Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 1 november 2017 tot 2 november 2017

Allerzielen (Annie Salomons)

 

Dolce far niente – Bij Allerzielen

 

 2088311-a89feb5525e5fbc35dc8df1d9719e09d.jpg
Allerzielen door Marianne von Werefkin, 1930

 

 

Allerzielen

En lange stoeten van zwarte vrouwen
Gaan langs de graven en weenen, weenen….
De lange sluiers van zware rouwe
Schuren jamm’rend-schril op de kille steenen….

Veel lange stoeten van doode droomen
Gaan spokig-zacht langs m’n oogen heene,
De blaren vallen van bruine boomen,
Mist hangt op de aarde te weenen, weenen.

 

 2088311-d05d8c5ebe880d1ee449051880fe23c2.jpg
Annie Salomons (26 juni 1885 – 16 januari 1980)
De Laurenskerk in Rotterdam, geboorteplaats van Annie Salomons

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:18 1 reactie Reageer op dit bericht

E. du Perron, Désanne van Brederode, Kees van den Heuvel, Charlotte Mutsaers, Odysseas Elytis, Augusta Peaux, Thomas Mallon, Bilal Xhaferri, Leo Perutz

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor E. du Perron op dit blog.

 

Sonnet van burgerdeugd

De trammen tuimlen door de lange straten;
Al 't leven buiten, en de ramen dicht;
Wat thee voor ons en de avond te verpraten.
De lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.

Inbrekers, wurgers, rovers en piraten,
En de eerste Zondvloed en het laatst Gericht -
Elke onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten.
O thee! o vriendschap! o kalmerend licht!

Straks 't koesterende donker; morgen lopen
Wij opgefleurd te kopen of verkopen:
Tragedie blijft tragedie, klein of groot.

Genoeg vermoeienis om 's nachts te slapen;
Alle overgangen tussen lach en gapen;
En aan het eind, de Liefderijke Dood.

 

 

Een grote stilte

De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
En zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen -

En toen niets meer: de ondragelijke vracht
van tè veel jaren, 't koele en donkre linnen
van de eeuwge stilte op onze wankle wacht.
De vijand zal ons altijd overwinnen!

Wij kruisen de armen op onze enge borst,
zwelgend het duister met de dikke dorst
van wie om water kreunde eer hij verstomde.

En deze vracht, dit groot benauwen wordt
voorsmaak van het gebeente dat verdort
onder het marmer, in de rèchte tombe.

 

 

Een mannetje alleen

'k Sta aan mijn venster. Het is laat.
Ik kijk neer op de stille straat.
In duisternis. Waar niemand gaat.

Van nergens komt meer één geluid.
'k Sta met mijn hoofd tegen een ruit.
Wanneer gaat die lantaren uit?

Eén lichtkring op wat vunzigheid.
Dat goor is met die gloor in strijd.
Daar gaat zelfs geen verloren meid.

In mij is net zo'n stille straat.
Waar niet één lamp te branden staat.
Waar sedert lang geen mens meer gaat.

 

 2088301-528b47945e7ce8a334ab5335770b2543.jpg
E. du Perron (2 november 1899 – 14 mei 1940)
In de jaren 1920 in Parijs

 

 

De Nederlandse schrijfster Désanne van Brederode werd op 2 november 1970 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Désanne van Brederode op dit blog.

Uit: Vallende vorst

“Waar hadden ze ’s avonds gegeten? En wat? Hoe was de avond verlopen, welke kleren had hij gedragen, hoe had de stof aangevoeld, hoe was het gesteld met zijn huid, met zijn haren? Plakten ze? Roken ze naar zeewater, zweet of chloor? Had hij voor het slapengaan nog gedoucht? Was het op een bepaald ogenblik gaan onweren, was hij tot zijn spijt toch even angstig geweest, had hij de slaap niet kunnen vatten door geluiden uit de buurtuinen, het blaffen van een hond, het zoemen van een mug, dicht bij zijn gezicht?
Het was de veertienjarige Caspar er niet om te doen geweest zich de stemming, de essentie van een hele zomervakantie voor de geest te halen. Evenmin om het terugvinden van een speciale dag die hij wilde blijven onthouden. Het had hem simpelweg een geruststellende gedachte geleken dat hij midden in de winter, rond Kerstmis, een voorbije dag in juli, begin augustus, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat kon herbeleven, van uur tot uur, zonder daarbij aantekeningen of foto’s nodig te hebben.
Hij bouwde de verdwenen dag zelfstandig weer op, en vooral: vrijwillig. Er moest enige denkinspanning bij komen kijken, en het resultaat diende verwant te zijn aan een film, een documentaire, eerder dan aan een impressionistisch schilderij. Levensecht. Geloofwaardig. Niet uitsluitend mooi of aangenaam. Dus zeker geen idylle, geen idealisering achteraf.
Na deze kleine nachtmeditatie had hij zijn verbeelding de opdracht gegeven om in één moeite door vooruit te blikken, in de richting van een zomerdag in het jaar dat op het punt van aanbreken stond. Kon hij met dezelfde precisie, dezelfde feitelijkheid, een dag die nog zou kunnen komen... verzinnen? Zonder zich geremd te voelen door het ontbreken van kennis over de vakantieplannen van zijn ouders – en zonder zelfcensuur toe te passen daar waar zijn fantasie ruimschoots de grenzen van al het mogelijke en waarschijnlijke overschreed?
Kon hij zich zichzelf voorstellen, liftend door de woestijnachtige binnenlanden van Spanje (het rauwe, zongeblakerde koninkrijk van de omgevallen vraagtekens) en daarna woest verliefd kussend, met een donkerharige danseres, gekleed in zo’n wijde flamencojurk met zwarte en bloedrode stroken die hij kende van de verpakking van de scherp ruikende Maja-zeepjes in het badkamerkastje bij zijn oma? Kon hij zich ook de meest absurde situaties inbeelden met dezelfde ernst waarmee hij nog geen kwartier ervoor zijn geheugen aan het werk had gezet?”

 

 2088301-5360791e14ce58e2ec45a95684230393.jpg
Désanne van Brederode (Utrecht, 2 november 1970)

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Kees van den Heuvel werd geboren op 2 november 1960 in Mill. Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor Kees van den Heuvel op dit blog.

 

Brommen

Ik zit hier tussen gangsters, maniakken
Ontvoerders, valsemunters, boevenpak
Het wemelt van de zware criminelen
Het is bepaald geen pretje in de bak

Ik moet de hele dag door zakjes plakken
En ondertussen klinkt maar steeds muzak
Daarna mag ik me rustig gaan vervelen
Het is bepaald geen pretje in de bak

Ik ben voorzien van alle ongemakken
Het tocht, het galmt, het stinkt (ammoniak)
Zelfs ratten willen deze cel niet delen
Het is bepaald geen pretje in de bak

Justitie heeft me vreselijk te pakken
Ik zweer het: ik zal nooit meer iemand kelen
Het is bepaald geen pretje in de bak.

 

 

Zelfbeheersing

Ik voel zo af en toe
Een vreselijke lust
Waarmee ik maar niets doe
Vanwege het taboe
Dat op het vleselijke rust

 

 2088301-b43f6064bdf60b7ecd50a7ec2574bb15.jpg
Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)

 

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Zie ook alle tags van Charlotte Mutsaers op dit blog.

Uit: Harnas van Hansaplast

“Vlak voor Oudjaar, op 29 december 2001, werd mijn broer Barend dood op zijn bed gevonden in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek. Geen gewone dood (voor zover een dood ooit gewoon kan zijn); hij was pas eenenvijftig en slechts omringd door grote stapels porno. Kort daarvoor had ik een krantenbericht gelezen over een man die dood was aangetroffen onder aan een Spaanse rots, met blote pik en een kip zieltogend aan zijn voeten. Ook zoiets.
Ze zeggen wel eens dat iemand het leven heeft verlaten. Maar het ligt omgekeerd. Het leven verlaat ons, en meestal niet gracieus. Het sluipt uit je weg zonder afscheid te nemen, vraagt nooit of het schikt en laat je barsten te midden van de shit. Elk leven is qualitate qua een Unvollendete; voltooide levens bestaan niet.
Jarenlang heb ik getracht een boek over mijn broer te schrijven, maar ik kreeg het niet uit mijn pen. Grote lappen tekst zagen het levenslicht en werden met onevenredige snelheid weer verworpen. Dat had alles te maken met de spreuk die er op het gymnasium bij ons was ingehengst: De mortuis nil nisi bene (Over de doden niets dan goeds), een sympathiek gebod waaraan ik niet wou tornen. Maar zo edel en verstandig ben ik niet, waardoor ik mezelf er meer en meer onder werkte. Ga er maar van uit dat zoiets slopend is.
En hoe ik dan met de dood op mijn hielen rondjes trok door de Amsterdamse binnenstad, die me groter voorkwam dan het ganse heelal. Hoe ik om mij heen de smakkende bevolking en boven mijn hoofd de grijnzende bewolking zag, die me steeds dezelfde vraag leken te stellen: ‘Wat moet jij nou, kleine vlo. Lekker leven of lekker schrijven? Het een of het ander.’ Alsof ik de keus had. Alsof ik niet van nature alles begeerde wat leuk, lief en lekker was. Waarna ik dan maar weer een warme kroket van Oma Bob uit de muur trok en me genietend tussen de smulpapen naar huis begaf, met vette lippen en het besef dat mijn guilty pleasure me alvast volmaakt met de mensheid verbond en verbroederde. Laat ik de vergeefse uren maar niet optellen.”

 

 2088301-1ece52cfd9309bc8ffc36442e77e2d8c.jpg
Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)
Cover

 

 

De Griekse dichter Odysseas Elytis (pseudoniem voor Odysseas Alepoudhelis) werd op 2 november 1911 te Iraklion op Kreta geboren. Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor Odysseas Elytis op dit blog.

 

What do you want

What do you want what do you look for
where is the meaning that fell from your hands
The music you alone hear and the naked
Feet that shift earth like a dancer’s
While the comet of her hair tosses and a spark
Falls before you on the carpet
Where you watch the truth deceive you.
Where are you going what sorrow what burning
Dress is this that detaches your flesh what
Transformed ancient spring to make you give oracles
Thus leaf by leaf and pebble by pebble
Youth kneeling in the transparent deep
The more I sleep and dream the more I see you rise
With a basket of green shells and seaweed
Bitting as if a coin the same sea that
Gave you the very shining the very light the meaning you seek

 

 

We walked in the fields all day

We walked in the fields all day
With the women, the suns, our dogs
We played we sang we drank water
Fresh as it leapt out from the centuries
In the late afternoon for one moment we sat
And we looked each other deeply in the eyes.
A butterfly flew from our breasts
It was whiter
Than the small white branch of the edge of our dreams
We knew that it was never to be extinguished
How it had no memory of what worms it pulled

In the evening we lit a fire
And we sang around and around:

Fire beautiful fire don’t pity the logs
Fire beautiful fire don’t reach to the ash
Fire beautiful fire burn for us
tell us life.

We call her life, we grab her by the hand
We look at her eyes which look back at us
And if what intoxicates us is a magnet, we recognize it

 

Vertaald door Jeffrey Carson en Nikos Sarris

 

 2088301-4579ead3eab4448b4a0560209d99fa03.jpg
Odysseas Elytis (2 november 1911 – 18 maart 1996)

 

 

De Nederlandse dichteres Augusta Guerdina Peaux werd geboren in Simonshaven op 2 november 1859. Zie ook alle tags voor Augusta Peaux op dit blog en ook mijn blog van 2 november 2010

 

Een verbena

Een bloem bloeit aan de wegen
bleek in een zon van jaren her,
rood - haar laaft de regen
die viel in een zomer, al ver.

Spokende zomergnomen
mengen de beker en breken het brood;
haar drenken verre dromen,
zij bloeit zo bleek, zo rood.

 

 

Als toen

Wat blauw en wat wolken die blank staan
stil boven de duinenlijn,
de bogen van duinhelm die rank gaan
rijzen uit wiegend gedein.
In 't voetpad de zandige sporen
van 't karrenwiel, breed en zo diep;
ver over de velden de toren
een wachter en toch of hij sliep.
In greppels het geelbruine water
al wazig van 't kiemende groen....
de wilgen, de velden, het water,
de zon en de wind - zoals toen.

 

 2088301-71150f6fc195e516564f98d4c80a662f.jpg
Augusta Peaux (2 november 1859 - 23 februari 1944)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver en criticus Thomas Mallon werd geboren op 2 november 1951 in Glen Cove, New York. Zie ook alle tags voor Thomas Mallon op dit blog en eveneens mijn blog van 2 november 2010

Uit: Yours Ever

“It embarrasses me to admit that I began writing this book when a first-class stamp cost twenty-nine cents. Well, here we are, the price half again as much and I a third again as old, and my excuses no better than what one usually offers when finally answering a letter that’s been under the paperweight for ages longer than one ever meant it to be.
But a person can’t adequately procrastinate without at least one semi-valid rationalization, and so here’s mine: if this book had come out, as it was supposed to, around 1997, it would have appeared just as e-mail was reaching Everyman and beginning to kill, or revive (there are both schools of thought), the practice and art of letter writing. Whichever the case, the book would have come ashore just as a sea change was making the waters even more interesting.
Letters had always defeated distance, but with the coming of e-mail, time seemed to be vanquished as well. It’s worth spending a minute or two pondering the physics of the thing, which interested Charles Lamb even early in the nineteenth century. Domestic mail was already a marvel—“One drops a packet at Lombard Street, and in twenty-four hours a friend in Cumberland gets it as fresh as if it came in ice”*—but in his essay “Distant Correspondents” (1822), Lamb seemed to regard remoteness and delay as inherent, vexing elements of the whole epistolary enterprise. Considering the gap between the dispatch and receipt of a far-traveling letter, he wrote: “Not only does truth, in these long intervals, unessence herself, but (what is harder) one cannot venture a crude fiction, for the fear that it may ripen into a truth upon the voyage.”
In Lamb’s view, sentiment, unlike revenge, “requires to be served up hot . . . If it have time to cool, it is the most tasteless of all cold meats.” He even imagines poor sentiment being “hoisted into a ship . . . pawed about and handled between the rude jests of tarpaulin ruffians.”

 

 2088301-7058c53ca99baffc583af4896dcd8f9b.jpg
Thomas Mallon (Glen Cove, 2 november 1951)

 

 

De Albanese dichter en schrijver Bilal Xhaferri werd geboren op 2 november 1935 in Ninat bij Konispol. Zie ook alle tags voor Bilal Xhaferri op dit blog en ook mijn blog van 2 november 2010

 

Ballade tchame

L’arc-en-ciel, comme un salut aux larmes d’adieu,
disparut au loin,
sur des langues de flammes,
sous la pluie...

Loin disparut, enflammée, la Tchameria
et tous les chemins mènent vers le nord.
Hurle le vent de la Méditerranée sur les anciennes contrées épirotes,
sur nos chères contrées ancestrales.

Sur les pâtures abandonnées paissent les éclairs.
Les oliveraies non cueillies tonnent comme des vagues sur les collines.
Et partout la terre tchame,
couverte de nuages,
soupire noyée de sang et de larmes,
restée déserte,
sans patron.

Nous montrent la direction les balles, qui sifflent dans le noir.
Nous éclairent le chemin les flammes, qui ont envahi toute la terre
Derrière nos épaules la tempête bat les portes détruites des maisons
et les routes s’allongent en suivant le vent.

Nous, peuple muhajir **, nous marchons sous la pluie...
Adieu, Tchameria !

 

 2088301-0b7040f86d039a73e21416d268f2861a.jpg
Bilal Xhaferri (2 november 1935 – 14 oktober 1986)
Ninat

 

 

De Oostenrijkse schrijver Leo Perutz werd geboren op 2 november 1882 in Praag. Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor Leo Perutz op dit blog.

Uit: Zwischen neun und neun

„Das Gespräch drehte sich um das Mißgeschick, das der Frau Püchl mit einer aus Ungarn bezogenen Sendung Brimsenkäs zugestoßen war. Und in diesem Gespräch wurden sie durch das Erscheinen Stanislaus Dembas unterbrochen, eben jenes Herrn Stanislaus Demba, dessen merkwürdiges Verhalten den beiden Frauen noch wochenlang reichlichen Gesprächsstoff bot.
Demba war dreimal an der Tür vorbeigegangen, ehe er sich entschloß, einzutreten, und hatte jedesmal einen scheuen Blick in das Ladeninnere geworfen. Es sah aus, als suche er jemanden. Auch die Art, wie er eintrat, war auffallend: Er drückte die Klinke nicht mit der Hand, sondern mit dem linken Ellbogen nieder, und bemühte sich sodann, mit dem rechten Knie die Tür aufzustoßen, was ihm nach einigen Versuchen auch gelang.
Dann schob er sich in den Laden. Er war ein großer, breitschultriger Mensch mit einem kurzen, rötlichen Schnurrbart in einem sonst glattrasierten Gesicht. Er trug seinen hellbraunen Überzieher zu einer Art Wulst gewickelt, in welchem seine Hände staken, wie in einem Muff. Er schien einen langen Weg hinter sich zu haben, seine Stiefel waren schmutzig, seine Hosen bis zu den Knien hinauf mit Straßenkot bespritzt.
»Ein Butterbrot, bitte!« verlangte er.
Frau Püchl langte nach dem Messer, ließ sich aber vorerst in ihrem Gespräch mit der Trafikantin nicht stören.
»Also schon das hat mir net g'fall'n: Wie das Kistl ankommt, wiegt's vierasiebz'g Kilo, und i hab' doch von dem Brimsen fünfasiebz'g Kilo b'stellt. Na, und wie i erst den Deckel aufmach', – na also, i sag' Ihna, der Brimsen hat ausg'schaut, da ß ma'n hätt' glei auf a Sommerfrisch'n schicken können zur Erholung. Alles wach, alles zerlaufen. Was bekommt der Herr?«
Stanislaus Demba hatte in seiner Ungeduld mit dem Fuß mehrere Male heftig gegen den Ladentisch gestoßen. »Ein Butterbrot, bitte, aber rasch. Ich habe Eile."

 

 2088301-f339e5dc510837ed70d11d11ce13611e.jpg
Leo Perutz (2 november 1882 – 25 augustus 1957)
Monument bij de Wolfgangsee in Ried bij St. Wolfgang

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers eveneens mijn blog van 2 november 2008, mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2006.

Geschreven door Romenu om 11:18 Reageer op dit bericht

Hera Lind

De Duitse schrijfster Hera Lind werd geboren op 2 november 1957 in Bielefeld als Herlind Wartenberg. Na het behalen van haar gymnasiumdiploma aan de Hans-Ehrenberg-school in Bielefeld-Sennestadt, studeerde ze katholieke godsdienstleer en germanistiek aan de universiteit van Keulen met het doel om lerares te worden. In 1981 behaalde ze haar eerste staatsexamen. Vanwege haar vocale talent volgde zij ook vanaf 1979 aan de Hochschule für Musik in Keulen een opleiding tot concertzangeres, die ze in 1989 met succes voltooide. Ze was lid van het omroepkoor van de Westdeutsche Rundfunk en nam deel aan concertreizen als vocale soliste. In 1988, tijdens haar eerste zwangerschap, werd zij gedwongen te stoppen met zingen; ze gebruikte de tijd om haar eerste roman “Ein Mann für jede Tonart” te schrijven, die een groot succes werd. Er volgden in de jaren negentig andere romans die bestsellers werden; Veel van deze boeken zijn ook verfilmd. Haar latere publicaties waren minder succesvol. Tot op heden hebben haar boeken, die zijn vertaald in verschillende talen, echter een totale oplage bereikt van meer dan twaalf miljoen verkochte exemplaren. Vanaf 1995 presenteerde Hera Lind in het ZDF de talkshow Hera Lind & Leute, die hoge kijkcijfers behaalde. In 1997 verhuisde ze naar ARD, waar ze niet kon voortbouwen op het succes van ZDF met de show Herzblatt; zij presenteerde de show tot 1998.

Uit:Ein Mann für jede Tonart

“Ein Brummen und Summen ging durch den Probensaal, man redete, lachte, begrüßte sich, scherzte, manch einer stimmte auch angelegentlich sein Instrument oder gab eine Passage aus dem Notenblatt zum besten. Jürgen saß versunken auf seinem Stuhl und liebkoste sein Oboenmundstück. Emsig, mit feuchten Lippen und Preßgrübchen im Gesicht. Das Mundstück gab gequälte Laute von sich, die Oboe selbst lag teilnahmslos herum. Ich könnte mal hingehen und sagen, ich höre dir so gern beim Mundstückeinweichen zu, dachte ich erbost. Ich mag deine Oboe auch ohne Mundstück. Oder so was. Vielleicht würde er merken, wie blöd er vorhin war. Aber der gekränkte Ritter würdigte mich keines Blickes.
Warum auch. Wer sich zum Chor umdreht oder lacht, kriegt den Buckel vollgemacht.
Als der Maestro kam, klopfte man gönnerhaft Beifall aufs Pult. Ein angesehener Meister des Taktstocks. Man kennt ihn. Wenn auch nur vom Plattencover oder aus dem Radio.
Der Meister zupfte sich seine strähnigen, fettigen dünnen Haare in den Hinterkopf, wo er sie mit einer Spange befestigte. Dann schüttelte er dem ersten Geiger kräftig die Hand. Dienstfertiges Aufspringen. Heftiges Schütteln seinerseits. Was sie sich an Herzlichkeiten sagten, konnte ich nicht verstehen.
Mit überraschend dünnem Stimmchen verkündete der Maestro: »Takt zwanzig, Damänchärän, bittä Ruhä, wir sind doch nicht im Kindergartän.«
Da hatte er nicht unrecht. Wir rissen uns zusammen. Dienst ist Dienst.
Im Saal lungerten einige Leute herum. Irgendwelche Gönner und Kunstkenner und Insider und Besserwisser. Also vielleicht Inspizienten und Chordirektoren und Korrepetitoren und Notenkofferschlepper oder Stimmgabelträger, was weiß ich. Wichtige Persönlichkeiten jedenfalls. Ich versuchte, mich auf die Probe zu konzentrieren.
»Takt dreizehn auf der drei bitte sforzato, und ab Takt sechzehn beginnendes Diminuendo.«
Aha. Allgemeines Bleistiftzücken und Kopfnicken.
Ich überlegte, was ich nach dem Diminuendo, also heute abend, machen würde. Essen gehen? Mit Kollegen? Das hatten wir doch schon so oft.
Allein? Kino? Oder ins Hotelzimmer und bieder sein? Fernsehen? Heile Welt mit Thekla Carola Witta Meisel? Sicherlich das Beste und Gesündeste!
Jürgen stand nicht zur Debatte. Dann lieber Bobby Ewing.”

 

 2088565-9c0635e35a0ddd256a6a8e45a5c132be.jpg
Hera Lind (Bielefeld, 2 november 1957)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Allerheiligen (Norbert Hummelt)

 

Dolce far niente – Bij Allerheiligen

 

 2088095-79cb2a33ea3407a174f597bf34c50451.jpg
Griekse icoon van Alle Heiligen, 18e eeuw

 

 

Allerheiligen

sie sperren abends lang schon nicht mehr zu; nah den laternen
sieht man, wo man tritt; weil sich die augen rasch gewöhnen
können, wirkt nach u. nach der ganze weg beleuchtet. wann

wenn nicht heute kann man zu so später stunde getrost zu seinen
lieben toten gehen. die lichte leuchten nie so dicht, so traulich
aufgestellt in bodennähe, dass man geführt wird von dem warmen
schein, wenn auch kein lebender mehr unterwegs sein wird. doch
kann ich trotzdem eines nicht verstehen. waren nicht sonst um diese
Jahreszeit die gräber vielfach schon mit torf bestreut? war ich nicht

selber einer, der da streuen ging, bis alle erde zugedeckt erschien?
jetzt liegt die krume unverhüllt; vom torf ist man gemeinhin ab-
gekommen. friert denn die erde winters nicht mehr zu? ist niemand

mehr da unten drin, dem eine warme decke guttun könnte, jetzt, wo
die tage (uhr ist umgestellt) mit einem mal rapide kürzer werden? ist
das organische schon so weit abgebaut, dass man von überresten kaum

mehr reden kann? sind pilze u. bakterien mit ihrer arbeit schon zum
schluss gekommen? das längst; doch bin ich nicht gewohnt, die dinge,
die in rede stehen, auf diese kühle art zu sehen. ist hier doch stets

der ort gewesen, wo ich den toten nahe war, in rufweite zu gott. da gab
es etwas, das durch wolken dringt. ich habe ein dreitagelicht; es ist
fast hell geworden, seit ein vogel singt; urahne, urangst, mutter u. Kind.

 

 2088095-38dc3f8780f281d5de5e1e1baaf793c3.jpg
Norbert Hummelt (Neuss, 30 december 1962)
Neuss, St. Quirinus Münster

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 16:02 Reageer op dit bericht

Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Szilárd Borbély, Ilse Aichinger, Jean-Simon DesRochers, Stefaan van Laere, Hermann Broch, Jean Tardieu

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952. Zie ook alle tags voor Job Degenaar op dit blog.

 

Hij is zo'n zomerdromer

Hij is zo’n zomerdromer
hij wil je welvingen bezingen
je hand die in zijn nanacht streelt

Als lijnzaad ritselt in cocons, vlas
in schoven bijeen ligt, de zeelucht
vlugschriften van augustus aanvoert

rookt hij in zijn tuin een cigarillo
en wacht, terwijl de wind
snuffelt in z’n broekspijpen

Nog voor de zee verherfst, kil
als visschubben wordt, sta je
uit zijn waas van woorden op

 

 

Vooruitzicht

De dag komt dat je het brood laat staan
de deur sluit, de lamp uitdoet, je windsels
als voorbije beloften aflegt
en de laatste gedachten schrapt

dat de spiegel, liefste, langzaam dooft
de wereld zich in je oplost, het nacht wordt
zoals het nooit nacht geweest is en je
misschien ontwaakt in het lichtste licht

En mocht jij van ons daar eerder zijn
weet dat eens de tijd ook mij zal duwen
over de drempel, met beter vooruitzicht
weliswaar: de zachte landing in jouw armen

 

 2088090-1cafe2274e3fd79573e3f103e5c1516b.png
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en essayist Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar in Indonesië geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Rudy Kousbroek op dit blog.

Uit: I am a saint: you are a sinner.Hypocrisie en oprechtheid in de geschiedschrijving van Nederlands-Indië

“Het toeval wilde dat ik mij in Oedjoeng Pandang, dat wil zeggen Makassar bevond toen kapitein Westerling zojuist naar de eeuwige jachtvelden was vertrokken; nu alweer zowat een jaar geleden.
Het nieuws kan niet veel meer dan een dag oud zijn geweest maar het was al in Makassar bekend. Iedereen praatte erover en het ongebruikelijke feit deed zich voor dat meerdere Indonesiërs - anders zo discreet over het koloniale verleden - mij er over aanspraken. Was het waar? Wat dacht ik van Westerling? Was het waar dat hij al die tijd gewoon tussen de andere mensen in Holland woonde en vrij rond liep? Ik stond met mijn mond vol tanden; ook in mijn ogen was dat namelijk onverklaarbaar en beschamend. En dat in een land dat altijd zo'n principieel standpunt inneemt tegenover oorlogsmisdaden, tenminste die van anderen.
Nederland onderscheidt zich van de rest van de wereld door een buitengewone onverzoenlijkheid op dit gebied. Vijfenveertig jaar later wordt onze politiek nog beïnvloed door erfenissen uit het verleden die in andere landen allang geen rol meer spelen. Kortgeleden was ik betrokken in ronde nummer zoveel van de kwestie Hirohito, en wat mij ondanks alles toch weer verrast heeft was de felheid van de reacties, gecombineerd met een hardnekkige en openlijk beleden ongeïnteresseerdheid in de werkelijke toedracht.
Ook in de berechting van (werkelijke) Japanse oorlogsmisdadigers is Nederland destijds strenger te werk gegaan dan enig ander land dat met Japan in oorlog is geweest (93% van alle Japanners die terecht stonden veroordeeld; VS 87%, Engeland 88%, Australië 69,5%, China 56,9%, Philippijnen 78,7%). ‘Hoe te verklaren’, schrijft De Jong, ‘dat naar verhouding weinig Japanners werden vrijgesproken, dat de bijzondere rechtspleging in Indië heel veel meer Japanners ter dood heeft veroordeeld dan er Duitsers ter dood zijn veroordeeld door de bijzondere rechtspleging in Nederland (236 resp. 18) en dat, anders dan in Nederland, waar van die 18 ter dood veroordeelde Duitsers dertien gratie kregen, in Indië maar in tien gevallen gratie van de doodstraf is verleend?"

 

 2088090-f3a2d918a64c96f5d1212bfb11339ac0.jpg
Rudy Kousbroek (1 november 1929 - 4 april 2010)
Cover

 

 

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Zomaar een dak

Zomaar een dak boven wat hoofden, deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen, speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt als wij er binnengaan
om recht voor God te staan.

Woorden van ver, vallende sterren, vonken verleden hier gezaaid.
Namen voor Hem, dromen, signalen, diep uit de wereld aangewaaid.
Monden van aarde horen en zien, onthouden, spreken voort,
Gods vrij en lichtend woord.

Tafel van Eén, brood om te weten dat wij elkaar gegeven zijn.
Wonder van God, mensen in vrede, oud en vergeten nieuw geheim.
Breken en delen, zijn wat niet kan, doen wat ondenkbaar is,
dood en verrijzenis.

 

 2088090-d5640f3d4b5461e7f62b36ebd384627d.jpg
Huub Oosterhuis (Amsterdam, 1 november 1933)

 

 

De Hongaarse dichter, schrijver, vertaler en letterkundige Szilárd József Borbély werd geboren op 1 november 1963 in Fehérgyarmat. Zie ook alle tags voor Szilárd Borbély op dit blog.

Uit: Die Mittellosen (Vertaald door Heike Flemming en Lacy Kronitzer)

“Immer gehen wir irgendwohin, meine Mutter und ich. Sie kann nicht zu Hause bleiben. Sie ist ruhelos. Sie hält meine Hand und zieht mich hinter sich her. Ich wünschte, sie würde mich hochnehmen, ich kann nicht laufen. Kann nicht so schnell laufen wie meine Mutter. Ich trotte hinter ihr her. Bleibe zurück. Dann nimmt sie meine Hand und zerrt mich mit sich. Um mich nicht zu langweilen, zähle ich meine Schritte. Wenn wir gehen, gehen wir meistens zu ­meinem Großvater oder kommen von ihm zurück. Wir gehen ­immer die gleiche Straße, die hinter dem Glockenstuhl zum Ostende abbiegt und dann weiter geradeaus zum Kirchplatz führt. Erst dann macht sie eine scharfe Biegung nach links. Dort ist der Osten, von dort kommt morgens die Sonne.
     Wir treten aus unserem Hof, schließen die kaputte Tür hinter uns. Ein krummer Draht hält sie am Türpfosten. Ihre Unterkante quietscht und knarrt, wenn sie über den Betonboden schleift. Den Hund, Zigeuner, tritt meine Mutter mit dem Fuß zurück in den Hof. Sanft, damit es ihm nicht wehtut.
     »Du, Zoki, na ! Geh zurück !«, sagt sie. Der Hund fliegt anderthalb Meter. Er landet auf dem Boden, springt aber sofort wieder auf die Beine. Rennt zurück zu der kleinen Tür. Die aber ist bereits zu. Er kann nicht heraus. Begleitet uns hinter dem Draht bis zum Zaun des Nachbarn. Von dort winselt er uns hinterher. Wir gehen weiter. Noch drei Häuser, und wir sind auf dem Steinweg. Das Büffelbad liegt tief. Unsere Straße liegt in einer Grube. Zum Steinweg führt eine Treppe hinauf.
     Wir gehen hinüber zur Rampe. Es kommt nichts. Nur selten kommt hier etwas vorbei. An der Rampe stehen immer ein paar Leute. Sie unterhalten sich. Meine Mutter nickt nur mit dem Kopf, und wir gehen weiter zum alten Dorfkern. Der Gehweg wurde unlängst neu gemacht. Seitdem muss man nicht mehr im Schlamm waten wie zuvor. Mutter schämt sich, dass wir in der Zigeunerzeile wohnen. Die Männer, die vor der Kneipe stehen, pfeifen Mutter hinterher. Meine Mutter ist jung.
     »Kümmere dich nicht um die«, sagt sie. »Das sind rohe Bauern. Wir sind keine Bauern. Sie machen es, weil sie sich langweilen. Sie langweilen sich ihr ganzes Leben. Kluge Menschen langweilen sich nicht. Dein Großvater war Ausbilder in Jutas, solche Leute fürchteten ihn wie das Feuer. Er hat die Unteroffiziersanwärter ausgebildet. Er wurde geachtet, weil er Haltung hatte. Wir waren nie Bauern.« Sie schweigt und marschiert weiter, in Gedanken versunken.
     »Auch ich wurde verspottet, als ich klein war. Sie haben mich geschlagen, weil ich von deinem Großvater ein Fahrrad bekommen hatte vierundvierzig. Ich war fünf Jahre alt. Er hatte es aus Jutas mitgebracht. Es war ein Kinderrad, man beneidete mich darum. Es war wunderschön. Ich habe es sehr geliebt. Dann fanden wir einmal einen Zettel unter dem Sattel : »Evchen Sternberg, Esterházy-Straße 25, Pápa«. Es war wohl ihr Fahrrad. Die Darabánt-Kinder haben es weggenommen und kaputt gemacht«, sagt sie.“

 

 2088090-1c87a1173a364872b64042a1b47ceeab.jpg
Szilárd Borbély (1 november 1963 - 19 februari 2014)

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

Uit: Die größere Hoffnung

„Rund um das Kap der Guten Hoffnung wurde das Meer dunkel. Die Schiffahrtslinien leuchteten noch einmal auf und erloschen. Die Fluglinien sanken wie eine Vermessenheit. Ängstlich sammelten sich die Inselgruppen. Das Meer überflutete alle Längen- und Breitengrade. Es verlachte das Wissen der Welt, schmiegte sich wie schwere Seide gegen das helle Land und ließ die Südspitze von Afrika nur wie eine Ahnung im Dämmern. Es nahm den Küstenlinien die Begründung und milderte ihre Zerrissenheit.
Die Dunkelheit landete und bewegte sich langsam gegen Norden. Wie eine große Karawane zog sie die Wüste hinauf, breit und unaufhaltsam. Ellen Ellen schob die Matrosenmütze aus dem Gesicht und zog die Stirne hoch. Plötzlich legte sie die Hand auf das Mittelmeer, eine heiße kleine Hand. Aber es half nichts mehr. Die Dunkelheit war in die Häfen von Europa eingelaufen.
Schwere Schatten sanken durch die weißen Fensterrahmen. Im Hof rauschte ein Brunnen. Irgendwo verebbte ein Lachen. Eine Fliege kroch von Dover nach Calais.
Ellen fror. Sie riß die Landkarte von der Wand und breitete sie auf den Fußboden. Und sie faltete aus ihrem Fahrschein ein weißes Papierschiff mit einem breiten Segel in der Mitte.
Das Schiff ging von Hamburg aus in See. Das Schiff trug Kinder. Kinder, mit denen irgend etwas nicht in Ordnung war. Das Schiff war vollbeladen. Es fuhr die Westküste entlang und nahm immer noch Kinder auf. Kinder mit langen Mänteln und ganz kleinen Rucksäcken, Kinder, die fliehen mußten. Keines von ihnen hatte die Erlaubnis zu bleiben und keines von ihnen hatte die Erlaubnis zu gehen.“

 

 2088090-61e95e3fc52010a2004974b5968cf4f4.jpg
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)

 

 

De Canadese schrijver Jean-Simon DesRochers werd geboren op 1 november 1976 in Montréal, Québec, Canada. Zie ook alle tags voor Jean-Simon DesRochers op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Les inquiétudes

"La porte laisse entrer un courant d’air. Depuis des semaines, Alexandre remet cette réparation au lendemain.
Le sifflement du vent qui s’engouffre dans la fente envahit l’appartement. Il n’est plus possible d’ignorer ce bruit fantomatique, ce rappel de l’hiver à venir. Xavier est parti à vélo depuis dix minutes. Il est rentré de l’école après sa retenue, a déposé son sac dans le corridor, s’est dirigé vers le gardemanger.
« S’lut, p’pa » ont été les seuls mots prononcés. Alexandre était resté muet, rivé à l’écran de son ordinateur, examinant les égoportraits d’une femme qui occupe ses pensées depuis l’été. Lorsqu’il se leva, il vit une note manuscrite laissée sur la table. Il la secoua pour enlever les miettes de biscuit. « Partit en bécique fère le tour du bloc. » Alexandre soupira, regarda par la fenêtre du salon. Son fils roulait dans la ruelle, tête baissée.
Hostie de porte.
Une rafale l’a ouverte. Une masse d’air frais prend possession du couloir mal éclairé. Une feuille d’érable desséchée se loge dans un coin de l’entrée. Alexandre referme la porte d’un geste brusque. Il consulte sa montre après avoir tourné le loquet. Trop tard pour se rendre à la quincaillerie.
Sans parler du repas qu’il doit préparer. Sa femme est en route. Il récupère une feuille poussée par le vent, il la jettera dans la poubelle du bureau.
Devant le réfrigérateur ouvert. Alexandre, les épaules lourdes. Des moisissures se sont formées sur le mijoté qu’il souhaitait réchauffer. Il se demande comment sa mère parvenait à conserver ses plats si longtemps.
Fuck off. Pizza.
En quelques pas, Alexandre retourne dans le bureau, la pièce où jadis se trouvait sa chambre d’enfant. Les marques laissées dans le plancher par ses anciens meubles sont encore visibles. Il devait refaire le vernis au printemps dernier."

 

 2088090-f076c9f37b78d5e9be0d30dd3d17f4f2.jpg
Jean-Simon DesRochers (Montréal, 1 november 1976)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Zie ook alle tags voor Stefaan van Laere op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Tango Mortale

“Twee hoog in de veilige buik van de randstad, alles leek rustig en een slaperige taxichauffeur had net zijn laatste passagier afgeleverd. Het einde van zomaar een week om snel te vergeten, nauwelijks een notitie in het dagboek van Annemie waard.
Met zijn hoofd half onder het kussen lag George Bracke gelukzalig te snurken, nog nagenietend van het geslaagde avondmaal. De combinatie van tarbot met mosterdsaus en gemberkroketten was gewaagd geweest, en het huzarenstukje had hem vooraf enig hoofdbreken gekost. Zou het zilte van de vis niet al te zeer met de bittere smaak van de wortel vloeken? En was de bijbehorende chocoladesaus met amandelschilfers niet net iets te vergezocht? Maar het uiteindelijke op-en-top geslaagde resultaat had zelfs Bracke verbaasd. En daar lag hij nu gelukzalig van te dromen. Hij hoorde de welgemeende complimentjes van Cornelis nog zachtjes nazinderen. Het dineetje zou op kantoor het gespreksonderwerp van de dag worden, en iedereen zou komen polsen wanneer zijzelf eens de gast van Bracke mochten zijn. Dat was voor de meerderheid een utopie. Voor je op die lijst kwam, moest je eerst een indrukwekkende staat van verdiensten hebben.
Annemie had zich weer in haar geliefde foetushouding genesteld, haar armen rond het middel van haar echtgenoot geklemd. Mijn ventje, fluisterde ze in zijn oor net voor ze samen in slaap doezelden. Knabbelend aan zijn oorlelletje, zijn meest erogene zone. Maar hij reageerde niet. Dat gebeurde de laatste tijd wel meer. Mannen, ze zouden wel altijd vreemde wezens blijven.
Zie ze daar eens liggen, dacht de inbreker met een gemengd gevoel van vertedering en afgunst. De situatie meester, handen in de broekzakken. Hij had de deur op een kier, en gluurde op zijn gemak naar binnen. Meneer de commissaris Bracke en mevrouw de woordvoerder van de politie Vervloet. Menig rancuneus misdadiger zou wat graag in zijn plaats geweest zijn en een stengun bovenhalen om wraak te nemen.”

2088090-3746a19d48d7757a5320c86c558f952f.png 
Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)
Cover

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hermann Broch werd op 1 november 1886 in Wenen geboren. Zie ook Zie ook alle tags voor Hermann Broch op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Der Tod des Vergil

“Und obwohl er still lag und nicht um die Breite eines Fingers sich in irgendeiner Richtung bewegte, und auch das Zimmer um ihn herum sich nicht im geringsten veränderte, war ihm als ob er vorwärtsgetragen würde, ja, er wurde vorwärtsgetragen, vorwärtsgezogen ins Unsichtbare und vom Unsichtbaren, von seinem Vorwissen, von seiner Vorerinnerung, es huschte die Erinnerungsmannigfaltigkeit ihm voraus, als könnte sie ihn vorwärtslocken, als könnte und sollte die Fahrt hiedurch beschleunigt werden, er wurde vorwärtsgetragen von dem Grauen, in das eingehüllt er lag, vorwärtsgetragen zu dem Grauensziele, das am Anfang steht, und das Zimmer schwebte mit ihm, unverändert und dabei fahrtartig verformt, zeiterstarrt und dabei fortwährend sich verändernd. Starr lösten sich die Amoretten aus dem Fries und verblieben trotzdem darin, aus Malerei und TÜnche lösten sich Akanthusblätter, menschengesichtig geworden und den Stengel zur gekrampften Adlerkralle ausgewachsen, sie wehten neben dem Bette dahin, die Fänge schließend und öffnend, als wollten sie deren Griffstärke erproben, es wuchsen ihnen Bärte aus dem Blattgesicht und wurden wieder darein verschluckt, sie wehten dahin im Unbewegten, oftmals sich überschlagend, oftmals wie in einem Wirbel der Unbewegtheit sich drehend, es wurden ihrer mehr und mehr, weit mehr als die Wandmalerei hergab, mochte sich diese auch ständig erneuern, sie entflatterten der Malerei, sie entflatterten der nackten Wand, sie entflatterten dem Nirgendwo, ausgespien von den kaltbrodelnden Vulkanen des Nichts, die überall aufbrachen, im Sichtbaren wie im Unsichtbaren, im Innen wie im Außen, sie waren Vulkanlava, hauchiger Schutt des Vorentstehens und des Verfalles, mannigfaltiger und mannigfaltiger werdend, je mehr ihrer wurden, aus der Leerheit entstandene und entstehende Formen, die sich außerdem während ihres Dahingaukelns ineinander und auseinander verwandelten, ungestaltetes und ungestaltbares Zeug,…“

 

 2088090-00ac5109a3e38a34cf5add2f57478035.jpg
Hermann Broch (1 november 1886 - 30 mei 1951)

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean Tardieu werd geboren op 1 november 1903 in Saint German de Joux. Zie ook alle tags voor Jean Tardieu op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Dialogue du mort et du vif

Viendrez-vous ? —
Je vous connaiisais : je ne vous reconnais plus.

Viendrez-vous ? —
Eh, qui donc parle ?
Je ne sais qui vous êtes.

Viendrez-vous de notre côté ?
—
Vous êtes un faux visage qui fait semblant de vivre, je n 'ai rien à vous dire.
Vous viendrez, je le sais vous rejoindrez nos rangs qui croissent tous les jours et piétinent dans l'ombre.
—
Alors je franchirai le seuil infranchissable nous sommes l'un à l'autre
fermés impénétrables je parle déjà seul il faudra bien me taire.

 

 

L'éternel Enfant

Grand plaisir grand merci
Merci mille fois merci. À bientôt
Mais non
Mais si
Ce n'est rien je vous en prie.

À
Dimanche à
Lundi

À
Mardi à
Mercredi

C'est cela : plutôt
Vendredi

Le matin, je veux dire à midi

Dès l'aurore avant la nuit.

Sans façon c'est par ici
Trop aimable.
Bonne nuit.

 

 2088090-78b3a31fb7f3f43bb11f3fbbf5290733.jpg
Jean Tardieu (1 november 1903 – 27 januari 1995)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn blog van 1 november 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook mijn blog van 1 november 2009.

Geschreven door Romenu om 16:01 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten