Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 13 september 2017 tot 14 september 2017

Dolce far niente, Eugen Roth, Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma

 

Dolce far niente

 

 2072889-2f0061d1251fc86785146cec480b2dbf.jpg
Binnenplaats van het ziekenhuis in Arles door Vincent van Gogh, 1889

 

 

Das ist der Krankenhäuser Sinn

Das ist der Krankenhäuser Sinn,
Dass man - wenn's geht - gesund wird drin.
Doch wenn man's ist: dann schnell heraus!
Ansteckend ist das Krankenhaus.

 

 2072889-c541269fda7bb5ab0865e238e7c4a949.jpg
Eugen Roth (24 januari 1895 – 28 april 1976)
Städtisches Krankenhaus in München, de geboorteplaats van Eugen Roth

 

 

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

 

Alsof zij daar ligt, nu

Alsof zij daar ligt, nu
hier is gaan liggen, en aanbiedt
wat zij onthult: een duin, blakend

op haar zij, een waarsprekende
waaier, de rilling die mij opricht;

en geur, ooit zo doorhuifd als alleen
verbeelding het wil, opdat zij uitmaakt
hoe het is. Niet hier immers, door mijn
ogen niet, is zij opgewekt om toen
daar te gaan liggen, zich te doen
zoals het wordt.

 

 

[In de flank getroffen]

In de flank getroffen;
in het eigenste vreemdgaande.
Die zich inscheepten: een golf

het gezicht ontsluit - de twijfel.

Het gepeuter aan windharpen.

De dode plek op de helling.
Wat ik niet kan vangen
draag ik bij me; schipbreuk
lijdt iedereen after all.

 

 

[Mir nix: dir nix]

Mir nix: dir nix.

Ergens niets aan hebben.
Van iemand niks moeten hebben.
Heb jij terug van de zee?
Heeft zij van zee terug?

Haast zijn de ogen die je mooi vindt
al van rookkwarts, gaat het kwarts
dat jou aardig vindt in rook op.

Ergens niets aan gehad hebben.

Nooit ergens heen hoeven.
Niets kunnen vergeten.
Niks maken van niets.

Dir nix: mir nix.

 

 2072889-1102efa469983959b622cae722ce3096.jpg
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)
 

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Storm werd geboren in Husum op 14 september 1817. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Theodor Storm op dit blog.

Uit: Der Schimmelreiter

"Mich wollte nachträglich ein Grauen überlaufen. "Verzeiht!" sprach ich, "was ist das mit dem Schimmelreiter?"
Abseits hinter dem Ofen, ein wenig gebückt, saß ein kleiner hagerer Mann in einem abgeschabten schwarzen Röcklein; die eine Schulter schien ein (Reclam, S. 8) wenig ausgewachsen. Er hatte mit keinem Worte an der Unterhaltung der andern teilgenommen, aber seine bei dem spärlichen grauen Haupthaar noch immer mit dunklen Wimpern besäumten Augen zeigten deutlich, daß er nicht zum Schlaf hier sitze.
Gegen diesen streckte der Deichgraf seine Hand. "Unser Schulmeister", sagte er mit erhobener Stimme, „wird von uns hier Ihnen das am besten erzählen können; freilich nur in seiner Weise und nicht so richtig, wie zu Haus meine alte Wirtschafterin Antje Vollmers es beschaffen würde."
"Ihr scherzet, Deichgraf!" kam die etwas kränkliche Stimme des Schulmeisters hinter dem Ofen hervor, „daß Ihr mir Euern dummen Drachen wollt zur Seite stellen!"
"Ja, ja, Schulmeister!" erwiderte der andere, "aber bei den Drachen sollen derlei Geschichten am besten in Verwahrung sein!"
"Freilich!" sagte der kleine Herr; "wir sind hierin nicht ganz derselben Meinung"; und ein überlegenes Lächeln glitt über das feine Gesicht.
"Sie sehen wohl", raunte der Deichgraf mir ins Ohr; "er ist immer noch ein wenig hochmütig; er hat in seiner Jugend einmal Theologie studiert und ist nur einer verfehlten Brautschaft wegen hier in seiner Heimat als Schulmeister behangen geblieben."

 2072889-90cd629cc66d6b593d8d2542b823d558.jpg
Theodor Storm (14 september 1817 - 4 juli 1888)
Cover luisterboek

 

 

De Surinaamse schrijver Leo Henri Ferrier werd geboren in Paramaribo op 14 september 1940. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Ferrier op dit blog.

Uit:Hoogtij overzee ( Notities van een vriend)

“Deze hard werkende mannen veranderen zichtbaar een zwaarkleizwamprivierbos dat het in het begin is, in een prachtig groen geëgaliseerd landschap met wit beschelpte straten en tussenpaden. Precies een jaar. Eerst een periode van zware regens, dan felle droogte met veel stof.
Afvoerkanaaltjes met helder water. Een wat breder en langer kanaal aan de noordzijde, geeft door een lichtgroene omzoming aan het hele landschap waarin de grote sierbomen gelukkig gespaard zijn gebleven, een heel apart karakter. Na de eerste ruk flink doorwerken, neem ik 's middags tegen vijven even een pauze voor een wandeling met Rasso op het project. Ik wandel altijd naar dezelfde plek. Waarom ik ook de eerste keer naar die plek gewandeld ben, weet ik niet. Ik neem een klein plankje mee om niet op de vochtige grond te zitten. Rasso rent vast vooruit.
Voor me de brede rivier. Bij eb, bruin troebelig aanrollende moddergolfjes. Na een uurtje kaatsen late, oranje zonnestralen er sombere nuances violet in. Van de groenig bruisende vloedgolven omrand met ragfijn schuim, geniet ik beter. Een stralend blauwe hemel. Koele wind. Een vlucht witte snippen scheert plotseling rakelings over het water. In formatie, een mathematisch haarscherp gelijkzijdige driehoek. Basis en top schijnen elkaar snel van plaats te verwisselen. Voor je ze kunt tellen, zijn ze alweer in het niet verdwenen, waar ze net uit vielen. Op de andere oever. Het eerste dat duidelijk te zien is, het huis uit Ātman, zwevend in een koepel van donkergroen bos. Buitenboordveerbootjes zie ik af en aan varen. Dezelfde namen. Daar op die plek, maakt mijn geweten me bewust van het conflict dat in feite mijn depressie, wanhoop en onzekerheid veroorzaakt. Een zekere onvrede tussen mezelf en mijn nieuwe werk.
Twee maanden zijn er nu weer om. Geen school. Toch heb ik niets en dan ook niets met het schrijven kunnen presteren. Al die ideeën van me. Ik wil toch wel. Meen ik nu de kern gevonden te hebben waar het in zit dat ik er niet goed toe kom? Iedere keer komt er weer te veel tussen. Zo kun je niet werkelijk geconcentreerd werken. Alles duurt zo kort. Die invallen, schetsen. Voor Brsk. Dan weer voor Blawoj of de Mandiënri. Eén dag. Meestal ben ik daarna niet meer in staat iets zo af te maken, dat ik het gaaf getikt voor me heb. Later blijkt het allemaal te vaag om er in de zin van uitwerken iets mee te doen. Toch blijf ik er steeds mee bezig. Weer zo'n prachtige middag.”

 

 2072889-559bb8899f4706a28aff084e86bf5c0c.jpg
Leo Ferrier (14 september 1940 - 30 juli 2006)
Paramaribo

 

 

De Surinaamse dichter, schrijver, journalist en muziekpedagoog Corly Verlooghen werd geboren op 14 september 1932 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Corly Verlooghen op dit blog.

 

dit wankel huis

Hindostanen en Creolen
hebben het gezegd
de laatsten het bevolen
er is een avontuur te vondeling gelegd.

en wij staan onbehulpzaam toe te zien
hoe het bederf invreet
in de huid van 't jonge kind

God had ik maar de macht
een lied te zingen waarnaar men
luistert in dit wankel huis
dat zo gebarsten is en dreigt
omver te vallen in een onverhoedse nacht.

 

 

kruis en as

Niets verhevener is er dan
de morbide toon van je stem
onder de regennatte bladeren
bij het kruis:

een kind hing eens verborgen
aan de navelstreng
een vrouw kreet toen verlaten
in uiterste benauwenis

ik die de eerste kus mocht
drukken in je begeerlijke poriën
kroop in het zoete ritme
van je bedding rond

maar onder regennatte bladeren
bij de zerk in het gras
staan wij nu met de pijn
van kruis en as.

 

 2072889-42ab76652ec123b1a268bff7a8eecbdc.jpg
Corly Verlooghen (Paramaribo, 14 september 1932)

 

 

De Noord-Ierse schrijver Bernard MacLaverty werd geboren in Belfast op 14 september 1942. Zie ook alle tags voor Bernard MacLaverty op dit blog.

Uit: Midwinter Break

“In the bathroom Stella was getting ready for bed. Gerry had left the shaving mirror at the magnifying face and she was examining her eyebrows. She licked the tip of her index finger and smoothed both of them. Then turned to her eyelids. She was sick of it all – the circles of cotton wool, the boiled and sterilised water in the saucer, the ointments, the waste bin full of cotton buds.
She said goodnight to Gerry and, on her way to the bed- room, passed their luggage in the hall. She switched on the late night news on the small radio beside her bed and got into her pyjamas. Quickly, because the bedroom air was cold. She saw no point in paying good money to heat a room all day for a minute's comfort last thing at night.
Before getting into bed she turned off the electric blanket.
Now and again she'd fallen asleep with it still on. By the time Gerry came to bed she felt and looked awful. 'Like fried bacon,' was the way he described her.
She loved this hour to herself – this separation at the end of every day. Her hot-water bottle, the electric blanket, the radio voices. Gerry, out of action, in another room listening to music on his headphones. Having a nightcap, no doubt. Or two or three. The storm doors locked, the windows bolted.
The place safe. Sometimes after the news she read for a while n the silence. The sound of a page turning. The absence of talk. But of late she'd been too tired to read, even to hold a book. Hardbacks were out of the question. There was a tip- ping point when she knew she was going to 'get over'. Her head would go down on the pillow, her hand creep out from under the covers to get rid of the book or to switch off the radio. The duties and the menus and the lists melted away. Responsibilities were such that nothing could be done at this hour. They were hidden behind a curtain but would return with a swish first thing in the morning. And before she knew, she was sound asleep.”

 2072889-321985c9c5c4e54bbe9c712e2bdb169e.jpg
Bernard MacLaverty (Belfast, 14 september 1942)

 

 

De Tsjechische schrijver Ivan Klíma werd op 14 september 1931 geboren in Praag. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en ook alle tags voor Ivan Klima op dit blog.

Uit: Love and Garbage (Vertaald door Ewald Osers)

“The woman in the office told me to go to the locker room: I was to wait there. So I set out across the court to a door which bore the notice LOCKERS. The office was grey and dismal, and so was the courtyard, with a pile of broken bricks and rubble in one corner, several two-wheeled handcarts, a lot of dustbins, and not a touch of greenery anywhere. The locker room seemed to me even more depressing. I sat down on a seat by the window which looked out on that dismal yard, clutching a small leather case which contained three small sweet buns, a book, and a notebook in which I was in the habit of jotting down anything that occurred to me in connection with what I was writing. Currently I was finishing an essay on Kafka. There were two other men sitting in the locker room already. One, tall and greying, reminded me of the specialist who many years before had removed my tonsils; the other, a short, stocky man of uncertain age in very dishevelled and dirty trousers scarcely reaching halfway down his calves and with enormous sewn-on pockets rather like misshapen pistol holsters, wore on his head a sea-captain's cap with a peak and a gleaming golden anchor above it. From beneath the peak a pair of eyes the colour of shallow coastal waters were watching me curiously. Those eyes, or rather their glance, seemed somehow familiar. He obviously realised that I was new here and advised me to put my identity card on the table. I did as he said, and as he placed his next to mine I noticed that he did not have a right hand; a black hook protruded from his sleeve. By now my new workmates were beginning to arrive — the sweepers. A squat young idiot with a nervous facial tic sat down next to me, took out a pair of dirty shaft-boots from a locker, and turned them upside down. From one of them there ran out a quantity of liquid which might just have, but most probably did not, come from a tap. He immediately began to scream at us all in a language of which I was unable to make out a single word. I am not sure myself what made me decide to try this unattractive occupation. Most probably I thought that I would gain from it an unexpected view of the world. Every so often you feel that unless you look at the world and at people from a new angle your mind will get blunted. As I was waiting for what would happen next there suddenly came to my mind the scene, fifteen years ago, when I was about to return home from my stay in America and the dean there gave a dinner in my honour. The dean was a mathematician, and wealthy. He owned a stableful of horses and a house in the style of a hunting lodge. I had only met him once before and I didn't really want to go to the dinner: a crowd of strangers tends to depress me. But then, how could I have known anyone properly when I had been teaching at the university for a mere six months?”

 

 2072889-4ff39fdfff7406002ed6a0db6af84222.jpg
Ivan Klíma (Praag, 14 september 1931)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e september ook mijn blog van 14 september 2015.

Geschreven door Romenu om 18:13 Reageer op dit bericht

Alexander Schimmelbusch

De Oostenrijkse schrijver Alexander Schimmelbusch werd geboren op 14 september 1975 in Frankfurt am Main geboren en groeide op in Frankfurt am Main en New York. Na zijn studie economie en germanistiek aan de Georgetown University in Washington werkte hij vijf jaar als consultant voor fusies en overnames bij een investeringsbank in Londen. Tegenwoordig woont hij als auteur en journalist afwisselend in Berlijn en New York. Voor zijn roman “Blut im Wasser“ kreeg hij in de 2009 de Hotlist Award.

Uit:Blut im Wasser

„Als ich aufwache, habe ich einen trockenen Rieslinggeschmack im Mund. Ich liege reglos da, in einem leeren Raum, nackt unter einem dünnen Laken. Die gläsernen Wände, die mich umgeben, sind vereist, die kahlen Zweige hinter ihnen sind nur als graphische Strukturen sichtbar. Mein Haus ist nicht beheizt, aber mein Atem bildet keine Dampfwolken. Für einen Augenblick habe ich Angst, dass ich in der Nacht gestorben bin. Ich stehe auf und schleppe mich ins Badezimmer, wo ich den Spiegel mit einem Handtuch verhänge. Ich habe keine Pläne für den Tag, ich habe Nasenbluten und Sehstörungen und Schmerzen in meiner Brust, für die ich keine harmlose Erklärung habe. Ich drehe am Wasserhahn und beuge mich nach vorne, nehme behutsam drei tiefe Schlucke, bevor ich meinen Kopf unter den eiskalten Schwall strecke. Den Versuch, meine Zähne zu putzen, muss ich sofort wieder abbrechen, da die Vibrationen der elektrischen Bürste Kopfschmerzen wecken. Von meinem Schreibtisch aus habe ich einen unverbaubaren Blick über den Fluss hinweg auf die Bürostädte am gegenüberliegenden Ufer. Die Zimmer sind spärlich möbliert, einige stehen leer; die Böden sind mit Platten aus Travertin ausgelegt. Ich habe mir den Grundriss meines Hauses offenbar so gut eingeprägt, dass ich mich darin auch bei Finsternis in gewohnter Geschwindigkeit fortbewegen kann, ohne irgendwo anzustoßen. Diese Tatsache ist mir irgendwann einmal im Zuge eines Stromausfalls bewusst geworden, als ich, nachdem in derStadt die Lichter erloschen waren, meinen Ablauf fortsetzte, als wäre nichts geschehen. In der sprudelnden Hitze unter der Oberfläche wird mir schwarz vor Augen. In meinem Zustand schwimmen zu gehen ist zweifellos gefährlich, aber ich weiß: wenn ich nicht regelmäßig Sport treibe, vergreise ich. Stoisch beginne ich daher, meine Bahnen zu ziehen. Angst vor dem Ertrinken, denke ich mir, kann man mühelos verdrängen. Man kann in die Großstadt ziehen, sich eine Aufgabe suchen, sein Glück finden. Man kann, wie ich mir denke, während ich eine formvollendete Wende abschließe, sich ein Lächeln aufsetzen. Über die hintere Treppe gelange ich in meine aus Deutschland importierte Küche, die in ihrer Reduktion, wie es Amy formulierte, als sie vor Kurzem bei mir zum ersten Mal zu Gast war, an einen Obduktionssaal erinnert. Vor der offenen Tür des Kühlschranks beginne ich damit, eine Flasche fettarme Milch zu leeren. Ich konzentriere mich dabei auf die Schluckgeräusche, die in meinem Kopf zu hören sind, und spiele mit dem Gedanken, mir eine Zeitung auszudrucken, verwerfe diesen aber, da ich mich momentan noch nicht in der Lage fühle, mich für irgendetwas zu interessieren.“

 

 2171897-259bbfa26a8ab2e1b5c76eef070c0b0e.jpg
Alexander Schimmelbusch (Frankfurt am Main, 14 september 1975)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jenny Colgan

De Schotse schrijfster Jenny Colgan werd geboren op 14 september 1972 in Prestwick, Ayrshire. Zij studeerde aan de universiteit van Edinburgh en werkte zes jaar in de gezondheidsdienst, bijklussend als cartooniste en als stand-up-comedian. Zij schrijft zowel onder haar eigen naam als onder de pseudoniemen Jane Beaton en J. T. Colgan.. Zij woont afwisselend in Frankrijk en Londen. In 2000 publiceerde ze haar eerste roman, de romantische komedie “Amanda’s Wedding”. In 2013 ontving zij voor haar roman “Welcome to Rosie Hopkins' Sweetshop of Dreams” de Romantic Novel of the Year Award van de Romantic Novelists' Association. In 2012 verscheen haar Doctor Who tie-in roman “Dark Horizons” onder de naam J. T. Colgan.

Uit: Amanda's Wedding

“Most of the really messy things in life don't actually have a beginning-they kind of bear down on you over years, like the consequences of not cleaning your bathroom floor (stickiness, cholera, etc.).
This one did, though. It definitely did, and I remember it extremely clearly. Well, in a fuzzy kind of way.
Thank God-it was my bed. So, one, I was actually in a bed; and two, it was mine. I was beating the odds already. I prized open one very sticky eye and attempted to focus it, to try to work out where the smell was coming from. I appeared to be jammed between the wall and an extremely large and unidentifiable chunk of flesh.
The chunk of flesh was connected to lots of other chunks, all in the right order: But I didn't notice this until after I'd sat bolt upright in terror at a potential Godfather-type situation in my bed.
Everything seemed weirdly out of proportion. Maybe I was still drunk. I pawed at the sticky stuff at the corners of my eyes. No, something was still very wrong.
An inappropriate hand was slung across me. It appeared to be about the size of my stomach, and my stomach is not renowned for its tininess.... A thought began to worm its way into my head.
I knew that thought and tried to avoid it for as long as possible, but alongside my hangover voice that was howling, Fluid! Fluid! the thought whispered, Oh, my God ... it's Nicholas ... again! I grimaced like I'd just swallowed something nasty, which, let's face it, I probably had.
Slowly creeping my way off the end of the futon, and feeling worse and worse, I crawled into the kitchen in search of aspirin and Diet Coke. Fran, of course, was lying in wait. She didn't live here, but she made herself more at home than I did. Her own place was a three-foot-square studio that induced immediate Colditz fever, so I'd got used to her wandering in and out.
"Good morning!" trilled Fran, bright and breezy. She must have been putting it on. Through a strange fog-which I supposed was the alcohol in my system filling me right up to the eyes-she actually looked quite good. I couldn't focus on her mass of fuzzy hair, but I did notice that she was wearing one of my T-shirts, not quite covering thighs that didn't even meet in the middle. I hated that.
I summoned all my energy to pipe, "Hello!"
"Hung over?"
"No, no, absolutely fine. I've just suddenly developed a taste for a half bottle of warm flat Coke, okay?"

 

 2109707-c96ac620b994c91fe7f0cd5bfd8e9f7c.jpg
Jenny Colgan (Prestwick, 14 september 1972)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Tõnu Õnnepalu, Roald Dahl, Janusz Glowacki, Jac. van Looy, Nicolaas Beets, Marie von Ebner-Eschenbach, Otokar Březina, Julian Tuwim, Muus Jacobse

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Flanders Diary (Vertaald door Miriam McIlfatrick)

“This perfect world is strange, and a little awful. I went out on the bike yesterday, planning to stay out longer, to go further, I felt that I could not stand being here in this room or outside any longer. Curious, at home I hardly ever get that feeling. I can move between room and garden for a whole week, going no further and it never enters my head that I should. If I have to go somewhere, it is simply a bore. It would be nteresting to know how many of those writers whose pictures are hanging on the corridor wall have agonized here? Most of them, I suspect. This bed where I toss and turn must have been a similar nightly battleground for a fair few. A struggle with your chimera, a writhing consciousness which wants to become itself in the mirror, but does not dare. Dreams. I am already a little afraid of this room with its cold, damp smell, the constant whine of a gnat in some corner, the broad white bed. Only at midday when the sun shines in through the withered vine tendrils and scatters patches of light over everything, is it good to stretch out, not on the bed but on the hard wooden sofa.
A perfect world ... It would be if we did not have such imperfect dreams. Yesterday I decided to do the 39-kilometre cycle route and it was good. It goes along backroads, in between fields. There is more land round there, less real estate development. There is not much development anywhere, the real estate is for the most part ready, completed earlier. The same goes for the roads. The smaller roads here are made of reinforced concrete, they seem to consist of slabs with little interstices, just like the Narva, or rather, the Leningrad road once was. It was built by German prisoners of war. In one place near Tollenbeek I saw this concreting, they were doing repair work. Apart from that there is no major road construction anywhere to be seen. Everything is ready. When this was all done, all this concrete laid down between the cornfields and grazing land, is impossible to guess. Earlier. And all these houses. If anything else is built on, it is garages. Not that there aren’t any garages, where would you find a house without a garage! You can always add another one, two or three, if the site is big enough of course. Cars seem to be multiplying here, as with us. Life is good. Could it be better? I do not think so, not significantly. Everyone could have slightly larger houses, but would anyone want that, especially when they are away from home all day. There is enough to do as it is.
The roads could be a little smoother, but what difference would it really make whether the road under you is very smooth or slightly less smooth if, on the way to work in the morning and back home in the evening, you have to sit in a traffic jam anyway?”

 

 2072317-a8b90bffb00df5d083123ccd9cb800c8.jpg
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

 

 

De Britse schrijver Roald Dahl werd geboren op 13 september 1916 in Llandalf, Zuid-Wales. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Roald Dahl op dit blog.

Uit: Going Solo

“When flying a military aeroplane, you sit on your parachute, which adds another six inches to your height. When I got into the open cockpit of a Tiger Moth for the first time and sat down on my parachute, my entire head stuck up in the open air. The engine was running and I was getting a rush of wind full in the face from the slipstream. `You are too tall,' the instructor whose name was Flying Officer Parkinson said. 'Are you sure you want to do this?' `Yes please,' I said. `Wait till we rev her up for take-off,' Parkinson said. 'You'll have a job to breathe. And keep those goggles down or you'll be blinded by watering eyes.' Parkinson was right. On the first flight I was almost asphyxiated by the slipstream and survived only by ducking down into the cockpit for deep breaths every few seconds. After that, I tied a thin cotton scarf around my nose and mouth and this made breathing possible. I see from my Log Book, which I still have, that I went solo after 7 hours 40 minutes, which was about average. An RAF pilot's Log Book, by the way, is, or certainly was in those days, quite a formidable affair. It was an almost square (8" x 9") book, 1" thick and bound between two very hard covers faced with blue canvas. You never lost your Log Book. It contained a record of every flight you had ever made as well as the plane you were flying, the purpose and destination of the trip and the time you had spent in the air. After I had gone solo, I was allowed to go up alone for much of the time and it was wonderful. How many young men, I kept asking myself, were lucky enough to be allowed to go whizzing and soaring through the sky above a country as beautiful as Kenya? Even the aeroplane and the petrol were free!”

 

 2072317-ede1b1bf7fb3f4d93a05e535c1b965b7.jpg
Roald Dahl (13 september 1916 – 23 november 1990)

 

 

De Poolse schrijver Janusz Glowacki werd geboren op 13 september 1938 in Poznań. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Janusz Glowacki op dit blog.

Uit: The Last Supper (Vertaald door Zuza Glowacka)

“Several thousand people died in the catastrophes. Among them were two supermodels, whose deaths - directly preceding the autumn shows - were mourned by millions of ordinary people around the world.
In the meantime, the street lamps on Broadway lit up, followed by the lights in Lincoln Center, and Chagall’s winged creatures once again whirled in the air.
I thought about the passing of glory, but only for a second. Because a man who sat down at the table to my right began, pretty insolently, to bore into me with his puffy blue eyes. He looked about thirty. His legs were short, his torso long, his neck red, his nose was snub, his hair ashy and brushed up in a wave, his cheeks also red and slightly sagging. At first glance he looked familiar, but something about him didn’t fit. His enormous red paws stuck out from the sleeves of his elegant jacket, and a diamond ring which shone just like the real thing was shoved on one short, hairy finger. A second later, a black-haired waiter wearing an earring hustled around me, and with one, smooth movement, unfolded a little table, and placed a mini bucket with a linen napkin and packed with ice and an oversized bottle of Chopin Vodka on it. My neighbor leaned right behind it and over the table.
- Judging by your face, I’d say you were a fellow Slav - he hazarded.
I nodded and he moaned with relief and dropped into the chair next to me.
- My name is Kuba, - he said. And he squeezed my hand much too hard. We sat in silence for a while, and then he jabbed the cover of the magazine with his finger.
- Have you heard of Caine’s lottery by any chance?
The question was absurd. For the last few months, every television station had been occupied with this lottery and nothing else. The whole world knew about it.”

 

 2072317-171cdc2a41998788b1741bba5f5109a6.jpg
Janusz Glowacki (Poznań, 13 september 1938)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Jacobus (Jac) van Looy werd geboren in Haarlem op 13 september 1855. Zie ook alle tags voor Jac. van Looy op dit blog.

 

Zacht valt de regen

Zacht valt de regen uit een hemel zonder pracht...
Die zich stil heeft betrokken met 'n water-zware vracht
Bij het komen van de nacht.
Geen ziet hoe het daalt uit dat duistre wolk-gespan,
Als de tranen stil geschreid van een hoge sterke man,
Die men voelen wel maar zien niet kan.

Langzaam zakt de stad in het duistren van de nacht.
Langzaam valt de regen uit de duistere hemel, zacht
Als een woordenloze klacht.

 

 

Op het kerkhof

Zij liggen rij aan rij de grijze zerken,
Omwonden met een band van dorrend lover;
Gevangen in des winters doffe tover
Slapen de wilgen en de bleke berken.
En op de koude wind is het als stoof er
Hij mij voorbij met zijn getakte vlerken,
En zoekend waart hij om die droeve merken,
Tellend hun tal, de strenge Levens-rover.
De dode blaren stuiven om de zoden,
Waar bloemen groeiden eens en donzen klaver,
Geboren op een graf en daar gestorven.-
Een spade dragend, het gelaat doorkorven
Van rimpels, stapt een stille dodengraver,
Teken van leven, door de hof der doden.

 

 2072317-31e1780452f95a2eec82abb019e40a88.jpg
Jac. van Looy (13 september 1855 – 24 februari 1930)
Zelfportret 1922

 

 

De Nederlandse dichter, predikant en hoogleraarr Nicolaas Beets werd geboren op 13 september 1814 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Nicolaas Beets op dit blog.

 

Een stem van de overzijde

Als 't leven over-leven wordt,
Al is het kort,
't Schijnt lang te duren;
Hoe pijlsnel vroeger tijd verdween,
De laatste zijn de slependste uren;
Zij kruipen heen.

Maar troost de Heer, die ik aanschouw,
U in uw rouw,
Steunt Hij uw voeten,
Zo zult ge uw weg gemoedigd gaan,
Totdat wij ons bij Hem ontmoeten, -
Treed rustig aan!

 

 

Jong blijven

Het hart blijft jong en wordt niet oud,
Wanneer 't zich fris en open houdt
Om al wat menslijk is te voelen,
Te voelen wat een kind verblijdt,
En wat er door de geest moet woelen
Eens jonglings, in zijn schoonste tijd.

Die zijn verleden in zich draagt,
Blijft jong, al is hij welbedaagd,
En wekt der jonkheid geen mistrouwen.
Veel kan hij hopen, wie veel heugt;
Veel met zachtmoedig oog beschouwen;
't Herinn'ren is een grote deugd.

 

 

Verjaardag

De wereld aan te zien, welvarend nog en krachtig,
Maar met een afscheidnemend oog,
De zeventig voorbij, in 't opgaan naar de tachtig,
Een leefkring die, uit veel, een enkle slechts voltoog;

Omstuwd van een geslacht, mij over 't hoofd gewassen,
Meest door een andre geest dan mij vervult bestierd;
Op stelsels prat, die slecht bij wat ik voorsta passen;
Dat weinig missen zal als 't ook mijne uitvaart viert:

Ziedaar wat ernstig maakt; maar niet gebiedt te treuren,
Zolang mij huwlijksmin en kinderliefde omringt,
Een Godlijk avondrood mijn westerkim blijft kleuren,
Zo menig lieve bloem mijn dalend pad doet geuren,
En tussen 't gelend groen nog éne vogel zingt.

 

 2072317-59953ccf53d2080c8d0200b4601be25d.jpg
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Portret door Johan Coenraad Ulrich Legner, 1903

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Marie Freifrau von Ebner-Eschenbach werd geboren op slot Zdislavice bij Kroměří¸ in Moravië op 13 september 1830. Zie ook alle tags voor Marie von Ebner-Eschenbach op dit blog

Uit:Krambambuli

„Vorliebe empfindet der Mensch für allerlei Dinge und Wesen. Liebe, die echte, unvergängliche, die lernt er – wenn überhaupt – nur einmal kennen. So wenigstens meint der Herr Revierjäger Hopp. Wie viele Hunde hat er schon gehabt, und auch gern gehabt; aber lieb, was man sagt lieb und unvergeßlich, ist ihm nur einer gewesen – der Krambambuli. Er hatte ihn im Wirtshause zum Löwen in Wischau von einem vazierenden Forstgehilfen gekauft oder eigentlich eingetauscht. Gleich beim ersten Anblick des Hundes war er von der Zuneigung ergriffen worden, die dauern sollte bis zu seinem letzten Atemzuge. Dem Herrn des schönen Tieres, der am Tische vor einem geleerten Branntweingläschen saß und über den Wirt schimpfte, weil dieser kein zweites umsonst hergeben wollte, sah der Lump aus den Augen. Ein kleiner Kerl, noch jung und doch so fahl wie ein abgestorbener Baum, mit gelbem Haar und spärlichem gelbem Barte. Der Jägerrock, vermutlich ein Überrest aus der vergangenen Herrlichkeit des letzten Dienstes, trug die Spuren einer im nassen Straßengraben zugebrachten Nacht. Obwohl sich Hopp ungern in schlechte Gesellschaft begab, nahm er trotzdem Platz neben dem Burschen und begann sogleich ein Gespräch mit ihm. Da bekam er es denn bald heraus, daß der Nichtsnutz den Stutzen und die Jagdtasche dem Wirt bereits als Pfänder ausgeliefert hatte und daß er jetzt auch den Hund als solches hergeben möchte; der Wirt jedoch, der schmutzige Leuteschinder, wollte von einem Pfand, das gefüttert werden muß, nichts hören.
Herr Hopp sagte vorerst kein Wort von dem Wohlgefallen, das er an dem Hunde gefunden hatte, ließ aber eine Flasche von dem guten Danziger Kirschbranntwein bringen, den der Löwenwirt damals führte, und schenkte dem Vazierenden fleißig ein. – Nun, in einer Stunde war alles in Ordnung. Der Jäger gab zwölf Flaschen von demselben Getränke, bei dem der Handel geschlossen worden – der Vagabund gab den Hund. Zu seiner Ehre muß man gestehen: nicht leicht. Die Hände zitterten ihm so sehr, als er dem Tiere die Leine um den Hals legte, daß es schien, er werde mit dieser Manipulation nimmermehr zurechtkommen.“

 

 2072317-1fb16ed5b34eeb1d785fa3ce784d5479.png
Marie von Ebner-Eschenbach (13 september 1830 - 12 maart 1916)
Als jonge vrouw rond 1850 op een aquarel van Johann Nepomuk

 

 

De Tsjechische dichter Otokar Březina werd geboren op 13 september 1868 in Počátky, Bohemen. Zie ook alle tags voor Otokar Březina op dit blog.

 

Reiner Morgen

Als wir des Morgens, der Träume Last noch fühlend, Gärten nahten,
Da sahen wir die ganze Welt, der frohen Seele Spiegelbild, aufblüh’n in Feuerstaaten,
Da fragten wir die Winde, Wässer, Vögel, Bienen, Bäume:
Wer heute Nacht, geheimnisvoll, durchschritt des Gartens Räume.

Zu Gold verwandelt spielt der Sand, wo heilige Spuren lagen,
Heilquellen rauschten, wellenreich, von Engelshauch getragen,
Ein jeder Hauch barg Lebenskraft für hundert Glutentage,
In jedem Blick lag Staunen und des Neugeborenen Frage.

Unserer Rätsel Schmerzenslast begriffen wir als deinen Ratschluß,
Versiegelt noch empfing dein Brief der Demut treuen Lehenskuß;
Und unsern Feind, der lauernd, bei unserem Tor schlief ein,
Als deinen Knecht, der matt sich lief, luden wir freundlich ein.

In fahrnisreicher Einsamkeit, umweht von böser Geister Macht,
Blüht uns’rer Wünsche zarter Hain, in lilienweißer Beete Pracht,
Und glutenreichste, süßeste, berückendste der Frau’n
Waren für uns, im keuschen Glanz, wie Schwestern mild zu schau’n.

 

Vertaald door Emil Saudek

 

 2072317-d14339efca7fb6f172959cdbc5610c5c.jpg
Otokar Březina (13 september 1868 - 25 maart 1929)

 

 

De Poolse dichter Julian Tuwim werd geboren in Łódź op 13 september 1894. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Julian Tuwim op dit blog.

 

Archangel

Oh, what a charming guy!
Cultured and religious,
absolutely apolitical,
and so non-party it's prodigious.

What lofty ideals
he whispers on the side!
What a clean and holy flame,
beats forth from his noble eyes!

Oh, what a beautiful platform he has,
both righteous and forthright:
absolutely apolitical
and delightfully non-party alright!

It must be so: Civilization,
Democracy, Freedom of Expression,
Victorious Spirit, Representative Government,
Likewise No Class-Based Oppression.

The heart grows when I listen
to his melodious tirades,
absolutely apolitical,
and delightfully non-party by the way.

There must also be Fairness,
Pure Art and Eternal Peace,
Love, Bliss, Luck—or, in a word,
a wonderful fairy-tale world at least.

Such a platform does give rise to fascination!
A true biblical paradise:
absolutely apolitical,
a miraculously non-party place.

“But Prophet, I say, my dearest deity!
while it sure sounds so brilliant and beautiful,
how does one make it real,
does one implement it, make it doable?

All will march behind your voice,
each accepting you as saviour—
Absolutely! Apolitically!
With enthusiasm! All Parties, I'm sure!

But tell me, my little prophet,
my archangel, my seer,
who will engineer these tiny details:
luck, harmony, freedom, mir?”

The prophet lost himself in deepest thought,
before elegiacially exhaling,
(absolutely apolitically
and non-party without failing)—

Then immediately in pure specifics
he told about his plan:
beginning with Sanctissimus,
and ending on Guderian.

And that is how from the Archangel
sprung the old reactionary swine:
absolutely apolitical,
and non-politically benign.

 

Vertaald door Pacze Moj

 

 2072317-0c56185116154d3a8f9e7edd9d11b66b.jpg
Julian Tuwim (13 september 1894 – 27 december 1953)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en taalkundige Muus Jacobse werd op 13 september 1909 als Klaas Hanzen Heeroma geboren op het waddeneiland Terschelling. Zie ook alle tags voor Muus Jacobse op dit blog en ook mijn blog van 13 september 2010

 

Adam

Hij dwaalde, zegenend al wat hij zag,

En gaf de dieren en de bloemen namen,
Elk naar zijn aard, wanneer zij tot hem kwamen
Onder de zon van elke nieuwe dag.

Maar ’s avonds zocht hij droef het donker midden
En keerde tot de boom des levens, waar
Vooglen des hemels nestten bij elkaar,
Om daar in eenzaamheid tot God te bidden.

Onder de welving van de wereldboom,
Zijn tentzeil spannend voor de sterrenzalen,
Lag hij en sliep aan ’t ademende water,

Wellend over de wortels …
                                            Sloeg de stroom
Niet met zijn hartslag mee? Werd bij het slapen
Niet aan zijn hart een ander hart geschapen?

 

2072317-2dce7d85b1521cb1952e631ce1151d34.jpg
Muus Jacobse (13 september 1909 – 21 november 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e september ook mijn blog van 13 september 2015 deel 2 en eveens deel 1.




Geschreven door Romenu om 17:59 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten