Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 september 2017 tot 30 september 2017

Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Wilfried de Jong, Elie Wiesel, Henk Spaan

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

Uit: Heb lief en zie niet om

“Een afscheid en voorgoed, zover waren we dan eindelijk gekomen, Sarah en ik, zo diep verdwaald, en toen brak de oorlog uit. Nu ja, eigenlijk was de oorlog al uitgebroken, met het Frans-Engelse antwoord op de Duitse inval in Polen, wij werden er pas het volgend voorjaar in betrokken, in de meinacht van 1940, toen ik aan Sarahs lang gekoesterde wens om mij voor haar minnaar in te wisselen toegaf. Ik kon wel huilen toen ze me omhelsde, maar ik gunde het haar niet, het was niet omdat ze me ging verlaten maar omdat ik vreesde nooit meer te kunnen liefhebben. Onzin, ik had nog mijn eigenliefde, die moeder van de jaloezie, ik stond nota bene in het stuk der stukken, Sarah had me daarin gezien en bewonderd, Othello dus, als Jago nog wel, maar misschien werkt zo’n rol buiten het toneel eerder verduisterend dan verhelderend, in elk geval, toen de oorlog gestalte kreeg, geratel van afweergeschut, gebrom van vliegtuigen, gillen en janken van sirenes, geschreeuw van mensen die de straat waren opgegaan, trok ik Sarah, die zich wilde aankleden, terug in bed om haar te zeggen, toe te bijten, dat ik wel gek zou zijn om haar in dat tumult te laten gaan, dat ik mijn toezegging introk en haar zou tegenhouden als ze haar zin zou doorzetten en mijn overwinnaar in de armen vliegen.
Deze Kasper, een Duitser, een goede helaas, schrijver van enige naam, had een hoge dunk van mij, dat maakte alles gecompliceerder dan nodig was. Had ik hem maar kunnen verdenken van een poging mij met zijn loftuitingen onschadelijk te maken, maar hij prees mij oprecht als de acteur die ik in zijn ogen was. Nog nooit had hij een Puck gezien als de mijne, Shakespeare zou mij hebben omhelsd, een ogenblik leek het erop dat hij het in zijn plaats zou doen, hij boog zich al naar me over, onopzettelijk misschien maar wel nadrukkelijk ons verschil in lengte aangevend, hij met zijn een meter negentig torenhoog boven mijn een meter zestig, de eik die zijn schaduw werpt over het sparretje, dat geen ander verweer heeft dan het uitzetten van zijn stekels. Ik was wel op de hoogte van de verhouding tussen die twee, maar verdrong iedere gedachte eraan, uit zelfbehoud misschien, gebrek aan interesse of aan verbeelding, ja, eigenlijk kon ik het me niet voorstellen, hij zo duits als zij joods, hoe konden ze elkaar buiten de literatuur liefhebben.
Sarah had in literaire en politieke kring naam gemaakt met haar vertalingen van in Hitlers Duitsland verboden schrijvers die in ons land onderdak hadden gevonden bij een daartoe opgerichte afdeling van een Amsterdamse uitgever. In vliegende vaart, alsof de vijand haar op de hielen zat, vertaalde ze Klaus Mann, Egon Kisch, de al dode Ernst Toller, Arnold Zweig, en haar geliefde, die ik om welke reden ook, een menselijke hopelijk, alleen met zijn voornaam aanduid. Ingewijden zullen hem herkennen als de auteur die zich van het pseudoniem Heim bedient, om aan te geven waarschijnlijk dat hij zich overal thuis voelt of, pretentieuzer nog, dat iedereen zich bij hem thuis moet voelen. Er was voor de tortels gelegenheid genoeg elkaar binnen de grenzen te ontmoeten, Kasper verbleef meer dan eens in Amsterdam, als redacteur bij de Duitse afdeling van die genereuze Nederlandse uitgever.”

 2077449-54448c673160325470df00de18ea0378.jpg
Willem G. van Maanen (30 september 1920 - 17 augustus 2012)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Truman Capote op dit blog.

Uit: Parting Of The Way (The Early Stories of Truman Capote)

“Twilight had come; the lights from the distant town were beginning to flash on; up the hot and dusty road leading from the town came two figures, one, a large and power-ful man, the other, young and delicate. Jake's flaming red hair framed his head, his eyebrows looked like horns, his muscles bulged and were threaten-ing; his overalls were faded and ragged, and his toes stuck out through pieces of shoes. He turned to the young boy walking beside him and said, "Guess this is just about time to make camp for tonight. Here, kid, take this bun-dle and lay it over there; then git some wood—and make it snappy too. I want to make the vittels before it's all dark. We can't have anybody seein' us. Go on there, hurry up." Tim obeyed the orders and set about gathering the wood. His thin shoulders drooped from the strain, and his gaunt features stood out with protruding bones. His eyes were weak but sympathetic; his rose-bud mouth puckered slightly as he went about his labor. Neatly he piled the wood while Jake cut strips of bacon and put them in a grease-coated pan. Then, when the wood was ready to be fired, he searched through his overalls for a match. "Damn it, where did I put those matches? Where are they, you ain't got 'em, have you, kid? Nuts, I didn't think so; ah, here they arc." He drew a paper of matches from a pocket, lit one, and protected the tiny flame with his rough hands. Tim put the pan with the bacon over the small fire that was rapidly catching. The bacon remained still for a minute or so and then a tiny crackling sound started, and the bacon was frying. A very rancid odor came from the meat. Tim's sick face turned sicker from the fumes. "Gee, Jake, I don't know whether I can eat any of this junk or not. It doesn't look right to me. I think it's rancid." "You'll eat it or nothin'. If you weren't so stingy with that piece of change you got, we could a got us somethin' decent to eat. Why, kid, you got a whole ten bucks. It doesn't take that much to get home on."

 

 2077449-2a8165227fcc5f149570f4ead6421a91.jpg
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Hendrik Marsman op dit blog.

 

Het was donker

Het was donker,
hij lag op zijn bed.
hij had het raam op de haak gezet,
opdat het getij van de nacht
door de baai van zijn kamer kon gaan
en zijn dromen stijgen en dalen
op de golven der maan,
en hij dacht:
'hoe vaster ik slaap,
des te zwaarder slaapt het heelal,
hoe dieper ik ademhaal
hoe hoger de nacht
en het lied van de nachtegaal.
kan het zijn,
dat van Genesis af
het parabolisch Verhaal,
de Ellips der Geschiedenis -
tot het vuur van de Apocalyps
de laatste beelden verbrandt,
de luchter, het boek en het lam -
niets anders is
dan het vluchtige spiegelbeeld
van mijn slaap, tussen dromen verdeeld?'

 

 

Polderland

Ik loop door ’t polderland
onder de helle regen;
oneindig is het land,
oneindig zijn de wegen,

die naar de kimmen gaan;
in lage hemelstreken
heerst tussen zwarte kreken
het mistig licht der maan.

o, dertigstroomenland,
het volk dat u bewoont
versombert in krakelen
die geld en God verdelen,
purper en doornenkroon.

oneindig is het land,
oneindig zijn de wegen
die naar de kimmen gaan;
ik loop de morgen tegen
in ’t mistig licht der maan.

 

 

Voor het inslapen

In deze kleine kamer vind ik soms nog vrede.
al wat daarbuiten ligt heeft voor mij afgedaan;
wat rest mij nog, dan ‘Krieg und Frieden’ lezend,
tot mijn verwoeste dromen in te gaan?

 

 2077449-1391decd42c0cb3389a2bf59a24fcdac.jpg
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
In Italië in 1934

 

 

De Nederlandse theatermaker, tv-presentator, acteur en schrijver Wilfried de Jong werd geboren in Rotterdam op 30 september 1957. Zie ook alle tags voor Wilfried de Jong op dit blog.

Uit: Kop in de wind

“Net als op het vorige bord was elke letter van de naam in een andere kleur geschilderd. De a kwam als enige letter twee keer voor. Het deed me denken aan de waterverf van vroeger op de lagere school. Meer water dan verf. MONA LISA 100 M. Het pijltje zou me de weg wijzen naar een kraan. Mona Lisa; het kon een garage zijn, een zaak in schilderijlijsten, een bedrijf-je in truffelolie. Het maakte me niet uit, als er maar koud water uit de kraan kwam. Col de l'Homme Mort kon me gestolen wor-den. Het pijltje werd een pijl. MONA usa, stond er weer op, de let-ters nu twee keer zo groot als op het vorige bordje. Met als extra aanduiding: LAVANDE. De pijl wees schuin naar beneden, om duidelijk te maken dat je van de stijgende asfaltweg af moest. Een onverhard pad leidde naar beneden. Ik stapte af. Met kleine passen en aangetrokken remmen liep ik naast mijn fiets. De blokjes onder mijn wielerschoenen maakten het naar bene-den lopen verraderlijk. Aan het einde van het pad doemde een oud stenen huisje op. De pannen op het schuine dak waren overwoekerd door klimop. De deur was half afgeschuurd en stond op een kier. 'Bonjour: zei ik. Het bleef stil. Alleen de krekels gingen onverstoorbaar door met hun eentonige geluid. 'Allo?' riep ik, op weifelende toon, om aan te geven dat ik niets kwaads in de zin had. Er gebeurde niets. Voor het huis stond een kromgetrokken houten tafel. Tus-sen bosjes lavendel lag een stuk karton met een handgeschreven mededeling: Retour dans quinze minutes. Ik zette mijn fiets tegen een boom en trok de lege bidon uit de houder. Hoelang geleden waren die drie woorden opgeschreven? Misschien kwam de eigenaar van het huis al binnen een paar minuten aangewandeld. Ik keek op mijn horloge. Het was zes uur.”

 

 2077449-ca8b8c6e09d07aa72942b868290e00e9.jpg
Wilfried de Jong (Rotterdam, 30 september 1957)

 

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Elie Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Elie Wiesel en ook voor E. Wiesel op dit blog.

Uit: Night

“If in my lifetime I was to write only one book, this would be the one. Just as the past lingers in the present, all my writings after Night, including those that deal with biblical, Talmudic, or Hasidic themes, profoundly bear its stamp, and cannot be understood if one has not read this very first of my works.
Why did I write it?
Did I write it so as not to go mad or, on the contrary, to go mad in order to understand the nature of madness, the immense, terrifying madness that had erupted in history and in the conscience of mankind?
Was it to leave behind a legacy of words, of memories, to help prevent history from repeating itself?
Or was it simply to preserve a record of the ordeal I endured as an adolescent, at an age when one’s knowledge of death and evil should be limited to what one discovers in literature?
There are those who tell me that I survived in order to write this text. I am not convinced. I don’t know how I survived; I was weak, rather shy; I did nothing to save myself.
A miracle? Certainly not. If heaven could or would perform a miracle for me, why not for others more deserving than myself? It was nothing more than chance. However, having survived, I needed to give some meaning to my survival. Was it to protect that meaning that I set to paper an experience in which nothing made any sense?
In retrospect I must confess that I do not know, or no longer know, what I wanted to achieve with my words. I only know that without this testimony, my life as a writer—or my life, period—would not have become what it is: that of a witness who believes he has a moral obligation to try to prevent the enemy from enjoying one last victory by allowing his crimes to be erased from human memory.
For today, thanks to recently discovered documents, the evidence shows that in the early days of their accession to power, the Nazis in Germany set out to build a society in which there simply would be no room for Jews. Toward the end of their reign, their goal changed: they decided to leave behind a world in ruins in which Jews would seem never to have existed.”

 

 2077449-ed358917af9802817fe7d46d5d177e54.jpg
Elie Wiesel (30 september 1928 - 2 juli 2016)

 

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, schrijver, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Zie ook alle tags voor Henk Spaan op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit: Alle dagen voetbal

“Het Parool . `Je puntenrubriek is uniek, je maandagcolumn vervangbaar,' zei Frits. Mijn professionele identiteit wordt kennelijk door het voetbal bepaald. Ik kan wel denken dat het schrijven zelf de doorslag geeft, de zakenman kijkt naar de inhoud. Tot zover mijn functioneringsgesprek. Ik neem me vast voor hierop later terug te komen.
16 september
We hebben met 1-6 verloren van Vlug & Vaardig. Het was zo warm dat de leider van de tegenpartij en ik de scheidsrechter in de rust hebben verzocht de tweede helft in te korten. Het stond toch al 1-5. Mijn nieuwe assistent Pelle floot niet. Hij had daarvoor een vriend meegenomen, Wander, ook uit zijn en Sophies jaar. Wander ging akkoord met 35 in plaats van 45 minuten. We misten vier basisspeelsters. Roanne was op Romereis met school, Yarti 'zat vast in Vinkeveen', Jet moest de catering doen op de verjaardag van een tante en bij Mirjam was een moedervlek weggehaald (beide ouders arts). Ik kom uit Amsterdam-West en wil geenszins koketteren met een eenvoudige afkomst, maar dit waren toen ik zelf nog voetbalde geen redenen voor afmelding die onze leiders wekelijks ter ore kwamen. Laat staan dat meisjes voetbalden. De wedstrijd vóór ons van de Al liep uit. Aan de zijlijn keken we naar de slotfase. Opeens was het schreeuwen en slaan. De scheidsrechter gaf er twee rood. Eenmaal buiten het veld bleven de weggestuurde meisjes elkaar slaan en schoppen. Mijn speelsters ontging het incident totaal. Ik zag Sophie, Julia en Klaartje druk in gesprek. Ze kennen elkaar al vanaf de kleuterschool. Maud zwaaide een meisje van de tegenpartij gedag: klasgenootjes. Al die kinderen kennen elkaar. Zo heeft een van Wanders beste vrienden, Ewoud, acht jaar bij Sophie, Klaartje en Julia in de klas gezeten. Dat is autochtoon Amsterdam.”

 

 2077449-1c98aa11b7617a89171f84ff330e02d2.jpg
Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:16 Reageer op dit bericht

Roemi, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Ferdinand von Saar, Jurek Becker

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Roemi op dit blog.

Uit: Juwelen

 

Liefde fluistert me in het oor:
`Je kunt beter een prooi zijn
dan een jager.
Wees mijn dwaas -
verzaak de hoge staat van de zon
en word een stofje!
Kom, hang rond bij Mijn deur en word dakloos.
Doe niet net of je een kaars bent, wees een mot,
opdat je de smaak van het leven mag proeven
en mag zien dat er gezag schuilt in dienstbaarheid.'

 

 

Degene die het schuim ziet, verklaart het geheim,
terwijl wie de Zee ziet verbijsterd is.
Degene die het schuim ziet, neemt zich iets voor,
terwijl wie de Zee kent, zijn hart ermee verenigt.
Degene die de schuimvlokken ziet, wikt en weegt,
terwijl wie de Zee ziet, zijn bewuste wil heeft opgegeven.
Degene die de vlokken ziet, is voortdurend in beweging,
terwijl wie de Zee ziet, vrij is van huichelarij.

 

 2077447-b5dd35f3c7d725d432f4d471f89b895e.jpg
Roemi (30 september 1207 - 17 december 1273)
Standbeeld in Buca, Turkije

 

 

De Chinese schrijfster en scenariste Zhang Ailing (ook wel Eileen Chang) werd geboren op 30 september 1920 in Shanghai. Zie ook mijn blog van 30 september 2010 en eveneens alle tags voor Zhang Ailing op dit blog.

Uit:Love in a Fallen City (Vertaald doorKaren Kingsbury)

“People like to say that the wide, long-sleeved gowns of former times didn't flatter curvaceous beauties, but Zhenbao had just discovered that this was not the case. He turned on the faucet. The water wasn't very hot, though the water heater downstairs was certainly on, and yet the lukewarm stream seemed to have a lighted wick running through it. Twisting and winding, the water ran from the faucet, every inch of it alive, while Zhenbao's mind went running off to who knows where. Wang Shihong heard the sound of running water and came into the bathroom. 'Do you want to take a bath? The water never comes up hot in this bathroom. The hot water pipe wasn't connected properly. That's one bad thing about this apartment. If you want to wash, come into our bathroom.'
'Oh no, please don't bother,' Zhenbao said. 'Isn't your wife washing her hair?' 'She must be finished by now. I'll go and have a look.' 'Oh, really, it's not that important.' Wang Shihong went to speak with his wife, and his wife said, 'I'm just finishing. Tell the amah to draw him a bath.' A little later, Wang Shihong told Zhenbao to bring his soap, towel, and clothes into their bathroom. Mrs Wang was still in front of the mirror, struggling to get a comb through her tightly permed hair. The bathroom was full of steam, and the night wind blew in through the open window. On the floor, clusters of fallen hair swirled about like ghostly figures. Zhenbao stood outside the door holding his towel and watching the tangled hair, in the glare of the bathroom light, drifting across the floor. He felt quite agitated. He liked women who were fiery and impetuous, the kind you couldn't marry. Here was one who was already a wife, and a friend's wife at that, so there couldn't be any danger, but ... look at that hair! It was everywhere. She was everywhere, tugging and pulling at him. The couple stood in the bathroom talking, but the water filling the tub was loud and Zhenbao couldn't hear what they said. When the tub was full, they came out so he could take his bath. After his bath, Zhenbao crouched down and started picking up stray hairs from the floor tiles and twisting them together.“

 

 2077447-d25813fc938d5f088f175bcbe0f4c931.jpg
Zhang Ailing (30 september 1920 - 8 september 1995)
Cover

 

 

De Duitse schrijver en vertaler Edzard Schaper werd geboren 30 september 1908 in Ostrowo in de provincie Posen. Zie ook alle tags voor Edzard Schaper op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit: Die Legende vom vierten König

„Einen Hügel schritt er hinauf, Oben ragten drei Kreuze. Coredans Stern, der ihn einst zu dem Kind führen sollte, blieb über dem Kreuz in der Mitte stehen, leuchtete noch einmal auf und war dann erloschen. Ein Blitzstrahl warf den müden Greis zu Boden. "So muß ich also sterben", flüsterte er in jäher Todesangst, "sterben, ohne dich gesehen zu haben? So bin ich umsonst durch die Städte und Dörfer gewandert wie ein Pilger, um dich zu finden, Herr?" Seine Augen schlossen sich. Die Sinne schwanden ihm. Da aber traf ihn der Blick des Menschen am Kreuz, ein unsagbarer Blick der Liebe und Güte. Vom Kreuz herab sprach die Stimme: "Coredan, du hast mich getröstet, als ich jammerte, und gerettet, als ich in Lebensgefahr war; du hast mich gekleidet, als ich nackt war!" Ein Schrei durchbebte die Luft - der Mann am Kreuz neigte das Haupt und starb. Coredan erkannte mit einemmal: Dieser Mensch ist der König der Welt. Ihn habe ich gesucht in all den Jahren. - Er hatte ihn nicht vergebens gesucht, er hatte ihn doch gefunden.“

 

 2077447-41b1abc5ba0e6b624a3c46ce853c9619.jpg
Edzard Schaper (30 september 1908 - 29 januari 1984)
Hier met zijn dochtertje Elin

 

 

De Duitse schrijver Hermann Sudermann werd geboren op 30 september 1857 in Matz, Oost-Pruisen. Zie ook alle tags voor Hermann Sudermann op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit:Der Katzensteg

“Der Friede war geschlossen. Die Welt, mit welcher der Korse ein halbes Menschenalter hindurch Fangball zu spielen gewagt, hatte sich wiedergefunden. –
Zerschunden, zerfetzt, aus tausend Wunden blutend, mit Schlachtfeldern besät wie mit eiternden Schwären, halb Kirchhof und halb Trümmerstätte – so fand sie sich wieder.
Aber die Menschheit, die jüngst befreite, ahnte nichts von dem eigenen Jammer. – War der Boden, aus dem ihr Brot entsproß, auch mit Blut gedüngt – nun wohl! – so trug er fortan um so reichere Frucht; hatten Kugel und Bajonett auch ihre Reihen gelichtet, was tat's? – so fanden die Übrigbleibenden Raum, die Ellenbogen aufzustemmen. – Man konnte sich doch wieder regen in dem locker gewordenen Menschenknäuel.
Ein einziger Jubelschrei von Gibraltars Felsen bis zum Nordkap hallte den Himmel auf. – An jedem Glockenstrange hing ein zappelnder Bursche, von jedem Altar, aus jedem Kämmerlein erscholl ein Dankgebet. – – – Die Trauernden verkrochen sich, ihre Klage erstickten die Lobgesänge, ihre Tränen sog die Erde mit demselben Gleichmut ein, mit dem sie die Blutstropfen der Gefallenen in sich aufgenommen hatte.
Zur schönen Maienzeit waren in Paris die Friedensartikel unterzeichnet worden – – In den Blutlachen blühten die Lilien, und aus den Rumpelkammern holte man die blutgetränkten Lilienbanner. – Die Bourbonen krochen aus den Winkeln hervor, in die Robespierres Rasiermesser sie gejagt hatte, wischten sich die schlaftrunkenen Augen aus und fingen flott zu regieren an. Vergessen hatten sie nichts, gelernt nur eine schöne neue Vokabel aus Talleyrands Entout-cas-Fibel! Sie lautete: Legitimität.
Die übrige Welt hatte zuviel mit sich zu tun, hatte zu viel an Siegeskränzen zu winden und Pokale zum Willkomm zu kredenzen, als daß sie sich um diese Farce kümmern konnte.
Gerötet vom Fieber der Erwartung, starrte ein jedes Auge gen Westen, woher sie kommen mußten, die Helden, die lorbeergekrönten, sie, die um der heiligen Scholle willen, um Weib und Kind, um Recht und Vaterland den Feuerschlünden des korsischen Dämons Leib und Leben dargeboten hatten. – In seine hintersten Höhlen hinein hatten sie ihn verfolgt, bis er geknebelt zu ihren Füßen gelegen.“

 

 2077447-6af9878b5c4a7fefc972ae36e49e2008.jpg
Hermann Sudermann (30 september 1857 – 21 november 1928)

 

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook alle tags voor ferdinand von Saar op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

 

Kindestränen

Willst du die Leiden dieser Erde,
Der Menschheit Jammer ganz versteh'n,
Mußt du mit scheuer Gramgebärde
Ein Kind im stillen weinen seh'n;

Ein Kind, das eben fortgewichen
Aus fröhlicher Gespielen Kreis
Und nun, vom ersten Schmerz beschlichen,
In Tränen ausbricht, stumm und heiß.

Du weißt nicht, was das kleine Wesen
So rauh und plötzlich angefaßt –
Doch ist's in seinem Blick zu lesen,
Wie es schon fühlt des Daseins Last.

Wie es sich bang und immer bänger
Zurück schon in sein Innres zieht,
Weil es Bedränger auf Bedränger
Mit leisem Schaudern kommen sieht.

Willst du die Leiden dieser Erde,
Der Menschheit Jammer ganz versteh'n:
Mußt du mit scheuer Gramgebärde
Ein Kind im stillen weinen seh'n.

 

 

Zuletzt

Weh' dem, der da sein eignes Tun zu richten
Begonnen hat! Dann zählt er zu den Kranken
Und schaudernd fühlt er keimen den Gedanken:
Sich selbst erkennen, heißt sich selbst vernichten.

Denn auf sein Wesen muß er stumm verzichten,
Und wie die liebsten Hoffnungen ihm sanken,
Lebt er dahin in haltlos ödem Schwanken
Und wünscht den Tod herbei, die Qual zu schlichten.

Darum frohlockt nicht so beim Weiterschreiten!
Das Dasein ist ein großes Sichbesinnen –
Und ein Erkennen jeder Sieg im Streiten.

Die Menschheit wird sich selber nicht entrinnen,
Denn ob sie scheinbar auch nach außen leiten:
Die Fäden führen doch zuletzt nach innen.

 

 2077447-51da8c2dae2e8c088d19bf4cc5da97f0.png
Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)

 

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zie ook alle tags voor Jurek Becker op dit blog en ook mijn blog van 30 september 2010

Uit: Jakob der Lügner

„Der Berg ist abgetragen, Frankfurter hebt einen Pappkarton auf einen weißen oder braunen, jedenfalls einen Pappkarton, in dem sich der Grund für ein gerechtes und rechtskräftiges Todesurteil befindet. Er nimmt den Deckel ab und zeigt seiner Frau das Radio. Sie schreit vielleicht leise auf sie ist vielleicht entsetzt, bestimmt erschrocken, sie starrt das Radio an und ihn und versteht es nicht. »Du hast unser Radio mitgenommen«, flüstert sie und faltet die Hände. »Du hast unser Radio mitgenommen, man hätte uns alle dafür erschießen können, und ich habe nichts davon gewußt ... Ich habe nichts gewußt ...« »Wozu?« sagt er. »Wozu hätte ich es dir sagen sollen? Ich habe alleine schon genug gezittert, und du hast ohne Radio auch genug gezittert. Es gab Tage, da hatte ich es vergessen, ganz einfach vergessen, manchmal sogar wochenlang. Man hat eben ein altes Radio im Keller und denkt nicht mehr dran. Aber sooft ich mich erinnert habe, ist mir das Zittern gekommen, und so wie heute bin ich noch nie daran erinnert worden. Doch das schlimmste ist, ich habe nie gehört, nicht ein einziges Mal, auch nicht in der ersten Zeit. Nicht, damit du es nicht merken solltest, ich habe es einfach nicht gewagt. Manchmal wollte ich, ich habe es vor Neugier fast nicht ausgehalten, ich habe den Schlüssel genommen, und du weißt, daß ich von Zeit zu Zeit in den Keller gegangen bin. Du hast mich gefragt, was ich dort will, und ich habe dir gesagt, ich will mir Bilder ansehen oder die alten Kritiken durchlesen. Aber das war gelogen, ich wollte Radio hören. Ich bin in den Keller gegangen, habe die Tür verhängt, aber ich habe es nicht gewagt. Ich habe mich hingesetzt, die Bilder angesehen oder die Kritiken gelesen, wie ich es dir gesagt hatte, und es nicht gewagt. Aber damit ist jetzt Schluß!« »Ich habe nichts gewußt«, flüstert sie vor sich hin. »Damit ist ein für allemal Schluß!« sagt er. »Du hast damals recht gehabt, es war unnützes Zeug, ich brauche es nicht mehr. Nichts wird davon übrigbleiben, nichts, was nach Radio aussieht. Dann sollen sie kommen und suchen.« Er nimmt das Radio auseinander, Teil für Teil, wahrscheinlich das einzige Radio, das sich in unserer Hand befindet, ohne lautes Aufsehen zerstört er es. Die Röhren werden zu Staub zertreten, ein unzerstörbarer Draht wird als harmlose Schnur um eine Schachtel gewickelt, die Bretter des Kastens werden Stück für Stück zur Seite gelegt und müssen noch einige Wochen warten, bis sie verbrannt werden dürfen. Denn um diese Jahreszeit macht sich jeder rauchende Schornstein verdächtig, aber das ist nicht weiter tragisch, Holz ist schließlich Holz. »Hast du auch gehört, daß die Russen fast in Bezanika sind?« fragt Frau Frankfurter leise. Er sieht sie sehr verwundert an. »Ich habe dir doch gesagt, daß ich nie gehört habe«, könnte er ihr geantwortet haben.“

 

 2077447-28a1fe717d67c669ff32061d6ee8e815.jpg
Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)
Cover

Geschreven door Romenu om 11:15 Reageer op dit bericht

Indian Summer (Leo Vroman), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2077279-891560735953786ddfd8e1b301dba88d.jpg
Gouden herfst door Sergey Kuritsyn, 2013

 

 

Indian Summer

Onder 't eten, op het balkon,
en drinkend met lange teugen
schijn ik eensklaps door een gat
in mijn geheugen te vallen

en laat mijn glas water staan;
het wil niet eens terug in mijn hand,
nu denk ik aan de oceaan
die mij scheidt van mijn vaderland.

Zo bitter vol water, zo grauw
dat de doden en de dolfijnen,
stikkend van diepte en kou,
als in wildernissen verdwijnen.

Soms aal ik daar dromend in voort,
voortslangelende omlaag.
Maar van 't land, waar ik dromend naar vraag,
werd slechts koude paling gehoord,

want Holland is donker en klein.
Eén lichtroze koningin
kan er maar stijfjes in
als haar slepen niet te lang zijn.

Wie er praat blaast in iemands gelaat;
wie gebaart geeft iemand een slag.
Men schrikt er van iedere lach,
nabijheid verwarrend met haat.

Neen, zelfs tastend om heide en strand,
— en al sluit ik krampachtig de oren
om nog Hollandse stormen te horen
—heb ik toch liever heimwee dan Holland.

Dit vreemde, ijle verpozen
doorwaad ik het lichtst van alle
op dit wijde, dit eindeloze
eiland, door herfst overvallen,
waar de lente des doods is begonnen.
Met bomen, rood verguld,
als grote gebladerde zonnen,
zijn de parken hier opgevuld.
In rode traagwalmende vuren
verbranden de bladeren dood;
traag zijn de namiddag uren
en de zon kookt laag en rood.

Zoete meisjes, die zelve niet weten
hoe innig en zacht ze bederven,
slenteren in blue jeans, zweten,
zien rood van het langzame sterven
van het roestende licht op hun wangen,
en de zonen van Perzen, Hongaren,
lopen met brandende haren
voortgeduwd van verlangen
onder de vallende blaren
die als adem te voorschijn suizen.
Reeds worden de sneeuwwitte huizen,
door de schaduwen van takken geaderd,
zichtbaar. De winter nadert.

Kom, ik sta op, want het wordt wat fris,
al is het nog lang licht,
en ik ga met mijn glas op mijn bord
naar binnen en doe de deur dicht.

 

 2077279-c0cb09556c42e204e3b8e0c2135acedf.jpg
Leo Vroman (10 april 1915 - 22 februari 2014)
Gouda, brug over de Gouwe. Leo Vroman werd in Gouda geboren.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 29e september ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 18:39 Reageer op dit bericht

Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. In de maand september is er in de Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid aan het Mariënburg in Nijmegen een expositie over de Nijmeegse schrijver, dichter, vertaler Pé Hawinkels. Ook wordt er bij café Trianon een literair baken van Hawinkels onthuld. Dit ter gelegenheid van zijn veertigste sterfdag op 16 augustus 1977. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

 

Sketches of Spain

I
alfalfa voor mijn wit konijn
spattend gras voor mijn vechtstier
die een windsel om zijn poten draagt
sinaasappels als ogen van te grote witte muizen
lanen van zo groene verf
en het hijgen van de wijn


II
de nacht staat tot barstens toe gespannen
en met mijn gitaar van bloed
prik ik gaten in de donkerblauwe lucht-ballon
die ineenkrimpt tot een snik


III
wanneer is de hitte opgestaan
die nu hangt te hijgen over het land
dat geel is als een buik
de rode doeken van de merelvrouwen
die zich geluidloos onderkruiks bewegen
klapperen tegen mijn tanden
een ezel scheurt onder koren de zon
de zes zonen van de waard


IV
een stier leeft als een trompetstoot in het gras
staat vreselijk in de weiden met een hek
een stier zaait een wolk ontzag in maag en knieën
een stier is spieren kracht en machtsgedonder
een stier sterft lillend in het zand
een vlek ellende darmen bloed
een stier sterft onder trompetstoten en olé

 

 2077274-892cfa7345b722318f2bc788978c8703.jpg
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)
Portret door Joseph Quaedackers,1990

 

 

De Bulgaarse dichter en schrijver Hristo Smirnenski werd geboren op 29 september 1898 in Koukoush. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Hristo Smirnenski op dit blog.

 

Coalminer

Go down and deeper down, down!
Go down into the chilly pit,
Where shining bodies writhe and pound
Upon a wall by blackness lit -
A life of toil in darkness drowned,
Suffocating and unholy lands.
In twisting tunnels blows resound
Of picks held firm by sinewy hands,
They ring in protest and in hope
For open skies and sunny days,
Go down and deeper down, down!
into spaceless space.

Go down into the lightless womb
Of rapacious mother Earth,
Where men are doomed to constant gloom,
Deprived of their human worth
And the glimmer of your lamp
Will light this temple of toil,
Sinister rugged and damp,
Build of props, black stone and simple soil.
There monster idols twitch and frown
Upon the worshippers of dayless time.
Go down and deeper down, down!
into a climeless clime.

Here the countless years have piled
Layers upon layers of black
And stony rugs of patterns wild,
Boundless Nature's bounty stack
of power locked in smoke and flame,
Rough and cold like human pain.
Go down to this fountain of shame,
Of hope and despair, of sweat and gain.
Go down along the narrow track,
And storm the dark abysmal caves
To break the layers thick and black
and the chains of slaves.

Shove the shining mass of coal
Into the raging furnace of the fight,
And out of the leaden clouds will roll
An ever-flowing river bright,
Luminous streams and waves of fire
Rushing through the weary night,
In fury and rightful ire,
The Earth will bathe with joyous flares,
With rainbow-coloured blazing arks,
With flaming fires every where,
and myriads of sparks.

 

 2077274-e713417ff444f19caaa99d96a2849e99.jpg
Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923)
Monument in Sofia

 

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Eilzabeth Gaskel op dit blog.

Uit: North and South

“'Edith!' said Margaret, gently, 'Edith!'
But, as Margaret half suspected, Edith had fallen asleep. She lay curled up on the sofa in the back drawing-room in Harley Street, looking very lovely in her white muslin and blue ribbons. If Titania had ever been dressed in white muslin and blue ribbons, and had fallen asleep on a crimson damask sofa in a back drawing-room, Edith might have been taken for her. Margaret was struck afresh by her cousin s beauty. They had grown up together from childhood, and all along Edith had been remarked upon by every one, except Margaret, for her prettiness; but Margaret had never thought about it until the last few days, when the prospect of soon losing her companion seemed to give force to every sweet quality and charm which Edith possessed. They had been talking about wedding dresses, and wedding ceremonies; and Captain Lennox, and what he had told Edith about her future life at Corfu, where his regiment was stationed; and the difficulty of keeping a piano in good tune (a difficulty which Edith seemed to consider as one of the most formidable that could befall her in her married life), and what gowns she should want in the visits to Scotland, which would immediately succeed her marriage; but the whispered tone had latterly become more drowsy; and Margaret, after a pause of a few minutes, found, as she fancied, that in spite of the buzz in the next room, Edith had rolled herself up into a soft ball of muslin and ribbon, and silken curls, and gone off into a peaceful little after-dinner nap.
Margaret had been on the point of telling her cousin of some of the plans and visions which she entertained as to her future life in the country parsonage, where her father and mother lived; and where her bright holidays had always been passed, though for the last ten years her aunt Shaw's house had been considered as her home.”

 

 2077274-3b7ddb51dc286612e25d4a132309b61d.jpg
Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)
Cover

 

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Miguel de Unamuno y Jugo op dit blog.

Uit: Nevel (Vertaald door Bart Peperkamp)

«Maar dat jochie,» begon Augusto, die niet zozeer dacht als wel tegen zichzelf praatte, in zichzelf te zeggen, «wat zou die daar aan het doen zijn, zo op zijn buik op de grond? Naar een of andere mier liggen kijken, vast en zeker! Een mier, het zou wat! Een van de schijnheiligste dieren die er bestaan! Die doen nauwelijks iets anders dan maar wat rondlopen en ons doen geloven dat ze werken. Die zijn net als die nietsnut die daar loopt te rennen, die iedereen opzij duwt die hij tegenkomt, en ik twijfel er niet aan of hij heeft niets te doen. Wat zou die nou te doen moeten hebben, man, wat zou die te doen moeten hebben! Het is een leegloper, een leegloper, net als... Nee, ik ben geen leegloper! Mijn fantasie krijgt nooit rust. De leeglopers dat zijn zíj, die lui die zeggen dat ze werken en die niets anders doen dan verdoofd raken en hun gedachten onderdrukken. Want, laat me eens kijken, die malloot van een chocolademaker die daar staat, achter dat raam, hoe die met die stomme rol bezig is zodat we hem maar goed kunnen zien, die exhibitionist van het werk, wat is hij anders dan een leegloper? En wat kan het ons nou schelen of hij werkt of niet? Werk! Werk! Schijnheiligheid! Als je het over werken hebt, dan die arme lamme die daar loopt, die zichzelf half voortsleept... Maar, nou ja, weet ik veel.» ‘Neem me niet kwalijk, broeder!’ dat zei hij hardop tegen hem. «Broeder? Hoezo broeder? Broeder in de verlamming! Men zegt dat we allemaal van Adam afstammen. En die daar, de kleine Joaquín, is die ook een afstammeling van Adam? Tot ziens, Joaquín! Nee maar, daar hebben we ook nog zo’n onvermijdelijke automobiel, lawaai en stof! En wat schiet men ermee op om op die manier afstanden sneller te af te leggen? De manie om te willen reizen komt voort uit topofobie en niet uit Wlotopie; iemand die veel reist vlucht weg uit iedere plek die hij verlaat en is niet op zoek naar iedere plek waar hij aankomt. Reizen... reizen... Wat een ontzettend hinderlijk ding is die paraplu... Stil nou, wat is dat?»

 

 2077274-6b08b0be9743d5d5696e26810bfdfdc0.jpg
Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)
Cover Spaanse uitgave

 


De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Miguel de Cervantes op dit blog.

Uit: Don Quichot van La Mancha (Bewerkt door J.J.A. Goeverneur)

“Hij trad met eene beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk:
“Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden.”
Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij
dan, dat hij zelf met alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld tevergeefs zou zoeken.
De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, wat die verder zou te gelasten hebben.
In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt; maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat.
Die koorden waren dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde Don Quichot volstrekt niet toelaten,
en daarom hield hij den helm liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.”

 

 2077274-494643ff9b3a82e1c772d2b4c466a2cf.jpg
Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)
Scene uit de film « Don Quixote: The Ingenious Gentleman of La Mancha” met Horatio Sanz (Sancho Panza en Carmen Argenziano (Don Quixote), 2015


 

De Britse schrijver Colin Dexter werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Zie ook alle tags voor Colin Dexter op dit blog.

Uit: Death Is Now My Neighbor

“Sir Clixby Bream would be almost sixty-nine years old when he retired as Master of Lonsdale. A committee of Senior Fellows, including two eminent Latin scholars, had found itself unable to interpret the gobbledegook of the Founders' Statutes (vide supra); and since no "accommodation" (whatever that was) had presented itself, Sir Clixby had first been persuaded to stay on for a short while—then for a longer while. Yet this involved no hardship. He was subject to none of the normal pressures about moving to somewhere nearer the children or the grandchildren, since his marriage to Lady Muriel had been sine prole. Moreover, he was blessedly free from the usual uxorial bleatings about a nice little thatched cottage in Dorset or Devon, since Lady Muriel had been in her grave these past three years. The position of Head of House at any of the Oxbridge Colleges was just about the acme of academic ambition; and since three of the last four Masters had been knighted within eighteen months of their appointments, it had been natural for him to be attracted by the opportunity of such pleasing preferment. And he had been so attracted; as, even more strongly, had the late Lady Muriel. Indeed, the incumbent Master, a distinguished mathematician in his earlier days, had never enjoyed living anywhere as much as in Oxford—ten years of it now. He'd learned to love the old city more and more the longer he was there: It was as simple as that. Of course he was somewhat saddened by the thought of his imminent retirement: He would miss the College—miss the challenges of running the place—and he knew that the sight of the furniture van outside the wisteria-clad front of the Master's Lodge would occasion some aching regret. But there were a few unexpected consolations, perhaps. In particular, he would be able (he supposed) to sit back and survey with a degree of detachment and sardonic amusement the infighting that would doubtless arise among his potential successors. It was the duty of the Fellows' Appointments Committee (its legality long established by one of the more readily comprehensible of the College Statutes) to stipulate three conditions for those seeking election as Master: first, that any candidate should be "of sound mind and in good health"; second, that the candidate should "not have taken Holy Orders"; third, that the candidate should have no criminal record within "the territories administered under the governance of His (or Her) Most Glorious Majesty."

 

 2077274-a31096f17c312fab5169ca2b102a7d8a.jpg
Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935)
Hier (rechts) met de acteur Shaun Evans die Morse speelt in de prequel Endeavour Morse

 

 

De Duitse (detective)schrijfster Ingrid Noll werd geboren op 29 september 1935 in Shanghai. Zie ook alle tags voor Ingrid Noll op dit blog.

Uit: Hab und Gier

„Wir werden dich nie vergessen! Du fehlst mir!Selbst die Schleifeauf einem verwelkten Kranz war bedruckt: Ewig Deine Sieglinde. Ob man davon ausging, dass die Verstorbenen die Botschaften mit Genugtuung zur Kenntnis nahmen? Auch in Todesanzeigen hatte ich schon ähnliche Anreden gefunden und mir ausgemalt, wie man sich im Jenseits gegenseitig die Zeitung vorlas. Während ich mich noch bei dieser Vorstellung amüsierte, entdeckte ich sie wieder, diese eigenartige und nicht eben freundliche Inschrift auf einer grauen Granitplatte: Bleib, wo du bist!
War es ein Versehen, sollte es eigentlich heißen: Bleib, wie du bist!, und der Spruch sollte der Toten die allmählicheVerwesung untersagen? Ich studierte erneut Vor- und Nachnamen – kein Zweifel: Hier ruhte wirklich die Ehefrau jenes Kollegen, der mir vor wenigen Tagen die bewusste Karte geschickt hatte. Bernadette Kempner war vor einem halben Jahr gestorben, so dass die Einladung zum Gabelfrühstück nicht in unmittelbarem Zusammenhang mit ihrer Bestattung stehen konnte. Man konnte nicht von einem allzu frühen Ableben sprechen, denn sie war, wie ich mich auf dem Grabstein vergewisserte, mit 73 gestorben, war also etwa sechs Jahre älter als ihr Mann. Nur sehr selten hatte Wolfram seine Frau erwähnt, überhaupt war er ein stiller, zurückhaltender Mitarbeiter unserer Stadtbücherei gewesen, der lieber im Hintergrund Büroarbeiten erledigte, als sich im Publikumsverkehr zu engagieren. Zwar war er der einzige Mann unseres Teams gewesen, sozusagen der Hahn im Korb, hatte aber nie den Gockel gespielt, galt eher als Neutrum oder – um im Bild zu bleiben – als Kapaun. Ich hatte ihn auch deshalb etwas aus den Augen verloren, weil ich vorzeitig die Rente beantragt hatte und vor drei Jahren mit sechzig aus der Bibliothek ausgeschieden war. Den Kampf mit unbekannten audiovisuellen Medien und immer neuer Software hatte ich längst aufgegeben. Ein einziges Mal schüttete ich ihm mein Herz aus, wie viel angenehmer und menschlicher es doch früher zugegangen war, als es noch in erster Linie um die Ausleihe und Verwaltung von Büchern ging. Er nickte zwar teilnahmsvoll, schien sich aber im Gegensatz zu mir mit der modernen Technik überhaupt nicht schwerzutun, denn er war ein ebenso leidenschaftlicher Bastler wie Bücherwurm.“

 

 2077274-800b0a1ce020431a3a43282a7647dab1.jpg
Ingrid Noll (Shanghai, 29 september 1935)

 

 

De Afghaanse schrijver en historicus Akram Assem werd geboren op 29 september 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Akram Assem op dit blog.

Uit: Histoire de la guerre d'Afghanistan

« Le 27 décembre 1979, les troupes soviétiques envahissaient l'Af-ghanistan, pays musulman, pour sauver un régime communiste arri-vé un peu plus d'un an auparavant au pouvoir grâce à un coup d'État sanglant. Les Russes avaient-ils conscience que ce serait là le début de la fin pour un empire qui, à l'époque, suscitait encore crainte, fas-cination et même admiration pour certains ?
Si les stratèges de Moscou étaient partagés sur la nécessité d'une intervention, personne ne pensait que cette aventure allait si mal se terminer et finalement hâter l'éclatement d'un système de type colo-nial dont les composantes tentent aujourd'hui de retrouver, au prix de convulsions et de crises successives, une vie normale d'États in-dépendants. Si l'Union des Républiques socialistes soviétiques s'en est allée et a laissé place à une bien incertaine Communauté des États indépendants (CEI), si les pays de l'Europe de l'Est ont recou-vré leur liberté et si, aujourd'hui, les restes du Mur de Berlin dé-corent tables et cheminées des foyers allemands, c'est, en partie, parce que des Afghans ont su résister à la superpuissance soviétique, la contraindre à se retirer et lui faire abandonner une proie qui sem-blait pourtant si facile aux yeux de certains, comme nous l'indique Anatoly Chernayev, conseiller aux Affaires étrangères de Mikhaïl Gorbatchev de 1986 à 1991: « Les uns et les autres savaient que l'acte soulèverait la désapprobation internationale mais ils pensaient que la question serait résolue en moins de trois mois et qu'après les choses rentreraient dans l'ordre".

 2077274-68f1def043a0790b4557946f12eca430.jpg
Akram Assem (Kabul, 29 september 1965)
Cover

 

 

De Italiaanse filosoof, dichter, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Zie ook alle tags voor Lanza del Vasto op dit blog.

 

Le manteau d’images

Au fond de chaque chose un poisson nage.
Poisson, de peur que tu n'en sortes nu
Je te jetterai mon manteau d'images.

Vous qui vous déroulez dans nos délices
Lorsque ma bien-aimée à moi s'enlace
Et qui glissez dans ses flancs lisses,
Serpents, de peur que vous n'en sortiez nus,
Je vous jetterai mon manteau d'images.

Vous, crabes, poux, crapauds, scorpions, limaces,
Qui m'observez avec des yeux d'humains
Et que parfois je touche dans leur main,
Amis, de peur que vous ne sortiez nus,
Je vous jetterai mon manteau d'images.

Je rejetterai mon manteau d'images,
Afin que, m'étant quelque peu tenu
Sur le bord du toit sans voix ni visage,
J'éclate de rire et m'envole nu.

 

 2077274-06abf17419247db7a2453c928198dc43.jpg
Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981)

Geschreven door Romenu om 18:37 Reageer op dit bericht

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies zes jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

 

Paestum

Ik zie de witte paarden van de zee
driftig schuimbekkend landwaarts dringen.
Bergen en dalen rollen voor hen uit,
tuimelend groen, onstuimig violet,
en loodrecht op het strand springen fonteinen:
voorboden van de god en zijn triomf.

De spiegels krimpen langzaam van het zand,
dan sproeit opnieuw de vloed die glooiing blank.
De paarden steigeren aan de horizon.

Ik wacht niet meer. Poseidon zal niet komen.
Hij heeft zijn dode stad voorgoed verlaten,
daar zijn de golven verticaal versteend:
geribde zuilen tussen gras en brem.
IJl waaien heeft de branding overstemd.

Verdwaalde schelpen schud ik leeg. Ik hoor
het suizen in hun ronding aan mijn oor:
de adem van de tijd die ik verloor.

 

 2077271-8fd38a76918d904b06a7ae2f0e9f657b.jpg
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Geschreven door Romenu om 18:35 Reageer op dit bericht

Ankie Peypers

De Nederlandse dichteres Ankie Peypers werd geboren op 29 september 1928 in Amsterdam. Peypers debuteerde in 1946 met de bundel “Zeventien”, een bundel met zeventien gedichten die zij voor haar zeventiende jaar geschreven had. Sindsdien verschenen er vele dichtbundels, vertalingen en enkele romans van haar. In 1991 kwam er een verzamelbundel van haar poëzie uit: “Gedichten 1951-1975”. Peypers raakte in de jaren vijftig en zestig sterk betrokken bij het feminisme. Ze was medeoprichtster van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus. In haar gedichten weerklonk het verzet van vrouwen tegen hun achtergestelde positie. Maar haar maatschappelijke betrokkenheid was breder. Vanaf 1976 was ze voorzitter van PEN Centrum Nederland, een organisatie die zich inzette voor bedreigde schrijvers en kunstenaars. Ook was ze jarenlang voorzitter van het Centrum voor Chileense Cultuur. In de jaren zestig trad ze op in radio- en televisieprogramma's, waaronder het AVRO-programma Hou Je aan Je Woord met vakgenoten Victor van Vriesland, Hella Haasse en Godfried Bomans. In de jaren tachtig was ze vaste medewerker aan de radioprogramma's van de Humanistische Omroep. In 2000 schreef ze op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een aantal herdenkingsgedichten. Ze droeg ze tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei zelf voor in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in aanwezigheid van koningin Beatrix. Haar laatste optreden in het openbaar was op 10 juni van dit jaar bij het Zeeuwse festival Park en Poëzie in Middelburg. Peypers woonde sinds jaren in Frankrijk, samen met beeldend kunstenares An Dekker.

 

Topografie

Je bent niet in kaart gebracht.
Je zou een mooi lang land zijn.
Gestrekte armen, je voeten samen,
de ronding van je hoofd;
meridianen om je te verdelen.

Ik heb je niet geleerd op school,
geen dwarsdoorsnede op het bord
dunne lagen tijd,
verstenend.

We praten
maar ik ken je grenzen niet
de kanalen die je hebt gegraven niet
nergens cirkels van je steden
geen windroos in een hoek, geen vaan.

Geen kust waar ik aan land kan gaan.

 

 

Het was september

Het was september achter hoge ramen.
Geraniums waarop het daglicht brak
stuurden de kinderblikken naar de juffrouw
die voor de klas stond en de waarheid sprak.

Zij wees de platen aan en zei de namen
schreef witkrijten tekens op het zwart
tekens voor aap en noot en duiven
die kinderen in schriften overschrijven
- zo was het in hun denken niet, zij buigen
zich verwonderd over het papier en zwijgen -
schrijven het woord dat onaantastbaar wordt.

Het is september achter hoge ramen.
Mijn stem de aanwijsstok van donker hout
die tastend woorden zoekt en twijfelt
en nooit de waarheid spreekt
- er is geen teken en de woorden buigen
verwonderderd over het tekort en zwijgen -
trekt krom, verspintert, breekt.

 

 

Ben je zestig

ben je zestig? vroeg mijn vader
als ik iets wilde dat niet kon

wilde me binnen zijn perken
en ik was te horig aan hem
aan de gemoedelijke lasso
van zijn ogen en zijn stem
zo lang

doe al vaker wat niet kan
nu ik bijna zestig ben

 

 2143763-9371372450cd7d93763651455e9387ee.jpg
Ankie Peypers (29 september 1928 – 24 oktober 2008)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten