1d7ad95a8b.jpg
R.A. Basart (Amsterdam, 2 september 1946)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Chris Kuzneski werd geboren op 2 september 1969 in Indiana, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Chris Kuzneski op dit blog.

Uit: Sword of God

“The boy could smell the blood from fifty yards away. It was a strong, pungent odor that made him gag yet piqued his curiosity. Common sense told him to turn around and get some help. His father. His mother. One of his neighbors. Anyone who could protect him from what he was about to discover. But common sense rarely mattered to an eight-year old.
Especially when he was somewhere he didn’t belong.
The valley to his right was lined with camphor trees, many 75 feet tall and 100 feet wide. The path in front of him was rugged, made of black volcanic rock that dominated the subtropical island and formed its very core. The temperature was cold, in the low 40s, but would climb steadily as the day wore on, a by-product of the nearby Kuroshio and Tsushima currents. The sun was still rising over the eastern sea when he made his choice. He zipped his jacket over his nose and inched forward, following the stench of death.
For years his family had warned him about this place, claiming it was built for evil. It was a story that wasn’t difficult to believe. Sometimes, late at night, he could hear the screams—bloodcurdling shrieks that ripped through the dark and jostled him from his sleep. The first time he heard them he assumed he was having a nightmare, but the sounds didn’t stop when he sat up in bed. In fact, they got louder. This went on for days, weeks, until he could take no more.
He had to know the truth.
Ignoring his family’s wishes, he snuck into town and asked one of the village elders about the sounds from the hill. The old man laughed at the boy’s audacity. He, too, had been a curious child and felt this trait should be rewarded—but only if the boy could understand the truth.
“Look at me,” the old man ordered in Korean. “Let me see your eyes.”
The boy knew he was being tested. He stared at the old man, refusing to blink, hoping to prove his courage even though his palms were sweating and his knees were trembling.
Tension filled the hut for several seconds. The entire time the boy could barely breathe.
Finally, the old man nodded. The boy was ready for the truth, if for no other reason than to keep him afraid of the place on the hill, to keep him alive. Sometimes fear was a blessing.
With a grave face and a gravelly voice, the old man whispered a single name that was known throughout Jeju, a place that sent shivers down the boy’s spine and woke the hairs on his neck.”

 

 2069204-36c628fa0f8fe66a6495724400bbb4c9.jpg
Chris Kuzneski (Indiana, 2 september 1969)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Johan Daisne op dit blog.

 

Verder dan de lente

Ik hou niet van de lente, d'uitgelaten bode
Van heete zon, en dronken fruit en wulpsche bloemen.
Mijn liefde was, van haar geboorte af, een doode:
Nooit zal de even droeve mij haar lievling noemen.

Ik hou niet van de lent, haar kloppend bloed, haar schuimen.
Ik heb den roes van 't handgeklap koel afgezworen.
'k Wil dienen, sterf loos mij herscheppen, maar in ruimen
Waar niets meer mijn ootmoedige geluk komt storen.

'k Wil dienen, vechten, mij herscheppen, marmerglimmend,
Maar àl in vred', in grooten, innerlijken vrede,
In 't stille huis, en verder dan de lent', en immer
Bereid, om ruischloos 't eeuwig najaar in te treden.

 

 

Augustus

Het raam staart in den nacht verloren: blauw
is hij, en stil, een nacht van melk en sterren,
met slechts één schaduw: Onze Lieve Vrouw,
die glijdt met witte handen van versterven.

Eén schaduw, en één licht, want in dien nacht
steekt weer de wond, die 't kruis is aller kerken:
berouwen, en de droom dat men, ontkracht,
in Haar de blijvend Schoone moet verwerven.

De tuinen liggen bruin van weemoed neer,
zij zien visioenen door de boomen zwerven:
het golven van een middenzomerzee,
en uw gestalte, wuivend in de verte.

Een kloosterling die 't leven dol bemint,
een wereldling die de natuur onterfde, -
ze zitten beiden schrijvend in het kind,
dat met Madonnabeeldjes speelt en verven.

Ach goede nacht, kom tot het einde weer,
met uwe wond en haar ontvleesde bloemen,
bewaar soms in het kind zijn schoone zeer,
tusschen de wijze nachten van verzoenen.

 

 2069204-f6d60087d3158b9ebe8bca6ac8c67ca0.jpg
Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)

 

 

De Duitse schrijver en politicus Robert Habeck werd geboren op 2 september 1969 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Robert Habeck op dit blog.

Uit: Der Schrei der Hyänen (Samen met Andrea Paluch)

„Arabella ging durch die Hintertür auf den Hof hinaus. Das Karree, das von der Rückwand des Hauses mit der Remise an der rechten Flanke und dem Pferdestall an der linken um einen Wellblechbrunnen herum angelegt worden war, schien genau unter der Milchstraße zu liegen. Draußen war es hell und farblos. Der Weißdorn, der ihr Christbaum gewesen war, lehnte am Brunnenrand.
Sie stieg über die Wanne mit den Gedärmen des Gnus, das Frank am Abend geschossen und zum Ausbluten in den Waschraum gehängt hatte. Sie würde, was sie nicht verwursten konnte, pökeln müssen, wenn es nicht verderben sollte.
Im Schuppen brannte eine Tranlampe. Walöl war hier billiger als Petroleum.
Frank wandte sich um, als Arabella eintrat. Er war nackt bis auf seine alten Knobelbecher. Seine Körperhaare klebten auf der Haut, die Lampe flackerte und seine Schultern vibrierten im zuckenden Schein, ohne daß er sich bewegte. Er hatte die Nilpferdpeitsche in der Hand.
»Sie muß hoch. Das Kalb kann nicht raus.«
Tatsächlich lag die Kuh mit geblähtem Bauch in einer verdrehten Stellung so weit an die Wand gepreßt, daß man nicht hinter sie konnte. Arabella streichelte ihr über das feuchte Maul und die heißen Ohren. Das Fell war schweißnaß. Über den Körper lief ein Schauer.
»Man sieht die Hufe schon.« Arabella beugte sich über das Tier. Es roch nach Fruchtwasser. Ein kleines, mit milchiger Eihaut überzogenes Bein ragte aus der Kuh. Sie faßte es an. Das Horn des Hufs war weich.
Draußen meckerte eine Hyäne. Arabellas Nackenmuskel zog sich zusammen. Röchelnd sog Frank Schleim zusammen und spuckte aus. Dann trat er der Kuh mit der Stiefelspitze in die Seite.
»Du ziehst sie hoch!« kommandierte er seine Frau. »Jetzt reicht es, sonst prügle ich dich auf die Beine«, brüllte er das Tier an. Arabella legte der Kuh einen Baststrick um den Hals und zog kräftig. Frank schlug das Tier mit dem Sambjok. Zuerst mit dem stumpfen Griff, dann mit der Leine aus Flußpferdhaut. Das Leder schnitt durch das Fell der Kuh wie ein Messer. Daß sie blutete, sah Arabella erst, als die Tropfen langsam über die weißen Schecken quollen.“

 2069204-7eed5f43604656af1d4afa47d28bbff3.jpg
Robert Habeck (Lübeck, 2 september 1969)
Hier met Andrea Paluch

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Pierre Huyskens werd geboren op 2 september 1931 in Wessem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Pierre Huyskens op dit blog.

 

Kerstnacht 194

We scholen angstig biddend in de kelder
waarvan de muren trilden in 't zwaar geweld.
En buiten was de nacht alleen maar helder
van 't vuren der kanonnen in het veld.
Aan de Engelen die met een Blijde Boodschap
de herders maanden naar Bethlehem te gaan,
daar was in ons verwoeste landschap
in die helse nacht, geen denken aan.
Totdat bij alle mitrailleur-gejengel
die Tommy zich boog in het keldergat
en ons liet weten, als Gehelmde Engel,
dat er tóch Vrede in die Kerstnacht zat.

 

2069204-42d10aa41ca4f82f04100fa7389ee73c.jpg 
Pierre Huyskens (2 september 1931 – 19 november 2008)
Wessem

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:17 Reageer op dit bericht

Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit:Die Kapuzinergruft

„Wir heißen Trotta. Unser Geschlecht stammt aus Sipolje in Slowenien. Ich sage: Geschlecht; denn wir sind nicht eine Familie. Sipolje besteht nicht mehr, lange nicht mehr. Es bildet heute mit mehreren umliegenden Gemeinden zusammen eine größere Ortschaft. Es ist, wie man weiß, der Wille dieser Zeit. Die Menschen können nicht allein bleiben. Sie schließen sich in sinnlosen Gruppen zusammen, und die Dörfer können auch nicht allein bleiben. Sinnlose Gebilde entstehen also. Die Bauern drängt es zur Stadt, und die Dörfer selbst möchten justament Städte werden.
Ich habe Sipolje noch gekannt, als ich ein Knabe war. Mein Vater hatte mich einmal dorthin mitgenommen, an einem siebzehnten August, dem Vorabend jenes Tages, an dem in allen, auch in den kleinsten Ortschaften der Monarchie der Geburtstag Kaiser Franz Josephs des Ersten gefeiert wurde.
Im heutigen Österreich und in den früheren Kronländern wird es nur noch wenige Menschen geben, in denen der Name unseres Geschlechts irgendeine Erinnerung hervorruft. In den verschollenen Annalen der alten österreichisch-ungarischen Armee aber ist unser Name verzeichnet, und ich gestehe, daß ich stolz darauf bin, gerade deshalb, weil diese Annalen verschollen sind. Ich bin nicht ein Kind dieser Zeit, es fällt mir schwer, mich nicht geradezu ihren Feind zu nennen. Nicht, daß ich sie nicht verstünde, wie ich es so oft behaupte. Dies ist nur eine fromme Ausrede. Ich will einfach, aus Bequemlichkeit, nicht ausfällig oder gehässig werden, und also sage ich, daß ich das nicht verstehe, von dem ich sagen müßte, daß ich es hasse oder verachte. Ich bin feinhörig, aber ich spiele einen Schwerhörigen. Ich halte es für nobler, ein Gebrechen vorzutäuschen als zuzugeben, daß ich vulgäre Geräusche vernommen habe.
Der Bruder meines Großvaters war jener einfache Infanterieleutnant, der dem Kaiser Franz Joseph in der Schlacht bei Solferino das Leben gerettet hat. Der Leutnant wurde geadelt. Eine lange Zeit hieß er in der Armee und in den Lesebüchern der k. u. k. Monarchie: der Held von Solferino, bis sich, seinem eigenen Wunsch gemäß, der Schatten der Vergessenheit über ihn senkte. Er nahm den Abschied. Er liegt in Hietzing begraben. Auf seinem Grabstein stehen die stillen und stolzen Worte: »Hier ruht der Held von Solferino.«

 

 2069201-c541269fda7bb5ab0865e238e7c4a949.jpg
Joseph Roth (2 september 1894 - 27 mei 1939)
Postzegel ter gelegenheid van zijn 100e geboortedag in 1994

 

 

De Duitse schrijver Manfred Böckl werd geboren op 2 september 1948 in Landau an der Isar. Zie ook mijn blog van 2 september 2009 en ook mijn blog van 2 september 2010.

Uit: Die Leibeigenen

„In dieser Sommernacht tanzten die derben Weiber und die zusammengebuckelten Männer des kleinen Dorfes Stauff. Sie stampften den Boden unter der Linde im Reigen, so daß die klobigen Holzschuhe auf dem festgetretenen Lehm knallten. Die Burschen juchzten, wenn sich die Leinenröcke der Weiber im böhmischen Wirbler bauschten. Der Zigeuner, der aus der Straubinger Gegend das Donautal heruntergekommen war, ließ seine dreisaitige Fidel wilder und wilder wimmern, je mehr Bier und Branntwein ihm die Bauern spendierten.
Auf dem Anger, auf roh zusammengehauenen Holzbänken, hockten die Alten des Dorfes beisammen, die Gesichter rot vom Schnaps, die knotigen Hände auf die Schenkel gestemmt. Wohlwollend betrachteten sie die Tänzer, hielten sich aber selbst lieber an die bauchigen Tonflaschen und die fetten Speckseiten, an denen heute kein Mangel herrschte. Ihre Bärte glänzten von Speichel und Schmalz, und mitten unter den Alten lag, hingestreckt wie ein brauner Hügel, der wandernde Pfaffe aus Metten, welcher Stunden zuvor das Brautpaar zusammengegeben hatte.
Der Mönch war schwerer betrunken als alle anderen; er gehörte zu denen, die hauptsächlich wegen der schäumenden Bierbitschen und der saftigen Kapaune auf der Klostertafel die Kutte angezogen hatten, und es mochte ihn wohl auch verdrießen, daß der Abt ihn stets nur zu den ärmlichen Hochzeiten der Leibeigenen sandte. Deswegen hatte er sich, nachdem das Sakrament vollzogen war, besoffen und sich den Wanst vollgeschlagen, wohl wissend, daß keiner der einfältigen Dörfler es wagen würde, ihn deswegen zu tadeln. Und es war wirklich so, daß die Leibeigenen es sich zur Ehre rechneten, daß der geweihte Mann ihren einfachen Genüssen so kräftig zusprach.
»Da, stärke dich, in des Heilands Namen«, sagte der Viertelhübner Jörg und reichte dem Mönch seinen eigenen Bierkrug. »Sollst in Metten nicht erzählen können, daß die Eigenleute von Stauff Geizhälse wären. Sollst dir hier ein Gutes antun und später Fürbitt einlegen für uns Stauffer in deiner Klosterkirche.«

 

 2069201-d2ed964349062ef0b3915ac87be50b0a.jpg
Manfred Böckl (Landau an der Isar, 2 september 1948)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Georg Jacobi werd geboren op 2 september 1740 op Gut Pempelfort bij Düsseldorf. Zie ook alle tags voor Johann Georg Jacobi op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010

 

Abends

Komm, Liebchen, es neigen
Die Wälder sich dir;
Und alles mit Schweigen
Erwartet dich hier.
Der Himmel, ich bitte,
Von Wölkchen wie leer!
Der Mond in der Mitte,
Die Sternlein umher!
Der Himmel im glatten
Umdämmerten Quell!
Dies Plätzchen im Schatten,
Dies andre so hell!
Im Schatten, der Liebe
Dich lockendes Glück,
Dir flüsternd: es bliebe
Noch vieles zurück.
Es blieben der süßen
Geheimnisse viel;
So festes Umschließen;
So wonniges Spiel!
Da rauscht es! Da wanken
Auf jeglichem Baum
Die Äste, da schwanken
Die Vögel im Traum.
Dies Wanken, dies Zittern
Der Blätter im Teich -
O Liebe, dein Wittern!
O Liebe, dein Reich!

 

 2069201-1c4bafb2148c463274914feb30fb3534.jpg
Johann Georg Jacobi (2 september 1740- 4 januari 1814)
Anoniem portret

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Charles Joseph Bourget werd geboren op 2 september 1852 in Amiens. Zie ook alle tags voor Paul Bourget op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010

 

Soir d'été

Dans le ciel du couchant, délicat, tendre et clair,
Une étoile faisait trembler sa douce flamme,
Et tes yeux souriants et calmes avaient l’air
De laisser transparaître et luire ta chère âme.

Dans ton petit jardin nous marchions pas à pas,
Et moi je savourais l’émotion profonde
De sentir sur mon bras s’abandonner ton bras.
Oh ! dis ! — nous croyais-tu, comme moi, seuls au monde ?

Nous nous sommes assis sous un arbre tranquille,
Et, là, je t’embrassais en silence et longtemps,
Tandis que j’écoutais frémir la grande ville
Autour du frais enclos qu’embaumait le printemps.

Je ne sais quel chagrin t’avait un peu pâlie ;
Et, me voyant ainsi triste et silencieux,
Tu te laissas gagner à ma mélancolie,
Et comme pour dormir tu fermas tes deux yeux.

Tu pourras m’oublier, et je pourrai vers d’autres
Porter un cœur changeant qui t’appartint un jour ;
Mais ce pur souvenir des soirs qui furent nôtres
Survivra dans nos cœurs à l’inconstant amour.

Plus que les baisers fous, plus que les nuits d’ivresse,
Plus que les mots brûlants balbutiés tout bas.
C’est la pure, l’intime et suave caresse
Qu’avec plus de regrets tu te rappelleras,

Comme je te verrai toujours dans ma pensée
Pencher sur mon épaule avec tant de douceur
Ta tête confiante, amicale et lassée.
Ce soir où je t’aimais comme on aime une sœur.

 

 2069201-aacf68ea85697abd42e790f9b3da5bd1.jpg
Paul Bourget (2 september 1852 – 25 december 1935)
Houtsnede door Diogène Maillart uit de Revue illustrée.

 

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Zie en ook alle tags voor Paul Déroulède op dit blogen ook mijn blog van 2 september 2010

Uit: Chants du soldat

 

VIVE LA FRANCE! (Fragment)

Oui, France, on t'a vaincue, on t'a réduite même,
Et comme il n'a pas eu pour preuve le succès,
A ton courage encore on jette l'anathème,
Et les Français s'en vont rabaissant les Français.

Quo la faute fut grande et cette guerre folle,
Qui le nie? Ils sont là nos désastres d'hier.
Mais qu'au bruit des canons tout un passé s'envole!
Quo tout un avenir soit brisé sous ce fer!

Que la France n'ait plus, chez les peuples du monde,
Ni voix dans leurs arrêts ni place â leurs grandeurs
C'est une calomnie infâme et si profonde,
Qu'un vaincu qat la dit étonne ses vainqueurs.

Non, France, ne crois pas ceux qui te disent lâche,
Ceux qui voudraient nier ton âme et ses efforts :
Sans gloire et sans bonheur, tes fils ont fait leur tâche,
Mais ils l'ont faite, et Dieu ne compte plus tes morts.

J'ai vu de pauvres gens tomber sans une plainte;
D'autres — je les ai vus — ont combattu joyeux,
Et, pieux chevaliers de cotte guerre sainte,
Sont morts, l'amour dans l'âme et le ciel dans les yeux.

Iks ont lutté, n'étant ni l'espoir ni le nombre.
Et sans cesse détruits, et renaissant toujours,
C'est un éclair divin de cette époque sombre,
Que cos martyrs voulant leurs supplices moins courts.

 

 2069201-d1b5d52a160181d039dcc96388ef0e99.jpg
Paul Déroulède (2 september 1846 - 30 januari 1914)
Paul Déroulède en Marcel Habert probeerden een staatsgreep te plegen door de troepen van General Roget naar het Elysee-paleis te leiden. Illustratie uit Le Petit Journal, maart 1899.

 

 

De Italiaanse schrijver Giovanni Verga werd op 2 september 1840 geboren als oudste zoon in een welgestelde liberale Siciliaanse familie in Catania op Sicilië. Zie ook alle tags voor Giovanni Verga op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010

Uit: Cavalleria Rusticana and Other Stories (Vertaald door G. H. McWilliam)

“Maracchia stayed at home, breastfeeding the children, while her mother went off to the fields to work alongside the men; just like a man, in fact, digging, hoeing, rounding up the cattle, and pruning the vines in all weather, in January with an icy wind from the east, or August with the sirocco from the south, when at the end of the day the mules would be drooping their heads and the men would be sitting asleep, propped against the wall with their mouths hanging open. 'In hours that run from dusk till dawn goes no good woman ever born,' and Pina was the only living soul you could see out and about, picking her way over the boundless fields that stretched into the heat haze of the far distance towards Etna, shrouded in mist, where the sky bore down on the horizon."Wake up!" said the She-Wolf to Nanni, who was lying asleep in the ditch under the dust-laden hedgerow, resting his head between his arms. "Wake up, I've brought you some wine to wet your throat."
Nanni opened his eyes wide, stupefied, still half-asleep, to find her standing over him, white-faced, thrusting her breast towards him and fixing him with her coal-black eyes, and he stretched out his hands, groping the air.
"No! No good woman's abroad from dusk till dawn!" bewailed Nanni, pressing his face down again into the dry grass of the ditch as hard as he could, with his fingernails tearing at his hair. "Go away! Go away! Keep away from the barn!"
She did go away, did the She-Wolf, tying up her splendid tresses as she went, staring ahead of her toward the hot fields of stubble with her coal-black eyes.
But she kept going back to the barn, and Nanni said nothing. In fact, whenever she was late arriving, in the hours that run from dusk till dawn, he would go and wait for her at the top of the ashen-white, deserted lane, with beads of sweat standing out on his forehead. And afterwards he would thrust his hands through his hair and repeat every time, "Go away! Go away! Don't come back to the barn!"
Maracchia wept day and night, and stared at her mother with tear-filled eyes aflame with jealousy, looking like a wolf-cub herself, every time she saw her returning pale and silent from the fields.”

 

 2069201-1ba0a243e1cdb5b12ab1d53defb2baf7.jpg
Giovanni Verga (2 september 1840 – 27 januari 1922)
Borstbeeld in de Giardino Bellini, Catania

 

 

De Duitse schrijver Richard Voß werd geboren op 2 september 1851 op Gut Neugrape in Pommern. Zie ook mijn blog van 2 september 2009 en ook mijn blog van 2 september 2010

Uit:Der gute Fra Checco

„Er war wirklich gut! Alle Welt sagte es. In ganz Italien gab es keinen besseren Kapuzinerfrater als ihn, den »guten Fra Checco«. Man nannte ihn so hinter seinem Rücken und ihm ins Gesicht hinein, darin jede Miene sagte: »Seht mich an, ihr lieben Leute. Seht mich recht genau an. Ich bitte euch herzlich. Ihr müßt mir's ja doch vom Gesicht ablesen, wie gut ich bin. Keinem Würmlein am Wege könnte ich ein Leides zufügen. Wahr und wahrhaftig nicht! Für diese sündige Welt bin ich ein viel zu guter Mensch. Ihr dürft mir's glauben.«
Als wir ihn kennen lernten, war der gute Fra Checco überdies noch ein recht stattlicher Mann. Die dunkelbraune Kutte des großen Heiligen von Assisi kleidete den wackeren Bruder vortrefflich. Er hielt sein grobes Gewand der Demut äußerst reinlich, ängstlich darauf achtend, daß sein äußerer Mensch dem inneren gleichkam. Seine Sorgfalt dehnte sich sogar auf den Strick aus, womit er sein braunes Kleid gürtete: niemals zu hoch! Der Strick war stets von tadelloser Weiße und geradezu mit Grazie geknotet. Selbstredend steckten seine nackten wohlgeformten Füße – sie leuchteten in schönster Bronzefarbe – in den saubersten Sandalen. Diese bestanden freilich aus harter Rindshaut und waren von dem guten Bruder selbst verfertigt. Trotzdem mußten sie für wahre Wunder von Mönchsschuhen gelten, und so zierlich, als sollten sie die Füßlein einer reizenden jungen Dame bekleiden.
Als wir den Würdigen kennen lernten, stand er gerade im besten Mannesalter. Sein dichter, kohlschwarzer Bart umrahmte ein hübsches braunes Gesicht, das, trotz der Armut seines Bergklösterleins, recht wohl genährt war, und darin die dunklen südlichen Augen je nach Bedarf bald reinste Nächstenliebe, höchste Gottesfurcht und tiefste Demut, bald lustige Laune oder ehrenfeste Biedermännigkeit ausdrückten.
Der gute Fra Checco sammelte jahraus jahrein für sein Kloster Almosen ein. Weniger infolge dieses Gott wohlgefälligen Amtes, als vielmehr seiner menschenfreundlichen, achtbaren und herzgewinnenden Persönlichkeit willen war er weit und breit bekannt.“

 

 2069201-42688a18efda5977a1fff9ab774faf62.jpg
Richard Voß (2 september 1851 – 10 juni 1918)
Rond 1908

Geschreven door Romenu om 13:15 Reageer op dit bericht

Fuminori Nakamura

De Japanse schrijver Fuminori Nakamura werd geboren op 2 september 1977 in Tōkai. Nakamura studeerde in 2000 af aan de faculteit voor openbaar bestuur van de universiteit van Fukushima. Tegenwoordig woont hij in Tokio. In Japan heeft Fuminori Nakamura al meer dan een dozijn romans gepubliceerd. Zijn werken zijn vertaald in verschillende talen en zijn verschenen in onder meer de Verenigde Staten, Engeland, China, Frankrijk en Spanje. In 2002 ontving hij de Shincho Young Award voor zijn debuutroman. In 2004 werd hij bekroond voor de Shako Noma Literatuurprijs, in het volgende jaar voor “Tsuchi no naka no kodomo” met de Akutagawa-prijs. Voor de roman “Suri” ontving hij in 2010 de Ōe-Kenzaburō-prijs. “Suri” werd door critici ook goed ontvangen in de Engelse vertaling met de titel “The Thief”; In 2015 verscheen de roman onder de titel “Der Dieb” als de eerste van Nakamura’s werken ook in het Duits. Als literaire invloeden noemt Nakamura onder andere Franz Kafka en Fjodor Dostojevski.

Uit: The Thief (Vertaald door Satoko Izumo en Stephen Coates)

“When I was a kid, I often messed this up.
In crowded shops, in other people’s houses, things I’d pick up furtively would slip from my fingers.
Strangers’ possessions were like foreign objects that didn’t fit comfortably in my hands. They would tremble faintly, asserting their independence, and before I knew it they’d come alive and fall to the ground. The point of contact, which was intrinsically morally wrong, seemed to be rejecting me.
And in the distance there was always the tower. Just a silhouette floating in the mist like some ancient daydream. But I don’t make mistakes like that these days. And naturally I don’t see the tower either.
In front of me a man in his early sixties was walking towards the platform, in a black coat with a silver suitcase in his right hand. Of all the passengers here, I was sure he was the richest. His coat was Brunello Cucinelli, and so was his suit. His Berluti shoes, probably made to order, did not show even the slightest scuffmarks. His wealth was obvious to everyone around him. The silver watch peeping out from the cuff on his left wrist was a Rolex Datejust. Since he wasn’t used to taking the bullet train
by himself, he was having some trouble buying a ticket. He stooped forward, his thick fingers hovering over the vending machine uncertainly like revolting caterpillars. At that moment I saw his wallet in the left front pocket of his jacket.
Keeping my distance, I got on the escalator, got off at a leisurely pace. With a newspaper in my hand, I stood behind him as he waited for the train. My heart was beating a little fast. I knew the position of all the security cameras on this platform. Since I only had a platform ticket, I had to finish the job before he boarded the train. Blocking the view of the people to my right with my back, I folded the paper as I switched it to my left hand. Then I lowered it slowly to create a shield and slipped my right index and middle fingers into his coat pocket. The fluorescent light glinted faintly off the button on his cuff, sliding at the edge of my vision. I breathed in gently and held it, pinched the corner of the wallet and pulled it out. A quiver ran from my fingertips to my shoulder and a warm sensation gradually spread throughout my body. I felt like I was standing in a void, as though with the countless intersecting lines of vision of all those people, not one was directed at me. Maintaining the fragile contact between my fingers and the wallet, I sandwiched it in the folded newspaper. Then I transferred
the paper to my right hand and put it in the inside pocket of my own coat.”

 

 2147656-25cfde8bcf6bc1231b841544ec1f3c03.jpg
Fuminori Nakamura (Tōkai, 2 september 1977)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten