Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 10 september 2017 tot 11 september 2017

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

 

Zink
in memoriam Lisbé Smuts-Smith

1
Veeg de sneeuw van de daken
vouw de vogels weer dicht
laat de winter nog slapen
doe iets aan het licht

Sluit de tuin en strooi kiezels
in het bord van het kind
pluk messen en wespen
plet van perziken de pit.

(Gordijnen wil men en aceton
en al wat de lente vertraagt.
Slavernij desnoods of spoorwegen
of ergens iets desolaats.)


2
Nu klotst het water zaagt men hout
blaffen honden brutaal

Nu zit ik hier in deze vlei
te roeien naar een taal

Papyrus zingt de ibis vliegt
de stilte hoort men niet

De boot valt stil wij stappen uit
en rillen met het riet

Onder het water zal mijn adem
trager woorden blazen

Dit machteloze schrijven
is een vroege vorm van zwijgen -

 

 2071796-a85634a43fd32981b499b77018a8801e.jpg
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

 

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

“In de winter van 1983 reden we onze nieuwe toekomst tegemoet toen we de grens passeerden bij Nieuweschans, het meest oostelijke punt van Nederland. Voor in de auto riep Kadir ‘Hollanda!’ toen we na vele uren eindelijk de Duitse Autobahn achter ons lieten. Op de achterbank klapten mijn zus en ik in onze handjes. Mijn moeder zat aan het raam en keek onbewogen voor zich uit terwijl de snelwegverlichting haar magere gezicht bescheen.
Een paar maanden daarvoor was mijn vader vanuit Hamburg, waar we drie moeizame jaren hadden doorgebracht, halsoverkop naar Amsterdam vertrokken omdat zijn politiek asiel in Duitsland was afgewezen. Al op zijn tweede dag had hij woonruimte gevonden in een flat in de Bijlmermeer, iets wat hem in Duitsland in al die jaren niet was gelukt waardoor we steeds afhankelijk waren geweest van de welwillendheid van familie en vrienden en van adres naar adres trokken, tot er geen adres meer over was en mijn vader uit wanhoop een tochtig appartement kraakte. Dezelfde dag nog trotseerde hij de Duitse politie. ‘Waar moet ik verdomme heen met mijn gezin?’ had hij vertwijfeld geroepen. ‘Moeten we soms op straat slapen?’ De agenten hadden bedremmeld geknikt en liepen toen weg.
Van Hollanda kon ik me als vijfjarige geen voorstelling maken. Ik dacht alleen maar aan het weerzien met mijn vader die ik al zo lang niet had gezien dat ik me zijn stem nauwelijks kon herinneren. Maar eerst wilde ik op de Autobahn achter het stuur zitten van de grote Mercedes Benz, want dat hadden ze me beloofd.
Mijn moeder had vergeefs geprotesteerd. ‘Hij is nog maar vijf, dat is veel te gevaarlijk.’
Maar Kadir had gegrijnsd en daarna een diepe trek van zijn Camel genomen. ‘Dan is hij al ouder dan ik dacht.’ Hij had zijn sigaret dreigend in de lucht gehouden. ‘In het dorp bestuurde ik op mijn vijfde al een tractor. Wind je dus niet zo op, zuster, anders maak je nog een mietje van Metin.’
Kadir was de man die mij mijn eerste trek van een sigaret had gegeven. Het was op de wc van een buurtcentrum in Hamburg waar Turkse communisten regelmatig vergaderden over de rechten van de onderdrukte arbeiders en de bedroevende staat van Turkije na de staatsgreep van 1980. Ik nam gretig een trek van de peuk zoals ik mijn vader dat zo vaak had zien doen, maar een paar tellen later vlogen mijn longen in brand en begon ik onbedaarlijk te hoesten. Ik kreeg geen lucht meer en zakte door mijn knieën, maar het enige wat Kadir deed, was zijn makker Erol lachend op zijn schouder slaan. Sindsdien was ik een beetje bang van Kadir”.

 2071796-831c963fc97cd45ac587044b62a17cfc.jpg
Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

 

 

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor D. H. Lawrence op dit blog.

Uit: The White Peacock

“I stood watching the shadowy fish slide through the gloom of the mill-pond. They were grey, descendants of the silvery things that had darted away from the monks, in the young days when the valley was lusty. The whole place was gathered in the musing of old age. The thick-piled trees on the far shore were too dark and sober to dally with the sun; the weeds stood crowded and motionless. Not even a little wind flickered the willows of the islets. The water lay softly, intensely still. Only the thin stream falling through the mill-race murmured to itself of the tumult of life which had once quickened the valley.
I was almost startled into the water from my perch on the alder roots by a voice saying:
“Well, what is there to look at?” My friend was a young farmer, stoutly built, brown eyed, with a naturally fair skin burned dark and freckled in patches. He laughed, seeing me start, and looked down at me with lazy curiosity.
“I was thinking the place seemed old, brooding over its past.”
He looked at me with a lazy indulgent smile, and lay down on his back on the bank, saying:
“It’s all right for a doss—here.”
“Your life is nothing else but a doss. I shall laugh when somebody jerks you awake,” I replied.
He smiled comfortably and put his hands over his eyes because of the light.
“Why shall you laugh?” he drawled.
“Because you’ll be amusing,” said I.
We were silent for a long time, when he rolled over and began to poke with his finger in the bank.
“I thought,” he said in his leisurely fashion, “there was some cause for all this buzzing.”
I looked, and saw that he had poked out an old, papery nest of those pretty field bees which seem to have dipped their tails into bright amber dust.”

 

 2071796-bc11e75d0fcbe65c4fb4aef97b5a379a.jpg
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Eddy van Vliet op dit blog

 

Van de terugkomst der golven

Van de terugkomst der golven
heb ik je nauwelijks
en hoezeer weet je dat ook ik de hopeloze vrager ben
kunnen overtuigen

ook de jaargetijden
ook de ziekten
ook de bewegingen
ook de tranen
ook de bijen
ook de reigers en de regen
ook de beloften en de bladeren
met de golven hebben zij de terugkomst gemeen

enkel na de dood
en bij dit woord
leg ik mijn liefste hand op al je lippen
alsof de verzegeling van je blozend lichaam
het kiemend zaad stuiten kon

‘neen, na de geboorte is de dood niet meer mogelijk’

en zoals nooit tevoren
d.w.z. zoals elke avond
slaap je in
met zoveel dromen als er vragen blijven.

 

 

Zoals de morgen in de nacht dringt

Zoals de morgen in de nacht dringt
d.w.z. behoedzaam en onafwendbaar
glijden de schaduwen van de minnaar
eerst zijdelings langs haar lenden
met iets van het woord ‘nauwelijks’ in elk gebaar
om plotseling onvoorwaardelijk zwaar
vanuit haar geheimste plooien
als een valk te vallen
in het laatste licht
dat zij langzaam dooft onder haar lichtste wimpers.

 

 2071796-db127123d7b2fa2b74737b807f44f8df.png
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)
In 1974 

 

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California. Zie ook alle tags voor Andre Dubus III op dit blog.

Uit: House of Sand and Fog

“The fat one, the radish Torez, he calls me camel because I am Persian and because I can bear this August sun longer than the Chinese and the Panamanians and even the little Vietnamese Tran. He works very quickly without rest, but when Torez stops the orange highway truck in front of the crew, Tran hurries for his paper cup of water with the rest of them. This heat is no good for work. All morning we have walked this highway between Sausalito and the Golden Gate Park. We carry our small trash harpoons and we drag our burlap bags and we are dressed in vests the same color as the highway truck. Some of the Panamanians remove their shirts and leave them hanging from their back pockets like oil rags, but Torez says something to them in their mother language and he makes them wear the vests over their bare backs. We are upon a small hill. Between the trees I can see out over Sausalito to the bay where there are clouds so thick I cannot see the other side where I live with my family in Berkeley, my wife and son. But here there is no fog, only sun on your head and back, and the smell of everything under the nose: the dry grass and dirt; the cigarette smoke of the Chinese; the hot metal and exhaust of the passing automobiles. I am sweating under my shirt and vest. I have fifty-six years and no hair. I must buy a hat.
When I reach the truck, the crew has finished their water and the two Chinese light new cigarettes as they go back to the grass. The Panamanians have dropped their cups upon the ground around their feet and Tran is shaking his head, and saying something in his language as he stoops to pick them up with his hands. Mendez laughs. He is almost as big as the radish and there is a long burn scar the color of sand upon one of his fat arms. He sees me looking at it as I drink my ice water and he stops his laughing, no longer does he even smile, and he to me says: "What you looking at, viejo?"
I drink from my cup and let him look at my eyes. His brothers have started to go back to work but now they stop to watch.
"Old maricon," says Mendez. He takes up his trash spear from the orange tailgate, but my eyes look at the burn again long enough for him to see. His face becomes more ugly than it already is and he yells something at me in his language and his teeth are very bad, like an old dog's. I don't give him rest from my eyes and so now he steps to me, yelling more, and I smell him, last night's wine and today's sweating of it, and now Torez is yelling louder than Mendez. Again it is in their mother tongue and it is over quickly because Mendez knows this crew can manage very fine without him, and he needs money for his sharob, his wine. He is goh, the shit of life. They are all goh”.

 

 2071796-c0545efb715d01c3abad583c7b1a2c2f.jpg
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

 

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.

 

Sestina

U is nearly six, and the ice-covered road
Bends toward the north.
Chains
Clatter on tires. The muffled metal echo,
Like the surface of a lake, glitters up front.
The weightless and wounded March snow
Still tries to cover the annihilated forest.

Like a drawbridge which divides the sluggish forest,
My glance lifts and stops. It is led astray by the road
Against which several times have battered the snow
And the monotonous chains

Of birch trees. In the pure mist the well rises in front
Of the empty houses. And everything else is an echo

And clots of air. The aimless echo,
Which does not exist, resounds through the forest.
The graphite mirror stands blackly in front
Of the great darkness. We have been given the road
And the heaven-sent chains,
The invisible but all-powerful snow.

The old-aged spring is watched by the snow,
And our hearing is unraveled by the many-faced echo.

Like a pond which has broken loose from its chains,
A blind thought seeps into the forest.
Here, gasoline will not help, the white road,
Or the beam of light clearing up front.

The formless cosmos emerges in front.
The biting star, the mindless snow
That cloaks the field, the armed road.
A shadow, a reflection, a painting, an echo
Fill the crumbling Arden forest,
And their payment is the solitary chains.

Will we be tempered by your chains?
Things and elements stand in front
Of me. I will leave that severe forest
Where the trees are covered and guarded by snow,
And the word is replaced by an empty echo,
And everything ends. Perhaps the road

Is a net of chains. My protected road
To your forest. The earth is frozen with snow.
We have become enemies. You are only an echo.

 

 2071796-4b7927e8bce0a566ef4b77e9e31b7837.jpg
Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

 

 

De Amerikaanse dichter en psychiater Merrill Moore werd geboren op 11 september 1903 in Columbia, Tennessee. Zie ook alle tags voor Merrill Moore op dit blog.

 

Fable

Does everyone have to die? Yes, everyone.
Isn’t there some way I can arrange
Not to die — cannot I take some strange
Prescription that my physician might know of?

No. I think not, not for money or love;
Everyone has to die, yes, everyone.

Cannot my banker and his bank provide,
Like a trust fund, for me to live on inside
My warm bright house and not be put into
A casket in the clay, can they not do
That for me and charge a fixed per cent
Like interest or taxes or the rent?

No, Madame, I fear not, and if they could
There might be more harm in it than good.

 

 

The Noise That Time Makes

The noise that Time makes in passing by
Is very slight but even you can hear it
Having not necessarily to be near it,
Needing only the slightest will to try!

Hold the receiver of a telephone
To your ear when no one is talking on the line
And what may at first sout,d to you like the whine.
Of wind over distant wires is Time's own
Garments brushing against a windy cloud.

That same noise again but not so well
Can be heard by taking a large cockle shell
From the sand and holding it against your head;

Then you can hear Time's footsteps as they pass
Over the earth brushing the eternal grass.

 

 2071796-01550674d88514cae211321527f3da8a.jpg
Merrill Moore (11 september 1903 – 20 september 1957)

 

 

De Duitse schrijfster Barbara Bongartz werd geboren op 11 september 1957 in Keulen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Barbara Bongartz op dit blog.

Uit: Die Schönen und die Reichen

„Ich habe Glück gehabt, dass meine Kindheit unmissverständlich war. Ich kann sie nicht vergessen. So wenig wie ich meine Mutter, eine blasse Erscheinung mit strähnigem Haar, zuwenig Gewicht und zu kurzgeschnittenen Fingernägeln vergessen kann.
Sie starb vor ein paar Jahren an Knochenkrebs.
Dass meine Mutter mich mit in diese Häuser nahm, war ein heikles Arrangement. Sie war unsicher, durchlöchert von Angst.
Ständig besorgt, dass wir lästig sein könnten, dass ihre Arbeit den Preis ihrer Anwesenheit nicht aufwiegen, dass ich etwas anfassen und kaputt machen könnte, verhielt sie sich, als seien wir verseucht. Mehr noch als die Bewohner, die nur in Ausnahmefällen in Erscheinung traten, schüchterten die Dinge in diesen Häusern sie ein. Die Gerätschaften, Utensilien, Dekorationsstücke waren Zeugen und Markierungen anderer Welten, die sie verunsicherten. Sie blieben ihr nicht nur fremd: Sie schienen beseelt von ihren Eignern zu sein, übermächtig in ihre Erscheinung, lauernd in ihrer Stellvertreterschaft. Nie verlor meine Mutter den Dingen gegenüber ihre ohnmächtige Furcht, obwohl sie sie täglich säubern musste.
Ich, das kleine Mädchen, sah indes mit Staunen, dass es Leute gab, die andere für die Beseitigung des täglichen Drecks bezahlten. Ich fragte mich, woher das kam. Ich bin ein altkluges Kind gewesen. Während meine Mutter die Erniedrigung zu ignorieren schien, empfand ich die Würdelosigkeit für uns beide. Natürlich gab es Dreck und Dreck. Der Dreck auf der Terrasse wa rschlichter Schmutz, bröcklige Erde, feuchter Sand, nicht aufgeladen von privaten Handlungen wie die ungenießbaren Reste von Speisen oder der heikle Unrat, den intime Verrichtungen hinterlassen.
War Mutter stumpf oder tapfer? Oder war es Demut, mit der sie das Nötige tat, ohne ein Wort darüber zu verlieren? Ich weiß nicht, ob sie je in Erwägung zog, etwas anderes zu tun, als anderen auf der niedrigsten Stufe zu dienen. Zu einer Zeit, in der ich alt genug gewesen wäre, es herauszufinden, lief ich davon. Ich wollte nicht das Kind dieser Mutter sein, kein Kind einer Frau für den Dreck, egal welches ihr Motiv gewesen war oder ob sie überhaupt eines hatte."

           

 2071796-705b6702549c2d5a440b7275ce43bdda.JPG
Barbara Bongartz (Keulen, 11 september 1957)

 

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.

 

Sonett

Ich mußte schweigen, als ich schied von dir,
Die Lippe schien der Sprache zu entbehren,
Es blieb das Wort zurück im Busen mir,
Das Herz entfloh und will nicht wiederkehren.

Dir bleibt geöffnet deines Hauses Thür,
Du wirst im Lenz dort Nachtigallen hören -
Getrennt, im tiefen Unglück leb' ich hier,
Mein Haus ist fern, ich kann nicht wiederkehren.

Kein Echo klang mir nach, als ich geschieden;
Doch besser, daß mein Angedenken nimmer
Gefährde deiner hellen Träume Frieden!

Der Morgen wird dir neues Glück gewähren -
Ich nehme Abschied von dem letzten Schimmer,
Um aus dem Dunkel nie zurückzukehren!

 

Vertaald door Heinrich Nitschmann

 

 

Rosentage sind verronnen

Rosentage sind verronnen,
Liebster, geh! Bist frei!
Der Goldfaden riss entzwei,
Den die Lieb’ gesponnen.

Und ich ließ ihn, sprang von hinnen,
Suchte neues Gold.
Doch das Glück war mir nicht hold,
Nichts fand ich zum Spinnen.

Wieder blüht der Rosen Schimmer,
Nur dahin mein Glück.
Liebster! Ruf ich, komm zurück!
Doch der glaubt mir nimmer.

 

 2071796-70c10f9883e860986fb827a4547e7f11.jpg
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Portret door Aleksy Strażyński, 1886

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Edmund de Waal, Andreï Makine, Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver

De Britse schrijver, keramist en hoogleraar Edmund Arthur Lowndes de Waal werd geboren op 10 september 1964 in Nottingham. Zie ook alle tags voor Edmund de Waal op dit blog.

Uit: The Hare With Amber Eyes: A Hidden Inheritance

`I look up at the second-floor windows where Charles had his suite of rooms, some of which looked across the street to the more robustly classical house opposite, some across the courtyard into a busy roofscape of urns and gables and chimneypots. He had an antechamber, two salons --- one of which he turned into his study – a dining-room, two bedrooms and a ‘petite’. I try to work it out; he and his older brother Ignace must have had neighbouring apartments on this floor, their elder brother Jules and their widowed mother Mina below, with the higher ceilings and grander windows and the balconies on which, on this April morning, there are now some rather leggy red geraniums in plastic pots. The courtyard of the house was glazed, according to the city records, though all that glass is long gone. And there were five horses and three carriages in these stables which are now a perfect bijou house. I wonder if that number of horses was appropriate for a large and social family wanting to make the right kind of impression.
It is a huge house, but the three brothers must have met every day on those black-and-gold winding stairs, or heard each other as the noise of the carriage being readied in the courtyard echoed from the glazed canopy. Or encountered friends going past their door on the way up to an apartment above. They must have developed a way of not seeing each other, and not hearing each other, too: to live so close to your family takes some doing, I think, reflecting on my own brothers. They must have got on well. Perhaps they had no choice in the matter. Paris was work, after all.
The Hôtel Ephrussi was a family house, but it was also the Parisian headquarters of a family in its ascendancy. It had its counterpart in Vienna, the vast Palais Ephrussi on the Ringstrasse. Both the Parisian and Viennese buildings share a sense of drama, of a public face to the world. They were both built in 1871 in new and fashionable areas: the rue de Monceau and the Ringstrasse were so of-the-minute that they were unfinished, untidy, loud and dusty building sites. They were still spaces that were inventing themselves, competitive with the older parts of town with their narrower streets, and spikily arriviste.
If this particular house in this particular streetscape seems a little stagey, it is because it is a staging of intent. These houses in Paris and Vienna were part of a family plan: the Ephrussi family was ‘doing a Rothschild’. Just as the Rothschilds had sent their sons and daughters out from Frankfurt at the start of the nineteenth century to colonise European capital cities, so the Abraham of my family, Charles Joachim Ephrussi, had masterminded this expansion from Odessa in the 1850s. A true patriarch, he had two sons from his first marriage, Ignace and Léon. And then when he remarried at fifty he had continued producing children: two more sons, Michel and Maurice, and two daughters, Thérèse and Marie. All of these six children were to be deployed as financiers or married into suitable Jewish dynasties."

 

 2071481-8df2365012a8e77f91d737c9a617491a.jpg
Edmund de Waal (Nottingham, 10 september 1964)

 

 

De Franse schrijver van Russische afkomst Andreï Makine werd geboren in Krasnojarsk op 10 september 1957. Zie ook mijn blog van 10 september 2010. en eveneens alle tags voor Andreï Makine op dit blog.

Uit: Das französische Testament (Vertaald door Holger Fock en Sabine Müller)

`Und plötzlich dieses Foto!
Ich erblickte es, als ich aus reiner Neugier einen großen Umschlag öffnete, der zwischen der letzten Seite und dem Einband herausgerutscht war. Es handelte sich um einen der unvermeidlichen Stapel von Abzügen, die man nicht für wert erachtet, auf den spröden Karton der Albumblätter geklebt zu werden: Landschaften, deren Herkunft man nicht mehr kennt, Gesichter, an denen niemand hängt oder an die sich keiner erinnert. Ein Stapel, den man endlich einmal sichten müsste, um über den Verbleib all dieser armen Seelen zu entscheiden ...
Zwischen diesen Unbekannten und den längst in Vergessenheit geratenen Landschaften sah ich sie. Eine junge Frau, deren Kleidung sich auf eigenartige Weise von der Eleganz der Leute unterschied, die auf den anderen Fotos zu sehen waren. Sie trug eine weite, wattierte Jacke in schmutzigem Grau und eine Tschapka mit heruntergeklappten Ohrenschützern. Sie hatte sich mit einem Baby ablichten lassen, das sie, eingemummt in eine Wolldecke, an die Brust drückte.
»Wie hat sie es nur geschafft«, fragte ich mich, »sich bei diesen Männern und Frauen in Frack und Abendrobe einzuschleichen?« Was hatte sie zwischen all diesen Aufnahmen von Prachtstraßen, diesen Wandelhallen, diesen südländischen Ausblicken zu suchen? Sie schien aus einer anderen Zeit, aus einer anderen Welt, unerklärlich. In ihrer Aufmachung, die heutzutage nur noch Frauen tragen, die im Winter auf den Straßen den Schnee schippen, schien sie ein Eindringling in unserer Ahnengeschichte zu sein ...
Ich hatte meine Großmutter nicht hereinkommen hören.
Sie legte ihre Hand auf meine Schulter. Ich schreckte auf, dann zeigte ich ihr das Foto und fragte: »Wer ist diese Frau?«
Für einen Augenblick blitzte in dem sonst unerschütterlich ruhigen Blick meiner Großmutter Bestürzung auf. Aber fast unbekümmert fragte sie zurück: »Welche Frau?«
Wir hielten beide inne und spitzten die Ohren. Ein eigenartiges Knistern lag im Raum. Meine Großmutter wandte sich um und rief plötzlich und, wie mir schien, voller Freude:
»Ein Totenkopf! Sieh mal, ein Totenkopf!"

 

 2071481-f64e69844564ebf87516bb498306becd.jpg
Andreï Makine (Krasnojarsk, 10 september 1957)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Werfel werd op 10 september 1890 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Franz Werfel op dit blog.

Uit: Lied der Bernadette

`Am dritten Abend seines stummen Krieges mit dem Weibe gibt der Mann sich geschlagen. Es handelt sich nur mehr um die Form, welche er seiner Kapitulation zu verleihen gedenkt. Nach langem Hin und Wider entschließt sich der Kaiser zu einem sehr ungewöhnlichen Schritt. Er vermeidet den bürokratischen Geschäftsgang. Da er sich vor seinen Ministern schämt, umgeht er dieselben. Weder Fould noch Roulland oder Delangle werden verständigt. Der Kaiser wirft eine Depesche an den Präfekten von Tarbes aufs Papier:
»Sie haben den Zugang der Grotte westlich von Lourdes unverzüglich dem Publikum zu öffnen. Napoleon.«
Das ist alles. Die Depesche wandert aufs Telegraphenamt. Mit einer Abschrift wandert der Kaiser zur Kaiserin. Eugénie errötet tief:
»Ich wußte immer, Louis«, sagt sie, »daß du ein großes Herz besitzest, das sich selbst zu überwinden vermag ...«
»Tatsache ist, Madame«, erwidert er auf diese Deklamation äußerst förmlich, »daß die Dame von Lourdes in Ihnen eine vortreffliche Verbündete gefunden hat ...«
Baron Massy hält die Depesche des Kaisers in der Hand. In den ersten Minuten der Bestürztheit, nach einer raschen Anwandlung des Stolzes, unverzüglich seine Demission einzureichen, gewinnt er schnell seine kalte Fassung wieder und beginnt mit gewohntem Scharfsinn die Lage zu analysieren:
Zuvörderst das Telegramm selbst. Der Text ist knapp und trocken wie ein militärischer Befehl. Er widerspricht der Art Louis Napoleons, der seine Weisungen an die zivilen Behörden sonst in Höflichkeit zu kleiden und oft auch zu begründen pflegt. Die Wortkargheit des Textes verrät Unbehagen. Sollte das Telegramm echt sein, so ist es dem Kaiser zweifellos abgerungen worden. Eine Verschwörung Eugénies, der bigotten Hofdamen und etwelcher Soutanen vermutlich, die von Tag zu Tag mehr den propagandistischen Wert der »Apparitionen von Lourdes« zu erkennen scheinen. Einzig der zuständige Bischof bleibt starr nach wie vor. Der übrige Klerus ist seit einiger Zeit in Bewegung geraten wie Flußeis bei Tauwetter. Ein durch erwiesene, aber unerklärbare Heilungen dokumentiertes Wunder bedeutet einen so gewaltigen Einbruch in den offiziellen Deismus und inoffiziellen Nihilismus des Zeitalters, daß sowohl die Sicherheit des Unglaubens als auch die Unsicherheit des Glaubens ins Wanken gerät. Davon ist die Depesche des Kaisers der lebendige Beweis."

 

 2071481-f2403dc1e660a7643d58cfd3e2010995.jpg
Franz Werfel (10 september 1890 – 26 augustus 1945)
Scene uit de Amerikaanse film “The Song of Bernadette” uit 1943 

 

 

De Poolse schrijver Paweł Huelle werd geboren op 10 september 1957 in Gdańsk. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Pawel Huelle op dit blog.

Uit: The Last Supper (Vertaald door Antonia Lloyd-Jones)

"Citizen," began the sergeant, "what's going on in here? Making noise again?" As quietly as could be, Mateusz handed them his identity card, then lit his pipe and sat in an armchair, as if Mr and Mrs Zielenko and their entire backstage crew, including the Civic Militia, the Volunteer Reserve, the district Party committee, the allotment owners' club, the village homeowners' circle, the residential committee, the house committee, the Front for National Unity and the parish committee were of no concern to him at all. "Bit of a tussle, was there?" said the sergeant, holding the identity card in two fingers and waving it above the defendant's head. "Should we withhold this document and summons you?" Mateusz did not even deign to make eye contact with the policeman. "Windows flying out, are they?" "Citizen Sergeant," said one of the constables, who while examining the paintings leaning against the wall had come across a picture of a woman's head with a woolly forest of spirally intertwining penises growing out of it, "perverts like this should be sent straight to the camps. Why the bloody hell were they closed down?" "Shut your gob, Rydomski!" said the sergeant, rashly revealing the flatfoot's name to us. "You'd best keep your nose out of politics because you're a bit short on brains. And as for you, gentlemen," he turned to us, "we've had complaints about you singing songs!" "We were singing the Internationale, as usual," I said without hesitating, "and please make a note of it in your report." "Quite so," said Mateusz, breaking his silence from behind clouds of pipe smoke. "The Internationale, in the report, without question!" Just then we heard the mighty thud of the Engineer's footsteps on the stairs. In his own way he proved a genius: to fall onto the lawn and then get up as if nothing had happened, brush down his clothes and make his way to the nearest bar, quickly down a couple of vodkas there and return in even better condition than before to the site of his missionary activities he must have had an undeniably potent categorical imperative driving him. "Fucking hell, man," he said, throwing himself into the sergeant's arms and covering him in soggy kisses. "The avant garde and the police, that's the best coalition!" As if he had a talent for that sort of clowning and some well practised tricks, quick as a flash the same bear hug was performed — actually without any protest — on the other two policemen. Then the Engineer stood in the middle of the studio, spread his arms as if about to fly and declared: "It was me, fuck it, thwough that window! The one and only me! That's what you call an expewiment! Hey, arseholes, don't you get it? Don't like that sort of art, do you? But it's the future! Not that." He nodded towards the partly painted canvases leaning against the wall. "Not that." And he blew his nose in their direction, which was clearly a hit with the policemen.`

 

 2071481-6a63437480f4f4e7c9d9af1cef5def9d.jpg
Paweł Huelle (Gdańsk, 10 september 1957)

 

 

De Amerikaanse dichteres Mary Oliver werd geboren op 10 september 1936 in Maple Heights, Ohio. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Mary Oliver op dit blog.

 

Mushrooms

Rain, and then
the cool pursed
lips of the wind
draw them
out of the ground -
red and yellow skulls
pummeling upward
through leaves,
through grasses,
through sand; astonishing
in their suddenness,
their quietude,
their wetness, they appear
on fall mornings, some
balancing in the earth
on one hoof
packed with poison,
others billowing
chunkily, and delicious -
those who know
walk out to gather, choosing
the benign from flocks
of glitterers, sorcerers,
russulas,
panther caps,
shark-white death angels
in their town veils
looking innocent as sugar
but full of paralysis:
to eat
is to stagger down
fast as mushrooms themselves
when they are done being perfect
and overnight
slide back under the shining
fields of rain.

 

 

The Summer Day

Who made the world?
Who made the swan, and the black bear?
Who made the grasshopper?
This grasshopper, I mean--
the one who has flung herself out of the grass,
the one who is eating sugar out of my hand,
who is moving her jaws back and forth instead of up and down--
who is gazing around with her enormous and complicated eyes.
Now she lifts her pale forearms and thoroughly washes her face.
Now she snaps her wings open, and floats away.
I don't know exactly what a prayer is.
I do know how to pay attention, how to fall down
into the grass, how to kneel in the grass,
how to be idle and blessed, how to stroll through the fields,
which is what I have been doing all day.
Tell me, what else should I have done?
Doesn't everything die at last, and too soon?
Tell me, what is it you plan to do
With your one wild and precious life?

 

 2071481-d6138f8dc75089671d95688eacc17de5.jpg
Mary Oliver (Maple Heights, 10 september 1935)
In 1964

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e september mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:39 Reageer op dit bericht

Eddy Pinas, Jeppe Aakjær, Viktor Paskov, Hilda Doolittle, Reinhard Lettau, George Bataille

De Surinaamse dichter en schrijver Eddy Louis Pinas werd geboren in Paramaribo op 10 september 1939. Zie ook alle tags voor Eddy Pinas op dit blog.

 

de rivier zal 't weten

de rivier zal 't weten
vanaf de bergen
tot daar waar het
in in-
nig
samenzijn knuffelt met
dorstig zeewater

het brullend
bruizend wezen op
de rug van de
granolosoela
draagt in iedere molecule
de tedere kiem
van wording

ook de zee zal 't weten
en de boodschap
beuken tegen ijzeren rompen
op iedere strand
zal het te lezen zijn

door de branding
zal het geëtst worden
op de klippen
de zon zal het
met bladders neerschrijven
op de gevels
Suriname wordt vrij
maar...

heb ik mijn vaccinatiebewijs
niet vergeten?

 

 2071478-6f396e655336b0c7566a213d82b0f694.jpg
Eddy Pinas (Paramaribo, 10 september 1939)

 

 

De Deense dichter en schrijver Jeppe Aakjær werd geboren in Aakjær bij Skive op 10 september 1866. Zie ook alle tags voor Jeppe Aakjaer op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

Uit: Die Kinder des Zorns (Vertaald door Erich Holm)

„Die beiden Neuangekommenen hatten scheinbar keine Eile. Mit großer Umständlichkeit holte der Armenvorsteher sein Pfeifengeschirr hervor und breitete es auf dem Tische aus. Als er mit dem Stopfen fertig war, warf er die Frage an den Schuhmacher hin: »Hast vielleicht ein Schwefelholz bei dir?«
»Jesus ja!« sagte der Schuhmacher und fuhr mit großer Eilfertigkeit in die Hosentasche.
Der Vorsteher wartete mit der Pfeife in der Hand, indes die Lippen erwartungsvoll eine Saugstellung einnahmen. Der Schuhmacher fingerte an seiner ganzen Person auf der Suche nach einem Zündholz herum. Erst holte er einen schlottrigen Lederbeutel hervor und legte ihn vor sich auf den Tisch, dann zog er aus der Hosentiefe ein altes Schnappmesser, schließlich erwischte er das Ende eines Schusterpechdrahtes, der sich immer weiter und weiter aufwickelte.
»Na, was wird’s damit?« sagte der Vorsteher und sah ihn spöttisch an.
Im selben Augenblick flog das Branntweinglas auf den Steinboden und zerschmetterte in tausend Stücke.
»Na, bist schon so weit gekommen, daß du’s Branntweinglas bei dir im Sack trägst?« höhnte Hans Nielsen. »Da hast du’s wenigstens gleich zur Hand.«
»Aber, Herr Jeses,« keifte die allzeit zankbereite Ann-Marie Kjærsgaard, »jetzt schlägt er das einzige Glas entzwei, das noch im Haus war, der Schußbartel, der. Hättst mich nicht können die Schwefelhölzer suchen lassen?« Mit diesen Worten schleuderte Ann-Marie eine Schachtel dicht an der Nase des Schuhmachers vorbei dem Gemeindevorsteher hin.
»Au, au!« schrie der Schuhmacher und bog den Kopf jäh zurück, um dem Projektil zu entgehen.
Die drei andern lächelten sich hämisch zu.
»Der gehört wohl auch zum Geschäft?« bemerkte nun der Nørhofer, einen Pfropfen in die Höhe haltend, auf den er sich in der Bankecke gesetzt hatte.
»Ach, da ist er ja! Nur her damit, sonst könnt es schief gehen!« rief Kræn Lybsker, in die innere Rocktasche guckend.
»Schau, daß du dem grünen Vogel da den Schnabel stopfst,« lachte Bertel, »sonst fängt er noch zu krähen an."

 

 2071478-0cd4b4a871f16bd6bb6c3cc48c6412f6.jpg
Jeppe Aakjær (10 september 1866 - 22 april 1930)
Standbeeld op het schiereiland Salling in de Limfjord, Denemarken

 

 

De Bulgaarse schrijver en musicus Viktor Markos Paskov werd geboren in Sofia op 10 september 1949. Zie ook alle tags voor Viktor Paskov op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

Uit: Autopsie (Vertaald door Alexander Sitzmann)

„So ... jetzt ist es gut ... Jetzt ist alles in Ordnung.
Ich habe den Fusel von letztem Jahr ausgetrunken, den man mir in Sozopol geschenkt hatte. Eine Widerwärtigkeit mit Feigengeschmack.
Nimm den Rasierer und schau dich nicht an!
Rasier dich vorsichtig, stütz die rechte Hand mit der linken ab, damit du dich nicht abschlachtest!
Dieses Gesicht ist nicht meines. Es ist ausgetauscht worden. Höchstwahrscheinlich hat man es in einem dieser geheimnisvoll anmutenden Antiquitätenläden ausgegraben, im Halbdunkel, unter dem schweren Geruch von verrottendem Papier und bedeutungslosen Gegenständen. Meine Mutter würde dieses Gesicht nicht wiedererkennen. Ebenso wenig mein
Vater. Aber sie sind nicht mehr am Leben, und es gibt keinen Grund, warum sie mich wiedererkennen
sollten.
Ich steige in die Wanne: Strafduschen. Heiß-kalt, kalt-heiß. Heiß, bis man schier wahnsinnig wird.
Kalt, bis man schreit. Ich bringe das Bad mit Reinigungsmitteln auf Hochglanz und ordne Rasierzeug,
Cremes, Eau de Cologne und Zahnbürsten unter dem Spiegel an.
Ich habe keine Zigaretten. Ich habe schon wieder keine Zigaretten! Zum wievielten Male wohl habe ich
morgens keine Zigaretten?
Ich gehe in die Unterführung der U-Bahn, kaufe zwei Schachteln Marlboro, es ist ungefähr acht Uhr
Morgens“.

 

 2071478-b4a3a7723e30721e54ff14c2db8d378b.jpg
Viktor Paskov (10 september 1949 - 16 april 2009)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Hilda Doolittle werd geboren in Bethlehem, Pennsylvania, op 10 september 10 1886. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Hilda Doolittle op dit blog.

 

Garden

I
You are clear
O rose, cut in rock,
hard as the descent of hail.

I could scrape the colour
from the petals
like spilt dye from a rock.

If I could break you
I could break a tree.

If I could stir
I could break a tree—
I could break you.


II
O wind, rend open the heat,
cut apart the heat,
rend it to tatters.

Fruit cannot drop
through this thick air—
fruit cannot fall into heat
that presses up and blunts
the points of pears
and rounds the grapes.

Cut the heat—
plough through it,
turning it on either side
of your path.

 

 2071478-15c26f743b3e48481ba682d255b52233.jpg
Hilda Doolittle (10 september 1886 – 21 september 1961)

 

 

De Duits-Amerikaanse schrijver Reinhard Lettau werd geboren op 10 september 1929 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Reinhard Lettau op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

Uit: Auftritt Manigs

„Nur daß diese mögliche Erklärung der Ironie der Texte anheimfiele. So könnte der eben zitierte gut und gerne "Die Mitläufer" heißen. Er zeigt den Tanz einer Masse und obendrein den Anführer selbst als Mitläufer. Manig aber läuft jeder Auslegung mühelos davon. Das macht: Er ist figürlich und abstrakt zugleich. Philosophie in diesen Geschichten wird Graphik, aber auch Graphik Philosophie. Wem Identität und Dialektik Fremdwörter bleiben, wer nicht wahrhaben will, daß da vor seinen Augen eins ins andere sich verwandelt und diese oder jene Handlung in ihr Gegenteil umschlägt, kurz, wer seinen Augen nicht traut, an dem sind Lettaus Erfindungen verloren, und verloren ist die verlorene Komik, die statt eines Schattens jeden Schritt Manigs begleitet.
Diese Prosa ist voll trockenster Poesie, und sie ist gearbeitet wie ein Gedicht. Ihre Leichtigkeit trügt, ihre Abläufe sind silbengenau gesetzt. Manig tritt auf dem Hochseil der Sprache auf. Diese Gangart erlaubt keinen Gag und keine Pointe. Hier rächt sich jeder Schritt daneben. Reste surrealistischer Beliebigkeit, wie in den Stücken "Ankunft" und "Manig setzt sich", geben Proben dafür ab. Überhaupt erweist sich die Gefährlichkeit dieser Prosa an ihren Schlüssen. Wie soll Manig, der den Akrobaten in seiner Brust selten verleugnet, von seinem Seil herunterkommen? Seine besten Nummern fallen nicht ab, verlangen weder Verbeugung noch Beifall: Sie enden schwebend.“

 2071478-7a22351b4a4bf74004d1b4ebbc8315b9.gif
Reinhard Lettau (10 september 1929 - 17 juni 1996)
In 1991

 

 

De Franse dichter, schrijver en filosoof George Bataille werd op 10 september 1897geboren in Billom (Auvergne). Zie ook alle tags voor George Bataille op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

 

Je rêvais de toucher

Je rêvais de toucher la tristesse du monde
au bord désenchanté d’un étrange marais
je rêvais d’une eau lourde où je retrouverais
les chemins égarés de ta bouche profonde

j’ai senti dans mes mains un animal immonde
échappé à la nuit d’une affreuse forêt
et je vis que c’était le mal dont tu mourais
que j’appelle en riant la tristesse du monde

une lumière folle un éclat de tonnerre
un rire libérant ta longue nudité
une immense splendeur enfin m’illuminèrent

et je vis ta douleur comme une charité
rayonnant dans la nuit la longue forme claire
et le cri de tombeau de ton infinité.”

 

 

Je mets mon vit contre ta joue

Je mets mon vit contre ta joue
le bout frôle ton oreille
lèche mes bourses lentement
ta langue est douce comme l’eau

ta langue est crue comme une bouchère
elle est rouge comme un gigot
sa pointe est un coucou criant,
mon vit sanglote de salive

ton derrière est ma déesse
il s’ouvre comme ta bouche
je l’adore comme le ciel
je le vénère comme un feu

je bois dans ta déchirure
j’étale tes jambes nues
je les ouvre comme un livre
où je lis ce qui me tue.

 

 2071478-acf127b02789678fe9486a6ebf678fcb.jpg
George Bataille (10 september 1897 – 9 juli 1962)
Cover

Geschreven door Romenu om 10:28 Reageer op dit bericht

Theo Olthuis

De Nederlandse dichter en schrijver Theo Olthuis werd geboren in Amsterdam op 10 september 1941. Hij groeide op en woonde in Amsterdam tot in 1998. Toen verhuisde hij naar Bergen. Olthuis is onderwijzer geweest en thans dramadocent. Vanaf 1978 schrijft hij teksten – zowel voor kinderen als volwassen – voor theater en televisie. Daarnaast schrijft hij liedjes en gedichten. In 1980 debuteerde hij als dichter met de bundel “De jongste dag”. In 1984 verscheen zijn eerste bundel kindergedichten “Een hele grote badkuip vol”. Sindsdien verschenen vele bundels met kindergedichten. In 2007 stelde hij een bloemlezing samen uit al de eerder verschenen kindergedichten getiteld “In je hoofd kun je alles”. Theaterteksten schreef hij onder andere voor Theater Splinter, Theater Spoenk, Platform Gelderland en Theater Gnaffel. Vanaf 1981 schrijft hij (lied)teksten voor kinderen, onder andere voor Sesamstraat, Koekeloere, Het Klokhuis en Samba Salad. Daarnaast schreef hij ook liedteksten voor volwassenen; onder andere voor Herman van Veen, Lori Spee, Willem Nijholt, Eddy Christiani, Robert Paul en Philippe Elan. In 2010 won Olthuis de Rabobank Cultuurprijs

 

Kerkje in Groet

Als ik nou God was
en zag voor het eerst
het witte kerkje in Groet
en hoorde die verfijnde stilte,
soms nog beklemtoond door
een voetstap of een vogel,

één vingerknip
of knipoog
en het was al
tot in eeuwigheid
mijn buitenhuisje.

 

 

Prooi

Zoals een roofdier
hongerig
tegen de wind in
zijn prooi besluipt
en dan
gespannen wacht,
doodstil –

zo nader
de projectontwikkelaar
met dat verschil
dat de maag gevuld
en zijn geduld oneindig.

 

 2139178-b09f7fe319f6a6b693e92dfb058e862d.jpeg
Theo Olthuis (Amsterdam, 10 september 1941)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten