Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 11 september 2017 tot 12 september 2017

Michael Ondaatje, James Frey, Chris van Geel, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt, Werner Dürrson, Gust Van Brussel

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog

 

Wells II

The last Sinhala word I lost
was vatura.
The word for water.
Forest water. The water in a kiss. The tears
I gave to my ayah Rosalin on leaving
the first home of my life.

More water for her than any other
that fled my eyes again
this year, remembering her,
a lost almost-mother in those years
of thirsty love.

No photograph of her, no meeting
since the age of eleven,
not even knowledge of her grave.

Who abandoned who, I wonder now.

 

 

What were the names of the towns

What were the names of the towns
we drove into and through

stunned lost

having drunk our way
up vineyards
and then Hot Springs
boiling out the drunkenness

What were the names
I slept through
my head
on your thigh
hundreds of miles
of blackness entering the car

All this
darkness and stars
but now
under the Napa Valley night
a star arch of dashboard
the ripe grape moon
we are together
and I love this muscle

I love this muscle
that tenses

and joins
the accelerator
to my cheek

 

 

Kissing the stomach

Kissing the stomach
kissing your scarred
skin boat. History
is what you've travelled on
and take with you

We've each had our stomachs
kissed by strangers
to the other

and as for me
I bless everyone
who kissed you here

 

 2072180-7f07b224387757a158126e36b1a91980.jpg
Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

 

 

De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor James Frey op dit blog

Uit: My Friend Leonard

“He cheered at the battle of Borodino, and though he admired the Russian tactics, he cursed while Moscow burned. When we're not reading, he carries War and Peace around with him. He sleeps with it at night, cradles it as if it were his child. He says that if he could, he would read it again and again.
I started reading to Porterhouse the day after he hit me with the tray, my second day here. I was walking to my cell and I had a copy of Don Quixote in my hand. As I passed his cell, Porterhouse said come here, I wanna talk to you. I stopped and asked him what he wanted. He said he wanted to know why I was here and why a County Sheriff would give him three cartons of cigarettes to beat my ass. I told him that I had hit a County Sheriff with a car going five miles an hour while I was drunk and high on crack and that I had fought several others when they tried to arrest me. He asked if I had hit the man on purpose. I told him I didn't remember doing it. He laughed. I asked him why he was here and he told me. I did not offer further comment. He asked what the book was and I told him and he asked why I had it and I told him that I liked books. I offered to let him have it when I was done with it and he laughed and said I can't read motherfucker. Fucking book ain't gonna do me no good. I offered to read to him.
He said he'd think about it. A couple of hours later he showed up and sat on my floor. I started reading. He has been here every day since.
At six o'clock, I walk with Porterhouse to dinner, the only meal of the day that I eat. It is usually foul, disgusting, almost inedible. The meat is mush, the bread stale, potatoes like water, vegetables hard as rock. I eat it anyway. Porterhouse eats seconds and thirds and fourths, which he takes from the trays other prisoners. He offers to get food for me, but I decline. When I am finished eating, I sit and I listen to Porterhouse talk about his upcoming trial. Like every other man in here, regardless of what they might say, Porterhouse is guilty of the crimes that he has been accused of committing. He is going to trial because until he is convicted, he will stay here, at county jail, instead of doing his time in state prison.
Jail is a much easier place to live than prison. There is less violence, there are more privileges, most of the prisoners know they are getting out within the next year and want to be left alone. Once they're gone, they don't want to come back. In prison, there are gangs, rapes, drugs, murder.”

 

 2072180-39b8617c593d1ccf0b80e9f6b873f7e8.jpg
James Frey (Cleveland, 12 september 1969)

 

 

De Nederlandse dichter en tekenaar Christiaan Johannes van Geel werd geboren op 12 september 1917 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Chris van Geel op dit blog.

 

Padde

Hij is zo mooi, zo droog, zacht leer,
een zaak voor goud, een voor de ouderlingen
op tafel neergelegde wel-
gevulde, dungesleten kerkezak.

De dood is een omhelzing van de wind
waarachter van nature niets dan onbruik
en dor geraamte zich bevindt.

Een pad misschien, hij is zo oud
zijn vleugels zijn vergaan, een plant
als steen teruggevonden, zwart
altaar, hij denkt, hij denkt erover na.

 

 

' s Nachts buiten

Het slapen bezig horen in het water,
de struiken zien door wimpers van de nacht,
naar konijnen tussen bomen staren.

Zij kijken met hun rode oog mij aan.
Het onbegrijpelijke slapen door
de slaap heen overwogen op gevaar.

 

 

Een regenachtige dag

De mensen schuiven stil
op fietsen door de lanen,
een enkele meeuw er boven.
In dorre blaren rent een merel.
Hij luistert, telkens,
de blaren maken leven.
De wind, een oude wind van toen
de mensen die nu dood zijn leefden,
spreidt breed, aanvaardt
al wat hij aanraakt.
Laag hangt de lucht, is overal grijs,
de hemel woont bijna bij ons.

 

 2072180-23f87af2c60d13935cb0e2bee499044b.jpg
Chris van Geel (12 september 1917 – 8 maart 1974)

 

 

De Ierse dichter en schrijver Louis MacNeice werd geboren op 12 september 1907 in Belfast. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Louis MacNeice op dit blog.

 

Carrickfergus

I was born in Belfast between the mountain and the gantries
To the hooting of lost sirens and the clang of trams:
Thence to Smoky Carrick in County Antrim
Where the bottle-neck harbour collects the mud which jams

The little boats beneath the Norman castle,
The pier shining with lumps of crystal salt;
The Scotch Quarter was a line of residential houses
But the Irish Quarter was a slum for the blind and halt.

The brook ran yellow from the factory stinking of chlorine,
The yarn-milled called its funeral cry at noon;
Our lights looked over the Lough to the lights of Bangor
Under the peacock aura of a drowning moon.

The Norman walled this town against the country
To stop his ears to the yelping of his slave
And built a church in the form of a cross but denoting
The List of Christ on the cross, in the angle of the nave.

I was the rector's son, born to the Anglican order,
Banned for ever from the candles of the Irish poor;
The Chichesters knelt in marble at the end of a transept
With ruffs about their necks, their portion sure.

The war came and a huge camp of soldiers
Grew from the ground in sight of our house with long
Dummies hanging from gibbets for bayonet practice
And the sentry's challenge echoing all day long.

I went to school in Dorset, the world of parents
Contracted into a puppet world of sons
Far from the mill girls, the smell of porter, the salt mines
And the soldiers with their guns.

 

 2072180-e8da042d2c8e719c39773cec8b6d8e87.jpg
Louis MacNeice (12 september 1907 – 3 september 1963)
Cover

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hannes Meinkema werd op 12 september 1943 geboren in Tiel. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Hannes Meinkema op dit blog.

Uit: Een krokodil is een zeer eenzaam dier

‘Moet?’
‘Wilt U alstublieft vanavond mijn huiswerk overhoren?’
Het kon haar niets schelen.
Hij keek op zijn horloge, wat nergens op sloeg. Doe toch een broek aan, dacht ze. Ze keek naar de trapleuning, zou wel weer een gemelijke indruk maken. Schiet nou op.
‘Goed.’
Ze rende weer naar beneden. Jas aan. De tas stond al in de vestibule. Ze had nog vijf minuten voor de bus. Als ze rende kon ze 'm halen.
‘Dag’, riep ze naar binnen. Plichtmatig: anders moest ze terugkomen (‘Je hebt me niet goedendag gezegd.’).
Met een klap viel de deur dicht.
Ze zette de tas tussen haar benen. Stille angst dat hij in het bagagerek open zou gaan en de mensen zouden zien wat er in zat. Straks aan Marjolein vragen hoe vaak je moest verwisselen. Al die dingen wist ze nog niet.
De chauffeur had naar haar gekeken. Zouden mensen zoiets aan je kunnen zien? Ze bloosde en keek gauw uit het raampje naar de weilanden naast de weg. Lammetjes bij de schapen. Lente, en ze was voor het eerst ongesteld en ze ging naar Amsterdam. Ze drukte even haar schouders naar binnen, ellebogen tegen haar borsten, om goed het gevoel te voelen. Ze lachte tegen haar spiegelbeeld dat in het raampje op en neer vaagde met de bewegingen van de bus. Wat zou Marjolein wel zeggen. Ze moest niet vergeten binnenkort aan te bieden de was te doen. Kon ze die handdoek van gisteren erbij doen. Vanaf nu zou ze zorgen dat ze genoeg maandverband in huis had.
Als haar vader hem maar niet vond. Niemand verteld, Marjolein zou de eerste zijn. Ze zou de handdoek vanavond beter verstoppen."

 

 2072180-1c6f699805486ffd1364d083874c5ae3.jpg
Hannes Meinkema (Tiel, 12 september 1943)

 

 

De Nederlandse columnist, journalist en schrijver Eduard Maurits Elias werd geboren in Amsterdam op 12 september 1900. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduard Elias op dit blog.

Uit: Een bloemetje

“Ik hoop, dat het niet tegen de maatstaf van Maatstaf is, wanneer ik in eigen huis misschien iets onaardigs zeg met de bedoeling, iets aardigs te zeggen: van alles wat de laatste twee jaargangen bevatten, waren de stukken van Annie Salomons mij ver-uit het liefst.
Misschien dat ik niet letterkundig-rijp genoeg ben, of dat ik, dood-eenvoudig-menselijk, te ongeduldig ben om mijn gedachten bij de essayistiek van Rodenko of Straat te houden. Ik weet van de, voor mij, onbegrijpelijk-uitgebreide en diepe ontwikkeling dezer heren, waardoor zij [ook al ben ik ervan overtuigd dat dit hun zó-een-zorg zal wezen] op mijn bewondering-bij-voorbaat mogen rekenen. Dit impliceert dat, 't zij onbeschaamd erkend, mijn ontwikkeling niet groot genoeg is om de hunne op haar adelaarsvlucht steeds te volgen. Dikwijls moet ik, ditmaal wèl beschaamd, erkennen dat ik hen, [letterlijk: domweg] niet begrijp en dat ik daarom na enige bladzijden de ijdelheid mijner pogingen aan mij zelf moet erkennen. Ook de vele bladzijden ingeruimd voor de polemiek Verspoor contra Brandt Corstius en vice versa waren mij te machtig. Ik moest, onwillig, in beiden mijn superieuren erkennen en bleef daarbij steken in de stof.
Ik maak deze opmerking, onbetamelijk jegens Maatstaf en de vier heren voornoemd; beschamend voor mijzelf, niet om pralend de ‘gewone man’ uit te hangen, hetgeen altijd een kwalijke vorm van snobisme is, maar omdat ik haar nodig heb om het hoofd-argument voor mijn bewondering voor Annie Salomons' memoires te plaatsen: de meesterlijke eenvoud van hun stijl. De klare doorzichtigheid van dit onliterair proza, zijn oprechtheid, maakten dat in deze opstellen dikwijls een poëzie, of althans: een poëtische aandoenlijkheid, aan de dag treedt, die, naar mijn overtuiging, dit non-fictionproza - laat ik mij zo ruw mogelijk uitdrukken: deze journalistiek - tot de ware letterkunde bestempelt.”

 

 2072180-62ae9b24cc09d6c80c3c98c9740bbaa7.jpg
Eduard Elias (12 september 1900 — 14 januari 1967)
Cover 

 

 

De Nederlandse dichter en hoogleraar Jan Willem (Wim) Schulte Nordholt werd geboren in Zwolle op 12 september 1920. Zie ook alle tags voor Jan Willem Schulte Nordholt op dit blog.

 

Geschiedenis

De wereld en haar pijn is het verhaal,
dat loopt al op een rekening van eeuwen.
De toren valt maar 't blijft dezelfde taal,
waarmee de mensen fluisteren en schreeuwen,
waarmee de honger opstijgt uit het hart,
de sterke stem van liederen en klokken,
dezelfde woordenstroom waarmee het zwart
verraad des doods aan 't leven wordt voltrokken.

Wat doet men dan? Alsof het Hem aangaat
roepen tot God die ons het leven laat
sinds Babylon en sinds de pyramiden?
Of gaat men als een andere Candide,
binnen het donker waar de dood in staat,
in de eigen tuin zich een plek zonlicht wieden?

 

 

Herfst

Het licht is helder, het geluid
straalt seinen van herkenning uit
uit hemelen van heerlijkheid
die overlopen in de tijd,

die openbreken blauw en goud
met rode vlammen in het hout,
en in het hart een warme toon
om wat moet sterven groot en schoon.

Een ruiter is het hart, het gaat
zo trots de sterfelijke straat,
en licht voor dezen dood de hoed,
voor wien het eenmaal buigen moet.

 

 2072180-2a5e3d6d41baa8dd9a7b9e92edb26da5.jpg
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 - 16 augustus 1995)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Zie ook alle tags voor Werner Dürrson op dit blog en ook mijn blog van 12 september 2010.

 

Feierabend

Vogellos flirrte der Sommertag
über dem Hang. Die Landstraße kurvt
um die Hütte.

Ruhig in seinem Schatten
steht der Bauer als Baum verkrümmt
zwischen den Bäumen.

In seiner Stube wächst
Gras. Bröckeln die Wände. Dürers
abgeschnittene Hände
beten.

 

 

So bei Licht besehen

Alle Farben enthält des
Wassers schillernde
Klarheit
Himmels- und schwerpunkt-
sicher bewegt es sich
frei
in seiner scheinbaren
Haltlosigkeit

Lichtverschwistert über-
brückt es
nicht nur im Regenbogen
spielend

Erde und Himmel

 

 2072180-a4329a78800d5c94b80e03c4199fa0c4.jpg
Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Gust Van Brussel werd geboren in Antwerpen op 12 september 1924. Zie ook alle tags voor Gust Van Brussel op dit blog en ook mijn blog van 12 september 2010

 

DE MORGEN sijpelt wat citroen
op de oesters van mijn ogen
ik voel de nacht in mij verdrogen
de wereld wordt weer blauw en groen

rondom mij de oceaan
van mijn duizend handen
op de kurken stranden
spoelen ligstoelen aan

naar het verboden licht
klim ik langs graten van de dag
het oceaanschuim slaat een slag
groene rimpels over je gezicht

door de ramen van het restaurant
drijven schimmen en nimfen voorbij
je stoel met je handtasje zwemt naar mij
ergens wordt een lijk verbrand

 

 

Venus

De late winden van september
zuigen het kustzand
de zeegolven worden verkleurd naar grauw
een speedwagen draaft over de baren
een valscherm achteraan
waarin een mens zichzelf vlucht
zijn ego zwelt zoals de wolken
Venus stapt uit haar schelp

 

 2072180-5e735244252dbdf0301c818c10dc5346.jpg
Gust Van Brussel (12 september 1924 - 20 mei 2015)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e september ook mijn blog van 12 september 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:03 Reageer op dit bericht

Constantijn Huygens-prijs 2017 voor Hans Tentije

Constantijn Huygens-prijs 2017 voor Hans Tentije

Gisteravond werd de Constantijn Huygens-prijs toegekend aan dichter en schrijver Hans Tentije. De oeuvreprijs van 12 duizend euro wordt op 21 januari 2018 uitgereikt aan de 72-jarige Tentije voor zijn zestien dichtbundels en roman “De innerlijke bioscoop”. Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd geboren in Beverwijk op 23 december 1944. Zie ook alle tags voor Hans Tentije op dit blog.

 

Orvieto

Een slingerende weg en haarspeldscherpe
lussen tillen langs brokkelige, overgroeide weringen
het tufstenen plateau hoger en hoger, tot voor de poorten
van een later in de middag weer ontwaakte stad

voor de kathedraal sluit je vol ongeloof
je ogen even en over je oogleden strijkt zijn schittering
het goud van een heel verleden uit

getemperd, wijngeel licht valt
door wat marmeren triten lijken, met een nervatuur
van verkoolde bliksemschichten, van eeuwen terug geronnen
levenslopen, van vloedlijnen, opgestuwd
en onderaards nagolvend bloed dat in gebergten
strandde, zich daar begroef -

iemand brengt een grafstuk, vol overdadig
groen en aronskelken, naar de zijkapel, waar hardop, iets
te loslippig bidden zelfs verboden is

een lijkwagen draait met hangende vaantjes
het domplein op, verspilt zijn enorme motorvermogen
aan het vervoer van een simpele kist, het requiem
zal dadelijk worden opgedragen

vier pilasters laten, door druivenranken
en acanthusblad omlijst, een reeks uitgehouwen
bijbelse taferelen zien - bij de jongste dag zoek je je gezicht
tussen dat van de vele, vele verdoemden -
je vindt het niet, vooralsnog

 

 

l’Arbre de Jesse
Georges Braque – Kerkraam te Varengeville

Zoals het volmaakte het gebrekkige
nog gebrekkiger, erbarmelijker maakt, zo armzalig
voel je je naast het hoog op het krijt staande
zeekerkje van Varengeville
 
bijtende westenwinden hebben het klokkentouw gerafeld
en zout zet zich op de naar de afgrond
hellende grafstenen af, gebeier stort zich driest
over golven en rotskust uit en roept onweersluchten
aan en eenzame opvarenden –
 
gebrandschilderd, versplinterd valt de zon
op de plavuisgrauwe, zerkstenen vloer en stuwt
takken, mossen, bladeren, vogelnesten
naar het punt waar doorschijnende vingertoppen gothisch
bij elkaar komen en het allerbinnenste
zich met het buitenste vervlecht
 
met maangestalten, de oceaan
in al zijn schakeringen, met inzegeningen
en eerste communies, met het op drift
geraakte en het geborgene, het wisselend getij
 
een rijsje, uit een afgehouwen tronk
voortgekomen, een boom die, aan zichzelf ontgroeid
uit zijn omlijsting wil breken om het lood
van jaren van zich af te schudden en zijn kruin
tot de hemel te laten reiken –
 
zou je door dit glas heen ‘s avonds
de lichten van het reuzenrad, de schiettenten, het casino
kunnen zien, het getwinkel, daar, heel
in de verte, in Dieppe?
 
onbereikbare smalle stroken zand
tussen de golfslag en de steile kliffen, poreus
afbrokkelend krijt waarmee niet te schrijven is, de vloed
die ondermijnt en ontwortelt en tekeergaat
in de brandingsnissen en verstikt soms meehuilt
tijdens de engelenmissen
 
de zee beneden je, als keek je
door Braques glasscherven voor het eerst
naar zulke breekbare, onbestaanbare
tinten blauw en grijs
 
het sluike drenkelingenhaar van de wieren
wenkt de schaduwen die vergeefs tegen de dwarsstroom
proberen op te zwemmen, terwijl stenen
vonken in de diepte en een oorverdovend geruis
de schelpen, schelpenbanken spoelt
 
het kerkhofgrint is onberispelijk aangeharkt –

 

 2071997-5fffc0c69eb7fbd1efe29e0d052eb1fb.jpg
Hans Tentije (Beverwijk, 23 december 1944)

Geschreven door Romenu om 08:05 Reageer op dit bericht

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

 

Zink
in memoriam Lisbé Smuts-Smith

1
Veeg de sneeuw van de daken
vouw de vogels weer dicht
laat de winter nog slapen
doe iets aan het licht

Sluit de tuin en strooi kiezels
in het bord van het kind
pluk messen en wespen
plet van perziken de pit.

(Gordijnen wil men en aceton
en al wat de lente vertraagt.
Slavernij desnoods of spoorwegen
of ergens iets desolaats.)


2
Nu klotst het water zaagt men hout
blaffen honden brutaal

Nu zit ik hier in deze vlei
te roeien naar een taal

Papyrus zingt de ibis vliegt
de stilte hoort men niet

De boot valt stil wij stappen uit
en rillen met het riet

Onder het water zal mijn adem
trager woorden blazen

Dit machteloze schrijven
is een vroege vorm van zwijgen -

 

 2071796-a85634a43fd32981b499b77018a8801e.jpg
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

 

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

“In de winter van 1983 reden we onze nieuwe toekomst tegemoet toen we de grens passeerden bij Nieuweschans, het meest oostelijke punt van Nederland. Voor in de auto riep Kadir ‘Hollanda!’ toen we na vele uren eindelijk de Duitse Autobahn achter ons lieten. Op de achterbank klapten mijn zus en ik in onze handjes. Mijn moeder zat aan het raam en keek onbewogen voor zich uit terwijl de snelwegverlichting haar magere gezicht bescheen.
Een paar maanden daarvoor was mijn vader vanuit Hamburg, waar we drie moeizame jaren hadden doorgebracht, halsoverkop naar Amsterdam vertrokken omdat zijn politiek asiel in Duitsland was afgewezen. Al op zijn tweede dag had hij woonruimte gevonden in een flat in de Bijlmermeer, iets wat hem in Duitsland in al die jaren niet was gelukt waardoor we steeds afhankelijk waren geweest van de welwillendheid van familie en vrienden en van adres naar adres trokken, tot er geen adres meer over was en mijn vader uit wanhoop een tochtig appartement kraakte. Dezelfde dag nog trotseerde hij de Duitse politie. ‘Waar moet ik verdomme heen met mijn gezin?’ had hij vertwijfeld geroepen. ‘Moeten we soms op straat slapen?’ De agenten hadden bedremmeld geknikt en liepen toen weg.
Van Hollanda kon ik me als vijfjarige geen voorstelling maken. Ik dacht alleen maar aan het weerzien met mijn vader die ik al zo lang niet had gezien dat ik me zijn stem nauwelijks kon herinneren. Maar eerst wilde ik op de Autobahn achter het stuur zitten van de grote Mercedes Benz, want dat hadden ze me beloofd.
Mijn moeder had vergeefs geprotesteerd. ‘Hij is nog maar vijf, dat is veel te gevaarlijk.’
Maar Kadir had gegrijnsd en daarna een diepe trek van zijn Camel genomen. ‘Dan is hij al ouder dan ik dacht.’ Hij had zijn sigaret dreigend in de lucht gehouden. ‘In het dorp bestuurde ik op mijn vijfde al een tractor. Wind je dus niet zo op, zuster, anders maak je nog een mietje van Metin.’
Kadir was de man die mij mijn eerste trek van een sigaret had gegeven. Het was op de wc van een buurtcentrum in Hamburg waar Turkse communisten regelmatig vergaderden over de rechten van de onderdrukte arbeiders en de bedroevende staat van Turkije na de staatsgreep van 1980. Ik nam gretig een trek van de peuk zoals ik mijn vader dat zo vaak had zien doen, maar een paar tellen later vlogen mijn longen in brand en begon ik onbedaarlijk te hoesten. Ik kreeg geen lucht meer en zakte door mijn knieën, maar het enige wat Kadir deed, was zijn makker Erol lachend op zijn schouder slaan. Sindsdien was ik een beetje bang van Kadir”.

 2071796-831c963fc97cd45ac587044b62a17cfc.jpg
Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

 

 

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor D. H. Lawrence op dit blog.

Uit: The White Peacock

“I stood watching the shadowy fish slide through the gloom of the mill-pond. They were grey, descendants of the silvery things that had darted away from the monks, in the young days when the valley was lusty. The whole place was gathered in the musing of old age. The thick-piled trees on the far shore were too dark and sober to dally with the sun; the weeds stood crowded and motionless. Not even a little wind flickered the willows of the islets. The water lay softly, intensely still. Only the thin stream falling through the mill-race murmured to itself of the tumult of life which had once quickened the valley.
I was almost startled into the water from my perch on the alder roots by a voice saying:
“Well, what is there to look at?” My friend was a young farmer, stoutly built, brown eyed, with a naturally fair skin burned dark and freckled in patches. He laughed, seeing me start, and looked down at me with lazy curiosity.
“I was thinking the place seemed old, brooding over its past.”
He looked at me with a lazy indulgent smile, and lay down on his back on the bank, saying:
“It’s all right for a doss—here.”
“Your life is nothing else but a doss. I shall laugh when somebody jerks you awake,” I replied.
He smiled comfortably and put his hands over his eyes because of the light.
“Why shall you laugh?” he drawled.
“Because you’ll be amusing,” said I.
We were silent for a long time, when he rolled over and began to poke with his finger in the bank.
“I thought,” he said in his leisurely fashion, “there was some cause for all this buzzing.”
I looked, and saw that he had poked out an old, papery nest of those pretty field bees which seem to have dipped their tails into bright amber dust.”

 

 2071796-bc11e75d0fcbe65c4fb4aef97b5a379a.jpg
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Eddy van Vliet op dit blog

 

Van de terugkomst der golven

Van de terugkomst der golven
heb ik je nauwelijks
en hoezeer weet je dat ook ik de hopeloze vrager ben
kunnen overtuigen

ook de jaargetijden
ook de ziekten
ook de bewegingen
ook de tranen
ook de bijen
ook de reigers en de regen
ook de beloften en de bladeren
met de golven hebben zij de terugkomst gemeen

enkel na de dood
en bij dit woord
leg ik mijn liefste hand op al je lippen
alsof de verzegeling van je blozend lichaam
het kiemend zaad stuiten kon

‘neen, na de geboorte is de dood niet meer mogelijk’

en zoals nooit tevoren
d.w.z. zoals elke avond
slaap je in
met zoveel dromen als er vragen blijven.

 

 

Zoals de morgen in de nacht dringt

Zoals de morgen in de nacht dringt
d.w.z. behoedzaam en onafwendbaar
glijden de schaduwen van de minnaar
eerst zijdelings langs haar lenden
met iets van het woord ‘nauwelijks’ in elk gebaar
om plotseling onvoorwaardelijk zwaar
vanuit haar geheimste plooien
als een valk te vallen
in het laatste licht
dat zij langzaam dooft onder haar lichtste wimpers.

 

 2071796-db127123d7b2fa2b74737b807f44f8df.png
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)
In 1974 

 

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California. Zie ook alle tags voor Andre Dubus III op dit blog.

Uit: House of Sand and Fog

“The fat one, the radish Torez, he calls me camel because I am Persian and because I can bear this August sun longer than the Chinese and the Panamanians and even the little Vietnamese Tran. He works very quickly without rest, but when Torez stops the orange highway truck in front of the crew, Tran hurries for his paper cup of water with the rest of them. This heat is no good for work. All morning we have walked this highway between Sausalito and the Golden Gate Park. We carry our small trash harpoons and we drag our burlap bags and we are dressed in vests the same color as the highway truck. Some of the Panamanians remove their shirts and leave them hanging from their back pockets like oil rags, but Torez says something to them in their mother language and he makes them wear the vests over their bare backs. We are upon a small hill. Between the trees I can see out over Sausalito to the bay where there are clouds so thick I cannot see the other side where I live with my family in Berkeley, my wife and son. But here there is no fog, only sun on your head and back, and the smell of everything under the nose: the dry grass and dirt; the cigarette smoke of the Chinese; the hot metal and exhaust of the passing automobiles. I am sweating under my shirt and vest. I have fifty-six years and no hair. I must buy a hat.
When I reach the truck, the crew has finished their water and the two Chinese light new cigarettes as they go back to the grass. The Panamanians have dropped their cups upon the ground around their feet and Tran is shaking his head, and saying something in his language as he stoops to pick them up with his hands. Mendez laughs. He is almost as big as the radish and there is a long burn scar the color of sand upon one of his fat arms. He sees me looking at it as I drink my ice water and he stops his laughing, no longer does he even smile, and he to me says: "What you looking at, viejo?"
I drink from my cup and let him look at my eyes. His brothers have started to go back to work but now they stop to watch.
"Old maricon," says Mendez. He takes up his trash spear from the orange tailgate, but my eyes look at the burn again long enough for him to see. His face becomes more ugly than it already is and he yells something at me in his language and his teeth are very bad, like an old dog's. I don't give him rest from my eyes and so now he steps to me, yelling more, and I smell him, last night's wine and today's sweating of it, and now Torez is yelling louder than Mendez. Again it is in their mother tongue and it is over quickly because Mendez knows this crew can manage very fine without him, and he needs money for his sharob, his wine. He is goh, the shit of life. They are all goh”.

 

 2071796-c0545efb715d01c3abad583c7b1a2c2f.jpg
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

 

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.

 

Sestina

U is nearly six, and the ice-covered road
Bends toward the north.
Chains
Clatter on tires. The muffled metal echo,
Like the surface of a lake, glitters up front.
The weightless and wounded March snow
Still tries to cover the annihilated forest.

Like a drawbridge which divides the sluggish forest,
My glance lifts and stops. It is led astray by the road
Against which several times have battered the snow
And the monotonous chains

Of birch trees. In the pure mist the well rises in front
Of the empty houses. And everything else is an echo

And clots of air. The aimless echo,
Which does not exist, resounds through the forest.
The graphite mirror stands blackly in front
Of the great darkness. We have been given the road
And the heaven-sent chains,
The invisible but all-powerful snow.

The old-aged spring is watched by the snow,
And our hearing is unraveled by the many-faced echo.

Like a pond which has broken loose from its chains,
A blind thought seeps into the forest.
Here, gasoline will not help, the white road,
Or the beam of light clearing up front.

The formless cosmos emerges in front.
The biting star, the mindless snow
That cloaks the field, the armed road.
A shadow, a reflection, a painting, an echo
Fill the crumbling Arden forest,
And their payment is the solitary chains.

Will we be tempered by your chains?
Things and elements stand in front
Of me. I will leave that severe forest
Where the trees are covered and guarded by snow,
And the word is replaced by an empty echo,
And everything ends. Perhaps the road

Is a net of chains. My protected road
To your forest. The earth is frozen with snow.
We have become enemies. You are only an echo.

 

 2071796-4b7927e8bce0a566ef4b77e9e31b7837.jpg
Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

 

 

De Amerikaanse dichter en psychiater Merrill Moore werd geboren op 11 september 1903 in Columbia, Tennessee. Zie ook alle tags voor Merrill Moore op dit blog.

 

Fable

Does everyone have to die? Yes, everyone.
Isn’t there some way I can arrange
Not to die — cannot I take some strange
Prescription that my physician might know of?

No. I think not, not for money or love;
Everyone has to die, yes, everyone.

Cannot my banker and his bank provide,
Like a trust fund, for me to live on inside
My warm bright house and not be put into
A casket in the clay, can they not do
That for me and charge a fixed per cent
Like interest or taxes or the rent?

No, Madame, I fear not, and if they could
There might be more harm in it than good.

 

 

The Noise That Time Makes

The noise that Time makes in passing by
Is very slight but even you can hear it
Having not necessarily to be near it,
Needing only the slightest will to try!

Hold the receiver of a telephone
To your ear when no one is talking on the line
And what may at first sout,d to you like the whine.
Of wind over distant wires is Time's own
Garments brushing against a windy cloud.

That same noise again but not so well
Can be heard by taking a large cockle shell
From the sand and holding it against your head;

Then you can hear Time's footsteps as they pass
Over the earth brushing the eternal grass.

 

 2071796-01550674d88514cae211321527f3da8a.jpg
Merrill Moore (11 september 1903 – 20 september 1957)

 

 

De Duitse schrijfster Barbara Bongartz werd geboren op 11 september 1957 in Keulen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Barbara Bongartz op dit blog.

Uit: Die Schönen und die Reichen

„Ich habe Glück gehabt, dass meine Kindheit unmissverständlich war. Ich kann sie nicht vergessen. So wenig wie ich meine Mutter, eine blasse Erscheinung mit strähnigem Haar, zuwenig Gewicht und zu kurzgeschnittenen Fingernägeln vergessen kann.
Sie starb vor ein paar Jahren an Knochenkrebs.
Dass meine Mutter mich mit in diese Häuser nahm, war ein heikles Arrangement. Sie war unsicher, durchlöchert von Angst.
Ständig besorgt, dass wir lästig sein könnten, dass ihre Arbeit den Preis ihrer Anwesenheit nicht aufwiegen, dass ich etwas anfassen und kaputt machen könnte, verhielt sie sich, als seien wir verseucht. Mehr noch als die Bewohner, die nur in Ausnahmefällen in Erscheinung traten, schüchterten die Dinge in diesen Häusern sie ein. Die Gerätschaften, Utensilien, Dekorationsstücke waren Zeugen und Markierungen anderer Welten, die sie verunsicherten. Sie blieben ihr nicht nur fremd: Sie schienen beseelt von ihren Eignern zu sein, übermächtig in ihre Erscheinung, lauernd in ihrer Stellvertreterschaft. Nie verlor meine Mutter den Dingen gegenüber ihre ohnmächtige Furcht, obwohl sie sie täglich säubern musste.
Ich, das kleine Mädchen, sah indes mit Staunen, dass es Leute gab, die andere für die Beseitigung des täglichen Drecks bezahlten. Ich fragte mich, woher das kam. Ich bin ein altkluges Kind gewesen. Während meine Mutter die Erniedrigung zu ignorieren schien, empfand ich die Würdelosigkeit für uns beide. Natürlich gab es Dreck und Dreck. Der Dreck auf der Terrasse wa rschlichter Schmutz, bröcklige Erde, feuchter Sand, nicht aufgeladen von privaten Handlungen wie die ungenießbaren Reste von Speisen oder der heikle Unrat, den intime Verrichtungen hinterlassen.
War Mutter stumpf oder tapfer? Oder war es Demut, mit der sie das Nötige tat, ohne ein Wort darüber zu verlieren? Ich weiß nicht, ob sie je in Erwägung zog, etwas anderes zu tun, als anderen auf der niedrigsten Stufe zu dienen. Zu einer Zeit, in der ich alt genug gewesen wäre, es herauszufinden, lief ich davon. Ich wollte nicht das Kind dieser Mutter sein, kein Kind einer Frau für den Dreck, egal welches ihr Motiv gewesen war oder ob sie überhaupt eines hatte."

           

 2071796-705b6702549c2d5a440b7275ce43bdda.JPG
Barbara Bongartz (Keulen, 11 september 1957)

 

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.

 

Sonett

Ich mußte schweigen, als ich schied von dir,
Die Lippe schien der Sprache zu entbehren,
Es blieb das Wort zurück im Busen mir,
Das Herz entfloh und will nicht wiederkehren.

Dir bleibt geöffnet deines Hauses Thür,
Du wirst im Lenz dort Nachtigallen hören -
Getrennt, im tiefen Unglück leb' ich hier,
Mein Haus ist fern, ich kann nicht wiederkehren.

Kein Echo klang mir nach, als ich geschieden;
Doch besser, daß mein Angedenken nimmer
Gefährde deiner hellen Träume Frieden!

Der Morgen wird dir neues Glück gewähren -
Ich nehme Abschied von dem letzten Schimmer,
Um aus dem Dunkel nie zurückzukehren!

 

Vertaald door Heinrich Nitschmann

 

 

Rosentage sind verronnen

Rosentage sind verronnen,
Liebster, geh! Bist frei!
Der Goldfaden riss entzwei,
Den die Lieb’ gesponnen.

Und ich ließ ihn, sprang von hinnen,
Suchte neues Gold.
Doch das Glück war mir nicht hold,
Nichts fand ich zum Spinnen.

Wieder blüht der Rosen Schimmer,
Nur dahin mein Glück.
Liebster! Ruf ich, komm zurück!
Doch der glaubt mir nimmer.

 

 2071796-70c10f9883e860986fb827a4547e7f11.jpg
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Portret door Aleksy Strażyński, 1886

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten